Bijlage 3 Mer-beoordelingsnotitie Zuiderhage
Tekst van het document
Mer-beoordelingsnotitie Zuiderhage Omgevingsplan gemeente Lelystad Rijksvastgoedbedrijf 20 februari 2026 - Public
MER-BEOORDELINGSNOTITIE ZUIDERHAGE
Contactpersoon TEAM RUIMTELIJKE TRANSITIE & INFRASTRUCTUUR Senior adviseur milieueffectrapportage Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Inhoudsopgave 1
2
3
3
Deze notitie
5
1.1
Aanleiding: fase 1 van nieuw stadsdeel Zuiderhage
5
1.2
Toetsing aan mer-verplichtingen
5
1.3
Procedure mer-beoordeling voor projecten & plannen
8
1.4
Doel en opzet van deze mer-beoordelingsnotitie
9
Kenmerken van het project
10
2.1
Gebiedsontwikkeling Zuiderhage
10
2.2
Andere projecten en ontwikkelingen
17
Plaats project en kenmerken potentiële effect
19
3.1
Leeswijzer
19
3.2
Verkeer
19
3.2.1
Fase 1
19
3.2.2
Gehele ontwikkeling
21
3.3
Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten
22
3.3.1
Fase 1
22
3.3.2
Gehele ontwikkeling
23
3.4
Geluid
24
3.4.1
Fase 1
24
3.4.2
Gehele ontwikkeling
27
3.5
Luchtkwaliteit
27
3.5.1
Fase 1
27
3.5.2
Gehele ontwikkeling
28
3.6
Geurhinder
28
3.6.1
Fase 1
28
3.6.2
Gehele ontwikkeling
29
3.7
Trillingen
29
3.7.1
Fase 1
29
3.7.2
Gehele ontwikkeling
30
3.8
Licht
30
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
4
3.8.1
Fase 1
30
3.8.2
Gehele ontwikkeling
30
3.9
Omgevingsveiligheid
30
3.9.1
Fase 1
30
3.9.2
Gehele ontwikkeling
32
3.10
Ontplofbare oorlogsresten
32
3.10.1
Fase 1
32
3.10.2
Gehele ontwikkeling
33
3.11
Gezondheid
33
3.11.1
Fase 1
33
3.11.2
Gehele ontwikkeling
33
3.12
Bodem
34
3.12.1
Fase 1
34
3.12.2
Gehele ontwikkeling
34
3.13
Water
34
3.13.1
Fase 1
34
3.13.2
Gehele ontwikkeling
35
3.14
Natuur
35
3.14.1
Fase 1
35
3.14.2
Gehele ontwikkeling
39
3.15
Cultuurhistorie
40
3.15.1
Fase 1
40
3.15.2
Gehele ontwikkeling
40
3.16
Archeologie
41
3.16.1
Fase 1
41
3.16.2
Gehele ontwikkeling
42
Conclusies
43
4.1
Toetsing aanzienlijke milieueffecten fase 1
43
4.2
Toetsing aanzienlijke milieueffecten geheel Zuiderhage
44
4.3
Conclusies en vervolg
46
Colofon
4
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
48
1
Deze notitie
1.1
Aanleiding: fase 1 van nieuw stadsdeel Zuiderhage
Het Rijksvastgoedbedrijf werkt samen met de gemeente Lelystad aan de doorontwikkeling van Lelystad-Zuid. Nu de ontwikkeling van de wijk Warande deelgebied 1 richting afronding gaat, zijn beide partijen druk bezig met de planvoorbereiding van de gebiedsontwikkeling Zuiderhage. Daarbij ligt de lat hoog, het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente willen met deze grootste uitleglocatie van Lelystad een bijdrage leveren aan meerdere maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, klimaat, energietransitie en circulaire economie. Met als specifieke doelstelling een versnelling van de woningbouw naar 750 woningen per jaar. Zuiderhage wordt een compleet stadsdeel van circa 500 hectare bestaande uit circa 13.000 woningen met voldoende voorzieningen om een aantrekkelijk en toekomstbestendig leefmilieu te bieden (ruim 25.000 inwoners en 9.000 tot maximaal 16.000 woningen volgens de Mastervisie 2024 ZuiderC). Dit nieuwe stadsdeel zal gefaseerd in een periode van 20 tot 25 jaar worden ontwikkeld met compacte buurtschappen met optimale beleving van de natuur. Fase 1 beslaat maximaal 2.400 woningen. Het is de bedoeling om hiervoor in 2026 de wijziging van het omgevingsplan vast te stellen en de aanleg- en realisatiefase loopt tot en met 2031. Het betreft een globaal en flexibel plan met omgevingsplanactiviteiten.
1.2
Toetsing aan mer-verplichtingen
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (mer) ontwikkeld dat is vastgelegd in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. Merverplichtingen kunnen aan de orde zijn voor zowel concrete projecten als voor plannen die hieraan voorafgaan. Voor het gebied waar het nieuwe stadsdeel Zuiderhage is voorzien is de procedure van de milieueffectrapportage (mer-procedure) al doorlopen. Het complete stadsdeel heette destijds Warande waarbij is uitgegaan van een programma van 8.320 woningen. Hiervoor is in 2007 een milieueffectrapport (MER) opgesteld (MER Warande, Witteveen & Bos). Het MER is gekoppeld aan de vaststelling van de wijziging van het bestemmingsplan om fase 1 van Warande ruimtelijk mogelijk te maken. Op basis van dit bestemmingsplan zijn en worden al woningen en deelgebieden gerealiseerd. Dit betreft in totaal ongeveer 1.650 woningen. Daarmee is in lijn met de jurisprudentie de mer-plicht voor het nieuwe stadsdeel in principe uitgewerkt.
Echter, met de vaststelling van de Mastervisie in 2024 zijn de ruimtelijke inzichten voor de inrichting van het gebied gewijzigd en wordt met de totale ontwikkeling van het nieuwe stadsdeel (inmiddels Zuiderhage genaamd) ook een groter aantal woningen voorzien dan destijds (maximaal ruim een verdubbeling). De nu voorziene wijziging van het omgevingsplan om fase 1 van Zuiderhage met maximaal 2.400 woningen ruimtelijk mogelijk te maken vormt daartoe de eerste stap. Daarom is er voor gekozen om voor deze eerste stap van de herziene gebiedsontwikkeling opnieuw te toetsen aan de mer-verplichtingen, uitgaande van de sinds 1 januari 2024 vigerende Omgevingswet met het bijbehorende Omgevingsbesluit. In deze paragraaf is achtereenvolgens getoetst of voor deze wijziging sprake is van: 1. Mer-verplichtingen in het kader van projecten. 2. Mer-verplichtingen in het kader van plannen. Deze paragraaf wordt afgesloten met een samenvattende conclusie.
5
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
1. Mer-verplichtingen in het kader van projecten De mer-verplichtingen voor projecten zijn uitgewerkt in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor de voorgenomen gebiedsontwikkeling Zuiderhage is projectnummer J11 relevant: "Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen." Onderstaand is een uitsnede uit bijlage V van het Omgevingsbesluit opgenomen. Nummer
1. Project
2. Gevallen waarin de mer-plicht geldt
3. Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt
4. Besluiten
J11
Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
Niet van toepassing
Aanleg, wijziging of uitbreiding
Het omgevingsplan
Een stedelijk ontwikkelingsproject is een ruim begrip, waar onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, winkelcentra, woonboulevards, parkeerterreinen, ziekenhuizen en scholen onder vallen. Tot een stedelijk ontwikkelingsproject worden ook alle voorzieningen gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur (bron: Memorie van Toelichting Omgevingsbesluit). De voorgenomen woningbouw in de gebiedsontwikkeling Zuiderhage, inclusief bijbehorende voorzieningen, betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Uit bovenstaande uitsnede uit bijlage V is af te lezen dat er geen sprake is van een directe mer-plicht voor het project (zie kolom 2). Wel is er in alle gevallen (aanleg, wijziging of uitbreiding) sprake van een mer-beoordelingsplicht (zie kolom 3). Deze mer-beoordelingsplicht voor het project is gekoppeld aan de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 (zie kolom 4). De opgave voor fase 1 van Zuiderhage (maximaal 2.400 woningen) inclusief het aantal woningen wat al is of wordt gerealiseerd binnen de woonwijk Warande (1.650 woningen) past nog ruimschoots binnen de totale voorziene opgave zoals deze is onderzocht in het MER Warande uit 2007.
