Bijlage 1 BZK - regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting
Tekst van het document
15
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
briefings over de aanvraag- en beoordelingsprocedure, en de aanvraagdocumentatie. Vervolgens worden digitale spreekuren georganiseerd, waar ruimte is om vragen over een aanvraag en de toepassing van een fysieke activiteit te behandelen. Door de technische briefings en spreekuren digitaal toegankelijk te maken voor meerdere gemeenten wordt geborgd dat gemeenten van elkaar kunnen leren. Het doel van de landelijke technische briefings en spreekuren is om alle gemeenten te begeleiden in het vergroten van de kwaliteit van de aanvraag. Ten slotte biedt het ministerie gemeenten van de 16 stedelijke vernieuwingsgebieden en 13 grens- en krimpregio’s de mogelijkheid om professionele ondersteuning te krijgen om te komen tot een goede aanvraag, deze professionele ondersteuning wordt gefinancierd uit het beschikbare budget van het Volkshuisvestingsfonds. Deze gebieden krijgen de mogelijkheid tot extra ondersteuning, omdat in deze gebieden de problematiek het meest urgent is en omdat een deel van deze gebieden beperkte (ambtelijke) capaciteit in huis hebben. In de aanvraag is inzichtelijk gemaakt welke fysieke maatregelen een gemeente noodzakelijk acht om de woonkwaliteit, leefbaarheid en verduurzaming van een deelgebied te verbeteren.
Deze maatregelen vallen onder één van de activiteiten: herstructurering van (particuliere) woningen (renovatie, transformatie naar woningen en/of sloop-nieuwbouw), het inponden van particuliere woningen om vervolgens deze woningen te kunnen herstructureren, en/of voor herstructurering noodzakelijke investeringen in de openbare ruimte. In de aanvraag wordt per deelplan onderbouwd welke set van fysieke activiteiten en/of maatregelen nodig zijn voor het verbeteren van de woonkwaliteit, leefbaarheid en verduurzaming in het deelgebied. Tevens wordt gevraagd om een plan van aanpak voor de realisatie van het deelplan en het overkoepelende programma aan te leveren met een fasering van de maatregelen. Bij het plan van aanpak dient ook een begroting te worden gevoegd waaruit de kosten en opbrengsten van het deelplan blijken en volgt een onderbouwing voor de Rijksbijdrage voor projectkosten met een omvang van ten hoogste 10 procent van de aangevraagde Rijksbijdrage. In de begroting wordt per deelplan een overzicht gegeven van de herstructureringsactiviteiten en randvoorwaardelijke investeringen. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt wat de kosten en opbrengsten van de activiteiten zijn, wat de fasering is en hoe deze maatregelen worden uitgevoerd. De begroting heeft een looptijd overeenkomstig met de duur van het programma (met een maximum van 10 jaar).
Het verschil tussen de kosten en opbrengsten komt in aanmerking voor een bijdrage van het Rijk, voor zover hier nog geen dekking voor is gegeven door de gemeente of een andere medeoverheid. Voor het deel dat betrekking heeft op het bezit van woningcorporaties geldt de bewijslast dat de woningcorporatie onvoldoende financiële draagkracht heeft. De onderbouwing wordt als bijlage toegevoegd aan de aanvraag. Een gemeente kan een aanvraag indienen volgens het voorgeschreven aanvraagformulier bij de RVO, de aanvraagdocumentatie, waaronder een aanvraagformat waaruit de input en output van maatregelen blijkt, is ook beschikbaar via de website van de RVO. De RVO biedt via een helpdesk technische ondersteuning voor het invullen van de aanvraag, en daarnaast worden technische briefings georganiseerd en digitale spreekuren.
2.2 Advies van een commissie Nadat een aanvraag is ingediend zal deze op volledigheid worden getoetst door de RVO. In deze toets wordt gecontroleerd of alle gevraagde documenten zijn aangeleverd, het formulier correct is ingevuld, en in hoeverre is voldaan aan de toelatingscriteria, zoals genoemd in artikel 3 van deze regeling. Voordat aanvragen worden doorgeleid naar de onafhankelijke commissie, vindt een toets plaats op de onderbouwing van de aanvraag. Complete aanvragen worden doorgeleid naar de onafhankelijke toetsingscommissie die door de minister is ingesteld. De commissie bestaat uit onafhankelijke leden, die de ingediende deelplannen beoordelen aan de criteria effectiviteit, doelmatigheid, hardheid, urgentie en prioriteit. De toetsingscommissie maakt een inhoudelijke beoordeling van de criteria effectiviteit doelmatigheid en hardheid. Het gewogen gemiddelde van de deze score is de tussenscore. De scores van de criteria urgentie en prioriteit staan vast en worden dus niet inhoudelijk door de toetsingscommissie beoordeeld. Het gewogen gemiddelde van alle vijf de criteria resulteert in de eindscore. Zowel de tussenscore als de eindscore dient boven de 5,5 te zijn. Als dit niet het geval is dan krijgt een deelplan een onvoldoende en wordt deze afgewezen.
Er is voor gekozen om zowel de tussenscore als eindscore te gebruiken omdat hiermee wordt geborgd dat de schaarse middelen enkel worden toegekend aan kwalitatief voldoende deelplannen. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een plan dat kwalitatief onvoldoende is (dus slecht scoort op de criteria effectiviteit, doelmatigheid en hardheid) wel een toekenning krijgt omdat het in een urgent en prioritair gebied ligt. Ook deelplannen uit deze gebieden dienen van voldoende kwaliteit te zijn. Het voordeel voor deze gebieden is dat indien hun plan voldoende is zij hoger op de
16
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
ranglijst eindigen dan plannen van vergelijkbare kwaliteit uit andere deelgebieden. Om te komen tot een oordeel over de effectiviteit van het deelplan wordt gekeken naar drie subcriteria: verbetering van de woonkwaliteit en -omgeving, balans samenstelling woningvoorraad en samenhang leefbaarheidsaanpak. Onder de verbetering van de woonkwaliteit en -omgeving wordt gekeken naar de mate waarin de slechtste woningvoorraad wordt aangepakt. De slechte kwaliteit van een woning kan worden aangetoond doordat gemeenten aangeven welke kwaliteitsaspecten ten grondslag liggen aan de herstructurering. Zoals eerder toegelicht is de volkshuisvestelijke opgave in de particuliere voorraad het grootst. Daarom worden deelplannen met een groter aandeel particuliere woningen ook positiever beoordeeld. Naast de verbetering van de woningkwaliteit heeft het volkshuisvestingsfonds ook tot doel om de woonomgeving te verbeteren. Voorwaarde is wel dat deze verbeteringen samenhangen met de herstructureringsopgave. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de ruimtelijke ingrepen die de veiligheid en leefbaarheid verbeteren. Ook is een grootschalige herstructurering het moment om de openbare ruimte toekomstbestendig te maken door klimaatadaptieve maatregelen te treffen. Particulieren en bedrijven zullen profiteren van het Volkshuisvestingsfonds.
Daarom is het van belang dat gemeenten afspraken maken met private verhuurders en ontwikkelaars over het betaalbaar houden van woningen. Er zal dan ook getoetst worden in welke mate de gemeente afspraken heeft gemaakt over toekomstige huurprijzen, huurverhoging na renovatie en instrumenten inzet zoals een zelfbewoningsplicht en anti-speculatiebeding. Bij de samenstelling van de woningvoorraad wordt gekeken naar de mate waarin het deelplan bijdraagt aan het oplossen van de kwalitatieve en kwantitatieve mismatch. De kwantitatieve mismatch (overschot of tekort aan woningen) kan worden aangepakt door sloop (verdunning) of nieuwbouw (verdichting). De kwalitatieve mismatch (die bijvoorbeeld leidt tot clustering van kwetsbare huishoudens in een gebied) kan de gemeente aanpakken door in te zetten op verandering van eigendom en (huur)prijsniveaus. Voor beide indicatoren geldt dat de gemeente dient te onderbouwen in welke mate deze herstructurering bijdraagt aan het in balans brengen van de woningvoorraad. De samenhang van de fysieke ingrepen met een bredere leefbaarheidsprogramma is essentieel om de leefbaarheid in de wijk te verbeteren. Daarom wordt in het beoordelingskader ook gewicht toegekend aan de mate waarin er sprake is van een integrale aanpak.
