210622 - Besluitenlijst_Raadsvergadering_22_juni_2021.docx
Tekst van het document
- parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen; - provinciale archeologische monumentenkaart: topografische kaart van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; - voertuigen: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; - Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. - weggebruikers: voetgangers, fietsers, bromfietsers, bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, van een motorvoertuig of van een tram, ruiters, geleiders van rijof trekdieren of vee en bestuurders van een bespannen of onbespannen wagen; Artikel 1.2: Beslistermijn. Pagina 21
1. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in een hoofdstuk een andere beslistermijn is vastgesteld. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste 6 weken verlengen. Artikel 1.3: Voorschriften en beperkingen. 1. Aan een besluit kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het besluit is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, of een kennisgeving van een melding heeft ontvangen, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.4: Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing. Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 15, is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.5: Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing. De vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 15, kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. indien de houder dit verzoekt. Artikel 1.6: Termijnen. 1. De vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 15, geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 15, verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1.7: Algemene weigeringsgronden. 1. Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 15, kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b.
de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; of Pagina 22
d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 15, kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan zes weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2: Bruikbaarheid en aanzien van de weg. Artikel 2.1: Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan. 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake indien niet tenminste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 m op de rijbaan voor fietsen of gemotoriseerd verkeer. Hiervan is ook sprake indien niet een vrije doorgang van tenminste 2 meter wordt gelaten op voetpaden in winkelcentra. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.
In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 12.2, en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Hetgeen bepaalt in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd. Artikel 2.2: Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Pagina 23
3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het bepaalde in het eerste lid is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Flevoland, de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, de Telecommunicatiewet, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Lelystad 2017 of nadien gewijzigd.. 5. Op een aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.3: Maken of veranderen van een uitweg. 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: a. degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een gemaatvoerde situatietekening van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of b. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven op de gebruikelijke wijze van bekendmaking. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: a.
daarvoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. de functionaliteit van de openbare ruimte op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, ten koste van openbare parkeerplaatsen, lichtmasten, nutsvoorzieningen, containeropstelplaatsen e.d.; c. de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het uiterlijk aanzien van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, ten koste van groenvoorzieningen, bomen e.d.; d. de frontbreedte van het woonperceel minder dan 25 meter bedraagt en het een tweede uitweg betreft. 4. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5. Hetgeen bepaald in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 of de provinciale wegenverordening of nadien gewijzigd. 6. In afwijking van hetgeen bepaald in het eerste lid, onder a, is geen melding vereist voor het maken van een uitweg, mits de uitweg wordt aangelegd conform de voor dat gebied geldende inrittenkaart. 7. Het college is bevoegd om inrittenkaarten vast te stellen. 8. Het college is bevoegd de bevoegdheid zoals opgenomen in het zevende lid door te mandateren.
Hoofdstuk 3: Veiligheid op de weg. Artikel 3.1: Winkelwagentjes. 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. Pagina 24
2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of nadien gewijzigd. Artikel 3.2: Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 3.3: Openen straatkolken en dergelijke. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 3.4: Voorzieningen voor verkeer en verlichting. 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht of nadien gewijzigd. Artikel 3.5: Laden van elektrische auto’s.
Het is verboden een elektrische auto vanaf het woon- of werkadres door middel van een laadkabel over de openbare weg op te laden.
Hoofdstuk 4: Houden van dieren. Artikel 4.1: Loslopende honden. 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; of d. op de weg indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van de hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Pagina 25
Artikel 4.2: Verontreiniging door honden. 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of; b. die deze hond aantoonbaar en duidelijk herkenbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 4. Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen van de hond. 5. De eigenaar of houder van de hond is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien. Het tweede lid is overeenkomstig van toepassing. Artikel 4.3: Houden van hinderlijke of schadelijke dieren. Het is verboden ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, hinderlijke of schadelijke dieren aanwezig te hebben, te houden of te voeren. Artikel 4.4: Bijen. 1. Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Flevoland. 5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 5: Geluidshinder en verlichting. Artikel 5.1: Begripsbepalingen. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: -
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; Pagina 26
-
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 5.2 tot en met 5.5 van deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; - langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de “Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai”. Artikel 5.2: Aanwijzing collectieve festiviteiten. 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.4 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. Het college maakt de aanwijzing, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 4. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 5. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen. Toeslagen voor de aard van het geluid, de gevelcorrectieterm of de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij achterwege. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 55 dB(A), gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden. Toeslagen voor de aard van het geluid of de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij achterwege. 7.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. Artikel 5.3: Melding incidentele festiviteiten. 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.4, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Pagina 27
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar,LT) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen. Toeslagen voor de aard van het geluid, de gevelcorrectieterm of de bedrijfsduurcorrectieteam blijven hierbij achterwege. 7. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar,LT) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 55 dB(A), gemeten binnen in- of aanpandige woningen van derden.
