CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. ETFAL-motivering BOPA-procedure

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.073 Bindend advies BOPA Level One, Investeringskrediet en Structureel budget17.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Door de beleidsregel kamerverhuur Bijzondere Woonvormen Lelystad is het mogelijk dat er een uitzondering gemaakt wordt op het kamerverhuur verbod voor het uitoefenen van zorg met verblijf in kleinschalige woonvormen. De gemeenteraad heeft voor deze bijzondere woonvormen een uitzondering gemaakt, door in het paraplubestemmingsplan ‘’Parapluplan Algemene regels woningsplitsing en kamerbewoning Lelystad”, zoals vastgesteld op 22 september 2020, een afwijkingsbevoegdheid op te nemen. Doorvertaling naar het planvoornemen Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp. De huisvestingslocatie voorziet in wooneenheden die ruimte biedt voor in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers. Complementair aan de wooneenheden voorziet het planvoornemen in sport-, facilitaire-, gezondheid-, groen-, water- en recreatievoorzieningen. Het initiatief voor de ontwikkeling van het arbeidsmigrantendorp heeft geen raakvlakken met de beleidsregel kamerverhuur bijzondere woonvormen Lelystad. Het planvoornemen wordt gebouwd met als doel het huisvesten van de doelgroep arbeidsmigranten, waardoor er geen sprake is van kamerverhuur binnen de bestaande woningvoorraad. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met de uitgangspunten uit de Kamerverhuur bijzondere woonvormen Lelystad.

Actieplan Duurzaamheid 2021-2024 In 2016 heeft de gemeenteraad de Kadernota Duurzaamheid vastgesteld. In deze kadernota zijn de langjarige doelen beschreven die leiden tot een duurzamer Lelystad. Een jaar later is eveneens door de gemeenteraad het Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2020 vastgesteld. Daarin zijn speerpunten met projecten benoemd die bijdragen aan het behalen van de doelstellingen. Tegelijkertijd heeft de raad middelen beschikbaar gesteld om deze doelen te behalen. Als vervolg hierop is het Actieplan Duurzaamheid 2021-2024 vastgesteld.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|25

Geconstateerd is dat de door de raad vastgestelde kaders van 2016 nog actueel zijn en de middelen om deze te kunnen behalen vooralsnog toereikend zijn. Lelystad wil de stad zodanig inrichten dat deze vanuit economisch, ecologisch en menselijk oogpunt gezond, aantrekkelijk en toekomstbestendig is. In een gezonde stad is ruimte voor duurzame energie-, water-, voedsel, grondstoffen- en afvalkringlopen. Daarbij wordt gestreefd naar een samenhangende duurzame ontwikkeling met een betere balans tussen economie, ecologie en de mens. Het duurzaamheidsbeleid van Lelystad focust op zes speerpunten: 1. energie: meer energiebesparing en meer duurzame energie; 2. afval en circulaire economie: meer scheiden, minder restafval en van afval naar grondstof; 3. voedsel: meer consumptie van gezonde lokale producten en minder voedsel weggooien; 4. fysieke leefomgeving: duurzame gebiedsontwikkeling, milieuvriendelijk beheer in een groene, biodiverse stad; 5. mobiliteit: minder en schonere mobiliteit; 6. onderwijs en ondernemen: versterken van de (duurzame) basis in het onderwijs, samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven bij duurzame innovatie en meer maatschappelijk verantwoord ondernemen. Doorwerking naar het planvoornemen Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp.

De huisvestingslocatie voorziet in wooneenheden die ruimte biedt voor in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers. Complementair aan de wooneenheden voorziet het planvoornemen in sport-, facilitaire-, gezondheid-, groen-, water- en recreatievoorzieningen. Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van het plangebied energie op te wekken. Het streven is om met behulp van pv-panelen en een centrale batterij zoveel mogelijk energie-neutraal te worden. De bouw wordt uitgevoerd in duurzaam houtskeletbouw en wordt zonder gasaansluiting opgeleverd. De wooneenheden worden verwarmd middels warmtepompen en zonnecollectoren. Daarbij wordt het plangebied voorzien van recreatie, horeca, een supermarkt en sportgelegenheden. Omdat de voorzieningen nabij de wooneenheden zijn gelegen, zal de CO2 en stikstofuitstoot van de vervoersbewegingen beperkt zijn. Verder worden verspreid door het plangebied moestuinen, kassen en een voedselbos aangelegd. Op deze manier kunnen bewoners zelf voedsel verbouwen. Het eten van gezond voedsel is op deze manier laagdrempelig. Daarbij wordt het plangebied voorzien van diverse sportvoorzieningen. De wooneenheden, sport- en recreatievoorzieningen en moestuinen staan middels wandelpaden met elkaar in verbinding. Bovendien wordt verspreid door het plangebied verschillende groene parkjes aangelegd.

