Bijlage 1 BZK - regeling specifieke uitkering herstructurering volkshuisvesting
Tekst van het document
27
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
van de mate van toerekenbaarheid, profijt en proportionaliteit conform de PTP-methodiek; d. Een plan van aanpak voor de uitvoering van het programma, en indien er sprake is van meerdere deelplannen per deelplan. In het plan van aanpak dient ingegaan te worden op de organisatie, fasering, looptijd, huidige stand van zaken en toekomstige mijlpalen, en welke kosten zijn voorzien voor de uitvoering (niet zijnde de reguliere ambtelijke kosten van een gemeente). Een deel van deze kosten kunnen gefinancierd worden met een Rijksbijdrage. Tevens een omschrijving van de betrokkenheid van partijen en de samenwerking met (een) woningcorporatie(s). e. Een begroting van het programma, en indien er sprake is van meerdere deelplannen per deelplan, uitgesplitst per activiteit en maatregel, naar kosten en opbrengsten. Indien de aanvraag ook een bijdrage voor de activiteiten van corporaties vraagt dient er een onderbouwing van het ontbreken van de kapitaalkracht bij de betreffende woningcorporatie(s) om herstructureringsactiviteiten te financieren en waarom een andere in de gemeente actieve woningcorporatie deze activiteit niet kan uitvoeren. f. Het is van belang dat de fysieke ingrepen in een bredere leefbaarheidsaanpak worden uitgevoerd. Daarmee wordt voorkomen dat de stenen worden opgepoetst maar de onderliggende oorzaken niet worden aangepakt.
De gemeente dient daarom toe te lichten op welke wijze deze bredere aanpak is geborgd en hoe dit samenhangt met de fysieke ingrepen. Indien een programma uit meerdere deelplannen bestaat dient per deelplan aangegeven te worden op welke wijze dit het geval is. g. De verwachte begin- en einddatum van het programma inclusief fasering. Met kansen en risico’s die de planning kunnen beïnvloeden. Na sluiting van het aanvraagtijdvak neemt de minister binnen 13 weken een besluit over toekenning van een specifieke uitkering. Daarvoor zal de minister advies inwinnen bij de onafhankelijke commissie. Het is mogelijk dat na sluiting van het loket verduidelijkende vragen worden gesteld aan gemeenten, waarmee de beoordeling van de aanvraag is geholpen. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Artikel 6 Wijze van betaling en uitkeringsbeschikking In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de inhoud van de beschikking tot toekenning van de specifieke uitkering. Een specifieke uitkering wordt verstrekt na positief advies van de toetsingscommissie en bij beschikking van de minister. Het besluit tot toekenning van een specifieke uitkering wordt in een beschikking medegedeeld aan de gemeente die de aanvraag heeft ingediend. In de beschikking kunnen nadere verplichtingen worden verbonden aan de specifieke uitkering en de verantwoording over de besteding daarvan. In het eerste lid zijn bepalingen opgenomen over de betaling van de specifieke uitkeringen. De specifieke uitkering wordt in één keer volledig uitgekeerd. Bovendien kan in bepaalde gevallen sprake zijn van een 100% bevoorschotting van de specifieke uitkering. Bevoorschotting is mogelijk in de volgende gevallen: • De specifieke uitkering wordt bevoorschot in jaar t, zodat de gemeente in de eerste helft van jaar t+1 een overeenkomst kan sluiten met een marktpartij of woningcorporatie. • De specifieke uitkering wordt bevoorschot in jaar t, zodat de gemeente in de eerste helft van jaar t+1 uitgaven kan doen voor voorbereidende werkzaamheden voor de start van het desbetreffende herstructureringsprogramma.
