CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BZK - regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting

Raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente LelystadBij agendapunt: 179. Aanvraag Volkshuisvestingsfonds19.966 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

STAATSCOURANT

Nr. 12579 12 maart 2021

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 maart 2021, nr. 2020-0000687420, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten in het belang van de verbetering van de woonkwaliteit en de leefomgeving in kwetsbare gebieden (Regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting) De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gelet op artikel 17, vijfde lid, van de Financiële-verhoudingswet; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: – college: college van burgemeester en wethouders; – deelgebied: één of meerdere zones op postcode-4-niveau in een kwetsbaar gebied van de gemeente waarbinnen fysieke maatregelen gepland zijn, waarbij een zone slechts in één deelgebied wordt opgenomen; – deelplan: zelfstandig onderdeel binnen een programma met fysieke maatregelen binnen een deelgebied, inclusief plan van aanpak voor de herstructurering van dat deelgebied; – financieel tekort: negatief saldo van kosten en opbrengsten van fysieke maatregelen in een deelplan, gedurende de looptijd van het programma; – fysieke maatregel: op geld waardeerbare concrete maatregel die gericht is op het aanbrengen van een wijziging in een fysiek object en handelingen die daarmee samenhangen; – herstructurering: bouwactiviteiten die bestaan uit ten minste één van de

volgende onderdelen: a. renovatie:activiteiten waarbij de energieprestatie van het gebouw met ten minste 3 energielabelstappen verbetert, of waarbij de energieprestatie tot ten minste label B wordt verbeterd, en die ook kunnen zijn gericht op: 1°. het aanpakken van achterstallig onderhoud; of 2°. het aanpakken van schimmelproblematiek; b. transformatie: renovatie waarbij de gebruiksfunctie van een gebouw of van een onderdeel van een gebouw wijzigt in een woonfunctie; of c. Sloop-nieuwbouw: slopen van een gebouw en vervolgens binnen hetzelfde deelgebied bouwen van een nieuw gebouw met een woonfunctie of een gebouw met onderdelen met een woonfunctie; – inponding: het aankopen of verwerven van een woning door een persoon of rechtspersoon ten behoeve van de herstructurering van deze woning, waaronder uitsluitend: a. verwerving; b. advies; c. participatie; en d. compensatie van de minimumbijdrage in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 220 lid 6 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; – kwetsbaar gebied: wijk of buurt binnen een gemeente die binnen die gemeente op grond van landelijke data ondergemiddeld scoort op de indicator woonkenmerken en ten minste één van de volgende indicatoren: 1°. Veiligheid; 2°. Werk en inkomen, of; 3°.

Opleiding en jeugdhulp; – minister: Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; – programma: programma bestaande uit één of meerdere deelplannen gericht op het doel, bedoeld in artikel 2, eerste lid; – woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Artikel 2. Activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt 1. De minister kan op aanvraag van een college een eenmalige specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor bijdragen aan fysieke maatregelen in een of meer deelplannen ter uitvoering

1

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

van een programma in kwetsbare gebieden die de herstructurering van kwalitatief slechte woningen tot doel hebben, in het bijzonder particuliere woningen, in het belang van de woonkwaliteit en de leefomgeving in de betreffende gebieden. 2. De eenmalige specifieke uitkering kan tevens worden verstrekt ten behoeve van: a. de inponding van woningen, of woningen met hoofdzakelijk een woonfunctie, om te herstructureren; b. activiteiten gericht op de inrichting van de openbare ruimte indien deze noodzakelijk zijn voor de herstructurering; en c. de voor de uitvoering van het programma door de gemeente te maken noodzakelijke projectkosten, niet zijnde de gebruikelijke kosten van het ambtelijke apparaat, voor ten hoogste 10 procent van de aangevraagde uitkering. Artikel 3. Toelatingscriteria 1. Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen, indien de gemeente eerder een toekennende uitkeringsbeschikking heeft gekregen op grond van deze regeling. 2. Een aanvraag wordt alleen in behandeling genomen, indien uit de bij de aanvraag ingediende gegevens en bescheiden blijkt dat het programma waarvoor een uitkering wordt gevraagd: a. een totale omvang heeft van ten minste € 7.500.000 of ten minste 200 woningen herstructureert; b. enkel fysieke maatregelen bevat als bedoeld in artikel 2, eerste lid; c. enkel fysieke maatregelen bevat waarbij sprake is van een financieel tekort; d.

een fysieke maatregel bevat waarvan de uitvoering binnen twee jaar na toekenning van de uitkering opgestart kan worden; e. enkel fysieke maatregelen bevat waarvan de uitvoering binnen tien jaar na toekenning van de uitkering afgerond kan worden; en f. door de gemeente en andere medeoverheden van een financiële bijdrage wordt voorzien van ten minste 30 procent van het totale financiële tekort van het programma en van elk deelplan. 3. De minister kan op verzoek van het college de in het tweede lid, onderdeel e, genoemde termijn, telkens met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat het deelplan niet binnen die termijn kan worden afgerond. Artikel 4. Uitkeringsplafond 1. In totaal is ten hoogste € 385.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen. 2. Specifieke uitkeringen worden niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de uitvoering van programma’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel 5. De aanvraag 1. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend met ingang van 3 mei 2021 om 9:00 uur tot en met 17 mei 2021 tot 9:00 uur. 2.

Een aanvraag bevat ten minste: a. een omschrijving van het programma, en de fysieke maatregelen waarin wordt ingegaan op de wijze waarop deze voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 3, tweede lid; b. een omschrijving van de mate waarin de fysieke maatregelen voldoen aan het doel van deze regeling zoals beschreven in artikel 2, eerste lid; c. indien de aanvraag fysieke maatregelen bevat die gericht zijn op activiteiten gericht op de inrichting van de openbare ruimte: een onderbouwing van de mate van toerekenbaarheid, profijt en proportionaliteit conform de PTP-methodiek; d. een plan van aanpak voor de uitvoering van het programma en per deelplan de fysieke maatregelen, inclusief fasering van de uitvoering van de fysieke maatregelen; e. een begroting van de fysieke maatregelen met kosten en opbrengsten per deelplan gedurende de looptijd van het programma, en de projectkosten voor de gemeente; f. een toelichting waarin wordt aangetoond dat het programma en het deelplan of de deelplannen onderdeel uitmaken van een bredere aanpak gericht op het verbeteren van de leefbaarheid in het kwetsbare gebied; en g. de verwachte begin- en einddatum van de fysieke maatregelen.

