Bijlage 2e - bijlage bij de toelichting
Tekst van het document
Locatie detailuitwerking
Bijlage VIII bevat een complete kaart met alle laanbomen in Flevokust Haven
Soortensamenstelling Populus canadensis ‘Robusta’ Populus canescens ‘De Moffart’ Populus canadensis ‘Koster’ Populus nigra Ulmus ‘Rebona’ Ulmus ‘New Horizon’ Tilia europaea ‘Palida’ Tilia platyphyllos Quercus palustris Streefbeeld laanbomen
Flevokust-Haven | 03.05.2023
Detailuitwerking van laanbomen in de tertiaire strucuur
57
14. ZIJWEGEN Struweel Soortensamenstelling struiklaag Het struweel in de laanstructuren bestaat uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen en langs de rijbanen. De soortsamenstelling bestaat uit diverse inheemse struweelvormende soorten, welke zijn gekozen op basis van de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (zie ook de doornstruwelen in hoofdstuk 12). Deze plantengemeenschap bevat in de struiklaag: • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) • hondsroos (Rosa canina) • sleedoorn (Prunus spinosa) • gewone vlier (Sambucus nigra) • rode kornoelje (Cornus sanguinea) • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (Rhamnus cathartica) Deze soorten vormen dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen, waarvan de sleedoorn, meidoorn en braam zorgen voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding van deze soort. Aanplant De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1,5 meter tussen elkaar.
Beheer Om blijvend robuuste verbindingen binnen het terrein te realiseren is gericht beheer van de struwelen in de laanstructuren noodzakelijk. Hierbij wordt gedoeld op gefaseerde dunningen. Door de boom- en struikvormers om de 5 à 10 jaar gefaseerd terug te zetten wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied blijft bestaan. Dunningen worden afgestemd op de wilddruk, het ontwikkelingsproces van het struweel en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten. De functionaliteit voor doelsoorten is leidend. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren wordt aangeraden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Verdere beheersuggesties zijn opgenomen in Bijlage X. De zoom van de struwelen zal betrokken worden bij het gefaseerd maaibeheer van de ruigten in de laanstructuren. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het doornstruweel.
Flevokust-Haven | 03.05.2023
58
14. ZIJWEGEN Ruigte Inleiding De ondergroei van de laanstructuren en de bermen bestaan uit bloem- en kruidenrijke graslandvegetatie. Deze oppervlakten worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de bermen zou ‘N3 - Bijenmengsel voor zware grond’ een goed voorbeeld zijn. Soortensamenstelling Mengsel N3 (Cruydhoeck, 2023) is een kleurrijk mengsel dat geschikt is voor plantsoenen op kleiachtige grond. De soorten zijn optimaal samengesteld voor insecten. Het bevat onder meer veel drachtplanten voor bijen, zoals Rapunzelklokje voor klokjesbijen, Beemdkroon voor de Knautiabij en Grote kattenstaart voor de Kattenstaartdikpoot. Ook veel andere bestuivers, zoals dag- en nachtvlinders, worden met dit mengsel aangetrokken. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat vanaf het tweede jaar in bloei van mei tot september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, bij voorkeur in de nazomer of vroeg in het voorjaar. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII.
Streefbeeld ruigte mengsel N3
Flevokust-Haven | 03.05.2023
Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte en de wilddruk in het gebied. Enkele beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte. Het is echter onwaarschijnlijk dat de das voorkomt in de ruigte van de tertiaire structuur.
