CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

201215 - Besluitenlijst Raadsvergadering 15 december 2020.docx

Raadsvergadering 26 januari 2021, gemeente LelystadBij agendapunt: Besluitenlijst van de raadsvergadering van 15 december 202023.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Besluitenlijst Raadsvergadering Subtitel Datum Tijd Locatie Voorzitter Aanwezigen

Afwezigen Toelichting

Raadsvergadering 15 december 2020 15-12-2020 21:00 - 23:00 Raadzaal Burgemeester Meijdam Murat Aktan, Meral Aktan, B. Belhaj, D.B.J. Bergman, G.J. Boertjens , M.C. Boogaard, W.H. Botter, K.A. Dreesman, J. Erbé, S. van Erk, D.A. Grimbergen, F. Grin, E. van der Herberg, M.B.A.C. Hermus-Broeders, E. Hers, J. Hijmissen, J.J.P. van der Hoek, A. Höke, M. Jacobs-Haagen, S. Kruis, E.J.G. van Luxemburg, A. Messelink-Dijkstra, N. Outhuijse, R. Ros, B. Schopman, H. Schraa, A.Y. Sprong, A. van Stormbroek, S. Verbeek, F.J.C. Volmer, M.J. van de Watering, M.M. Wijngaard, A. Wilcke en S.H. de Wilde O. Niezen-Vos Raadsvergadering 15 december 2020

0

Gelegenheid tot inspreken over niet-geagendeerde onderwerpen

1

Opening

2

Vaststelling agenda Agendapunt 5a6 wordt doorgeschoven naar de volgende raadsvergadering. Agendapunt 8a ‘Vasstellen verschillende belastingverordeningen en tarievenregeling 2021’ wordt agendapunt 9g, vanwege een amendement van de VVD. Bij agendapunt 8f, de decembernotitie, wordt het addendum onderdeel van het voorstel dat ter besluitvorming voorligt. Het bij agendapunt 9.f aangekondigde amendement ‘Aanleggen laadinfrastructuur’ van D66 wordt ingetrokken.

3

Mededelingen

4

Besluitenlijsten van de raadsvergadering van 27 oktober en 10 november 2020, 17 november 2020 en 1 december 2020 De besluitenlijsten worden conform vastgesteld. Mevrouw Erbé geeft aan dat zij tijdens de vergadering van 10 november bij de behandeling van de programmabegroting bij amendement 8a15 ‘Aanpassen risicoparagraaf door opnemen nieuw risico gevolgen pandemie’, tegen heeft gestemd, waar dat voor had moeten zijn. De heer Wijngaard geeft aan dat hij tijdens de vergadering van 1 december bij agendapunt 7a2 tegen het amendement van GL ‘Elektrisch vervoer en waterstof’, heeft gestemd, waar dat voor had moeten zijn.

5

Stukkenlijst

5.a

Aangeboden stukken Besluit

De lijst met aangeboden stukken wordt ongewijzigd vastgesteld. De motie van D66 en GroenLinks inzake Programmaplannen sociaal domein wordt verworpen met 24 stemmen tegen en de stemmen van #JONGLELYSTAD, ChristenUnie, D66, DENK en GroenLinks voor. 5.b

Ingekomen stukken Besluit De lijst met ingekomen stukken wordt ongewijzigd vastgesteld.

6

283. Beantwoording schriftelijke vragen PvdA over de leegstand winkelpanden

7

293. Beantwoording Schriftelijke vragen PvdA over implementatie van de wet inburgering De motie van PvdA inzake inburgeringsbeleid wordt aangenomen met 29 stemmen voor en de stemmen Mooi Lelystad, PVV en 1 stel van de VVD tegen en roept het college op: De raad te informeren: 1. Hoe het nieuwe lokale inburgeringsbeleid zal afwijken van (en verbeteren op) het landelijke beleid van de afgelopen jaren; 2. Hoe inburgering, en met name de zelfredzaamheidsroute, wordt ingebed in (het integraal werken in) het sociaal domein; - De raad in de gelegenheid te stellen om een zienswijze te geven op in ieder geval de volgende punten: 1. De keuze om (delen van) de uitvoering, zoals financieel ontzorgen of taalonderwijs, zelf uit te voeren, dan wel uit te besteden aan lokale samenwerkingspartners, dan wel uit te besteden aan marktpartijen; 2. De invulling van de regievoering door de gemeente; - Dit zodanig tijdig te doen dat eventuele zienswijzen nog kunnen worden meegenomen in het vanaf 1 januari 2022 te voeren beleid; En gaat over tot de orde van de dag.

8

Vaststellen A-stukken

8.a.1

322. Vaststellen van verschillende belastingverordeningen en tarievenregeling 2021 Zie agendapunt 9g.

8.a.2

362. Informatienota besluitvorming programmabegroting/tarievennota 2021 Zie agendapunt 9g.

8.b

330. Actualiseren inkomensondersteunende maatregelenverordening Besluit gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet; gelet op artikel 1:13 Wet kinderopvang gezien het advies van de cliëntenraad sociaal domein Lelystad;

De verordening 'Inkomensondersteunende maatregelen Lelystad 2021' vast te stellen.

Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2021 Hoofdstuk 1: individuele inkomenstoeslag Artikel 1. Begrippen 1. Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. 2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b. peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c. referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum. d. de wet: de Participatiewet Artikel 2. Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld formulier. Artikel 3. Langdurig laag inkomen 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 2. De in lid 1 genoemde bijstandsnorm wordt voor alleenstaande ouders verhoogd met 20% van het wettelijk minimum referentieloon. Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a.

voor gehuwden: 25% van de op 1 januari van de in het jaar waarin de aanvraag is ingediend, geldende gehuwdennorm, bedoeld in artikel 21 onder b van de Participatiewet; b. voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden; c. voor een alleenstaande: 70% van de van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden; en wordt afgerond op een veelvoud van € 5,00. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag op grond van de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. Hoofdstuk 2: Tegemoetkoming kosten kinderopvang Artikel 5. Begripsbepaling 1. Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Kinderopvang, Besluit kinderopvangtoeslag en de Algemene wet bestuursrecht. 2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b. de wet: de Wet kinderopvang c.

een ouder: degene die overeenkomstig artikel 1.1 van de wet die binnen de doelgroep valt van artikel 1.6 van de wet met uitzondering van onderdelen a, b, f, g, h, en i dan wel voor wie op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang

noodzakelijk is; d. sociaal medische indicatie: een door een onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid verstrekte indicatie dat kinderopvang op grond van sociale dan wel medische gronden noodzakelijk is voor het kind of de ouders. Met een sociaal medische indicatie wordt gelijk gesteld een verklaring van een behandelaar, waaruit onomstotelijk blijkt dat kinderopvangnoodzakelijk is; Artikel 6. Te verstrekken gegevens bij de aanvraag 1. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat: a. naam, adres en burgerservicenummer van de ouder; b. indien van toepassing: naam en burgerservicenummer van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; c. naam, geboortedatum en burgerservicenummer van het kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft; d. een offerte of contract van het bij wet geregistreerde kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang; e. gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de in artikel 5 onder b van deze verordening gestelde doelgroep; f.

voor een aanvraag op grond van sociaal medische indicatie: een indicatie zoals gesteld in artikel 5 onder c van deze verordening; g. overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. 2. Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 3. Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner. Artikel 7. Inhoud van de beschikking Het besluit tot verlening van de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang bevat in ieder geval: a. de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder behoort; b. de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft; c. de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de kinderopvang plaatsvindt; d. de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend; e. de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; f. de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; g. de verplichtingen van de ouder. Artikel 8. Verlagings- en weigeringsgronden 1.

Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaalmedische indicatie vast te stellen indien de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; 2. Het college verlaagt de tegemoetkoming op grond van de sociaal medische indicatie indien de ouder of de partner een inkomen hebben welke hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm; Artikel 9. Ingangsdatum van de tegemoetkoming 1. De tegemoetkoming wordt, behoudens in bijzondere gevallen, niet eerder verleend dan met ingang van 3 kalendermaanden voor de datum waarop de aanvraag voor de

tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen. 2. Als nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden. Artikel 10. De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend 1. De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een tegemoetkomingsjaar. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. Artikel 11. Omvang van de tegemoetkoming 1. Voor ouders met Sociaal medische indicatie is de omvang van de tegemoetkoming voor kosten van kinderopvang gemaximeerd tot 5 dagdelen per week. 2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt maximaal het percentage van de kosten bedoeld in bijlage I, behorende bij artikel 6 van het Besluit kinderopvangtoeslag voor het kind dat de duurste opvang heeft, en vervolgens 100% van de kosten van kinderopvang voor de volgende kinderen. 3. Ouders als bedoeld in artikel 1.6 onder c, e en j maken geen aanspraak op een tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang voor het eerste kind, wanneer zij een kinderopvangtoeslag van de belastingdienst ontvangen. Voor de volgende kinderen wordt de kinderopvangtoeslag aangevuld met een tegemoetkoming tot maximaal 100% van de kosten van kinderopvang. 4.

In afwijking van het derde lid kan het college besluiten naast de kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming voor het eerste kind te verlenen tot maximaal 100% van de kosten van kinderopvang, wanneer dit de arbeidsinschakeling dan wel re-integratie van de ouder ten goede komt. Artikel 12. De bevoorschotting van de tegemoetkoming 1. De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen uitbetaald. 2. Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van bevoorschotting. Artikel 13. Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming 1. De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. 2. Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast. Artikel 14. Verrekening met de voorschotten De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. Artikel 15. Inlichtingenplicht 1. De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming. 2.

De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. Hoofdstuk 5: Slotbepalingen Artikel 16. Andere maatregelen Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening andere

inkomensondersteunende maatregelen in nadere regelgeving vaststellen. Artikel 17. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 18. Intrekken oude verordening Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2015 wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop deze verordening in werking treedt. Artikel 19. Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend onder de Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de betreffende ingetrokken verordening, tenzij toepassing van deze verordening gunstiger is voor de aanvrager. 2. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2015, wordt beslist met inachtneming van de betreffende ingetrokken verordening, tenzij toepassing van deze verordening gunstiger is voor de aanvrager. Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2021. Het voorstel wordt unaniem aangenomen. 8.c

331. Evaluatie verbonden partijen 2020 Besluit Kennis te nemen van de Evaluatie verbonden partijen 2020 en te besluiten: 1.a de deelname aan de verbonden partijen, met uitzondering van de hierna genoemde partijen, ongewijzigd voort te zetten; 1.b De afweging over de deelneming in N.V. Sportbedrijf Lelystad te herzien op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de rekenkamer middels een separaat voorstel. 1.c. Conform eerdere besluitvorming bij de programmabegroting 2021-2024, besluitpunt 40.a, de deelname aan de stichting Lelystad Partners (CML) niet langer te continueren. Het voorstel wordt unaniem aangenomen.

