201215 - Besluitenlijst Raadsvergadering 15 december 2020.docx
Tekst van het document
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting op roerende woon- of bedrijfsruimten. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 3 VERORDENING op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2021 (Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2021). Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven terzake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 2 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degenen die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangemerkt: a. bij gebruik door meer leden van een huishouden: een lid van een huishouden; b. bij gebruik van delen van een perceel: degene die de delen van het perceel in gebruik heeft gegeven; c.
bij ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel voor volgtijdig gebruik
ter beschikking heeft gesteld. Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt: a. door 1 persoon € 236,28 b. door 2 personen € 268,20 c. door 3 personen € 294,72 d. door 4 of meer personen € 346,80 2. Het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. Artikel 4 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 5 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt: a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari, maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 4 VERORDENING op de heffing en de invordering van rioolheffing 2021 (Verordening rioolheffing Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in
c. d.
e.
beheer of in onderhoud bij de gemeente; water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; woning: een onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet met dien verstande dat daartoe ook die gedeelten van een onroerende zaak behoren die als perceel kunnen worden aangemerkt en waarvan de waarde ingevolge artikel 220e van de Gemeentewet buiten de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelastingen wordt gelaten; niet-woning: elke onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan die niet als woning is aan te merken als voornoemd.
Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijke afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "rioolheffing" wordt geheven: a. een heffing van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is als woning van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel; b. een heffing van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel. 2. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruikt; b.
ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. 3.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft
4.
gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, ingeval het eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Belastingobject 1. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet. 2. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak, niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt als woning: a. door 1 persoon € 110,40; b. door 2 personen € 156,24; c. door 3 personen € 193,20; d. door 4 of meer personen € 264,84. 2.
Het aantal personen, als bedoeld in het eerste lid, dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. 4. De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het eigendom als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken en bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient 0,0738%. 5. De belasting van niet-woningen wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2021. 6. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 7. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de eigenaar die het genot heeft van een perceel krachtens eigendom, bezit of beperkt recht vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. 8.
Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikel 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald
in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt: a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari, maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening rioolheffing Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 5 VERORDENING op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2021 (Verordening hondenbelasting Lelystad 2021).
Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam “hondenbelasting” wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van een hond.
2. 3.
Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
Artikel 3 Vrijstellingen 1. In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. 2. De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: a. die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden of die hiervoor in opleiding zijn; b. waarbij de houder van de hulphond de daartoe verstrekte machtiging afgegeven door de zorgverzekeraar kan overleggen; c. die verblijven in een hondenasiel; d. waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging, mits de houder zich verbindt zijn hond met een geleider, aan wiens bevelen hij gehoorzaamt, op aanvraag ter beschikking van de politie te stellen; e. die jonger zijn dan 6 maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden. Artikel 5 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per hond per belastingjaar € 93,00 2.
In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de belasting voor honden gehouden in kennels die zijn geregistreerd bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland niet meer dan € 372,00. 3.
Eveneens in afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, niet meer dan € 372,00.
Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Aangifte 1. Ieder die bij aanvang van een belastingjaar houder is van één of meer honden, is gehouden binnen 4 weken aangifte hiervan te doen, tenzij aan de belastingplichtige reeds een aangiftebiljet is uitgereikt of reeds een aanslag is opgelegd. 2. Indien in de loop van het belastingjaar de belastingplicht ontstaat dan wel het aantal honden dat door de belastingplichtige wordt gehouden een wijziging ondergaat, dient de
belastingplichtige binnen 4 weken na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, aangifte hiervan te doen. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting terzake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt: a. indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari, maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; b.