Echter, uit jurisprudentie blijkt dat het MER bij het eerste ruimtelijke besluit dat een gefaseerd project ruimtelijk mogelijk maakt dient te gaan over de totale ontwikkeling. En de nu voorziene totale ontwikkeling kan maximaal een verdubbeling van het aantal woningen betekenen ten opzichte van wat destijds in het MER uit 2007 was voorzien. Ook al betreft het zowel in 2007 als nu in 2025 de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel in het zelfde gebied, kan worden ingebracht dat de nu voorziene ontwikkeling niet meer past binnen de scope van het MER uit 2007 en dat daarmee de mer-plicht niet is uitgewerkt. Daarom is besloten om een mer-beoordeling voor projecten uit te voeren gekoppeld aan de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1, waarbij zowel fase 1 als de totale ontwikkeling van Zuiderhage wordt beoordeeld. Een mer-beoordeling voor projecten is een korte formele procedure waarbij moet worden vastgesteld of sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Is dat het geval, dan moet de mer-procedure voor projecten worden doorlopen en een milieueffectrapport (MER) voor projecten worden opgesteld. Als dat niet het geval is hoeft de mer-procedure voor projecten niet te worden doorlopen. De korte procedure van de mer-beoordeling voor projecten is toegelicht in de volgende paragraaf.
Naast de ontwikkeling van Zuiderhage is ook de nog te realiseren ‘Rondweg Lelystad Zuid’ van belang. Deze rondweg vormt een belangrijk onderdeel van de toekomstige hoofdverkeersstructuur van Lelystad en is ook van belang voor de toekomstige ontsluiting van het stadsdeel Zuiderhage richting de A6 (deze rondweg grenst aan de zuidwest- en noordwestzijde van het nieuwe stadsdeel). Door de provincie Flevoland wordt voor de rondweg de projectprocedure doorlopen. Het definitieve projectbesluit is op 23 januari 2026 gepubliceerd. Gekoppeld aan de projectprocedure is een mer-procedure doorlopen en is een MER opgesteld voor de rondweg.
6
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
2. Mer-verplichtingen in het kader van plannen Naast de mer-verplichtingen voor projecten is het ook belangrijk om de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 van Zuiderhage te toetsen aan mer-verplichtingen voor plannen. Deze verplichtingen waren ten tijde van het doorlopen van de mer-procedure voor het nieuwe stadsdeel Warande in de periode 2000 – 2007 nog niet van toepassing. Voor wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plannen geldt een mer-plicht in het geval dat het plan: 1. een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten, en / of 2. waarvoor een passende beoordeling Natura 2000 nodig is. De wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 van de gebiedsontwikkeling Zuiderhage is een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan. Het is echter zoals hiervoor beschreven zelf het besluit voor een merbeoordelingsplichtig project en vormt hiervoor dus geen kader. Dit betekent dat er geen mer-verplichtingen voor plannen gelden vanwege kaderstelling. Geval 1 is niet van toepassing. De omgevingsvisie 2050 voor Lelystad die door de gemeente Lelystad recent is vastgesteld (17 februari 2026), vormt overigens wél een kader voor de besluitvorming over Zuiderhage. Voor deze omgevingsvisie is door de gemeente Lelystad de mer-procedure voor plannen doorlopen en is een zogenoemd Omgevingseffectrapport (OER) opgesteld.
De ontwikkeling van het stadsdeel Zuiderhage is integraal onderdeel van de visie. Voor de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 van Zuiderhage is echter wel een passende beoordeling Natura 2000 nodig, die is ook opgesteld. Paragraaf 3.14 van deze mer-beoordelingsnotitie gaat daar nader op in. Dit betekent dat er wel sprake is van mer-verplichtingen als gevolg van een benodigde passende beoordeling. Geval 2 is wel van toepassing. Daarmee is de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 van Zuiderhage in principe een mer-plichtig plan. In het Omgevingsbesluit zijn hiervoor echter twee uitzonderingen opgenomen. Het is mogelijk om eerst een merbeoordeling voor plannen te doen in het geval dat: A. het om een kleine wijziging van een plan gaat, of dat B. het plan betrekking heeft op een klein gebied op lokaal niveau. In dit geval is geen sprake van een 'kleine wijziging'. Dus de vraag is of sprake is van ‘een klein gebied op lokaal niveau’. Op 'lokaal niveau' wil zeggen dat een orgaan van de gemeente het bevoegd gezag is. Daarvan is bij de wijziging van een omgevingsplan sprake. Een ‘klein gebied’ is in het Omgevingsbesluit gedefinieerd als een gebied dat in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is.
Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer het plan niet meer dan 1% van het grondgebied van de gemeente omvat het plan in ieder geval betrekking heeft op een klein gebied (zie AbRS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, r.o. 33.2). De oppervlakte van het plangebied van de totale gebiedsontwikkeling bedraagt ongeveer 1% van de oppervlakte van de gemeente Lelystad (maximaal 1,1%). Daarmee kan gesteld worden dat de voorziene wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 gezien kan worden als een plan dat betrekking heeft op een klein gebied op lokaal niveau. Vanwege de verplichte passende beoordeling is daarmee eerst een mer-beoordeling voor plannen nodig. Wanneer uit de mer-beoordeling voor plannen volgt dat de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 geen aanzienlijke milieueffecten heeft, kan volstaan worden met de merbeoordeling voor plannen en is het opstellen van een MER voor plannen niet vereist (zie artikel 11.1 lid 3 onder c Omgevingsbesluit). De korte procedure van de mer-beoordeling voor plannen is toegelicht in de volgende paragraaf.
Conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling van het nieuwe stadsdeel (destijds Warande, nu Zuiderhage) is al een merprocedure doorlopen en een MER opgesteld (gepubliceerd in 2007). Echter, met de vaststelling van de Mastervisie in 2024 zijn de ruimtelijke inzichten voor de inrichting van het gebied gewijzigd (met maximaal ruim een verdubbeling van het aantal woningen). Daarom is er voor gekozen om voor de wijziging van het omgevingsplan om fase 1 van Zuiderhage ruimtelijk mogelijk te maken opnieuw te toetsen aan mer-verplichtingen. Op basis van deze toetsing is besloten om voor de wijziging van het omgevingsplan: • Een mer-beoordeling voor projecten uit te voeren voor zowel fase 1 als de totale ontwikkeling van Zuiderhage. Ook al betreft het zowel in 2007 als nu in 2025 de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel in het zelfde gebied, kan worden ingebracht dat de nu voorziene totale ontwikkeling niet meer past binnen de scope van het MER uit 2007 en dat daarmee de mer-plicht voor de totale ontwikkeling nog niet is uitgewerkt.