Daarbij wordt ook meegewogen of de gemeente flankerende beleidsinterventies pleegt en wordt de mate van betrokkenheid van andere partijen zoals woningcorporaties, onderwijsinstellingen en bewoners meegewogen. Het hoofdcriterium hardheid wordt beoordeeld op mate van zekerheid van de tijdige realisatie. Daarbij wordt gekeken naar de mate waarin is aangetoond dat de opgegeven fasering, start- en einddatum realistisch zijn. Daarvoor is onder andere de planologische status van belang net als de status van inspraaktrajecten, draagvlak en onderhandelingen met partijen die de realisatie voor hun rekening nemen. Als laatste is van belang dat er een inzicht wordt gegeven in de organisatorische, financiële en projectrisico’s die een tijdige realisatie mogelijk verhinderen. Doelmatigheid wordt beoordeeld door te kijken naar de additionaliteit van maatregelen. De additionaliteit gaat over de mate waarin het Volkshuisvestingsfonds bijdraagt aan het vergroten van het herstructureringsprogramma. Zonder bijdrage van het Volkshuisvestingsfonds zouden gemeenten ook gaan renoveren, transformeren en sloop/nieuwbouwen. Door een Rijksbijdrage kan een extra stap worden gezet en ook de hardnekkigste problemen worden aangepakt. Vervolgens wordt in de proportionaliteit gekeken naar hoe de additionaliteit in verhouding staat tot de gevraagde bijdrage.
Om de urgentie van een gebied te bepalen worden de aanvragen op drie dimensies met elkaar vergeleken: woningvoorraad, veiligheid, huishoudens en inkomen. Daarvoor worden indicatoren gebruikt waarvan is aangetoond dat deze een negatieve relatie hebben met de kwetsbaarheid en veerkracht van een gebied. De indicatoren per dimensie zijn: • woningvoorraad C Type woningen en situaties die samenhangen met een lage kwaliteit van de woning of achterstalligonderhoud en met onzekerheid over het behoud van de woning Ë Aandeel goedkope koop < € 170.000; Ë Aandeel particuliere huurvoorraad onder de eerste aftoppingsgrens; Ë CBS leegstandsindicator. • Huishoudens en inkomen: C Opleidingsniveau: Aandeel geen opleiding of niet afgemaakt want dit heeft invloed op arbeidsmarktpositie, gezondheid, inkomen, woonsituatie en persoonlijke veerkracht. C Netto woonquote een hoge woonquote is indicatief voor betalingsachterstanden en daarmee een tekort aan middelen voor elementaire levensbehoeften daarnaast is het een indicator van beperkte financiële slagkracht van een huishouden. C Aandeel bijstandsgerechtigden; een groot aandeel bijstandsgerechtigden is een indicator een tekort aan middelen voor elementaire levensbehoeften daarnaast is het een indicator van
17
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
beperkte financiële slagkracht van een huishouden. Veiligheid: C Veiligheid, in beeld gebracht door: Ë Aantal geregistreerde gewelds- en seksuele misdrijven per 1.000 inwoners; Ë Aantal geregistreerde vermogensmisdrijven (diefstal, bedrog, heling) per 1.000 inwoners. Voor al deze indicatoren geldt dat ze op peildatum 1-1-2021 of indien niet beschikbaar op het meest recente beschikbare moment worden gebruikt.
•
Daarnaast zijn er een tweetal type gebieden prioritair: Stedelijke vernieuwingsgebieden en grens- en krimpregio’s. Zij krijgen in de beoordeling extra punten gezien de opgave die in deze gebieden ligt. Eerder is al toegelicht waarom deze gebieden prioritair zijn. Na de beoordeling stelt de toetsingscommissie een advies per deelplan op. Deze wordt naar de minister gestuurd met een positief (deelplannen met een voldoende) of negatief advies (deelplannen met een onvoldoende tussen- of eindscore).
2.3 Het besluit van de minister, monitoring en beheer De minister zal alle deelplannen met een positief advies rangschikken op basis van het advies van de commissie en de score op de criteria urgentie en prioriteit. De minister kent een bijdrage toe aan de deelplannen op de volgorde van de rangschikking, mits er voldoende budget beschikbaar is, een deelplan een voldoende heeft gescoord op grond van de beoordelingscriteria en het voldoet aan de toelatingscriteria. De minister besluit op basis van het advies van de commissie of de aangevraagde bijdrage voor alle deelplannen (volledige toekenning), voor één of meerdere deelplannen wel en één of meerder deelplannen niet (gedeeltelijke toekenning), of geen van de deelplannen wordt gehonoreerd (volledige afwijzing). De bijdrage wordt in de vorm van een specifieke uitkering in één keer aan de gemeente uitgekeerd. De gemeente is op grond van de Financiële-verhoudingswet en op grond van deze regeling gehouden aan de besteding van de middelen aan de in het programmavoorstel overeengekomen doelstellingen en de voorwaarden die in deze ministeriële regeling en de uitkeringsbeschikking zijn beschreven.
Ook kan de minister besluiten om af te wijken van de rangschikking die volgt uit het advies van de commissie, indien dat in het belang is van het doel van deze regeling: de woonkwaliteit, leefbaarheid en verduurzaming in de slechtste wijken zoveel mogelijk verbeteren. De minister kan alle aanvragen in samenhang bezien, en kan daarom bijvoorbeeld met oog op een rechtvaardige regionale spreiding van middelen, en ook andere redenen, in het licht van de zwaarte van de regionale problematiek een afwijkende inschatting maken, en op grond daarvan de volgorde van de rangschikking aanpassen. Na de toekenning van de Rijksbijdrage blijft sprake van een nauwe betrokkenheid tussen de gemeente en het ministerie bij de realisatie van het herstructureringsprogramma. Met gemeenten worden daarvoor afspraken gemaakt rondom monitoring van mijlpalen in programma’s, zodat er zicht is op eventuele vertraging en hier tijdig op geïntervenieerd kan worden. Ten minste één keer per jaar rapporteert het college van de gemeente conform de Financiële verhoudingswet over de rechtmatigheid van bestedingen waarvoor een specifieke uitkering is verstrekt (via de SiSa-verantwoording). Dit betreft de jaarrekening, conform de hiervoor geldende wet- en regelgeving, en kan op verzoek van de minister ook in een aparte (periodieke) rapportage.
In de beschikking bij de specifieke uitkering zullen aanvullend voorwaarden worden opgenomen over verantwoording na verstrijken van de looptijd van de specifieke uitkering en de vaststelling ervan. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, dan kan de minister (dat deel van) de toegekende specifieke uitkering terugvorderen. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering. De door de minister terug ontvangen specifieke uitkering kan door de minister toegekend worden aan een andere gemeente die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in dit besluit.
3. BTW De maatregelen ten behoeve van de uitvoering van de programma’s waarvoor de uitkering kan worden verstrekt kunnen maatregelen zijn waarover de gemeente BTW verschuldigd is. Gemeenten wordt gevraagd daar in de aanvraag rekening mee te houden en aan te geven over welke maatregelen BTW verschuldigd is, en het aan BTW verschuldigde bedrag in de aanvraag mee te nemen. Bij de toekenning van een specifieke uitkering zal de bijdrage exclusief BTW worden toegekend aan de gemeente, en de BTW-component worden gestort in het BTW-Compensatiefonds van het Ministerie van Financiën. Gemeenten kunnen op grond van de relevante wet- en regelgeving een beroep doen
18
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
op terugontvangst van de betaalde BTW-componenten.
