210622 - Besluitenlijst_Raadsvergadering_22_juni_2021.docx
Tekst van het document
In de verschillende verordeningen stonden hier verschillende termijnen voor, welke teruggebracht worden tot één uniforme beslissingstermijn van acht weken, dit is conform de beslistermijn uit de Algemene wet bestuursrecht.. Deze aanpassing loopt vooruit op de wettelijke beslistermijn onder de Omgevingswet, acht weken is, met de
Pagina 67
mogelijkheid van verlenging. Waar afwijking van deze termijn toch wenselijk wordt geacht, is in het betreffende hoofdstuk een afwijkende termijn opgenomen. 2. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.1: Algemene begripsbepalingen. In dit artikel zijn begripsbepalingen opgenomen vanuit de verschillende verordeningen. Artikel 1.2: Beslistermijn. Hierin is de aangepaste beslistermijn opgenomen conform de reguliere procedure zoals opgenomen in de Omgevingswet. Artikel 1.3: Voorschriften en beperkingen. Algemene bepaling voor het verbinden van voorschriften en beperkingen aan besluiten. De bepaling is van toepassing op alle besluiten (vergunningen, ontheffingen en meldingen). Artikel 1.4 tot en met 1.7. Deze bepalingen zijn overgenomen uit de Algemene plaatselijke verordening en zijn daarmee gespecificeerd voor de hoofdstukken 2 tot en met 15, welke de onderwerpen vanuit de APV bevatten. Hoofdstukken 2 tot en met 15. De hoofdstukken 2 tot en met 15 vinden hun oorsprong in de APV van Lelystad. Met de Omgevingswet komt er een tweedeling in de APV. Artikelen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zullen gedurende de transitieperiode overgezet worden naar het omgevingsplan. Artikelen waar de burgemeester het bevoegd bestuursorgaan is of als motief primair “openbare orde” hebben, zullen niet overgaan naar het omgevingsplan.
Onderwerpen welke op basis van onze analyse van de APV meegaan in het omgevingsplan worden nu al apart opgenomen in deze Verordening fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 2: Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2.1 tot en met 2.3 komen uit de APV waar de bepalingen opgenomen waren onder hoofdstuk 2, afdeling 5, artikelen 2:10 tot en met 2:12. Artikel 2.3 is daarbij wil aangepast ten opzichte van de APV bepaling. Artikel 2.3: Maken of veranderen van een uitweg. In het eerste lid is een verduidelijking opgenomen aan de vereisten bij het indienen van een melding. Waar hier een situatieschets geëist werd, is voor toetsing een gedetailleerdere uitwerking nodig. Met “een gemaatvoerde situatietekening” is duidelijk welke informatie nodig is voor toetsing, waarmee een melding sneller kan worden beoordeeld. In het derde lid wordt een weigeringsgrond toegevoegd vanwege een geconstateerd gebrek bij nieuwbouwprojecten, waarvoor nog geen inrittenkaart ontwikkeld is. Om deze reden wordt als weigeringsgrond toegevoegd dat een melding, voor een tweede uitweg op erven met een smallere frontbreedte dan 25 meter, wordt geweigerd. Het zesde lid van de APV bepaling is verdeeld over het zesde, zevende en achtste lid van artikel 2.3. Op basis van juridisch advies is hiermee de bevoegdheid tot het vaststellen van Pagina 68
inrittenkaarten beter geborgd in de Verordening fysieke leefomgeving dan voorheen in de APV. Hoofdstuk 3: Veiligheid op de weg De artikelen in dit hoofdstuk zijn tevens rechtstreeks uit de APV overgenomen (artikel 2:13 tot en met 2:23 APV), maar er wordt één artikel toegevoegd. Artikel 3.5: Laden van elektrische auto’s. Er wordt een verbodsbepaling opgenomen voor het opladen van een elektrische auto door middel van een laadkabel, welke over de weg ligt. Deze verbodsbepaling wordt opgenomen vanwege het risico voor anderen bij het plaatsen van dergelijke kabels over de openbare weg. Gebruikers van elektrische auto’s dienen deze te laden bij een laadpaal of indien aanwezig op de inrit bij hun woning of op locatie. Hoofdstuk 4: Houden van dieren In hoofdstuk 4 zijn bepalingen vanuit de APV overgenomen met betrekking tot het houden van dieren. Niet alle artikelen van dit deel van de APV gaan mee onder de Omgevingswet. Om deze reden zijn enkel de artikelen 2:57, 2:58, 2:60 en 2:64 overgenomen en niet de bepalingen rondom gevaarlijke honden (2:59 en 2:59A APV), omdat hier de burgemeester bevoegd gezag is. Hoofdstuk 5: Geluidshinder en verlichting De vijf bepalingen vanuit hoofdstuk 4, afdeling 1, van de APV zijn overgenomen in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging De artikelen 4:7 tot en met 4:9A even als artikel 5:34 APV zijn in dit hoofdstuk opgenomen.
Hoofdstuk 7: Het bewaren van houtopstanden In dit hoofdstuk zijn de artikelen 4:10 tot en met 4:12A APV opgenomen voor zover nodig. De begripsbepalingen uit artikel 4:10 APV zijn deels in artikel 1.1 van de Verordening fysieke leefomgeving gekomen, waarmee artikel 7.1 Vfl enkel de afwijkende definitie van “bebouwde kom” bevat met verwijzing naar de kaart in bijlage 2 en de begripsbepaling van “vellen”. Hoofdstuk 8: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast In dit hoofdstuk zijn de bepalingen 4:13 en 4:15 uit de APV opgenomen. Hoofdstuk 9: Kamperen buiten kampeerterreinen De bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 5 van de APV zijn in dit hoofdstuk overgenomen met de uitzondering van de begripsbepaling voor “kampeermiddel”, welke opgenomen is in artikel 1.1 van de Verordening fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 10: Bescherming van flora en fauna Artikel 4:20 APV is tekstueel aangepast.