Artikel 7 De beoordeling van de aanvragen De aanvragen die worden meegenomen in de rangschikking zijn de aanvragen die voldoen aan de in artikel 3 genoemde toelatingscriteria. Een aanvraag moet alle in artikel 5, tweede lid, genoemde gegevens en bescheiden bevatten en er kan geen financiële bijdrage worden gevraagd voor activiteiten die niet gerelateerd zijn aan de herstructureringsopgave in kwetsbare wijken. Als er niet aan de voorwaarden is voldaan, dan worden de aanvraag en deelplannen niet in behandeling genomen en maken daarom ook geen onderdeel uit van de rangschikking. In artikel 7, eerste lid, is de rangschikking geregeld en de weging die daaraan ten grondslag ligt, waar de commissie over adviseert. In het geval een aanvraag uit meerdere deelplannen bestaat zal er per deelplan een rapportcijfer worden gegeven. De rangschikking is een uitdrukking van de mate waarin aan het doel van de specifieke uitkering, zoals opgenomen in artikel 2, is voldaan. Deze rangschikking is nodig, omdat het beschikbare budget gelimiteerd is. Indien er meer deelplannen met een positief oordeel zijn van de onafhankelijke toetsingscommissie dan de beschikbare middelen, dan kan op basis van de rangschik-
28
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
king worden bepaald welke deelplannen het beste zijn en recht hebben op toekenning van een specifieke uitkering. In het tweede lid wordt verwezen naar de uitwerking van de weging van de criteria in bijlage I, waarin is opgenomen dat alle aanvragen een ‘rapportcijfer’ krijgen. Aan de hand van de beoordelingscriteria geeft de toetsingscommissie een individuele score aan een deelplan en beoordeelt zij zodoende in welke mate het voldoet aan de doelen van het volkshuisvestingsfonds. Deze beoordelingscriteria waar de toetsingscommissie een oordeel over vellen zijn: a. effectiviteit: hiermee wordt beoordeeld in welke mate het deelplan bijdraagt aan de realisatie van de doelen van het Volkshuisvestingsfonds: het verbeteren van de woningkwaliteit, in balans brengen van de woningvoorraad en de samenhang van de fysieke ingrepen met een bredere leefbaarheidsaanpak. b. doelmatigheid: met dit criterium wordt beoordeeld of de gevraagde bijdrage in verhouding staat tot wat er met het deelplan wordt gerealiseerd. c. hardheid: met dit criterium wordt beoordeeld welke mate van zekerheid er is dat het programma tijdig start en tijdig wordt gerealiseerd. De twee overige criteria worden niet beoordeeld door de toetsingscommissie maar die worden vooraf bepaald: 4. urgentie: De mate waarin een gebied kwetsbaar is ten op zicht van de andere deelpannen die een aanvraag hebben ingediend.
Hoe kwetsbaarder een gebied hoe hoger deze score. De kwetsbaarheid van een gebied wordt bepaald door de indicatoren die in paragraaf 2.2 van de algemene toelichting zijn benoemd. 5. prioriteit: er zijn enkele prioritaire gebieden voor deze regeling. Deze zijn de 16 stedelijke vernieuwingsgebieden9 en 13 grens en krimpregio’s10. In gevallen waarin in een aanvraag het programma betrekking heeft op zowel prioritaire als niet prioritaire gebieden, dan worden de bonuspunten relatief toegepast. Bijvoorbeeld wanneer een percentage van de gevraagde bijdrage buiten het prioritaire gebied wordt ingezet, dan worden de bonuspunten met dit percentage verlaagd. Deze hoofdcriteria bestaan elk uit een aantal subcriteria met een of meerdere indicatoren, die zijn uitgewerkt in bijlage I. De totale score van een aanvraag wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van de score op de hoofdcriteria. Er zijn twee type scores per deelplan: de tussenscore en de eindscore. De tussenscore is de inhoudelijke beoordeling van een deelplan. Dit betreft het gewogen gemiddelde van de criteria: effectiviteit, hardheid en doelmatigheid. De eindscore wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van alle vijf de criteria: effectiviteit, hardheid en doelmatigheid, urgentie en prioriteit. De weging van de hoofdcriteria is opgenomen in bijlage 1 van de regeling.
