210622 - Besluitenlijst_Raadsvergadering_22_juni_2021.docx
Tekst van het document
Onder geen enkele voorwaarde mogen werkzaamheden worden uitgevoerd aan de perceelaansluitleiding zonder voorafgaande toestemming van de gemeente. 2. Als na het onder 1 vermelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, neemt de rechthebbende contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. De ontstoppingsvoorziening moet vrijgehouden worden totdat deze werkzaamheden verricht zijn. Als de rechthebbende zonder expliciete voorafgaande toestemming van de gemeente, zelf aan een derde opdracht geeft tot het verrichten van werkzaamheden, komen de kosten daarvan voor rekening van die rechthebbende. 3. Als na het onder 1 bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van een verstopping, lekkage, breuk of storing in de particuliere afvoerleiding dient de rechthebbende dit zelf en voor eigen rekening te verhelpen. Artikel 17.4: (Sloop)werkzaamheden, verwijdering aansluiting. 1. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan de particuliere afvoerleiding worden getroffen dat verzanding van het openbaar riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. 2.
Als de rechthebbende bij de uitvoering van (sloop)werkzaamheden niet voldoet aan de in het eerste lid omschreven zorgplicht, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en de hieraan verbonden kosten te verhalen op de rechthebbende. 3. Als het gebruik van een perceelaansluitleiding definitief wordt beëindigd is de rechthebbende verplicht de gemeente hiervan in kennis te stellen. De rechthebbende dient zodanige voorzieningen aan de particuliere afvoerleiding te treffen dat verzanding van het openbaar riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. 4. Als de gemeente naar aanleiding van de kennisgeving, als bedoeld in lid 3, oordeelt dat de perceelaansluitleiding dient te worden verwijderd, komen de kosten van die verwijdering voor rekening van de rechthebbende. Artikel 17.5: Nieuwe aansluiting, wijziging bestaande aansluiting. Pagina 43
1. Het is verboden zonder een daartoe verleende aansluitvergunning en onverminderd het bepaalde in het Bouwbesluit een aansluiting op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen. 2. Voor het tot stand brengen of wijzigen van een aansluiting op het openbaar riool mag de rechthebbende slechts een daartoe door het college aangewezen partij inschakelen. 3. Het tot stand brengen of wijzigen van de aansluiting op het openbaar riool is voor rekening en risico van de rechthebbende. Artikel 17.6: Aansluitvergunning. 1. Het college verleent een aansluitvergunning voor het tot stand brengen c.q. wijzigen en in stand houden van een aansluiting op het openbaar riool. 2. Er wordt één aansluitvergunning per kadastraal perceel verstrekt. In deze aansluitvergunning worden alle aansluitingen voor het betreffende perceel afzonderlijk vermeld. 3. In de aansluitvergunning kunnen voorschriften worden opgenomen met betrekking tot: a. het tot stand brengen c.q. wijzigen van de aansluiting; b. het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluiting; c. sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende. Artikel 17.7: Vergunningsaanvraag 1. De rechthebbende dan wel degene die daartoe door hem is aangewezen dient de aanvraag voor een aansluitvergunning door middel van een daartoe bestemd formulier op de gemeentelijke website in bij het college. 2.
Bij de aanvraag van een aansluitvergunning dienen de volgende gegevens door de rechthebbende te worden verstrekt: a. de naam, het (woon)adres en het telefoonnummer van de rechthebbende; b. de dagtekening; c. de door rechthebbende gewenste datum van uitvoering; d. de ligging van het aan te sluiten perceel: i. aan de hand van straat en huisnummer of, indien nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het betreffende perceel, en ii. aangegeven op een situatieschets 1:500 of grotere schaal; e. voor zover het lozing van afvalwater van een inrichting betreft, de aard en de hoeveelheid van de af te voeren vloeistoffen, waarbij dient te worden aangegeven of niet verontreinigd water, zoals regen- of koelwater, en/of verontreinigd water, zoals huishoudelijk of industrieel afvalwater, zal worden afgevoerd; f. of het enkel lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of dat er daarnaast hemelwater zal worden afgevoerd; g. ten minste de volgende gegevens van de aan te sluiten of te wijzigen particuliere afvoerleidingen: i. de dimensionering; ii. de plaats van de afvalwater- en hemelwaterafvoerleidingen, waarbij op de situatieschets een duidelijk verschil in kleur, tekst of symbolen, overeenkomstig de van toepassing zijnde normen, tussen de leidingen is aangebracht. Artikel 17.8: Weigering aansluitvergunning. Pagina 44
1. Een aansluitvergunning kan worden geweigerd indien aansluiting van de particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieu hygiënische redenen bezwaarlijk is. 2. Aansluiting van de particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of wijziging van de aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien: a. de hoogteligging van de particuliere afvoerleiding ter plaatse van het aansluitpunt afwijkt van de door de gemeente opgegeven hoogte; b. de bovenzijde van een lozingstoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie die voorzien is van terugslagklep wordt aangesloten; c. de afvoer van afvalwater en hemelwater op het particulier terrein niet gescheiden plaatsvindt, terwijl een gescheiden openbaar riool aanwezig is; d. de gevraagde aansluiting een lozing door afvalwater en/of bronneringswater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning benodigd is, maar niet is verleend of als niet aan de geldende algemene regels is voldaan; e. het openbaar riool ter plaatse van de aansluiting volgens de gemeente niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren; f. het lozing van drainagewater betreft; g.