Pagina 69
Hoofdstuk 11: Parkeerexcessen In dit hoofdstuk zijn de artikelen 5:1 tot en met 5:12 APV opgenomen. Hoofdstuk 12: Standplaatsen De bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 4 van de APV zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Hoofdstuk 13: Openbaar water De bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 6 van de APV zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Bij dit onderwerp wordt er een aanpassing voorgesteld. Artikel 13.2 Ligplaats vaartuigen, niet zijnde woonschepen. In dit artikel wordt een verbod opgenomen op het innemen van een ligplaats door een vaartuig, niet zijnde woonschip, waarmee enkel nog een ligplaats mag worden ingenomen op door het college aangewezen locaties. Hoofdstuk 14: Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden In dit hoofdstuk zijn de artikelen 5:32 tot en met 5:33 APV opgenomen. Hoofdstuk 15: Verstrooiing van as In dit hoofdstuk zijn de artikelen 5:35 tot en met 5:37 APV opgenomen. Hoofdstuk 16: Monumentaal erfgoed. Artikelsgewijze toelichting: Artikel 16.1: Begripsbepalingen. In dit artikel worden de begripsbepalingen gegeven, zoals deze gelden voor het hoofdstuk. Artikel 16.2: Het gebruik van het monument. Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming, maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand.
Dit artikel is van belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de vergunningverlening. Artikel 16.3: De aanwijzing tot gemeentelijk monument. Lid 1: De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het gebruik van het monument.
Pagina 70
Lid 2: Het college moet het advies inwinnen van de erfgoedcommissie. In dit hoofdstuk staan geen bepalingen welke het advies binden aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de erfgoedcommissie bepaalt, is opgenomen in de Verordening op de Erfgoedcommissie Lelystad 2014. Lid 3: spreekt voor zich. Lid 4: Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. Artikel 16.4: Voorbescherming. Dit lid regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn) artikel 16.10 tot en met 16.14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaats (etc.) zonder een gemeentelijke omgevingsvergunning. Artikel 16.5: Termijnen advies en aanwijzingsbesluit. In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de erfgoedcommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Artikel 16.6: Mededeling aanwijzingsbesluit.
De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van niets te weten. Artikel 16.7: Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst. Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 16.8: Wijzigen van de aanwijzing. Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4). Artikel 16.9: Intrekken van de aanwijzing. Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Lid 2 regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te zijn aangewezen. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd (lid 3). Artikel 16.10: Instandhoudingbepaling van gemeentelijke monumenten. Het artikel spreekt voor zich. Pagina 71
Artikel 16.11: Termijnen advies. Het artikel spreekt voor zich. Artikel 16.12: Weigeringsgronden. Het artikel spreekt voor zich. Artikel 16.13: Intrekken van de vergunning. Dit artikel bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. De artikelen 16.14 tot en met 16.19 spreken voor zich. Hoofdstuk 17: Riolering. 1. Algemeen Inzameling en transport van afvalwater is een taak van de gemeente. Voor het uitvoeren van deze taak heeft de gemeente rioolstelsels aangelegd en zorgt de gemeente voor het beheer van deze stelsels. Hoofdstuk 17 van deze verordening regelt de verhouding tussen rechthebbenden en de gemeente inzake de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel. Een rechthebbenden is: 1.
de eigenaar, de vereniging van eigenaren of de zakelijk gerechtigde van het perceel respectievelijk de eigenaren en/of zakelijk gerechtigden of de vereniging van eigenaren van de percelen in het geval van een verzamelrioolleiding ten behoeve waarvan de aansluiting op het openbaar riool wordt gerealiseerd en in stand gehouden; 2. de rechtverkrijgende(n) onder algemene of bijzondere titel van de onder 1. bedoelde personen. In hoofdstuk 17 van deze verordening zijn voorwaarden opgenomen over realisatie, beheer en onderhoud, renovatie en vervanging van de aansluiting en beëindiging van het gebruik van de aansluiting. Het gemeentelijk rioolstelsel wordt op een drietal plaatsen begrensd: 1. het punt waar afvalwater of overtollige neerslag wordt overgenomen van de rechthebbende (doorgaans daar waar het particuliere riool overgaat in het openbaar riool); 2. het punt waar afvalwater of de overtollige neerslag wordt overgedragen aan de beheerder van de zuiveringstechnische werken, en; 3. het punt waar lozingen op het oppervlaktewater plaatsvinden. Hoofdstuk 17 van deze verordening heeft alleen betrekking op de begrenzing van het eerstgenoemde punt. Deze begrenzing, de plaats waar het particulier riool is aangesloten op de perceelaansluitleiding, ter hoogte van het onstoppingsstuk wordt het aansluitpunt genoemd.
Het aansluitpunt wordt in de verordening gesitueerd op de kadastrale eigendomsgrens van het aan te sluiten perceel of niet meer dan een halve meter daar vandaan.