7
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
• Een mer-beoordeling voor plannen voor fase 1 van Zuiderhage uit te voeren omdat sprake is van een verplichte passende beoordeling Natura 2000 en omdat de voorziene wijziging van het omgevingsplan gezien kan worden als een plan dat betrekking heeft op een klein gebied op lokaal niveau (dit gebied beslaat ongeveer 1% van de oppervlakte van de gemeente Lelystad). Aanvullend wordt opgemerkt dat voor zowel de omgevingsvisie 2050 voor Lelystad (vastgesteld op 17 februari) als het projectbesluit voor de ‘Rondweg Lelystad Zuid’ (gepubliceerd op 23 januari) al de mer-procedure is doorlopen. De ontwikkeling van het stadsdeel Zuiderhage is onderdeel van de omgevingsvisie 2050. De ‘Rondweg Lelystad Zuid’ vormt een belangrijk onderdeel van de toekomstige hoofdverkeersstructuur van Lelystad en is ook van belang voor de toekomstige ontsluiting van het stadsdeel Zuiderhage richting de A6 (rondweg grenst aan de zuidwest- en noordwestzijde van het nieuwe stadsdeel).
1.3
Procedure mer-beoordeling voor projecten & plannen
Zowel de mer-beoordeling voor projecten als de mer-beoordeling voor plannen is een korte formele procedure. De gemeente Lelystad is daarbij zowel bevoegd gezag in het kader van de wijziging van het omgevingsplan als initiatiefnemer van de voorgenomen realisering van de nieuwe woonwijk Zuiderhage (samen met het Rijksvastgoedbedrijf). Daarmee kunnen beide procedures geïntegreerd in de volgende drie stappen worden doorlopen: 1. Op basis van de voor u liggende mer-beoordelingsnotitie neemt het college van B&W van Lelystad de beslissing of sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten, als gevolg van fase 1 en als gevolg van de totale ontwikkeling van Zuiderhage. Die beslissing wordt neergelegd in een separaat besluitpunt van het college van B&W, waarin voor de motivering wordt verwezen naar deze mer-beoordelingsnotitie. 2. Als er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten neemt het college van B&W het resultaat van de merbeoordeling voor projecten en plannen met motivering op in de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 (dus naast het hiervoor genoemde separate besluit). Het separate mer-beoordelingsbesluit kan uiterlijk gelijktijdig met de vaststelling van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 plaats vinden.
Mocht sprake zijn van mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de totale ontwikkeling van Zuiderhage moet voor het ruimtelijk mogelijk maken hiervan de mer-procedure voor projecten worden doorlopen. Als in fase 1 al sprake is van mogelijke aanzienlijke milieueffecten, moet daarnaast ook de mer-procedure voor plannen worden doorlopen. Ook deze beide mer-procedures kunnen dan geïntegreerd worden doorlopen waarbij één gecombineerd project- en planMER kan worden opgesteld. 3. De adviseurs en bestuursorganen die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de wijziging van het omgevingsplan moeten expliciet worden geraadpleegd over de uitgevoerde mer-beoordelingen. In aanvulling hierop moet nog een aantal instanties worden geraadpleegd. Dit betreft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister voor Natuur en Stikstof en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (dan wel in plaats van de betrokken minister een hiervoor aangewezen bestuursorgaan). Daarbij kan voor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de mer-beoordeling ter raadpleging aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed worden toegezonden. Raadpleging betekent overigens niet dat de instanties expliciet moeten instemmen of moeten reageren op een verzoek tot raadpleging, zo volgt uit rechtspraak (zie AbRS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1082 (Texel), r.o. 15.10). 4.
De vaststelling van het gewijzigde omgevingsplan staat open voor zienswijzen en beroep en daarmee de merbeoordelingen voor projecten en plannen ook.
8
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
1.4
Doel en opzet van deze mer-beoordelingsnotitie
In deze mer-beoordelingsnotitie staat de informatie op basis waarvan het college van B&W van de gemeente Lelystad de beoordeling kan uitvoeren of er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Daartoe wordt zowel fase 1 als de totale ontwikkeling van Zuiderhage integraal getoetst aan de criteria die hiervoor zijn opgenomen in: • de EU Richtlijn mer voor plannen (bijlage II, zie onderstaande uitsnede, dit volgt uit artikel 16.36 lid 5 Omgevingswet); • de EU Richtlijn mer voor projecten (bijlage III, zie onderstaande uitsnede, dit volgt uit artikel 16.43 lid 3 Omgevingswet). Richtlijn 2001/42/EG Betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's BIJLAGE II Criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten: 1. De kenmerken van plannen en programma's; 2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed.
Richtlijn 2011/92/EU Betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten BIJLAGE III Criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten: 1. Kenmerken van de projecten; 2. Plaats van de projecten; 3. Kenmerken van het potentiële effect. Uit vaste rechtspraak volgt dat de criteria uit bijlage II voor plannen bij een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden vergelijkbaar zijn met de criteria uit bijlage III voor projecten (AbRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054 (Texel), r.o. 15.11 en AbRS 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9187). Zoals beschreven in paragraaf 1.2 is in dit geval sprake van een lokaal plan dat het gebruik van kleine gebieden bepaalt. Dit betekent dat in dit geval een mer-beoordeling voor plannen inhoudelijk niet verschilt van een mer-beoordeling voor projecten. Daarom is er in deze mer-beoordelingsnotitie voor gekozen om te toetsen aan de (wat uitgebreidere) criteria van bijlage III voor projecten, omdat hiermee impliciet ook wordt getoetst aan de criteria van bijlage II voor plannen: 1. Kenmerken van het project. 2. Plaats van het project. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Een mer-beoordelingsnotitie wordt in de mer-praktijk ook vaak een aanmeldingsnotitie genoemd.
Toetsing aan deze beoordelingscriteria vindt zowel voor fase 1 als voor de totale ontwikkeling van Zuiderhage plaats in respectievelijk: • hoofdstuk 2 ‘Kenmerken van het project’. Hierin worden de kenmerken van zowel de totale ontwikkeling als van fase 1 beschreven. • hoofdstuk 3 ‘Plaats project en kenmerken potentiële effect’. Hierin worden de relevante gebieds- en locatiekenmerken beschreven en de kenmerken van de (potentiële) effecten voor zowel fase 1 als de totale ontwikkeling. Met daarbij per aspect de conclusie of mogelijke aanzienlijke milieueffecten kunnen worden uitgesloten en of maatregelen mogelijk zijn om effecten te voorkomen, te verzachten of te compenseren. • In hoofdstuk 4 is een overall conclusie opgenomen ten aanzien van de vraag of er voor het project belangrijke milieueffecten te verwachten zijn en hoe hiermee kan worden omgegaan bij de verdere procedures om de realisatie van Zuiderhage juridisch planologisch mogelijk te maken.
9
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
2
Kenmerken van het project
In bijlage III bij de EU Richtlijn mer voor projecten is aangegeven dat bij de beschrijving van de kenmerken van de projecten in het bijzonder in overweging moeten worden genomen: • de omvang van het project; • de cumulatie met andere projecten; • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • de productie van afvalstoffen; • verontreiniging en hinder; • risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Voor Zuiderhage zijn vooral omvang, cumulatie met andere projecten en hinder van belang. De overige criteria hebben betrekking op meer industriële activiteiten en zullen om deze reden niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten bij Zuiderhage. De omvang en mogelijk relevante andere projecten en ontwikkelingen worden in dit hoofdstuk beschreven en hinderaspecten in hoofdstuk 3 (Plaats project en kenmerken potentiële effect).
2.1
Gebiedsontwikkeling Zuiderhage
In september 2024 is de Mastervisie 2024 ZuiderC vastgesteld door de gemeenteraad. Op 4 november 2024 is de werktitel ZuiderC omgedoopt naar Zuiderhage. Zuiderhage wordt een compleet stadsdeel bestaande uit circa 13.000 woningen met voldoende voorzieningen om een aantrekkelijk en toekomstbestendig leefmilieu te bieden (ruim 25.000 nieuwe inwoners, 9.000 tot maximaal 16.000 woningen). Daarbij ligt de lat hoog, het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente willen met deze grootste uitleglocatie van Lelystad een bijdrage leveren aan meerdere maatschappelijke opgaven, zoals woningbouw, klimaat, energietransitie en circulaire economie. Met als specifieke doelstelling een versnelling van de woningbouw naar 750 woningen per jaar. In figuur 2-1 is een luchtfoto met de globale afbakening van de gehele gebiedsontwikkeling weergegeven. Het gebiedsconcept dat is uitgewerkt, bestaat uit een groenblauwe hoofdstructuur, waarin een tiental compacte buurtschappen ligt. De keuze voor compacte buurtschappen biedt ruimte voor de uitbreiding van de nieuwe natuur. De buurtschappen onderscheiden zich van elkaar met een diversiteit aan woonmilieus en bijbehorende voorzieningen: van hoog stedelijk rondom het voorgenomen treinstation tot lommerrijk wonen aan het water. Terwijl alle bewoners optimaal profiteren van de natuur op loopafstand.