de gevraagde aansluiting een particuliere afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater kan worden aangesloten of door middel van retourbemaling kan worden afgevoerd; h. de gevraagde aansluiting een particuliere afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft en de hoeveelheid af te voeren bronneringswater meer dan 40 m3 per uur bedraagt; i. een omgevingsvergunning of een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of een vergunning op grond van de Waterwet is geweigerd of nog in behandeling is; j. de aansluiting op een vrijverval riool niet onder vrijverval plaatsvindt; k. het afvalwater dat naar de drukriool wordt afgevoerd ook hemelwater bevat; l. verontreinigd hemelwater in geval van een gescheiden stelsel niet wordt afgevoerd via het vuilwaterriool; m. het af te voeren debiet van verontreinigd hemelwater in geval van een gescheiden stelsel groter is dan 1 liter per seconde; n. de afvoer van hemelwater vanuit laadkuilen niet op het buizenstelsel bestemd voor afvoer van afvalwater wordt aangesloten en/of wanneer de afvoer groter is dan 1 liter per seconde; o. de lozing van industrieel afvalwater betreft. Artikel 17.9: Intrekken of wijzigen aansluitvergunning. De aansluitvergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de bepalingen van dit hoofdstuk en/of de aan de aansluitvergunning verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen; c. het gebruik van de aansluiting waarop de aansluitvergunning betrekking heeft, wordt beëindigd; Pagina 45
d. het gebruik van de aansluiting niet overeenkomstig de bij de verkrijging van de aansluitvergunning verstrekte gegevens is; e. er wijzigingen optreden in de aard en het type water (afvalwater, hemelwater) dat wordt afgevoerd; f. de rechthebbende binnen een jaar na verlening van de aansluitvergunning de aansluiting nog niet heeft gerealiseerd of gewijzigd. Artikel 17.10: Ontheffing, hardheidsclausule. 1. Het college kan in individuele gevallen ontheffing verlenen van één of meerdere verplichtingen van dit hoofdstuk. 2. Indien naar het oordeel van het college in bijzondere individuele gevallen de toepassing van een artikel van dit hoofdstuk leidt tot een onbillijke situatie, dan is het college bevoegd hiervan af te wijken. Artikel 17.11: Nadere regels. Het college kan nadere regels stellen voor een nadere invulling en uitvoering van deze verordening.
Hoofdstuk 18: Bataviahaven. Artikel 18.1: Havengebied. 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gebied van Bataviahaven, zoals opgenomen in bijlage 5. 2. Onder Bataviahaven wordt verstaan; wateren die rondom deze haven in het beheer zijn van de gemeente Lelystad en die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, aanmeergelegenheden, trappen, los- en laadplaatsen. Artikel 18.2: Begripsbepalingen. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -
schip: elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water. charterjacht: Een pleziervaartuig dat gebruikt wordt door een natuurlijke persoon die niet de eigenaar van dat jacht is, maar dat tegen betaling in gebruik heeft van een derde, terwijl de gebruiker zelf optreedt als gezagvoerder op dat jacht en de derde van die verhuur zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt, een en ander blijkend uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het feit dat het jacht daadwerkelijk en aantoonbaar voor dat doel wordt gebruikt; charterschip: Een passagiersvaartuig dat door de eigenaar is bestemd om meer dan twaalf passagiers te vervoeren of meer dan twaalf passagiers vervoert en dat daadwerkelijk en aantoonbaar wordt gebruikt ten behoeve van de beroepsmatige chartervaart; gekoppeld samenstel: Een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen en het sturen van het samenstel; passagiersschip: schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren (zoals een charterschip of een riviercruiseschip); pleziervaartuig: schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor nietbedrijfsmatige, sportieve of recreatieve doeleinden. Onder niet-bedrijfsmatig wordt Pagina 46
-
-
tevens verstaan het al dan niet structureel tegen betaling of enige andere tegenprestatie vervoeren van 12 of minder passagiers; tankschip: schip, ingericht en gebruikt voor het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten; woonschip: woonboot of bestaand ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf; wrak: vaartuig, overblijfselen van een vaartuig en alle andere voorwerpen in de haven, dat of die is of zijn gestrand, gezonken of aan de grond geraakt, of vastgeraakt op of in de waterkering of andere waterstaatswerken; zeilplank: een surfplank met beweegbaar zeil dan wel een surfplank gebruikt om mee te golfsurfen of kitesurfen, dan wel een stand-up paddleboard.
BPR: Binnenvaartpolitiereglement; bunkeren: overslag van brandstofolie of smeerolie van een tankschip naar een schip; exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code), de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) en het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN), met uitzondering van eetbare oliën; haven: de Bataviahaven; havenmeester: degene die mondeling of schriftelijk aanwijzingen geeft in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.
passanten: Belastingplichtigen voor ligplaatsen waarvoor geen abonnement is afgegeven ten behoeve van het schip waarmee ligplaats wordt ingenomen en die geen deelnemer aan een evenement zijn of dat evenement op een of andere wijze met een schip faciliteren; schipper/gezagvoerder: degene die de feitelijke leiding over een schip voert; Vaste gebruiker: De natuurlijke persoon of rechtspersoon die al dan niet tegen betaling op structurele wijze een of meer schepen ter beschikking stelt aan derden en die daartoe een ontheffing als bedoeld in artikel 18.11 van dit hoofdstuk heeft verkregen en tevens een overeenkomst heeft gesloten met de havenmeester voor het gebruik van een of meer ligplaatsen in de haven.
