CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Motivering BOPA Stadhuisplein 51 te Lelystad

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.072 Bindend advies BOPA PostNL-locatie18.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook

35

bedrijfswoningen. Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Toetsing

Het voorgenomen initiatief voorziet in de sloop van het bestaande PostNL-postkantoor en de realisatie van circa 140 woningen in het projectgebied. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Het rekenpunt (50000578_32725) dat het dichtst bij het projectgebied ligt kent is gelegen aan de Zuigerplasdreef en kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2025: NO2: 11,6300 µg/m3 PM10: 13,6024 µg/m3 PM2,5: 6,8866 µg/m3

Figuur 12. Uitsnede luchtkwaliteitskaart CIMLK

Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende

36

stoffen in de peiljaren 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 6.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.3

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

Bij bedrijven kunnen activiteiten plaatsvinden die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. 6.3.2

Toetsing

In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bedrijven die geurhinder kunnen veroorzaken. Het projectgebied is gelegen in het centrum van Lelystad, waar veehouderijen niet voorkomen. De dichtstbijzijnde veehouderijen bevindt zich op een ruimte afstand van 4 kilometer van het projectgebied. Daarnaast bevinden zich meerdere woningen tussen de veehouderij en het projectgebied, welke reeds zorgen voor eventuele beperkingen van de veehouderij. Het is niet noodzakelijk het aspect geur nader te onderzoeken. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. 6.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.4

Bodemkwaliteit

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

37

6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; zorg te dragen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, daarbij rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen te beheren. 6.4.2

Toetsing

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in mei 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Hieronder worden kort de belangrijkste resultaten uit dit onderzoek besproken. Algemene resultaten Het maaiveld is volledig verhard met klinkers. De bovengrond bestaat uit matig grof en zwak siltig zand. De ondergrond betreft matig grof en zwak tot matig siltig zand, plaatselijk is een uiterst siltige of matig tot sterk zandige klei aanwezig in de grond. Tijdens de uitvoering van het veldwerk is vastgesteld dat de zandlagen plaatselijk zwak grindig zijn. De kleilagen bevatten laagjes zand en plantenresten en zijn plaatselijk zwak humeus. Verspreid zijn er sporen van schelpen en roest waargenomen. Plaatselijk zijn sporen baksteen aangetroffen. Incidenteel bevat de bodem sporen plastic afval, sporen puin of resten glas. In de overige boringen en bodemlagen zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan op de aanwezigheid van een verontreiniging. Op indicatieve wijze zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen op het maaiveld of in de opgeboorde grond. Deellocatie 1, het gehele terrein De ondergrond van de noordwestzijde van het projectgebied bestaat uit zand met bijmenging van sporen baksteen en sporen puin. Uit de resultatenanalyse blijkt dat er gehalten nikkel en minerale olie boven de kwaliteitseis voor 'Wonen' aanwezig zijn.

De overige onderzochte (meng)monsters van zowel de boven- als ondergrond bevatten geen parameters die verhoogd zijn ten opzichte van de kwaliteitseis voor 'Landbouw/natuur'. Deellocatie 2 en 3, de gedempte sloten In de bodemlagen waarin zintuiglijk bijmengen zijn aangetroffen, die zouden kunnen duiden op een verontreiniging van de bodem, zijn geen parameters verhoogd ten opzichte van de kwaliteitseis voor 'Landbouw/natuur' aangetoond. Conclusies en aanbevelingen Plaatselijk is de bodem licht verontreinigd (bodemklasse 'industrie'). Geadviseerd wordt deze bodemlaag apart te ontgraven en af te voeren bij de grondroerende werkzaamheden. De resultaten van

38

het uitgevoerde onderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. Onzes inziens zijn er, met uitzondering van bovenstaande aanbeveling, geen belemmeringen voor het realiseren van herontwikkeling op de locatie. 6.4.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.5

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Lelystad heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe initiatieven/ontwikkelingen moeten voldoen. Het plan dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten onderbouwd en indien noodzakelijk onderzocht worden. 6.5.2