Het planvoornemen draagt hiermee bij aan de actieve gezondheidsbevordering door een gezonde en beweegvriendelijke omgeving te creëren. Het planvoornemen draagt derhalve bij aan speerpunten uit het Actieplan Duurzaamheid 2021-2024. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met de uitgangspunten uit het Actieplan Duurzaamheid 2021-2024.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|26

Welstandsnota 2015 Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de ‘Welstandsnota 2015 Lelystad geeft ruimte kwaliteit’. Deze welstandsnota biedt het kader om bestaande kwaliteiten te waarborgen en nieuwe kwaliteiten toe te voegen. Aangezien het hier om transformatie/verkleuring van functie en gebruik (werken naar wonen) gaat, valt de nieuwbouw onder de beperkte stedenbouwkundige welstand S2 (cluster en woonerf wijken). Bij de stedenbouwkundige welstand zijn de criteria erop gericht om de hoofdvorm van een gebouw of blok (straat) intact te laten. Ingrepen in een blok of een samenhang van blokken worden beoordeeld in verhouding tot de aanpalende blokken en de stedenbouwkundige impact van de verandering in haar omgeving. Toetsing Het stedenbouwkundigontwerp wordt voorgelegd aan de Welstandscommissie. Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|27

5.

LANDSCHAPPELIJKE, STEDENBOUWKUNDIGE EN CULTUURHISTORISCHE WAARDEN

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Omgevingskwaliteit duidt daarbij op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van een gebied en aan dier- en plantensoorten. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. Landschapswaarden Voorgenomen initiatief wordt gerealiseerd binnen de landschappelijke kamer aan de Torenvalkweg. De landschappelijke kamer bestaat uit akkerbouwgrond welke aan alle zijden is omringd door een circa 25 meter brede houtwal. Met de instandhouding van de bestaande houtwal heeft het planvoornemen beperkte invloed op de landschappelijke waarden van de omgeving. Stedenbouwkundige waarden Onderhavig planvoornemen is gelegen in het buitengebied van Lelystad aan de Torenvalkweg.

In de omgeving van het plangebied zijn geen stedenbouwkundige waarden gelegen die invloed hebben op het stedenbouwkundig plan van voorliggend initiatief. De stedenbouwkundige uitgangspunten van het planvoornemen zijn beschreven in paragraaf 3.1 van voorliggende motivering. Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Onder cultureel erfgoed worden onder andere verstaan: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. De bescherming van het cultureel erfgoed kent zijn oorsprong bij het Europese Verdrag van Malta in 1998. Dit verdrag voorziet in een beperking van de risico’s op aantasting van cultureel erfgoed. Cultuurhistorische waarden Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige- en cultuurhistorische aspecten. In dit kader wordt getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|28

Archeologische waarden In het Bkl ten aanzien van de bescherming zijn een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. De verwachte aanwezige archeologische waarden zijn eveneens opgenomen op de provinciale cultuurhistorische beleidskaart. Onderstaand is een uitsnede van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart weergegeven.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied rood omkaderd)

Uit bovenstaande uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart is af te lezen dat in of nabij het plangebied geen cultuurhistorische- of archeologische waarden zijn gelegen. Ook bevinden zich zowel in het plangebied als de directe omgeving geen Rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Voor de aanleg van de geplande rondweg aan de westzijde van het plangebied is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek met enkele booronderzoeken. Dit onderzoek richtte zich niet alleen op de gronden voor de rondweg, maar ook op de gronden binnen het onderhavige plangebied om mogelijke archeologische waarden te inventariseren. De belangrijkste conclusies uit het archeologisch rapport worden hieronder samengevat. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze motivering. In september 2022 is door RAAP een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting aan de hand van verzamelde informatie over bekende en verwachte archeologische resten. Deze onderzoeksfase betreft de eerste fase binnen het traject van archeologisch vooronderzoek dat als einddoel heeft de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats vast te stellen.

Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan:

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|29

•

•

•

Voor het plangebied geldt een verwachting op de aanwezigheid van resten van tijdelijke kampementen van jagers-verzamelaars en van bewoning door de eerste landbouwers op het pleistocene dekzandoppervlak, afgedekt door latere zeekleiafzetting. Een groot deel van het plangebied is eerder door middel van booronderzoek onderzocht, waarbij geen vindplaatsen zijn aangetroffen en de top van het dekzand verspoeld leek. Dit gebied is op de archeologische beleidskaart van de gemeente – en de voorschriften in de daarop gebaseerde bestemmingsplannen – aangegeven als een zone waarvoor geen archeologisch onderzoek nodig is. In de latere zeekleiafzetting bestaat een kans op de aanwezigheid van delen van scheepsen vliegtuigwrakken.