4. Staatssteun Omdat de specifieke uitkering onder meer besteed kan worden aan door derden verleende diensten, is het van belang dat de gemeenten bij de besteding alert zijn op de – Europese – regels inzake staatssteun. Overigens hebben de gemeenten een zelfstandige verantwoordelijkheid om te waarborgen dat geen verboden staatssteun wordt verstrekt. Ook wordt opgemerkt dat bij aanbestedingen ten behoeve van de met behulp van de uitkering uitgevoerde programma’s de regels uit de Aanbestedingswet 2012 van toepassing kunnen zijn. Ten aanzien van staatssteun is met name van belang de vraag of er sprake is van bevoordeling van een onderneming in Europeesrechtelijke zin (als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, VWEU), welke door de subsidie bijdrage van de gemeente bepaalde kosten, die ze normaal zelf moeten betalen, niet hoeven te dragen. Aangezien de programma’s waarvoor de specifieke uitkering wordt toegekend nog niet precies zijn ingevuld (zoals welke partijen worden ingehuurd), kan op rijksniveau geen staatssteuntoets worden uitgevoerd. Conform de interdepartementale afspraken over staatssteun moeten de gemeenten daarom zelfstandig een staatssteuntoets uitvoeren. Daarbij is voor de gemeente het volgende van belang: het Volkshuisvestingsfonds richt zich primair op de particuliere woningvoorraad.
Als er een woning wordt gekocht van een eigenaar-bewoner is er geen sprake van staatssteun. Zodra de particuliere eigenaar echter kwalificeert als onderneming in Europeesrechtelijke zin, moet worden nagegaan of er een marktconforme prijs wordt betaald. Is daarvan geen sprake, dan zal moeten worden bezien of aan de andere staatssteuncriteria wordt voldaan en indien daarvan sprake is, zal moeten worden nagegaan of een melding bij de Europese Commissie wegens staatssteun op grond van art. 108, derde lid, VWEU nodig is. Indien de specifieke uitkering wordt gebruikt voor het verbeteren van de energieprestatie van een gebouw kan een gemeente bijvoorbeeld met behulp van de uitkering een subsidieverordening vaststellen (of verlengen). Als dat een subsidie aan particuliere eigenaar-bewoners betreft is er geen sprake van staatssteun. Als ook ondernemingen aanspraak maken, kan een gemeente bezien of subsidie kan worden verleend met gebruikmaking van artikel 38 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV), waarvoor een lichtere procedure in de vorm van een kennisgeving bij de Europese Commissie is voorgeschreven. Indien de specifieke uitkering wordt gebruikt om inponding door woningcorporaties te subsidiëren en hen daardoor in staat te stellen de woning te verwerven tegen een niet-marktconforme prijs zal er ook al snel sprake zijn van staatssteun.
Hetzelfde geldt voor het financieren van sloop en nieuwbouw. Daarbij kan, voor zover het de financiering van de nationale DAEB-activiteiten van woningcorporaties betreft, gebruik worden gemaakt van de regels over staatssteun ter compensatie van de kosten voor het beheer van diensten van algemeen economisch belang (DAEB). Er zal wel een aanvullende DAEB door de gemeente nodig zijn, omdat de DAEB voor sociale huisvesting op grond van de Woningwet is gebaseerd op het EC-besluit van 15 december 2009 en de financieringsstroom door gemeenten die in deze regeling wordt vastgelegd daarin niet is opgenomen. Het Ministerie van BZK coördineert provinciale staatssteunprocedures via het Coördinatiepunt Staatssteun Decentrale Overheden (hierna: CSDO BZK) en heeft in dat kader periodiek overleg met de provincies en VNG.
5. Relatie met andere wet- en regelgeving 5.1 Algemene wet bestuursrecht Een beschikking tot het wel of niet verstrekken van een specifieke uitkering is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Indien het college het niet eens is met de beschikking van de minister, dan kan het college daartegen in bezwaar gaan en vervolgens beroep bij de bestuursrechter instellen op grond van de Awb. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat volgens deze regeling alleen gemeenten in aanmerking komen voor het ontvangen van een specifieke uitkering voor hun bijdrage aan een programma. Dat betekent dat derden, zoals de bij het programma betrokken andere partijen, geen rechtstreeks belang hebben bij de beschikking van de minister en dat zij om die reden niet als belanghebbenden tegen die beschikking in bezwaar of beroep kunnen gaan.
5.2 Financiële-verhoudingswet De financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten is geregeld in de Financiële-
19
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
verhoudingswet. De bepalingen over specifieke uitkeringen uit de Financiële-verhoudingswet zijn op deze regeling van toepassing. Daarom is in dit besluit toepassing gegeven aan de artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet met betrekking tot de wijze van verantwoording door de gemeente van de besteding van de uitkering en de eventuele terugvordering als deze onrechtmatig zou worden besteed. Dit is gedaan in lijn met het uitgangspunt bij specifieke uitkeringen om de wijze van verantwoording en terugvordering in de regeling van de specifieke uitkering op te nemen.
5.3 Overige Zoals in hoofdstuk 4 is toegelicht dienen gemeenten bij de besteding van de specifieke uitkering alert te zijn op de staatssteunregels en de aanbestedingsregels, die van toepassing kunnen zijn. Ten slotte kan er ook sprake van zijn dat de gedragsregels uit de Wet markt en overheid van toepassing zijn, in het geval de gemeente met behulp van de specifieke uitkering goederen of diensten op de markt aanbiedt.
6. Administratieve lasten voor burgers en bedrijven Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft. Burgers spelen geen directe rol binnen de regeling, zij ondervinden baten bij het verbeteren van de woonkwaliteit en leefomgeving in prioritair de kwetsbaarste gebieden. Ook bedrijven spelen geen directe rol binnen de regeling, en ook zij ondervinden baten bij het haalbaar maken van de start van een herstructureringsprogramma. Zo wordt immers de herstructurering van gebieden (sloop/ nieuwbouw en intensieve verbouw) mogelijk gemaakt waar (bouw)bedrijven direct baat bij hebben. Met de ministeriële regeling wordt de juridische basis gevormd voor specifieke uitkeringen aan gemeenten ter financiering van een deel van het tekort van een herstructureringsprogramma. De bijdrage kan door gemeenten bijvoorbeeld ingezet worden om woningcorporaties te steunen voor het inponden van particuliere woningen, het subsidiëren van bewoners om zelf de eigen woning te verbeteren en/of voor maatregelen in de openbare ruimte. Om een beroep te kunnen doen op een specifieke uitkering moeten eventuele onderhandelingen tussen een gemeente, woningcorporaties en eventuele andere marktpartijen – als regulier onderdeel van dergelijke procedures – in een vergevorderd stadium zijn.
Zo wordt geborgd dat het programma binnen twee jaar kan starten, zoals genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel d. Hier volgen geen nieuwe lasten uit voor bedrijven.
7. Evaluatie De werking van het Volkshuisvestingsfonds zal bij beëindiging van de regeling worden geëvalueerd in samenwerking met het Ministerie van Financiën. Tevens zal een jaarlijkse toets op de uitvoering (monitoring) plaatsvinden. In hoofdlijnen zien deze onderdelen er als volgt uit: 1. Monitoring: jaarlijks wordt de voortgang van de maatregelen waarvoor een bijdrage is toegekend gemonitord. De minister vraagt tijdens de looptijd van de specifieke uitkering (periodiek) informatie aan de gemeente over de voortgang van het herstructureringsprogramma. Met deze looptijd wordt bedoeld de periode dat de gemeente de maatregelen uitvoert met behulp van de uitkering. In hoeverre worden de gegevens die in de aanvraag zijn genoemd over de doelen van het Volkshuisvestingsfonds behaald en is er aanleiding voor bijsturing? Hierbij wordt ook gekeken naar de mate van cofinanciering, en of hier geen sprake is van oversubsidiëring. Zo wordt met de monitoring gekeken naar (tussentijdse) resultaten en het verloop van het proces. De monitoring kan de basis zijn voor een rapportage voor de Tweede Kamer. 2. Eindevaluatie: de ministeriele regeling wordt op grond van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet na beëindiging van de regeling uiterlijk binnen zeven jaar geëvalueerd.