Artikel 18.3: Beslistermijn ontheffing. (Vervallen) Artikel 18.4: Geldigheidsduur. Een ontheffing voor een eenmalige gedraging of handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, met dien verstande dat de ontheffing voor maximaal zes maanden wordt verleend. Artikel 18.5: Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden. Het college kan een ontheffing in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als: a. dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is; Pagina 47
b. de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen; c. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening daarvan, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist; d. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; e. hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of f. de houder dit verzoekt. Artikel 18.6: Verplichtingen van houders van toestemmingen. Degene aan wie een ontheffing is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft. Artikel 18.7: Normadressaat. 1. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk. 2. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk. Artikel 18.8: Aanwijzing havenmeester. Het college wijst een havenmeester aan. Artikel 18.9: Nadere regels.
Het college kan nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over: a. de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip de haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen; b. de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, dient plaats te vinden; c. de wijze waarop een aanvraag om een ontheffing dient plaats te vinden; d. de voorwaarden waaronder schepen zich in een door het college aangewezen gebied mogen bevinden, welke betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen; e. de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats. Artikel 18.10: Verkeerstekens. 1. Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het BPR en deze voorzien van nadere aanduidingen. 2. Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen. 3. Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Pagina 48
Artikel 18.11: Ligplaatsen. 1. Als ligplaats voor schepen zijn bestemd de door de havenmeester als zodanig aangewezen plaatsen in het water of op de wal. 2. Het is verboden in de havenkom ten anker te gaan. 3. Voor zover hierin niet door het B.P.R. wordt voorzien, is het verboden meerboeien en tonnen in het openbaar water, alsmede tekens, lantaarnpalen, bomen, railingen of soortgelijke objecten op of langs de openbare weg of in of nabij de haven voor een ander doel te gebruiken dan waarvoor deze zijn bestemd. 4. Het is verboden ligplaats in te nemen en ingenomen te houden indien het daarvoor verschuldigde liggeld niet is voldaan. 5. Het is verboden ligplaats in te nemen en ingenomen te houden indien de havenmeester de ligplaats heeft opgevorderd ten behoeve van een evenement. Dit verbod vangt aan op het moment dat de havenmeester dit aan de gezagvoerder te kennen heeft gegeven en eindigt op het moment dat de havenmeester de betreffende ligplaats(en) weer vrijgeeft. Artikel 18.12: Het innemen van een ligplaats. 1. Het is verboden met een schip op zodanige wijze te varen of ligplaats in te nemen dat de vrijheid van het scheepvaartverkeer, de veiligheid van de opvarenden of de veiligheid op het water zonder noodzaak in gevaar wordt gebracht of schade kan worden veroorzaakt. 2.
Het is verboden zich op of in de haven zodanig te gedragen dat daardoor hinder of last kan worden veroorzaakt. 3. Het is verboden ligplaats in te nemen buiten de in artikel 18.11 lid 1 aangegeven ligplaatsen en op ligplaatsen waarvoor een tijdelijk verbod geldt dan wel gereserveerde ligplaatsen. Ligplaatsen met een tijdelijk verbod of een reservering worden aangeduid met een door de havenmeester te bepalen teken. 4. Het is verboden ligplaats in te nemen met een schip a. dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd voor het uitoefenen van een bedrijf of het al dan niet bedrijfsmatig aanbieden van goederen en/of diensten, een en ander met uitzondering van de gebruikelijke diensten van riviercruiseschepen, passagiersvaartuigen en charterschepen, het faciliteren van nautisch onderwijs en het op grond van een overeenkomst met de havenexploitant meren van schepen in de hoedanigheid van vaste gebruiker. b. met het voornemen daaraan werkzaamheden te verrichten of te doen verrichten welke ten doel hebben het schip daarna te gebruiken of te doen gebruiken als, dan wel te bestemmen tot een schip als bedoeld onder a. c. dat in zodanige staat van onderhoud verkeert dat het uiterlijk aanzien van de haven daardoor wordt aangetast, een en ander ter beoordeling van de havenmeester. 5.
Het is passanten met pleziervaartuigen verboden om langer dan zeven maal vierentwintig uren achtereen ligplaats in de haven in te nemen, met dien verstande dat na het verlaten van de ligplaats ten minste vierentwintig uren moeten zijn verstreken alvorens de passant wederom wordt toegelaten om ligplaats in te nemen. 6. Het college van de gemeente Lelystad kan van het in het vierde lid bepaalde ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kan het college van de gemeente Lelystad voorwaarden verbinden. 7. Het verbod uit het vierde lid is niet van toepassing op schepen die deelnemen aan een meerdaags evenement in de haven of die een dergelijk evenement op één of andere wijze Pagina 49
faciliteren. 8. Het bepaalde in het vijfde lid vindt geen toepassing voor zover het schepen betreft die toebehoren aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die geacht wordt een vaste gebruiker te zijn, een en ander met dien verstande dat bij evenementen de door deze schepen ingenomen ligplaatsen op eerste aanzegging van de havenmeester leeg dienen te worden opgeleverd tot aan het moment dat de havenmeester deze weer beschikbaar stelt. 9. Het bepaalde in het vijfde lid vindt eveneens geen toepassing indien als gevolg van de weersomstandigheden het uitvaren nautisch niet verantwoord is, zulks ter beoordeling van de havenmeester. 10. De gezagvoerder is verplicht zodanige maatregelen te treffen dat zijn schip niet onbestuurd in openbaar vaarwater kan terechtkomen. Artikel 18.13: Varen in en nabij de haven. 1. Het is verboden de haven in te varen met een schip dat een grotere diepgang heeft dan 3 meter, of met een woonschip. Schepen met een lengte groter dan 70 meter kunnen slechts na toestemming en conform de gegeven aanwijzingen van de havenmeester de haven invaren. 2. Het is verboden, met een schip dat ingevolge artikel 3.14 van het B.P.R. een bijkomend teken moet voeren, in de haven te varen of daarin ligplaats in te nemen. Het innemen van een ligplaats met een dergelijk schip aan de buitenste havendam is eveneens verboden. 3.