Het voorgenomen treinstation Lelystad Zuid, de volwaardige aansluiting op de A6 en een fijnmazig netwerk van voet- en fietsverbindingen maken de verbinding van het stadsdeel met zijn omgeving compleet. Op basis van de Mastervisie wordt een raamwerkplan voor het totale plangebied uitgewerkt welke bestaat uit de infrastructuur tussen de buurtschappen en de groenblauwe hoofdstructuur. De ontwikkeling van het groenblauwe raamwerk loopt gelijk op met de ontwikkeling van de buurtschappen. Het nieuwe stadsdeel zal gefaseerd in een periode van 20 tot 25 jaar worden ontwikkeld. Het Rijksvastgoedbedrijf werkt daarbij nauw samen met de gemeente Lelystad. De gebiedsontwikkeling van Zuiderhage gaat in drie fasen plaatsvinden. Voor elke fase is een wijziging van het omgevingsplan benodigd om de bouw van de nieuwe stedelijke ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. Met fase 1 worden de buurtschappen Valkenstede (buurtschap 6), Overbeke (buurtschap 7) en Buitenwaard (buurtschap 10a) gerealiseerd. De realisatie- en aanlegfase loopt tot en met 2031. In Figuur 2-2 is de raamwerkkaart voor geheel Zuiderhage weergegeven met een specifieke aanduiding van fase 1 (buurtschappen 6, 7 en 10a). De verdere doorontwikkeling in lijn met de Mastervisie is weergegeven in figuur 2-3.
10
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Figuur 2-1. Luchtfoto met globale begrenzing van de gehele gebiedsontwikkeling Zuiderhage
Figuur 2-2. Raamwerkkaart Zuiderhage met specifieke aanduiding fase 1: buurtschappen 6, 7 en 10a
11
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Figuur 2-3. Doorontwikkeling Mastervisie Zuiderhage Ruimtelijke en functionele kenmerken Zuiderhage ligt aan de zuidkant van Lelystad. Het gebied Zuiderhage beslaat ongeveer 500 hectare en is grotendeels eigendom van het Rijk. In de huidige situatie is het gebied voornamelijk in gebruik als agrarisch gebied. Aan de zuidwestzijde bevindt zich de Lage Dwarsvaart, een kanaal tussen de Lage Vaart en het Markermeer. Met aangrenzend hieraan het Lelystadse natuurgebied Hollandse Hout. Dit natuurgebied is 900 ha groot en ligt momenteel aan de zuidkant van de stad tegen de Oostvaardersplassen aan. Hollandse Hout is onderdeel van Nationaal Park Nieuw Land. Dit gebied is een belangrijk recreatie- en natuurgebied met bossen, wandel- en fietspaden. Ten westen van de planlocatie ligt de villawijk Hollandse Hout. Aan de zuidoostzijde grenst Zuiderhage aan de A6 die Lelystad verbindt met andere delen van Nederland. Aan de zuidoostzijde ligt ook het bedrijventerrein Flevopoort. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door respectievelijk het Havendiep (met aan de overkant het industrieterrein Noordersluis), de Lage Dwarsvaart (met aan de overkant de wijk Hollandse Hout), woongebied Warande fase 1 en de Larserdreef. Ten noorden van de Larserdreef liggen verschillende woonwijken, zoals Landstrekenwijk en de Waterwijk.
Tussen de Larserdreef en de ontwikkeling van Zuiderhage ligt een gebied met volumineuze detailhandel (met onder andere de Gamma, Intratuin, Praxis), de justitiële jeugdinrichting Pluryn en de penitentiaire inrichting Lelystad. In buurtschap 6 ‘Valkenstede’ ligt een bestaande warmtevoorziening (van Ennatuurlijk energiecentrale) en een biomassacentrale van Primco Bmc Lelystad. Figuur 2 4 geeft een overzicht van de ruimtelijke en functionele kenmerken van plangebied Zuiderhage met aanduiding van fase 1(rood omlijnd).
12
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Figuur 2-4. Ruimtelijke en functionele kenmerken van plangebied Zuiderhage met aanduiding van fase 1(rood omlijnd) Programma fase 1 Zuiderhage fase 1 bestaat uit de buurtschappen 6, 7, en 10a. In het plangebied zijn de volgende functies geprojecteerd (zie ook onderstaande tabel 2-1): ▪ Er komen appartementen en eengezinswoningen. De bandbreedte van het aantal woningen is minimaal 1.950 en maximaal 2.400. ▪ Buurtschap 6 (Valkenstede) biedt ruimte voor innovatie en educatie rondom circulair bouwen op een biobased Campus. In dit buurtschap is ruimte voor 40.000 m2 binnenstedelijke bedrijvigheid. ▪ Een stadsdeel van deze omvang vraagt om maatschappelijke voorzieningen op het gebied van gezondheid, begeleiding en opvang. De benodigde en gewenste gezondheids- en welzijnsvoorzieningen zullen parallel oplopen met de woningbouw in een buurtschap. In de buurtschappen 6, 7 en 10a is ruimte voor 3.718,3 m 2 maatschappelijk commerciële functies. Voor de nieuwbouw is nog geen ontwerp vastgesteld. De maximale bouwgrenzen zijn wel bekend, evenals de beoogde maximale gebouwhoogtes per deelgebied. Tabel 2-1. Programma fase 1 Zuiderhage
13
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Buurtschappen ▪ Het buurtschap Valkenstede (buurtschap 6) wordt een gemengd gebied. Bedrijven die zich hier mogen vestigen zijn gericht op biobased / circulariteit, educatie / opleiden, productie, cleantech en een warmtevoorziening. Daarnaast komen er circa 1.100 woningen en wordt er voor 1987,6 m2 aan maatschappelijk/commerciële functies gerealiseerd. ▪ In het buurtschap Overbeke (buurtschap 7) komen hoofdzakelijk woningen (circa 725) en wordt er voor circa 973,5 m2 aan maatschappelijk/commerciële functies gerealiseerd. ▪ In het buurtschap Buitenwaard (buurtschap 10a) komen circa 350 woningen en wordt er voor 757.2 m 2 aan maatschappelijke/commerciële functies gerealiseerd. Ruimtelijke kwaliteit / beeldkwaliteit Voor de ontwikkeling van de buurtschappen zijn ontwikkelkaders opgesteld en gekoppeld aan de bouwregels van het omgevingsplan. Hierin staat het ruimtelijk raamwerk met richtlijnen en uitgangspunten voor de inrichting en bebouwing waarbij de gewenste beeldkwaliteit is vastgelegd. Dit geldt als toetsingselement voor beoogde ontwikkelingen voor het plangebied voor fase 1. Deze ontwikkelkaders zijn opgenomen als bijlage bij de ontwerp wijziging van het omgevingsplan, maar kunnen na vaststelling van dit plan nog worden aangepast.
Verkeersstructuur De ontsluiting van Zuiderhage is verdeeld over meerdere ontsluitingswegen voor het gemotoriseerd verkeer, zoals weergegeven met de blauwe en paarse lijnen in figuur 2-5. De maximumsnelheid in het gebied is grotendeels 30 km/uur. Enkel de weg tussen het kruispunt Larserdreef/Salland en Larserdreef/Middendreef heeft een maximumsnelheid van 50km/uur.