8.d

334. Verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening Besluit gelet op artikel 108, tweede lid jo. artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, gelet op artikel 4a derde lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, gelet op artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht, Besluit Vast te stellen de Verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening Lelystad 2021 Artikel 1. Begrippen

 College: college van burgemeester en wethouders;  Inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven;  Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;  Schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;  Eerste gesprek: Het eerste gesprek waarin de schriftelijke of mondelinge hulpvraag wordt vastgesteld;  Verzoeker: persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening. Artikel 2. Beschikkingstermijn De beschikking tot schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 4a, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, dan wel de afwijzing of beëindiging ervan, wordt door het college gegeven binnen acht weken na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening Lelystad 2021. Het voorstel wordt unaniem aangenomen. 8.e

335. Compensatie coronamaatregelen gemeente via gemeentefonds Besluit Voorgesteld wordt de compensatie van de coronamaatregelen via het gemeentefonds in de begroting 2020 als volgt te verwerken: 1. Het toegekende compensatiebedrag van €520.000 onder de noemer ‘lokale culturele voorzieningen’ toe te voegen aan taakveld ‘5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie’ en door te schuiven naar 2021 voor besteding van de middelen. 2. Het compensatiebedrag van €332.000 onder de noemer ‘Incidenteel schrappen opschalingskorting’ toe te voegen aan taakveld ‘0.8 Algemene baten en lasten’. 3. Het compensatiebedrag van €214.000 en eventuele extra middelen die in de decembercirculaire worden ontvangen onder de noemer ‘Inhaalzorg/ meerkosten Jeugdzorg’ toe te voegen aan taakveld ‘6.72 Maatwerkdienstverlening 18-’. 4. Het compensatiebedrag van €60.000 en eventuele extra middelen die in de decembercirculaire worden ontvangen onder de noemer ‘Inhaalzorg/ meerkosten Wmo’ toe te voegen aan taakveld ‘6.71 Maatwerkdienstverlening 18+’. 5. Het compensatiebedrag van €89.000 onder de noemer ‘Buurt- en dorpshuizen’ toe te voegen aan taakveld ‘6.1 Samenkracht en burgerparticipatie’ 6.

Het compensatiebedrag van €37.000 onder de noemer ‘Vrijwilligersorganisaties jeugd’ toe te voegen aan taakveld ‘5.1 Sportbeleid en activering’ en bij onderbesteding in 2020 het resterende bedrag door te schuiven naar 2021. 7. Het compensatiebedrag van €192.000 onder de noemer ‘Toezicht en handhaving’ voor de helft toe te voegen aan taakveld ‘1.2 Openbare orde en veiligheid’ en voor de andere helft toe te voegen aan taakveld ‘7.3 Afval (handhaving afvalstoffen)’. 8. Het compensatiebedrag van €94.000 onder de noemer ‘Precariobelasting en markt- en evenementenleges’ toe te voegen aan taakveld ‘3.3 Bedrijfsloket en bedrijfsregelingen’. 9. Het compensatiebedrag van €40.000 onder de noemer ‘Voorschoolse opvang peuters’ toe te voegen aan taakveld 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingenzaken.

10. Het compensatiebedrag van €110.000 onder de noemer ‘Noodopvang kinderen van ouders met cruciaal beroep’ toe te voegen aan taakveld 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingenzaken. 11. Het compensatiebedrag van €96.000 onder de noemer ‘Eigen bijdrage Wmo’ toe te voegen aan taakveld ‘6.71 Maatwerkdienstverlening 18+’. 12. Het compensatiebedrag van €117.000 onder de noemer ‘Extra kosten verkiezingen 2020 en 2021’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan taakveld ‘0.2 Burgerzaken’. 13. Het compensatiebedrag van €272.000 onder de noemer ‘Compensatie parkeerbelasting’ toe te voegen aan taakveld ‘0.63 Parkeerbelasting’. 14. Het compensatiebedrag van €695.000 onder de noemer ‘Sociale werkbedrijven’ toe te voegen aan taakveld ‘6.4 Begeleide participatie’. 15. Het compensatiebedrag dat bekend wordt gemaakt in de decembercirculaire 2020 onder de noemer ‘Dienstverlening bijstandsgerechtigden’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan de taakvelden ‘6.3 Inkomensregelingen en 6.5 Arbeidsparticipatie’. 16. Het compensatiebedrag dat bekend wordt gemaakt in de decembercirculaire 2020 onder de noemer ‘Gemeentelijk schuldenbeleid’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan de taakvelden ‘6.1 Samenkracht en burgerparticipatie’. Het voorstel wordt unaniem aangenomen. 8.f.1

323. Decembernotitie 2020 Besluit De onder de volgende categorieën in de decembernotitie 2020 voorgestelde wijzigingen op de begroting vast te stellen: Categorie 1: Volumewijziging van de begroting 2020: Actualisatie Budgetten op basis van bijdrage derden 1. Afrekening Beschermd wonen 2020 + € 811.382 in 2020 2. G40 stedennetwerk + € 1.112.480 in 2020 3. Lokaal transformatiefond WMO beschermd wonen + € 187.000 in 2020 en + € 187.000 in 2021 4. Omgaan met onbegrepen gedrag voor interne medewerkers + € 24.700 in 2020 5. Ontwikkelcapaciteit versnelling woningbouw - € 1.000.000 in 2020 en - € 1.000.000 in 2021 6. Regionale inzet zorglandschap WMO + € 62.500 in 2020 7. Windplan - € 87.500 in 2020, - € 87.500 in 2021, - € 87.500 in 2022 en - € 87.500 in 2023 8. Woonmarketing + € 100.000 in 2020 Decentralisatie- en integratie uitkeringen uit het gemeentefonds