in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen hondenbelasting en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de hondenbelasting. Artikel 12 Geen kwijtschelding
Bij de invordering van de hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening hondenbelasting Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening hondenbelasting Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 6 VERORDENING op de heffing en de invordering van marktgelden 2021 (Verordening marktgelden Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. standplaats : de op en voor de duur van een markt door het bevoegd gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel; b. vaste-standplaats : een standplaats die tot wederopzegging beschikbaar wordt gesteld; c. dagplaats : een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld; d. standplaatshouder : ieder aan wie door het college van de gemeente Lelystad of de marktmeester het is toegestaan om gedurende een markt een standplaats te bezetten; e. marktdag : de dag waarop de markt gehouden wordt, waarbij de voor de markt bestemde dagen afzonderlijk beschouwd worden; f. weekmarkten : de markten die in de regel wekelijks op dinsdag en zaterdag worden gehouden in respectievelijk het “Lelycentre” en het “Stadshart”; g. jaarmarkt : de in de regel in april van een jaar te houden jaarmarkt voor de verkoop van tuinartikelen en andere jaarmarkten; h. een kwartaal : een kalenderkwartaal; i. een halfjaar : een kalenderhalfjaar; j. een jaar : een kalenderjaar. Artikel 2 Aard van de heffing Onder de naam van “marktgeld” wordt voor het innemen van een standplaats op een markt een recht geheven.
Artikel 3 Belastingplicht Het marktgeld wordt geheven van degene die een standplaats op een markt inneemt. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een weekmarkt wordt geheven over de frontbreedte van de standplaats; deze frontbreedte wordt uitgedrukt in strekkende meters (m). Indien de oppervlakte van de standplaats in
2.
vierkante meters meer bedraagt dan 5 maal de frontbreedte, wordt voor iedere 5 vierkante meter overschrijding een extra strekkende meter in rekening gebracht. Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een jaarmarkt wordt geheven over het aantal vierkante meters (m2 ) dat de standplaats beslaat.
Artikel 5 Standplaatstarieven 1. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 2,15 per strekkende meter met een minimum van € 8,50. 2. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van: a. een kwartaal: € 21,30 per strekkende meter, met een minimum van € 86,95; b. een halfjaar: € 41,20 per strekkende meter, met een minimum van € 164,75; c. een jaar: € 80,65 per strekkende meter, met een minimum van € 322,60. 3. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 3,40 per strekkende meter met een minimum van € 13,90. 4. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van: a. een kwartaal: € 37,30 per strekkende meter, met een minimum van € 15 1,85; b. een halfjaar: € 70,35 per strekkende meter, met een minimum van € 28 6,95; c. een jaar: €135,53 per strekkende meter, met een minimum van € 55 2,65. Artikel 6 Heffingstijdvak voor vaste-standplaatshouders 1.
Het marktgeld van de vaste-standplaatshouders op de weekmarkten wordt geheven over een heffingstijdvak van een kwartaal, een halfjaar of een jaar en naar de daarbij in het tweede en vierde lid van artikel 5 vermelde tarieven. 2. De keuze van het heffingstijdvak berust bij de belastingplichtige, die deze keuze ten minste drie weken voor de aanvang van het door hem gewenste heffingstijdvak schriftelijk aan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar moet mededelen. 3. In het geval de mededeling bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet of niet tijdig wordt gedaan, wordt het marktgeld over een heffingstijdvak van een kwartaal geheven. 4. Een eerder gekozen heffingstijdvak kan door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar op aanvraag van de belastingplichtige worden gewijzigd, mits de belastingplichtige dit drie weken vóór de aanvang van het nieuwe heffingstijdvak schriftelijk aanvraagt. 5. Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van het heffingstijdvak aanvangt, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel het marktgeld voor dat heffingstijdvak geheven naar de tarieven als vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5.
Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld 1. Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 is verschuldigd op het tijdstip waarop de standplaats wordt ingenomen. 2. Het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 is verschuldigd bij de aanvang van een heffingstijdvak. Artikel 8 Wijze van heffen 1. Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, (digitale) nota of andere schriftuur. 2. Het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 worden betaald ingeval de kennisgeving: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen van het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden van dit artikel gestelde termijnen.
Artikel 10 Ontheffing Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van een heffingstijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend van het voor dat tijdvak berekende marktgeld naar rato van het aantal marktdagen dat na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht in dat tijdvak overblijft en het totaal aantal marktdagen in dat tijdvak. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de marktgelden. Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van de marktgelden wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening marktgelden Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening marktgelden Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 7 REGELING tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de ambulante handel 2021 (Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2021).