Er wordt ten minste gekeken naar de mate van doeltreffendheid en doelmatigheid van de specifieke uitkeringen voor het bereiken van het in artikel 2 beschreven doel, de succesfactoren die het Volkshuisvestingsfonds doeltreffend en doelmatig hebben gemaakt, eventuele redenen waardoor de doeltreffendheid en doelmatigheid heeft tekortgeschoten, en inzicht in onvoorziene positieve of negatieve neveneffecten van de regeling. De monitoring zorgt voor input voor de eindevaluatie. Bij de eindevaluatie zal voor zover mogelijk worden gekeken naar een vergelijking tussen gemeenten die een specifieke uitkering op grond van deze regeling hebben ontvangen, en gemeenten waarvan een aanvraag is afgewezen: in hoeverre is sprake van noemenswaardige verschillen in de doeltreffendheid, en in hoeverre heeft het Volkshuisvestingsfonds daarin een verschil kunnen maken. Omdat een vereiste van deze regeling is dat herstructureringsmaatregelen uiterlijk na drie jaar na toekenning van een bijdrage starten, en het vervolgens tijd kost om de effecten op met name leefbaarheid te kunnen meten, zal in 2026 (dat is vijf jaar na toekenning van de Rijksbijdrage) de eindevaluatie plaatsvinden in samenwerking met het Ministerie van Financiën.
20
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
8. Consultatiereactie op Regeling Volkshuisvestingsfonds In totaal zijn er 39 consultatiereacties ontvangen. Verschillende medeoverheden, koepelorganisaties, corporaties en particulieren hebben een reactie ingezonden. Vrijwel alle partijen onderschrijven het belang van het Volkshuisvestingsfonds en zijn positief over de inzet op de problematiek in kwetsbare wijken. De onderstaande paragrafen beschrijven per thema wat er is gedaan met de reacties uit de consultatie.
8.1 Toelatingscriteria In de regeling is een aantal voorwaarden opgenomen die vooraf gaan aan de beoordeling van een aanvraag. Aan deze vereisten dient een voorstel minimaal te voldoen om door te gaan naar de beoordelingsfase. Deze criteria zien onder andere op de omvang, financiering en planning van de aanvragen. Op een drietal van deze criteria kwamen veel reacties binnen, die hieronder per criterium worden toegelicht. Drempel Grens- en krimpregio’s zijn prioritair voor deze regeling. Uit de consultatie blijkt dat de minimale programmaomvang van € 10.000.000 aan kosten of ten minste 250 woningen te herstructureren woningen te belemmerend werkt om deze regio’s te bereiken. Om het Volkshuisvestingsfonds goed toegankelijk te maken, ook voor grens- en krimpregio’s, wordt op basis van de consultatiereacties de ondergrens van 250 woningen verlaagd naar minimaal 200 woningen en naar 7,5 miljoen euro. Vanuit het oogpunt van toegankelijkheid is al eerder besloten om niet te kiezen voor een geografisch afgebakend projectgebied. Dit maakt het mogelijk voor meerdere gemeenten om gezamenlijk een aanvraag in te dienen. Ook kan het aantal woningen dat minimaal geherstructureerd moet worden gespreid worden over de 10 jaar die gemeenten hebben om de uitvoering af te ronden.
Dat betekent dat de in totaal 200 woningen verspreid over tien jaar geherstructureerd moeten worden, het gaat dan om gemiddeld 20 woningen per jaar. Cofinanciering De regeling bevat de voorwaarde dat de voorgestelde maatregelen ‘door de bij de uitvoering van de maatregel betrokken partijen zelf van een financiële bijdrage wordt voorzien van ten minste 30 procent van de totale kosten van de maatregel’. Gemeenten achten de omvang van de cofinanciering als te hoog. Mede vanwege het verlagen van de minimale projectomvang naar ten minste 7,5 miljoen euro is een verdere verlaging van de cofinanciering niet wenselijk. Gemeenten kunnen andere betrokken partijen vragen om bij te dragen en de cofinanciering hoeft niet bij aanvang of aanvraag direct ‘op de rekening’ te staan. Zolang in de looptijd van maximaal 10 jaar maar wordt voldaan aan de 30%vereiste. Ten slotte werd in enkele consultatiereacties gevraagd naar de mogelijkheid om bestaande bijdragen of bijdragen in natura mee te tellen als cofinanciering. Dit is niet mogelijk, omdat het instrument immers juist bedoeld is voor nieuwe fysieke maatregelen die nu nog een ongedekt deel hebben en worden losgetrokken in een samenwerking tussen Rijksoverheid, gemeenten en andere partijen. Een stapeling van subsidies is bovendien enkel mogelijk voor particulieren.
Eventuele uitkeringen die een gemeente (denk aan de woningbouwimpuls) of subsidies die een woningcorporatie (denk aan heffingsvermindering nieuwbouw) heeft ontvangen voor het gebied, dient als opbrengst opgebracht te worden in het bepalen van het totale resterende financiële tekort. Termijnen Er zijn enkele reacties binnen gekomen op de vereisten voor de aanvangs- en afrondingstermijn, respectievelijk twee en tien jaar. Er werd specifiek gevraagd om meer tijd, drie jaar, voor voorbereidende werkzaamheden, voordat wordt overgegaan tot de daadwerkelijke maatregelen. Ook werd verzocht om meer toelichting op wat bedoeld wordt met ‘opstarten’ binnen deze termijn. Opstarten wordt hier gedefinieerd als de eerste onomkeerbare actie voor de maatregel. Hierbij kan gedacht worden aan het tekenen van een (samenwerkings)overeenkomst, de eerste schop in de grond, de eerste bewoners uitgekocht of de bewonersparticipatie gestart. Aangezien de definitie van opstarten hiermee ruim gesteld is, is er voor gekozen om de aanvangstermijn van twee jaar niet aan te passen. Op de uiterlijke afrondingstermijn van 10 jaar kwam slechts één reactie binnen en deze zal daarom ook gelijk blijven. Aanvraagprocedure Over de aanvraagprocedure in algemene zin zijn een aantal opmerkingen binnenkomen.
De strekking van deze opmerkingen was dat de procedure zoals deze was voorgesteld te zwaar is en een te grote administratieve last zou opleveren in relatie tot de aangekondigde openstellingstermijn van de
21
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
regeling. Specifiek de vereiste van een ‘mkba of soortgelijke systematiek’ om de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen in beeld te brengen leverde veel opmerkingen op. Er werd verzocht om meer ruimte voor gemeenten om hier zelf invulling aan te geven. Op basis van deze reacties en meerdere gesprekken met belanghebbenden tijdens het consultatieproces is besloten om de vereiste van een mkba of soortgelijke systematiek los te laten.