Pagina 72
De aansluiting bestaat dus vanaf het hoofdriool achtereenvolgens uit de perceelaansluitleiding, het aansluitpunt, het ontstoppingsstuk en de particuliere afvoerleiding. Het ontstoppingsstuk wordt in de praktijk ook wel erfafscheidingsput genoemd en is de plaats waar, bij verstoppingen, de rechthebbende de werking van de (particuliere) riolering kan controleren en, indien nodig, reinigen. Het ontstoppingsstuk valt onder de verantwoordelijkheid van de rechthebbende. In de bijlage ‘Aansluiting van een perceel op de riolering’ is schematisch weergegeven uit welke onderdelen de aansluiting bestaat. In hoofdstuk 17 van deze verordening is het beheer en onderhoud van de aansluiting geregeld. De gemeente en de eigenaar zijn elk verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van een deel van de aansluiting. Het deel van de aansluiting vanaf het aansluitpunt naar het hoofdriool van het gemeentelijk rioolstelsel (de perceelaansluitleiding), wordt beheerd door de gemeente. Dit deel van de aansluiting ligt over het algemeen onder de openbare weg. Het deel van de aansluiting vanaf het aansluitpunt tot het pand van de rechthebbende wordt beheerd door de rechthebbende. Dit deel van de aansluiting ligt altijd in het perceel van de rechthebbende.
Als er nu bijvoorbeeld een verstopping is ontstaan in het particuliere deel van de aansluiting, dan moet de rechthebbende zelf en voor eigen rekening zorgdragen voor het verhelpen van het probleem. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van een installateur. Is er een verstopping ontstaan in de perceelaansluitleiding, bijvoorbeeld door ingroeiende boomwortels of door verzakking, dan draagt de gemeente zorg voor de reparatie. De kosten van onderhoud, renovatie en vervanging van de perceelaansluitleiding zijn voor de gemeente. Hierop is echter wel een uitzondering gemaakt. Als het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik van het particuliere riool, dan zijn de kosten voor rekening van de rechthebbende of de veroorzaker van de schade. In dit hoofdstuk worden tevens voorwaarden gesteld aan de wijze waarop de aansluiting op het gemeenteriool wordt verkregen. Daarnaast is in hoofdstuk 17 van deze verordening bepaald dat voor een nieuwe aansluiting op het riool of een wijziging van de bestaande aansluiting, een aansluitvergunning is vereist. Aan het verlenen van de aansluitvergunning worden vervolgens voorwaarden gesteld. Deze voorwaarden betreffen allereerst de technische eisen waaraan de aansluiting moet voldoen.
De technische eisen betreffen het leidingverloop en de dimensionering, de hoogteligging van de aansluiting en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt. In de gemeente Lelystad is een aparte aansluiting voor een hemelwaterriool en een aparte aansluiting voor een vuilwaterriool vereist. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de in het vigerend Bouwbesluit en de vigerende Bouwverordening genoemde bouwtechnische eisen. De verlening van de aansluitvergunning kan door het college worden geweigerd indien aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieu hygiënische redenen bezwaarlijk is. In de verordening is geen uitputtende regeling opgenomen met betrekking tot weigeringsgronden voor het verlenen van de aansluitvergunning. Wel zijn situaties opgenomen die in ieder geval bezwaarlijk zijn voor het verlenen van een aansluitvergunning.
Pagina 73
Indien de aansluitvergunning is verleend wordt de particuliere afvoerleiding aangelegd in opdracht en op kosten van de rechthebbende. Voor de uitvoering van de aanleg kan de rechthebbende kiezen uit een beperkte lijst van aannemers die hiervoor door het college zijn aangewezen. 2. Artikelsgewijze toelichting. Artikel 17.1 Begripsbepalingen In dit artikel worden de begripsbepalingen gegeven, zoals deze gelden voor het hoofdstuk. De begrippenlijst is nogal uitgebreid om te voorkomen dat discussie kan ontstaan over de betekenis van bepaalde begrippen. Artikel 17.2 Beheer en onderhoud, renovatie en vervanging Dit artikel geeft regels over het beheer en onderhoud, de renovatie en vervanging van de perceelaansluitleiding en de particuliere afvoerleiding. In lid 1 is bepaald dat het beheer en onderhoud, de renovatie en vervanging van de perceelaansluitleiding door en voor rekening van de gemeente wordt uitgevoerd tot het aansluitpunt, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd ten gevolge van een onjuist gebruik van het particulier riool. In dat geval komen de kosten voor rekening van de rechthebbende of de veroorzaker. Lid 2 spreekt voor zich.
In lid 3 is bepaald dat de rechthebbende verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de particuliere afvoerleiding, tenzij onomstotelijk vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool. Artikel 17.3 Storingen Dit artikel geeft aan hoe de rechthebbende dient te handelen in geval van storingen. In lid 1 wordt aangegeven dat, indien de afvoer vanuit het perceel stagneert, de rechthebbende op zijn kosten zelf onderzoek uitvoert naar de reden daarvan. Het is de rechthebbende echter niet toegestaan om werkzaamheden uit te voeren aan de perceelaansluitleiding en de daarbij behorende voorzieningen, tenzij de gemeente daarvoor vooraf toestemming heeft verleend. In lid 2 wordt aangegeven dat, als de verstoringen worden veroorzaakt c.q. gelegen zijn in de perceelaansluitleiding, de rechthebbende de gemeente daarover informeert. Ook wordt in dit lid bepaalt aan welke voorwaarden de rechthebbende in dat geval moet voldoen. Indien de rechthebbende of de gebruiker zelf aan een derde opdracht geeft tot het verrichten van werkzaamheden aan de perceelaansluitleiding, dan komen de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende of gebruiker. In lid 3 wordt ten slotte bepaald dat, als de oorzaak van de verstopping gelegen is in de particuliere afvoerleiding, de rechthebbende dit zelf en voor eigen rekening dient te verhelpen.