Toetsing

Het initiatief betreft een woningbouwontwikkeling in het stadshart van Lelystad, aan het Stadhuisplein. Het project voorziet in de realisatie van circa 140 appartementen voor uiteenlopende doelgroepen, variërend van jong tot oud. De locatie is gelegen op circa 250 meter van het NS-station, en daarmee zeer goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Door Buro Ontwerp & Omgeving is in december 2025 een memo mobiliteitsnotitie opgesteld. Deze memo bijgevoegd als Bijlage 4. Hieronder worden kort de belangrijkste resultaten uit deze memo besproken. Verkeer Voor wat betreft de te verwachten toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de CROW-publicatie uit 2024 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering'. De verstedelijkingsgraad betreft 'matig stedelijk' en het gebiedstype 'centrum'. In de huidige situatie geldt voor een kantoor (zonder baliefunctie) een verkeersgeneratie van gemiddeld 5,2 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Voor een distributiecentrum (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief) geldt een verkeersgeneratie van gemiddeld 3,5 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. In totaal is er sprake van 1.061 m2 bvo kantoor en 2.087 m2 bvo distributiecentrum. In totaal is er dus sprake van (5,2 x (1.061/100) + 3,5 x (2.087/100) =) afgerond 128 verkeersbewegingen per etmaal.

Voor wat betreft de te verwachten toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de CROW-publicatie uit 2024 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering'. Voor een worst case berekening is uitgegaan van 'Koop, appartement, < 75 m2 bvo' voor de circa 140 nieuwe woningen. De verstedelijkingsgraad betreft 'matig stedelijk' en het gebiedstype 'centrum'. De toekomstige situatie in

39

het projectgebied heeft een verkeersgeneratie van in totaal gemiddeld (140 x 4,3 =) 602 verkeersbewegingen per dag. De ontwikkeling genereert over de gehele dag gemiddeld 474 extra verkeersbewegingen. Voor het kritieke kruispunt Neringweg met de Lindelaan/Zuigerplasdreef is met name de ochtendspits relevant, omdat het initiatief hier uitsluitend uitgaand verkeer toevoegt. Uit de uitgevoerde capaciteitstoets blijkt dat dit kruispunt de extra verkeersdruk in zowel de ochtend- als avondspits binnen acceptabele wachttijden kan verwerken. Daarmee is het initiatief verkeerskundig goed inpasbaar. Parkeren Op basis van het bovenstaande woningbouwprogramma kan aan de hand van de parkeernorm uit de adviesnotitie 'Parkeernormberekening Stadshart Lelystad' de parkeerbehoefte worden bepaald. Het projectgebied maakt deel uit van het gebied Stadshart Lelystad. Het initiatief omvat de realisatie van circa 140 appartementen. De precieze verdeling tussen koop- en huurwoningen, evenals de verhouding tussen sociale, goedkope, middeldure en dure segmenten, is op dit moment nog niet vastgesteld en kan in een later stadium van de planontwikkeling worden gewijzigd. Daarom wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeervraag van 0,7 parkeerplaatsen per woning. De navolgende tabel geeft de uitwerking van de parkeernorm weer. Tabel 1. Parkeernorm uit adviesnotitie 'Parkeernormberekening Stadshart Lelystad'

Op basis van de adviesnotitie bedraagt de totale parkeervraag voor de woningbouwontwikkeling 98 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 66 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het resterende tekort van 32 plaatsen, bestaande uit zowel bewoners- als bezoekersparkeren, wordt volledig opgevangen in parkeergarage Neringweg. Deze garage ligt op korte afstand en beschikt over voldoende restcapaciteit om de benodigde plaatsen te accommoderen. Uit de memo mobiliteitsnotitie blijkt dat er en geen onevenredige druk op de directe omgeving ontstaat, wordt de parkeeroplossing als doelmatig en toereikend beschouwd. Nadere toelichting op het aspect parkeren is dan ook niet noodzakelijk. 6.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren, in overeenstemming met de gemeente, geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.6

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het plan de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

40

6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Met een initiatief moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Binnen een initiatief dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het initiatief kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 'Besluit bouwwerken leefomgeving' (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2

Toetsing

Het voorgenomen initiatief voorziet in het toevoegen van circa 140 woningen. Deze woningen worden aangemerkt als 'kwetsbare objecten'. Hiermee voorziet de ontwikkeling in nieuw kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de Risicokaart Nederland. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een rood vlak.