8.2 De focus van het instrument Bij de inrichting van het Volkshuisvestingsfonds zijn bewuste keuzes gemaakt om ervoor te zorgen dat de middelen een zo groot mogelijk verschil maken voor de woonkwaliteit, leefbaarheid en duurzaamheid in kwetsbare wijken. Ten eerste richt de inzet van middelen uit het Volkshuisvestingsfonds zich primair en niet uitluitend op het aanpakken van de particuliere voorraad. Ten tweede focust de inzet zich op het ondersteunen van de fysieke maatregelen uit een integrale aanpak, gericht op verbetering van de leefbaarheid van deze gebieden. Hieronder worden de onderbouwingen voor deze keuzes en de consultatiereacties hierop toegelicht. Rol corporaties In een aantal consultatiereacties werd verzocht om een grotere rol voor corporaties in het Volkshuisvestingsfonds. Het fonds stelt bewust de aanpak van particuliere woningen centraal. In de praktijk zijn particuliere woningen vaak slechter onderhouden, hebben ze aantoonbaar lagere energielabels en worden ze niet beheerd door professionele verhuurders zoals corporaties. Daar ligt een volkshuisvestelijke opgave die zich buiten het bezit van corporaties bevindt en die daarom ook slechts zeer beperkt via de bestaande regelingen voor corporaties opgepakt kan worden.
Er zijn verschillende financiële regelingen (geweest) die de nadruk hadden en hebben op de aanpak van corporatiebezit, waaronder de Regeling Vermindering Verhuurderheffing voor sloop, verduurzaming en het bouwen van corporatiebezit. Daarnaast is het in stand houden van corporatiebezit, waaronder verduurzaming, een kerntaak van woningcorporaties. Particulieren in de prioritaire kwetsbare gebieden en regio’s ontberen vaak de (toegang tot) financiële middelen, en subsidies als de ISDE vereisen een forse eigen bijdrage. Verloedering van de woning en woonomgeving is het gevolg. Daarbij is een synergie met de aanpak van corporatiebezit nadrukkelijk wel gewenst. Woningcorporaties zijn doorslaggevend voor het succes van het Volkshuisvestingsfonds, omdat zij de uitvoeringskracht hebben om grootschalige projecten op te pakken en omdat zij met gelijktijdige investeringen in hun eigen bezit schaal kunnen realiseren. In paragraaf 1.2.2 is naar aanleiding van de consultatiereacties nader toegelicht welke rol woningcorporaties kunnen spelen in het bredere programma voor herstructurering in een gebied waarvoor een aanvraag wordt gedaan en onder welke voorwaarden Fysieke focus Het Volkshuisvestingsfonds richt zich op fysieke ingrepen in kwetsbare wijken die de woonkwaliteit, leefbaarheid en duurzaamheid verhogen.
Deze keuze is gemaakt zodat met dit fonds zoveel mogelijk kwetsbare wijken ondersteund kunnen worden. Fysieke maatregelen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de leefbaarheid in deze wijken door het aanpakken van de woonkwaliteit, openbare ruimte en de kwantitatieve mismatch van woningen. Hierbij kunnen deze maatregelen dienen als vliegwiel voor integrale gebiedsgerichte programma’s, want om de leefbaarheid te vergroten is uiteraard meer nodig dan enkel fysieke ingrepen. Zo zijn ook flankerende beleidsmatige ingrepen (bijvoorbeeld de toewijzing van woningen en het aanpakken van malafide verhuurders en excessen) nodig en moet er aandacht zijn voor de sociale kant van leefbaarheid. Gemeenten zullen in hun aanvraag voor een bijdrage dan ook duidelijk moeten maken op welke wijze de opgevoerde fysieke maatregelen onderdeel uitmaken van een bredere (sociale) aanpak om de leefbaarheid in deze gebieden te vergroten. In het sociale programma kunnen bestaande instrumenten, zoals de regiodeals en city deals, worden ingezet, en wordt in andere trajecten doorgedacht over eventueel aanvullend instrumentarium. De zelfbewoningsplicht is daarvan een voorbeeld, maar ook andere (juridische) instrumenten en afspraken waarmee de langjarige betaalbaarheid van de woningen die zijn geherstructureerd wordt geborgd.
Het is ten slotte goed te vermelden dat de sociale maatregelen uit deze integrale aanpak geen nieuw beleid hoeven te betreffen. De vereiste is dat er sprake is van een integrale aanpak waarbij de fysieke maatregelen aansluiten op de, eventueel als bestaande, sociale maatregelen in een gebied. Verdeling van beschikbare middelen. Bij de aankondiging van het Volkshuisvestingsfonds is aangegeven dat alle gemeenten zich kunnen inschrijven voor de regeling, waarbij in het bijzonder wordt gekeken naar de 16 stedelijke vernieuwingsgebieden waar de 15 burgemeesters een oproep voor hebben gedaan en naar de grens- en
22
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
krimpregio’s waar leefbaarheid onder druk komt te staan. De consultatie heeft geen opmerkingen opgeleverd over het voornemen om deze focus aan te brengen. Wel is er een aantal keer gevraagd om inzicht in de exacte verdeling tussen stedelijke vernieuwingsgebieden, grens- en krimpregio’s en gemeenten die onder geen van beide vallen. Deze verdeling zal vooraf niet gemaakt worden. Bij andere soortgelijke regelingen blijkt dat schotten in het budget voor regio’s er niet toe leidt dat de beste aanvragen worden toegekend en ook dat de categorie ‘overige gemeenten’ al snel wordt benadeeld in de budgettaire ruimte die beschikbaar is.
II. Artikelsgewijs Artikel 1 Begripsbepalingen Een deelgebied bestaat uit één of meerdere zones op postcode-4-niveau. Een zone op postcode-4niveau is de zone die door de 4 cijfers van een postcode wordt gekenmerkt. In de aanvraag dient de gemeente de samenhang te onderbouwen van het deelgebied. Dit kan bijvoorbeeld geografisch (denk aan de ligging van het gebied), financieel (denk aan een gemeentelijke begroting) of organisatorisch (denk aan een gemeentelijk projectteam) zijn. De samenhang op deze onderdelen zijn niet voorwaardelijk, een gemeente kan de samenhang ook met andere voorbeelden onderbouwen. Een postcodezone mag slechts in één deelgebied worden opgenomen. Het is dus niet toegestaan om postcodezones te splitsen en over meerdere deelgebieden te verdelen. De aanvraag omvat één of meerdere deelplannen. Het deelplan moet zelfstandig beoordeeld kunnen worden. Een deelplan bestaat uit een omschrijving van het deelgebied waarin de problematiek en kwetsbaarheid van het deelgebied wordt geduid, met een toelichting op de keuze voor de afbakening van het deelgebied. Daarnaast moet per deelplan worden aangegeven welke activiteiten en bijbehorende maatregelen er worden getroffen in het deelgebied, inclusief een begroting, het aantal woningen dat geherstructureerd wordt en de fasering.
Om het financieel tekort te bepalen brengt de gemeente de kosten en opbrengsten per fysieke maatregel gedurende de looptijd van het programma (ten hoogste tien jaar) van de Rijksbijdrage in kaart. De kosten die onder aan de streep resteren vormen het financieel tekort. De Rijksbijdrage is maximaal 70 procent van het saldo van kosten en opbrengsten over die tien jaar, ofwel van het financieel tekort. De overige 30 procent betreft een cofinanciering waarvoor de gemeente (of betrokken gemeenten) verantwoordelijk is (of zijn) om deze te verzorgen. Alleen fysieke maatregelen komen in aanmerking voor een Rijksbijdrage. Zie hierover de toelichting bij artikel 2 en het verschil met (bestaande of reeds ingezette) sociale maatregelen, die geen bijdrage ontvangen maar wel kunnen bijdragen aan een goede score van de aanvraag. Onder herstructurering wordt verstaan de sloop-/nieuwbouw, renovatie of transformatie van gebouwen om te komen tot woningen die in kwaliteit en kwantiteit beter passen bij de lokale behoeften. In een aanvraag kan een combinatie van typen herstructurering worden meegenomen. De Rijksbijdrage ziet toe op het saldo van kosten en opbrengsten gedurende de looptijd van het herstructureringsprogramma, met een maximum van tien jaar.