2

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

3. De minister beslist binnen 13 weken na het sluiten van het aanvraagtijdvak, bedoeld in het eerste lid, over de toekenning van een specifieke uitkering. De minister beslist niet eerder op een aanvraag, dan nadat advies is ingewonnen van de commissie, bedoeld in artikel 9, eerste lid. 4. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Artikel 6. Wijze van betaling en uitkeringsbeschikking 1. De minister betaalt in het geval van een toekennend uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De minister kan daarbij een voorschot van 100% verlenen als: a. De gemeente uiterlijk 30 juni van het daaropvolgende jaar een overeenkomst sluit met de andere bij de uitvoering van het programma betrokken partijen ter uitvoering van de fysieke maatregelen waarvoor de uitkering is toegekend; of b. De gemeente uiterlijk 30 juni van het daaropvolgende jaar voorbereidende werkzaamheden verricht voor de uitvoering van de fysieke maatregelen. 2. De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval: a. welke fysieke maatregelen worden uitgevoerd en hoeveel woningen daarmee worden geherstructureerd; b. het bedrag van de uitkering; c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering; d. de periode waarbinnen de fysieke maatregelen moeten zijn uitgevoerd; en e.

de wijze waarop kan worden aangetoond dat de fysieke maatregelen zijn uitgevoerd. 3. Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden. Artikel 7. De beoordeling van de aanvragen 1. De minister stelt een rangschikking op van de aanvragen op basis van een beoordeling van de mate waarin de deelplannen voldoen aan het doel zoals beschreven in artikel 2, eerste lid. De rangschikking wordt bepaald op grond van de behaalde eindscores van de deelplannen bij een gezamenlijke weging van de volgende criteria: a. effectiviteit; b. doelmatigheid; c. hardheid; d. urgentie; en e. prioriteit. 2. De scores en de weging van de criteria, bedoeld in het eerste lid, worden bepaald conform bijlage I. 3. Indien meerdere aanvragen gelijk scoren bij de weging, en de toekenning van uitkeringen zou leiden tot overschrijding van het in artikel 4, eerste lid, vastgestelde bedrag, worden de aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score van de deelplannen bij het criterium effectiviteit. Indien daarna nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren worden de aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score bij het criterium prioriteit. 4.

De minister kan een rangschikking opstellen die afwijkt van de rangschikking, bedoeld in het eerste en derde lid, indien dat in het belang is van het bereiken van het doel van deze regeling zoals beschreven in artikel 2, eerste lid. 5. Specifieke uitkeringen worden toegekend op volgorde van de rangschikking, bedoeld in het eerste en derde lid, of, indien de minister gebruik maakt van de mogelijkheid in het vierde lid, op volgorde van de rangschikking, bedoeld in dat lid. Artikel 8. Afwijzingsgronden 1. De minister wijst een aanvraag voor een specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk af voor zover: a. het deelplan of de deelplannen een onvoldoende score behaalt of behalen bij de weging, bedoeld in artikel 7, eerste lid; of b. het bedrag van de aangevraagde uitkering bij de toekenning ervan bij de rangschikking, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of, indien de minister gebruik maakt van de in artikel 7, vierde lid, geregelde mogelijkheid, de rangschikking bedoeld in dat lid, leidt tot een overschrijding van het in artikel 4, eerste lid, genoemde bedrag.

3

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

2. Indien de minister een aanvraag gedeeltelijk afwijst, kan de minister voorwaarden opnemen in de beschikking die afwijken van de voorwaarden in artikel 3, tweede lid, onder a. Artikel 9. Instelling en taak commissie 1. Er is een Toetsingscommissie herstructurering volkshuisvesting. 2. De commissie adviseert de minister over de toepassing van artikel 7, eerste lid. 2. De commissie brengt advies uit binnen 8 weken na het sluiten van het in artikel 5, eerste lid, bedoelde aanvraagtijdvak. 3. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is. 4. De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 10. Leden van de commissie 1. De commissie, genoemd in artikel 9, eerste lid, bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vier andere leden. 2. De minister benoemt de leden voor de duur van vier jaar of tot uiterlijk zoveel eerder dat het uitkeringsplafond, genoemd in artikel 4, eerste lid, is uitgeput, en bepaalt de vergoeding van de leden.

3. De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 4. De voorzitter en de leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 11. Ondersteuning van de commissie 1. De commissie, genoemd in artikel 9, eerste lid, wordt ondersteund door een secretariaat. 2. In het secretariaat wordt voorzien door de minister. 3. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie. Artikel 12. Toetsing door de commissie 1. De commissie, genoemd in artikel 9, eerste lid, stelt haar eigen werkwijze vast. Dit omvat in ieder geval een protocol omtrent de wijze waarop de commissie voorgelegde aanvragen toetst en weegt. Het protocol wordt opgesteld in overleg met de minister. 2. De commissie kan de indiener van de aanvraag om een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, om nadere informatie verzoeken omtrent de in artikel 5, tweede lid, bedoelde gegevens. Artikel 13. Informatievoorziening na uitkering 1. Het college informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is toegekend. 2.

Het college verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze regeling. Artikel 14. Verantwoording en terugvordering 1. Artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet is van toepassing.

4

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

2. Als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering. Artikel 15. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Artikel 16. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting. Lasten en bevelen dat deze regeling met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

5

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 7, DERDE LID, VAN DE REGELING SPECIFIEKE UITKERING HERSTRUCTURERING VOLKSHUISVESTING Beoordelingscriteria en weging In deze bijlage wordt het beoordelingskader uitgewerkt, hetgeen een uitwerking is van de scores en de weging van de criteria, bedoeld in artikel 7, eerste lid. Daarbij worden de gehanteerde indicatoren uitgewerkt. Een toelichting op de subcriteria is opgenomen onder de artikelsgewijze toelichting van artikel 7. Het beoordelen van de aanvragen wordt gedaan op deelplanniveau, onderstaande criteria moeten voor iedere deelplan apart worden opgesteld en beoordeeld. Een definitie van het deelplan is opgenomen in artikel 1. Er wordt eerst een tussenscore per deelplan bepaald op grond van het gewogen gemiddelde van de criteria in artikel 7, eerste lid, onderdelen a, b en c: effectiviteit, doelmatigheid en hardheid. Vervolgens wordt de eindscore bepaald op grond van het gewogen gemiddelde van de scores op alle criteria uit artikel 7, eerste lid: effectiviteit, doelmatigheid, hardheid, urgentie en prioriteit. Een deelplan scoort onvoldoende indien de tussenscore of eindscore gemiddeld lager is dan een 5,5 scoort bij de weging. Om tot een rangschikking te komen van de aanvragen wordt op basis van de eindscores van de deelplannen een programmascore voor de gehele aanvraag bepaald.

De programmascore is het gewogen gemiddelde van de eindscores per deelplan. De weging van een deelplan is gelijk aan het aandeel te herstructureren woningen in het deelplan ten opzichte van het totaal aantal te herstructureren woningen in de aanvraag.

A. Effectiviteit De effectiviteit gaat over de mate waarin een deelplan of deelplannen bijdraagt of bijdragen aan de doelen van het Volkshuisvestingfonds: verbeteren van de woonkwaliteit en leefbaarheid in kwetsbare gebieden. In de weging wordt binnen dit hoofdcriterium naar drie subcriteria gekeken. Verbeteren woonkwaliteit en -omgeving •

• • • •

Gemiddeld aantal kwaliteitsaspecten dat wordt verbeterd; Tot kwaliteitsaspecten van de woningen worden gerekend: constructieve problematiek, achterstallig onderhoud, ongezond binnenmilieu, verduurzaming, toegankelijkheid. In het geval van sloop en nieuwbouw wordt meegewogen hoeveel kwaliteitsaspecten ten grondslag liggen aan het besluit om te slopen. Aandeel te herstructureren woningen; deze indicator geeft aan welk deel van de woningen wordt geherstructureerd ten opzichte van de totale woningvoorraad in een deelgebied. Aandeel particuliere voorraad; Het aandeel particuliere woningen ten opzichte van het totaal aantal woningen dat in het deelplan wordt geherstructureerd. Kwaliteit van het ruimtelijk ontwerp; een adequaat en toekomstbestendig ruimtelijk ontwerp van het plan bijvoorbeeld op het gebied van openbare inrichting en klimaatadaptatie. Afspraken over de betaalbaarheid en bestaande bewoners; Hierbij wordt onder andere gekeken in hoeverre de gemeente afspraken heeft gemaakt of gaat maken met (particuliere) verhuurders die profiteren van het Volkshuisvestingsfonds over de toekomstige huurprijzen en huurverhogingen na renovatie en of welk instrumentarium gemeenten inzetten om nieuwe koopwoningen in het deelgebied meerjarig betaalbaar te houden. Ook wordt het beleid rondom huidige bewoners meegenomen in dit onderdeel.

