04 - AV - Contextanalyse
Tekst van het document
Dalen de kosten met 50% in 2050, zoals eveneens is voorzien in het Masterplan, dan stijgt het potentieel naar bijna 100 PJ. In de glastuinbouw is er, met dezelfde randvoorwaarden, een potentieel van 55 PJ en in de industrie een potentieel van 147 PJ. Daarbij moet worden opgemerkt dat het gaat om industrie die gebruik maakt van lagere temperaturen, zoals bijvoorbeeld de voedingsmiddelenindustrie en de papierindustrie. Seizoensopslag aardwarmte In dit najaar gaat het experiment van start met de seizoensopslag van aardwarmte in Agriport. Door overtollige warmte in de zomer op te slaan en deze in de winter weer te gebruiken, kan de geothermie-installatie efficiënter worden benut.De installatie kan dan namelijk het hele jaar op een constant niveau produceren en dat is beter voor het rendement en de levensduur dan wanneer de installatie elk half jaar in- en uitgeschakeld wordt. Het aanleggen van een ondergrondse opslag is goedkoper dan het boren van een nieuwe geothermie-put op enkele kilometers diepte. Warmteopslag gebeurt namelijk minder diep onder de grond. In Middenmeer is de beste plek voor ondergrondse opslag een watervoerende aardlaag tussen de 320 en 380 meter diepte, bleek uit proefboringen die sinds het voorjaar van 2019 werden uitgevoerd. Het voordeel van ondergrondse wateropslag is dat je in de bodem heel veel warm water kunt opslaan.
Alhoewel de installatie in de eerste jaren veel warmte zal verliezen, wordt na ca. 5 jaar een efficiëntie van 75%” verwacht.
Van geothermie en ondergrondse energieopslag wordt een belangrijke bijdrage aan de energietransitie verwacht. Daarom stelt het Het TKI7 Nieuw Gas stelt €2,5 mln subsidie beschikbaar voor projecten die nieuwe kennis voor geothermie en ondergrondse energieopslag opleveren. De maximale bijdrage per project is €500.000, zodat minimaal vijf aanvragen gehonoreerd kunnen worden. Beperkingen in instemmingsbesluit In plaats van de aangevraagde 260 kuub heeft Aardwarmtecluster KKP in het ontwerpinstemmingsbesluit slechts toestemming voor een debiet van 180 kubieke meter per uur voor een bestaande en nieuwe productieput samen. De argumentatie hiervoor is dat de initiatiefnemers onvoldoende hebben aangetoond welke druk noodzakelijk is bij de geplande verdubbeling van het injectievolume. Deze onzekerheid is in strijd met het vereiste van planmatig beheer. Daarnaast zijn in het ontwerp-instemmingsbesluit nog beperkingen opgelegd m.b.t. de mate van afkoeling van het geïnjecteerde water. Op dit moment wordt het geproduceerde water uitgekoeld tot gemiddeld 35°C, in de winter iets meer en in de zomer iets minder. Maar het volgens het ontwerp-instemmingsbesluit mag de temperatuur nooit onder de 35°C komen. In de aanvraag werd verzocht om een temperatuur van 20°C.
Alle huidige geothermieprojecten moeten beschikken over een goedgekeurd winningsplan en hebben een dergelijk plan ter goedkeuring aan de minister voorgelegd. Het is nog onduidelijk welke gevolgen het besluit m.b.t. het winningsplan van Aardwarmtecluster KKP, het eerste plan waarover een besluit wordt genomen, voor de andere geothermie projecten in Nederland hebben. Voorbeelden projecten Haagse Aardwarmte In 2012 werd het project Aardwarmte Den Haag officieel geopend. Maar in de afgelopen acht jaar is feitelijk geen enkel huis via geothermie (aardwarmte) verwarmd. Naast technische problemen was er voor het project sprake van een financiële crisis: de duizenden huizen die op de duurzame stadsverwarming zouden worden aangesloten, werden niet of met veel vertraging gebouwd waardoor het project van gemeente, woningcorporaties en energiebedrijven een jaar later nog voor de ingebruikname failliet was. Een aantal jaren later werden het doublet en de bijbehorende bovengrondse installatie overgenomen door Haagse Aardwarmte, een bedrijf van Hydreco Geomec, Perpetuum Energy Partners en Energiefonds Den Haag. Haagse Aardwarmte maakte de putten schoon en diende een geheel nieuw winningsplan in. Het voornemen is te starten met de levering aan 1.300 huishoudens om daarna op korte termijn te kunnen doorgroeien naar 2.500. Uiteindelijk is er ruimte voor 4.000 tot 5.000 aansluitingen.