Inhoudelijk advies Puur op basis van archeologische inhoudelijke overwegingen – de archeologische verwachting – wordt geadviseerd het bestaande verkennend onderzoek uit te breiden tot een karterend onderzoek. Hierbij is het voorstel om de reeds uitgevoerde boorgrid te verdichten van 40 x 50 m tot 20 x 25 m. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel niet alleen de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen, maar ook om eventueel aanwezige archeologische resten op te sporen en zo mogelijk concrete gegevens verzamelen over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten. Op basis hiervan kan worden vastgesteld waar wel en waar geen archeologische resten aanwezig zijn en eventueel ook welk van de alternatieven voor de verbindingsweg tot de kleinste hoeveelheid archeologisch vervolgonderzoek leidt. Het eventuele vervolgonderzoek dat kan worden uitgevoerd na het karterende boor onderzoek zal bestaan uit borend of gravend veldonderzoek waarbij op die plekken waar eventueel archeologische resten zijn aangetroffen, en ook waar deze door de ingrepen worden bedreigd, gegevens worden verzameld over de aard, datering, gaafheid, conservering, zeldzaamheid en ensemblewaarde. Deze gegevens worden gebruikt om de behoudenswaardigheid van de aangetroffen vindplaatsen te bepalen.

Behoudenswaardig bevonden vindplaatsen zullen moeten worden veiliggesteld door middel van planaanpassing of opgraving. Formeel advies De regelgeving vanuit de ruimtelijke ordening schrijft geen archeologisch onderzoek voor in het plangebied. Dit is gebaseerd op de uitkomsten van een booronderzoek dat vrijwel het gehele plangebied dekt. Uitzondering hierop vormt de zuidelijke punt van het plangebied, waar een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ geldt. Hier zijn echter in geen van de voorliggende drie alternatieven ingrepen gepland, zodat formeel volstaan kan worden met het advies geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren zolang de plannen deze hoek niet zullen raken. Zowel de gemeente Lelystad als de provincie Flevoland hebben aangegeven dit formele advies over te nemen, zodat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is zolang de geplande ingrepen niet afwijken van één van de drie in deze rapportage voorliggende alternatieven. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister. Eventuele vondsten dienen gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|30

In verband met de mogelijke aanwezigheid van resten van scheeps- en vliegtuigwrakken moet voorafgaand aan de uitvoering – de aannemer een werkprotocol opstellen hoe om te gaan bij het aantreffen van delen van scheeps- en vliegtuigwrakken. De hieruit voortvloeiende archeologische werkzaamheden zullen dan alsnog moeten worden uitgevoerd, maar dan tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit is mogelijk en ook goed te doen en het verdient aanbeveling om voor dit geval voldoende tijd en flexibiliteit in de planning van de bouwwerkzaamheden in te bouwen om archeologisch onderzoek mogelijk te maken. Dit voorkomt onverwachte vertragingen. Om de archeologische waarden in het plangebied te waarborgen, wordt de bouw van voorliggend initiatief uitgevoerd onder begeleiding van een archeoloog. Conclusie Op basis van de daadwerkelijk te verstoren oppervlakte en diepte, en vanuit beleidsmatig perspectief, is het niet noodzakelijk om het booronderzoek zoals voorgesteld in het onderzoeksplan van IDDS uit te voeren. Het in kaart brengen van de bodemopbouw is archeologisch gezien altijd waardevol, maar in dit geval niet per se noodzakelijk. De wettelijke eisen m.b.t. eventuele vondsten tijdens werkzaamheden zullen worden gerespecteerd. De aspecten archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg vormen geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|31

6.

FYSIEKE LEEFOMGEVING

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

6.1

Beschermen van de gezondheid

Kader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. In artikel 2.1 lid 4 van de wet is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door. Onderzoek Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.

De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gezondheidsaspect heeft een centrale rol binnen de Omgevingswet. Conclusie In de navolgende paragrafen worden de relevante onderdelen uit de fysieke leefomgeving onderzocht. Hieruit blijkt dat vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

6.2

Bodemkwaliteit

Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|32

Onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp. De huisvestingslocatie voorziet in wooneenheden die ruimte biedt voor in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers. Complementair aan de wooneenheden voorziet het planvoornemen in sport-, facilitaire-, gezondheid-, groen-, water- en recreatievoorzieningen. De huisvestingslocatie bestaat uit wooneenheden waar men langer van twee aaneengesloten uren verblijft. Hierdoor is sprake van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is derhalve noodzakelijk. In augustus en november 2024 is door Mateboer milieutechniek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater), de hergebruiksmogelijkheden (indicatief) en de veiligheidsklassen voor de uit te voeren werkzaamheden. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit het verkennend bodemonderzoek weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage van deze motivering. In de onderzochte (meng)monsters van de boven- en ondergrond (traject: 0,0 – 2,8 m -mv.) overschrijden geen van de onderzochte stoffen de triggerwaarde en interventiewaarde voor nader onderzoek.