41

Figuur 13 Uitsnede Risicokaart Nederland

Uit de risicokaart blijkt dat het projectgebied niet gelegen is binnen een risicocontour. Wel valt het binnen het gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn Weesp - Lelystad. Dit houdt in dat bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op de nabijgelegen spoorlijn, mogelijke effecten van een gifwolk kunnen optreden. Om de mogelijke risico's voor de toekomstige gebruikers van het gebied te beoordelen is een door SPA WNP in oktober 2025 een onderzoek naar omgevingsveiligheid uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 5. Samenvattend wordt op basis van het uitgevoerde onderzoek omgevingsveiligheid het volgende geconcludeerd: Het plaatsgebonden risico vormt in geen van de gevallen een belemmering voor de planontwikkeling; Risico’s bij bedrijven, risico’s door buisleidingen en risico’s door luchtvaart zijn niet relevant voor het beoogde initiatief wegens de ruime afstand tussen het plangebied en potentiële risicobronnen; Het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn langs station Lelystad Centrum. Vanwege de ligging binnen het aandachtsgebied zijn de risico’s nader beschouwd en is het aandachtsgebied nader verantwoord; Ter verantwoording en beoordeling van het aandachtsgebied zijn op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving enkele stappen doorlopen ter bescherming van mens en milieu, deze zijn uitgewerkt in hoofdstuk 7 van de bijlage.

De voorgaande beoordeling levert, ondanks de ligging van het plangebied binnen een aandachtsgebied, een neutraal tot positief beeld op. Aanbevolen wordt deze rapportage aan de Veiligheidsregio voor te leggen. 6.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid, met inachtneming van beschreven aanbevelingen, geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.7

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

42

6.7.1

(Wettelijk) kader

Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. 6.7.2

Toetsing

Door Buro Ontwerp en Omgeving is in oktober 2025 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in de navolgende alinea's samengevat. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het ‘Markermeer & IJmeer’, dat op circa 2,7 kilometer ten westen van het onderzoeksgebied ligt. Natura 2000-gebieden op minder dan 25 km afstand van het onderzoeksgebied zijn weergegeven in Tabel 1. Tabel 2. Overzicht nabijgelegen Natura 2000-gebieden

Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 2,7 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door het gebruik van werktuigen en voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken is er een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uitgevoerd voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden

43

uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt (zie kopje stikstof). In navolgend figuur is tevens de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 14. Ligging projectgebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken)

Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt op circa 2,3 km afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast.

Figuur 15. Ligging projectgebied (pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (grijs gearceerde vlakken)

44

Houtopstanden In het onderzoeksgebied zijn geen houtopstanden aanwezig, waardoor er voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig is. Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten dienen nader onderzocht te worden: Vleermuizen: Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in de bebouwing die vleermuizen toegang kunnen bieden tot potentiële verblijfplaatsen. Gierzwaluw: De bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw door de aanwezigheid van geschikte openingen, zoals spleten langs dakranden. Spreeuw: De bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als nestlocatie voor de spreeuw door de aanwezigheid van geschikte openingen. Huismus: De bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als nestlocatie voor de huismus door de aanwezigheid van geschikte openingen. Nader onderzoek Gelet op de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw, spreeuw en huismus is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het onderzoeksgebied voor deze soorten te kunnen bepalen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van het Bal aan de orde zijn.

Indien overtredingen van het Bal aan de orde zijn, dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aangevraagd te worden. Deze aanvraag kan separaat van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit worden gedaan, gezien dit een aparte omgevingsvergunning is waarbij de provincie bevoegd gezag is. Voordat de overtredingen van het Bal worden begaan, dient de omgevingsvergunning verleend te zijn. Aangeraden wordt deze vergunning dan verleend te hebben voordat de sloopmelding wordt ingediend bij de gemeente. Voortoets stikstof Door Buro Ontwerp & Omgeving is in oktober 2025 een voortoets stikstof uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Uit de uitgevoerde voortoets stikstof blijkt dat de transformatie van het voormalig PostNL kantoor naar een appartementencomplex bestaande uit circa 140 woningen en ruimtes voor maatschappelijke functies niet leidt tot een toename aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen significante effecten zijn op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling betreft dus geen Natura 2000-activiteit zoals beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waardoor de aanvraag van een omgevingsvergunning niet aan de orde is. 6.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.8

Water

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water.

45

6.8.1

(Wettelijk) kader

In artikel 5.37 van het Bkl is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In paragraaf 5.3 van deze motivering is het beleid van het waterschap inclusief de weging van het waterschap (met de Digitale Watertoets) beschreven. Navolgende subparagraaf laat het resultaat van de Digitale Watertoets zien en welke conclusies hieraan verbonden zijn voor het plan in het projectgebied. De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk.

De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren. Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten omgevingsvisies en omgevingsplannen op. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. Omgevingsvisies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste.

Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt. Het beheer is gericht op: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en; de vervulling van de aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies’. Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en

46

staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiële bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet. Programma’s Water en Ruimte In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maatregelen vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Het onderwerp ‘ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water’ is daarbij een belangrijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart. Programma’s zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn.

En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma’s zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leefomgeving. De vastgestelde maatregelen in programma’s zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen. Er zijn een aantal verplichte programma’s waarin maatregelen over ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water kunnen staan: Nationaal waterprogramma (Rijk) – gericht op het beheer van rijkswateren; Regionaal waterprogramma (provincie) – gericht op regionale oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties; Waterbeheerprogramma (waterschap) – gericht op de watersystemen in beheer bij het waterschap. Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen.

Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. 6.8.2

Toetsing

Door Buro Ontwerp en Omgeving is in oktober 2025 een quickscan water uitgevoerd. Deze is toegevoegd in Bijlage 8. Op basis van de quickscan kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De bodem van onderhavig projectgebied bestaat uit matig grof zand dat zwak tot matig siltig is. Vanaf 1,5 m-mv is klei aanwezig; Het maaiveld van het projectgebied is gelegen op een hoogte van gemiddeld circa 3,3 m -NAP; De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het projectgebied wordt ingeschat op circa 1,0

47

m-mv (circa 4,3 m -NAP); Het projectgebied ligt in een peilgebied met een vast peil van 5,4 m -NAP. Op basis van het beleid van de gemeente Lelystad en het Waterschap Zuiderzeeland is geen waterbergingseis van toepassing. Weging van het waterbelang Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als 'Weging van het waterbelang'. Op basis van artikel 2.2 houden bestuursorganen rekening met elkaars taken en bevoegdheden en zorgen voor afstemming en samenwerking hierover. De wettelijke basis van de weging van het waterbelang ligt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Artikel 5.37 regelt dat bevoegd gezag bij ruimtelijke ontwikkelingen waterbelangen meewegen bij besluitvorming. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is op 10 oktober 2025 een digitaal Wateradvies uitgevoerd. Zie Bijlage 9. Op basis hiervan is de normale procedure van toepassing. Op basis van de inhoudelijke beoordeling door Waterschap Zuiderzeeland is sprake van de korte procedure. De relevante nieuwe en bestaande waterhuishoudkundige werken, zoals waterkeringen en oppervlaktewater, zijn opgenomen in Regels op Kaart en/of gereguleerd in de regels van het omgevingsplan.

Voor de weging van het waterbelang zijn drie beleidsthema's van toepassing: Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water. Deze worden per beleidsthema nader uitgewerkt. Waterveiligheid Het projectgebied ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het projectgebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema waterveiligheid van toepassing. Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunten Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een

48

watersysteem dat voldoet aan de normering voor wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Binnen het plangebied is geen sprake van een wijziging in verhard oppervlak. Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan. Klimaatadaptatie Om inzicht te krijgen in de kwetsbaarheid voor weersextremen voeren alle gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen met de betrokkenen in hun gebied stresstesten uit. Het wordt natter, warmer, droger en onvoorspelbaarder. In de gemeentelijke klimaatatlassen worden de volgende effecten van klimaatverandering in beeld gebracht: wateroverlast (door zowel hoosbuien als langdurige regen), hittestress, droogte en overstromingen. Het waterschap adviseert en ondersteunt gemeenten bij het maken van de klimaatatlassen. De resultaten van de stresstesten worden door de initiatiefnemer meegewogen bij nieuwe ruimtelijke plannen.

De gemeenten in Flevoland vallen onder verschillende werkregio's waarbinnen ze samenwerken aan en afspraken hebben gemaakt over klimaatadaptatie. Voor gemeenten Almere en Lelystad geldt Klimaatbestendige Nieuwbouw: Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw 3.0 (Metropoolregio Amsterdam, 2021) Projectspecifiek: De omgeving is versteend. Dit draagt bij aan het stedelijk hitte-eiland effect. Ten opzichte van de huidige situatie wordt het perceel vergroend door een daktuin aan te leggen. Dit draagt bij aan vermindering van het hitte-eiland effect, vergroting van de biodiversiteit en mogelijke vermindering van wateroverlast door opvang en vertraagde afvoer van hemelwater. Schoon water Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische en ecologische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In bestaande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe ‘schoon houden, scheiden, zuiveren’. Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe ‘vasthouden, bergen en afvoeren’.

