Bijlage 2e - bijlage bij de toelichting
Tekst van het document
Legenda NNN-gebied Natuur (geen NNN-gebied) Faunapassage Nieuw bosgebied Flevokust Haven
Houtribbos
Visvijverbos
De verbinding van bosgebied Flevokust Haven met bestaande natuur
Flevokust-Haven | 03.05.2023
27
10. BOSLOCATIE Ecologische verbinding De faunatunnels bestaan uit een buis met een diameter van minimaal 400 millimeter die onder de Karperweg en de IJsselmeerdijk doorlopen. De IJsselmeerdijk vormt ter plekke van de faunatunnel nog geen dijklichaam. In de Snoektocht en de Foreltocht wordt een dam met een duiker gerealiseerd waarover de marterachtigen de watergangen kunnen overbruggen. De dam is minimaal 4 meter breed en begroeid met ruigtebeplanting. De faunatunnels en de dammen in de watergangen helpen amfibieën, reptielen en kleine zoogdieren zoals marterachtigen te mitigeren tussen het Houtribbos, het Visvijverbos en het bosgebied in Flevokust Haven. Ook de otter, wiens grootste bedreiging het verkeer is, zal hiermee gecompenseerd worden. Belangrijk voor de materialisatie van de faunatunnels is dat deze niet van nieuw beton zijn. Nieuw beton stoot een specifieke geur af die marterachtigen er van weerhouden de faunatunnel te gebruiken. De faunatunnels dienen derhalve te bestaan uit kunststof of hergebruikt beton van reeds enkele jaren oud. Ligging faunatunnels
Een impressie van een faunatunnel geschikt voor marterachtigen
Flevokust-Haven | 03.05.2023
28
10. BOSLOCATIE Vleermuiskelder Vleermuizen zijn in de nacht actief en overdag rusten ze uit in spouwmuren, kelders en boomholtes. Een locatie is pas geschikt om te overwinteren als de luchtvochtigheid hoog en de temperatuur constant is. De temperatuur mag niet tot onder het vriespunt dalen. De winterslaap duurt grofweg van november tot maart. Veel door de mens gemaakte bouwwerken zoals kelders, spouwmuren en bunkers blijken geschikt als winterverblijf voor verschillende soorten vleermuizen, hoewel ze niet speciaal gebouwd zijn voor vleermuizen . Het heeft er toe geleid dat er vandaag de dag bouwwerken worden gebouwd speciaal ingericht voor vleermuizen. In Flevokust Haven wordt een vleermuiskelder gerealiseerd. De vleermuiskelder wordt in de grondheuvel in het westen van het bosgebied geplaatst. Het is een beschutte locatie in het bos met de watergang in de buurt. Door de kelder te verwerken in de heuvel zal de temperatuur stabiel blijven. De kelder wordt ingericht met verschillende kamers met hun eigen microklimaat. Door de gehele kelder zijn veel spleten en gaten te vinden waarin vleermuizen zich kunnen verschuilen.
Ligging vleermuiskelder
De bosbegroeiing zorgt voor beschutting en foerageermogelijkheden rondom de ingang van de kelder. Daarnaast bieden de hellingen van de heuvel een extra dimensie in de hoogtegradiënt van het bosgebied, hierdoor ontstaat er in de ondergroei van het eiken-haagbeukenbos een grotere verscheidenheid aan micromilieus voor flora en fauna.
Mogelijke inpassingen van vleermuiskelders
Flevokust-Haven | 03.05.2023
29
10. BOSLOCATIE Eiken-haagbeukenbos Inleiding Het eiken-haagbeukenbos is een hoog opgaand bostype met een structuurrijke ondergroei met voornamelijk hazelaar. De vrij voedselrijke bodem zorgt ervoor dat met name in het voorjaar de rijke kruidlaag opvalt. In Nederland komt dit bostype voornamelijk voor op de hellingen van Zuid-Limburg. Daar kent het eiken-haagbeukenbos een grote soortenrijkdom met soorten die elders in Nederland weinig of niet voorkomen. In de rest van Nederland neemt het eiken-haagbeukenbos een soortenarmere vorm aan en komt het in kleinere oppervlakken voor op smalle zones langs bovenranden van hellingen (Schaminée et al., 2019). In de Flevopolder waar het te nat is voor de beuk (Fagus sylvatica) is het eiken-haagbeukenbos het eindstadium van de successie vanuit het essen-iepenbos (Fraxino-Ulmetum) (Hennekens 2022).
gelegen delen van het gebied gaat het eiken-haagbeukenbos over in een moerasvaren-elzenbroekbos (Thelypterido-Alnetum).
De jonge kleigronden van de Flevopolder lenen zich dankzij hun vochtigheid en matige voedselrijkdom voor de ontwikkeling van eikenhaagbeukenbos (Stellario-carpinetum). Dit bostype gedijt namelijk op vochtige, relatief voedselrijke, zwak zure bodems (Schaminée et al., 2019). Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden. In het boscompensatiegebied komt het eiken-haagbeukenbos op de hogere, droger gelegen gronden waaronder de heuvel in het westen van het gebied. Richting de nattere, lager
De boomsoorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging waardoor er sneller structuurverschillen in het bos ontstaan. De bomen worden geplant in groepen van 25 stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen de bomen. (Haag)beuken leven minder lang vergeleken met eiken. Door het wegvallen van (haag)beuken vallen er op termijn van nature gaten in het kronendak van het eiken-haagbeukenbos. Hierdoor ontstaat er plaatselijk meer ruimte voor lichtminnende soorten
Streefbeeld Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt aan (kleine) marterachtigen en vleermuizen. Voor dit natuurtype wordt hierbij plantengemeenschap r46Ab3, eiken-haagbeukenbos (Stellario-carpinetum) als uitgangspunt genomen (Schaminee et al., 2019). Daarnaast draagt het bosgebied bij aan het vervullen van de boscompensatie-eis. Het eiken-haagbeukenbos functioneert (in combinatie met de vleermuiskelder en steenhopen) als foerageer-, migreer- en nestlocatie voor (kleine) marterachtigen en vleermuizen.
Ligging eiken-haagbeukenbos
Streefbeeld eiken-haagbeukenbos
Flevokust-Haven | 03.05.2023
30
10. BOSLOCATIE Eiken-haagbeukenbos (Den Ouden, Muys, Mohren & Verheyen, 2010). De opkomst van deze soorten vergroot de soortenrijkdom en geeft variatie in structuren van het bos. De kruidlaag komt op natuurlijke wijze tot stand vanuit de ruigten. Op de langere termijn wordt dit bostype ook extra interessant voor diersoorten als de wezel en boommarter. In dit ontwikkelingsstadium ontstaan er namelijk holen en inkepingen in de bast van de boomsoorten welke beschutting en nestgelegenheid bieden. Bij de boomsoorten in essen-iepenbossen treedt deze eigenschap al eerder op, waardoor het eiken-haagbeukenbos deze functie op lange termijn zal versterken. Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om dit bostype in stand te houden. Daarvoor is gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit bostype gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunning. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X.