In het grondwater van één van de peilbuizen is een overschrijding van de signaleringsparameters aangetoond aan barium. Derhalve is deze peilbuis herbemonsterd waarbij een overschrijding van de streefwaarde is gemeten. In het grondwater van de overige peilbuizen zijn maximaal overschrijdingen ten opzichte van de streefwaarde aan barium, naftaleen en zink aangetoond. De aangetroffen gehalten aan PFAS overschrijden de detectielimiet, maar de verhoging is gering en geven vrijwel geen restricties op het grondverzet. De grond mag op basis van het gehalte aan PFAS niet worden toegepast binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Uit de toetsing aan het handelingskader PFAS en de indicatieve toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit voldoet de bovengrond (tot 0,5 m -mv.) over het algemeen aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Ter hoogte van slechts één analysemonster voldoet de grond aan de klasse ‘Industrie’. De ondergrond (0,5 - 2,8 m -mv.) voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De locatie is voldoende onderzocht en in het kader van de Omgevingswet zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|33

6.3

Geluid door activiteiten

Kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald. Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.20 van Bkl is bepaald welke gebouwen geluidsgevoelig zijn. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Geluidsproductieplafond De Omgevingswet werkt met geluidsaandachtsgebieden. De omvang van de geluidsaandachtsgebieden wordt bepaald op basis van berekeningen en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde mogelijk worden overschreden. De wijze waarop het gebied moet worden bepaald is opgenomen in de Aanvullingsregeling geluid (Arg). De bepaling van een geluidsaandachtsgebied is afhankelijk van de juridische status van de bron. Als een geluidsproductieplafond is vastgesteld, wordt gebruik gemaakt van de gegevens bij vaststelling daarvan. Dit betreft met name rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen en industrieterreinen. Hetzelfde geldt voor een waterschapsweg, lokale weg of lokale spoorweg als daarvoor een geluidsproductieplafond is vastgesteld.

Als geen geluidsproductieplafond is vastgesteld wordt gebruik gemaakt basisgeluidsemissies voor die bronnen. Geluid door activiteiten In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig welke invloed hebben op de geluidsgevoelige functie, zoals windturbines en buitenschietbanen.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|34

Onderzoek Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp. De huisvestingslocatie voorziet in wooneenheden die ruimte biedt voor in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers in logiesgebouwen. De logiesgebouwen zijn flexwoningen bedoeld voor shortstay, woningen bedoeld voor kortdurend gebruik, tot maximaal één (1) jaar. Het huisvesten van arbeidsmigranten tot maximaal één jaar, wordt in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aangemerkt als logiesfunctie, welke niet als geluidsgevoelige functie is aangewezen. Er wordt echter wel aandacht aan geluid besteed. Uitgangpunt is dat het maximale binnen geluidsniveau van de appartementen maximaal 33 dB(a) zal zijn. Het volledige geluidrapport is opgenomen is de bijlagen van voorliggende motivering. Uit de contourberekeningen dat het gemiddeld geluid in het middengebied voor recreatie niet meer bedraagt dan 46-48 dB in de dagperiode en 43-45 dB in de avondperiode. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de eerste lijn gebouwen direct bij de nieuwe rondweg een geluidsbelasting ondervinden van 62-63 dB op de zuidwestgevel (24/26/28/30/32/34 en 35). De geluidsbelasting van de noordoostgevel is ca. 10 dB lager en komt uit op 53 dB. Uitzondering is bouwblok A35 met een geluidbelasting van de noordwestgevel van 57-58 dB.

De berekeningsresultaten laten verder zien dat de gebouwen op wat grotere afstand van de rondweg een geluidsbelasting ondervinden van 55-59 dB (gebouw 03/06/25/27/29/31/33/36/37/38 en 39). Maatregelen Voor de verblijfsruimten van de logiesverblijven wordt gestreefd naar een zo laag mogelijk binnenniveau. ARDEA adviseert te streven naar een gemiddelde binnenwaarde van 33 dB voor het verblijfsgebied en een maximale waarde van 35 dB voor een verblijfsruimte. Gezien de uitkomsten wordt in overweging gegeven om drie typen gevelpakketten te laten bepalen: pakket 1 voor de gevels met een belasting 62(634) dB, pakket 2 voor gevels met een belasting 57-58 dB en een pakket dat uitgaat van 53 dB. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.4