Aardwarmte nooit genoeg zijn om alle op het warmtenet aangesloten 16.000 gebouwen (die nu nog gasgestookte warmte ontvangen) te kunnen beleveren; hiervoor zullen ook restwarmte en andere oplossingen moeten worden ingezet. Geothermie in regio Almere-Diemen Een consortium bestaande uit HVC, Vattenfall en de gemeente Almere hebben een concurrerende aanvraag gedaan voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte in de regio Almere-Diemen. Het consortium gaat daarmee de concurrentie aan met een andere partij om aan om op termijn aardwarmte te kunnen leveren op het warmtenet van Almere, Diemen en Amsterdam-Zuidoost. Voor het afhandelen van de aanvraag van een opsporingsvergunning tijd hanteert het ministerie van EZK een streeftermijn van ongeveer tien maanden maar in de praktijk kan dit wel één à twee jaar duren. Als uit het vervolgonderzoek een geschikte locatie rolt voor warmtewinning, moet er opnieuw 7
TKI = Topconsortium voor Kennis en Innovatie
een aanvraag gedaan worden voor een winningsvergunning. Het duurt al met al nog jaren voordat bij positieve ontwikkelingen de aardwarmte geleverd kan worden. Warmtenet Leeuwarden Op dit moment heeft Leeuwarden twee warmtenetten die op dit moment worden verwarmd door centrales die op biogas en aardgas draaien. Het plan is deze twee netten te integreren in een veel groter netwerk dat de helft van Leeuwarden van warmte kan voorzien. De warmte zal in de eerste plaats worden geleverd door Warmte van Leeuwarden, een consortium van Ennatuurlijk, Shell, Energie Beheer Nederland en Bouwgroep Dijkstra Draisma, dat een bron voor aardwarmte wil aanboren aan de zuidkant van de stad. Op dit moment vindt een proefboring plaats om te kijken of geothermie inderdaad realiseerbaar is op deze locatie. Mocht de uitkomst van die test positief zijn, dan start naar verwachting in het voorjaar van 2021 de aanleg van de aardwarmteput én de bouw van het nieuwe warmtenetwerk. Het warmtenet wordt uiteindelijk ontwikkeld tot een ringleiding rond het centrum, waarop ook andere warmtebronnen kunnen worden aangesloten. Het is de bedoeling dat in elk geval de biogascentrale in Zuid-Leeuwarden gaat leveren aan het netwerk. Daarnaast wordt gekeken naar industriële restwarmte van Friesland Campina en andere bedrijven in het westen van de stad.
Diepe geothermie regio Amersfoort In de regio Amersfoort zijn plannen om op een diepte van 5 tot 7 kilometer aardwarmte te winnen voor verwarming en de productie van elektriciteit. Voor een warmwatersysteem is boren naar een diepte van 3 kilometer voldoende. Maar voor het opwekken van elektriciteit is boren tot 5 tot 7 kilometer diepte vereist. Met het project worden 160.000 huishoudens en bedrijven in de regio Amersfoort op aardwarmte aangesloten. Larderel Energy begint binnen anderhalf jaar met proefboringen naar geschikte plekken om aardwarmte te winnen. Het Amersfoortse bedrijf heeft plannen klaarliggen om ook de Gooi-en Vechtstreek op aardwarmte aan te sluiten. De investeringen in een warmtenet voor Eemland en Gooi & Vechtstreek bedragen samen 5,7 miljard euro. HVC en geothermie. HVC ziet geothermie als een belangrijke, toekomstbestendige warmtebron voor warmtenetten. HVC is mede-eigenaar van Trias Westland. Daar is de eerste geothermieput in bedrijf en de tweede is in ontwikkeling. HVC heeft de beschikking over opsporingsvergunningen voor diverse locaties/regio’s (Den Helder, Alkmaar/Heerhugowaard, Lelystad, Drechtsteden, IJmond), via Trias Westland en ETP in Westland en in aanvraag (Hoorn, Almere en omliggende gemeenten). HVC heeft alle disciplines in huis waardoor het als mijnbouwbedrijf is gekwalificeerd.
2.5.7 Aquathermie Aquathermie is de verzamelterm voor duurzaam verwarmen en koelen met water als bron. Het gaat om warmte en koude uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED). Aquathermie is één van de alternatieven voor duurzame verwarming uit het Klimaatakkoord. Er zijn al meer dan 50 projecten met aquathermie gerealiseerd terwijl op 100 locaties in Nederland de mogelijkheden om aquathermie toe te passen worden onderzocht. In opdracht van Stowa is een aquathermieviewer ontwikkeld waarmee de potenties van warmte uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA) op regionaal en lokaal niveau in beeld worden gebracht8 .
8
https://www.aquathermie.nl/praktijk/aquathermieviewer/default.aspx
Het grootste deel van de gerealiseerde projecten levert warmte en/of koude aan woningen9 waarbij het in het algemeen gaat om relatief kleinschalige projecten (meeste projecten tussen de 0 en 500 woningen). De meeste projecten zijn gerealiseerd in Noord- en Zuid-Holland (fig. 20).
Figuur 20. Stand van zaken aquathermie in Nederland10 Een onderzoek in opdracht van de provincie Noord-Holland komt met een erg optimistische conclusie m.b.t. de potentie van aquathermie in deze provincie nl. dat maar liefst 96% van de 1.513.680 gebouwen in Noord-Holland aangesloten kan worden op een systeem dat gebruik maakt van duurzame warmte uit oppervlaktewater (TEO)11. Dit lijkt een conclusie gebaseerd op een erg theoretische benadering waarbij o.a. het kostenplaatje niet is meegenomen. Onderzoeksbureau CE heeft eerder geconcludeerd dat in theorie de thermische mogelijkheden van het benutten van oppervlaktewater aan duurzame warmtebron de totale warmtevraag van Nederland overtreffen12. Het economisch potentieel wordt echter veel lager ingeschat nl. ongeveer 150 PJ per jaar, ruim 40% van de totale toekomstige warmtevraag in de gebouwde omgeving van 350 PJ per jaar. HVC en aquathermie HVC erkent de potentie van aquathermie als duurzame warmtebron. HVC onderzoekt met haar aandeelhouders (gemeenten, waterschappen) en andere partijen de mogelijkheden voor toepassing van aquathermie. Terwijl sommige projecten zich nog in de onderzoeksfase bevinden (ca. 15 projecten), zijn andere projecten al in een uitwerkingsfase (3 projecten). In Hendrik Ido Ambacht is HVC in voorbereiding op realisatie om uiteindelijk 1500 woningen van het gas af te halen d.m.v. warmte uit oppervlaktewater.