Onder herstructurering wordt in deze regeling ten minste één van de volgende onderdelen verstaan: • Renovatie: woningen van slechte kwaliteit, zoals met een conditiescore 4, 5 of 6 (dit is geen harde vereiste, maar voorbeeld van onderbouwing) worden met ingrepen kwalitatief verbeterd. In deze regeling wordt onder renovatie uitsluitend verstaan: 1°. het verbeteren van de energieprestatie van een gebouw; 2°. het aanpakken van achterstallig onderhoud; of 3°. het aanpakken van schimmelproblematiek. De renovatie is daarbij van ten minste die omvang dat een verbetering van de gerenoveerde gebouwen van ten minste 3 energielabelstappen wordt gerealiseerd, of waarbij de energieprestatie van de gerenoveerde gebouwen tot ten minste label B wordt verbeterd. Indien woningen al beschikken over (ten minste) label B dan hoeven er geen energieverbeterende maatregelen genomen te worden. Ook is het mogelijk dat er in een groot programma ook enkele woningen worden meegenomen die reeds een energielabel B of zelfs beter hebben. De energielabels van die woningen hoeven niet verbeterd te worden om te voldoen aan deze voorwaarde. • Transformatie: gebouwen die nu nog (gedeeltelijk) geen woonfunctie hebben, krijgen na transformatie wel een woonfunctie. Daarbij wordt het gebouw ook gerenoveerd.
Dus ook bij transformatie moet sprake zijn van: het verbeteren van de energieprestatie van een gebouw met ten minste drie energielabelstappen of naar ten minste energielabel B, het aanpakken van achterstallig onderhoud, of het aanpakken van schimmelproblematiek. De Rijksbijdrage kan worden ingezet voor het gedeelte van de transformatie dat een woonfunctie oplevert. • Sloop- en nieuwbouw: woningen van slechte kwaliteit en/of waarbij sprake is van een overschot
23
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
worden gesloopt. Zo wordt ruimte gemaakt om woningen van betere kwaliteit of die beter passen bij de behoefte van huishoudens terug te bouwen. De kosten die betrokken kunnen worden zijn de kosten voor de sloop van de bestaande gebouwen en nieuwbouw van nieuwe woningen ter vervanging. En ook noodzakelijke kosten voor het mogelijk maken van een woonfunctie op de locatie van sloop. Hierbij kan gedacht worden aan de aanpak van fundering in slechte staat, grondsanering bij heftige vervuiling of verbetering van de afwatering. Bij sloop-nieuwbouw van woningen zijn de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012 van toepassing, waardoor kwaliteit en verduurzaming geborgd zijn. Voor de renovatie van en transformatie naar woningen is een extra voorwaarde opgenomen in de definitie in artikel 1, te weten de vereiste verbetering van de energielabelstappen, om ook daar verduurzaming te borgen. Inponding betreft de aankoop of verwerving van particulier bezit door een persoon of rechtspersoon. Zo kan een woningcorporatie bijvoorbeeld particuliere woningen inponden (een blok of een aantal losse woningen in een corporatiecomplex), om deze vervolgens samen met de eigen corporatievoorraad in het programmagebied te herstructureren, omdat dit doelmatiger is of omdat alleen op deze manier herstructurering mogelijk gemaakt kan worden.
Ook kan het gaan om gebouwen met hoofdzakelijk een woonfunctie, zoals woningen met in de plint winkels. Inponding van niet-woningen is niet mogelijk met een Rijksbijdrage, maar kan wel betrokken worden als onderdeel van het programma. Onder inponding kunnen bij een aanvraag uitsluitend de volgende kosten worden opgevoerd, voor zoverre deze tot het financieel tekort gerekend kunnen worden: – Verwervingskosten: dit betreft de kosten voor de aankoop van de particuliere woningen door een derde partij die ook de woningen zal herstructureren. – advieskosten: dit betreft de kosten voor expertise om tot een plan te komen voor het inponden en de kosten voor advies tijdens het proces van inponden. Bijvoorbeeld over juridische aspecten. – participatiekosten: dit betreft de kosten voor de campagne om particuliere eigenaren te bewegen tot het verkopen van de woning aan een derde partij die ook de woningen zal herstructureren. – compensatie van verhuiskosten: dit betreft de tegemoetkoming aan bewoners van particuliere woningen om een andere woning te betrekken, om zodoende herstructurering mogelijk te kunnen maken. De reikwijdte voor verhuiskosten wordt bepaald door de relevante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Onder kwetsbaar gebied worden die wijken en buurten verstaan waar de leefbaarheid onder druk staat.
Gemeenten dienen de slechte leefbaarheidssituatie van de wijken en buurten waar het programma op toeziet bij de aanvraag te onderbouwen. Elke gemeente heeft een kwetsbaar gebied, dat is het gebied binnen een gemeente die ten opzichte van de rest van de gemeente ondergemiddeld presteert op wonen en ten minste één andere component. – Onder het kenmerk wonen (voorwaardelijke indicator) wordt verstaan: de samenstelling van woningtypen en huishoudens is volgens de gemeente kwetsbaar, en het aantal verhuizingen binnen korte tijd is relatief hoog. Ook kan de er sprake zijn van een ondergemiddelde woningkwaliteit. Bijvoorbeeld doordat er veel sprake is van achterstalligonderhoud of funderingsproblematiek, etc. Op aanvullend ten minste één van de volgende indicatoren dient het gebied ondergemiddeld te presteren ten opzichte van de rest van de gemeente om als kwetsbaar gebied te kunnen worden aangemerkt: – Veiligheid: de buurt presteert ten opzichte van de rest van de gemeente ondergemiddeld op het terrein van de veiligheid. Denk daarbij aan veiligheidsincidenten en incidenten aangaande sociale problemen in de buurt, etc. – Werk en inkomen: de bewoners van de buurt presteren ten opzichte van de rest van de gemeente ondergemiddeld op het terrein van werk en inkomen.
Denk daarbij aan de uitkeringsafhankelijkheid van huishoudens (bijstand, ww, wajong, arbeidsongeschiktheid), langdurige bijstandsuitkering van langer dan één jaar, lager gemiddeld huishoudinkomen, huishoudens met kinderen met een inkomen tot het sociaal minimum, werklozen, etc. – Opleiding en jeugdhulp: de bewoners van de buurt hebben een lager dan gemiddeld opleidingsniveau en hoger dan gemiddeld gebruik van jeugdhulp. Denk daarbij aan het aantal kinderen dat gebruik maakt van jeugdhulp, het aantal voortijdige schoolverlaters of het hoogst behaalde opleidingsniveau, etc. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan enkel betrekking hebben op het kwetsbare gebied (of kwetsbare gebieden) van een gemeente (of van de betrokken gemeenten). Verdere voorwaarden voor het afbakenen van het gebied zijn gegeven onder de definitie van deelgebied.
Artikel 2 Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt In artikel 2, eerste lid, is bepaald dat gemeenten een aanvraag voor een specifieke uitkering kunnen doen voor het in dat artikellid omschreven doel. Een gemeente of gemeenten kunnen kiezen om een gezamenlijke aanvraag in te dienen, waarbij een gemeente optreedt als hoofdaanvrager. Concreet
24
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
betekent dit dat slechts één college de aanvraag kan indienen en ook slechts één gemeente kan de uitkering toegekend krijgen. Intussen moeten de gemeenten onderling goede afspraken maken en de gezamenlijke betrokkenheid aantonen in de aanvraagdocumentatie. Ook kan een samenwerkingsverband van gemeenten, zoals op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, een aanvraag indienen en dan wordt de specifieke uitkering uitgekeerd aan dat samenwerkingsverband. Wel is het daarvoor vereist dat het doen van deze aanvraag binnen de bevoegdheden valt die de betreffende gemeenschappelijke regeling heeft gekregen van de colleges van de betreffende gemeenten. Op deze wijzen wordt een gebiedsgerichte aanpak mogelijk gemaakt. De herstructurering van het slechtste deel van de woningvoorraad in de kwetsbaarste gebieden komt in aanmerking voor een Rijksbijdrage. Deze regeling heeft bijzondere aandacht voor de particuliere woningvoorraad, omdat de verbetering daarvan in de praktijk het meest ingewikkeld blijkt. Bezit van woningcorporaties kan ook betrokken worden in de aanvraag, mits het ontbreken van de financiële draagkracht van de woningcorporatie is onderbouwd. In de beoordeling krijgt een programma met meer particuliere woningen een betere score.