Balans samenstelling woningvoorraad • Aanpassen kwantitatieve samenstelling woningvoorraad; de mate waarin het deelplan bijdraagt aan het in balans brengen van de kwantitatieve mismatch in de woningvoorraad. • Aanpassen kwalitatieve samenstelling woningvoorraad; de mate waarin het deelplan bijdraagt aan het in balans brengen van de kwalitatieve mismatch in de woningvoorraad. Samenhang leefbaarheidsaanpak • Integraal leefbaarheidsprogramma; de mate waarin het deelplan onderdeel uitmaakt van integraal programma om de leefbaarheid in het deelgebied te verbeteren, waarbij ook aspecten geadresseerd als veiligheid, arbeidsmarkt, zorg, onderwijs en overige. • Flankerend beleid; de mate waarin er gelijktijdig met de fysieke investeringen ook flankerende beleidsmaatregelen en investeringen worden gedaan in het deelgebied. Bijvoorbeeld (sociaal)economisch, zorg, onderwijs en veiligheid. • Betrokkenheid andere partijen: De mate van betrokkenheid van bewoners, woningcorporaties,

6

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

verhuurders en andere relevante partijen bij het opstellen en realisatie van het deelplan. Dit kan blijken uit participatietrajecten, samenwerkingsverbanden, actieagenda’s en intentieverklaringen.

B. Hardheid Binnen het hoofdcriterium hardheid wordt beoordeeld op de mate van zekerheid van een tijdige realisatie van het programma (indien meerdere deelplannen per aanvraag van elk individueel deelplan). De hardheid wordt beoordeeld aan de hand van drie subcriteria: • Tijdige realisatie: de mate waarin aangetoond kan worden dat de gestelde start en einddata gehaald kunnen worden. Dit kan blijken uit de status van het proces en de nog door te lopen planologische procedures rond het project, de mate van zekerheid dat het project bij een positief besluit doorgaat, op tijd start en voldoende snel wordt gerealiseerd • Stand van zaken; de stand van zaken in overleg en onderhandelingen tussen gemeente, woningcorporaties, particulieren en/of (markt-)partijen • Risico’s voor een tijdige realisatie; organisatorische, financiële en projectrisico’s die de planning van de herstructurering kunnen beïnvloeden.

C. Doelmatigheid In het hoofdcriterium doelmatigheid wordt gekeken naar een efficiënte besteding van het Volkshuisvestingsfonds. Daartoe wordt naar twee indicatoren met onderliggende sub-indicatoren gekeken: • Additionaliteit; het aandeel van het herstructureringsprogramma dat niet gerealiseerd kan worden zonder bijdrage van het Volkshuisvestingsfonds. Gespecificeerd naar activiteit: renovatie, transformatie en sloop/nieuwbouw. • Proportionaliteit; de gevraagde bijdrage per additionele geherstructureerde woning gespecificeerd naar activiteit: renovatie, transformatie en sloop/nieuwbouw. De hoofdcriteria ‘Urgentie’ en ‘Prioriteit’ onderscheiden zich van de andere drie hoofdcriteria omdat de score op dit criterium vaststaan en niet afzonderlijk beoordeeld hoeven te worden door de toetsingscommissie. De score wordt wel meegenomen bij het bepalen van de eindscore door de toetsingscommissie.

D. Urgentie De urgentie wordt bepaald voor alle deelgebieden waarvoor een aanvraag is ingediend bij het Volkshuisvestingsfonds. Hierbij wordt gekeken naar een drietal dimensies om de kwetsbaarheid van een gebied te bepalen. De drie dimensies zijn: woningvoorraad, huishoudens en inkomen en veiligheid. De score op dit onderdeel is relatief. Dit betekent dat per dimensie het gemiddelde van alle deelplannen wordt bepaald en dat ieder deelplan ten opzichte van dat gemiddelde wordt gescoord. Een deelgebied is bovengemiddeld kwetsbaar als het boven het gemiddelde scoort van alle aanvragen. Een deelgebied: • dat op drie dimensies bovengemiddeld kwetsbaar is ontvangt 10 punten. • dat op twee van de drie dimensies bovengemiddeld kwetsbaar is ontvangt 6,6 punten. • dat op een van de drie dimensies bovengemiddeld kwetsbaar is ontvangt 3,3 punten.

E. Prioriteit Het Volkshuisvestingsfonds kent twee type prioritaire gebieden: de 16 Stedelijke vernieuwingsgebieden en de 13 grens- en krimpregio’s. Aanvragen uit deze prioritaire gebieden krijgen extra punten in de beoordeling waarbij: • aanvragen uit de 16 stedelijke vernieuwings-gebieden1 10 punten ontvangen, • aanvragen uit de 13 grens- en krimpregio’s2 5 punten ontvangen. • In gevallen waarin in een aanvraag het programma betrekking heeft op zowel prioritaire als niet prioritaire gebieden, dan worden de bonuspunten relatief toegepast naar aandeel van het aantal woningen dat binnen het prioritaire en niet-prioritaire gebied ligt.

Schematische weergave beoordelingskader Elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. Vervolgens wordt het gewogen

1

2

7

Amsterdam Zuidoost, Amsterdam Nieuw-West, Lelystad Oost, Zaandam Oost, Schiedam Nieuwland-Oost, Rotterdam-Zuid, Den Haag Zuid-West, Utrecht Overvecht, Nieuwegein Centrale-As, Groningen Noord, Eindhoven Woensel Zuid, Arnhem Oost, Tilburg Noord-West, Breda Noord, Leeuwarden Centrum-Oost, Heerlen-Noord, Eemsdelta, Oost-Groningen, Het Hogeland, Parkstad Limburg, Midden-Limburg, Maastricht-Mergelland, Westelijke Mijnstreek, Zeeuws-Vlaanderen, Achterhoek, Noordoost Friesland, Zuid- en Oost Drenthe, Twente, Noord-Limburg.

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

gemiddelde bepaald om de deel-/eindscore te bepalen waarbij de weging als volgt is: Tussenscore: deelscore effectiviteit*(3/8)+ deelscore hardheid * (2,5/8) + deelscore doelmatigheid * (2,5/8). Eindscore: deelscore effectiviteit*0,3 + deelscore hardheid *0,25 + doelmatigheid *0,25 + deelscore urgentie* 0,05 + deelscore prioritair gebied*0,15. Criteria ter beoordeling door de Toetsingscommissie

8

Hoofdcriteria

A. Effectiviteit

Weging

30%

Subcriteria

Verbetering woonkwaliteit en omgeving

Balans samenstelling woningvoorraad

Samenhang leefbaarheidsaanpak

Maximaal aantal punten per criterium

12

12

6

Indicatoren

1. Gemiddeld 1. De mate aantal kwaliteits- waarin de aspecten dat kwantitatieve wordt verbeterd samenstelling 2. Aandeel te van woningherstructureren voorraad in woningen balans wordt 3. Aandeel gebracht particuliere 2. De mate voorraad waarin de 4. Kwaliteit van kwalitatieve het ruimtelijke samenstelling ontwerp van de 5. Afspraken over woningvoorde betaalbaarheid raad in balans en huidige wordt gebracht bewoners.