9
https://www.aquathermie.nl/bibliotheek/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=1686712 https://www.aquathermie.nl/bibliotheek/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=1758411 11 https://www.noordholland.nl/Actueel/Archief/2020/Augustus_2020/Oppervlakte_en_afvalwater_geschikt_om_bijna_alle_Noord_ Hollandse_gebouwen_te_verwarmen 12 https://www.ce.nl/publicaties/2171/nationaal-potentieel-van-aquathermie 10
2.6 2.7
Hernieuwde interesse kernenergie Waterstof
Waterstof wordt in toenemende mate gezien als belangrijke brandstof als onderdeel van een duurzame energiehuishouding. Waterstof is op zichzelf geen duurzame energiebron omdat het eerst geproduceerd moet worden. Afhankelijk van de manier waarop de waterstof wordt geproduceerd, is de inzet van waterstof in meer of minder mate CO2-neutraal.
Groene waterstof is waterstof die wordt geproduceerd via elektrolyse van water waarbij de elektriciteit volledig afkomstig is uit duurzame energie, bijvoorbeeld zonne- en of windenergie Grijze waterstof is waterstof die wordt geproduceerd uit aardgas. De CO2 die bij dit productieproces vrijkomt, komt in de atmosfeer terecht. Blauwe waterstof wordt eveneens geproduceerd uit aardgas. Hierbij wordt echter de CO2 die vrijkomt bij het productieproces afgevangen en opgeslagen in bijvoorbeeld lege gasvelden.
Vanwege de veel hogere kostprijs kan groene waterstof pas structureel een rol van betekenis spelen als er sprake is van een structureel hogere productie van duurzame elektriciteit tegen een aanzienlijk lagere kostprijs. Tevens moet de prijs van CO2 in het kader van de emissiehandel fors moeten toenemen voor een gunstiger concurrentiepositie voor groene waterstof, De productie van waterstof wordt gezien als mogelijke oplossing om pieken in de productie van duurzame elektriciteit af te vangen. In plaats van de opwek te verminderen wordt met een elektrolyser het overschot aan elektriciteit ingezet om water te splitsen in waterstof en zuurstof. De geproduceerde waterstof kan vervolgens als duurzame energiedrager worden ingezet voor bijvoorbeeld mobiliteit, industrie en verwarming in de gebouwde omgeving. In Oosterwolde wordt door Alliander (energienetwerkbedrijf) in samenwerking met GroenLeven (ontwikkelaar van grootschalige zonne-energie projecten) een waterstofpilot ontwikkeld bij een zonnepark13. Daarbij worden drie standaard electrolyse modules gekoppeld worden tot een electrolyser van 1,4 Megawatt (MW). De compressor zorgt ervoor dat de geproduceerde waterstof samengeperst wordt tot 300 bar en opgeslagen wordt in tubetrailers. Op die manier kan het waterstof straks vervoerd worden.
2.8
Ontwikkelingen warmte
2.8.1 Warmtenetten algemeen De CO2-uitstoot per GJ geleverde warmte van warmtenetten is sterk afhankelijk van de warmtebron. Bij een volledig fossiele warmtebron, zoals aardgas is er sprake van een relatief hoge CO2-uitstoot terwijl bij een volledig hernieuwbare bron, zoals biomassa, deze uitstoof veel lager is.
13
https://www.perssupport.nl/persbericht/5da8e0ab-263f-411c-875f-f66aca1dbd26/deense-elektrolysermaakt-waterstof-in-oosterwolde
Figuur 21. CO2-uitstoot per GJ warmte voor diverse warmtenetten.
2.8.2 Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) Het kabinet trekt 200 miljoen euro uit voor het aardgasvrij maken van 55.000 huurwoningen. Het geld is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten voor het verleggen van leidingen, het weghalen van cv-ketels en het aanleggen van nieuwe aansluitingen. Dat geldt ook voor woningen die al gedeeltelijk op een warmtenet zijn aangesloten. De subsidieregeling voor aardgasvrije huurwoningen is op 1 mei j.l. opengesteld voor verhuurders van woningen. De subsidie wordt verstrekt voor zowel de kosten voor aanpassingen in de woningen, inclusief de mogelijkheid van elektrisch koken, als voor de kosten van aansluiting op het warmtenet zelf. Voorwaarde voor de subsidie is dat de huurwoningen na de uitvoering van de werkzaamheden in elk geval geen aardgasaansluiting meer hebben. Zolang het aansluiten van woningen op een warmtenet niet lukt zonder subsidie, pleiten de corporaties ervoor dat stimuleringsregelingen zoals de SAH beschikbaar blijven. Subsidieaanvragen in het kader van deze subsidieregeling zijn ingediend door de woningcorporaties. Tabel 2 geeft het overzicht van de (toegekende) aanvragen waarbij HVC als warmteleverancier is betrokken.
Tabel 2. Overzicht (toegekende) subsidie aanvragen Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen.
HVC-warmtenetten Bijna 800 woningen in de nieuwbouwwijk De Draai Zuid in Heerhugowaard worden aangesloten op het warmtenet van HVC. Uit de vergelijking van vijf warmteconcepten is aansluiting op het warmtenet van HVC de beste keuze gebleken. De woningen worden gebouwd in de periode 20212025.