Artikel 17.4 (Sloop)werkzaamheden, verwijdering aansluiting
Pagina 74
In dit artikel wordt aangegeven hoe te handelen bij sloopwerkzaamheden en/of het verwijderen van de aansluiting. In lid 1 wordt bepaald dat de rechthebbende bij (sloop)werkzaamheden zodanige voorzieningen moet treffen dat voorkomen wordt dat verstoppingen in de aansluiting of het openbaar riool ontstaan. In lid 2 wordt bepaald dat, als de rechthebbende of de gebruiker niet voldoet aan de in lid 1 genoemde plicht de gemeente zich het recht voorbehoudt de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten. De kosten van die werkzaamheden komen dan voor rekening van de rechthebbende Lid 3 bepaalt dat de rechthebbende de gemeente vooraf in kennis dient te stellen van een voorgenomen definitief einde van het gebruik van de perceelaansluitleiding. Daarbij dient de rechthebbende dezelfde maatregelen te treffen als gemeld in lid 1 van dit artikel. Lid 4 spreekt voor zich. Artikel 17.5 Nieuwe aansluiting, wijziging bestaande aansluiting In lid 1 wordt bepaald dat aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool of wijziging van een dergelijke aansluiting verboden is zonder aansluitvergunning. In lid 2 wordt aangegeven dat de aansluiting alleen tot stand mag worden gebracht en/of gewijzigd door een aannemer die daarvoor door het college is aangewezen. In lid 3 wordt aangegeven dat de kosten voor aanleg en/of wijziging van de aansluiting voor rekening van de rechthebbende zijn.
Artikel 17.6 Aansluitvergunning Lid 1 bepaalt dat het college een aansluitvergunning verleent voor het tot stand brengen, wijzigen en in stand houden van een aansluiting op het openbaar riool. In lid 2 wordt bepaald dat er per perceel slechts één aansluitvergunning verleend wordt. Alle aansluitingen van het betreffende perceel zijn daarin opgenomen en afzonderlijk vermeld. Lid 3 bepaalt dat in de aansluitvergunning voorschriften worden opgenomen met betrekking tot de totstandbrenging, het wijzigen, het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluiting, alsmede sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende. Artikel 17.7 Vergunningaanvraag Lid 1 bepaalt dat de aansluitvergunning moet worden aangevraagd door of namens de rechthebbende. Deze aanvraag dient te worden gedaan met een daartoe bestemd formulier. In lid 2 is bepaald waaraan de aanvraag moet voldoen. Artikel 17.8 Weigering aansluitvergunning In dit artikel is vastgelegd op welke gronden de aansluitvergunning geweigerd kan worden. In lid 1 is bepaald dat een aansluitvergunning kan worden geweigerd indien aansluiting van de particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieu hygiënische redenen bezwaarlijk is. Pagina 75
In lid 2 worden situaties genoemd waarin een aansluiting van de particuliere afvoerleiding op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting in ieder geval bezwaarlijk is. De genoemde weigeringsgronden zijn niet uitputtend. Artikel 17.9 Intrekken of wijzigen aansluitvergunning Dit artikel bepaalt wanneer het college de aansluitvergunning kan intrekken of wijzigen. Artikel 17.10 Ontheffing, hardheidsclausule In dit artikel krijgt het college de mogelijkheid om af te wijken van de verordening. In lid 1 krijgt het college de bevoegdheid om in individuele gevallen één of meerdere verplichtingen van de verordening buiten toepassing te laten. In lid 2 krijgt het college de bevoegdheid om van een artikel van de verordening af te wijken in situaties waarbij strikte toepassing van de verordening leidt tot onbillijke situaties die niet passen in de geest van de verordening. Bij hoge uitzondering kan deze hardheidsclausule worden gebruikt. De toepassing van de hardheidsclausule is beperkt tot individuele gevallen waarbij vooraf niet (precies) te voorzien is of afwijking nodig zal zijn. Het college toetst niet ambtshalve aan de hardheidsclausule. Indien een belanghebbende wil dat het college onderzoekt of hiervan gebruik kan worden gemaakt, zal hij hierop een beroep moeten doen.
Indien het college gebruik maakt van de hardheidsclausule wordt dit schriftelijk, gemotiveerd, in het dossier opgenomen. Artikel 17.11 Nadere regels Dit artikel spreekt voor zich. Hoofdstuk 18: Bataviahaven.