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

Vooraf vastgesteld

B. Hardheid

C. Doelmatigheid

D. Urgentie

E. Prioritaire gebieden

25%

25%

5%

15%

Tijdige start en afronding

Proportionaliteit

Kwetsbaarheid gebied

Prioritaire gebieden

10

10

10

10

1. Additionaliteit van de gevraagde bijdrage 2. Proportionaliteit van de gevraagde bijdrage

1. De relatieve 1. SV-gebied kwetsbaarheid 2. Krimp- en van het grensregio’s deelgebied t.o.v. andere deelgebieden waar een bijdrage voor is gevraagd.

1. Integraal 1. Aantonen leefbaarheids- van een programma tijdige 2. Flankerende realisatie van beleidsmatige het proingrepen gramma 3. Betrokken- 2. Stand van heid van zaken andere onderhandepartijen lingen tussen gemeente, woningcorporaties en/of (markt-) partijen. 3. Risico’s voor een tijdige realisatie

NOTA VAN TOELICHTING I. Algemeen 1. Inleiding en inhoud Met deze regeling wordt de grondslag gecreëerd voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten om de woonkwaliteit en leefomgeving in de meest kwetsbare gebieden te verbeteren om zo te komen tot een leefbare en duurzame woonomgeving. De woningmarkt kent grote krapte door de toegenomen vraag naar woningen en snel stijgende huizenprijzen. Starters, mensen met een middeninkomen en verschillende kwetsbare groepen hebben moeite met het vinden van een geschikte en betaalbare woning, of dat nu om te huren of om te kopen is. In sommige gebieden is echter sprake van een andere werkelijkheid. Daar is juist sprake van (een dreiging van) hardnekkige leegstand, verloedering van de woningvoorraad, een concentratie van kwetsbare huishoudens en beperkte investeringskracht van gemeenten, woningcorporaties en huiseigenaren om dit tegen te gaan. Deze gebieden kennen een grote diversiteit aan complexe opgaven, die leiden tot een verslechtering van de woonkwaliteit en leefbaarheid. Wat deze gebieden verder gemeen hebben is dat er sprake is van een kwalitatieve en kwantitatieve mismatch in de woningvoorraad. Daar komt bij dat woningen in deze gebieden ook mee moeten kunnen komen in de ontwikkelingen om ze toekomstbestendig te maken, bijvoorbeeld voor de energietransitie.

Het Volkshuisvestingsfonds dient ertoe om gemeenten te ondersteunen bij deze opgaven in kwetsbare gebieden.

1.1 Aanleiding en probleemanalyse 1.1.1 Kwalitatieve mismatch De kwalitatieve mismatch heeft betrekking op de kwaliteit van woningen. De huishoudens in kwetsbare gebieden hebben vaak een laag inkomen en een zwakke vermogenspositie, waardoor ze moeilijk toegang krijgen tot financiering. Dit leidt tot het uitstellen van onderhoud en lange termijninvesteringen in woningen, met steeds verdergaande verpaupering en ongezonde woonsituaties tot gevolg. Voorbeelden van investeringen die niet gedaan kunnen worden zijn het aanpakken van schimmelproblematiek of investeringen in verduurzaming van de woning.3 In de grens- en krimpregio’s komt daar nog eens bovenop dat de benodigde investeringen in de woning ten opzichte van de woningwaarde onevenredig hoog kunnen zijn. De genoemde problematiek komt met name voor in het particuliere deel van de voorraad. Dit heeft echter ook een effect op de mogelijkheden van woningcorporaties om te investeren in hun woningen, omdat er veelal sprake is van zogenaamd gespikkeld bezit waarbij bezit van woningcorporaties en particulieren is gemengd in een complex of rij van woningen. De werkzaamheden aan een appartementencomplex kunnen pas beginnen als de VvE hiermee heeft ingestemd, maar de particulieren die dit niet kunnen betalen zullen niet met de werkzaamheden instemmen en de corporatie mag de uitvoeringskosten niet dragen.

1.1.2 Kwantitatieve mismatch De kwantitatieve mismatch gaat over onevenwichtigheden op het niveau van de woningvoorraad in een gebied. Het gaat hierbij om twee onderdelen. Allereerst de samenstelling van de woningvoorraad die voor een onevenwichtige samenstelling van huishoudens zorgt. In kwetsbare gebieden is veelal sprake van een concentratie van goedkope woningen die worden bewoond door huishoudens met een laag inkomen en waar (complexe) sociale problematiek achter de voordeur voorkomt. Het doorbreken van deze concentratie van kwetsbare huishoudens is nodig om de negatieve spiraal in deze wijken te keren. Ten tweede speelt het verschil tussen het aantal woningen en het aantal huishoudens in een gebied een rol. Dit kan zich zowel uiten in een structureel woningoverschot (met name in grens- en krimpregio’s) als in een structureel woningtekort (met name in stedelijke gebieden). Door huishoudensdaling kan in met name de grens- en krimpregio’s op termijn structurele leegstand ontstaan. Structurele leegstand zet de leefbaarheid in gebieden onder druk, omdat dit leidt tot verpaupering en verloedering

3

9

TNO rapport hierover: https://www.tno.nl/nl/aandachtsgebieden/energietransitie/roadmaps/een-betrouwbaar-betaalbaar-enrechtvaardig-energiesysteem/energiearmoede/

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

van wijken. Het verdunnen van de woningvoorraad door sloop is een kostbare activiteit en wordt daarom beperkt toegepast. Toch kunnen gebieden met een structureel overschot hierbij gebaat zijn omdat, in combinatie met het versterken van een kerngebied, de leefbaarheid wordt vergroot. In andere gebieden is juist sprake van een structureel tekort door bijvoorbeeld de trek naar stedelijke regio’s en het toenemend aantal huishoudens in die gebieden. Dit speelt bijvoorbeeld in de stedelijke vernieuwingsgebieden. Een structureel tekort zet daar de leefbaarheid op een andere manier onder druk. Een tekort leidt tot schaarste wat zich vervolgens weer uit in excessen zoals hoge huurprijzen, malafide verhuurders, ondeugdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en het ontbreken van prikkels voor (private) verhuurders om de woningen te verbeteren, omdat deze toch wel verhuurd worden.

1.2 Inrichting Volkshuisvestingsfonds Met de Regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting, waar ook aan gerefereerd is met de term ‘Volkshuisvestingsfonds’4, wordt de financiële slagkracht van gemeenten versterkt waardoor ze met een gezamenlijke aanpak de negatieve spiraal in kwetsbare gebieden kunnen doorbreken. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de woonkwaliteit en leefbaarheid in een duurzame en veilige woonomgeving.

1.2.1 Doelgroep Gemeenten hebben een belangrijke rol bij de gewenste ontwikkeling van kwetsbare gebieden door hun bijdragen aan lokale herstructureringsopgaven. Zij krijgen met deze regeling daarom de mogelijkheid om hiervoor een rijksbijdrage aan te vragen in de vorm van een specifieke uitkering. Zij moeten sturing geven aan de gewenste ontwikkeling van kwetsbare gebieden. Om die ontwikkeling mogelijk te maken zijn verschillende partners nodig, waarbij woningcorporaties veelal de belangrijkste zijn, maar ook particuliere verhuurders en bewoners. De inzet van middelen uit het Volkshuisvestingsfonds richt zich primair op het verbeteren van het slechtste deel van de particuliere voorraad. Juist in de particuliere voorraad ontbreken vaak de middelen en/of de wil om de benodigde investeringen te doen. Op dit moment zijn de bestaande (financiële) instrumenten van het Rijk die geschikt zijn voor particulieren met beperkte financiële mogelijkheden om in kwetsbare gebieden hun woningen te verbeteren beperkt. Het Volkshuisvestingsfonds vult zo een gat binnen het beschikbare Rijksinstrumentarium met een instrument dat zich in het bijzonder, maar niet uitsluitend, richt op de herstructurering van woningen van particulieren. Als de herstructureringsactiviteiten plaatsvinden aan woningen van particulieren, dan krijgt het programma daar ook punten voor bij de beoordeling.