2.9
Verduurzaming mobiliteit
Wereldwijd werden er in 2019 2,1 miljoen elektrische auto’s verkocht waarmee het totaal op 7,2 miljoen elektrische auto’s uitkwam- een stijging van 40% op jaarbasis. In Nederland steeg het marktaandeel van verkochte nieuwe elektrische auto’s van 4,3% in 2018 tot 9,5% in 2019. Nederland is internationaal gezien een grote speler op het gebied van elektrische mobiliteit14. Samen met Noorwegen, IJsland, Zweden en China behoorde Nederland in 2019 tot de 5 landen in de wereld waar elektrische personenauto’s meer dan 1,5% van de totale vloot uitmaken. In augustus 2020 waren er in Nederland ca. 316.000 elektrische voertuigen geregistreerd waarvan ca. 234.000 personenvoertuigen (fig. 22). Met ruim 60.000 laadpunten (fig. 23) is Nederland het land met de hoogste dichtheid aan laadpunten.
Figuur 22. Ontwikkeling aantal elektrische personenvoertuigen in Nederland met een opsplitsing in brandstofcel-voertuigen (FCEV), elektrische voertuigen (BEV) en plug-in hybride (PHEV) voertuigen.
14
https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/energie-en-milieu-innovaties/elektrischrijden/stand-van-zaken/cijfers
Figuur 23. Ontwikkeling aantal oplaadpunten voor elektrische auto’s in Nederland. Na een geslaagde proef eerder dit jaar kiest de provincie Groningen kiest op het regionale spoor definitief voor de waterstoftrein. Volgens de provincie is de waterstoftrein ,,een volwaardig alternatief" voor de dieseltrein die momenteel in de regio rijdt. De eerste waterstoftreinen zouden over een paar jaar in de reguliere dienstregeling moeten rijden.
3
Afval en grondstoffen
3.1
Internationale ontwikkelingen
3.1.1 Europese greendeel De Europese Green Deal is een routekaart om de economie van de EU duurzaam te maken. Een duurzame economie betekent o.a.
een netto-uitstoot aan broeikasgassen tegen 2050 die tot nul is gereduceerd; een economische groei zonder grondstoffen uit te putten; geen mens of regio die aan zijn lot wordt overgelaten.
3.1.2 Afval Engeland De verwerkingsmarkt voor restafval in het Verenigd Koninkrijk is in 10 jaar tijd aanzienlijk veranderd. In 2010 werd het grootste deel van het restafval nog gestort. Op dit moment is de hoeveelheid gestort en de hoeveelheid verbrand restafval min of meer gelijk (fig. 24). Door de ingebruikname van afvalverbrandingsinstallaties neemt de hoeveelheid verbrand afval geleidelijk toe. Ongeveer 10% van het afval uit het VK wordt voor verwerking geëxporteerd. Na een piek in 2017 was er afgelopen jaren sprake van een geleidelijk afname (fig. 25). In 2020 lijkt deze afname zich versterkt door te zetten. Deze ontwikkeling wordt door meerdere factoren veroorzaakt waaronder de toename van de verbrandingscapaciteit Engeland en specifiek voor dit jaar uiteraard de impact van ’corona’. Nederland blijft voor het afval uit Engeland nog het belangrijkste exportland maar waarschijnlijk door de afvalstoffenbelasting die sinds 1 januari j.l. óók voor het verbranden van import-afval wordt geheven, is de afvalexport naar Nederland sterk gedaald (fig. 26). Deze daling bedroeg in het eerste kwartaal van 2020 bijna 50%15.
Figuur 24. Ontwikkeling eindverwerking restafval in het VK.
15
https://www.letsrecycle.com/news/latest-news/rdf-export-netherlands-halved/
Figuur 25. Ontwikkeling export RDF uit het VK met prognose voor 2020 (o.b.v. cijfers t/m juli).
Figuur 26. Procentuele verdeling export RDF vanuit het VK naar bestemming.
3.1.3 Duitse verbrandingsinstallaties nog tot 2040 vol Een studie van de technische universiteit van Dortmund en onderzoeksbureau Prognos naar de perspectieven van afvalverbranding in Duitsland concludeert dat de samenstelling van het afval verandert, maar de hoeveelheid te verbranden afval blijft waarschijnlijk tot 2040 stabiel in Duitsland. De onderzoekers concluderen dat de benodigde capaciteit waarschijnlijk tot 2040 redelijk hetzelfde blijft. Het totale aanbod aan afval voor verbrandingsinstallaties lag in 2017 op 34,51 Mton. Voor 2040 wordt een daling van het totale volume naar 33,44 Mton verwacht. Wanneer alleen gekeken wordt naar de bevolkingsgroei en economische ontwikkelingen is er een toename naar 36,76 Mton te verwachten. Door nieuwe eisen aan afvalbeheer valt er echter een daling van 6,28 Mton te verwachten. Wetswijzigingen op het gebied van bijvoorbeeld chemische stoffen zorgen dan weer voor 2,96 Mton extra volumes. Al met al heffen de ontwikkelingen elkaar dus op en blijft de
hoeveelheid afval voor verbranding redelijk stabiel - en voldoende om de bestaande centrales op vollast te laten draaien.