Hoofdstuk 19: Flevokust haven. 1. Algemeen Dit hoofdstuk bevat de kader stellende regels die van toepassing zijn op binnenschepen wanneer deze de Flevokust Haven aandoen. Hiermee worden de gemeentelijke belangen beschermd en tegelijkertijd worden de rechten en plichten van zowel de scheepvaart als de havenbeheerders inzichtelijker gemaakt. 2. Artikelsgewijze toelichting Artikel 19.1 tot en met 19.3. Deze artikelen spreken voor zich. Artikel 19.4 Weigerings-, wijzigings- en intrekkingsgronden Onder het bepaalde in onderdeel c worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen aanleiding zijn voor intrekking of wijziging van een ontheffing. Daarbij worden vanzelfsprekend de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen. Artikel 19.5 Verplichtingen van houders van toestemmingen
Pagina 76
Artikel spreekt voor zich. Artikel 19.6 Geldigheidsduur Dit artikel bepaalt dat een ontheffing, als deze wordt verleend voor een eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of handeling, maar niet voor een duur langer dan zes maanden. Een gedraging of handeling die langer duurt dan zes maanden kan worden beschouwd als een activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Wet milieubeheer. Artikel 19.7 Normadressaat De schipper is in beginsel verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, tenzij anders is bepaald. Dit laatste heeft bijvoorbeeld betrekking op die artikelen waarin expliciet is bepaald dat ’eenieder’ zich aan dat voorschrift dient te houden. In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Deze bepaling is opgenomen voor de gevallen waarin een ponton of een ander soort schip is afgemeerd en er geen bemanning (meer) aan boord is. Artikel 19.8 Aanwijzing havenmeester Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 19.9 Nadere regels In dit artikel zijn delegatiegrondslagen opgenomen op grond waarvan het college nadere regels kan stellen ter waarborging van de ordening, veiligheid, milieu, omgeving of kwaliteit van de dienstverlening in de haven ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. Artikel 19.10 Verkeerstekens In het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: Bpr) is een voor Nederland uniform systeem van verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen, is in dit artikel vastgelegd dat dezelfde tekens worden gebruikt ten behoeve van de orde en veiligheid in de haven. Het Bpr regelt de verkeersafhandeling, terwijl de verordening het havengebruik regelt vanuit bepaalde belangen (milieu, orde en veiligheid). Artikel 19.11 Aanwijzen door het college Door het vaststellen van een ligplaatsenoverzicht kan het college bepalen waar in de haven schepen ligplaats mogen nemen. Zo nodig kan ook bepaald worden dat bepaalde plaatsen of gebieden bestemd zijn voor schepen van bepaalde categorieën of voor ligplaatsvergunninghouders. Het college werkt dit uit op een kaart. Hierop kan ook worden aangegeven waar het is toegestaan om een auto aan of van boord te zetten. In het tweede lid is de mogelijkheid voor het college vastgelegd om gebieden aan te wijzen waar schepen zich enkel mogen bevinden onder de nadere voorwaarden, zoals vastgesteld op basis van artikel 19.9, onder d.
Artikel 19.12 Algemene verbodsbepaling Pagina 77
In deze bepaling zijn meerdere verboden opgenomen, waaronder het verbod een ligplaats in te nemen, het verbod een auto aan of van boord te zetten op een niet daarvoor te bestemde locatie, het verbod om een schip langer dan noodzakelijk is te laten verblijven in de haven en het verbod om voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen. Het is op basis van het eerste lid verboden om ergens anders ligplaats te nemen dan op plaatsen of gebieden die daarvoor door het college op een ligplaatsenoverzicht als bedoeld in artikel 19.11, eerste lid, zijn aangegeven, tenzij dat mag op grond van geplaatste verkeerstekens en met instemming van de eigenaar, huurder of (onder)erfpachter van het aan de ligplaats gelegen terrein. Op grond van het tweede lid mag een schip niet langer dan noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf in de haven verblijven. Na de op- of overslag van containers, bulkgoederen of projectlading verlaat het schip de haven weer. Het vierde lid bepaalt dat het verboden is voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben of aan te brengen indien daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan.
De havenbeheerder dient in verband met het veilig gebruik van de haven op de hoogte te zijn van alle voorzieningen die in, onder of boven water worden aangebracht en die van een min of meer permanent karakter zijn. Uitgezonderd zijn scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen om een schip te laden en te lossen. Daarbij wordt de eis gesteld dat deze voorzieningen ook werkelijk (als zodanig) in gebruik zijn, teneinde te voorkomen dat voorzieningen die hinderlijk of gevaarlijk voor anderen zijn (bijvoorbeeld meerdraden en fenders) blijvend worden aangebracht. Artikel 19.13 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven Dit artikel beoogt bescherming van de onderwaterinfrastructuur in de haven. In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich infrastructurele voorzieningen, zoals, bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruik van voortstuwers (schroeven), boegschroeven of hekschroeven kan schade veroorzaken aan deze voorzieningen, als het in andere gevallen wordt gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. Onder gebruik wordt in dit geval verstaan, dat de schroeven een daadwerkelijke waterverplaatsing genereren; als de schroeven dit niet doen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een verstelbare schroef in een neutrale positie, dan is dit artikel niet van toepassing.
Het verbod van dit artikel geldt ook in die situaties waarbij het schip op spudpalen ligt of als men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren, het schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt waarbij het schip niet met meerdraden is afgemeerd. Reden waarom het verbod wordt ingevoerd ligt in het feit dat wanneer door gebruikers van de haven schepen gaande worden gehouden zeer gevaarlijke situaties kunnen worden veroorzaakt. Voorts kan – met name – het proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen als een schip aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door een bunker- of bevoorradingsschip, dat afgemeerd is aan een ander schip, ter voorkoming van schade levert een verwaarloosbaar risico op voor de haveninfrastructuur en is gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter voorkoming van directe schade aanvaardbaar.