Toeslagen voor de aard van het geluid of de bedrijfsduurcorrectieterm blijven hierbij achterwege. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.4 van deze verordening, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 5.4: Onversterkte muziek. 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel: 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur
Pagina 28
LAr, LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr, LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
3. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een richting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 5.2 en 5.3. Artikel 5.5: Overige geluidhinder. 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt. 2. Het college, dan wel de burgemeester indien het veroorzaken van geluidhinder verband houdt met een evenement, zoals bedoeld in artikel 2:24 van de APV, kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
Hoofdstuk 6: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging. Artikel 6.1: Natuurlijke behoefte doen. Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 6.2: Bescherming regenwaterriolering. Het is verboden op het regenwaterriool op enigerlei wijze ander afvalwater te lozen dan nietverontreinigd regenwater en niet-verontreinigd grondwater. Artikel 6.3: Verbod oplaten ballonnen. 1. Onder ballon wordt verstaan: elke onbemenste ballon van welk materiaal dan ook die door middel van helium, open vuur of andere gassen in de lucht wordt gebracht, waarbij de richting en/of hoogte van de ballon niet door menselijk ingrijpen kan worden bepaald. 2. Het is verboden één of meerdere ballonnen op te laten stijgen. Pagina 29
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet luchtvaart. Artikel 6.4: Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
Hoofdstuk 7: Het bewaren van houtopstanden. Artikel 7.1: Begripsbepalingen. 1. In afwijking van hetgeen in artikel 1.1 van deze verordening bepaald is, wordt in dit hoofdstuk onder bebouwde kom verstaan: de bebouwde kom, zoals die door de raad is vastgesteld op grond van artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 2 bij deze verordening. 2. In dit hoofdstuk wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 7.2: Afstand tot de erfgrens. De afstand tot de erfgrens, zoals bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is voor bomen 50 centimeter en voor heesters nihil. Artikel 7.3: Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden. 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden te vellen of te doen vellen. Voor zover de velling binnen de bebouwde kom geschiedt, geldt dit verbod uitsluitend voor de houtopstanden die door het college zijn aangegeven op de kaart bijzondere bomen zoals opgenomen in bijlage 3. 2. Dit verbod is niet van kracht voor houtopstanden op niet-openbaar toegankelijke particuliere kavels buiten de bebouwde kom van ten hoogste 5.000m². 3.
Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4. De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; Pagina 30
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
Hoofdstuk 8: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast. Artikel 8.1: Opslag mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof, pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens een Provinciale Verordening of nadien gewijzigd. Artikel 8.2: Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame. 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Hoofdstuk 9: Kamperen buiten kampeerterreinen. Artikel 9.1: Nachtverblijf buiten kampeerterrein. 1. Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of b. de bescherming van een stadsgezicht. Artikel 9.2: Aanwijzing kampeerplaatsen. 1. Het verbod van artikel 9.1, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 9.1, vierde lid.
Hoofdstuk 10: Bescherming van flora en fauna. Artikel 10.1: Bescherming groenvoorzieningen. Pagina 31
Het is verboden om in een voor publiek toegankelijk park, plantsoen of andere groenvoorziening enige schade toe te brengen.
Hoofdstuk 11: Parkeerexcessen. Artikel 11.1: Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke. 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 300 meter met als middelpunt één van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5. Op de aanvraag om de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 11.2: Te koop aanbieden van voertuigen. 1.
Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de aanvraag om de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 11.3: Defecte voertuigen. Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 11.4: Voertuigwrakken. 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 11.5: Kampeermiddelen e.a.. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
Pagina 32
a. Langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; b. Op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen voor hetgeen in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening Flevoland. 4. Op de aanvraag om de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 11.6: Parkeren van reclamevoertuigen. 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Dit verbod is niet van toepassing op geparkeerde voertuigen (w.o. aanhangwagen) voorzien van (een) aanduiding(en) van handelsreclame, op bedrijfsterreinen door en/of voor bedrijven (of hun producten), die op het betreffende bedrijventerrein zijn/worden gevestigd. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Op de aanvraag om de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 5.
Van het in lid 1 van dit artikel gestelde kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken, is in elk geval geen sprake wanneer het voertuig niet langer dan 4 uur is geparkeerd. Artikel 11.7: Parkeren van grote voertuigen. 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid opgenomen verbod. 6. Op de aanvraag om de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 11.8: Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen.