3.2
Ontwikkelingen beleid en regelgeving Nederland
3.2.1 Ontwerp nationaal milieubeleidskader In september 2020 heeft staatssecretaris Van Veldhoven het ontwerp nationaal milieubeleidskader (NMK) naar de Tweede Kamer gestuurd. Het NMK bevat uitgangspunten en bouwstenen voor de actualisatie van het gehele milieubeleid. Het laatste integrale milieubeleidskader is in 2001 gepresenteerd. In de tussentijd is veel gedaan, met beleid voor bodem, lucht en water, waarbij het beheersbaar maken van gezondheidsrisico’s centraal stond. Om invulling te kunnen geven aan de omslag van ‘beheersen en herstellen’ naar het voorkomen van schade aan ons milieu en onze gezondheid, staan in het nationaal milieubeleidskader vier uitgangspunten centraal:
safe by design: milieuvriendelijk ontwerpen voor hergebruik in plaats van producten na gebruik als afval beschouwen (met milieuverliezen door vervuiling, uitputting of latere saneringskosten te vermijden); de vervuiler betaalt: de verantwoordelijkheid en de kosten van milieuschade zo veel mogelijk leggen bij de veroorzakers; stapsgewijze verbetering van de milieukwaliteit: voldoen aan milieunormen is geen eindstation, maar het startpunt; verbinding en samenwerking: milieu houdt zich niet aan grenzen. Nederland is een open, internationaal georiënteerd land dat veel te winnen heeft bij samenwerking met andere landen op het gebied van milieubeleid.
Op een eerder concept van het NMK zijn via een internetconsultatie ca. 50 reacties opgehaald bij bedrijven, wetenschappers, medeoverheden en organisaties. Het NMK vormt de basis voor het op te stellen nationaal milieuprogramma.
3.2.2 Vernieuwd uitvoeringsprogramma CE Staatssecretaris Van Veldhoven heeft eind september het geactualiseerde Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie naar de Tweede Kamer gestuurd. De focus komt daarbij hoger in de ladder te liggen, op preventie en hergebruik. De actualisatie is opgesteld op het moment dat de coronacrisis zich wereldwijd begon te ontvouwen en de impact daarvan op o.a. de kunststof- en textielketen. De staatsecretaris constateert dat met name de markt voor plasticrecyclaat "nog niet weerbaar genoeg is om grote vraag- en aanbodschommelingen op te vangen en de concurrentie met de lineaire economie aan te gaan." Door Covid-19 blijkt volgens de staatssecretaris dat mondiale ketens kwetsbaar zijn en dat er aanleiding is voor meer aandacht voor samenwerking op Europees, nationaal en regionaal niveau. Het geactualiseerde uitvoeringsprogramma laat vooral zien wat er is bereikt sinds het eerste programma. Als voorbeelden noemt ze onder meer de geplande invoering van statiegeld op kleine flesjes en mogelijk blikjes, de introductie van circulaire doelstellingen voor verpakkingen, vrijwillige producentenverantwoordelijkheid voor matrassen en de lancering van het Europees Plastic Pact. Om in 2050 een circulaire economie te kunnen realiseren moet er een verdere doorontwikkeling, opschaling en versnelling plaatsvinden.
Daarom ligt er in de actualisatie meer nadruk op activiteiten hoger op de ladder: "rethink, refuse, reuse, reduce in plaats van recycling".
3.2.3 CO2-heffing voor afvalenergiecentrales Met ingang van volgend jaar krijgen afvalenergiecentrales (AEC’s) te maken met een CO2-heffing. Met deze heffing moet de in het Klimaatakkoord opgenomen reductieopgave voor AECs van 1,1
Mton in 2030 worden gerealiseerd. De hoogte van deze heffing zal naar verwachting oplopen tot ruim € 100 per ton CO2 in 2030. Deze heffing hoeft niet over de volledige uitstoot te worden betaald. Over de CO2 afkomstig van het verbranden van het biogene deel van het afval, zoals in het restafval aanwezig gft, papier en karton en houtafval, hoeft geen heffing te worden betaald. Voor de nietbiogene CO2 moet de heffing worden betaald op basis van de zogenaamde vermijdbare CO2uitstoot. Deze vermijdbare CO2 uitstoot is de jaarlijks lineair oplopende hoeveelheid te reduceren CO2 om in 2030 te doelstelling voor de AEC’s van 1,1 miljoen ton CO2 te hebben gerealiseerd. Naar verwachting zal 2024 het eerste jaar zijn waarin de AEC’s deze heffing moeten betalen. De door de sector te betalen heffing zal leiden tot hogere tarieven voor afvalverbranding. In figuur 27 is indicatief aangegeven wat het effect van deze heffing aan kosten voor de verbrandingssector kan zijn en wat effect daarvan per ton afval kan zijn. In de eerstkomende jaren is het effect naar verwachting nihil maar dat kan op basis van de huidige inzichten in 2030 opgelopen zijn tot ca. € 15 per ton te verbranden afval (fig. 27).
Figuur 27. Indicatie van de mogelijke totale kosten voor alle AEC’s in Nederland en het effect daarvan op het verbrandingstarief. De gedachte achter de CO2-heffing is om bedrijven te motiveren duurzaamheidsmaatregelen door te voeren zodat ze minder CO2 uitstoten. Omdat bij AEC’s bij het verbranden van restafval een ‘vaste’ hoeveelheid CO2 wordt uitgestoten, kunnen AEC’s geen ‘procesmaatregelen’ nemen om deze uitstoot te verminderen. Alleen door een reductie van de hoeveelheid verbrand afval of door het afvangen van CO2 na het verbrandingsproces, kan een AEC de CO2 uitstoot reduceren. De kosten voor de CO2-afvang zijn hoog, tussen 50 euro en 100 euro per ton CO2. Vanaf het komend najaar valt deze technologie onder de stimuleringsregeling duurzame energietransitie SDE++. Omdat subsidieverlening in het kader van de SDE++ in ‘concurrentie’ met andere industriële sectoren plaatsvindt, waarbij de sector met de laagste subsidiebehoefte per ton af te vangen CO2 de grootste kans maakt op daadwerkelijke subsidieverlening, is het onduidelijk of aanvragen van AEC’s in het kader van deze subsidieregeling gehonoreerd worden.