Kwaliteit van de buitenlucht

Kader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2,5 en PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, koolmonoxide, lood, benzeen en ozon. In Nederland zijn met name de

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|35

grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn conform artikel 2.4 en 2.5 Bkl en weergegeven in onderstaande tabel. Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 μg/m³ Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 μg/m³ Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 μg/m³ NIBM Voor de volgende activiteiten geeft het Bkl in artikel 5.54 grenzen aan. Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10). Want de activiteit draagt dan per definitie niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: • 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg; • 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Voor de bepaling van de luchtkwaliteit ter plaatse is getoetst aan de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland (GCN en GND van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu – RIVM). Hierbij is gebruik gemaakt van de kaarten voor 2030 (gegevens 2023). De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in onderstaande tabel. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

Luchtkwaliteit ter plaatse 7 μg/m³ 12 μg/m³ 6 μg/m³

Op basis van de gegevens, afkomstig van de kaarten van het RIVM, is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Onderzoek luchtkwaliteit Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp bestaande uit 1.230 wooneenheden, welke via twee wegen wordt ontsloten. Het initiatief blijft onder de grenswaarde van 2.952 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen, waardoor het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Conclusie Vanuit het aspect kwaliteit van de buitenlucht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.5

Milieubelastende activiteiten Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|36

Kader Bedrijvigheid is belangrijk is belangrijk voor de werkgelegenheid, economie en welvaart. Maar bedrijven kunnen ook een negatief effect hebben op de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld door geluid van werkzaamheden, installaties of verkeer. Ook kan er sprake zijn van geurhinder of opslag van gevaarlijke stoffen. Bedrijfsactiviteiten worden derhalve vaak gezien als een milieubelastende activiteit (mba). Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken”. Bedrijven kunnen heel verschillend zijn. Er zijn kleinschalige bedrijven die weinig effect hebben op de omgeving. Maar ook grootschalige bedrijven met productie of bewerking van producten ter plaatse. Deze kunnen veel geluid- of geurhinder geven op de omgeving. Daarom passen sommige bedrijven in een woonomgeving en andere juist op een bedrijventerrein. Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid. Meestal is geluid de belangrijkste factor. Soms is juist de geurhinder, stofhinder of veiligheid (door opslag van gevaarlijke stoffen) bepalend voor de afstand tot gevoelige functies.

Om te beoordelen of de afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies acceptabel is, wordt aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Onderzoek In de nabijheid van het plangebied komen meerdere milieubelastende activiteiten voor. Voor de richtafstanden wordt aansluiting bij het omgevingstype ‘buitengebied’. Bedrijventerrein Flevopoort I omvat bedrijven in diverse milieucategorieën variërend van categorie 2 tot en met categorie 4.1. Het gedeelte van het bedrijventerrein met de hoogste milieucategorie (milieucategorie 4.1) kent de kortste afstand tot het plangebied. De richtafstand behorende bij milieucategorie 4.1 bedraagt 200 meter. De gronden van Lelypoort I, die zijn aangeduid met deze milieucategorie, zijn gelegen op een afstand van circa 320 meter tot het plangebied. Aan de richtafstanden wordt derhalve ruimschoots voldaan. Het bedrijventerrein Lelypoort I vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling van het planvoornemen. Andersom vormt het initiatief, waarbij 1.230 wooneenheden worden gerealiseerd voor de huisvesting van in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers, geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijventerrein Lelypoort I. Andersom worden binnen het plangebied verscheidene voorzieningen gerealiseerd.

Hieraan kunnen ook richtafstanden worden verbonden (supermarkt, parkeerterrein, wasserettes, sportvoorzieningen, transformatorhuisjes). Dergelijke voorzieningen vallen allen onder milieucategorie 1, met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Dergelijke functies kennen een zeer lage milieubelasting, die weinig geluid, geur, stof of verkeer veroorzaken en daardoor vaak gemengd worden met andere functies. Gesteld kan worden dat deze voorzieningen geen onevenredige belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de eenheden.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|37