Pagina 33
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 11.9: Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan. 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Artikel 11.10: Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen. 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; c.
op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 11.11: Overlast van fiets of bromfiets. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Hoofdstuk 12: Standplaatsen. Artikel 12.1: Begripsbepaling. 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV. Artikel 12.2: Standplaatsvergunning en weigeringsgronden. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Pagina 34
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; b. indien een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 5. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot a. het innemen van een standplaats, waarbij een kaart kan worden vastgesteld met daartoe aangewezen standplaatsen; b. de openbare orde of de woon- en leefomgeving. Artikel 12.3: Toestemming rechthebbende. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 12.4: Afbakeningsbepalingen. Het verbod van artikel 12.2, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
Hoofdstuk 13: Openbaar water. Artikel 13.1: Voorwerpen op, in of boven openbaar water. 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2. Behoudens hetgeen opgenomen in de Wabo is een ieder die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, verplicht daarvan uiterlijk twee weken van tevoren een melding te doen aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerwet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Flevoland, de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 of hoofdstuk 20 van deze verordening of nadien gewijzigd. Artikel 13.2: Ligplaats vaartuigen niet zijnde woonschepen. Pagina 35
1. Het is verboden met een vaartuig, niet zijnde een woonschip, een ligplaats in te nemen. 2. Het college kan gebieden aanwijzen waar een ligplaats kan worden ingenomen en hieraan: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening of nadien gewijzigd. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig, niet zijnde een woonschip, is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 13.3: Beschadigen van waterstaatswerken. 1.
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2. Het verbod is niet van toepassing waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd. Artikel 13.4: Reddingsmiddelen. Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 13.5: Overlast aan vaartuigen. 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel 13.6: Verbod gemotoriseerde vaartuigen. 1. Het is verboden op de wateren, die op de bij deze verordening behorende kaart zijn gearceerd, vaartuigen met behulp van een motor voort te stuwen, met uitzondering van vaartuigen met een elektromotor. 2.
Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen.
Pagina 36
Hoofdstuk 14: Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden. Artikel 14.1: Gebruik als crossterreinen. 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren of nadien gewijzigd. Artikel 14.2: Beperking verkeer in natuurgebieden. 1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, groenvoorzieningen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. ter voorkoming van overlast; b. ter bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen en fietsen of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:
Pagina 37
a. op wegen, bedoeld voor de betreffende weggebruiker, die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Flevoland aangegeven stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Hoofdstuk 15: Verstrooiing van as. Artikel 15.1: Begripsbepaling. In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele as verstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 15.2: Incidentele as verstrooiing. 1. Incidentele as verstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 15.3: Hinder of overlast. Incidentele as verstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Hoofdstuk 16: Erfgoed. Artikel 16.1: Begripsbepalingen. -
archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; - middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie; - verwachtingswaarde: kans op archeologische vondsten of informatie. Artikel 16.2: Het gebruik van het monument. Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 16.3: De aanwijzing tot gemeentelijk monument. 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. Pagina 38
2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de erfgoedcommissie. 3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet of dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie Flevoland of nadien gewijzigd. Artikel 16.4: Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 16.7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 16.10 tot en met 16.14 van overeenkomstige toepassing. Artikel 16.5: Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1. De erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2. Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de erfgoedcommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag. Artikel 16.6: Mededeling aanwijzingsbesluit.
De aanwijzing als bedoeld in artikel 16.3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel 16.7: Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst. 1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 16.8: Wijzigen van de aanwijzing. 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 16.3, tweede en derde lid, alsmede artikel 16.4, 16.5 en 16.6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel 16.9: Intrekken van de aanwijzing. 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 16.3, tweede lid, alsmede artikel 16.5 van overeenkomstige toepassing. 2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.1 van de Erfgoedwet. Pagina 39
3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd. Artikel 16.10: Instandhoudingbepaling van gemeentelijke monumenten. 1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als gedefinieerd in artikel 1.1 te beschadigen of te vernielen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a. een gemeentelijk monument, als gedefinieerd in artikel 1.1 af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument, als gedefinieerd in artikel 1.1 te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4. Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel 16.11: Termijnen advies. 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de erfgoedcommissie voor advies. 2.