Daar zit immers de grootste uitdaging om te komen tot herstructurering van die slechtste woningen. Daarbij is een synergie met de aanpak van corporatiebezit nadrukkelijk gewenst. Alle gemeenten kunnen een aanvraag indienen voor een bijdrage uit het Volkshuisvestingsfonds. Omdat de leefbaarheid in de 16 stedelijke vernieuwingsgebieden5 en 13 grens- en krimpregio’s (anticipeergebieden)6 het sterkst onder druk staat, krijgen deze gebieden prioriteit.7 In de regeling komt deze prioriteit tot uitdrukking doordat aanvragen van gemeenten ten behoeve van deze gebieden extra punten krijgen toegewezen in de beoordeling. Zo kan met beperkte middelen een zo groot mogelijk effect worden bereikt in de gebieden waar dit het hardst nodig is.

1.2.2 Woningcorporaties Woningcorporaties spelen op verschillende manieren een belangrijke rol binnen het Volkshuisvestingsfonds. Hierbij valt onderscheid te maken tussen de rol van woningcorporaties in een breder programma in het gebied waar de aanvraag betrekking op heeft en de rol van woningcorporaties bij fysieke maatregelen waarvoor een Rijksbijdrage wordt gevraagd. In een programma voor de herstructurering van een gebied kunnen corporaties bijvoorbeeld een rol spelen door gelijktijdig met particulier bezit en de openbare ruimte ook corporatiebezit te herstructure-

4 5

6

7

10

Dit is overigens geen begrotingsfonds als bedoeld in de Comptabiliteitswet 2016. Amsterdam Zuidoost, Amsterdam Nieuw-West, Lelystad Oost, Zaandam Oost, Schiedam Nieuwland-Oost, Rotterdam-Zuid, Den Haag Zuid-West, Utrecht Overvecht, Nieuwegein Centrale-As, Groningen Noord, Eindhoven Woensel Zuid, Arnhem Oost, Tilburg Noord-West, Breda Noord, Leeuwarden Centrum-Oost, Heerlen-Noord. Eemsdelta, Oost-Groningen, Het Hogeland, Parkstad Limburg, Midden-Limburg, Maastricht-Mergelland, Westelijke Mijnstreek, Zeeuws-Vlaanderen, Achterhoek, Noordoost Friesland, Zuid- en Oost Drenthe, Twente, Noord-Limburg De prioriteit van deze gebieden is genoemd in de toelichting in het amendement waarmee de departementale begrotingsstaat is gewijzigd en op grond waarvan het bedrag voor deze regeling beschikbaar is gekomen: Kamerstukken II, 2020/21, 35 570 VII, nr. 35

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

ren. Woningcorporaties hebben vanuit hun kerntaak goede ervaring met het op orde houden en weer krijgen van hun bezit. Ook hebben zij ervaring met het betrekken van bewoners en de omgeving om herstructureringsplannen te realiseren. Vaak zijn corporaties een drijvende kracht achter het vastgoedgerelateerde deel van de gebiedsgerichte aanpak in kwetsbare wijken. Woningcorporaties mogen van de Woningwet geen particuliere woningen aanpakken en lopen hierdoor tegen belemmeringen aan bij VvE’s en gespikkeld bezit. Door gemeenten en corporaties in staat te stellen gelijktijdig particulier en corporatiebezit aan te pakken, kan in één programma de woonkwaliteit, leefbaarheid en verduurzaming verbeterd worden. Zo hebben woningcorporaties ook baat bij de aanpak van particuliere woningen in kwetsbare gebieden, omdat de leefomgeving van het corporatiebezit daar ook voordelen van ondervindt. Daarnaast kan het financieel tekort voor de herstructurering van woningen van woningcorporaties van een Rijksbijdrage worden voorzien via de aanvraag van een gemeente voor het Volkshuisvestingsfonds. Hiervoor gelden wel de volgende voorwaarden: 1. De gemeente dient hier de staatssteunregels in acht te nemen, zoals benoemd in hoofdstuk 7 over Staatssteun. 2.

Het gaat om het financieel tekort waarvoor geen andere financieringsbron is en die niet redelijkerwijs gedragen kunnen worden door een woningcorporatie. Er is geen sprake van een bovengrens voor het aandeel van kosten gemaakt door een woningcorporatie of het aandeel te herstructureren corporatiebezit in de aanvraag. Er kunnen dus aanvragen worden ingediend waarin uitsluitend of bijna alleen maar corporatiebezit wordt aangepakt, zolang de woningcorporatie daar bewezen onvoldoende financiële draagkracht voor heeft. Het is echter wel zo dat aanvragen met daarin de herstructurering van meer particuliere woningen een hogere score krijgen in de rangschikking. In de praktijk zijn particuliere woningen namelijk vaak slechter onderhouden, hebben ze aantoonbaar lagere energielabels en worden ze niet beheerd door professionele verhuurders zoals corporaties. Daar ligt een volkshuisvestelijke opgave die nog onvoldoende met bestaande regelingen wordt ondersteund en waar het Volkshuisvestingsfonds een bijdrage aan levert.

1.2.3 Activiteiten Het Volkshuisvestingsfonds heeft als doel om bij te dragen aan het verbeteren van de woonkwaliteit en leefbaarheid in een duurzame en veilige woonomgeving. Door middel van herstructurering en noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte wordt gewerkt aan een woningaanbod in kwetsbare gebieden dat beter past bij de woonbehoefte, met een gedifferentieerd woonmilieu en een gedifferentieerde samenstelling (prijs, eigendomssituatie, type). Zo komen we tot meer vitale wijken en kernen. In veel gevallen zal de verbeterslag van de woningvoorraad met renovatie en transformatie opgelost kunnen worden, maar in bepaalde gevallen is sloop van (een deel van) de bestaande voorraad nodig om vervolgens te kunnen verdichten en kwalitatief betere woningen terug te bouwen (sloopnieuwbouw). Dit is bijvoorbeeld het geval in bepaalde stedelijke gebieden waar uitbreiding van de woningvoorraad binnen bestaand bebouwd gebied moet plaatsvinden. Tegelijkertijd is er in dit bestaande bebouwde gebied vaak sprake van een concentratie van woningen met een slechte kwaliteit (o.a. verouderd, schimmelproblematiek en slechte energielabels). Specifiek voor de grens- en krimpregio’s kan het gaan om gebieden waar er van sommige woningtypen een overschot is en (een kapitaalintensieve) verdunning van die woningtypen nodig is.