Dit om afwenteling (wateroverlast) te voorkomen. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het projectgebied wordt verwerkt. Bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet kan dan door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur . Randvoorwaarden

49

Onder schoon hemelwater wordt het volgende verstaan. Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1.000 voertuigen per etmaal; Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; Hemelwater van daken/bebouwing waarbij geen voor het watersysteem schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; Hemelwater van onverhard terrein; Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen). Als het afstromend hemelwater hier niet aan voldoet, dan geldt op grond van art. 2.12 van de Waterschapsverordening gelden emissiegrenswaarden voor afstromend hemelwater van parkeerterreinen met meer dan 50 parkeerplaatsen en van wegen met meer dan 1.000 vervoersbewegingen per etmaal. Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als het hemelwater een bodempassage doorstroomt die voldoet aan de richtlijnen in de Kennisbank Stedelijk Waterbeheer van Stichting RIONED. Aan lozingen in oppervlaktewater als gevolg van uitlogende (bouw)materialen (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. Projectspecifiek: Het perceel bestaat volledig uit daken. Centraal gelegen is een daktuin op de eerste verdieping. Hemelwater dat op de daken valt, kan mogelijk gedeeltelijk in de daktuin opgevangen worden en vertraagd geloosd worden op een hemelwaterrioleringsaansluiting. De exacte uitwerking hiervan is nog niet bekend.

Er wordt afgeraden gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Dan is geen sprake van vervuild hemelwater. Delen met parkeervakken en verkeersbewegingen zijn overdekt. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunten Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. De volgende voorkeursvolgorde geldt in het omgaan met afvalwater: 1. Lozingen in oppervlaktewater voorkomen 2. Afvalwater vergaand hergebruiken 3. Aansluiten afvalwaterstroom op riolering 4. Afvoeren per as (transport) 5. Opslaan en gelijkmatig verspreiden over akkerland 6. Lokaal zuiveren (IBA) en lozen in oppervlaktewater Randvoorwaarden Bij het afvoeren van afvalwater via openbare riolering naar een rioolwaterzuivering (AWZI) geldt dat de inrichting van de riolering in een projectgebied wordt afgestemd op de infrastructuur van de gemeente en het waterschap. Aan lokaal zuiveren en lozen van huishoudelijk afvalwater worden minimale afstandscriteria tot de openbare riolering en emissiegrenswaarden gesteld in de Waterschapsverordening.

Hiervoor gelden strengere eisen bij lozing in oppervlaktewater met bijzondere bescherming op grond van de Omgevingswet, bijbehorende regelingen en de Waterschapsverordening.

50

Projectspecifiek: Uitgaande van 2,5 inwoners per huishouden, 10 liter/uur DWA-productie per inwoner en 140 appartementen, wordt 3,50 m3/uur afvalwater geproduceerd. De toename in DWA ten opzichte van de huidige situatie is 1,8 m3/uur. Het afvalwater zal worden aangesloten op het dwa-riool van het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. De exacte locatie en wijze van aansluiting wordt op een later moment met de gemeente afgestemd. 6.8.3

Conclusie

Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het projectgebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. In overleg met de gemeente dient te worden bepaald waar het vuilwater kan worden aangesloten. Aanbevolen wordt om het vloerpeil minimaal 20 cm hoger te realiseren dan de aangrenzende straten. Hiermee wordt voorkomen dat water het gebouw binnenstroomt als er bij hevige buien water op straat staat.

6.9

Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij het initiatief rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2

Toetsing

Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Lelystad wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Het projectgebied ligt volgens het geldende omgevingsplan, met onderliggend het bestemmingsplan 'Stadshart' niet op gronden waarbij archeologische waarde wordt verwacht. Gezien de bestaande fundering gehandhaafd blijft, zijn er ook amper tot geen bodemingrepen noodzakelijk. Om deze redenen is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland ligt het projectgebied niet in een gebied met cultuurhistorische waarden. Het pand zelf is tevens niet aangemerkt als cultuurhistorisch. Er zullen dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast worden door de planrealisatie. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk.

51

Figuur 16. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart

6.9.3

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning.

Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water

52

Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie paragraaf 5.3). 6.10.2 Onderzoek energietransitie De appartementen zullen worden aangesloten op de toekomstige stadsverwarming of zullen worden uitgevoerd met een warmtepomp. Deze warmtepomp of stadsverwarming zal zorgen voor het verwarmingssysteem. Daarnaast zullen de woningen volledig gasloos worden uitgevoerd. Hiermee zijn de woningen, en het volledige gebouw, klaar voor de energietransitie. 6.10.3 Onderzoek circulariteit De exacte wijze van bouwen en het materiaalgebruik is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Waar mogelijk zal materiaal worden hergebruikt. 6.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een initiatief met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van het voorgenomen initiatief, in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage, moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een initiatief: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het initiatief leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op initiatieven of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.11.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een project-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 10 bijgevoegd.