Daarbij wordt het huisvesten van arbeidsmigranten tot maximaal één jaar in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aangemerkt als logiesfunctie, welke niet als geluids- c.q. milieugevoelige functie is aangewezen. EOS Op het perceel wordt een EOS (Energie Opslag Systemen) beoogd. Een EOS is vooralsnog niet geregeld in het Bal, deze is nog niet aangewezen als een milieubelastende activiteiten. Voorschriften hierover moeten daarom worden meegenomen in de BOPA. De effecten en risico’s voor de omgeving moeten nader worden beschreven, met het oog op de nabijgelegen wooneenheden. Voor een EOS moet ook worden voldaan aan de richtlijn PGS37-1; een Nederlandse norm binnen de Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen voor EOS met lithiumhoudende batterijen. De EOS zal voldoen uit de PGS37.1. Dit blijkt uit het volgende: • De EOS is een lithiumhoudende energiedrager. • Het betreft een Typical 1: zelfstandige EOS in (aangepaste) container. • De EOS die geplaatst wordt, heeft een brandpropagatietest succesvol doorstaan (b.v. op basis van NEN-EN-IEC 62933-5-2 of UL 9540A) Op basis van deze info kan worden bepaald welke voorschriften vanuit de PGS 37-1 van toepassing zijn. Er wordt tevens voldaan aan alle afstandsnormen die uit de PGS 37-1 voortkomen; de brandpropagatietest elimineert diverse afstandsnormen.

Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.6

Natuur

Kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels zoals deze opgenomen waren in Wet natuurbescherming. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding in kaart te worden gebracht.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|38

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000 Onderhavig plangebied is gelegen aan de Torenvalkweg. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’ en ‘Markermeer & Ijmeer’ gelegen op een afstand van respectievelijk 3,2 en 4,6 km tot het plangebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de ruimtelijke impact van het planvoornemen wordt een stikstofberekening middels de AERIUS-rekentool noodzakelijk geacht. Stikstofdepositie In de Omgevingswet is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden aangetoond dat de projecten de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning.

De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de AERIUS-berekeningen, rekening houdend met de project specifieke aannames, blijkt dat de voorgenomen herontwikkeling niet resulteert in een verhoging van de stikstofdepositie ter plaatse van de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Er is derhalve geen sprake van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de beoogde werkzaamheden en plannen.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|39

Natuurnetwerk Nederland Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp, waar in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers worden gehuisvest. Om de natuurwaarden van het plangebied en de omgeving te waarborgen is door Mateboer Milieutechniek een ecologische quickscan uitgevoerd, waaruit blijkt dat een deel van het plangebied binnen én nabij een Natuurnetwerk Nederland is gelegen: • De aanwezige houtwal, direct rondom het plangebied, is deels onderdeel van een NNNgebied. De houtwal met vaart ten zuiden van het plangebied betreft onderdeel van de verbindingszone Lage Vaart. • Aan de westzijde van het plangebied is een houtopstand aanwezig die onderdeel uit van het bosgebied ‘Hollandse Hout’. Het noordwestelijk deel van het plangebied grenst hier op enkele meters aan. Om de wezenlijke kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te waarborgen is een ‘nee, tenzijtoets’ opgesteld. Op basis van de ‘nee, tenzij-toets’ en de resultaten uit de ecologische quickscan met oriënterend veldonderzoek kunnen de volgende conclusies met betrekking tot de wezenlijke waarden van de aanwezige NNN gebieden worden getrokken:

Overzichtstabel beschermde natuurwaarden en vervolgstappen

Hierboven genoemde maatregelen dienen uitgevoerd te worden onder ecologische begeleiding. Aanbevelingen en vervolgstappen Algemeen voorkomende zoogdieren, vissen, ongewervelden en amfibieën Voor alle soorten, wel of geen vrijstelling, geldt dat voldaan moet worden aan de algehele zorgplicht. De zorgplicht geldt voor alle werkzaamheden. Ten aanzien van de algemene zoogdieren, ongewervelden, amfibieën en vissen dienen de volgende algemene richtlijnen te worden opgevolgd in het veld: • •

Indien individuen van dieren worden aangetroffen, dienen deze de gelegenheid te krijgen om te kunnen vluchten. Aanbevolen wordt om minder mobiele dieren, zoals egel en gewone pad, te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|40

•

• •

•

De maaiwerkzaamheden worden in één richting uitgevoerd. Hierbij wordt, indien aanwezig, richting een vluchtweg gewerkt zodat mobiele soorten kunnen ontsnappen en zelf voor de werkzaamheden kunnen uitwijken. Om schade zo veel mogelijk te beperken wordt aanbevolen zoveel mogelijk gebruik te maken van dezelfde aan- en afvoerroutes. Voor de aanleg van het werkterrein dient rekening te worden gehouden met het toe te passen materiaal. Er dienen geen ruimtes aanwezig te zijn onder de rijplaten. Deze ruimtes kunnen namelijk worden gebruikt als schuilplek voor zoogdieren en amfibieën. Indien er toch ruimten ontstaan onder de rijplaten dan dienen deze te worden gedicht met grond. Verstoring van in de nacht foeragerende dieren wordt voorkomen door de werkzaamheden overdag uit te voeren.