Het is verboden met een schip dat langer is dan 15 meter de haven in of uit te varen, anders dan met gestreken zeilen. 4. Het is verboden in de haven te varen met een grotere snelheid dan 5 km per uur. 5. Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester in de haven te varen met een gekoppeld samenstel. 6. Het is verboden in de haven een waterskiër/waveboarder voort te bewegen, dan wel zich op waterskies of waveboard voort te bewegen of doen voort te bewegen. 7. Het college kan in geval van een evenement als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2015 vrijstelling verlenen van de in het vierde en vijfde lid gestelde verboden. Artikel 18.14: Verbod varen nabij wedstrijden, waterfeesten, demonstraties of andere evenementen. Het is in andere gevallen dan in of krachtens het B.P.R. is voorzien verboden met een schip te varen in de nabijheid van wedstrijden, waterfeesten, demonstraties of andere evenementen, tenzij dat varen daarvan onderdeel uitmaakt of dat varen ten doel heeft het evenement of daartoe behorende activiteiten te faciliteren. Artikel 18.15: Verbod auto-afzetplaats. Het is verboden een auto aan of van boord te zetten op een plaats die daartoe niet is bestemd. Artikel 18.16: Voorzieningen en voorwerpen. 1.
Het is eenieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen. 3. De havenmeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 18.17: Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven. 1. Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip: Pagina 50
a. aan de grond zit; b. gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; of c. ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren. 2. Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade. 4. De havenmeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 18.18: Laden, lossen en overslaan. 1. Onverminderd het overigens in deze verordening bepaalde is het verboden zonder vergunning van het college van de gemeente Lelystad voorwerpen of goederen van welke aard ook, te laden te lossen over te slaan of op te slaan. Deze bepaling laat onverlet het innemen van voorraden zoals dat gebruikelijk is voor charterschepen, passagiersvaartuigen, pleziervaartuigen en passanten. 2. De gezagvoerder is verplicht ervoor zorg te dragen dat, nadat zijn schip is geladen, gelost of indien daaruit goederen zijn overgeslagen, de kade te reinigen, zulks ten genoegen van de havenmeester. 3.
Het is verboden goederen op zodanige wijze te lossen, te laden of over te slaan dat daardoor goederen in het water komen. 4. De gezagvoerder is verplicht, in het water gekomen goederen te verwijderen, zulks ten genoegen van de havenmeester. Artikel 18.19: Bewaren en verhalen. De havenmeester is bevoegd, niet of niet voldoende bemand zijnde schepen, onbeheerd drijvende balken, palen of andere voorwerpen te weren, te verhalen of in bewaring te nemen voor rekening en risico van de gezagvoerder of de rechthebbende op deze voorwerpen. Artikel 18.20: Vissen, zwemmen en duiken. 1. Het is verboden, zonder voorafgaande toestemming van de havenmeester in de haven te vissen. 2. Het is verboden te zwemmen in de wateren die behoren tot de haven of zich daarin als zwemmer of bader op te houden. 3. Het is verboden, zonder voorafgaande toestemming van de havenmeester in het water: a. te dreggen; b. naar voorwerpen te zoeken of daaruit voorwerpen te halen; c. al dan niet bij wijze van beroep of bedrijf te duiken. Artikel 18.21: Het aanbrengen van voorzieningen. Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester: a. palen, balken, getimmerten of andere voorwerpen in het water te plaatsen of geplaatst te hebben; b. in, onder of over openbaar water kabels, kettingen, touwen of draden, voor zover niet dienende tot het meren of slepen van voertuigen, te leggen of te hebben; c.
openbaar water op enigerlei wijze te overdekken dan wel daarop of daarboven een werkplaats of een bergplaats te hebben. Pagina 51
Artikel 18.22: Verhalen van schepen. 1. De havenmeester kan een exploitant of schipper opdragen een schip te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is. 2. Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verhalen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verhalen. 3. In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verhalen. Artikel 18.23: Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade. 1. Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld. 2. De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail. Artikel 18.24: Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water. Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wenst in te nemen of te verlaten, dan wel een aanwijzing als bedoeld in artikel 18.39 daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken.