Figuur 2-5. Verkeersstructuur Zuiderhage fase 1
14
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
In Buurtschappen 6 en 7 bestaat de mogelijkheid om beide aansluitingen te gebruiken, maar voor buurtschap 6 is de meest directe route de aansluiting op het kruispunt Larserdreef/Middendreef. De meest directe route voor buurtschap 7 is via het kruispunt Larserdreef/Salland. Buurtschap 10a heeft een ontsluitingsmogelijkheid via het kruispunt Verlengde Westerdreef. Voor fietsverkeer zijn verschillende directe verbindingen gemaakt naar bestaande fietspaden, deze zijn weergegeven in de oranje lijnen. In figuur 2-6 is het fietsnetwerk opgenomen van Zuiderhage als geheel, met de bestaande fietsinfrastructuur als gestippelde lijn.
Figuur 2-6. Fietsnetwerk Zuiderhage Openbaar vervoer Voor het openbaar vervoer zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: ▪ Twee buslijnen die tegengesteld een achtje rijden door Zuiderhage waarbij elke buslijn het beoogde nieuwe station Lelystad-Zuid aandoet. Dit betekent dat aan weerszijden van de weg haltes komen. ▪ Elke lijn krijgt een half uurdienst in de spits en een uurdienst buiten de spits. ▪ Bestaande buslijn 8 blijft ongewijzigd. ▪ Bestaande buslijn 7 blijft ongewijzigd. ▪ Airport Express niet via vrijliggende infrastructuur (busbaan) maar via de Larserweg. In figuur 2-7 is het openbaar vervoer netwerk voor Zuiderhage voor fase 1 (paars doorgetrokken lijn) en fase 2 / 3 (paars gestippeld).
15
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Figuur 2-7. Openbaar vervoer netwerk fase 1 en fase 2 / 3 Parkeren Uitgangspunt voor de gebiedsontwikkeling is een gemiddelde parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Afhankelijk van de daadwerkelijke invulling zal op basis van de Nota Parkeernormen Lelystad 2023 (of diens rechtsopvolger) de parkeernorm per deelgebied worden bepaald. Dit kan afwijken van de gemiddelde parkeernorm. Duurzaamheidsambities uit de Mastervisie Energietransitie In het plangebied van Zuiderhage wordt de aanleg van een geothermiebron voorbereid die het bestaande warmtenet van warmte zal voorzien. De onderzoeken naar de haalbaarheid van deze aardwarmtebron worden momenteel uitgevoerd. Voor de exploitatie van deze bron is door het Rijk SDE++ subsidie toegekend. Het is de ambitie om in Zuiderhage gebruik te kunnen maken van deze aardwarmtebron. Voor het resterende deel van de energievraag wordt onder andere ingezet op het opwekken van zonne-energie op de daken van de bebouwing. Klimaatadaptatie Water en bodem zijn sturend bij de planontwikkeling van Zuiderhage. Klimaatbestendigheid tot 2050 is een vereiste. Hierbij wordt onder andere gewerkt met de Maatlat klimaat adaptief bouwen (BZK, maart 2023). De ambitie is om meer te doen dan strikt noodzakelijk zodat Zuiderhage op grotere schaal betekenis kan hebben voor de waterhuishouding.
Natuurinclusief Natuurinclusiviteit heeft betrekking op een natuurinclusieve samenleving in de brede zin. Het gaat bij natuurinclusief handelen om drie componenten: voorkomen van natuurschade, benutten van natuurlijke kansen en verbeteren van natuurkwaliteit. Zuiderhage biedt de unieke kans om substantiële hoeveelheid natuur toe te voegen binnen het plangebied en daarmee het NatuurNetwerk Nederland uit te breiden. De ambitie is om de natuur door te trekken tot in de haarvaten van Zuiderhage door op alle schaalniveaus natuurinclusief te ontwerpen.
16
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Circulaire economie Zuiderhage biedt kansen om het huidige momentum voor biobased bouwmaterialen te pakken, omdat het gebied zelf kan bijdragen aan de productie en verwerking van biobased materialen. Bovendien biedt buurtschap 6 ruimte voor innovatie en educatie rondom circulair bouwen op een ‘Biobased Campus’. De ambitie is - in lijn met het MRA Convenant Houtbouw - dat twintig procent van de woningproductie in Zuiderhage van hout en andere biobased materialen is. Duurzame mobiliteit Een goede en tijdige ontsluiting met het openbaar vervoer is een voorwaarde voor de ontwikkeling van Zuiderhage. De beoogde realisatie van treinstation Lelystad Zuid met de bijbehorende lagere parkeernorm voor de omliggende buurtschappen maakt het mogelijk om zowel het hoge woningaantal in Zuiderhage te realiseren als om ruimte te bieden aan de ontwikkeling van natuur. Aanlegfase: bouw- en woonrijp maken Zuiderhage wordt gefaseerd op vergelijkbare wijze als andere woonwijken bouwrijp gemaakt door de uitvoeringsorganisatie van gemeente en Rijk of de ontwikkelaar. Bouwrijp maken houdt het verwijderen van obstakels en opstallen, aanleg van riolering, aanleg van nutsvoorzieningen, aanleg van bouwwegen en afwerken van het terrein op hoogte in. Waarna de gebouwen worden gerealiseerd en woonrijp gemaakt. De keuze van het watersysteem bepaalt mede de wijze van bouw- en woonrijp maken van het gebied.
Dit houdt verband met de vereiste drooglegging / ontwatering en zettingseis die aan de wijze van het bouw- en woonrijp maken wordt gesteld. Naar verwachting is ophoging nodig om de vereiste drooglegging / ontwateringsdiepte te realiseren. Ook dienen waardevolle delen van het bodem- en watersysteem behouden te blijven en moeten eventuele waardevolle archeologische resten behouden worden. Daarnaast wordt gestreefd naar een vitale bodem en een lokaal gebalanceerde ophoging. Alle milieueffecten tijdens de aanlegfase zijn per definitie tijdelijk waarmee deze milieueffecten redelijkerwijs op voorhand als ‘niet aanzienlijk’ kunnen worden aangemerkt. Daarom wordt hier in deze aanmeldingsnotitie verder geen bijzondere aandacht aan besteed.
2.2
Andere projecten en ontwikkelingen
Rondweg Lelystad Zuid Naast de ontwikkeling van Zuiderhage is ook de nog te realiseren ‘Rondweg Lelystad Zuid’ van belang. Deze rondweg vormt een belangrijk onderdeel van de toekomstige hoofdverkeersstructuur van Lelystad en is ook van belang voor de toekomstige ontsluiting van het stadsdeel Zuiderhage richting de A6 (deze rondweg grenst aan de zuidwest- en noordwestzijde van het nieuwe stadsdeel). Door de provincie Flevoland wordt voor de rondweg de projectprocedure doorlopen. Het definitieve projectbesluit is op 23 januari 2026 gepubliceerd. In figuur 2-8 is de ligging van het plangebied van de rondweg weergegeven. De start van de aanleg is voorzien in 2027 en in gebruik name in 2029 (mits geen beroep wordt ingesteld). De besluitvorming over de rondweg loopt daarmee voor op de besluitvorming over Zuiderhage. De aanleg en aanwezigheid van de rondweg vormen daarom het vertrekpunt van de ontwikkeling van Zuiderhage. Gekoppeld aan de projectprocedure is een mer-procedure doorlopen en is een MER opgesteld voor de rondweg.