Pagina 78
In het tweede lid is een verplichting opgenomen dat tijdens het inwerking zijn van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven een persoon in de stuurhut aanwezig dient te zijn die bekend is met de bediening van het schip. Een onbemande stuurhut kan tot zeer gevaarlijke en ongewenste situaties leiden. Artikel 19.14 Plezier- en zeilvaart in de haven Artikel 19.14 regelt in het eerste lid dat het - in principe - verboden is zich met een charterjacht, charterschip, passagiersvaartuig of pleziervaartuig, waarmee al dan niet eveneens bedrijfsmatig wordt gevaren in de haven te bevinden. Het varen met genoemde soorten vaartuigen in de Flevokust Haven, die wordt gebruikt door de beroepsvaart, kan zeer gevaarlijke situaties met zich meebrengen. Het verbod is niet van toepassing in de toegangsgeul als bedoeld in de bijlage. In deze toegangsgeul staat de pleziervaart de beroepsvaart niet in de weg. In het tweede lid wordt bepaald dat het verboden is de zeilvaart te beoefenen in de haven, ook weer met uitzondering van de toegangsgeul. De pleziervaart in het eerste lid heeft geen betrekking op de zeilvaart, die in het tweede lid wordt omschreven. Zeilvaart kan bedrijfsmatig - dus tegen vergoeding - worden beoefend en niet bedrijfsmatig, dus recreatief. Beide worden in het tweede lid geregeld.
Het derde lid ziet op het verbod om zich ook met andere, recreatieve vaarmiddelen in de haven te bevinden, eveneens vanuit de gedachte dat dit soort recreatie de beroepsvaart in de haven ernstig kan verstoren. Op grond van het vierde lid kan het college een vrijstelling geven voor de in dit artikel gestelde verboden in geval van evenementen, bijvoorbeeld een groot zeilevenement. Artikel 19.15 Vissen, Zwemmen en Duiken Ook voor (recreatief) vissen, zwemmen en duiken geldt dat het zich slecht verhoudt tot het doel van de haven, de op- en overslag van containers, bulkgoederen en projectlading door de beroepsvaart. Het verbod om te vissen ziet niet op de beroepsmatige binnenvisserij, die wordt gereguleerd op grond van de Visserijwet 1963 en de Natuurbeschermingswet. Beroepsvissers houden zich daarbij aan de aanwijzingen van de havenmeester. Artikel 19.16 Verhalen van schepen Indien zich een calamiteit voordoet in de haven, moeten schepen - in verband met de veiligheid of het milieu - met spoed verhaald kunnen worden, ook al liggen deze schepen er conform het ligplaatsenoverzicht. Bij een brand zouden de schepen bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor incidentenbestrijdingsvaartuigen.
Aangezien niet altijd in strijd met bestaande wettelijke voorschriften wordt gehandeld, is bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in dergelijke gevallen niet mogelijk. Teneinde de havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, wordt in het eerste lid bepaald dat - overeenkomstig artikel 5:24 Awb - de beslissing op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt, indien dit noodzakelijk is in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen. Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de orde van de haven, is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip Pagina 79
gemeerd ligt. De eigenaar, beheerder of gebruiker van een schip kan op basis van dit artikel schriftelijk worden verzocht binnen een redelijke termijn het schip te verhalen naar een andere ligplaats. Indien medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald worden. Artikel 19.17 Overlast aan vaartuigen Dit artikel maakt het mogelijk om handhavend op te treden tegen het onrechtmatig vasthouden en losmaken van schepen alsmede het zich onrechtmatig begeven en bevinden op schepen. Artikel 19.18 Gezonken en verwaarloosde schepen of andere voorwerpen. Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 19.19 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade Dit artikel bevat de verplichting om alle bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. De bepaling is van toepassing op alle schepen en is een aanvulling op de meldingsartikelen van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen die alleen van toepassing is op zeeschepen met gevaarlijke stoffen. Artikel 19.20 en 19.21. Deze artikelen spreken voor zich. Artikel 19.22 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen Het in het eerste lid gestelde verbod beperkt zich tot handelingen die plaatsvinden aan boord van een schip; handelingen gepleegd aan wal vallen hierbuiten.
Het is onder meer verboden om aan boord van een schip , door middel van geperst gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van verbrandingsmotoren naar de buitenlucht door te blazen, waardoor roet uit het schip ontsnapt. Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld als dit bij kan dragen aan het voorkomen van een schoorsteenbrand bij een schip dat al langer stilligt. Artikel 19.23 Gebruik afvalverbrandingsoven Dit artikel is opgenomen in verband met het toenemende gebruik van afvalverbrandingsovens aan boord van schepen. Ter voorkoming van gevaar, schade en hinder voor de omgeving, door bijvoorbeeld ernstige rookontwikkeling en het gebruik van de afvalverbrandingsoven terwijl het schip is afgemeerd, is het verboden afvalverbrandingsovens aan boord van schepen te gebruiken. Afval kan afgegeven worden aan de daartoe bestemde inzamelaars. Artikel 19.24 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen Uit het oogpunt van veiligheid en het voorkomen van belemmeringen van de vaarweg regelt dit artikel dat als stoffen of voorwerpen te water geraken, hiervan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester. Deze kennisgeving is niet aan voorschriften gebonden. Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk – onmiddellijk te worden verwijderd. Pagina 80
Artikel 19.25 Veilige toegang In de havenpraktijk doen zich bij de betreding van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voor. Daarom wordt voorgeschreven dat schepen in principe over een toegang dienen te beschikken waardoor – in redelijkheid – geen gevaar of schade voor personen kan ontstaan. Voor met name binnenschepen is het in sommige gevallen echter niet mogelijk of zeer onpraktisch om een dergelijke toegang tot het schip mogelijk te maken. Enerzijds is dit het geval bij laad- of loshandelingen. Door het laden of lossen van lading aan boord van een binnenschip, kan het schip aanzienlijk bewegen. In dit soort situaties kan een veilige toegang niet worden gegarandeerd, sterker nog, een toegang is in dit soort gevallen juist onveilig. Anderzijds meert een binnenschip soms kort af, bijvoorbeeld om een auto af te zetten. Om bij dit soort korte handelingen van een schipper te eisen dat hij een veilige toegang creëert, zou een onevenredige belasting voor een schipper opleveren. Artikel 19.26 Verbod gebruik hoofdmotor Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een onnodige belasting van het milieu en kan hinder veroorzaken. Het artikel betreft geen absoluut verbod, maar is afhankelijk van een aanwijzing van gebieden door het college.