Soortensamenstelling boskern Bomen: • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) • Gewone es (Fraxinus excelsior) • Haagbeuk (Carpinus betulus) • Zomereik (Quercus robur) • Gewone beuk (Fagus sylvatica) • Zoete kers (Prunus avium) (Schaminée et al., 2019) Ondergroei: • Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) • Gewone vlier (Sambucus nigra) • Aalbes (Ribes rubrum) • Gewone vogelkers (Prunus padus) • Hazelaar (Corylus avellana) • Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) • Hulst (Ilex aquifolium) • Sporkehout (Rhamnus frangula) • Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) • Gelderse roos (Viburnum opulus) • Wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • Sleedoorn (Prunus spinosa) (Schaminée et al., 2019)
Soortensamenstelling zoom en mantel De bosrand van het eiken-haagbeukenbos vormt een geleidelijke overgang van gesloten bos naar open landschap. De opbouw vormt een robuuste golvende strook van circa 20 meter breed. De mantel wordt aangeplant met een combinatie van struikvormende soorten die van nature voorkomen in het eiken-haagbeukenbos. • Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) • Gewone vlier (Sambucus nigra) • Aalbes (Ribes rubrum) • Gewone vogelkers (Prunus padus) • Hazelaar (Corylus avellana) • Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) • Hulst (Ilex aquifolium) • Sporkehout (Rhamnus frangula) • Tweestijlige meidoorn (Crataegus laevigata) • Gelderse roos (Viburnum opulus) • Wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • Sleedoorn (Prunus spinosa) (Schaminée et al., 2019) De soortensamenstelling in de zoom van de bosrand wordt ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden (O1 Ruige onderbegroeiing voor boszomen, Cruydhoek). Het is een mengsel voor onderbegroeiing en boszomen dat goede resultaten bereikt op matig- tot voedselrijke grond zoals in Flevokust Haven. Het bestaat uit overblijvende soorten en tweejarige planten die zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. De soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. Het mengsel wordt ongeveer 120 cm hoog en staat in bloei van april tot oktober.
De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2 in de periode eind juli – oktober (november). Fauna Het eiken-haagbeukenbos biedt beschutting, voedselaanbod en nestgelegenheid voor kleine marterachtigen (wezel), steenmarter, boommarter en vleermuizen. Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot dit bostype.
De soortensamenstelling in de kruid- en moslaag van het bos komt op natuurlijke wijze tot stand.
Flevokust-Haven | 03.05.2023
31
10. BOSLOCATIE Essen-iepenbos Inleiding Het essen-iepenbos is een hoog opgaand bostype met een weelderige, gelaagde ondergroei. Er heerst een hoge biologische activiteit waardoor organisch materiaal zich relatief snel met de bodem mengt en zo een gunstige invloed heeft op de bodemkwaliteit. Van nature komt dit bostype voor op vochtige kleigronden die niet of zo nu en dan worden overstroomd (Schaminée et al., 2019). Binnen Nederland is dit bostype dan ook voornamelijk te vinden langs de rivieren en in de duinen.
Streefbeeld Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt aan (kleine) marterachtigen en vleermuizen. Voor dit natuurtype wordt hierbij plantengemeenschap r46Aa2, esseniepenbos (Fraxino-ulmetum) als uitgangspunt genomen (Schaminee et al., 2019). Daarnaast draagt het bosgebied bij aan het vervullen van de boscompensatie-eis. Het essen-iepenbos functioneert als foerageer-, migreer- en nestlocatie voor (kleine) marterachtigen en vleermuizen.
De jonge kleigronden van de Flevopolder lenen zich dankzij hun vochtigheid en matige voedselrijkdom voor de ontwikkeling van het essen-iepenbos (Fraxino-Ulmetum). Dit bostype gedijt goed op vochtige, relatief voedselrijke, zwak zure bodems (Schaminée et al., 2019). In bijlage I zijn de ecologische randvoorwaarden voor het esseniepenbos opgenomen. In het boscompensatiegebied komt het esseniepenbos voor op de overgang tussen het drogere, hoger gelegen eikenhaagbeukenbos (Stellario-carpinetum) en het nattere, lager gelegen elzenbroekbos (Alnion glutinosae).
De boomsoorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het bos ontstaan. De bomen worden geplant in groepen van 25 stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen de bomen. De kruidlaag komt op natuurlijke wijze tot stand vanuit de ruigten. Op langere termijn wordt dit bostype extra interessant voor diersoorten als de wezel en boommarter. In dit ontwikkelingsstadium ontstaan er namelijk holen en inkepingen in de bast van de boomsoorten, welke beschutting en nestgelegenheid bieden. Bij de boomsoorten in de eikenhaagbeukenbossen treedt deze eigenschap later op, waarmee het een aanvulling vormt op de essen-iepenbossen.
Ligging essen-iepenbos
Streefbeeld essen-iepenbos
Flevokust-Haven | 03.05.2023
32
10. BOSLOCATIE Essen-iepenbos Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om dit bostype in stand te houden. Daarvoor is gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit bostype gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunning. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Soortensamenstelling boskern Bomen: • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) • Gewone es (Fraxinus excelsior) • Gladde iep (Ulmus minor) • Zomereik (Quercus robur) (Schaminée et al., 2019) Ondergroei: • Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) • Gewone vlier (Sambucus nigra) • Aalbes (Ribes rubrum) • Gewone vogelkers (Prunus padus) (Schaminée et al., 2019)
grond zoals in Flevokust Haven. Het bestaat uit overblijvende soorten en tweejarige planten die zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. De soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. Het grasmengsel wordt ongeveer 120 cm hoog en staat in bloei van april tot oktober. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2 in de periode eind juli – oktober (november). Fauna Het essen-iepenbos biedt beschutting, voedselaanbod en nestgelegenheid voor kleine marterachtigen (wezel), steenmarter, boommarter en vleermuizen. Daarnaast biedt het essen-iepenbos in het algemeen kansen voor epifyten gezien de gunstige schors van de dominerende boomsoorten (Gewone esdoorn, Gewone es en Gladde iep) en de nabijheid van het IJsselmeer wat zorgt voor een hoge luchtvochtigheid (Den Ouden, Muys, Mohren & Verheyen, 2010). Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot dit bostype. Locatie profiel
De soortensamenstelling in de kruid- en moslaag van het bos komt op natuurlijke wijze tot stand. Soortensamenstelling zoom en mantel De bosrand van het essen-iepenbos vormt een geleidelijke overgang van gesloten bos naar open landschap. De opbouw vormt een robuuste golvende strook van circa 20 meter breed. De mantel wordt aangeplant met een combinatie van struikvormende soorten die van nature voorkomen in het bostype essen-iepenbos. • Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) • Gewone vlier (Sambucus nigra) • Gladde iep (Ulmus minor) • Gewone vogelkers (Prunus padus) • Aalbes (Ribes rubrum) • Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) • Hazelaar (Corylus avellana) • Dauwbraam (Rubus caesius) • Klimop (Hedera helix) • Sleedoorn (Prunus spinosa) • Gelderse roos (Viburnum opulus) (Schaminée et al., 2019). De zoom van de bosrand wordt ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om ‘O1 Ruige onderbegroeiing voor boszomen’ van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Het is een mengsel voor onderbegroeiing en boszomen dat mooie resultaten bereikt op matig- tot voedselrijke
Ruigte
Zoom/mantel
Boskern
Overgang van de ruigte (links) naar het essen-iepenbos met een zoom, mantel en een kern
Flevokust-Haven | 03.05.2023
33
10. BOSLOCATIE Elzenbroekbos Inleiding Het elzenbroekbos in Flevokust Haven wordt een morasvarenelzenbroekbos. Het moerasvaren-elzenbroekbos (ThelypteridoAlnetum) gedijt op vochtige, voedselrijke, zwak zure bodems (Schaminée et al., 2019). Moerasvaren-elzenbroekbos is een bostype dat vrij laag blijft (10-12 m) en geen volledig gesloten kronendak vormt (Hennekens, 2022). Het komt in Nederland van nature voor op drassige plekken in het laagveenlandschap. De grondwaterstand is er permanent hoog, slechts bij hoge uitzondering daalt het grondwater verder dan 20 cm beneden maaiveld (Schaminée et al., 2019). Kenmerkend is dat in de boomlaag de zwarte els (Alnus glutinosa) het bosbeeld overheerst en dat de kruidlaag sterk getypeerd wordt door de moerasvaren (Thelypteris palustris). De jonge kleigronden van de Flevopolder lenen zich dankzij hun vochtigheid en matige voedselrijkdom voor de ontwikkeling van dit bostype. Bijlage I omvat een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden. Bij een normale successie verloopt het moerasvaren-elzenbroekbos (Thelypterido-Alnetum) op termijn via elzenzegge-elzenbroekbos (Carici elongatae-Alnetum) richting essen-iepenbos (Fraxino-Ulmetum) (Den Ouden, Muys & Mohren, 2016). In Flevokust Haven zal dit op korte termijn niet het geval zijn door de permanent lage grondwaterstand.