Maatregelen in de openbare ruimte (gericht op duurzaamheid en leefbaarheid) worden meegenomen in de toekenning van een uitkering voor zover deze voortvloeien uit en/of samenhangen met de herstructureringsactiviteiten. Verbeteren van woonkwaliteit Onder het verbeteren van de woonkwaliteit vallen fysieke ingrepen die de kwalitatieve aspecten van een woning aanpakken. Hierbij ligt de focus op grootschalige ingrepen met een combinatie van structurele woningverbetering en verduurzaming door renovatie of, indien dit meerwaarde heeft, het vervangen van woningen via sloop-nieuwbouw. De renovatie of het vervangen van bestaande woningen zorgt ervoor dat de woningen betere energieprestaties (hogere labels) behalen en meer wooncomfort (geen schimmel of tocht meer) en een lagere energierekening opleveren voor de (eigenaar) bewoners. Bovendien dragen renovatie en het vervangen van woningen op deze wijze bij aan het realiseren van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. Verbeteren van de leefbaarheid Onder het verbeteren van de leefbaarheid vallen fysieke ingrepen die de kwantitatieve mismatch in de woningvoorraad aanpakken. De scope van het Volkshuisvestingsfonds beperkt zich hierbij tot de fysieke kant van de leefbaarheid, oftewel het meer in balans brengen van de woningvoorraad in

11

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

kwetsbare gebieden. Hiervoor kunnen gemeenten een bijdrage ontvangen voor maatregelen gericht op sloop-nieuwbouw en transformatie van (een deel van) gebouwen naar een woonfunctie, met als doel om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen. Een woningaanbod dat beter past bij de woonbehoefte, een gedifferentieerd woonmilieu en gedifferentieerde samenstelling (prijs, eigendomssituatie, type) draagt bij aan meer vitale wijken en kernen8. In sommige gebieden zal dit betekenen dat er meer woningen worden toegevoegd in het (middel)dure segment en dat deze voor een deel in de plaats komen van verouderde en goedkope woningen, waardoor de maatschappelijke veerkracht in deze wijken toe zal nemen. De structurele noodzaak voor het slopen of toevoegen van woningen zal onderbouwd moeten worden door de gemeente. Net zoals het langjarig behoud van betaalbare woningen. Duurzame en veilige woonomgeving Een duurzame en veilige woonomgeving is randvoorwaardelijk om te komen tot een verbetering van de woonkwaliteit en leefbaarheid. Het enkel verbeteren van woningen en het komen tot een andere samenstelling van de woningvoorraad is niet toereikend. De woonomgeving moet ook toekomstbestendig zijn. Op dit vlak kunnen ingrepen in de openbare ruimte noodzakelijk zijn die aansluiten op het herstructureringsprogramma dat gericht is op het verbeteren van de woningvoorraad.

Voorwaarde om dergelijk ingrepen in de openbare ruimte met een bijdrage uit het Volkshuisvestingsfonds te kunnen doen is wel dat deze ingrepen samenhangen met de herstructureringsactiviteiten. Ingrepen waaraan gedacht kan worden zijn het tegengaan van hittestress, verbeteren van de afwatering, toevoegen van openbaar groen of het verbeteren van de inrichting en verlichting om de (het) veiligheid(sgevoel) van de bewoners te vergroten. Het profijt van fysieke ingrepen die in de woonomgeving worden gedaan slaat in het hele gebied neer. Meer openbaar groen en een groter veiligheidsgevoel zijn immers niet aan een eigenaar, maar aan de openbare ruimte verbonden.

1.2.4 Rijksbijdrage voor fysieke maatregelen Programma’s, deelgebieden en deelplannen Gemeenten dienen een aanvraag in voor een bijdrage aan een herstructureringsprogramma. Het herstructureringsprogramma bestaat uit één of meerdere deelplannen. Elk deelplan richt zich op een deelgebied (bijvoorbeeld een wijk of stadsdeel op één of meerdere ongedeelde postcode-vier-niveaus) en bevat een set aan maatregelen voor de fysieke activiteiten (renoveren, sloop-nieuwbouw en transformatie) en randvoorwaardelijke investeringen (inponding van woningen of gebouwen met hoofdzakelijk een woonfunctie voor herstructurering, en voor de herstructurering noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte). Door te werken met deelplannen wordt het mogelijk om aanvragen ook gedeeltelijk toe te kennen. Een gedeeltelijke toekenning wil zeggen dat de gemeente voor één of meerdere deelplannen, maar niet alle deelplannen, van het programma een bijdrage ontvangt. Daarbij geldt dat de gevraagde bijdrage voor een deelplan altijd volledig wel of volledig niet wordt toegekend. Daarmee wordt geborgd dat het deelplan bij toekenning ook daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. In de artikelsgewijze toelichting van artikel 1 wordt nader ingegaan op wat er onder een deelplan en deelgebied wordt verstaan.

Activiteiten en maatregelen Met het Volkshuisvestingsfonds draagt de Rijksoverheid financieel bij aan de herstructurering van kwetsbare gebieden voor het verbeteren van de woonkwaliteit, leefbaarheid en verduurzaming. De Rijksbijdrage ziet toe op het meefinancieren van een limitatief aantal activiteiten die ongedekt zijn, en waarvoor redelijkerwijs geen volledige dekking gevonden kan worden. Daarvoor brengt de gemeente de kosten en opbrengsten per deelplan, bestaande uit één of meerdere fysieke maatregelen, gedurende de looptijd van het programma van maximaal tien jaar in kaart. De Rijksbijdrage is maximaal 70 procent van het financiële tekort, te weten het saldo van de kosten en opbrengsten van de fysieke maatregelen bezien over de looptijd van het programma. De overige minimaal 30 procent betreft een cofinanciering waarvoor de gemeente verantwoordelijk is om deze te verzorgen. Dat betekent dat een gemeente de cofinanciering volledig zelf of in samenwerking met andere partijen verzorgt. Voor de cofinanciering wordt ten minste een besluit van het college van burgemeesters en wethouders gevraagd, en bij voorkeur een besluit van de gemeenteraad. Indien andere partijen bijdragen aan de cofinanciering van de gemeente(n), dan is het wenselijk dat daartoe een schriftelijke toezegging van de betreffende partij(en) wordt opgenomen als bijlage van de aanvraag.

Net zoals voor het in kaart brengen van het financiële tekort (saldo van kosten en opbreng-

8

12

zie o.a. rapporten RIGO ‘Veerkracht in corporatiebezit’ en ‘woningmarktopgave krimpgebieden’

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

sten van de fysieke maatregelen), geldt ook dat de cofinanciering van ten minste 30 procent binnen de looptijd van het programma van het Volkshuisvestingsfonds moet worden opgebracht. De cofinanciering van de gemeente (en eventuele derden) bestaat uit nieuwe financiële middelen. Dat betekent dat de post op de begroting/jaarrekening van de gemeente moet staan, niet kan bestaan uit bijdragen in natura, of uit eerder ontvangen uitkeringen of subsidies van de Rijksoverheid die voor soortgelijke problematiek is ontvangen (denk aan woningbouwimpuls, heffingsvermindering nieuwbouw of verduurzaming, etc.). Ook kunnen de middelen niet bestaan uit reeds voorziene uitgaven voor aanpalende problematiek buiten het herstructureringsproject, zoals de financiële middelen voor de (reguliere) renovatie van ondergrondse voorzieningen die buiten het deelgebied zijn gepland. Alle financiële middelen van de gemeente, provincie, andere medeoverheden, marktpartijen of rechtspersonen die binnen tien jaar aantoonbaar op de gemeentelijke begroting (kunnen) komen en die voldoen aan de hiervoor genoemde vereisten, kunnen meetellen als cofinanciering.