9. Brede aanpak dak- en thuislozen (DU) + € 17.628 in 2020 10. Brede impuls combinatiefuncties (DU) + € 44.000 in 2020 11. Gezond in de stad (DU) + € 7.000 in 2020 12. Inburgering (IU) + € 155.000 in 2020 13. Maatschappelijke begeleiding statushouders (DU) + € 23.700 in 2020 14. Participatie (IU) + € 284.949 in 2020 15. Pilot Sinti Roma (DU) + € 35.000 in 2020 Ontvangen Subsidies Rijk en/of Provincie 16. EAW subsidie + € 20.660 in 2020 17. Lokaal sportakkoord + € 55.000 in 2020 18. Reductie energiegerbruik + € 55.000 in 2020 19. RMC – Voortijdige schoolverlaten + € 173.293 in 2020 20. Specifieke uitkering Sport + 891.603 in 2020 21. Wet educatie beroepsonderwijs + € 102.307 in 2020 Actualisatie begroting op basis van Uitvoeringsplannen 22. Anterieure overeenkomsten Faciliterend Grondbeleid + € 353.961 23. Warandedreef 2020 + € 32.500 in 2020 24. Wmo volume + € 70.000 in 2020 Subsidievertrekking in het kader van Projecten Transitiefonds Categorie 2: actualisatie van budgetten tussen jaarschijven Meerjarige projecten 25. Acquisitie website met Almere – € 35.000 in 2020 en + € 35.000 in 2021 26. Asbestdaken – € 100.000 in 2020 en + € 100.000 in 2021 27. Lokaal transformatiefonds Wmo beschermd wonen – € 187.000 in 2020 en + € 187.000 in 2021 28. Omgevingswet – € 643.000 in 2020 en + € 643.000 in 2021 29. Poort van Lelystad – € 766.614 in 2020 en + € 766.614 in 2021

30. Regionale versterking Vrijetijdseconomie kust – € 226.600 in 2020 en + € 226.600 in 2021 31. Skaeve huse – € 124.314 in 2020 en + € 124.314 in 2021 32. Statushouders (inburgering) – € 347.123 in 2020 en + € 347.123 in 2021 33. Stedelijke vernieuwing op uitnodiging – € 270.000 in 2020 en + € 270.000 in 2021

34. Uitvoeringsprogramma vrijetijdseconomie – € 325.465 in 2020 en + € 325.465 in 2021 35. Versnellingsmiddelen wonen – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021 36. Visie digitaal 2020 – € 348.920 in 2020 en + € 348.920 in 2021 Langere doorlooptijd incidentele projecten 37. AED netwerk Lelystad – € 60.625 in 2020 en + € 60.625 in 2021 38. Arbeidsplaatsenregeling 2017 – 2021 – € 387.520 in 2020 en + € 387.520 in 2021 39. Bewonersinitiatieven – € 120.000 in 2020 en + € 120.000 in 2021 40. Brede aanpak dak- en thuislozen (DU) - € 17.628 in 2020 en + € 17.628 in 2021 41. Jongerenbudget – € 22.785 in 2020 en € 22.785 in 2021 42. Kader herontwikkeling ziekenhuis – € 75.000 in 2020 en + € 75.000 in 2021 43. Kansrijke start (Gezond in de Stad) – € 20.512 in 2020 en + € 20.512 in 2021 44. Klimaatadaptatie – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021 45. Leader uitvoeringskosten – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021 46. Lelypas – € 30.000 in 2020 en + € 109.000 in 2021 47. Lelystad next level – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 48. Luchthavenfonds – € 158.444 in 2020 en + € 158.444 in 2021 49. Maatregelen Versterken pedagogische basis – € 53.480 in 2020 en + € 53.480 in 2021 50. Motiemarkt 2020 – € 27.596 in 2020 en + € 27.596 in 2021 51. Ondersteuning luchthaven – € 16.390 in 2020 en + € 16.390 in 2021

52. Ondersteuning openbaar vervoer – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 53. Onderzoek veiligste fietsstad – € 60.000 in 2020 en + € 60.000 in 2021 54. Onderzoek windenergie – € 60.000 in 2020 en + € 60.000 in 2021 55. Ontwikkelcapaciteit versnelling woningbouw – € 1.000.000 in 2020 en + € 1.000.000 in 2021 56. Pilot Sinti en Roma – € 22.274 in 2020 en + € 22.274 in 2021 57. Project Koopmanshof – € 80.000 in 2020 en + € 80.000 in 2021 58. Projecten Faciliterend Grondbeleid – € 291.604 in 2020 en + € 291.604 in 2021 59. Rijksuitkering 2019 - 2020 armoede – € 170.000 in 2020 en + € 170.000 in 2021 60. Sportverkiezingen – € 24.000 in 2020 + € 12.000 in 2022 en + € 12.000 in 2023 61. Toekomstkeuzes onderzoek & statistiek – € 95.827 in 2020 en + € 43.162 in 2021 62. Zwangere vervoer ziekenhuis Lelystad – € 2.500 in 2020 en + € 2.500 in 2021 Corona gerelateerde doorschuif (incidenteel) 63. Buurtbudget – € 45.000 in 2020 en + € 45.000 in 2021 64. Duurzame gemeente – € 19.500 in 2020 en + € 19.500 in 2021 65. Energie en LEF duurzaamheid – € 121.000 in 2020 en + € 121.000 in 2021 66. Fysieke leefomgeving – € 32.335 in 2020 en + € 32.335 in 2021 67. GGZ in wijk – € 34.000 in 2020 en + € 34.000 in 2021 68. Ideeënmakelaar – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 69. LEA-projecten – € 23.500 in 2020 en + € 23.500 in 2021 70.