Het successiestadium van essen-iepenbos zal dan ook op hogergelegen plekken binnen het compensatiebos tot ontwikkeling komen. In het bosgebied van Flevokust Haven komt het moerasvaren-elzenbroek voor op de overgang tussen het nattere, lagergelegen bijvoet-ooibos (Artemisio-Salicetum albae) en het drogere, hoger gelegen esseniepenbos (Fraxino-Ulmetum). Streefbeeld Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt aan (kleine) marterachtigen en vleermuizen. Voor dit natuurtype wordt hierbij plantengemeenschap r42Aa1, moerasvaren-elzenbroekbos (Thelypterido-Alnetum) als uitgangspunt genomen (Schaminee et al., 2019). Daarnaast draagt het bosgebied bij aan het vervullen van de boscompensatie-eis. Het elzenbroekbos functioneert als foerageer- en migreerlocatie voor (kleine) marterachtigen en vleermuizen. De boomsoorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het bos ontstaan. De bomen worden geplant in groepen van 25 stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen de bomen. De kruidlaag komt op natuurlijke wijze tot stand vanuit de ruigten.
Ligging elzenbroekbos
Streefbeeld elzenbroekbos
Flevokust-Haven | 03.05.2023
34
10. BOSLOCATIE Elzenbroekbos Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om dit bostype in stand te houden. Daarvoor is gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit bostype gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunning. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype. Daarnaast speelt het tegengaan van verlanding bij dit bostype een belangrijke rol in het beheer. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Soortensamenstelling boskern Het moerasvaren-elzenbroekbos wordt in zowel de boomlaag als de struiklaag gekenmerkt door onderstaande boomsoorten. De zwarte els en wilgensoorten beslaan het grootste oppervlak van de begroeiing in de boom- en struiklaag van dit bostype (Hennekens, 2022). Bomen/ondergroei: • Zwarte els (Alnus glutinosa) • Grauwe wilg (Salix cinerea) • Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) • Geoorde wilg x Grauwe wilg (Salix aurita x cinerea) • Zachte berk (Betula pubescens) • Sporkehout (Rhamnus frangula) • Zwarte bes (Ribes nigrum) (Schaminée et al., 2019) De soortensamenstelling in de kruid- en moslaag van het bos komt op natuurlijke wijze tot stand. Soortensamenstelling mantel De bosrand van het moerasvaren-elzenbroekbos vormt een geleidelijke overgang van gesloten bos naar open landschap.
De opbouw vormt een robuuste golvende strook van circa 20 meter breed. De mantel wordt aangeplant met een combinatie van struikvormende soorten die van nature voorkomen in het bostype moerasvaren-elzenbroekbos.
Soortensamenstelling zoom De zoom van de bosrand wordt ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om ‘G3 - Bloemrijk grasland voor jaarrond natte tot vochtige grond’ van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Het is een mengsel voor bloemrijkgrasland dat speciaal is samengesteld voor drassige graslanden en oevers. Het bestaat uit overblijvende soorten en tweejarige planten die zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. De soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. Deze bloemrijke graslanden zullen onder andere de veldspitsmuis aantrekken die zal dienen als voedsel voor kleine marterachtigen zoals de wezel. Ook zal het betreden kunnen worden door een das die het grasland gebuikt als foerageergebied mits het gras kort genoeg is. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat in bloei van april tot oktober. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/ m2 in de periode eind juli – oktober (november). Hierna is van belang om de oppervlakten jaarlijks één keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is als foerageer-locatie en beschutting voor fauna. Fauna Het elzenbroekbos biedt beschutting en voedselbronnen voor kleine marterachtigen (wezel), steenmarter, boommarter en vleermuizen.
Met name de aan wilgen gebonden insecten en de amfibieën die hierop af komen, zijn specifiek voor dit bostype noemenswaardig als voedselbron voor deze soorten. Daarnaast zijn de wilgensoorten op zichzelf in het bijzonder aantrekkelijk als voedselbron voor de bever (zie bijlage VI). Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot dit bostype.
• Grauwe wilg (Salix cinerea) • Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) • Geoorde x Grauwe wilg (Salix aurita x cinerea) • Sporkehout (Rhamnus frangula) • Zwarte bes (Ribes nigrum) (Schaminée et al., 2019)
Flevokust-Haven | 03.05.2023
35
10. BOSLOCATIE Wilgenbroekbos Inleiding In Flevokust Haven zal het wilgenbroekbos bestaan in de vorm van een bijvoet-ooibos. Het bijvoet-ooibos is een bostype met een lage, open boom- en struiklaag. Het komt van nature voor in uiterwaarden vlak bij de rivier en, zoals in Flevokust Haven, in pas vergraven terreinen. Verder komt het bostype in Nederland voor langs de Waal, het zoetwatergetijdengebied, de Gelderse IJssel, de Rijn, de Lek en de Maas (Schaminée et al., 2019). Kenmerkend zijn de boom- en struikvormige wilgensoorten, een vrij soortenarme kruidlaag en het groot aandeel moerasruigtesoorten. In Flevokust Haven is er geen sprake van regelmatige overstromingen. In successie ontwikkelt het bijvoet-ooibos (Artemisio-Salicetum albae) daardoor op termijn richting een essen-iepenbos (Fraxino-Ulmetum) (Den Ouden, Muys & Mohren, 2016). Streefbeeld Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt aan (kleine) marterachtigen en vleermuizen. Voor dit natuurtype wordt hierbij plantengemeenschap r41Aa1, bijvoetooibos (Artemisio-Salicetum albae) als uitgangspunt genomen (Schaminee et al., 2019). Daarnaast draagt het bosgebied bij aan het vervullen van de boscompensatie-eis. Het elzenbroekbos functioneert als foerageer- en migreerlocatie voor (kleine) marterachtigen en vleermuizen.
De boomsoorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het bos ontstaan. De bomen worden geplant in groepen van 25 stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen de bomen. De kruidlaag komt op natuurlijke wijze tot stand vanuit de ruigten. Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om dit bostype in stand te houden. Daarvoor is gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit bostype gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunning. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype. Daarnaast speelt het tegengaan van verlanding bij dit bostype een belangrijke rol in het beheer. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Ligging wilgenbroekbos
Streefbeeld wilgenbroekbos
Flevokust-Haven | 03.05.2023
36
10. BOSLOCATIE Wilgenbroekbos Soortensamenstelling boskern Het bijvoet-ooibos wordt gekenmerkt door onderstaande boomsoorten: • zwarte populier (Populus nigra), • schietwilg (Salix alba), • katwilg (Salix viminalis) • amandelwilg (Salix triandra) (Schaminée et al., 2019). Deze soorten zijn aantrekkelijk voor bijvoorbeeld de bever welke in de winterperiode de bast van deze soorten eet. Ook zouden vlindersoorten zoals de wilgenhoutvlinder zich kunnen vestigen in de bast en toppen van de wilgen (Vlinderstichting 2023b). De soortensamenstelling in de kruid- en moslaag van het bos komt op natuurlijke wijze tot stand. De wilgensoorten beslaan het grootste oppervlak van de begroeiing in de boom- en struiklaag van dit bostype (Hennekens, 2022). Soortensamenstelling mantel De bosrand van het bijvoet-ooibos vormt een geleidelijke overgang van boom en struiklaag naar open landschap of oevervegetatie. De opbouw vormt richting open landschap een robuuste golvende strook van 20 meter breed. De mantel wordt aangeplant met een combinatie van struikvormende soorten die van nature voorkomen in het bostype bijvoet-ooibos: • schietwilg (Salix alba) • katwilg (Salix viminalis) • amandelwilg (Salix triandra) (Schaminée et al., 2019)
Fauna Het wilgenbroekbos biedt beschutting en voedselbronnen voor kleine marterachtigen (wezel), steenmarter, boommarter en vleermuizen. Met name de aan wilgen gebonden insecten, en de amfibieën die hierop af komen, zijn specifiek voor dit bostype noemenswaardig als voedselbron voor deze soorten. Daarnaast zijn de wilgensoorten op zichzelf in het bijzonder aantrekkelijk als voedselbron voor de bever (zie Bijlage VI NDFF). Zie Bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot dit bostype. Verder zijn de wilgensoorten in dit bostype in het bijzonder aantrekkelijk voor de bever (Zie Bijlage VI NDFF) welke in de winterperiode de bast van deze soorten eet. Ook zouden vlindersoorten zoals de wilgenhoutvlinder zich kunnen vestigen in de bast en toppen van de wilgen (Vlinderstichting, 2023b). De wonden die de wilgenhoutrups maakt zijn vervolgens ook weer aantrekkelijk voor vliegen zoals de kopermantel (Reemer, 2009). De vlinder zelf kan als voedselbron dienen voor de grootoorvleermuis. Daarnaast maakt ook de grote vos gebruik van bloedende wilgen als voedingsbron (Vlinderstichting, 2023c).
Soortensamenstelling zoom De zoom van de bosrand wordt ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om ‘G3 - Bloemrijk grasland voor jaarrond natte tot vochtige grond’ van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Het is een mengsel voor bloemrijkgrasland dat speciaal is samengesteld voor drassige graslanden en oevers. Het bestaat uit overblijvende soorten en tweejarige planten die zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. De soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat in bloei van april tot oktober. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/ m2 in de periode eind juli – oktober (november). Hierna is van belang om de oppervlakten jaarlijks één keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is als foerageer locatie en dekking voor fauna.
Flevokust-Haven | 03.05.2023
37
10. BOSLOCATIE Rietland Inleiding In de laagstgelegen delen van het bosgebied is een watergang aangelegd die gedeeltelijk wordt begeleid door rietkragen. De soortsamenstelling hiervan bestaat voornamelijk uit riet en moerasplanten. De vegetatie is gebaseerd op de riet-associatie (Typho-Phragmitetum, r8Bb4). Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden van dit natuurtype. Aanleg De watergang doorsnijdt het bosgebied bijna volledig en heeft over de gehele lengte een breedte van 15 meter. Binnen de watergang worden geleidelijk aflopende oevers gerealiseerd. Het talud van de oevers heeft een hellingshoek tussen de 1 en 10 procent. De vegetatie van de oevers ontwikkelen zich het beste wanneer deze voldoende zonlicht krijgt. Noordelijke hellingen vangen het meeste zonlicht. Bij voorkeur wordt op deze locaties daarom een flauwer talud aangelegd ten opzichte van de zuidelijke hellingen. Riet (Phragmites australis) en de kleine lisdodde (Typha angustifolia) worden aangeplant om de rietkragen te kunnen realiseren. De oever- en watervegetatie komt verder op natuurlijke wijze tot stand. Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om de watergang en de rietkragen in stand te houden. Daarvoor is
gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit natuurtype gedoeld op gefaseerd schonen en maaien. De frequentie van dit beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van het natuurtype. Daarnaast speelt het tegengaan van verlanding en eutrofiëring bij dit natuurtype een belangrijke rol in het beheer. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Fauna De watergang en bijbehorende vegetatie bieden onder meer beschutting en voedselbronnen voor de bever, otter, ringslang, vleermuizen en (kleine) marterachtigen. De rietkragen bieden in het bijzonder dekking voor amfibieën en verschillende vogelsoorten zoals de kleine karekiet. De bloemen van het riet trekken insecten aan, welke dienen als voedselbron voor zowel vleermuizen als amfibieën. Op hun beurt kunnen de amfibieën weer dienen als voedsel voor kleine marterachtigen en de ringslang. Voor de bever is de waterpartij met name aantrekkelijk door nabijgelegen wilgen in de omliggende (wilgen)broekbossen. Deze boomsoorten dienen in de winterperiode als voedselbron, in de zomerperiode zijn dit met name de waterplanten. De door de bever beschadigde bomen zullen insecten aantrekken, die weer gegeten kunnen worden door de marterachtigen en eventueel dassen in het gebied.
Ligging rietland
Streefbeeld rietland
Flevokust-Haven | 03.05.2023
38
10. BOSLOCATIE Doornstruweel Inleiding De doornstruwelen in het boscompensatiegebied worden aangelegd grofweg volgens de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (Pruno-crataegetum) [r40Ab1]. Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden. Doornstruwelen komen in het boscompensatiegebied voor langs de bosranden, voornamelijk die van de hoger gelegen eikenhaagbeukenbossen. Daarnaast worden er in de hoger gelegen ruigten van het gebied groepen met doornstruweel ingeplant waaronder diverse inheemse (wilde) rozensoorten. Samen met sleedoorn, meidoorn en braam zorgen deze soorten voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding.
Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om dit bostype in stand te houden. Daarvoor is gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit bostype gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunning. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Fauna De doornstruwelen dienen als belangrijke lijnvormige elementen voor marterachtigen zoals de wezel en de otter. Het leidt de dieren naar andere habitattypes en biedt tegelijkertijd dekking en beschutting. Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het bijvoet-ooibos.
Streefbeeld Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt aan (kleine) marterachtigen en vleermuizen. Voor dit natuurtype wordt hierbij plantengemeenschap r40Ab1, associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (Prunocrataegetum) als uitgangspunt genomen (Schaminee et al., 2019). Het doornstruweel functioneert als foerageer- migreer- en nestlocatie voor (kleine) marterachtigen en vleermuizen.
Ligging doornstruweel
De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen elkaar. De kruidlaag komt op natuurlijke wijze tot stand vanuit de ruigten. Soortensamenstelling struiklaag • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna), • hondsroos (Rosa canina), • sleedoorn (Prunus spinosa), • gewone vlier (Sambucus nigra), • rode kornoelje (Cornus sanguinea), • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (rhamnus cathartica) Eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) beslaat het grootste oppervlak van dit vegetatietype, hierna volgen de sleedoorn (Prunus spinosa) en de inheemse rozen soorten, waaronder de hondsroos (Rosa canina). De kruidlaag van de vegetatie komt op natuurlijke wijze tot stand. Streefbeeld doornstruweel
Flevokust-Haven | 03.05.2023
39
10. BOSLOCATIE Ruigte Inleiding De grote oppervlakten aan ruigte in het gebied zijn gelegen waar de zichtlijn het bosgebied doorsnijdt. De ruigte wordt zo aangelegd dat er in de lengte van noord naar zuid een hoogtegradiënt ontstaat. Het noordelijk deel van de ruigte, waar de zichtlijn de poel oversteekt, vormt het lagergelegen deel waar vochtige ruigte tot ontwikkeling kan komen. Het zuidelijk deel van de ruigte vormt het hoger gelegen deel waar de zoomvegetaties van de omliggende bosranden over gaan in een drogere ruige graslandvegetaties. Soortensamenstelling vochtige ruigte De vochtige ruigte wordt ingezaaid met soorten uit de Associatie van Gewone engelwortel en moeraszegge (Angelico-Cirsietum oleracei, r16Ab5). Dit is een soortenrijk, ruig hooiland dat van nature voorkomt langs beken en kleine rivieren. De plantengemeenschap is gebonden aan matig voedselrijke, vochtige tot drassige gronden en past daarmee in het Flevokusthavengebied. Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarde. De associatie van Gewone engelwortel en moeraszegge wordt in het voorjaar gekenmerkt door: • Gewone dotterbloem (Caltha palustris ssp. palustris) • Paarsbloeiende orchideeën. Het kan door de hoog opschietende kruiden, grassen en zeggen in de loop van het seizoen een hoogte tot wel 1.5 meter bereiken.
Dominante soorten: • Moerszegge (Carex acutiformis) • Veldrus (Juncus acutiflorus) • Moerasspirea (Filipendula ulmaria) • Kale jonker (Circium palustre) • Gewone engelwortel (Angelica sylvestris). Bovenstaande soorten worden begeleid door de grassen: • Gestreepte witbol (Holcus lanatus) • Ruw beemdgras (Poa trivialis) • Gewoon reukgras (Anthoxanthum odoratum)
Soortensamenstelling droge ruigte De droger gelegen ruigte wordt ingezaaid met soorten volgens de Glanshaver-associatie (Arrhenatherum elatioris, r16Bb1). Dit is een hoogopgaand hooilandtype dat plaatselijk zeer soortenrijk kan zijn en voorkomt op (matig)voedselrijke vochtige tot matig droge bodems. Van nature komt deze associatie in Nederland voor in het rivierengebied in de hogere delen van de uiterwaarden, daarnaast komt het onder andere voor in de noordelijke zeekleigebieden, waaronder de Flevopolder. Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden. De Glanshaver-associatie wordt met name getypeerd door Glanshaver (Arrhenatherum elatius). Daarnaast zijn de onderstaande gras- en kensoorten aanwezig in de ruigte: Grassoorten: • Kropaar (Dactylis glomerata) • Smalle weegbree (Plantago lanceolata) • Gestreepte witbol (Holcus lanatus) • Goudhaver (Trisetum flavescens) • Kweek (Elymus repens) • Ruw beemdgras (Poa trivialis) • Rood zwenkgras (Festuca rubra)
Ligging ruigte
Kensoorten: • Glanshaver (Arrhenatherum elatius) • Glad walstro (Galium mollugo) • Gele morgenster (Tragopogon pratensis ssp. pratensis) • Groot streepzaad (Crepis biennis) • Pastinaak (Pastinaca sativa ssp. sativa) In successie treden er in vochtige delen overgangen op richting het Moerasspirea-verbond (Filipendulion) en in de drogere delen richting zoomvegetaties van het Haagbeuken-verbond (Carpinion betuli) (Schaminée et al., 2019).
en de kruiden: • Echte koekoeksbloem (Silene flos-cuculi) • Veldzuring (Rumex acetosa) • Pinksterbloem (Cardamine pratensis) • Scherpe boterbloem (Ranunculus acris). Wanneer deze associatie niet beheerd wordt zal het door middel van successie overgaan in de associatie van Moerasspirea en Echte valeriaan (Valeriano-Filipenduletum) (Schaminée et al., 2019).
Flevokust-Haven | 03.05.2023
40
10. BOSLOCATIE Ruigte Aanleg Om op een korte termijn tot geschikt habitat te komen worden de oppervlakken eenmalig ingezaaid met een op maat gemaakt zadenmengsel van inheemse kruidensoorten en één- á tweejarige planten. Deze zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. De bedoeling is dat dit zadenmengsel aansluit op de zaadmengsels die zijn gebruikt bij het inzaaien van de zomen van de natter gelegen bostypen en de droger gelegen bostypen (zie bijlage VII, mengsel G3 voor de natte delen en mengsel O1 voor de drogere delen). Voorstel is om in samenwerking met Cruydhoeck op maat gemaakte zaadmengsels samen te stellen. Eén voor het natter gelegen deel van de ruigte op basis van de Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge en één op basis van de Glanshaver associatie voor het drogergelegen deel.
Beheer De ruigten worden beheerd volgens het principe van sinusbeheer. Door bij elke maaibeurt zo’n 40% van de vegetatie met rust te laten en in slingerende paden te maaien, wordt er een grote variatie aan structuur gerealiseerd De Vlinderstichting (z.d.). Zie bijlage X voor meer informatie over het beheer van ruigten. Fauna De lage vegetatie van de ruigte zullen onder andere kleine zoogdieren als de veldspitsmuis aantrekken die weer zullen fungeren als voedselbron voor onder andere de hermelijn, wezel en de bunzing. Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte.