3.2.4 BREF Waste Incineration De BREF Waste Incineration is eind 2019 gereed gekomen. In dit BREF staan de Beste Beschikbare Technieken (BBT) vermeld voor afvalverbranding en slibverbranding. Ook zijn er ranges opgenomen van emissies, die haalbaar zijn bij toepassing van deze BBT. Elk land moet nu binnen 4 jaar deze ranges vertalen naar emissie eisen in vergunningen of landelijke regelgeving. In Nederland zal dat gaan gebeuren in het Besluit Activiteiten Leefomgeving, de opvolger van het huidige Activiteitenbesluit als onderdeel van de nieuwe Omgevingswet. De Vereniging Afvalbedrijven heeft mogen reageren op conceptteksten die betrekking hebben op afval- en slibverbranding. Bestaande installaties moeten vanaf 12 november 2023 aan de nieuwe eisen voldoen. De belangrijkste wijzigingen op basis van deze ontwikkelingen zijn:
aanscherping emissiegrenswaarden voor lucht. Met uitzondering van koolmonoxide worden alle bestaande emissiegrenswaarden voor lucht naar beneden bijgesteld. De maandgemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxide is niet aangescherpt omdat deze aanscherping tot een hogere ammoniakemissie en daarmee stikstofdepositie kan leiden. Wijzigingen meetverplichtingen lucht. Het gaat hierbij o.a. om de volgende wijzigingen: o de continue meetverplichting wordt uitgebreid naar kwik en ammoniak; o continue meting ook de meting van het debiet van het afgas; o nieuwe meetverplichting voor de emissies naar lucht van benzo[a]pyreen en gebromeerde dioxines. Deze wijzigingen m.b.t. de meetverplichtingen kan ertoe leiden dat afval(mee)verbrandingsinstallaties aanpassingen moeten doorvoeren om aan nieuwe meetverplichtingen te kunnen voldoen. aanscherping emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater op het oppervlaktewater. De meeste Nederlandse AEC’s zuiveren en hergebruiken hun afvalwater en lozen evt. op het riool waardoor aanpassing van lozingseisen op het oppervlaktewater minder relevant is.
Impact BREF Waste incineration op HVC De impact van de BREF op HVC is ‘relatief’ beperkt. HVC voldoet voor zowel de AEC’s als de SVI al aan de aangescherpte emissie-eisen. Wel worden de vergunningen voor zowel de AEC als de SVI door het bevoegd gezag aangepast (een ambtshalve wijziging). HVC zal beperkt aanpassingen moeten doorvoeren om aan de aanvullende meetprotocollen te kunnen voldoen.
3.2.5 Statiegeld op blik Naar schatting komen er jaarlijks ongeveer 125 miljoen blikjes in het zwerfafval terecht. Met het bedrijfsleven was afgesproken dat als de zwerfafvalcijfers niet met minimaal 70 procent zouden dalen (ten opzichte van het gemiddelde in 2016 en 2017), dat dan in 2021 kan worden besloten statiegeld op blikjes in te voeren. Van een daling is echter geen sprake, er is een stijging van het aantal blikjes in het zwerfafval geconstateerd. Daarom heeft de ministerraad de conceptregelgeving voor statiegeld op blikjes goedgekeurd en heeft het Ministerie van IenW een consultatie geopend over het Besluit metalen drankverpakkingen. Uiterlijk 2022 zal de statiegeldregeling gaan gelden.
3.2.6 Ontwikkelingen afvalstoffenheffing In 2019 en 2020 is er sprake van een aanzienlijke stijging van de hoogte van de gemeentelijke afvalstoffenheffing16 (fig. 28). De belangrijkste oorzaken voor deze ontwikkeling zijn:
(het doorberekenen van) de in 2019 sterk verhoogde afvalstoffenbelasting (van € 13,21 per ton in 2018 naar €32,12 per ton in 2019); reserves die in voorgaande jaren zijn gebruikt om tekorten op te vangen zijn/raken uitgeput; bij diverse diftar-gemeenten een aanzienlijke stijging in de ‘vaste component’ om voldoende dekking van totale kosten te krijgen; dalende opbrengsten voor gescheiden ingezamelde grondstofstromen; hogere inzamel- en verwerkingskosten door marktontwikkelingen.
Gelet op de achterliggende oorzaken van deze ontwikkelingen zal de stijging van de afvalstoffenheffing zich ook in 2021 voortzetten. Alhoewel de gemeenten de afvalstoffenheffing in het najaar definitief vaststellen, blijkt uit de plannen dat er in veel gemeenten sprake zal zijn van een aanzienlijke stijging voor 2021. Voorbeelden van dergelijke stijgingen zijn o.a. gemeente Groningen (+ €20), gemeente Amersfoort (+ €52), gemeente Bronckhorst (vastrecht + €85), gemeente Den Haag (van + €51,12 tot + € 62,88 (afhankelijk van omvang huishouden)), Hengelo (gemiddeld + €15), Dronten (+ € 34) en Westland (+ €90), Eén van de weinige uitzonderingen op deze stijgingen is de gemeente Midden-Drenthe waar de afvalstoffenheffing met €30 wordt verlaagd. De financiële positie van gemeente staat zwaar onder druk. Naast kostenverlagingen d.m.v. bezuinigingen vangen gemeenten deze ontwikkelingen op door het verhogen van lokale belastingen waaronder de OZB. Het totaal pakket aan lokale lasten leidt hierdoor tot een toename van de woonlasten voor de inwoners.