Onderzoek NMFF – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 Categorie 3: Verschuiving van budget tussen taakvelden 71. Actualisatie Aanslagen OZB (niet-)woningen 0.61 OZB woningen 0.62 OZB niet-woningen

Lasten 2020 Baten 2020 Lasten 2021 Baten 2023 Lasten 2022 Baten 2023 Lasten 2023 Baten 2023 (500.000) (500.000) (500.000) (500.000) 500.000 500.000 500.000 500.000

72. Actualisatie budgetindeling jeugdzorg

6.72 Maatwerkdienstverlening 180.8 Overige baten en lasten 7.1 Volksgezondheid 6.81 Geëscaleerde zorg 18+ 6.82 Geëscaleerde zorg 18-

Lasten 2020 Baten 2020 Lasten 2021 Baten 2023 Lasten 2022 Baten 2023 Lasten 2023 Baten 2023 190.721 190.721 190.721 190.721 1.045 1.045 1.045 1.045 (873) (873) (873) (873) (893) (893) (893) (893) (190.000) (190.000) (190.000) (190.000) -

73. Actualisatie budgetten toezicht en handhaving 1.2 Openbare orde en veiligheid 7.3 Afval 7.4 Milieubeheer 8.3 Wonen en bouwen

Lasten 2020 Baten 2020 Lasten 2021 Baten 2021 Lasten 2022 Baten 2022 Lasten 2023 Baten 2023 158.066 38.535 158.066 38.535 158.066 38.535 66.931 66.931 66.931 (309.098) (38.535) (309.098) (38.535) (309.098) (38.535) 84.101 84.101 84.101 -

74. Actualisatie opleidingsbudget crisisbeheersing

1.2 Openbare orde en veiligheid 1.1 Crisisbeheersing en brandweer

2020 2021 2022 2023 (25.430) (25.430) (25.430) (25.430) 25.430 25.430 25.430 25.430

75. Formatiewijzigingen 2020

0.4 Overhead 1.2 Openbare orde en veiligheid 2.1 Verkeer en vervoer 3.1 Economische ontwikkeling 3.4 Economische promotie 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken 6.3 Inkomensregelingen 7.4 Milieubeheer 8.1 Ruimtelijke ordening 6.5 Arbeidsparticipatie 6.72 Maatwerkdienstverlening 180.8 Overige baten en lasten 0.1 Bestuur 3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur 8.3 Wonen en bouwen 2.2 Parkeren 6.1 Samenkracht en burgerparticip. 0.3 Beheer ov. gebouwen en gronden 5.7 Openbaar groen en recreatie 7.2 Riolering 8.2 Grondexpl. (niet-bedr.terreinen) 76. Programmaplan WMO 2020

2020 2021 2022 2023 (84.201) (102.160) (102.160) (102.160) 54.114 54.114 54.114 54.114 1.138 1.139 1.139 1.139 (3.251) 37.272 37.272 37.272 5.630 (37.462) (37.462) (37.462) 47.038 115.781 115.781 115.781 21.044 41.053 41.053 41.053 (51.197) (53.476) (53.476) (53.476) 86.559 94.617 94.617 94.617 (18.946) (37.993) (37.993) (37.993) (55.333) (115.782) (115.782) (115.782) (10.006) (1.838) (1.838) (1.838) (9.430) 187 187 187 (117) (117) (117) (117) 9.880 (195) (195) (195) 1 1 1 2.385 166 166 166 (573) (573) (573) (573) 5.294 5.294 5.294 5.294 154 154 154 154 (182) (182) (182) (182)

6.71 Maatwerkdienstverlening 18+ 6.2 Wijkteams 6.1 Samenkracht en burgerparticip. 6.81 Geëscaleerde zorg 18+ 6.6 Maatwerkvoorzieningen (WMO)

2020 2021 2022 2021 467.490 467.490 467.490 467.490 (216.404) (216.404) (216.404) (216.404) (990.100) (990.100) (990.100) (990.100) (1.986) (1.986) (1.986) (1.986) 741.000 741.000 741.000 741.000

77. Verdeling lasten TOZO 2020

0.4 Overhead 1.2 Openbare orde en veiligheid 2.1 Verkeer en vervoer 3.4 Economische promotie 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingzaken 6.3 Inkomensregelingen 7.4 Milieubeheer 8.1 Ruimtelijke ordening 0.2 Burgerzaken 6.5 Arbeidsparticipatie 6.72 Maatwerkdienstverlening 186.2 Wijkteams 0.1 Bestuur 0.61 OZB woningen 8.3 Wonen en bouwen 6.1 Samenkracht en burgerparticip. 5.7 Openbaar groen en recreatie 7.2 Riolering 8.2 Grondexpl. (niet-bedr.terreinen) 3.3 Bedr.loket en bedr.regelingen 6.81 Geëscaleerde zorg 18+ 6.71 Maatwerkdienstverlening 18+

2020 (330.217) (312) (1.372) (26.480) (95.037) 747.891 (17.696) (4.664) (6.144) (84.691) (2.152) (91.714) (960) (2.400) (3.616) (23.920) (49.438) (308) (280) (5.242) (1.248) (70.000)

78. Wmo volume

6.71 Maatwerkdienstverlening 18+ 6.81 Geëscaleerde zorg 18+

Lasten 2020 Baten 2020 (70.000) (70.000)

Categorie 4: Overige wijzigingen 79. Lelypas € 79.000 storten in de ROS in 2020 80. Voorgesteld wordt de ontvangen subsidie van het Rijk op basis van het bedrag in de Decembercirculaire bekend - in het kader van de Midstay woningen Lars 2 door te vertalen naar de lasten- en baten kant van de begroting 2020 en deze door te schuiven naar 2021 ter doorverstrekking aan Centrada ten behoeve van de bouw.