Binnen twee weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 16.12: Weigeringsgronden. De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 16.13: Intrekken van de vergunning. De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 16.10 niet naleeft; c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen. Artikel 16.14: Vergunning voor beschermd monument. 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de erfgoedcommissie. 2. De erfgoedcommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift. Artikel 16.15: Instandhoudingbepaling van archeologische terreinen. 1. Het is verboden om in een archeologisch monument, of een archeologisch verwachtingsgebied, de bodem te verstoren. Pagina 40
2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a. in de geldende bepalingen uit het bestemmingsplan regels zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; b. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; c. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke beleidsadvies-kaart, dan wel bij het ontbreken daarvan, de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden of nadien gewijzigd; d. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: - Het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of - De archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of - In het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel 16.16: Opgravingen en begeleiding. 1.
Indien binnen het grondgebied van de gemeente Lelystad onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek; b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen. 2. In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel 16.17: Procedure. De bepalingen uit artikel 16.11, 16.12 en 16.13 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling uit artikel 16.16, eerste lid, onder b. Artikel 16.18: Advisering. Inzake de advisering over de lokale monumentenzorg, waaronder de archeologische monumentenzorg, wordt het college gevraagd en ongevraagd geadviseerd door de erfgoedcommissie. Artikel 16.19: Tegemoetkoming in schade.
Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: Pagina 41
a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 16.10 te verlenen; b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 16.10; c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16.10, derde lid; d. de door de het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 16.15, tweede lid, onder e; e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 16.16, tweede lid, tweede volzin.
Hoofdstuk 17: Riolering. Artikel 17.1: Begripsbepaling. -
aansluiting: het totaal van leidingen en voorzieningen om een perceel aan te sluiten op het openbaar riool. - aansluitpunt: het punt op of direct bij de kadastrale grens waar de perceelaansluitleiding overgaat in de particuliere afvoerleiding of de verzamelrioolleiding. - aansluitvergunning: een vergunning voor het tot stand brengen of wijzigen van een aansluiting. - drukriool: een systeem voor transport van afvalwater waarbij het transport door middel van druk plaatsvindt. - gebruiker: de perceeleigenaar, de zakelijk gerechtigde van het perceel of de huurder die gebruik maakt van de aansluiting. - gescheiden stelsel: een samengesteld vrijverval rioolstelsel waarin het huishoudelijk afvalwater en hemelwater gescheiden van elkaar wordt ingezameld en getransporteerd. - hemelwaterriool: een rioolstelsel dat alleen bestemd is voor de inzameling en het transport van hemelwater. - huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat vrijkomt vanuit particuliere huishoudens en bedrijven, afkomstig van keukens, toiletten, badkamers, wasmachines en dergelijke. - industrieel afvalwater: afvalwater dat vrijkomt vanuit industriële processen. - openbaar riool: het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor inzameling van transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater.
- particulier riool: het gedeelte van de riolering, inclusief voorzieningen, dat bij de rechthebbende in eigendom en beheer is. - particuliere afvoerleiding: de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen rioolleidingen tot aan het aansluitpunt. - perceelaansluitleiding: het openbaar riool en de voorzieningen die deel uitmaken van dit riool tussen het aansluitpunt en de aansluiting op het openbaar riool. - verzamelrioolleiding: de particuliere afvoerleiding die binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van de aan te sluiten percelen ligt, waar meerdere gebouwen en/of afvoerende oppervlakken op zijn aangesloten. - vrijverval riool(stelsel): een riool(stelsel) waarbij het transport van het huishoudelijk afvalwater en hemelwater onder afstroming, als gevolg van de zwaartekracht, plaatsvindt. - vuilwaterriool: een rioolstelsel dat allen bestemd is voor de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater. Artikel 17.2: Beheer en onderhoud, renovatie en vervanging. 1. Het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening Pagina 42
van de gemeente, tenzij het aannemelijk is dat de betreffende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik van het particuliere riool, in welk geval de kosten voor rekening van de rechthebbende of veroorzaker komen. 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. het via de aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluiting of het openbaar riool kunnen veroorzaken; b. het via de aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluiting of het openbaar riool kunnen aantasten. 3. De kosten van het beheer en onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de particuliere afvoerleiding zijn voor rekening van de rechthebbende tenzij onomstotelijk vaststaat dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door inspoeling vanuit het openbaar riool. Het bepaalde in dit lid geldt ook voor verzamelrioolleidingen gelegen in particuliere grond, die aangelegd zijn ten behoeve van de gezamenlijke afvoer van twee of meer woningen. Artikel 17.3: Storingen. 1. Bij een verstopping, lekkage of een andere storing in of aan de aansluiting onderzoekt de rechthebbende zelf en voor eigen rekening of het een storing betreft in de particuliere afvoerleiding of in de perceelaansluitleiding.