Artikel 1 Omzetbelasting 1. De bedragen van artikel 2, onderdeel 1 tot en met 6 zijn exclusief omzetbelasting. 2. De bedragen van artikel 3, onderdeel 1 tot en met 5 zijn exclusief omzetbelasting. Artikel 2 Tarieven 1. Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende 1 dag in de week bedraagt per kwartaal: in het Stadshart € 496,10; in het Lelycentre € 375,65 in de overige gebieden € 296,65. 2. Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende meerdere dagen per week bedraagt per kwartaal: in het Stadshart € 616,50; in het Lelycentre € 496,10; in de overige gebieden € 388,90. 3. Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van oliebollen bedraagt per week: in het Stadshart € 83,60; in het Lelycentre € 63,35; in de overige gebieden € 46,55; 4. Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van kerstbomen bedraagt per in de daartoe verleende vergunning opgenomen periode: in het Stadshart € 656,60; in het Lelycentre € 492,20; in de overige gebieden € 395,55. 5. Het tarief voor de huur van een standplaats door overige commerciële gebruikers bedraagt per dag: in het Stadshart € 26,45; in het Lelycentre € 21,60; in de overige gebieden € 17,05. 6.
Het tarief voor de huur van openbare grond ten behoeve van een particuliere markt gedurende 1 dag in de week bedraagt per kwartaal: in het Stadshart € 466,10; in het Lelycentre € 388,90 in de overige gebieden € 296,65. Artikel 3 Overige tarieven 1 De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de dinsdagmarkt naar . verbruikt vermogen worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht.
Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven: - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 1,90; - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 3,70; - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 5,60; - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 7,50; Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. 2 De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de zaterdagmarkt naar . verbruikt vermogen worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven: - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,90; - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,80; - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,70; - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,60; Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. 3 De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de standplaatsen als .
bedoeld in artikel 5:17 en van de vigerende Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Lelystad naar verbruikt vermogen worden per dag bij de afnemer als volgt in rekening gebracht, met een maximum tarief van twee dagen per locatie per week: - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,90; - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,80; - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,70; - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,60; Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. 4 De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom voor incidentele . standplaatsen en evenementen Worden per stroomkast bij de afnemer als volgt in rekening gebracht: - per evenement/vergunning voor het openen en sluiten van een stroomkast: € 25,00; - per dag voor het stroomverbruik tot 4000 watt: € 11,60; - per extra 1000 watt of deel daarvan: € 5,80. 5 De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom ten behoeve van een . particuliere markt worden bij de houder van de marktorganisatievergunning per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het onderstaande dagtarief in rekening wordt gebracht: - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt € 2,90;
- stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt € 5,80; - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 8,70; - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,60; Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht.
Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De tarieven uit dit besluit zullen gelden met ingang van 1 januari 2021. 4. Dit besluit kan worden aangehaald als “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 8 VERORDENING op de heffing en de invordering van leges 2021 (Legesverordening Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. “dag” : de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; b. “week” : een aaneengesloten periode van zeven dagen; c. “maand” : het tijdvak dat loopt van de eerste dag in een kalendermaand tot de eerste dag in de volgende kalendermaand; d. “jaar” : het tijdvak dat loopt van de eerste dag in een kalenderjaar tot de eerste dag in het volgende kalenderjaar; e. “kalenderjaar” : de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 2 Belastbaar feit 1. Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor: a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten; b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument; een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. 2.
Hetgeen in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel is bepaald over een Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is van overeenkomstige toepassing op een vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon. Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst of van de Nederlandse identiteitskaart of het reisdocument, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.
Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; b. het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen; c. diensten die ingevolge wettelijk voorschrift zijn vrijgesteld van rechtenheffing of kosteloos moeten worden verleend; d. vergunningsvrije (ver)bouwwerkzaamheden die bij gemeentelijke monumenten vergunningsplichtig zijn. Artikel 5 Tarieven 1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. 3. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 6 Wijze van heffing De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Teruggaaf 1. Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges terzake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling. 2. Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de teruggaaf van leges, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een vermindering van de belastingaanslag.
Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Legesverordening Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Legesverordening Lelystad 2021”.
Nummer: 322 / 9 VERORDENING op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2021 (Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. begraafplaats : de algemene begraafplaats te Lelystad; b. eigen graf : een graf, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: - het doen begraven en begraven houden van overledenen; - het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; c. algemeen graf : een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder de gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van overledenen; d. eigen urnengraf : een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten of bijgezet houden van twee asbussen met of zonder urnen; e. algemeen urnengraf : een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen; f. asbus : een bus ter berging van de as van een overledene; g. urnennis : een nis, waarvoor voor onbepaalde tijd het recht is verkregen tot het doen bijzetten of bijgezet houden van asbussen of urnen; h. urn : een voorwerp ter berging van één of meer asbussen; i.
verstrooiingsplaats : een permanent daartoe bestemd terrein waarop as wordt verstrooid, dan wel een plaats waar voor bepaalde of onbepaalde tijd het recht is verleend om as te doen verstrooien; j. wandgraf :een bovengronds graf in een daartoe bestemde wand op de begraafplaats waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het begraven van een overledene; k. jaar : een periode van 365 dagen.
Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats.
Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 4 Vrijstelling De rechten worden niet geheven voor het begraven van doodgeboren kinderen of van overleden zuigelingen die met de overleden moeder in één kist worden begraven of gecremeerd. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 6 Belastingtijdvak 1. Het belastingtijdvak voor de rechten genoemd in hoofdstuk 2, de onderdelen 2.1, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3 en 3.5 van de tarieventabel is gelijk aan de periode waarover wordt afgekocht. 2. Na afloop van deze belastingtijdvakken worden de vorenbedoelde rechten niet opnieuw geheven. Artikel 7 Wijze van heffing De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld De rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening, bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen of bij de aanvang van het belastingtijdvak. Artikel 9 Termijn van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn. Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel
1.
2. 3. 4.
De “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2021”.
Tarieventabel bij Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2021 1. Begraafrechten Begraven en bijzetten Tarief 2021 1.1.
Voor het begraven van een overledene van 12 jaar of ouder wordt geheven
€ 959,00
1.2.
1.3.
1.4.
1.5.
1.6.
1.7
Voor het begraven van een overledene beneden de leeftijd van 12 jaar wordt geheven
€
858,00
Voor het bijzetten van een asbus of urn in een urnengraf wordt geheven
€
487,00
Voor het bijzetten van een asbus of urn in een urnennis wordt, indien deze bijzetting in aanwezigheid van nabestaanden geschiedt, geheven
€
154,00
Voor het bijzetten van een asbus of urn in een urnennis wordt, indien deze bijzetting niet in aanwezigheid van nabestaanden geschiedt, geheven
€
41,00
€
84,00
€
389,00
Voor het afhalen en/of opbrengen van een gedenkteken van een eigen graf ten behoeve van een 2e bijzetting in dat graf wordt geheven Voor het begraven van een overledene in een wandgraf wordt geheven
Lichten en herbegraven 1.8.
Voor het lichten van een overledene wordt geheven
€
954,00
1.8.1.
Voor het na lichting weer begraven in hetzelfde graf wordt geheven
€
244,00
1.8.2.
Voor het na lichting opnieuw begraven in een ander graf wordt het recht geheven naar de tarieven vermeld in de onderdelen 1.1 en 1.2
1.9.
Voor het lichten van een asbus of urn uit een urnengraf wordt geheven
1.9.1.
Voor het na lichting weer bijzetten in hetzelfde urnengraf wordt geheven
1.9.2.
Voor het na lichting weer bijzetten in een ander urnengraf wordt het recht geheven naar het tarief vermeld in onderdeel 1.3
1.9.3.
Voor het lichten van een asbus of urn uit een urnennis wordt geheven
1.9.4. 1.9.5.