De cofinanciering is in deze regeling eenmalig op 30 procent gezet op programmaniveau en op deelplanniveau, omdat de prioritaire regio’s waar deze regeling zich op richt over het algemeen de gemeenten zijn met beperkte financiële draagkracht en de aard van de fysieke maatregelen om relatief forse kostenposten gaat die ruim voor de baten uitgaan. Er is bijvoorbeeld geen sprake van gronduitgifte of kostenverhaal, waarmee de kosten in de beginjaren worden gedrukt. Maar huuropbrengsten, verkoopopbrengsten of terugbetaling van delen van subsidies die zich tegen het einde van de looptijd van het programma voordoen. De combinatie van relatief armlastige gemeenten die prioritair zijn voor deze regeling, en de forse kostenposten die ruim voor de baten uitgaan, onderbouwen het belang van een cofinanciering van 30 procent van het saldo van kosten en opbrengsten. De cofinanciering is overigens effectief hoger dan 30 procent, omdat naast het aandeel in het financiële tekort, een gemeente ook de overige kosten van de fysieke ingrepen moet financieren. Gemeente en derden dienen zich maximaal in te zetten om redelijkerwijs de kosten van dekking te voorzien.

In het geval woningen van woningcorporaties worden betrokken in de aanvraag, dient een gemeente te waarborgen dat de kosten aantoonbaar niet door de woningcorporatie zelf gefinancierd kunnen worden op grond van bijvoorbeeld de volgende niet-limitatieve lijst indicatoren: – Financiële continuïteit. Huidige en toekomstige ratio’s van Aw/WSW ten aanzien van kasstroom en vermogen van de betrokken corporatie(s). Dat zijn ondermeer de ICR, LTV, solvabiliteit en dekkingsratio’s; – Portefeuillestrategie. Meerjarenprognoses zoals de meest recente dPi, aangevuld met meer recente informatie over activiteiten in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft; – Indicatieve bestedingsruimte van de betrokken corporatie(s); – Prognose van de balans tussen opgaven en middelen voor de gehele woningmarktregio gedurende de looptijd van de uit te voeren maatregelen. De activiteiten waarvoor een Rijksbijdrage aangevraagd kan worden zijn limitatief. Deze zijn in ieder geval de renovatie, transformatie en/of sloop-nieuwbouw van woningen, en eventueel de inponding van particuliere woningen (met hoofdzakelijk een woonfunctie) voor herstructurering en/of noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte voor herstructurering. De maatregelen die kunnen worden opgevoerd voor een Rijksbijdrage zullen veelal fysieke ingrepen betreffen in of aan onroerende zaken die niet van de gemeente zelf zijn.

In het vervolg van deze paragraaf wordt per activiteit ingegaan op voorbeelden van type fysieke ingrepen waaruit een activiteit kan bestaan. Met renovatie wordt bedoeld het herstellen en indien nodig gedeeltelijk vernieuwen van een bestaande woning, waardoor het gebruikt kan worden als kwalitatief goede en verduurzaamde woning. Renovatie is doorgaans aan de orde als de conditiescore van een woning (bij benadering) een 4, 5 of 6 is. Dit is geen harde eis in de regeling. Wel is het een harde eis dat de woningen met ten minste 3 energielabelstappen verbeterd worden, of tot ten minste label B. Er is gekozen voor label B omdat hiermee voldaan wordt aan de ondergrens van veel alternatieve warmtebronnen waar deze woningen in de energietransitie op aangesloten kunnen worden. Het is van belang dat er een verduurzamingsslag wordt gemaakt, tegelijkertijd zijn de laatste stappen (naar label A en hoger) disproportioneel duur in de bestaande bouw en zijn deze enkel doelmatig indien dit nodig is voor de toekomstige warmtevoorziening. De kosten die komen kijken bij het (gedeeltelijk) vernieuwen van de bestaande woning, waarbij de verbetering moet voldoen aan de vereisten van de toelatingscriteria zoals verduurzamingsmaatregelen waarmee ten minste drie labelstappen worden gemaakt, komen in aanmerking voor een Rijksbijdrage.

Dit kan zijn het aanpakken van schimmelproblematiek, het intensief verduurzamen van woningen, het aanpakken van achterstallig onderhoud, maar niet de aanpak van funderingsproblematiek. Een gemeente kan onder de activiteit renovatie er ook voor kiezen om met behulp van de Rijksbijdrage subsidies te verstrekken aan derden, zoals aan particulieren, ten behoeve van verduurzaming van woningen. Met de activiteit ‘transformatie van gebouwen naar woningen’ wordt gedoeld op renovatie aanpassingen waardoor gebouwen die dat nog niet hadden een woonfunctie krijgen. Concreet gaat het bijvoorbeeld om aanpassingen waardoor leegstaande winkel- of kantoorruimte omgezet kan worden

13

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

naar woningen. De middelen uit het Volkshuisvestingsfonds kunnen ingezet worden voor de fysieke ingrepen die nodig zijn om de gebouwfunctie te wijzigen naar een woonfunctie en om daarbij te verduurzamen. Indien een deel van het gebouw na transformatie een niet-wonen functie behoudt, dan komt dat deel niet in aanmerking voor een Rijksbijdrage. Ook voor transformatie geldt dat na transformatie de duurzaamheid van het gebouw met ten minste drie energielabels verbeterd wordt, of tot ten minste energielabel B. Een gemeente kan onder de activiteit transformatie naar woningen er ook voor kiezen om met behulp van de Rijksbijdrage subsidies te verstrekken aan derden. Onder de activiteit sloop-nieuwbouw wordt verstaan dat woningen of een complex van woningen eerst worden gesloopt en er vervolgens nieuwe woningen worden teruggebouwd. Afhankelijk van de lokale behoefte is het mogelijk dat minder of meer woningen worden teruggebouwd dan de woningen die zijn gesloopt. Sloop-nieuwbouw is aan de orde als de conditiescore van woningen (bij benadering) conform NEN 2767 een 4, 5 of 6 is (dit is geen harde eis in de regeling). De kosten die betrokken kunnen worden zijn de kosten voor de sloop van de bestaande gebouwen en nieuwbouw van nieuwe woningen ter vervanging. En ook noodzakelijke kosten voor het mogelijk maken van een woonfunctie op de locatie van sloop.

Hierbij kan gedacht worden aan de aanpak van fundering in slechte staat, grondsanering bij heftige vervuiling of verbetering van de afwatering. Een gemeente kan onder de activiteit sloop-nieuwbouw er ook voor kiezen om met behulp van de Rijksbijdrage subsidies te verstrekken aan derden, zoals aan woningcorporaties, met inachtneming van staatssteunregels. Voor de activiteit sloop-nieuwbouw geldt niet de voorwaarde dat minimale labelstappen moeten worden gerealiseerd, aangezien na sloop-nieuwbouw automatisch wordt voldaan aan de verduurzamingseisen van het Bouwbesluit. Onder noodzakelijke ingrepen in de openbare ruimte voor herstructurering wordt verstaan de activiteiten in de openbare ruimte die voortvloeien uit of samenhangen met de herstructurering. Denk daarbij aan het aanbrengen van openbaar groen, klimaatadaptieve maatregelen, het verlichten van de omgeving, kosten in de openbare ruimte vanwege de verdichting van het herstructureringsproject of juist vanwege de verdunning. Met inponding van woningen voor herstructurering wordt gedoeld op activiteiten die nodig zijn voor de aankoop van woningen om deze vervolgens in één groter geheel in één keer te kunnen herstructureren. Oftewel ingrijpend renoveren oftewel om te slopen en vervolgens nieuwbouw te realiseren (zie voor de omschrijving van beide activiteiten hierboven).