Artikel 18.25: Aanwijzen gebieden. Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden onder de door het college nader te bepalen voorwaarden, bedoeld in artikel 18.9 onder d. Artikel 18.26: Meldingsplicht. Een schipper meldt zijn komst en vertrek bij de havenmeester. Artikel 18.27: Nachtrust. 1. Het is verboden om van 22:00 tot 7:00 uur geluidsoverlast te veroorzaken. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 18.28: Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen. 1. Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. Onverminderd het bepaalde in de Wet milieubeheer en de Waterwet is het verboden afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm of hoedanigheid dan ook in het water te brengen. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 18.29: Gebruik afvalverbrandingsoven. Het is eenieder verboden aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben. Artikel 18.30: Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen. Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat: a.
daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester; en Pagina 52
b. de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. Artikel 18.31: Veilige toegang. 1. Een afgemeerd schip beschikt over een toegang welke geen gevaar of schade aan personen kan veroorzaken. 2. Het eerste lid geldt niet met betrekking tot binnenschepen waarbij: a. de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad- of loshandelingen; of b. het afmeren van korte duur is. Artikel 18.32: Laten werken van motoren. Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester de voortstuwer van een afgemeerd schip of de krachtbron van een generator te laten draaien anders dan ter voorbereiding van het vertrek en op een zodanige wijze dat daardoor geen schade aan de haven of overlast voor derden ontstaat. Artikel 18.33: Overslag tussen schepen en tanks als bedoeld in de vervoerswetgeving op de wal. 1. Het is een ieder verboden gevaarlijke of schadelijke vloeistoffen over te slaan tussen een schip en een tank op de wal, tenzij de laad- of losinstallatie deel uitmaakt van een inrichting waarop de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing zijn. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 18.34: Deugdelijk afmeren. 1. Het is eenieder verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd. 2.
Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden. 3. Het college kan van het in dit artikel in lid 1 en 2 bepaalde ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 18.35: Gebruik van ankers. 1. Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij: a. ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats; of b. dit geschiedt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld. 2. De melding bedoeld in het eerste lid, onder b, vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail. 3. De havenmeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 18.36: Gebruik van spudpalen. 1. Het is verboden een spudpaal te gebruiken, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met ter Pagina 53
plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 18.10. 2. Onder spudpaal wordt verstaan een voorziening waarmee een schip zichzelf in de bodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust; 3. De havenmeester kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 18.37: Verrichten van werkzaamheden. 1. Het is eenieder verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan voor schepen in en gebruikers van de haven. 2. Het is verboden in de haven een schip of een wrak te slopen. 3. Het is verboden in de haven een schip te meren met het voornemen dat uit de vaart te nemen (opleggen). 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 18.38: Ontsmetten van schepen. 1. Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan. 2.
In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met losgestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de Wet gewasbescherming en biociden, en voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen. 3. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 18.39: Aanwijzingen havenmeester. 1. De havenmeester kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. 2. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen. 3. De gezagvoerder is verplicht op eerste aanvraag van de havenmeester aan hem de scheepspapieren – waaronder certificaten of bewijzen van toelating – en/of de ladingdocumenten te overhandigen.
Bij ontstentenis van één of meer van deze documenten dient de gezagvoerder op eerste aanvraag alle relevante informatie betreffende de afmetingen van het schip en/of de lading ervan aan de havenmeester te verschaffen, dan wel op eerste aanzegging van de havenmeester de haven terstond te verlaten.
Hoofdstuk 19: Flevokust Haven. Artikel 19.1: Toepassingsgebied Flevokust Haven. 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gebied van Flevokust Haven zoals opgenomen in bijlage 6 van deze verordening. 2. Hier wordt onder verstaan: wateren die rondom deze haven in het beheer zijn van onze gemeente en die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, los- en laadplaatsen. Pagina 54
Artikel 19.2: Begripsomschrijvingen. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -
-
-
-
-
-
-
binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip, dat gebruikt wordt voor het beroepsmatig vervoer van goederen; bunkeren: overslag van brandstofolie of smeerolie van een tankschip naar een schip; charterjacht: pleziervaartuig dat gebruikt wordt door een natuurlijke persoon die niet de eigenaar van dat jacht is, maar dat tegen betaling in gebruik heeft van een derde, terwijl de gebruiker zelf optreedt als gezagvoerder op dat jacht en de derde van die verhuur zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt; charterschip: passagiersvaartuig dat wordt gebruikt ten behoeve van de beroepsmatige chartervaart; exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld in de IMO Code voor het vervoer van verpakte gevaarlijke stoffen over zee (International Maritime Dangerous Goods Code), de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical Code), de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (International Gas Carrier Code) en het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN),
met uitzondering van eetbare oliën; haven: de Flevokust Haven; passagiersvaartuig: elk schip, dat door de eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer dan twaalf passagiers vervoert, veerboten daaronder begrepen; pleziervaartuig: schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor nietbedrijfsmatige, sportieve of recreatieve doeleinden. Onder niet-bedrijfsmatig wordt tevens verstaan het al dan niet structureel tegen betaling of enige andere tegenprestatie vervoeren van 12 of minder passagiers; schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting; schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert; tankschip: schip, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten; verwaarloosd schip: schip waarvan casco en/of opbouw zodanig onvoldoende zijn beschermd tegen water- en weersinvloeden, dat de instandhouding van het schip, zonder daarvoor ingrijpender maatregel dan het normaal te verrichten onderhoud te treffen, in gevaar komt.
zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document, afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven, waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee; Pagina 55
-
zeilplank: een surfplank met beweegbaar zeil dan wel een sufplank gebruikt om mee te golfsurfen of kitesurfen, dan wel een stand-up paddleboard. Artikel 19.3: Doel van Flevokust Haven. Het doel van Flevokust Haven is overslag en opslag van: a. containers; b. bulkgoederen; en c. projectlading. Artikel 19.4: Weigerings-, wijzings- en intrekkingsgronden. Het college kan een ontheffing in ieder geval weigeren, wijzigen of intrekken als: a. dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven noodzakelijk is; b. de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen; c. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na de verlening daarvan, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan deze is vereist; d. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; e. hiervan geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of f. de houder dit verzoekt. Artikel 19.5: Verplichtingen van houders van toestemmingen.