Voor het na lichting weer bijzetten in dezelfde urnennis wordt geheven Voor het na lichting weer bijzetten in een andere urnennis wordt het recht geheven naar de tarieven vermeld in de onderdelen 1.4 en 1.5
€
487,00
€
163,00
€
41,00
€
41,00
€
1.548,00
Diensten verricht op buitengewone uren worden verhoogd met: 25% 50% 50% 100% 100%
voor diensten verricht van maandag tot en met vrijdag van 16:00 tot en met 17:00 uur; voor diensten verricht van maandag tot en met vrijdag van 17:00 tot en met 19:00 uur; voor diensten verricht op zaterdag van 09:00 tot en met 12:00 uur; voor diensten verricht op zaterdag van 12:00 tot en met 16:00 uur; Voor diensten verricht op zondag en algemene feestdagen.
2. De aanleg en onderhoudsrechten 2.1.
2.1.0.
Voor het begraven van een overledene of het bijzetten van een asbus of urn in een eigen graf wordt in de vorm van een afkoopsom voor een periode van 20 jaren een begraafplaatsrecht geheven van Het onder 2.1 vermelde recht wordt verhoogd met 100% indien het een begraving betreft waarbij een overledene in zittende houding wordt begraven
waardoor het bovengraf niet meer benut kan worden 2.1.1.
2.1.2.
Voor het bijzetten van een asbus of urn in een algemeen of eigen urnengraf wordt in de vorm van een afkoopsom voor een periode van 10 jaren een begraafplaatsrecht geheven van
€
Voor het begraven van een overledene in een wandgraf wordt in de vorm van een afkoopsom voor een periode van
€ 1.227,00
10 jaren een begraafplaatsrecht geheven van 2.1.3.
2.2.
2.2.1.
2.2.2.
386,00
Voor het begraven van een overledene of het bijzetten van een asbus of urn in een algemeen graf wordt in de vorm van een afkoopsom voor een periode van 10 jaren een begraafplaatsrecht geheven van
€
773,00
Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een periode van 20 jaren tot het doen begraven en begraven houden van overledenen of het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen in een eigen graf wordt bij de eerste begraving of bijzetting in dat eigen graf een grafrecht geheven van
€
773,00
Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een periode van 20 jaren tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen in een eigen urnengraf wordt bij de eerste bijzetting in dat eigen urnengraf een grafrecht geheven van
€
386,00
€
773,00
Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een periode van 10 jaren tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen in een urnennis wordt bij de eerste bijzetting in de urnennis een urnennisrecht geheven van
2.2.3.
Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een periode van 20 jaren tot het doen begraven en begraven houden van overledenen in een wandgraf wordt een grafrecht geheven van € 1.983,00
2.3.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlenging van het in de onderdelen 2.2. en 2.2.1.
bedoelde uitsluitend recht met een periode van 10 jaren, worden dezelfde tarieven geheven als bij die onderdelen staan vermeld. 2.3.1.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlenging van het in onderdeel 2.2.2. bedoelde recht met een periode van 5 jaren, wordt 50% geheven van het tarief dat bij dat onderdeel staat vermeld.
Strooirecht en verstrooiingsrecht 2.4.
2.5.
Voor het gebruik van de verstrooiingsplaats wordt indien hierbij nabestaanden aanwezig zijn, per verstrooiing van de as van één gecremeerde overledene een strooirecht geheven van
€
119,00
Voor het verkrijgen van het recht op een verstrooiingsplaats wordt geheven
€
79,00
€
139,00
€
106,00
€
16,00
€
42,00
3. Overige rechten 3.1.
3.2.
3.3.
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het aanbrengen van een gedenkteken wordt geheven Voor het door of vanwege de gemeente aanbrengen van een herdenkingsplaatje met naamsvermelding ten behoeve van de gedachtenisplek voor een periode van tien jaren wordt geheven Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot overschrijving van een uitsluitend recht zoals vermeld in de onderdelen 2.2, 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 wordt geheven
Onderhoud grafbeplanting 3.4.
3.5.