Het inponden van woningen, met in de plint een niet-wonen functie valt alleen binnen de reikwijdte van deze regeling als het gebouw hoofdzakelijk een woonfunctie heeft. Het inponden van gebouwen die volledig worden getransformeerd naar woningen vallen niet binnen de reikwijdte van deze regeling. Ook bij inponding geldt dat alleen het saldo van de kosten voor inponding en baten na herstructurering onderdeel kan zijn van de aanvraag voor een Rijksbijdrage. Dat betekent dat naast de kosten voor inponding, de verkoopopbrengsten of huuropbrengsten die zich binnen de looptijd van tien jaar van deze regeling voordoen in kaart worden gebracht. Indien een woningcorporatie inpondt, geldt bovendien een onderbouwingsplicht dat sprake is van onvoldoende investeringsruimte. De mogelijke componenten van inponding zijn als volgt gelimiteerd: – verwervingskosten: dit betreft de kosten voor de aankoop van de woningen door een derde partij die ook de woningen zal herstructureren. – advieskosten: dit betreft de kosten voor expertise om tot een plan te komen voor het inponden en de kosten voor advies tijdens het proces van inponden. Bijvoorbeeld over juridische aspecten. – participatiekosten: dit betreft de kosten voor de campagne om eigenaren te bewegen tot het verkopen van de woning aan een derde partij die ook de woningen zal herstuctureren.

– compensatie van verhuiskosten: dit betreft de tegemoetkoming aan bewoners van woningen om een andere woning te betrekken, om zodoende herstructurering mogelijk te kunnen maken. De reikwijdte voor verhuiskosten wordt bepaald door de relevante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Ondersteuning planvorming De aanpak die nodig is om de veerkracht in de kwetsbare wijken te vergroten is veelomvattend. Zoals eerder genoemd zal de gemeente gevraagd worden om in de aanvraag een integraal programma in te dienen (met mogelijk reeds bestaande sociale maatregelen) hoe de problematiek in een gebied aangepakt wordt en hoe het Volkshuisvestingsfonds daaraan een bijdrage kan leveren met nieuwe fysieke maatregelen. Aangezien fysieke maatregelen om de woonkwaliteit, leefbaarheid en verduurzaming in een gebied te verbeteren middels herstructurering ingrijpend kunnen zijn, is het van belang dat het programma ten minste ideeën bevat hoe bewoners, woningcorporaties en andere belanghebbenden in een gebied worden betrokken bij de uitvoering. Bij voorkeur kan de gemeente bij de aanvraag reeds aantonen dat sprake is van bewonersparticipatie en dat het programma in nauwe samenspraak met een woningcorporatie of andere betrokkenen is opgesteld.

14

Staatscourant 2021 nr. 12579

12 maart 2021

Ook is het van belang dat het programma beschrijft welke maatregelen de gemeente treft om de woningen na herstructurering (langjarig) betaalbaar te houden. Dat kan gaan om afspraken over aanvangshuurprijzen, een zelfbewoningsplicht en/of antispeculatiebeding na verkoop van hergestructureerde woningen, en ook om andere afspraken over goed verhuurderschap. In de beoordeling wordt gekeken naar de maatregelen die de gemeente hiervoor treft. De uitvoering van de hierboven beschreven activiteiten is meerjarig, complex en vraagt om een programmatische aanpak. Gemeenten hebben niet altijd de capaciteit, expertise en middelen om een dergelijk programma op te zetten en alle disciplines uit te voeren. Het Volkshuisvestingsfonds zal dan ook een bijdrage leveren aan projectkosten om het voorgestelde programma ten uitvoer te brengen binnen de looptijd van tien jaar van het Volkshuisvestingsfonds, waarbij de gemeente onderbouwt dat de bestaande ambtelijke capaciteit onvoldoende is voor de uitvoering van het programma. De Minister van BZK kan een bijdrage voor projectkosten weigeren, indien de noodzaak voor een Rijksbijdrage onvoldoende is onderbouwd. Met een bijdrage aan projectkosten kunnen bijvoorbeeld programmamanagers, projectleiders, adviseurs of ondersteuners worden gefinancierd, niet zijnde de bestaande ambtelijke capaciteit van de gemeente.

De projectkosten kunnen maximaal tien procent van de aangevraagde bijdrage bedragen. Aan gemeenten wordt gevraagd om de ondersteuningsbehoefte te onderbouwen, en daarbij de normen van de Wet Normering Topinkomens in acht te nemen. Indien een gemeente voor de uitvoering meer capaciteit wil inzetten, dan staat dat de gemeente uiteraard vrij, maar zijn die extra kosten niet subsidiabel. Programma met sociale en fysieke maatregelen Voor het verbeteren van de leefbaarheid is meer nodig dan enkel de genoemde fysieke ingrepen. Zo zijn ook flankerende beleidsmatige ingrepen nodig, zoals de toewijzing van woningen en het aanpakken van malafide verhuurders en excessen), en moet er aandacht zijn voor de sociale kant van leefbaarheid. Gemeenten zullen in hun aanvraag voor een bijdrage dan ook duidelijk moeten maken op welke wijze de opgevoerde fysieke maatregelen passen binnen de bredere (sociale) aanpak om de leefbaarheid in deze gebieden te vergroten. Dit sociale programma hoeft een gemeente niet nieuw op te zetten. Het is goed mogelijk dat reeds bestaande sociale maatregelen ter verbetering van de leefbaarheid in een gebied worden voortgezet. Het is ook mogelijk dat nieuwe accenten worden gelegd binnen het sociale programma, of dat nieuwe sociale (beleids)maatregelen worden toegevoegd aan het reeds bestaande instrumentarium.

Daar worden vervolgens nieuwe fysieke maatregelen aan toegevoegd, mede gefinancierd met het Volkshuisvestingsfonds. Gemeenten worden gevraagd om inzichtelijk te maken hoe de samenhang is tussen de fysieke maatregelen (mede gefinancierd met een Rijksbijdrage van het Volkshuisvestingsfonds) en het (al dan niet bestaande) sociale programma. Met deze opzet werkt het Volkshuisvestingsfonds als vliegwiel om de kwetsbare gebieden fysiek en sociaal een stap vooruit te helpen. Met het Volkshuisvestingsfonds wordt bijgedragen aan het verbeteren van de ‘stenen’ en worden gemeenten en andere maatschappelijke partners gestimuleerd om ook de sociale kant van de leefomgeving te verbeteren. Zodat naast het versterken van de leefbaarheid, verduurzaming en veiligheid door woningen te herstructureren, ook basisvoorzieningen zoals een school of bibliotheek overeind worden gehouden in die gebieden. Met het Volkshuisvestingsfonds wordt de slagkracht van gemeenten versterkt om de negatieve spiraal in kwetsbare gebieden te doorbreken.

2. Proces van aanvraag tot uitkering Met deze ministeriële regeling is de grondslag gecreëerd voor een eenmalige specifieke uitkering aan gemeenten. De regeling stelt daarbij regels voor a) de aanvraagprocedure b) de behandeling van aanvragen door gemeenten en onderlinge rangschikking b) de rol van het advies van een onafhankelijke commissie hierbij, en c) tot slot de uitkeringsbeschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) en monitoring en beheer.

2.1 Aanvragen door gemeenten Het college van burgemeester en wethouders kan een aanvraag indienen voor programma’s die voldoen aan de voorwaarden die in deze regeling zijn gesteld. In het geval dat één aanvraag wordt ingediend die betrekking heeft op meerdere gemeenten dan kan één gemeente namens de andere gemeenten een aanvraag indienen, of een provincie kan namens gemeenten een aanvraag indienen of een formeel juridisch bestuursorgaan, zoals op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, kan een aanvraag indienen. De specifieke uitkering zal vervolgens uitgekeerd worden op de rekening van de aanvragende partij. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzorgt enkele landelijke technische

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=508837cd-6b1b-45e6-a2d1-2d76d415bfc1