Algemene broedvogels Door de opstart van de werkzaamheden buiten de broedperiode van de te verwachten soorten uit te voeren en een broedvogelcheck te laten uitvoeren, worden schadelijke handelingen, zoals genoemd binnen de Omgevingswet voorkomen. De meest geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden, gezien de te verwachten soorten, is de periode september-februari. Soortenbescherming Ten behoeve van de soortenbescherming is door Mateboer Milieutechniek een habitatgeschiktheidsonderzoek opgesteld. Het onderzoek stelt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het essentiële leefgebied of dat het voornemen een negatief effect heeft op het aanwezige essentiële leefgebied in de omgeving van het plangebied voor de wezel, bunzing, steenmarter, boommarter, ringslang, vleermuizen en jaarrond beschermde broedvogels (hetzij buizerd, sperwer, havik en ransuil). Deze soorten zijn in Nederland bij wet beschermd. De provincie Flevoland heeft deze soorten niet als vrijgesteld opgenomen. Dit betekent dat deze soorten niet mogen worden gedood of verwond en dat vaste nest-, rust- en verblijfplaatsen niet mogen worden vernield of beschadigd. De beoogde ontwikkelingen hebben een negatief effect op geschikt leefgebied van deze beschermde soorten, derhalve wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor een flora- en fauna activiteit.

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning is het onder andere noodzakelijk om inzicht te geven in het ‘belang van de ingreep’, ‘alternatievenafweging’ en de ‘planning’ van de beoogde ontwikkeling. In het Activiteitenplan worden de mitigerende maatregelen uitgewerkt. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlage van voorliggende motivering. Conclusie Vanuit het aspect natuur is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de geadviseerde mitigerende maatregelen uit de ‘nee, tenzij-toets’ en ‘Activiteitenplan’. Er is een vergunning nodig m.b.t. de ecologische waarden. De provincie is het bevoegd gezag. Er heeft afstemming plaatsgevonden met de provincie ter voorbereiding op de formele vergunningsaanvraag. Hierbij is ook aandacht voor de Kiekendief. Hiertoe wordt een separate omgevingsvergunningsprocedure doorlopen.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|41

6.7

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Kader Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|42

Onderzoek

Uitsnede Atlas Leefomgeving (plangebied rood omkaderd)

Het plangebied is niet gelegen binnen het brand- en/of explosieaandachtsgebied of een plaatsgebonden risicocontour nabij gelegen basisnet water en spoor.

Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.8

Water en watersystemen

Kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor onderhavige planontwikkeling is derhalve de waterhuishoudkundige situatie in beeld gebracht. Daarbij wordt aandacht besteed aan de huidige bodemkundige en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden en de mogelijkheden om (afgekoppelde) neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te infiltreren. Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwater-lichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden).

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|43

Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21)’. De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren; • schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Eén van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain.

De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De waterwet gaat bijna volledig op in de Omgevingswet. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het ‘gebiedseigen water’ wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Waterprogramma (2022) bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en - beheer beschreven voor de periode 2022-2027.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|44

Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Watervisie en waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het gaat hierbij om reguliere werkzaamheden van waterschappen, waaronder peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.

Onderzoek Op 20 november 2024 is gebruik gemaakt van Het wateradvies. De ontvangen uitgangspunten zijn opgenomen in de bijlage van voorliggende motivering. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Naar aanleiding van de uitgangspunten van Het Wateradvies is in november 2025 door RvB Engineering de Watertoets opgesteld. Onderstaand is de conclusie van het onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlage van voorliggende motivering. De initiatiefnemer is voornemens een woonwijk bestaande uit 1.230 wooneenheden voor 2.952 inwoners met bijbehorende recreatie en andere faciliteiten. Deze ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het watersysteem. Hierin zijn de volgende uitgangspunten gebruikt: • Vuilwater en hemelwater gescheiden afgevoerd worden; • Extra waterberging dient gerealiseerd te worden om het verhard oppervlak te compenseren. In de huidige plannen wordt hier ruimschoots aan voldaan. Dit dient echter gevalideerd te worden doormiddel van een maatwerk berekening in overleg met het waterschap vanwege het bestaan van een stuw in het plangebied. • Extra vuilwaterproductie van circa 385,16 m³/dag.

Gezien er een stuw en infiltratiegebieden gerealiseerd worden in het plangebied wordt er naast deze rapportage, welke gebaseerd is op vuistregels, nog een modelberekening uitgevoerd waarin de (geo)hydrologische effecten nader worden beschouwd. Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|45

6.9

M.e.r.-beoordeling

Kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Onderzoek Het project is op basis van het Omgevingsbesluit aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en moet worden getoetst aan de categorie J11 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen). Voor dergelijke ontwikkelingsprojecten geldt een mer-beoordelingsplicht. Hiertoe dient gemotiveerd te worden of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hierbij wordt in ieder geval verwezen naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid van het Omgevingsbesluit. Te weten een beschrijving van: a. het project, met in ieder geval een beschrijving van: 1˚. de fysieke kenmerken van het gehele project; 2˚. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; b. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: 1˚. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en 2˚. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. Ad a onder 1˚. Fysieke kenmerken van het project Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp.