Figuur 28. Ontwikkeling afvalstoffenheffing in grote gemeenten sinds 2007 (in procenten).
16
https://www.coelo.nl/images/rapporten/KBGG2020.pdf
3.2.7 Ontwikkelingen Diftar Alle gemeentes in Nederland hanteren een vorm van tariefsdifferentiatie voor de afvalstoffenheffing. De meest toegepaste wijze, nl. een tarief gebaseerd op de omvang van een huishouden (éénpersoons vs. meerpersoons), wordt in het algemeen niet gezien als een vorm van diftar. Bij diftar is de omvang van de te betalen afvalstoffenheffing afhankelijk van het afvalaanbod onder andere o.b.v. de omvang van de container, het aantal ledigingen of het gewicht van het aangeboden afval. Diftar wordt op dit moment m.n. toegepast door gemeenten in oost en zuid Nederland terwijl in noord en west Nederland de meeste gemeenten alleen een onderscheid maken o.b.v. de omvang van een huishouden (fig. 29). De meest toegepaste vorm van diftar is een system waarbij (het variabele deel van) de te betalen afvalstoffenheffing wordt bepaald door het volume van de container en het aantal ledigingen. Dit jaar voeren 5 gemeenten diftar in. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten die diftar invoeren vaak in gebieden liggen waar al veel diftargemeenten zijn. In 2000 woonde 9,7 procent van de Nederlanders in een diftargemeente. Dat is opgelopen tot 31,0 procent dit jaar, tegen 30,0 procent vorig jaar.
Figuur 29. Overzicht van het per gemeente toegepaste systeem van afvalstoffenheffing en de procentuele verdeling daarvan.
HVC en diftar. HVC is klaar voor de implementatie van diftar bij haar dvo-gemeenten. HVC hanteert hiervoor de term ‘recycletarief’. De gemeente Noordoostpolder heeft besloten tot het invoeren van het recycletarief m.i.v. 1 januari 2021. In een aantal andere dvo-gemeenten staat implementatie van het recycletarief op de politieke agenda.
3.3
Inzameling
3.3.1 Hoeveelheid huishoudelijk afval De Nederlandse gemeenten zamelden in 2019 gemiddeld 493 kilogram huishoudelijk afval per inwoner in. Van het opgehaalde afval werd 60 procent gescheiden ingezameld, in 2010 was dit nog 50 procent. In niet-stedelijke gemeenten wordt het meeste afval opgehaald, met name meer groente-, fruit- en tuinafval (gft), en grof tuinafval.
Figuur 30. Totale hoeveelheid huishoudelijk afval in relatie tot stedelijkheidsklasse.
3.3.2 Samenstelling huishoudelijk restafval Rijkswaterstaat onderzoekt jaarlijks de samenstelling van het Nederlands huishoudelijk restafval. De samenstelling is uitgedrukt in het gewichtspercentage van de totale hoeveelheid inclusief het aanwezige vocht en vuil dat aan, op of in het afval zit. Om de uitschieters naar boven en beneden te nivelleren wordt de samenstelling weergegeven als een driejaarlijks gemiddelde. De resultaten van de analyses over 2019 worden gebruikt voor het bepalen van het driejaarlijks gemiddelde voor 2018 dat het gemiddelde is van 2017, 2018 en 2019. De belangrijkste deelstromen in het huishoudelijk restafval zijn gft (31%) , papier en karton (19%) en kunststoffen (13%) (fig. 31). Onderzoek naar de samenstelling van het huishoudelijk restafval gebeurt al sinds de jaren zeventig. Daardoor is een trendmatige ontwikkeling zichtbaar waaruit blijkt dat door de introductie van gescheiden inzameling van m.n. gft en kunststoffen het relatieve aandeel van deze stromen sterk is verminderd (fig. 32)
Figuur 31. Driejaarlijks gemiddelde samenstelling van het Nederlands huishoudelijk restafval 2018.
Figuur 32. Ontwikkeling van het aandeel van de verschillende hoofdcomponenten in het huishoudelijk restafval.
3.3.4 Marktontwikkelingen inzameling De trend van een toename van de inzameling van huishoudelijk restafval door publiek bedrijf ten koste van private inzamelaars zet door. Het aandeel ‘overheidsbedrijven’ en ‘gemeenschappelijke regelingen’ in deze inzameling is in 10 jaar tijd gestaag toegenomen terwijl het aandeel van private bedrijven fors is teruggelopen (fig. 33). Van deze private bedrijven blijven Renewi en Suez de
grootste inzamelaars terwijl het aandeel van Remondis een sterke stijging laat zien, met name door de overname van inzamelbedrijf Baetsen.
Figuur 33. Ontwikkeling marktverdeling inzameling huishoudelijk afval.
Figuur 34. Ontwikkeling markt inzameling restafval door 5 grootste private partijen.
3.3.5 Ontwikkelingen Inzamelbedrijven Afvalstoffendienst Den Bosch De Afvalstoffendienst van Den Bosch gaat ook de komende jaren het huishoudelijk afval inzamelen in de gemeente Oisterwijk. Met ingang van 1 januari 2021 kent Oisterwijk het uitsluitend recht tot het inzamelen van huishoudelijk afval voor vijf jaar toe aan de Afvalstoffendienst. De Afvalstoffendienst van Den Bosch blijft dus ook de komende jaren al het huishoudelijk afval in Oisterwijk inzamelen, overigens met uitzondering van textiel. Omdat vanaf 1 januari 2021 het dorp Haaren bij de gemeente Oisterwijk wordt gevoegd, breidt het werkgebied wel iets uit. Eerder dit jaar besloot ook de gemeente Altena de inzameling van huishoudelijk afval voor een periode van vijf jaar aan Den Bosch te laten. De huidige inzamelaar in die gemeente is Renewi.