Degene aan wie een ontheffing is verleend houdt deze, of een kopie hiervan, aan boord van het schip waarop deze betrekking heeft, tenzij het een schip zonder bemanningsverblijf betreft. Artikel 19.6: Geldigheidsduur. Een ontheffing wordt als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling voor de duur van die gedraging of handeling, met dien verstande dat de ontheffing voor maximaal zes maanden wordt verleend. Artikel 19.7: Normadressaat. 1. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, is de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk. 2. Bij afwezigheid van een schipper, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk. Artikel 19.8: Aanwijzing havenmeester. Het college wijst een havenmeester aan. Artikel 19.9: Nadere regels. Het college kan nadere regels stellen in het kader van de orde, de veiligheid, de bescherming van het milieu, de kwaliteit van de dienstverlening in of in de omgeving van de haven of ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, over:
Pagina 56
a. de gegevens die aan de havenmeester moeten worden gemeld voordat met een schip een haven wordt aangedaan, voordat ligplaats wordt ingenomen of voordat bepaalde activiteiten worden ondernomen; b. de wijze waarop de melding, bedoeld onder a, dient plaats te vinden; c. de wijze waarop een aanvraag om een ontheffing dient plaats te vinden; d. de voorwaarden waaronder schepen zich in een door het college aangewezen gebied mogen bevinden, welke betrekking kunnen hebben op daar te ondernemen activiteiten en op eisen waaraan schepen of bemanning moeten voldoen om deze activiteiten te mogen ondernemen; en e. de wijze van afmeren van schepen en het innemen van een ligplaats. Artikel 19.10: Verkeerstekens. 1. Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en deze voorzien van nadere aanduidingen. 2. Het is verboden te handelen in strijd met verkeerstekens of de daarbij behorende nadere aanduidingen. 3. Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 19.11: Aanwijzen door het college. 1. Het college kan een ligplaatsenoverzicht vaststellen, welke in elk geval een kaart van de haven bevat met daarop aangegeven: a. de plaatsen of gebieden die bestemd zijn om ligplaats te nemen; b. indien van toepassing, de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor bepaalde categorieën schepen; c.
de plaatsen die bestemd zijn voor het aan of van boord zetten van een auto. 2. Het college kan gebieden aanwijzen waar schepen zich alleen mogen bevinden onder de door het college nader te bepalen voorwaarden, bedoeld in artikel 19.9, onder d. Artikel 19.12: Algemene verbodsbepaling. 1. Het is verboden een schip ligplaats te doen nemen of zich met een schip te bevinden op een plaats die daartoe niet is bestemd, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met geplaatste verkeerstekens en de daarbij behorende nadere aanduidingen en met instemming van de eigenaar, huurder of (onder)erfpachter van het aan de ligplaats gelegen terrein. 2. Het is verboden met een schip langer dan noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf achtereen te verblijven in de haven. 3. Het is verboden een auto aan of van boord te zetten op een plaats die daartoe niet is bestemd. 4. Het is eenieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, als daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. 5. Het in het vierde lid gestelde verbod is niet van toepassing op het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, voor het laden en lossen van schepen. 6. Het college kan van het in het tweede en vierde lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
Artikel 19.13: Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven.
Pagina 57
1. Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te gebruiken als het schip: a. aan de grond zit; b. gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; of c. ter hoogte van de kade of oever wordt gaande gehouden of tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren. 2. Tijdens het gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven is een persoon die bekend is met de bediening van het schip in de stuurhut aanwezig. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het een aan een ander schip gemeerd bunker- of bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade. 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 19.14: Plezier- en zeilvaart in de haven. 1. Het is verboden zich met een charterjacht, charterschip, passagiersvaartuig of pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren, in de haven te bevinden, met uitzondering van de toegangsgeul als bedoeld in bijlage 6. 2. Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortbewogen te varen in de haven, met uitzondering van de toegangsgeul als bedoeld in bijlage 7. 3. Het is verboden in de haven: a.
te varen met een vaartuig voortbewogen door spierkracht, zeilplank, dan wel een ander klein schip in de zin van artikel 1.01.onder letter A ten vierde van het Binnenvaartpolitiereglement; b. een waterskiër/waveboarder voort te bewegen, dan wel zich op waterskies of waveboard voort te bewegen of doen voort te bewegen. 4. Het college kan in geval van een evenement als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2015 vrijstelling verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden. 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 19.15: Vissen, zwemmen en duiken. 1. Het is verboden vanaf kaden en steigers te vissen binnen een afstand van 25 meter van: a. schepen die gelost of geladen worden; b. op de kade geplaatste kranen en opgeslagen goederen; en c. plaatsen waarop anderszins werkzaamheden plaatsvinden. 2. Het is verboden met of vanaf vaartuigen te vissen tenzij er sprake is van opvarenden van gemeerde vaartuigen, indien vanaf die vaartuigen wordt gevist. 3. Het is verboden te zwemmen in de wateren die behoren tot de haven of zich daarin als zwemmer of bader op te houden. 4. Het is verboden, zonder voorafgaande toestemming van de havenmeester in het water: a. te dreggen; b. naar voorwerpen te zoeken of daaruit voorwerpen te halen; of c. al dan niet bij wijze van beroep of bedrijf te duiken.