Bovendien kan het college ontheffing verlenen van het verbod, bijvoorbeeld ten dienste van het proefdraaien van de hoofdmotor. Artikel 19.27 Overslag tussen schepen en tanks als bedoeld in de vervoerswetgeving op de wal Dit artikel regelt de overslag van vloeibare stoffen van tanks in die gevallen waarin de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet vervoer gevaarlijke stoffen niet voorziet. Dit is met name het geval bij de incidentele overslag van gevaarlijke en schadelijke stoffen op openbare kades. Hierbij valt te denken aan het laden en lossen vanuit bijvoorbeeld tankwagens, tankcontainers of tankwagons. Van het verbod in het eerste lid kan ontheffing worden verleend in incidentele gevallen in het geval de veiligheid en het milieu via voorschriften in de ontheffing kan worden gewaarborgd. Artikel 19.28 Deugdelijk afmeren In de praktijk komt het regelmatig voor dat een schip slechts op een spring is afgemeerd en men vervolgens overgaat tot lossen of laden. Hierdoor bestaat het gevaar dat lading in het oppervlaktewater wordt gemorst of materiële schade aan schip of haveninfrastructuur ontstaat. Om hiertegen op te kunnen treden is dit artikel opgenomen. De hier geformuleerde norm richt zich tot ‘eenieder’; hierdoor kan ook degene die het schip laadt of lost vanaf de wal gehouden worden aan de verplichting.
Artikel 19.29 Gebruik van ankers In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich infrastructurele voorzieningen, zoals, bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van ankers zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is Pagina 81
van een anker gebruik te maken, met uitzondering van de gevallen genoemd in het eerste lid, onder a en b. Artikel 19.30 Gebruik van spudpalen In de onderwaterbodem van de haven bevinden zich infrastructurele voorzieningen, zoals, bodembescherming, leidingen en kabels. Het gebruikmaken van spudpalen zonder vooraf kennis te nemen van de locaties van deze infrastructurele voorzieningen kan leiden tot beschadiging hiervan. Om dit te voorkomen is als uitgangspunt genomen dat het in de haven verboden is van spudpalen gebruik te maken, tenzij dit geschied overeenkomstig de aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen. Daarnaast kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod, voor zover daartoe aanleiding is. Artikel 19.31 Gebruik generatoren door binnenschepen Het is verboden om in een door het college aan te wijzen gebied aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken. In het kader van het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de (lokale) luchtkwaliteit worden in de haven aansluitingen voor de afname van elektriciteit gerealiseerd. Op het moment dat geen aansluitingen meer beschikbaar zijn (bijvoorbeeld tijdens feestdagen), of voor binnenschepen die voor hun elektriciteitsvoorziening meer stroom nodig hebben dan de walstroomvoorziening kan leveren, kan het college ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod.
Artikel 19.32 Verrichten van werkzaamheden Dit artikel geeft regels over het verrichten van werkzaamheden aan schepen; hieronder vallen ook werkzaamheden die buitenboord of onderwater aan het schip plaatsvinden. Het verbod richt zich tot ‘eenieder’. Grote reparaties aan schepen vinden doorgaans plaats op of aan een werf of in een dok. Kleine reparaties worden echter vaak aan boord verricht door de eigen bemanning of door buitenstaanders. Het verrichten van reparaties kan onder bepaalde omstandigheden gevaren met zich meebrengen. Teneinde te voorkomen dat een kleine scheepsreparatie buiten een werf of herstellingsinrichting tot een reparatie van grote omvang, met inherente veiligheidsrisico's en grote tijdsduur uitgroeit, is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat de reparatieduur ten hoogste 24 uur mag duren. Als de werkzaamheden langer dan 24 uur in beslag nemen, kan ontheffing worden aangevraagd op grond van het tweede lid. Artikel 19.33 Ontsmetten van schepen Omdat tijdens het gassen van ruimten aan boord van een schip (het ontsmetten) risico's kunnen ontstaan voor het havengebied is dit in beginsel verboden. Het verbod te ontsmetten van het tweede lid is beperkt tot schepen die zijn geladen met losgestorte bulklading in vaste vorm. Hierdoor worden alle containerschepen van de toepassing uitgesloten.
Deze schepen hebben containers als lading onder gas aan boord en zouden dus allemaal een ontheffing dienen te krijgen, hetgeen niet wenselijk is. Het onder gas staan van te vervoeren containers is in de IMDG-Code geregeld, inclusief de labeling. Het onder gas zetten van containers geschiedt binnen een inrichting en valt onder de vergunningplicht uit de Wet milieubeheer. Er wordt tevens rekening met schepen die in het buitenland zijn beladen met aldaar (in de silo) aan de wal ontsmette lading, die in de haven wordt gelost. Deze lading kan eveneens bepaalde risico’s met zich meebrengen.