Een programma dient in ieder geval gericht te zijn op de activiteit herstructurering (renovatie, transformatie naar woningen, of sloop-nieuwbouw). De in het tweede lid, onder a (inponden van particuliere woningen) en b (noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte) genoemde activiteiten zijn optioneel. Ze kunnen in de aanvraag worden opgenomen voor zover zij voortvloeien uit of samenhangen met de herstructureringsactiviteiten. De activiteiten uit onderdelen a (inponden van particuliere woningen) en b (noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte) van dit lid kunnen niet zelfstandig, dus zonder koppeling met de herstructureringsactiviteit, worden opgevoerd in de aanvraag. Voor investeringen in de openbare ruimte geldt ook dat de mate van toerekenbaarheid, profijt en proportionaliteit moet worden onderbouwd conform de PTP-methodiek. In de aanvraag worden concrete maatregelen opgevoerd die dienen te vallen onder één van de genoemde drie categorieën activiteiten. Dit zijn de categorieën die voor een rijksbijdrage in aanmerking komen; dit neemt niet weg dat ook andere gegevens ondersteunend kunnen zijn bij de aanvraag en kunnen bijdragen aan een betere score, zoals de voorgenomen sociale componenten van een programma.
Onderdeel a van het tweede lid betreft activiteiten voor inponding van particuliere woningen, oftewel het opkopen van particulier bezit door een (rechts)persoon zoals woningcorporatie of gemeente, om vervolgens die woningen te herstructureren. Zo kan een woningcorporatie bijvoorbeeld particuliere woningen inponden (een blok of een aantal losse woningen in een corporatiecomplex, het zogenaamde gespikkelde bezit), om deze vervolgens samen met de eigen corporatievoorraad in het programmagebied te herstructureren, omdat dit doelmatiger is of omdat alleen op deze manier herstructurering mogelijk gemaakt kan worden. Ook kunnen gebouwen met hoofdzakelijk een woonfunctie ingepond worden, zoals woningen met in de plint winkels. Onder inponding kunnen bij een aanvraag uitsluitend worden opgevoerd: – participatiekosten: dit betreft de kosten voor de campagne om particuliere eigenaren te bewegen tot het verkopen van de woning aan een derde partij die ook de woningen zal herstuctureren. – Verwervingskosten: dit betreft de kosten voor de aankoop van de particuliere woningen door een derde partij die ook de woningen zal herstructureren. – advieskosten: dit betreft de kosten voor expertise om tot een plan te komen voor het inponden en de kosten voor advies tijdens het proces van inponden. Bijvoorbeeld over juridische aspecten.
– compensatie van verhuiskosten: dit betreft de tegemoetkoming aan bewoners van particuliere woningen om een andere woning te betrekken, om zodoende herstructurering mogelijk te kunnen maken. De reikwijdte voor verhuiskosten wordt bepaald door de relevante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is het ook mogelijk om op grond van onderdeel b een bijdrage te ontvangen voor noodzakelijke maatregelen voor de inrichting van de openbare ruimte. De maatregelen moeten bijdragen aan de leefbaarheid of verduurzaming van de woonomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan klimaatadaptieve maatregelen zoals het tegengaan van hittestress, verbeteren van de waterafvoer of het toevoegen van openbaar groen. Wat betreft de leefbaarheid kan het gaan om maatregelen gericht op bijvoorbeeld het inrichten en verlichten van de openbare ruimte. Met gerichte ingrepen in de inrichting van het openbaar gebied kan het veiligheidsgevoel worden verbeterd. Alleen fysieke ingrepen komen in aanmerking voor een bijdrage. Het is aannemelijk dat er meer nodig is dan enkel fysieke ingrepen om de leefbaarheid te vergroten. Zo zijn ook beleidsmatige ingrepen (bijvoorbeeld toewijzingsbeleid van woningen en het aanpakken van malafide verhuurders en excessen) nodig en moet er aandacht zijn voor de sociale kant van leefbaarheid.
Gemeenten zullen in hun aanvraag voor een bijdrage dan ook duidelijk moeten maken op welke wijze de opgevoerde fysieke maatregelen onderdeel uitmaken van een bredere aanpak om de leefbaarheid in deze gebieden te vergroten. Dat kan ook een reeds bestaande aanpak zijn met reeds bestaande sociale maatregelen.
25
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
In het tweede lid, onderdeel c, is bepaald dat een gemeente ten hoogste 10 procent van de gevraagde bijdrage kan besteden aan de door de gemeente gemaakte kosten die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het programma, oftewel de noodzakelijke projectkosten (overhead), niet zijnde de reguliere ambtelijke kosten. Dit betekent niet dat een gemeente niet meer mag besteden aan projectkosten, het is alleen boven de 10 procent niet subsidiabel. Het gaat niet om de gebruikelijke kosten van het ambtelijke apparaat, die mogen hier niet uit worden gefinancierd, het gaat om de kosten die noodzakelijk zijn in het geval de ambtelijke capaciteit tekort schiet, zoals het aanstellen van een externe projectleider. Aan gemeenten wordt gevraagd om de ondersteuningsbehoefte te onderbouwen, en daarbij de normen van de Wet Normering Topinkomens in acht te nemen. Indien de noodzaak voor een Rijksbijdrage onvoldoende is onderbouwd, kan de Minister van Binnenlandse Zaken de bijdrage voor projectkosten weigeren.
Artikel 3 Toelatingscriteria In het eerste lid is geregeld dat een aanvraag van een gemeente niet in behandeling wordt genomen, in het geval de gemeente reeds eerder een (al dan niet gedeeltelijk) toewijzende uitkeringsbeschikking heeft gekregen op grond van deze regeling. Deze eis hangt samen met de grondslag die is gekozen voor deze regeling. De grondslag ligt in artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet, daarmee is deze specifieke uitkering een eenmalige specifieke uitkering. Dat betekent ook dat er sprake is van een enkele tranche voor de uitkering van een Rijksbijdrage. Indien blijkt dat na de enkele tranche budget overblijft, dan is een veegloket mogelijk waarbij enkel de gemeenten die nog geen (al dan niet gedeeltelijk) toewijzende uitkeringsbeschikking hebben gekregen, een aanvraag (opnieuw) kunnen indienen. Een programma kan bestaan uit één of meerdere deelgebieden. In artikel 3, tweede lid, zijn voorwaarden gesteld aan programma’s in hun geheel. Als het programma niet voldoet aan één van deze voorwaarden, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen: a. er moet sprake zijn van een minimale programmaomvang om een beroep te kunnen doen op een Rijksbijdrage. De maatregelen uit het herstructureringsprogramma hebben een minimale omvang van ten minste 7,5 miljoen euro.