Omgevingsvisie 2050 gemeente Lelystad Op 17 februari 2026 is de omgevingsvisie van de Gemeente Lelystad voor de periode tot 2050 vastgesteld. De ontwerp omgevingsvisie en de omgevingseffectrapportage (OER) hebben van 20 oktober tot en met 1 december 2025 ter inzage gelegen. In de omgevingsvisie maakt de gemeente op hoofdlijnen keuzes voor onder andere woningbouw, bedrijventerreinen, mobiliteit, duurzame energie, recreatie en het landelijk gebied. Zuiderhage is daarbij, naast het Stadshart en Waterfront, één van de prioritaire (uitbreidings-)gebieden die (deels) een hoogstedelijk Lelystads milieu krijgt. Voor het besluit over de visie is een omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Zuiderhage is hierbij integraal meegenomen bij de beoordeling van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling van Lelystad op doelbereik en milieueffecten.
17
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Figuur 2-8. Ligging plangebied Rondweg Lelystad-Zuid (bron: Projectbesluit - Motivering en overwegingen, Provincie Flevoland, 17 december 2025)
Opening van Lelystad Airport Lelystad Airport is een vliegveld dat nu alleen geopend is voor kleine vliegtuigen. De gemeente Lelystad werkt al jaren met de provincie Flevoland en het Rijk aan het openen van het vliegveld voor groothandelsverkeer (vakantievluchten). Hoewel eerder een luchthavenbesluit voor Lelystad Airport is vastgesteld (waarvoor ook de procedure van de milieueffectrapportage is doorlopen), is de daadwerkelijke opening van de luchthaven controversieel en voorlopig uitgesteld. Verdere besluitvorming hierover is afhankelijk van landelijke beleidskeuzes en aanvullende onderzoeken. In de omgevingsvisie van de gemeente Lelystad voor de periode tot 2050 (vastgesteld op 17 februari 2026) staat dat de gemeente grote waarde hecht aan het openen van het vliegveld voor groothandelsverkeer. Dit vergroot de werkgelegenheid en naamsbekendheid en heeft aantrekkingskracht op nieuwe bedrijven om in Lelystad te vestigen. Lelystad zet zich in om opening te realiseren. Wat betreft defensie en luchtruim zijn bestaande beperkingen en gebruikszones, vooral door nabijgelegen militaire oefenterreinen en het luchtruim rondom Lelystad Airport, opgenomen in de bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan ‘Lelystad – Luchthavencontouren’ (in ontwerp) bepaalt de luchthavencontouren. De geluidzones vanwege het vliegverkeer vallen niet over het plangebied heen.
De voorziene bouwhoogtes bij fase 1 van Zuiderhage blijven (ruim) binnen de hoogtebeperkingen vanwege het vliegveld.
18
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
3
Plaats project en kenmerken potentiële effect
3.1
Leeswijzer
Dit hoofdstuk is opgesteld op basis van het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 van Zuiderhage (de motivering), met bijbehorende onderzoeken (Haskoning, februari 2026). De beschrijving is per relevant milieuaspect opgesplitst in: ▪ Zuiderhage fase 1. ▪ De totale ontwikkeling van Zuiderhage. Daarbij wordt per milieuaspect achtereenvolgens ingegaan op: ▪ De aanwezige waarden en functies in het plangebied en voor zover relevant in de omgeving voor fase 1. ▪ De toetsing aan eventuele relevante wet- en regelgeving voor fase 1. ▪ De kenmerken van de potentiële effecten (zowel positief als negatief) voor fase 1 en of op basis hiervan ‘mogelijke aanzienlijke’ milieueffecten in de zin van Europese mer-richtlijnen kunnen worden uitgesloten. Met eventuele maatregelen om effecten te voorkomen, te verzachten of te compenseren. ▪ Op basis hiervan wordt een inschatting gemaakt of sprake kan zijn van mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de gehele ontwikkeling van Zuiderhage met eventuele mitigerende en compenserende maatregelen.
3.2
Verkeer
Het aspect verkeer en parkeren is behandeld in paragraaf 6.2 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Hiervoor zijn een verkeersonderzoek (bijlage 4) en kruispuntanalyses (bijlage 5) uitgevoerd waarbij zowel Zuiderhage fase 1 als de gehele ontwikkeling zijn onderzocht.
3.2.1
Fase 1
Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Ten behoeve van het verkeersonderzoek zijn berekeningen uitgevoerd met het Strategisch Verkeersmodel Lelystad Almere (Stravela”, versie december 2024). Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling van fase 1 de verkeersintensiteiten rondom deze planontwikkeling toenemen. In tabel 3-1 zijn de verkeersintensiteiten in 2040 zonder en met fase 1 van Zuiderhage weergegeven. Uit de tabel blijkt dat de grootste toename op de Larserdreef is (1800 voertuigen per etmaal). Aangezien er ook een toename is op andere ontsluitingswegen van Lelystad, zoals de A6 ten zuiden van Lelystad en op de Laan van Nieuw Land, wijst dit erop dat een gedeelte van het verkeer vanuit Zuiderhage naar locaties buiten Lelystad gaat. Echter is er ook een toename op de Westerdreef en Middendreef in dezelfde orde van grootte (van respectievelijk 1500 en 1600 voertuigen per etmaal). Dit gaat voornamelijk om verkeer wat vanaf Zuiderhage naar het centrum van Lelystad gaat. Om te onderzoeken wat de effecten van deze hogere intensiteiten zijn op de bereikbaarheid zijn de intensiteitcapaciteit verhoudingen (I-C verhoudingen) van de ochtend- en avondspits geanalyseerd in zowel 2030 als 2040. Alhoewel de verkeersdrukte toeneemt, blijven de I-C verhoudingen vergelijkbaar met die van de referentiesituatie.
Ondanks de geplande verbreding die is meegenomen voor het planjaar 2040, blijft de I-C verhouding van de A6 ten zuiden van Lelystad daarbij een aandachtspunt (hoger dan 70). Voor kruispunten die volgens het verkeersmodel in 2030 of 2040 in de ochtendspits of avondspits in de referentieen/of plansituatie in 2030 of 2040 een verzadigingsgraad hebben van 0,70 of meer zijn kruispuntenanalyses uitgevoerd. Het betreft 16 kruispunten: ▪ Bij zes kruispunten worden zowel in de referentiesituatie als bij de realisatie van fase 1 van Zuiderhage geen maatregelen geadviseerd. ▪ Bij zeven kruispunten worden al maatregelen geadviseerd in de referentiesituatie voor 2030 en/of 2040 zonder de ontwikkeling van Zuiderhage. In deze gevallen kan de ontwikkeling van fase 1 van Zuiderhage de noodzaak van deze maatregelen vergroten (als deze nog niet zijn getroffen). ▪ Bij drie kruispunten worden maatregelen geadviseerd als gevolg van de realisatie van fase 1 Zuiderhage: Houtribweg - Zuigerplasdreef, Middendreef - Larserdreef en Markerwaarddijk-Houtribweg (alleen in 2040). 19
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
Tabel 3-1. Verkeersintensiteiten in 2040 zonder en met fase 1 van Zuiderhage
Geconcludeerd wordt dat met gerichte kruispuntaanpassingen de doorstroming en daarmee de bereikbaarheid grotendeels op peil gehouden kan worden.
Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Bereikbaarheid van de locatie voor verschillende modaliteiten Zoals beschreven in paragraaf 2.1 van deze mer-beoordelingsnotitie vormt voor fase 1 een goede ontsluiting voor alle modaliteiten het uitgangspunt, zowel per auto (met voldoende parkeerruimte), per fiets als met het OV. In de volgende paragraaf is dat nader toegelicht op basis van de gehele ontwikkeling van Zuiderhage. Zoals beschreven in de vorige paragraaf nemen als gevolg van de ontwikkeling van fase 1 de verkeersintensiteiten rondom de planontwikkeling toe. Ondanks de toegenomen verkeersdrukte blijven de I-C verhoudingen vergelijkbaar met die van de referentiesituatie waardoor de kans op congestie (opstoppingen, file) niet sterk toeneemt. Mits bij tien kruispunten in 2030 en/of 2040 maatregelen worden getroffen. Bij zeven kruispunten is dat al nodig zonder de ontwikkeling van Zuiderhage en bij drie kruispunten als gevolg van de realisatie van fase 1 (Houtribweg – Zuigerplasdreef in 2030, Middendreef - Larserdreef in 2030 en Markerwaarddijk-Houtribweg in 2040). Verkeersveiligheid Voor wat betreft verkeersveiligheid zijn er geen redenen om aan te nemen dat deze in het geding is, er vanuit gaande dat bij de nieuwe verkeerswegen en de nieuwe infrastructuur voor fietsers en voetgangers de inrichting in lijn is met de beoogde functie en het gebruik hiervan.