Het voorstel wordt unaniem aangenomen. 8.f.2

343. Addendum Decembernotitie 2020 Maakt deel uit van agendapunt 8.f.1.

8.g

317. Startnota beleidsroute cultuur 2021 Besluit De beleidsnota voor het gemeentelijk cultuurbeleid 2017-2020 met een jaar te verlengen tot en met 2021 en in 2021 een voorstel voor de cultuurnota 2022-2026 tegemoet te zien. Het voorstel wordt unaniem aangenomen.

9

Vaststellen B-stukken

9.a

339. Vaststelling verordening toeristenbelasting 2021 Besluit 1. 1. Vast te stellen de Verordening toeristenbelasting 2021, inclusief daarbij behorende tarieventabel, met de volgende aanvullingen: a. aan ‘Artikel 5 Vrijstellingen’ van de verordening een lid 6 toe te voegen met de tekst: ‘van personen van 0 tot en met 12 jaar.’ b. bijlage I – Tarieventabel 2021 (behorend bij de Verordening toeristenbelasting Lelystad) Hoofdstuk 1 – Tarieven basis te wijzigen in:  Tarief A € 1,00: Per overnachting per persoon bij een verblijf in een eigen kampeermiddel bedoeld als in artikel 6, derde lid; 2.  Tarief B € 1,00: Per etmaal per persoon bij een verblijf op het water bedoeld als in artikel 6, eerste lid; 3.  Tarief C € 2,50: Per overnachting per persoon anders dan genoemd in tarief A en/of B zoals bedoeld in artikel 6 eerste en derde lid; zoals een hotel, pension, B&B, vakantiebungalow, vakantiewoning, vakantieappartement. c. De heffing van de toeristenbelasting in te doen laten gaan vanaf Q2-2021. 2. Uiterlijk in het voorjaar van 2022 te bekijken of het begrote bedrag van 0,3 mln (Programmabegroting 2021) behaald is en indien nodig de tarieven, voor het eerstvolgende belastingjaar, bij te stellen. 3. Vanaf 2022 ernaar te streven om jaarlijks uiterlijk in juni duidelijkheid te geven over de tarieven voor het komende jaar. 4. Punt 1a en 1c vraagt om een dekking.

Deze wordt in het ‘basis tarief C’ verdisconteerd wat hiermee komt op € 2,50 p.p.p.n. Omdat er geen ervaringsgegevens bekend zijn wordt als extra dekking het positief begrotingssaldo 2021 (€ 37.000) ingezet. Het amendement van InwonersPartij, Mooi Lelystad, PVV, LeefbaarLelystad, SP, VVD, #JONGLELYSTAD, FvO, CDA en DENK inzake verordening Toeristenbelasting 2021 wordt unaniem aangenomen en voegt de besluitpunten 2, 3 en 4 toe.

Het voorstel wordt met 33 stemmen aangenomen. Mevrouw Hermus kon vanwege technische problemen niet stemmen. 9.b

311. Vaststellen (ontwerp)bestemmingsplan Warande-De Olmen Buizerdweg Besluit 1. De “Nota van Zienswijzen en gemeentelijke reactie” vast te stellen. 2. Het (ontwerp) bestemmingsplan Warande – De Olmen Buizerdweg , bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0995.BP00076-OW01 met de bijbehorende regels en bijlagen, waarbij gebruik is gemaakt van een ondergrond welke is ontleend aan de basisregistratie grootschalige topografie d.d. 02-01-2020, gewijzigd vast te stellen – overeenkomstig de Nota van Zienswijzen - met de volgende wijzigingen: - het opnemen van de verplichting een geluiddichte gevel te construeren in artikel 6. van de regels van het bestemmingsplan; - het opnemen in artikel 4 van de regels van een voorwaardelijke verplichting bouwen en parkeren. 3.

Geen exploitatieplan vast te stellen.

Het voorstel wordt met 33 stemmen aangenomen. Mevrouw Hermus kon vanwege technische problemen niet stemmen. 9.c

291. Stationsgebied Besluit 1. Een voorbereidingskrediet van 300.000 euro beschikbaar te stellen om de verdichtings- en verstedelijkingopgave in het Stationsgebied uit te werken en dit te dekken uit de t.z.t. vast te stellen grond- c.q. gebiedsexploitatie met als achtervang de egalisatiereserve grondexploitatie. Aangevuld met de volgende kaders Kader 1: voorstellen aan de raad zullen dusdanig vormgegeven worden dat fasering in de realisatie van het project mogelijk is en worden voor uitvoering eerst en bij iedere fase ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. Kader 2: vooruitlopend op de einduitwerking reeds beschikbare gronden in het gebied per direct uit te geven t.b.v. woningbouw aan geïnteresseerde partijen middels bieding, prijsvragen en innovatieve projecten, gericht op kwalitatieve architectuur (om de eenzijdigheid van uitstraling in onze stad te doorbreken), kwalitatieve hoogbouw (tot 60 meter), nieuwe woonconcepten en in de mix (huur- en koop in alle segmenten afgestemd op de vigerende afspraken in de woonvisie). Waar nodig worden direct voorstellen voor wijzing van bestemming aan de raad voorgelegd om versnelling van woningbouw in het gebied mogelijk te maken.