Voorafgaand aan het inzaaien wordt de grond diepgewoeld. Op deze manier ontstaat er een homogene toestand waarin de opgebrachte grond zich mengt met de aanwezige zaadbank in de ondergrond. Hierna wordt het gebied ingezaaid met een speciaal samengesteld mengsel, na twee tot drie jaar ontstaat er zo mede door de toepassing van sinusbeheer een natuurlijke vegetatie.
Streefbeeld ruigte
Flevokust-Haven | 03.05.2023
41
11.
CENTRALE AS
Inleiding Onderdeel van de primaire groenstructuur is het brede straatprofiel waarin de rijbanen gescheiden zijn door een middenberm. Door het vrijliggende fietspad komen er twee middenbermen in het profiel voor. De brede middenberm tussen de rijbanen biedt plaats aan eerste grootte bomen die recht doen aan het brede straatprofiel en de bebouwing van maximaal 40 meter hoog. De bomen staan op 15 meter onderlinge afstand of een veelvoud hiervan. Bij de positionering is daarnaast rekening gehouden met voldoende afstand tot rijbanen en/of fiets- en voetpaden. in de lengterichting van de centrale as zijn de boomsoorten onderling gemixt.
De bloemrijke graslanden dienen als voedselbron voor bijen en andere insectensoorten. De vogels en vleermuizen in het plangebied hebben profijt van de aanwezigheid van diverse insectensoorten. Het straatprofiel wordt aan beide zijde ingepakt door struwelen. Deze opgaande vegetatie bestaande uit struikachtige gewassen, minimaliseert het zicht op de naastgelegen kavels en geeft het grootschalige bedrijventerrein een meer besloten gevoel. Daarnaast bieden de bomen genoeg hoogte en structuur om als vliegroute te dienen voor vleermuizen.
Naast de laanbomen functioneert de middenberm als infiltratiezone voor regenwater door de toepassing van wadi’s. In lijn met de verspringende bomenlaan geeft het wadi-ontwerp het straatprofiel een afwisselend beeld. De wadi’s variëren in de breedte door het toepassen van verschillende schuintes in het talud. Het toepassen van beperkte verschillen in de diepte (maximaal 50 cm) zorgt vervolgens voor verschillen in natte en drogere delen. Dit komt de diversiteit in plantsoorten en insecten ten goede. De bermen worden ingezaaid met een bloemrijk mengsel.
Locatie detailuitwerking
Laanbomen Referentie: straatprofiel met middenberm en vrijliggend fietspad Struweel Ruigte Wadi
Detailuitwerking natuurtypen centrale as
Flevokust-Haven | 03.05.2023
42
11.
CENTRALE AS
Laanbomen Inleiding Door het vrijliggende fietspad en de vrijliggende rijbanen komen er twee middenbermen in het profiel voor. De brede middenberm tussen de rijbanen biedt plaats aan eerste grootte bomen die recht doen aan het brede straatprofiel en de bebouwing van tientallen meters hoog. De bomen zijn optisch willekeurig gesitueerd. Ook worden de boomsoorten in de laan onderling gemixt. Een diversiteit in soortkeuze zorgt voor een verhoogde biodiversiteit en maakt de groenstructuur resistenter tegen ziekten en plagen ten opzichte van monoculturen. Ook in de wadi’s in de middenberm staan laanbomen, de gekozen boomsoorten zijn bestand tegen een vochtige bodem.
Beheer De laanstructuren dienen een keer in de zoveel tijd gecontroleerd worden op functie en gezondheid. Bij het niet langer kunnen vervullen van de functie door gebrek aan veiligheid voor de mens en/of ziektes wordt de boom verwijderd en herplant. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de laanstructuur.
Ter hoogte van het kruispunt worden drie mammoetbomen (sequoiadendron giganteum) aangeplant. Deze hoge, wintergroene bomen met een markante stam vormen een landmark bij deze belangrijke, drukke kruising in Flevokust Haven. Bovendien zorgt de levensduur, omvang en de fijne bladstructuur van de bomen voor een forse opname van CO2 uit de atmosfeer. Dit is extra van belang bij een kruising met stationair draaiend, remmend en optrekkend verkeer.
Locatie detailuitwerking
Soortensamenstelling Populus canadensis ‘Robusta’ Populus canescens ‘De Moffart’ Populus canadensis ‘Koster’ Populus nigra Ulmus ‘Rebona’ Ulmus ‘New Horizon’ Tilia europaea ‘Palida’ Tilia platyphyllos Quercus palustris Sequoiadendron giganteum Detailuitwerking van de centrale as met laanbomen (bijlage VIII bevat een complete kaart met alle laanbomen in Flevokust Haven)
Flevokust-Haven | 03.05.2023
43
11.
CENTRALE AS
Struweel Soortensamenstelling struiklaag In de bermen wordt een doornstruweel aangeplant. Het struweel in de laanstructuren bestaat uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant. De soortsamenstelling bestaat uit diverse inheemse struweelvormende soorten. De soorten zijn bepaald op basis van de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn. Deze plantengemeenschap bevat in de struiklaag: • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) • hondsroos (Rosa canina) • sleedoorn (Prunus spinosa) • gewone vlier (Sambucus nigra) • rode kornoelje (Cornus sanguinea) • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (Rhamnus cathartica) Bovenstaande soorten vormen dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen, waarvan de sleedoorn, meidoorn en braam zorgen voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding van deze soort. De bloeiende beplanting draagt daarnaast bij aan een fraai, natuurlijk straatbeeld.
Aanplant De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen elkaar. Beheer Om blijvend robuuste verbindingen binnen het terrein te realiseren is gericht beheer van de struwelen in de laanstructuren noodzakelijk. Hierbij wordt gedoeld op gefaseerde dunningen. Door de boom- en struikvormers om de 5 à 10 jaar gefaseerd terug te zetten wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied blijft bestaan. Dunningen worden afgestemd op de wilddruk, het ontwikkelingsproces van het struweel en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten. De functionaliteit voor doelsoorten is leidend. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren wordt aangeraden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Verdere beheersuggesties zijn opgenomen in Bijlage X. De zoom van de struwelen zal betrokken worden bij het gefaseerd maaibeheer van de ruigten in de laanstructuren. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het doornstruweel.
Laanbomen Struweel Ruigte Wadi
Detailuitwerking natuurtypen centrale as
Flevokust-Haven | 03.05.2023
44
11.
CENTRALE AS
Ruigte bermen Inleiding De ondergroei van de laanstructuren en de bermen bestaan uit bloem- en kruidenrijke graslandvegetatie. Deze oppervlakten worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de bermen is ‘N3 - Bijenmengsel voor zware grond’ een geschikt mengsel. Soortensamenstelling Mengsel N3 (Cruydhoeck, 2023) is een kleurrijk mengsel dat geschikt is voor plantsoenen op kleiachtige grond. De soorten zijn optimaal samengesteld voor insecten. Het bevat onder meer veel drachtplanten voor bijen, zoals Rapunzelklokje voor klokjesbijen, Beemdkroon voor de Knautiabij en Grote kattenstaart voor de Kattenstaartdikpoot. Ook veel andere bestuivers, zoals dag- en nachtvlinders, worden met dit mengsel aangetrokken. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat vanaf het tweede jaar in bloei van mei tot september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, bij voorkeur in de nazomer of vroeg in het voorjaar. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII.
Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is
voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte en de wilddruk in het gebied. Enkele beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte. het is echter onwaarschijnlijk dat de das voorkomt in de ruigte van de centrale as.
Streefbeeld ruigte mengsel N3
Laanbomen Struweel Ruigte Wadi Detailuitwerking natuurtypen centrale as
Flevokust-Haven | 03.05.2023
45
11.
CENTRALE AS
Ruigte wadi’s Inleiding Binnen de primaire hoofdwegen zijn verschillende wadi’s te vinden. De wadi’s worden onderling verbonden doormiddel van duikers en eventuele waterafvoerbuizen. Deze verbinding wordt geschikt gemaakt voor het mitigeren van amfibieën door onder andere het plaatsen van luchtschachten. Hierdoor wordt het bereik voor soorten als amfibieën sterk vergroot. Soortensamenstelling De wadi’s worden ingezaaid met een zadenmengsel. Aangeraden wordt om hier een zadenmengsel voor te gebruiken dat speciaal daarvoor is samengesteld, zoals ‘W2: Wadi voor zware grond’ (Cruydhoeck, 2023). Dit is een zadenmengsel dat speciaal is samengesteld voor wadi’s op kleiachtige grond. Het bevat soorten die enerzijds bestand zijn tegen tijdelijke inundatie (onder water staan) en anderzijds in staat zijn om langere periodes van droogte te overleven. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt 70 tot 80 cm hoog en staat vanaf het 2e jaar in bloei van april tot en met september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, in de nazomer, herfst of vroeg in het voorjaar.
uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte Fauna Naast dat de wadi’s geschikt worden gemaakt voor amfibieën profiteren ook andere soorten van de wadi’s in de centrale as. De wadi’s zijn geschikt als voortplantingswateren voor muggen, een van de grootste voedselbronnen voor vleermuizen en amfibieën. Deze amfibieën zijn op hun beurt weer goede prooien voor marterachtigen (de hermelijn en de bunzing) maar ook de ringslang (RAVON, 2023). Om als geschikte voortplantingswater voor de mug te voldoen, moet de wadi open en vrij genoeg liggen om goed op te kunnen warmen door de zon. Ook moet het water stilstaand zijn om de eitjes in te kunnen leggen (RIVM, 2016).
Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Sinusbeheer is hier een goede optie (zie bijlage X voor een uitgebreide omschrijving van het beheer). Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten Streefbeeld ruigte mengsel W2
Luchtschacht naar duikers tussen de wadi’s
Laanbomen Struweel Ruigte Wadi Detailuitwerking natuurtypen centrale as
Flevokust-Haven | 03.05.2023
46
SECUNDAIRE STRUCTUUR
12. ZIJWEG Inleiding De secundaire structuur omvat onder andere het straatprofiel dat loopt vanaf de centrale richting de A6. Het profiel is circa 42 meter breed en opgebouwd uit een enkele rijbaan met twee rijstroken en een trottoir. Het profiel kent geen middenbermen maar een berm aan weerszijden van de weg. Aan de zonnige zuidzijde van de straat wordt een lage, bloemrijke vegetatie toegepast die als voedselbronnen dient voor bijen en insecten, een voedselbron voor onder andere de vleermuizen. De bomen aan deze zijde kennen grote onderlinge afstanden waardoor er veel zonlicht op het bloemrijke gras en de struwelen valt. Diverse boomsoorten met verschillende hoogtes worden onderling afgewisseld en aangeplant in ‘wildverband’. De noordzijde van het straatprofiel wordt gevormd door een struweel. Het struweel bestaat uit opgaande beplantingen en minimaliseert het zicht op de naastgelegen kavel.
Laanbomen Struweel Ruigte
Flevokust-Haven | 03.05.2023
48
12. ZIJWEG Struweel Aan de noordzijde van het profiel wordt struweel aangeplant. Het struweel bestaat uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen en langs de rijbanen. De soortsamenstelling bestaat uit diverse inheemse struweelvormende soorten, welke zijn gekozen op basis van de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (zie ook het doornstruweel in het boscompensatiegebied). Soortensamenstelling struiklaag Deze plantengemeenschap bevat in de struiklaag : • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) • hondsroos (Rosa canina) • sleedoorn (Prunus spinosa) • gewone vlier (Sambucus nigra) • rode kornoelje (Cornus sanguinea) • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (Rhamnus cathartica) Deze soorten vormen dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen, waarvan de sleedoorn, meidoorn en braam zorgen voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding van deze soort.
Beheer Om blijvend robuuste verbindingen binnen het terrein te realiseren is gericht beheer van de struwelen in de laanstructuren noodzakelijk. Hierbij wordt gedoeld op gefaseerde dunningen. Door de boom- en struikvormers om de 5 à 10 jaar gefaseerd terug te zetten wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied blijft bestaan. Dunningen worden afgestemd op de wilddruk, het ontwikkelingsproces van het struweel en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten. De functionaliteit voor doelsoorten is leidend. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren wordt aangeraden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Verdere beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. De zoom van de struwelen zal betrokken worden bij het gefaseerd maaibeheer van de ruigten in de laanstructuren. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het doornstruweel.
Aanplant De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1,5 meter tussen elkaar.
Laanbomen Struweel Ruigte
Flevokust-Haven | 03.05.2023
49
12. ZIJWEG Laanbomen De bomen in de laanstructuren bestaan uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen en langs de rijbanen. De vogels kunnen de bomen gebruiken als nestlocaties en voor de vleermuizen kunnen ze dienen als vliegroute. Er worden door de vleermuizen eisen gesteld aan de mate van aanwezige gaten of onderbrekingen, aanwezige lichtbronnen en hoe de vliegroute ligt ten opzichte van het foerageergebied. Bij kunstmatige verlichting zal het aantal aanwezige vleermuizen laag zijn. Verder functioneert een vliegroute pas bij een boomhoogte van minimaal 5 meter (2,5 meter kroonhoogte). Langs de lijnvormige structuren foerageren de vleermuissoorten ook. Gewone grootoorvleermuizen volgen lijnvormige structuren zoals hagen, houtwallen en rietkragen als vliegroute, maar in een bos of heel kleinschalig landschap zijn ze niet gebonden aan bepaalde vaste structuren. Onderbrekingen in lijnvormige structuren zijn beperkt door de reikwijdte van de echolocatie en de gevoeligheid voor wind (BIJ12, 2017a). Zie bijlage II voor meer informatie over fauna in relatie tot laanstructuren.