Locatie detailuitwerking
Ligging ruigte in de tertiaire structuur
59
AANBEVELINGEN
15. AANBEVELINGEN
Uitvoering Bij de uitvoering van het plan dient rekening gehouden te worden met de eerdergenoemde eisen vanuit het ecologisch advies van WSP Nederland (2022). Het is sterk aan te raden om naast het treffen van mitigerende maatregelen voor (kleine) marterachtigen, bever, otter en vleermuizen aandacht te besteden aan de volgende punten: • Het opstellen en navolgen van een ecologisch werkprotocol. • De noodzakelijke ontheffingsaanvraag doen ten aanzien van de wezel ter plaatse van perceel D. • Het opstellen en navolgen van het noodzakelijke mitigatieplan en een ecologisch werkprotocol ten aanzien van het potentiële leefgebied van de wezel op ter plaatse van perceel E. • Het uitvoeren van een extra check ten aanzien van bever begin 2023 ten behoeve van het vaststellen van verblijfplaatsen van deze soort in en rondom de Forellentocht. • Het ten alle tijden rekening houden met de zorgplicht die geldt voor niet beschermde soorten. Verbindingen van wadi’s Binnen de primaire hoofdwegen zijn verschillende wadi’s te vinden. De wadi’s worden onderling verbonden doormiddel van duikers en eventuele waterafvoerbuizen. Hierdoor wordt het bereik van verspreiding voor soorten als amfibieën vergroot.
Faunapassage binnen het boscompensatiegebied De verkeersader van de hoofdstructuur doorsnijdt het boscompensatiegebied. Om te voorkomen dat het bosgebied versnipperd raakt wordt aangeraden ook hier een faunapassage aan te leggen. Voorstel is een droge duiker onder het straatprofiel aan te leggen waar met name de kleine marterachtigen zich door kunnen verplaatsen. Aanleg lijnstructuren Voor de vleermuizen kunnen de lijnstructuren dienen als vlieg en foerageerroute. Om te voldoen aan de eisen van de vleermuis is het aan te raden om bij de aanleg van de lijnvormige elementen te voldoen aan de volgende eisen: • De vliegroute functioneert pas als de nieuw aan te planten bomen een hoogte van minimaal 5 meter hebben en een onderste kroonbreedte van minimaal 2.5 meter. • De plantafstand moet dan maximaal 7 meter zijn; bij dubbele rijen op maximaal 7 meter van elkaar geplant, kan de plantafstand tot 16 meter zijn. • Onderbeplanting met een struiklaag van tenminste drie meter breed is ook mogelijk. • Aanwezigheid van water is ook van belang. • Voor vervanging van vliegroutes die niet tevens als foerageergebied worden gebruikt moet rekening gehouden worden met een periode van minimaal 1 tot 2 jaar.
• Grote gaten in vliegroutes kunnen overbrugd worden door het plaatsen van 4,5 meter hoge palen (waarvan 3 meter boven de grond) van tenminste 20 centimeter doorsnede die in dubbele rij in verband geplaatst zijn op 0.4 meter afstand van elkaar. Steenhopen voor steenmarter Om het leefgebied van de steenmarter sterker te compenseren is het aan te raden om binnen de bostypen essen-iepenbos en eikenhaagbeukenbos steenhopen aan te leggen. Mogelijk kan hiervoor materiaal uit de voormalige situatie van het terrein worden hergebruikt. Onder de steenhopen kan een steenmarter rustplaatsen vinden en dekking zoeken.
Beluchting van de duikers tussen de wadi’s
Flevokust-Haven | 03.05.2023
Steenhopen dienen minstens 3 meter lang, 2 meter breed en 1 meter hoog te zijn. De nestkamer van de steenhoop dient te worden aangelegd met stenen met een diameter van tenminste 30 centimeter, waar kleinere stenen bovenop komen te liggen. De nestkamer heeft een afmeting van ongeveer 30 bij 30 centimeter en dient tenminste twee ingangen te hebben. Het is van belang dat deze openingen niet groter zijn dan 8 centimeter. De ruimte tussen en onder de stenen wordt opgevuld met nestmateriaal zoals hooi (Westra & Kuiters, 2018).