Artikel 19.16: Verhalen van schepen. Pagina 58
1. Het college kan een exploitant of schipper schriftelijk opdragen een schip te verhalen of te doen verhalen naar een andere ligplaats, als dit in het kader van de bescherming van de orde, de veiligheid of het milieu in of in de omgeving van de haven noodzakelijk is. 2. Als geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht een schip te verhalen kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant verhalen of doen verhalen. 3. In spoedeisende gevallen of als de exploitant onbekend is, kan het college het schip voor rekening en risico van de exploitant direct verhalen of doen verhalen. Artikel 19.17: Overlast aan vaartuigen. Tenzij bij of krachtens dit hoofdstuk anders bepaald, is het anderen dan de eigenaar of schipper van een schip niet toegestaan, zonder goedkeuring van de eigenaar of schipper dat schip vast te houden, zich daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken. Artikel 19.18: Gezonken en verwaarloosde schepen of andere voorwerpen. 1. De schipper of eigenaar van een gezonken schip of ander voorwerp is verplicht: a. onmiddellijk na het zinken daarvan mededeling te doen aan de havenmeester; b. het vaartuig of voorwerp binnen de door de havenmeester te bepalen tijd te verwijderen. 2. Het is in het belang van het aanzien van de gemeente verboden om een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden met een verwaarloosd schip. 3.
Indien niet wordt voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is het college bevoegd het genoemde schip of voorwerp te verwijderen en/of in bewaring te nemen op kosten van de eigenaar. Artikel 19.19: Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade. 1. Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken aan het schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld. 2. De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail. Artikel 19.20: Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water. Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de schipper verplicht, als hij met zijn schip een ligplaats wenst in te nemen of te verlaten, dan wel een aanwijzing als bedoeld in artikel 19.34 daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken. Artikel 19.21: Meldingsplicht. Een schipper meldt zijn komst en vertrek bij de havenmeester. Artikel 19.22: Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen. 1. Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.
Onverminderd het bepaalde in de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewater is het verboden afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm of hoedanigheid dan ook in het water te brengen. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Pagina 59
Artikel 19.23: Gebruik afvalverbrandingsoven. Het is eenieder verboden aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben. Artikel 19.24: Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen. Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het water terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat: a. daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester; en b. de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. Artikel 19.25: Veilige toegang. 1. Een afgemeerd schip beschikt over een toegang welke geen gevaar of schade aan personen kan veroorzaken. 2. Het eerste lid geldt niet met betrekking tot binnenschepen waarbij: a. de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad- of loshandelingen; of b. het afmeren van korte duur is. Artikel 19.26: Verbod gebruik hoofdmotor. 1. Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, met uitzondering van direct voor vertrek van het schip. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 19.27: Overslag tussen schepen en tanks als bedoeld in de vervoerswetgeving op de wal. 1.
Het is een ieder verboden gevaarlijke of schadelijke vloeistoffen over te slaan tussen een schip en een tank op de wal, tenzij de laad- of losinstallatie deel uitmaakt van een inrichting waarop de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing zijn. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 19.28: Deugdelijk afmeren. 1. Het is eenieder verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd. 2. Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden. 3. Het college kan van het in dit artikel bepaalde ontheffing of vrijstelling verlenen Artikel 19.29: Gebruik van ankers. 1. Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij: a. ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats; of b. dit geschiedt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld.
Pagina 60
2. De melding bedoeld in het eerste lid, onder b, vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per e-mail. 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 19.30: Gebruik van spudpalen. 1. Het is verboden een spudpaal te gebruiken, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in artikel 19.11. 2. Onder spudpaal wordt verstaan een voorziening waarmee een schip zichzelf in de bodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust. 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 19.31: Gebruik generatoren door binnenschepen. 1. Het is verboden om in door het college aangewezen gebieden aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing of vrijstelling verlenen. Artikel 19.32: Verrichten van werkzaamheden. 1. Het is eenieder verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij: a.
het schip ligplaats heeft op of bij een herstellingsinrichting waarvoor een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; of b. per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste 24 uur in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en: i. als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip, er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden; ii. dat doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn; en iii. de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 19.33: Ontsmetten van schepen. 1. Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan. 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met losgestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van Pagina 61
een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de Wet gewasbescherming en biociden of nadien gewijzigd, en voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen. 3. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel 19.34: Aanwijzingen. 1. Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. 2. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.
Hoofdstuk 20: Toezicht en handhaving. Artikel 20.1: Toezichthouders. 1. Met de zorg voor de naleving en de handhaving zijn mede belast de door het college aan te wijzen ambtenaren, ieder voor zover het taken betreft die aan hun toezicht zijn toevertrouwd. 2. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn onder meer belast: a. de havenmeester(s); b. de medewerker(s) handhaving; c. de opzichter(s); d. de parkeercontroleur(s); e. de milieuhandhaver(s); en f. ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. 3. Het college kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Artikel 20.2: Binnentreden van woning. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd, indien noodzakelijk voor de uitoefening van hun functie, tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 20.3: Strafbepalingen. 1.