De huisvestingslocatie voorziet in wooneenheden die ruimte biedt voor in totaal 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers. Complementair aan de wooneenheden voorziet het planvoornemen in sport-, facilitaire-, gezondheid-, groen-, water- en recreatievoorzieningen. De 2.952 arbeidsmigranten en doorstromers worden verdeeld over 41 appartementsgebouwen met vier bouwlagen. In totaal worden 1.230 wooneenheden gerealiseerd.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|46

Ad a onder 2˚. De locatie van het project Het plan wordt uitgevoerd op agrarische akkerbouwgronden, gelegen in een groene kamer welke wordt omringd door een houtwal. De planlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status. De locatie ligt op een ruimte afstand van Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’ en ‘Markermeer & Ijmeer’ met een respectievelijke afstand van 3,2 km en 4,6 km tot het plangebied. Ook is het plangebied niet in een stiltegebied gelegen. Ad b. Milieueffecten van het project In de voorgaande paragrafen zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven. Enerzijds zijn de verkeersgerelateerde effecten beschouwd, zoals de geluidbelasting en luchtkwaliteit. Anderzijds zijn meer locatie-gerelateerde effecten beschouwd die te maken hebben met de bouw en ingebruikname van de wooneenheden. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten van en op activiteiten in de directe omgeving, water en natuur. Uit deze toetsing blijkt dat het planvoornemen geen onevenredige milieueffecten tot gevolg heeft. 1.

2.

3.

4.

5.

Geluid (zowel activiteiten als verkeer) De berekeningsresultaten laten verder zien dat de gebouwen op wat grotere afstand van de rondweg een geluidsbelasting ondervinden van 55-59 dB. Gezien de uitkomsten wordt in overweging gegeven om drie typen gevelpakketten te laten bepalen: pakket 1 voor de gevels met een belasting 62(634) dB, pakket 2 voor gevels met een belasting 57-58 dB en een pakket dat uitgaat van 53 dB. Luchtkwaliteit Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van een arbeidsmigrantendorp bestaande uit 1.230 wooneenheden, welke via twee wegen wordt ontsloten. Het initiatief blijft onder de grenswaarde van 2.952 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen, waardoor het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Omgevingsveiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen het brand- en/of explosieaandachtsgebied of een plaatsgebonden risicocontour nabij gelegen basisnet water en spoor. Bodem Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De locatie is voldoende onderzocht en in het kader van de Omgevingswet zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

Natuur: Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de geadviseerde mitigerende maatregelen uit de ‘nee, tenzij-toets’ en ‘Activiteitenplan’. Er is een vergunning nodig m.b.t. de ecologische waarden. De provincie is het bevoegd gezag. Er heeft afstemming plaatsgevonden met de provincie ter voorbereiding op de formele vergunningsaanvraag. Hierbij is ook aandacht voor de Kiekendief. De aanvraag wordt separate van onderhavige vergunning ingediend.

Huisvestingslocatie arbeidsmigranten Torenvalkweg te Lelystad

|47

6.

Op basis van de AERIUS-berekeningen, rekening houdend met de project specifieke aannames, blijkt dat de voorgenomen herontwikkeling niet resulteert in een verhoging van de stikstofdepositie ter plaatse van de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Er is derhalve geen sprake van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de beoogde werkzaamheden en plannen. Water Gezien er een stuw en infiltratiegebieden gerealiseerd worden in het plangebied wordt er naast deze rapportage, welke gebaseerd is op vuistregels, nog een modelberekening uitgevoerd waarin de (geo)hydrologische effecten nader worden beschouwd.

Ad c onder 1˚. Verwachte residuen en emissies en productie afvalstoffen Een AERIUS-stikstofberekening is uitgevoerd. Hieruit volgt dat met de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase geen sprake is van een significante verslechtering van de omliggende Natura 2000gebieden. Tijdens de werkzaamheden en de gebruiksfase daarna vindt er geen productie van stoffen plaats, die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Voor de afvoer van huishoudelijk afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke (rest)effecten in relatie tot de m.e.r. beoordeling. Ad c onder 2˚. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de ontwikkeling. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen als energie, water en grondstoffen. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen hiervan zijn van een dusdanig beperkte omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Conclusie Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘aanzienlijke milieueffecten'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=54d38e9b-5fd0-4584-b078-ce3c2db00352