Soortensamenstelling Populus canadensis ‘Robusta’ Populus canescens ‘De Moffart’ Populus canadensis ‘Koster’ Populus nigra Streefbeeld Laanbomen
Flevokust-Haven | 03.05.2023
Laanbomen in de zijweg
50
12. ZIJWEG Ruigte Inleiding De ondergroei van de laanstructuren en de bermen bestaan uit bloem- en kruidenrijke graslandvegetatie. Deze oppervlakten worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de bermen is ‘N3 - Bijenmengsel voor zware grond’ een goed mengsel. Soortensamenstelling Mengsel N3 (Cruydhoeck, 2023) is een kleurrijk mengsel dat geschikt is voor plantsoenen op kleiachtige grond. De soorten zijn optimaal samengesteld voor insecten. Het bevat onder meer veel drachtplanten voor bijen, zoals Rapunzelklokje voor klokjesbijen, Beemdkroon voor de Knautiabij en Grote kattenstaart voor de Kattenstaartdikpoot. Ook veel andere bestuivers, zoals dag- en nachtvlinders, worden met dit mengsel aangetrokken. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat vanaf het tweede jaar in bloei van mei tot september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, bij voorkeur in de nazomer of vroeg in het voorjaar.
Laanbomen Struweel Ruigte
Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte en de wilddruk in het gebied. Enkele beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte. het is echter onwaarschijnlijk dat de das voorkomt in de ruigte van de tertiaire structuur.
Streefbeeld ruigte mengsel N3
Flevokust-Haven | 03.05.2023
51
13. LANDSCHAPSPARK Inleiding Het landschapspark bestaat uit een poel, een wilgenstruweel en pluksgewijs geplante doornstruwelen. Door het landschapspark loopt een wandelpad dat openbaar toegankelijk is. Het paadje eindigt in een zitplek. De elementen zoals de poel, het wilgenbosje en de doornstruwelen worden hieronder beschreven.
Doornstruweel Wilgenbroekstruweel Ruigte Poel Wandelpad Zitgelegenheid Ligging van het landschapspark
Flevokust-Haven | 03.05.2023
52
13. LANDSCHAPSPARK Wilgenbos/struweel/ruigte Wilgenbos Aan de noordzijde van de poel worden pluksgewijs wilgenbossen gerealiseerd. Deze worden aangelegd volgens het bostype wilgenbroekbos, zoals beschreven in hoofdstuk 10. Hier wordt de soortensamenstelling, aanplant, en het beheer toegelicht. Meer informatie over deze bossen en het effect op de doelsoorten zijn te vinden in bijlage II. Doornstruweel Ten westen van het wilgenbos worden pluksgewijs doornstruwelen aangeplant. De doornstruwelen worden aangelegd volgens de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (Pruno-crataegetum), zoals beschreven in hoofdstuk 10. Hier wordt de soortensamenstelling, aanplant en het effect op de doelsoorten toegelicht. Meer informatie over deze doornstruwelen en het effect op de doelsoorten zijn te vinden in bijlage II. Ruigte De ondergroei in het landschapspark bestaat uit kruidenrijke graslandvegetatie, welke worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om hiervoor zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de begroeiing in het oostelijke deel van het park, rondom de poel en de wilgenbosjes, zou mengsel ‘G3- Bloemrijk grasland voor jaarrond natte tot vochtige grond’ een goede optie zijn. Voor het westelijk gedeelte, rondom de doornstruwelen, zou een mengsel als ‘O1-Ruige onderbegroeiing voor boszomen’ een goede optie zijn.
Meer informatie over deze begroeiing en het effect op de doelsoorten zijn te vinden in hoofdstuk 10 en 11. De soortsamenstelling van de voorgestelde mengsels is opgenomen in bijlage VII.
Wilgenbroekstruweel Doornstruweel Ruigte
Flevokust-Haven | 03.05.2023
53
13. LANDSCHAPSPARK Poel Binnen de secundaire structuur wordt in het landschapspark een poel aangelegd. Deze poel is, mits genoeg beschenen door de zon, geschikt als voortplantingswateren voor muggen, een van de grootste voedselbronnen voor vleermuizen en amfibieën. Deze amfibieën zijn op hun beurt weer goede prooien voor marterachtigen (de hermelijn en de bunzing) maar ook de ringslang. Om geschikt te zijn voor de mug moet het water stilstaand zijn om de eitjes in te kunnen leggen (RIVM, 2016). Door dichte vegetatie in of rondom de poel kunnen afgesloten gedeelten ontstaan. Een mogelijke toevoeging in vegetatie zou riet kunnen zijn zoals beschreven in hoofdstuk 10. De oevers van de poel dienen beschut te zijn met beplanting om wind tegen te houden en dekking te bieden. Dit geldt zowel voor de vleermuissoorten en de mug. De oever- en watervegetatie zal op natuurlijke wijze tot stand komen. Aan de noordzijde van de poel worden wilgenbroekstruwelen aangelegd. Ten westen van de poel zal dit struweel overlopen in doornstruweel wat gunstig is voor kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen vinden in de doornstruwelen beschutting en voedselbronnen zoals muizen. Muisachtigen zullen de struwelen namelijk gebruiken om holen en nesten in te maken. Daarnaast bieden de stekelige struwelen voldoende beschutting aan de kleine marterachtigen om bruikbaar te zijn als dagrustplaats.
Ligging poel in het landschapspark
Voor de gewone grootoorvleermuis is de omgeving ook aantrekkelijk doordat naast muggen ook spinnen en kevertjes aangetrokken worden door stilstaande wateren. De oever- en watervegetaties komen op natuurlijke wijze tot stand door middel van successie. Voor de bever is de waterpartij aantrekkelijk door de aanwezigheid van wilgen. Deze soort dient in de winterperiode als voedselbron net als waterplanten in de zomerperiode. Zo kan schade aan bomen insecten aantrekken die weer gegeten kunnen worden door de marterachtigen en eventuele dassen in het gebied. Ook de ringslang heeft een voorkeur voor waterrijke leefgebieden. Hier zal de soort opzoek gaan naar amfibieën (RAVON, 2023).
Streefbeeld poel
Flevokust-Haven | 03.05.2023
54
TERTIAIRE STRUCTUUR
14. ZIJWEGEN Inleiding Dit hoofdstuk is een uitwerking van de tertiaire structuur van Flevokust Haven. De tertiaire structuur bestaat uit een smaller profiel van circa 15 meter met een enkele rijbaan. De groene ruimte in de profielen wordt ingevuld met zoomvegetatie, laanbomen en struwelen. Verder vallen ook twee wegen richting de entrees van bedrijven onder de tertiaire structuur.
Ligging tertiaire structuur
Flevokust-Haven | 03.05.2023
56
14. ZIJWEGEN Laanbomen De bomen in de laanstructuren bestaan uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen langs de rijbanen. De lanen bestaan uit eerste grootte bomen van diverse soorten. De vogels kunnen de bomen gebruiken als nestlocaties en voor de vleermuizen kunnen ze dienen als vliegroute. Er worden door de vleermuizen eisen gesteld aan de mate van aanwezige gaten of onderbrekingen, aanwezige lichtbronnen en hoe de vliegroute ligt ten opzichte van het foerageergebied. Bij kunstmatige verlichting zal het aantal aanwezige vleermuizen laag zijn. Hoofdstuk 9 gaat dieper in op ecologisch verantwoorde verlichting. Verder functioneert een vliegroute pas bij een boomhoogte van minimaal 5 meter (2,5 meter kroonhoogte). Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de laanstructuur.