Als een deelplan een tussenscore of eindscore heeft die lager is dan een 5,5 dan scoort dat deelplan een onvoldoende. Deelplannen met een onvoldoende krijgen geen vergoeding toegekend. Als alle deelplannen uit een aanvraag onvoldoende scoren, dan wordt de aanvraag volledig afgewezen. Ook is het mogelijk dat een aanvraag gedeeltelijk wordt toegekend in het geval een of enkele deelplannen binnen een programma voldoende scoren. Op basis van de eindscores van de deelplannen vindt een rangschikking op programmaniveau plaats. De rangschikking vormt de basis voor de volgorde van toekenning van een specifieke uitkering door de minister. Om de programmascore te bepalen worden de eindscores van de verschillende deelplannen binnen een aanvraag met elkaar gemiddeld. Bij het bepalen van het gemiddelde wordt gecorrigeerd voor de omvang van elk deelplan. Bevat een deelplan bijvoorbeeld 30% van het totaal aantal te herstructureren woningen binnen een aanvraag dan telt de eindscore van dit deelplan voor 30% mee in de programmascore. Ook de deelplannen die onvoldoende zijn tellen mee voor de programmascore. Op grond van deze regeling is het mogelijk om naast een volledige toekenning of volledige afwijzing, een gedeeltelijke Rijksbijdrage toe te kennen.
De aangevraagde bijdrage kan dus voor alle deelplannen (volledige toekenning), voor een of meerdere deelplannen, maar niet allemaal (gedeeltelijke toekenning), of geen van de deelplannen wordt gehonoreerd. Er is dus geen sprake van een alles-of-niets principe voor een aanvraag. Zo wordt naast een volledige ook een gedeeltelijke toekenning van de
9
Amsterdam Zuidoost, Amsterdam Nieuw-West, Lelystad Oost, Zaandam Oost, Schiedam Nieuwland-Oost, Rotterdam-Zuid, Den Haag Zuid-West, Utrecht Overvecht, Nieuwegein Centrale-As, Groningen Noord, Eindhoven Woensel Zuid, Arnhem Oost, Tilburg Noord-West, Breda Noord, Leeuwarden Centrum-Oost, Heerlen-Noord, 10 Eemsdelta, Oost-Groningen, Het Hogeland, Parkstad Limburg, Midden-Limburg, Maastricht-Mergelland, Westelijke Mijnstreek, Zeeuws-Vlaanderen, Achterhoek, Noordoost Friesland, Zuid- en Oost Drenthe, Twente, Noord-Limburg.
29
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
aangevraagde middelen mogelijk gemaakt. Wel wordt de toekenning per deelplan altijd volledig toegekend of afgewezen. Daarmee wordt geborgd dat het voorgestelde plan ook volledig kan worden uitgevoerd. In die gevallen dat het uitkeringsplafond ontoereikend blijkt om alle deelplannen met een gelijke voldoende score een specifieke uitkering toe te kennen, bepaalt de rangschikking welke aanvragen alsnog middelen toegekend krijgen. In dat geval zal de deelscore op effectiviteit doorslaggevend zijn. In die uitzonderlijke gevallen dat het uitkeringsplafond nog altijd ontoereikend blijkt, dan zal na de deelscore effectiviteit, de deelscore prioriteit doorslaggevend zijn. Ter voorbeeld: vier deelplannen behalen een gelijke eindscore. Eén van de vier deelplannen behaalt de hoogste score op het criterium effectiviteit, diens positie op de ranglijst staat daarmee vast. De overige drie deelplannen behalen een lagere, maar aan elkaar gelijke score op het criterium effectiviteit. Dan is het dus nog niet mogelijk om die drie deelplannen onderling te rangschikken. Voor die situatie biedt het derde lid uitkomst. Daar is bepaald dat indien er na toepassing van het voorgaande nog steeds meerdere deelplannen gelijk scoren, de positie op de rangschikking van die deelplannen onderling bepaald wordt door de mate van prioriteit van de aanvraag.
Ten slotte kan de minister afwijken van de rangschikking, indien dat in het belang is van het doel van deze regeling: de leefbaarheid in de slechtste wijken zoveel mogelijk verbeteren. De minister kan alle aanvragen in samenhang bezien, en kan daarom bijvoorbeeld met oog op een rechtvaardige regionale spreiding van middelen in het licht van de zwaarte van de regionale problematiek een afwijkende inschatting maken, en op grond daarvan de volgorde van de rangschikking aanpassen.