Overtreding van een bij of krachtens deze verordening gegeven voorschrift, nietnakoming van een opgelegde verplichting of niet-naleving van één of meer voorschriften aan een ontheffing of vergunning verbonden wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1.3 gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikelen 4.4 en 6.1.
Pagina 62
Hoofdstuk 21: Slotbepalingen Artikel 21.1: Het intrekken van regelingen. De volgende verordeningen worden bij inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: Erfgoedverordening 2010 gemeente Lelystad. Havenbeheersverordening Bataviahaven 2020. Havenbeheersverordening Flevokust Haven 2018. Rioolverordening Lelystad 2018. Woonschepenverordening Lelystad 2010. Artikel 21.2: Overgangsbepalingen. 1. Besluiten krachtens bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2020, Erfgoedverordening 2010 gemeente Lelystad, Havenbeheersverordening Bataviahaven 2020, Havenbeheersverordening Flevokust Haven 2018 en de Rioolverordening Lelystad 2018, welke opgenomen worden in deze verordening, worden gelijkgesteld met besluiten op basis van deze verordening. 2. Aanvragen voor besluiten krachtens bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2020, Erfgoedverordening 2010 gemeente Lelystad, Havenbeheersverordening Bataviahaven 2020, Havenbeheersverordening Flevokust Haven 2018 en de Rioolverordening Lelystad, welke opgenomen worden in deze verordening, worden op basis van de op het moment van de aanvraag geldende regels afgehandeld. 3.
Beleid, beleidsregels, nadere regels en andere beleidsdocumenten bij of krachtens bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2020, Erfgoedverordening 2010 gemeente Lelystad, Havenbeheersverordening Bataviahaven 2020, Havenbeheersverordening Flevokust Haven 2018 en de Rioolverordening Lelystad 2018, welke opgenomen worden in deze verordening, worden geacht gericht te zijn op de bepalingen van deze verordening. Artikel 21.3: Inwerkingtreding verordening. Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekendgemaakt. Artikel 21.4: Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Lelystad 2021.
Bijlages Bijlage 1 behorende bij art. 1.1 Bebouwde kom en art. 13.7 Verbod gemotoriseerde vaartuigen.
Pagina 63
Bijlage 2 behorende bij hoofdstuk 7: bebouwde kommen op basis van de Wet natuurbescherming.
Contour van de bebouwde kommen
Bijlage 3 behorende bij art. 7.3 Bijzondere bomen.
Pagina 64
Bijzondere bomen Bijlage 4 behorende bij hoofdstuk 17: Aansluiting van een perceel op de riolering.
Bijlage 5 Artikel 18.1 Haven Bataviahaven Pagina 65
Bijlage 6. Artikel 19.1 Kaart Flevokust Haven.
Bijlage 7: Artikel 19.16 Kaart van de toegangsgeul voor plezier- en zeilvaart Flevokust Haven.
Pagina 66
Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving. Algemene toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving. In voorbereiding op de implementatie van de Omgevingswet wil de gemeente Lelystad een Verordening fysieke leefomgeving realiseren, als tussenstap naar en voorbereiding op het verplichte omgevingsplan. De Verordening fysieke leefomgeving biedt een kans om nu al te werken aan vermindering van regeldruk, transparantie en integraliteit van regels, en aan het afstemmen van procedures voor de fysieke leefomgeving. De regels uit de verschillende verordeningen zijn beleidsneutraal omgezet naar de Verordening fysieke leefomgeving. Bij het omzetten zijn de regels echter wel geactualiseerd, verduidelijkt en op elkaar afgestemd. In de Verordening fysieke leefomgeving worden regels, die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, uit 5 verschillende verordeningen gebundeld. Hiervan gaan de regels van 4 verordeningen volledig op in de Vfl en om deze reden worden deze verordeningen ingetrokken. Dit betreffen: Erfgoedverordening 2010 gemeente Lelystad. Havenbeheersverordening Bataviahaven 2020 Havenbeheersverordening Flevokust Haven 2018 Rioolverordening Lelystad 2018 Van 1 verordening worden slechts een aantal regels overgenomen, omdat de inhoud van deze verordening niet volledig opgaat in het omgevingsplan. Dit betreft: Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2020.
Andere verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden nog niet meegenomen met de Verordening fysieke leefomgeving, omdat de inhoud van deze verordeningen niet volledig valt onder de Omgevingswet. Hiermee zouden de regels op onderwerpen zoals de Marktverordening en de Parkeerverordening verdeeld raken over verschillende verordeningen, hetgeen de kenbaarheid van alle geldende regels zou schaden. Het is onwenselijk de regels uit deze verordeningen over te hevelen naar de Verordening fysieke leefomgeving en uiteindelijk het omgevingsplan, omdat overheveling van bepaalde andere regels in deze verordeningen naar het omgevingsplan is uitgesloten. Het doel van de Omgevingswet van integratie en samenhang van beleid en regelgeving wordt dan juist doorkruist. Om deze reden is ervoor gekozen om samenhangende (delen van stelsels) van regels niet ‘op te knippen’ maar zoveel mogelijk in een verordening te laten staan. Aangezien de Verordening fysieke leefomgeving een combinatie is van bestaande verordeningen zal hieronder per verordening een toelichting worden gegeven. Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen. 1. Algemeen Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen die merendeel hun oorsprong vinden in de APV. Wel is in dit hoofdstuk een standaardisering opgenomen van de beslistermijn voor vergunningen en ontheffingen.