Conclusie Voor bereikbaarheid en verkeersveiligheid is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling van fase 1 van Zuiderhage, mits bij tien kruispunten in 2030 en/of 2040 maatregelen worden getroffen.
20
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
3.2.2
Gehele ontwikkeling
Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Als gevolg van de ontwikkeling van fase 2 en 3 nemen de verkeersintensiteiten rondom deze planontwikkeling veel sterker toe dan alleen bij fase 1. En zijn de toenames minder beperkt tot alleen de ontsluitingswegen rondom Zuiderhage, maar zijn in heel Lelystad verschillen zichtbaar. Evenals bij fase 1 gaat dit verkeer deels naar locaties buiten Lelystad en deels richting het centrum van Lelystad. In tabel 3-2 zijn de verkeersintensiteiten in 2040 zonder en met Zuiderhage weergegeven. Tabel 3-2. Verkeersintensiteiten in 2040 zonder en met Zuiderhage (gehele ontwikkeling)
Ondanks de toegenomen verkeersdrukte, blijven de I-C verhoudingen vergelijkbaar met die van de referentiesituatie en fase 1. Uit de kruispuntanalyses blijkt dat als gevolg van de realisatie van fase 2 en 3 van Zuiderhage bij 6 extra kruispunten maatregelen worden geadviseerd in 2040. Geconcludeerd wordt dat met deze gerichte kruispuntaanpassingen de doorstroming en daarmee de bereikbaarheid grotendeels op peil gehouden kan worden.
Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Bereikbaarheid van de locatie voor verschillende modaliteiten Zoals beschreven in paragraaf 2.1 vormt voor Zuiderhage een goede ontsluiting voor alle modaliteiten het uitgangspunt, zowel per auto (met voldoende parkeerruimte), per fiets als met het OV. In de Mastervisie is hierover het volgende opgenomen: De buurtschappen zijn goed verbonden met elkaar en de omliggende stadsdelen door directe voet- en fietsroutes. De doorfietsroute Almere-Lelystad verbindt Zuiderhage op regionale schaal. Het treinstation Lelystad Zuid speelt een belangrijke rol in het plan, omdat het de gewenste woningaantallen mogelijk maakt. De tijdige en succesvolle ontwikkeling van het (sprinter) treinstation maakt het mogelijk om de auto minder dominant te maken en het centrum-buurtschap met een hoge dichtheid te ontwikkelen. Parkeren wordt zo efficiënt mogelijk vormgegeven. Ieder buurtschap beschikt over één of meerdere geclusterde parkeervoorzieningen, waar 21
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
mogelijk gestapeld. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor deelgebruik, collectieve laadvoorzieningen, het aanbieden van andere vormen van mobiliteit en kunnen buurten autoluw worden. Het straatbeeld wordt niet gedomineerd door auto. De Laan van Nieuwland krijgt een volledige aansluiting op de A6 en Zuiderhage wordt met twee rotondes op de Laan van Nieuwland aangesloten. De gebiedsontsluitingswegen vanaf de Laan van Nieuwland zijn 50 km per uur, het overige wegennetwerk bestaat - zo snel als de doorstroming het toelaat - uit erftoegangswegen waar 30 km per uur de norm is. Er zijn geen directe autoverbindingen tussen de Laan van Nieuwland en de Larserdreef, waardoor er voornamelijk sprake zal zijn van bestemmingsverkeer. Zoals beschreven in de vorige paragraaf nemen als gevolg van de ontwikkeling van fase 2 en 3 de verkeersintensiteiten rondom deze planontwikkeling veel sterker toe dan alleen bij fase 1. En zijn de toenames minder beperkt tot alleen de ontsluitingswegen rondom Zuiderhage, maar zijn in heel Lelystad verschillen zichtbaar. Ondanks de toegenomen verkeersdrukte blijven de I-C verhoudingen vergelijkbaar met die van de referentiesituatie waardoor de kans op congestie (opstoppingen, file) niet sterk toeneemt. Mits bij zes extra kruispunten maatregelen worden getroffen in 2040.
Verkeersveiligheid Voor wat betreft verkeersveiligheid zijn er geen redenen om aan te nemen dat deze in het geding is, er vanuit gaande dat bij de nieuwe verkeerswegen en de nieuwe infrastructuur voor fietsers en voetgangers de inrichting in lijn is met de beoogde functie en het gebruik hiervan. Conclusie Voor bereikbaarheid en verkeersveiligheid is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling van geheel Zuiderhage, mits bij 16 kruispunten in 2030 en/of 2040 maatregelen worden getroffen. Bij zeven kruispunten is dat al nodig zonder de ontwikkeling van Zuiderhage, bij drie kruispunten als gevolg van de realisatie van fase 1 en bij zes kruispunten als gevolg van de ontwikkeling van fases 2 en 3.
3.3
Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten
3.3.1
Fase 1
Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect bedrijven en milieuzonering is behandeld in paragraaf 6.3 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. De bijhorende analyse is opgenomen in bijlage 6. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, gevaar, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Dit wordt zonering genoemd. Ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 is getoetst wat de benodigde milieuzonering is. Daarbij is gekeken naar: ▪ milieuzonering tussen milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving en milieugevoelige functies in de buurtschappen; ▪ milieuzonering tussen milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige functies binnen de buurtschappen. De toetsing is uitgevoerd aan de hand van de (oude) publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009). In de publicatie worden (bedrijfs-)activiteiten ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Zuiderhage fase 1 bestaat uit de buurtschappen 6, 7 en 10a: ▪ Buurtschap 6 Valkenstede wordt gekwalificeerd als gemengd gebied, omdat hier zich bedrijven mogen vestigen gericht op biobased / circulariteit, educatie / opleiden, productie en cleantech en een warmtevoorziening. Daarnaast komen er woningen en maatschappelijke en commerciële functies. 22
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
▪ Buurtschap 7 Overbeke zal overwegend woningen bevatten, maar ook maatschappelijke en commerciële functies. Gelet op de verhouding tussen wonen en de maatschappelijke en commerciële functies wordt dit buurtschap gekwalificeerd als rustig woongebied. ▪ Buurtschap 10a Buitenwaard is vrijwel geheel voor wonen aangewezen. Dit buurtschap wordt daarom eveneens gekwalificeerd als rustig woongebied. In buurtschap 6 liggen de bestaande bedrijven ‘Ennatuurlijk Energiecentrale Warande’ en de ‘Primco Bmc Lelystad Biomassacentrale’. Beide bestaande energiebedrijven zijn in de ontwerp wijziging van het omgevingsplan opgenomen conform de geldende planologische en vergunde situatie. Voor de classificatie gemengd gebied geldt een richtafstand van 50 meter tussen milieugevoelige functies (waaronder wonen) en deze nutsbedrijven. Zekerheidshalve is in de planregels voor buurtschappen 6 en 7 een onderzoeksplicht en vergunningplicht opgenomen voor deze zone. Binnen deze zone is het verboden te wonen zonder omgevingsvergunning. In deze zone kunnen dan alleen nietmilieugevoelige functies komen zoals bedrijven, kantoren, niet-gevoelige maatschappelijke functies, wegen, groen en water. Voor de rest van buurtschap 6 is het belangrijk om alleen activiteiten toe te staan die mengbaar zijn met wonen.