Voor het door of vanwege de gemeente aanbrengen en onderhouden van de grafbeplanting wordt per jaar geheven
Het onder 3.4. bedoeld recht kan voor een periode van 10 jaren worden afgekocht. De afkoopsom wordt vastgesteld door middel van de berekening van de contante waarde van de onderhoudskosten voor de periode waarover wordt afgekocht.
Bij deze berekening wordt uitgegaan van een kostenstijgingspercentage van het prijsindexcijfer per jaar.
€
413,00
Nummer: 322 / 10 VERORDENING op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2021 (Verordening reclamebelasting Stadshart Lelystad 2021). Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen, logos, of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij directe of indirecte steun vindt in of op de grond; c. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; d. vestiging: een onroerende zaak als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken of een roerende zaak als bedoeld in de Gemeentewet, die duurzaam wordt gebruikt voor het aanbieden van goederen of diensten (met een winstoogmerk) daaronder begrepen winkels en horeca; e. onroerende zaak: de onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; f. roerende zaak: de roerende zaak als bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet; g. jaar: een kalenderjaar; h. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad; i. stichting: Stichting Hart voor Lelystad; j. subsidie: een subsidie zoals bedoeld in het convenant; k.
subsidiebeschikking: de beschikking waarmee de subsidie wordt verleend; l. convenant: de tussen de gemeente Lelystad en de Stichting Hart voor Lelystad gesloten uitvoerings- overeenkomst. Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage 1, een direct belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is van de openbare weg. Artikel 3. Belastingplicht 1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is als een onroerende of roerende zaak die de openbare aankondiging heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie de openbare aankondiging is aangebracht, welke verwijst naar een vestiging gelegen in het gebied in artikel 2 van deze verordening, waarop en waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen. 2. Met betrekking tot de reclamebelasting als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruikt; b. ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.
Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Belastingobject Onder de naam “reclamebelasting” wordt een belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen welke zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de betreffende onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2021. 2. Het tarief van de reclamebelasting bedraagt voor de onroerende zaak € 2,90 per €1.000,- van de vastgestelde WOZ-waarde. 3. Het tarief van de reclamebelasting bedraagt voor de roerende zaak een vast bedrag € 400,00. 4. De reclamebelasting bedraagt minimaal € 400,00 en maximaal € 1.425,00. 5.
Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 7 Wijze van heffing De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel gedeelten van de voor dat jaar geldende tarief als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 9 Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor: a.
een openbare aankondiging door publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak; b. politieke aankondigingen ten tijde van de verkiezingen of aankondigingen van culturele en maatschappelijke aard of aankondigingen van niet-commerciële en tijdelijke aard; c. openbare aankondigingen die uitsluitend het openbaar belang dienen; d. openbare aankondigingen die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en
betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel doel dienen; e. openbare aankondigingen van politieke partijen; f. openbare aankondigingen die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; g. openbare aankondigingen op bouwterreinen voor zover deze rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; h. openbare aankondigingen die met vermelding van een tussenpersoon zijn gedaan in verband met de verhuur of de verkoop van een onroerende zaak. Artikel 10 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag worden betaald in zes termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de reclamebelastingen.
Artikel 13 Verhouding Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad 1. De Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad is van toepassing op subsidies die ten laste van de ontvangen heffingen op grond van deze verordening komen. 2. Voor zover deze verordening afwijkt van de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad dan wel toepassing van de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad en bijbehorende besluiten strijdig zou zijn met deze verordening, prevaleert hetgeen in deze verordening is bepaald. Artikel 14 Aanwijzing stichting De stichting wordt aangewezen als de partij die op grond van deze verordening subsidie kan aanvragen. Artikel 15 Subsidie aanvraag 1. De subsidie wordt jaarlijks verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Subsidiebeschikking en het gesloten convenant. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag. 2. Een aanvraag om een subsidie kan worden ingediend vanaf 1 augustus tot uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Voor het jaar 2021 wordt daarvan afgeweken en dient de aanvraag uiterlijk 1 februari 2021 ingediend te zijn. 3. Een aanvraag om subsidie die betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de verordening in werking is getreden, wordt afgewezen. Artikel 16 Subsidieverlening 1.