Pagina 82
In het derde lid is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. In de praktijk zal de havenmeester namens het college bepalen of in het specifieke geval mag worden ontsmet en waar dat, met het oog op de veiligheid van de omgeving, dient plaats te vinden. Artikel 19.34 Aanwijzingen Dit artikel spreekt voor zich. Hoofdstuk 20: Toezicht en handhaving. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen, welke voor de hele verordening aangeven welke ambtenaren kunnen worden belast met de toezicht en handhaving van de in de verordening opgenomen bepalingen. Ook is er één algemene strafbepaling opgenomen voor het overtreden van de bepalingen van de verordening. Hoofdstuk 21: Slotbepalingen In dit hoofdstuk is de bepaling opgenomen ter intrekking van de 4 verordeningen. De wijzigingen van de APV worden via een apart wijzigingsvoorstel geregeld. Daarnaast zijn de overgangsbepalingen opgenomen in dit hoofdstuk. Tot slot zijn de inwerkingtreding en citeerwijze geregeld.
Pagina 83
Bijlage 3
Algemene plaatselijke verordening Lelystad 2021 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 0 Opschriften 1. Waar in artikelen wordt inhoudelijk afgeweken van de model APV van de VNG of daar een nadere invulling aan wordt gegeven, wordt dit aangegeven met een ‘(L)’. 2. Artikelen met de aanduiding ‘(Gereserveerd)’ zijn in het kader van deregulering niet overgenomen van de model APV van de VNG. 3. Artikelen met de aanduiding ‘(Vervallen)’ zijn conform de model APV van de VNG overgenomen, met uitzondering van de bepalingen die zijn overgeheveld naar de Verordening Fysieke Leefomgeving Lelystad. Artikel 1:1 Definities (L) In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
persoonlijk recht; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in deze verordening een andere beslistermijn is vastgesteld. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen (L) 1. Aan een vergunning, ontheffing of melding kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, of een kennisgeving van de melding heeft ontvangen, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: Pagina 84
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1.
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:1A Verstoring van de openbare orde (L) 1. Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten. 2.
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het is verboden op of aan de weg een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.
Pagina 85
Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (Gereserveerd) Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen (Gereserveerd) Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen (Vervallen, opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:10
Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publiek functie daarvan (Vervallen, opgenomen in artikel 2.1 van de Verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:11
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (Vervallen, opgenomen in artikel 2.2 van de Verordening fysieke leefomgeving) Pagina 86
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg (Vervallen, opgenomen in artikel 2.3 van de verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:13 (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes (Vervallen, opgenomen in artikel 3.1 van de Verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (Vervallen, opgenomen in artikel 3.2 van de Verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke (Vervallen, opgenomen in artikel 3.3 van de Verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke (Gereserveerd) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (Gereserveerd) Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (Vervallen, opgenomen in artikel 3.4 van de Verordening fysieke leefomgeving) Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (Gereserveerd) Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (Gereserveerd) Afdeling 3.
Evenementen
Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikel 2:39; g. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag; (L) Pagina 87
h. sportwedstrijden, binnen de reguliere competitie of binnen de eigen vereniging die plaatsvinden op sportterreinen, in sporthallen of sportzalen, niet zijnde vechtsportwedstrijden en – gala’s als bedoeld in het tweede lid, onder e. (L) 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. vechtsportwedstrijden of -gala’s. (L) 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 500 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 en 00.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 75 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op een rijbaan van een doorgaande weg, (brom)fietspad of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en (L) e. slechts kleine objecten worden geplaatst waarbij geen constructies van toepassing zijn, voor zover het plaatsen van deze objecten zich niet verzetten tegen de in artikel 1:8 genoemde belangen.(L) 4. Evenementen worden onderscheiden in de volgende categorieën: a.
Klein evenement: evenement dat voldoet aan de criteria van het derde lid; b. A- evenement: laag risico; evenement waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer; c. B-evenement: gemiddeld risico; evenement waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer; d. C-evenement: hoog risico; evenement waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer. (L) Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste acht werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester op een daartoe vastgesteld meldingsformulier. 4.
De burgemeester kan binnen acht werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder e, genoemde vechtsportwedstrijden of -gala’s.(L) 7. Het derde lid is niet van toepassing op een evenement dat plaatsvindt in een gebouw en het gebruik niet overeenkomt met de gebruiksvergunning of – melding van dat gebouw. (L) 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in eerste lid weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. (L) 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester kan een vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien: (L) a. de vooraankondiging van een B- of een C-evenement niet vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de jaarkalender wordt vastgesteld is ingediend; b. een A-evenement niet tenminste acht weken voor aanvang van het evenement is ingediend; c.
een B- of C-evenement niet tenminste zestien weken voor aanvang van het evenement is ingediend; d. het evenement niet past binnen het evenementenvergunningenbeleid en de locatieprofielen van Lelystad.(L) Pagina 88
10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25A Nadere regels (L) De burgemeester kan in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu; nadere regels stellen ten aanzien van de in artikel 2:24, eerste lid, bedoelde activiteiten en evenementen en categorieën evenementen zoals bedoeld in de artikel 2:24, tweede en vierde lid. Artikel 2:25B Beslistermijn 1. In afwijking van artikel 1:2 beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, voor zover het betreft een B- en C-evenement, binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag; 2. In afwijking van artikel 1:2 kan het bevoegde bestuursorgaan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3.
Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 4.
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definities (L) 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: - een hotel restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, zaalverhuurbedrijf, buurthuis of clubhuis; - elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. En elke andere inrichting, waarvan de bedrijvigheid in ieder geval in belangrijke mate mede gericht is op het verstrekken van etenswaren en/of dranken, ten einde deze ter plaatse te nuttigen, het bieden van amusement en het gelegenheid geven tot ontspanning; b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. c. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een openbare inrichting wordt uitgeoefend; d. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een openbare inrichting; 2.