Het servicedocument bij de nieuwe VNG-handreiking (met daarin opgenomen als Bijlage 5 de ‘Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur’) geeft indicaties welke typen activiteiten passend zijn zoals: kleinschalig, activiteiten hoofdzakelijk inpandig en overdag, beperkte verkeersaantrekkende werking, beperkt laden en lossen overdag en niet geurhinderlijk. Voor buurtschappen 7 en 10a geldt vooral dat reguliere bedrijfsactiviteiten moeten worden uitgesloten en dat redelijk afgebakend moet worden geregeld welke maatschappelijk/commerciële functies hier passend zijn en dus worden toegestaan. Dit is gedaan met toedelingsregels en begripsbepalingen. Daarnaast is voor horeca functies bepaald dat dit onzelfstandig en ondergeschikt moet zijn. Tot slot gaat de richtafstand van 200 meter die hoort bij de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" van industrieterrein Noordersluis beperkt over de grens van buurtschap 10a heen (rustig woongebied). De verwachting is echter niet dat binnen dit gebied gevoelige functies worden gesitueerd.
Beoordeling aanzienlijke milieueffecten In de ontwerp wijziging van het omgevingsplan is een milieuzonering vastgelegd in de planregels conform de publicatie van de VNG. Tussen de milieugevoelige functies enerzijds en de bedrijvigheid in de nieuwe buurtschappen anderzijds. Op basis hiervan kunnen hindereffecten als gevolg van deze bedrijvigheid weliswaar niet worden uitgesloten, maar worden deze effecten wel aanvaardbaar geacht. En daarmee is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling van fase 1 van Zuiderhage. Binnen de richtafstand van industrieterrein Noordersluis worden in buurtschap 10a naar verwachting geen gevoelige functies gerealiseerd. Bovendien is voor dit bedrijventerrein een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Dit effect is beoordeeld in de volgende paragraaf ‘Geluid’. Verder is in de directe omgeving van de buurtschappen geen sprake van bedrijfsactiviteiten die voor relevante hinder bij de voorziene nieuwe woningen kunnen zorgen. Bovendien worden binnen de buurschappen alleen activiteiten toegestaan die mengbaar zijn met wonen waardoor er ook geen sprake is van relevante hindereffecten op bestaande gevoelige functies in de directe omgeving van de buurtschappen.
3.3.2
Gehele ontwikkeling
Er vanuit gaande dat voor de ontwikkeling van fase 2 en 3 van Zuiderhage eveneens een milieuzonering zal worden vastgelegd in de planregels kunnen ook voor de gehele ontwikkeling van Zuiderhage aanzienlijke milieueffecten door hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten worden uitgesloten.
23
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
3.4
Geluid
3.4.1
Fase 1
Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect geluidhinder is behandeld in paragraaf 6.5 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Het bijbehorende akoestische onderzoek weg- en railverkeerslawaai is opgenomen in bijlage 8. Voor buurtschap 10a is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd vanwege het ten noorden hiervan gelegen industrieterrein Noordersluis wat heeft geresulteerd in een toelichting op een hogere waardenbesluit (bijlage 9). De overige akoestische effecten van de bestaande en nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn meegenomen in paragraaf 3.3 ‘Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten’. Geluidseffecten op de nieuw te bouwen woningen Het geluid bij een nieuw geluidgevoelig gebouw mag in beginsel niet hoger zijn dan de wettelijke standaardwaarde (artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving). In tabel 3-3 zijn de standaardwaarden en grenswaarden aangegeven. Tabel 3-3. Standaardwaarde en grenswaarde voor het geluid bij nieuwe geluidgevoelige gebouwen
Weg- en railverkeerslawaai In de drie buurtschappen Buitenwaard (10A), Valkenstede (6) en Overbeke (7) wordt de wettelijke standaardwaarde voor zowel gemeentewegen als hoofdspoorwegen overschreden. De wettelijke grenswaarde wordt alleen overschreden tot circa 100 meter aan weerszijden van het spoor. Vanwege de overschrijding van de standaardwaarde is het wettelijk verplicht om geluidbeperkende maatregelen te onderzoeken. Onderzocht is in hoeverre het mogelijk is om met geluidbeperkende bron- en overdrachtsmaatregelen de overschrijding van de standaardwaarde en grenswaarde weg te nemen: ▪ De toepassing van een geluidreducerend wegdek op de Larserdreef is waarschijnlijk niet mogelijk vanwege de aanwezige rotondes ter hoogte van de buurtschappen Valkenstede en Overbeke. Voor het buurtschap Buitenwaard lijkt de toepassing van een geluidreducerend asfalt wel mogelijk op de Westerdreef. Afhankelijk van het type asfalt, kan daarmee een reductie van 2 à 4 dB worden bereikt. De overschrijding van de standaardwaarde kan daar niet geheel mee weggenomen worden. ▪ Verkeersmaatregelen zoals het verlagen van de wettelijke maximumsnelheid zijn waarschijnlijk niet mogelijk, vanwege de stroomfunctie van de Larserdreef en Westerdreef. ▪ Met geluidschermen of -wallen langs de gemeentelijke wegen kan het geluid vooral op de lagere bouwlagen goed worden gereduceerd.
Dit kan een oplossing zijn voor buurtschap Buitenwaard, waar laagbouw wordt gerealiseerd. Als in het noordelijke deel van buurtschap Valkenstede laagbouw wordt gerealiseerd, kan de toepassing van een geluidwal worden overwogen. Bij hoogbouw wordt, zeker als de begane grond wordt gebruikt voor bergingen en dergelijke, de toepassing van een geluidwal niet aanbevolen. ▪ Met geluidschermen langs het spoor wordt het geluid eveneens op de lagere bouwlagen het meest gereduceerd, maar is ook op de hogere bouwlagen nog een goed effect zichtbaar. Als voor geluidschermen wordt gekozen, dient bij de verdere planuitwerking nader onderzocht te worden waar de toepassing van geluidschermen mogelijk is. Het is niet mogelijk om met geluidbeperkende bron- en overdrachtsmaatregelen de overschrijding van de standaardwaarde en grenswaarde helemaal weg te nemen. In artikel 3.80 onder c is bij de algemene beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning bouwen opgenomen dat de geluidwaarden op de gevel van de 24
Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public
geluidgevoelige gebouwen of geluidgevoelige locaties aanvaardbaar moeten zijn, waarbij het bevoegd gezag dit beoordeelt op basis van het geluidbeleid van de gemeente Lelystad. Daarnaast is in artikel 3.92 een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen binnen een bepaalde afstand van: ▪ het spoor tussen Lelystad Centrum en Almere Oostvaarders; ▪ de wijkontsluitingsweg; ▪ de Larserdreef; ▪ de Westerdreef; ▪ industrieterrein Noordersluis. De beoordelingsregels voor deze vergunning zijn opgenomen in artikel 3.93 van de planregels. Op grond van dit artikel geldt een onderzoeksplicht waarbij aangetoond moet worden dat geluidgevoelige gebouwen inpasbaar zijn op die plek of dat de inpasbaarheid met eventueel te nemen maatregelen in voldoende mate is gewaarborgd. Dit omdat op dit moment nog niet bekend is waar woningen worden gerealiseerd, wat woningindelingen zullen zijn en voor welke gebouwvormen wordt gekozen. Zo wordt geborgd dat het woon- en leefklimaat van individuele woningen is beschermd. Hierbij is belangrijk te benoemen dat in dit akoestisch onderzoek niet is gekeken naar het geluid van gemeentewegen die binnen de plangebieden worden gerealiseerd voor de ontsluiting van de woningen. Bij de verdere planuitwerking moet het geluid van die nieuwe wegen nog worden onderzocht.