Kader 3: maximale inspanning te verlenen op de realisatie van woningbouw in de breedste zin des woords waar het diverse doelgroepen betreft waaronder jongeren, ouderen en gezinnen en hierin niet terughoudend te zijn of afwachtend op te treden. Kader 4: grondposities met kantoorbestemming en bestaande kantoren versneld voor herbestemming wonen voorleggen aan de raad, hierbij geen beperking opleggen in mogelijkheden van kleine industrieterreinen en braak liggende posities in het gebied.

2. Op basis van deze uitwerking in Q2 2021 nadere kaders vast te stellen voor de ontwikkeling van het gebied onder voorwaarde van de navolgende kaders: Kader 1: waarin een oost-west en vice versa passage van het spoor direct bij het station, die geen woonwijken doorkruist, voor auto en fiets behouden blijft (geen knippen). Kader 2: de oost-west passage en vice versa geregeld is middels gescheiden verkeersstromen voor auto en fiets. Kader 3: met behoud mogelijkheid tot interwijkverkeer weerszijden station, zonder omrijden voor bewoners uit Schouw, Hanzepark en stationsweg richting de Visarenddreef alsmede de middenweg en vice versa. Kader 4: De uitwerkingen van de scenario’s worden als keuzeopties ter instemming aan de Raad voorgelegd. 3. Dit besluit Stationsgebied in de plaats te stellen van het RV-174 (inclusief bijlage) en verdere beraadslagingen en besluitvorming op voorliggend voorstel te baseren. 4. Indien bovenstaande kaders tot ernstige bezwaren leiden bij indiening ten behoeve van de impulsgelden en/of aanvraag voor cofinanciering zal het college een voorstel van wijziging op betreffende kaders ter instemming aan de raad voorleggen om dit in gezamenlijkheid op onderdelen te bespreken en te besluiten.

Het amendement van de VVD, MooiLelystad, SP, InwonersPartij, FvO, Leefbaar Lelystad, #JONGLELYSTAD inzake wijziging besluitpunten Stationsgebied wordt aangenomen met 23 stemmen voor en de stemmen van ChristenUnie, Pvda, D66 en GroenLinks tegen en vult de besluitpunten 1 en 2 aan en voegt besluitpunt 4 toe. Het voorstel wordt aangenomen met 27 stemmen voor en de stemmen van ChristenUnie, GroenLinks en 1 stem van D66 tegen. Mevrouw Hermus kon vanwege technische problemen niet stemmen bij dit agendapunt. 9.d

347. Scenario-keuze vervangende nieuwbouw basisschool De Schakel Besluit 1. Kiezen voor scenario B: Een multifunctionele accommodatie (MFA) met daarin de huisvesting voor Welzijn, Icare (consultatiebureau), gecombineerd met een Integraal Kind Centrum (IKC) bestaande uit huisvesting voor christelijke basisschool de Schakel, huisvesting voor kinderopvang en een gymzaal 1.3. 2. Aan deze keuze de voorwaarde te verbinden dat het aantoonbaar moet zijn dat dit uit betrokken taakvelden gefinancierd kan worden zonder hierbij op onderdelen nieuwe bezuinigingsopgaven op te werpen. Indien binnen dit kader optie B. niet haalbaar blijkt, dient verdere vertraging te worden beperkt en het college alsnog over te gaan tot uitwerking van optie A. 3. In overleg te treden met het Kerkgenootschap van het Anker om mogelijkheden van een nieuwbouwlocatie in de stad te bespreken onder voorwaarde van eigen financiering. Het voorstel van orde wordt verworpen met 19 stemmen tegen en de stemmen van #JONGLELYSTAD, CDA, ChristenUnie, D66, DENK, FvF, GroenLinks en FractiePvdA voor.

Het amendement van de CU inzake MFA de Botter wordt verworpen met 20 stemmen tegen en de stemmen van #JONGLELYSTAD, CDA, ChristenUnie, D66, DENK, GroenLinks en PvdA voor. Het amendement van D66 en #JONGLELYSTAD inzake MFA de Botter wordt verworpen met 20 stemmen tegen en de stemmen van #JONGLELYSTAD, CDA, ChristenUnie, D66, DENK, GroenLinks en PvdA voor. Het amendement van MooiLelystad, LeefbaarLelystad, InwonersPartij, VVD, PvdA, SP en PVV inzake MFA de Botter wordt unaniem aangenomen en vervangt de gehele besluittekst. Het voorstel wordt unaniem aangenomen. 9.e

364. Scenario's transitie naar Jeugd BV Besluit 1. Geen wensen en bedenkingen kenbaar te maken bij het bijgevoegde Transitieplan overgang naar Jeugd B.V. 2. Ter dekking van omstelkosten in de periode van transitie naar en opbouw van de Jeugd BV €300.000 te onttrekken uit de algemene reserve en hiervoor geen apart Fonds Sociaal Domein in te richten. Het voorstel wordt unaniem aangenomen. De motie van GL wordt unaniem aangenomen en draagt het college op: - in de nieuwe werkwijze en in de transitiefase van de Jeugdzorg in te zetten op maximale kwaliteit en tijdigheid van intake, triage en toekenning; - voor deze intake en triage dus hooggeschoolde en ervaren vakdeskundigen in te zetten en hier ook qua financiële inzet hoge prioriteit aan toe te kennen; en gaat over tot de orde van de dag.