Artikel 8 Afwijzingsgronden In artikel 8 zijn de afwijzingsgronden opgenomen. Per deelplan geldt alles-of-niets: de gevraagde uitkering wordt volledig toegekend of niet. Per aanvraag kan naast volledige toe- of afwijzing een aanvraag ook gedeeltelijk worden afgewezen, in het geval een of enkele van de deelplannen wél voldoende scoren. Dus de beschikking kan uiteindelijk bestaan uit een aantal volledig toegewezen en ook een aantal volledig afgewezen deelplannen. Daarom is bepaald dat een aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen voor zover: a. de deelplannen uit de aanvraag een lagere score behalen dan een 5,5 op de in artikel 7, eerste lid, opgenomen criteria. b. Een deelplan krijgt geen vergoeding als het uitkeringsplafond zoals genoemd in artikel 4, eerste lid, wordt overschreden door het betreffende deelplan en de positie van de betreffende aanvraag in de rangschikking.
Artikelen 9 tot en met 12 In artikel 9 is een commissie ingesteld die adviseert over de weging van de criteria, opgenomen in artikel 7, eerste lid. De commissie, dan wel deze taak van de aan te wijzen commissie, is tijdelijk van aard, aangezien het Volkshuisvestingsfonds tijdelijk is. Bij besluit van de minister zullen de benoeming en de vergoeding van de leden van de commissie worden geregeld. De commissie zal bestaan uit onafhankelijke experts. De commissie beoordeelt elke aanvraag individueel. De commissie kan de minister adviseren dat een deelplan van voldoende kwaliteit is en met een positief advies aandragen bij de minister voor een Rijksbijdrage, of juist oordelen dat het deelplan van onvoldoende kwaliteit is en het met een negatief advies aandragen. De commissie kan zo nodig de gemeente om nadere toelichting vragen. Ook kan de toetsingscommissie, indien blijkt uit de beoordelingscriteria, een negatief advies aandragen bij de minister.
Artikel 13 informatievoorziening na uitkering Het eerste lid regelt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die een specifieke uitkering heeft ontvangen op verzoek de minister van informatie dient te voorzien over de voortgang van het deelplan waar de specifieke uitkering voor is verstrekt. De minister kan tevens om periodieke informatie verzoeken. De gevraagde informatie kan bestaan uit een jaarlijkse rapportage over de voortgang van het deelplan, dat mede wordt gefinancierd met de specifieke uitkering, en indien gewenst aanvullende ad hoc informatie. Het tweede lid bevat daarnaast een grondslag op grond waarvan de minister ten behoeve van een evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de verstrekte uitkering informatie en medewerking kan verzoeken van het college.
30
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021
Artikel 14 verantwoording en terugvordering Het eerste lid regelt dat artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet van toepassing is. In dat artikel is geregeld dat het college van burgemeesters en wethouders op uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar de in dat artikel bedoelde verantwoordingsinformatie naar de minister stuurt. Dit betreft dus elk begrotingsjaar dat de gemeente geld verkregen uit de specifieke uitkering op de gemeentelijke begroting heeft staan. De verplichting blijft bestaan zo lang het deelplan nog niet is afgerond en er nog middelen uit de specifieke uitkering worden aangewend. In het tweede lid is geregeld dat de minister het niet of onrechtmatig bestede deel van de uitkering kan terugvorderen, als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed. Mocht sprake zijn van onrechtmatige besteding van middelen, dan zal worden besloten om de middelen terug te vorderen.
Artikel 15 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. De afwijking van de vaste verandermomenten en het hanteren van een invoeringstermijn zijn gerechtvaardigd doordat gemeenten vanaf het moment van inwerkingtreding nog de tijd hebben om een aanvraag verder voor te bereiden, aangezien het aanvraagtijdvak pas later opent, te weten op 3 mei 2021 om 9:00 uur. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren
31
Staatscourant 2021 nr. 12579
12 maart 2021