53

6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een ruimtelijke ontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Toetsing Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van circa 140 appartementen in het voormalig PostNL-kantoor. Voor deze stedelijke ontwikkeling is de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing. In de Woonvisie 2022-2027: een leven lang wonen in Lelystad van de gemeente Lelystad is beschreven dat Lelystad de komende jaren wil inzetten om het nijpende woningnood in Nederland verder aan te pakken. De behoefte aan goede woningen in Nederland en zeker in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) waar Lelystad onder valt is groot.

In het kader van de tweede kamer motie Koerhuis (KST32847621) over het toevoegen van 100.000 woningen in Flevoland, heeft Lelystad aangegeven 15.000 woningen te kunnen realiseren. De gemeenteraad heeft in het najaar van 2020 aangegeven een toevoeging van 40.000 woningen tot 2040 over de gehele stad te ambiëren. Bovendien stimuleert de gemeente Lelystad om leegstaand vastgoed te herontwikkelen naar woningen daar waar het kan en wenselijk is. Uit onderzoek blijkt dat de woningbehoefte in de gemeente Lelystad tot 2040 verder ontwikkeld. In de woonvisie zijn deze cijfers in drie scenario's berekend, met een uitsplitsing naar sociale huur, vrije sector huur en koopappartementen. Tabel 2. Woningbehoefte gemeente Lelystad voor sociale huur en vrije sector huur tot 2040 op basis van drie scenario's

Scenario 1: Autonome groei Scenario 2: + 15.000

Sociale huur 1.695 2.190

Vrije sector huur 940 1.085

Koop 1.725 2.025

54

Scenario 3: + 40.000

5.940

1.850

3.665

Bron: Primos 2020, O&S Lelystad (2020), WoON 2015, WoON 2018, SysWov 2020, bewerking Stec Groep (2021). Afgerond op vijftallen.

In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit een leegstaand postkantoor. De initiatiefnemer is voornemens het huidige gebouw te slopen en op de locatie een appartementencomplex met circa 140 woningen te realiseren voor zowel jong als oud. De woningen worden gerealiseerd in verschillende segmenten. Geconcludeerd wordt dat met de ontwikkeling wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen voor verschillende doelgroepen. Het initiatief sluit tevens aan bij de doelen beschreven in de Woonvisie 2022-2027 van de gemeente Lelystad. Deze stedelijke ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen alle doelgroepen bestaat een duidelijke behoefte om zich te kunnen huisvesten op een bereikbare locatie. De volledige behoefte van deze doelgroepen wordt met het initiatief opgevangen. Daarnaast beschikt de omgeving over voldoende voorzieningen, wat bijdraagt aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. 6.12.3 Conclusie Het initiatief ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend initiatief voorziet in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied van de ontwikkellocatie. Deze stedelijke ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl).

6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

activiteiten,

ook

In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld.

55

6.13.2 Onderzoek intern Het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De nadruk ligt op de woonfunctie binnen een omgeving waar centrumfuncties overheersen. Deze zijn echter goed inpasbaar binnen de woonfunctie en binnen een omgeving waarin wonen de hoofdfunctie is. Bovendien zijn deze activiteiten nauwelijks tot niet milieubelastend. 6.13.3 Onderzoek extern Omliggende bedrijven kunnen zorgen voor (milieu)hinder. In het kader van milieubelastende activiteiten wordt wonen aangemerkt als milieugevoelige functie. Om het effect van omliggende functies op de woningen in beeld te brengen, is door Buro Ontwerp en Omgeving in oktober 2025 een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage Bijlage 11. In de navolgende tabel worden de belangrijkste conclusies en resultaten besproken: Tabel 3. Richtafstanden per bedrijf of activiteit

Uit voorgaande tabel blijkt dat de ontwikkeling niet binnen één van de aangewezen richtlijnen van het VNG valt. 6.13.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

56

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Artikel 1.3 (maatschappelijke doelen van de wet) Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 4.22 (rijksregels milieubelastende activiteiten) De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen; b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; c. de beste beschikbare technieken worden toegepast; d. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; e. het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd; f. energie doelmatig wordt gebruikt; g.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=6b1bc84f-82bd-4541-b119-332bbb15c32b