61
15. AANBEVELINGEN
Takkenrillen en rommelhoekjes Voor de kleine marterachtigen is de omgeving erg belangrijk. Het instandhouden van holle bomen, overhoekjes en andere kleinschalige landschapselementen en het laten liggen van takkenhopen en rietbossen zijn goede maatregelen die ervoor zorgen dat deze dieren voldoende schuilplaatsen hebben. Lichtinval poel in het landschapspark Om voldoende lichtval op de poel (50% van de dag) te garanderen is het noodzakelijk, en daarom sterk aan te raden, om aan de oostelijke zijde van perceel A (zie kaart pagina 8) lagere bebouwing te realiseren. Wanneer de omliggende bebouwing hier 40 meter hoogte bereikt neemt de lichtinval zodanig af dat de vegetatie zich op een ongewenste manier ontwikkelt voor zowel de biodiversiteit als de beleving van de mensen. Door onvoldoende lichtinval ontstaat er namelijk een watervegetatie die de verder lichtinval op de waterbodem blokkeert. Waterplanten komen zo onvoldoende tot ontwikkeling waardoor er een zuurstofarm milieu ontstaat. Dit is nadelig voor de beschuttingsmogelijkheden in het water en vermindert het voedselaanbod. Daarnaast warmen de ondiepe oevers van de poel bij onvoldoende zoninstraling niet op wat ongunstig is voor amfibiën. Reeën in het gebied Bij aanplant is het sterk aan te raden rekening te houden met de ree-druk in het gebied.
Dit kan door het plaatsen van vraatbescherming, te kiezen voor een verhoogde inboet of het laten ontstaan van open plekken als onderdeel van het natuurlijke proces. Ook een combinatie is een goede mogelijkheid. Dit is eveneens gunstig voor het tot stand komen van variatie in leeftijden binnen de aangeplante natuurtypen. Das Gebieden kunnen door de wijze van beheer (beter) geschikt gemaakt worden voor de das. Denk hierbij aan het creëren van open plekken in bossen en het aanplanten van heggen en houtwallen. Hierdoor ontstaan geschikte leefgebieden waarin de das voldoende voedsel vindt en zich veilig kan verplaatsen.
Flevokust-Haven | 03.05.2023
Broeihopen ringslang Een laagdrempelige mogelijkheid tot extra compenseren van leefgebied voor de ringslang is het plaatsen van broeihopen. Deze broeihopen zijn meestal opgebouwd uit een opstapeling van takken, bladmateriaal en paardenmest. Eventueel kunnen hiervoor plantenresten uit het onderzoeksgebied gebuikt worden. De ringslang zal tijdens de voortplantingsperiode haar eitjes in de broeihopen afzetten. Door de broei stijgt de temperatuur tot ongeveer 30 graden Celsius wat ervoor zorgt dat de eitjes verder ontwikkelen tot juveniele ringslangen. Hierdoor is in ons relatief koude klimaat de ringslang afhankelijk van mest of composthopen. De beste tijd om een broeihoop aan te leggen is vanaf half maart tot eind april. Een goede broeihoop heeft een afmeting van 1.5 meter bij 3 meter en is 1.5 meter hoog. De hoop bestaat idealiter uit gebiedseigen snoeimateriaal (bladeren, riet, gras en takken). Takken dienen voornamelijk in het midden van de broeihoop verwerkt te worden. Een goede locatie is gelegen op een rustige plek maximaal 4 meter van open water in directe nabijheid van begroeiing. De broeihoop dient tenminste voor de helft in de zon te liggen. Na één tot enkele jaren is al het materiaal in de broeihoop verteerd en loopt de broei terug.
Meer informatie over de aanleg van een broeihoop is te vinden op de website broeihopen.nl (RAVON, z.d.) Gebouw bewonende soorten Naast de te nemen compenserende en mitigerende maatregelen wordt het ook aangeraden om bovenwettelijke maatregelen te nemen. Het gaat hier om het aanbrengen van inbouwvoorzieningen voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen in de te realiseren panden. Voor de huismussen worden inbouwkasten aangeraden van het type Vivara Pro NK MU 07 of vergelijkbaar. Hierbij wordt rekening gehouden met de geschikte hoogtes, windrichtingen en nabijheid van groene structuren.
62
BRONVERMELDING