9.f

313. Visie openbare laadinfrastructuur Besluit 1. Kennis te nemen van de Visie Publieke Laadinfrastructuur Lelystad en de volgende daarin opgenomen kader- stellende uitgangspunten vast te stellen: 1.1. Ten aanzien van publieke laadpalen: a. Lelystad plaatst publieke laadpalen in samenwerking met MRA-Elektrisch. b. De beoogde aanpak voor publieke laadinfrastructuur t/m 2025 kent 2 fasen: • Tot Q1 2022: Faciliterend en marktvolgend. • Vanaf Q1 2022: Stimulerend en marktvolgend. • Bij aanleg van nieuwe wijken de laadinfrastructuur direct mee te nemen in de terreininrichting om kosten efficiënt te opereren. c. Voor het aanvragen van een laadpaal de ‘ladder van laden’ hanteren. d. In Lelystad alleen op basis van aanvraag en op basis van gebruiksdata laadpalen plaatsen. e. Laden van elektrische auto’s door middel van een kabel vanuit huis niet toestaan tenzij dit mogelijk is omdat de parkeerplaats direct aan de erfgrens ligt of laden op eigen erf plaatsvindt. f. Extra laadpalen bijplaatsen zodra de bezettingsgraad te hoog wordt. g. In de 2e fase potentiële laadlocaties van tevoren bepalen in een participatief proces.

h.

Alleen handhavend optreden bij klachten van andere e-rijders.

1.2. Ten aanzien van oplaadpunten in openbare parkeergarages de adviezen van Brandweer Nederland ten aanzien van laadinfrastructuur in parkeergarages opvolgen. 1.3. Ten aanzien van snelladers en snellaadstations : a. De realisatie van voldoende snelladers en snellaadstations is noodzakelijk voor een aantrekkelijke stad, ter ondersteuning van doorgaand verkeer en ter beperking van de parkeerdruk in de wijken door een substantiële bijdrage in de Lelystadse laadcapaciteit. b. Het aanbod wordt gestimuleerd door actieve benadering van marktpartijen en (lokale) ondernemers om in Lelystad op eigen terrein of in de openbare ruimte een snellader en/of snellaadstation te realiseren. c. Een snellaadstation met “hoog vermogen laden” gewenst is op locaties die door veel automobilisten worden aangedaan (knooppunten snelwegen, provinciale wegen, vliegveld). d. Geen locaties in de openbare ruimte uit te geven voor de realisatie van een snellaadstation voor (vracht)auto’s van uitsluitend 1 specifiek merk. e. Locaties onder f. en g. te gebruiken als startpunt voor gesprekken met marktpartijen en (lokale) ondernemers, maar nadrukkelijk niet als limitatieve lijst. f.

Locaties waar snelladers kunnen worden gerealiseerd zijn bijvoorbeeld: • Neringweg ter hoogte van het ABC-gebouw; • Bezoekerscentrum Nationaal Park Nieuwland; • Palazzo (geen gemeentelijk eigendom, dus na overeenstemming eigena(a)r(en); • Noorderwagenplein; • Sportcentrum De Koploper; • Parkeerplaats ziekenhuis; • Parkeerplaatsen van supermarkten (indien privaat terrein, na overeenstemming); • Tankstations in de gemeente Lelystad g. Locaties waar snellaadstations kunnen worden gerealiseerd zijn bijvoorbeeld: • Larserplein bij Mc Donalds, KFC, van der Valkhotel; • Houtribdijk bij Bataviastad; • Trintelhaven; • Overijsselseweg / Bijlweg; • Houtribweg; • Larserweg; • De gemeentelijke buitenring; • Laan van Nieuw Land / Warandedreef; • Vliegveld Lelystad Het amendement van de ChristenUnie, PvdA, SP, PVV, VVD, LeefbaarLelystad, InwonersPartij, FvO en GroenLinks inzake Openbare laadinfrastructuur wordt unaniem aangenomen en vult besluitpunt 1.1 – b aan en wijzigt besluitpunt 1.1 – e. Het amendement van SP, InwonersPartij, FvO, VVD, MooiLelystad en ChristenUnie inzake Openbare laadinfrastructuur wordt unaniem aangenomen en vervangt besluitpunt 1.3. Het voorstel wordt unaniem aangenomen. 9.g.

322. Vaststellen van verschillende belastingverordeningen en tarievenregeling 2021 Besluit De onder nummer 1 tot en met nummer 12 genoemde belastingverordeningen en tarievenregeling vast te stellen.

Nummer: 322 / 1 VERORDENING op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2021 (Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2021). Artikel 1 Belastingplicht 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 2. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen

1.

2.

In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij de krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; k. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel k van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,0628% b. de eigenarenbelasting: 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1517%

2. 3.

2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,6437% Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt: a.

indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari, maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerendezaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel

1.

De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerendezaakbelastingen Lelystad 2021”. Nummer: 322 / 2 VERORDENING op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2021 (Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; b. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; c. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte.

Artikel 2 Belastingplicht Onder de naam “belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten” wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Artikel 3 Belastingobject Als één ruimte wordt aangemerkt: a. een binnen de gemeente gelegen ruimte; b. een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; c. een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; d. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel c bedoeld samenstel. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 2.

In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:

3.

4.

5.

a. de aard en de bestemming van de ruimte; b. de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven en die door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.

Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.

Artikel 5 Vrijstellingen 1. In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van: a. glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; c. ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; d. ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; e.

werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken. Artikel 6 Waardepeildatum 1. De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op 1 januari 2020 heeft. 2. De heffingsmaatstaf vindt toepassing voor kalenderjaar 2021. 3. De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte op de waardepeildatum verkeert.

4.

Indien een ruimte tussen de waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar: a. opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of b. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of c. een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid, wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar.

Artikel 7 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,0628% b. de eigenarenbelasting: 1. voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1517% 2. voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,6437% 2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's. 3.

Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 8 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt: a.

indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari, maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later; b. in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

4. 5.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=1b0d12ae-8bb6-4065-a10f-3b6e55b40b9c