Dat betekent dat de Rijksbijdrage ten minste 5,25 miljoen euro bedraagt en de cofinanciering 2,25 miljoen euro. Of programma’s bestaan uit ten minste 200 woningen, dat zijn gemiddeld 20 woningen per jaar die geherstructureerd moeten worden, als er gebruik wordt gemaakt van de maximaal toegestane programmaduur (10 jaar). Met een keuze in type ondergrens wordt voorkomen dat programma’s met een kleiner aantal te herstructureren woningen, maar aanzienlijke opgave buiten de boot vallen. Tegelijkertijd wordt geborgd dat sprake is van enige slagkracht met de Rijksbijdrage voor de verbetering van kwetsbare gebieden. b. Het programma uit de aanvraag is gericht op herstructurering, en eventueel ook op inponding of activiteiten die gericht zijn op de inrichting van de openbare ruimte. Ook deze laatste twee activiteiten moeten voortvloeien of samenhangen met de herstructureringsactiviteiten. De fysieke maatregelen die zijn opgenomen in het programma, moeten ten dienste staan van deze activiteiten. c. Bij de maatregelen die, conform onderdeel a, opgenomen zijn in de aanvraag moet sprake zijn van een financieel tekort. Dat betekent dat de maatregelen door de gemeente of andere betrokken partijen niet van (volledige) financiële dekking voorzien kan worden.
Maatregelen die reeds worden uitgevoerd, komen op grond van onderdeel b niet voor een specifieke uitkering in aanmerking, aangezien deze al van financiële dekking voorzien moeten zijn. Deze maatregelen kunnen wel in het bredere programma van de gemeente(n) worden betrokken, om bijvoorbeeld de effectiviteit en realiteitsgehalte van de aanvraag te onderbouwen. d. Een maatregel waarvoor een bijdrage wordt ontvangen dient binnen twee jaar na het toekennen van de middelen van start te gaan. Opstarten wordt hier gedefinieerd als de eerste onomkeerbare actie voor de maatregel. Hierbij kan gedacht worden aan het tekenen van een (samenwerkings)overeenkomst, de eerste schop in de grond, de eerste bewoners uitgekocht of de bewonersparticipatie gestart. Deze voorwaarde zorgt dat programma’s die een specifieke uitkering ontvangen ook snel van start gaan. Denk bijvoorbeeld aan wervingskosten of advieskosten in geval wordt overgegaan tot inponding van particuliere woningen. Zo wordt beoogd dat de Rijksbijdrage voor de verbetering van de woonkwaliteit en -omgeving in de kwetsbaarste gebieden ook snel zichtbaar wordt. e. Een maatregel dient binnen tien jaar na toekenning afgerond te zijn. Activiteiten zoals het inponden van particuliere woningen of het sloop-nieuwbouwen van bepaalde delen van een gebied kunnen tijd kosten en daarom is er gekozen voor een termijn van tien jaar.
Tegelijkertijd is het ook voor dit soort procedures van belang dat er voortgang zit in het proces. Dit voorkomt dat bewoners van deze gebieden onnodig lang in onduidelijkheid blijven over wat er in hun wijk staat te gebeuren en wat de gevolgen voor hen zijn. f. Onderdeel f stelt als voorwaarde dat de gemeente en eventueel betrokken medeoverheden een financiële bijdrage leveren van ten minste 30 procent van het financieel tekort. Dit vereiste geldt ook op deelplanniveau. Voor het financieel tekort brengt de gemeente de kosten en opbrengsten
26
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
per fysieke maatregel gedurende de looptijd van het programma (ten hoogste tien jaar) van de Rijksbijdrage in kaart. De kosten die onder aan de streep resteren zijn het financieel tekort. De Rijksbijdrage is maximaal 70 procent van het saldo van kosten en opbrengsten over die tien jaar, ofwel van het financieel tekort. De overige 30 procent betreft een cofinanciering waarvoor de gemeente verantwoordelijk is om deze te verzorgen, en kan ook geleverd worden door andere partijen zoals de provincie, een woningcorporatie of andere betrokken partij. Voorwaarde is wel dat de cofinanciering via de begroting van een medeoverheid wordt verwerkt. In het derde lid is geregeld dat de minister op verzoek van het college de termijn ten aanzien van de afronding van de fysieke maatregelen van een deelplan van 10 jaar kan verlengen met een jaar. Van deze grondslag kan een college enkel gebruik maken als er sprake is van onvoorziene omstandigheden, waar het college dus op voorhand geen rekening mee kon houden, waardoor uitstel geboden is. Het college dient hiertoe formeel schriftelijk een verzoek in bij de minister. Als dat jaar ook niet voldoende is, kan telkens opnieuw een verzoek worden gedaan, dat de minister opnieuw zal beoordelen. Er moeten wel zware redenen voor zijn, het uitgangspunt is afronding binnen 10 jaar.
Artikel 4 Uitkeringsplafond Voor de specifieke uitkeringen (inclusief storting in het BTW-compensatiefonds), voor de ondersteuning van gemeenten om aanvragen te maken, voor de kosten van de uitvoering van het volkshuisvestingsfonds en voor flankerend beleid is in totaal 450 miljoen euro beschikbaar. Het budget is daarbij als volgt verdeeld: 385 miljoen euro voor specifieke uitkeringen voor herstructurering in kwetsbare gebieden, 55 miljoen euro voor storting in het BTW-compensatiefonds, en 10 miljoen voor uitvoeringskosten, waaronder de professionele ondersteuning van focusgemeenten voor het maken van aanvragen. De middelen zijn beschikbaar in het jaar 2021, en worden in een eenmalige tranche toegekend aan gemeenten. Indien blijkt dat te weinig aanvragen zijn ingediend of te weinig aanvragen van goede kwaliteit, dan kan voor de uitputting van het budget een veegloket (of eventueel veegloketten) worden georganiseerd. De hoogte van het eventueel nog resterende budget wordt jaarlijks aangepast aan de actuele loon- en prijsontwikkelingen. De basis voor de systematiek zijn de onafhankelijke indices voor loon- en prijsontwikkelingen van het Centraal Planbureau die elk jaar in het voorjaar volgen uit het Centraal Economisch Plan (CEP) en in augustus uit de Macro Economische Verkenning (MEV).
Deze indices zijn gebaseerd op de lonen en prijzen in de markt en zijn niet beïnvloedbaar door de overheid. De indexatie van het uitkeringsplafond wordt definitief vastgesteld bij Voorjaarsnota. De indexatie wordt niet toegepast op reeds uitgekeerde specifieke uitkeringen. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor de over de activiteiten verschuldigde BTW. Het BTW component wordt gestort in het BTW Compensatiefonds van het Ministerie van Financiën. Gemeenten kunnen op grond van de relevante wet- en regelgeving een beroep doen op terugontvangst van de betaalde BTW componenten. Het is denkbaar dat een gemeente in het kader van de betreffende programma’s maatregelen verricht waarbij de kosten aftrekbaar zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor deze kosten. Het geldende uitgangspunt is: kosten die op een andere wijze gecompenseerd kunnen worden, worden niet uit de specifieke uitkering betaald.
Artikel 5 De aanvraag Zoals gezegd is sprake van een enkele tranche of loket voor de aanvraag van een specifieke uitkering. Indien blijkt dat te weinig aanvragen zijn ingediend of te weinig aanvragen van goede kwaliteit, dan kan voor de uitputting van het budget een veegloket (of eventueel veegloketten) worden georganiseerd. In dit artikel is geregeld uit welke elementen een aanvraag van een gemeente ten minste bestaat: a. Een omschrijving van het programma, en in het geval er meerdere deelplannen worden opgevoerd een omschrijving per deelplan, waaruit blijkt dat is voldaan aan de toelatingscriteria. Het is tevens wenselijk om hier te benoemen welke (bestaande) sociale maatregelen een gemeente treft voor de verbetering van de leefomgeving, of welke fysieke maatregelen waar geen Rijksbijdrage voor wordt gevraagd. b. een omschrijving van de mate waarin de fysieke maatregelen voldoen aan het doel van deze regeling; c. indien de aanvraag fysieke maatregelen bevat die gericht zijn op activiteiten gericht op de inrichting van de openbare ruimte, dan dient tevens een onderbouwing te worden aangeleverd