Avri Het plan van Avri, de gemeenschappelijke regeling voor de regio Rivierenland, om met chips in containers voor huishoudelijk afval de afvalscheiding te verbeteren, heeft geleid tot vragen van diverse politieke partijen in de gemeenten Tiel en West Betuwe. Eind augustus liet Avri, de gemeenschappelijke regeling voor de regio Rivierenland, weten het plan te hebben om chips in containers voor huishoudelijk afval in te voeren om de afvalscheiding te verbeteren. De chip registreert het aantal ledigingen en koppelt de container, via het chipnummer, aan een adres. Handhavers controleren de kwaliteit van de aangeboden afvalstromen. Dit plan van Avri heeft geleid tot vragen van diverse politieke partijen in de gemeenten Tiel en West Betuwe. De gestelde vragen hebben o.a. betrekking op ‘pricacy-aspecten’. Dar Afvalbedrijf Dar is actief in de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen. Vanaf 2021 sluit de gemeente Mook en Middelaar zich aan bij DAR. Het afval in Mook en Middelaar wordt nu nog ingezameld door Van Kaathoven. Dat contract loopt tot het einde van dit jaar. Om zo min mogelijk te laten veranderen voor de bewoners zal Van Kaathoven ook in 2021 het afval inzamelen, hoewel dan als onderaannemer van Dar. In 2021 zullen de gemeente en Dar samen afspraken gaan maken over de afvalinzameling in de toekomst.
Meerlanden Het college van de gemeente Noordwijk wil vanaf 2022 samenwerken met één afvalinzamelaar. In haar ogen past Meerlanden het best bij de fusiegemeente. De fusiegemeente Noordwijk ontstond begin 2019 door het samengaan van de gemeenten Noordwijkerhout en Noordwijk. Vanwege doorlopende contracten zijn nu nog twee inzamelaars van huishoudelijk afval actief: Noordwijk maakte voor de afvalinzameling gebruik van een publiek-private samenwerking met Renewi (voorheen Milieuservices AVR), onder de naam NV Man, terwijl Noordwijkerhout was aangesloten bij Meerlanden. Rad Hoeksche Waard De Rad Hoekse Waard werd per 1 juli 2020 verantwoordelijk voor het afval- en grondstoffenbeheer van Goeree-Overflakkee. Voor de gemeenten Hoeksche Waard en Goeree Overflakkee gaat Rad Hoeksche Waard via een aanbestedingstraject op zoek naar verwerkers voor gft (20 kton) en restafval (22 kton fijn en 4,1 kton grof huishoudelijk afval). Voor het verwerken van dit huishoudelijk afval hoeft geen nascheiding te worden toegepast. Rova Twenterand is aandeelhouder van Rova en heeft een doorlopend contract voor de afvalinzameling, met een opzegtermijn van twee jaar. In de gemeenteraad van Twenterand gaan er stemmen op een alternatief voor Rova te onderzoeken met name om te kijken of het elders goedkoper kan.
Een voorstel om de frequentie van het legen van de grijze restafvalcontainer van eens in de vier weken naar één keer in de acht weken werd door de raad verworpen. Twente Milieu De gemeente Wierden is definitief toegetreden als aandeelhouder van Twente Milieu, dat hiermee negen aandeelhouders telt. De overige acht17 aandeelhoudende gemeenten hebben in juni ingestemd met de toetreding van Wierden. Twente Milieu en de Overijsselse gemeente werken sinds 2018 samen, toen Wierden diftar invoerde. Twente Milieu gaat via een inbestedingsovereenkomst
17
Dit zijn: Almelo, Borne, Enschede, Haaksbergen, Hengelo, Hof van Twente, Losser en Oldenzaal
ook de inzameling voor Wierden uitvoeren. Het contract met de huidige inzamelaar Leemans loopt sinds 1 januari 2018 en heeft een looptijd van minimaal drie jaar, dus tot en met het eind van dit jaar.
3.4
Secundaire grondstoffen
3.4.1 Gft/gfe Om zowel betere scheiding van restafval, als minder vervuiling van gft te bevorderen, is een nieuwe wel/niet-lijst voor gft ontwikkeld18. In het Nederlandse restafval zit nog zo’n 32 procent gft. Daarnaast is de gemiddelde vervuiling van gft in Nederland de laatste jaren gestegen naar 3,9 procent. Uitgangspunt bij het samenstellen van de lijst was de logica en het intuïtieve gedrag van de burger. Dit om de kans op vervuiling van de stroom gft zo klein mogelijk te maken. Daarnaast is gekeken naar de relatie met het eindproduct, de compost. De met het gft ingezamelde materialen moeten iets toevoegen aan de compost (de zogeheten co-benefit) en mogen het composteringsproces niet verstoren. De lijst is ontstaan door een samenwerking tussen Rijkswaterstaat, NVRD, de Vereniging Afvalbedrijven, Milieu Centraal, gft-verwerkers in Nederland, diverse gemeenten en enkele gedragsexperts. De samenwerking vond plaats in het kader van het Aanvalsplan gft en textiel. Kwaliteit compost De eisen aan compost in de telerhandleiding van VVAK (Voedsel- en voederveiligheid akkerbouw) zijn aangescherpt. De maximale verontreiniging van compost met glas, steen, plastic en andere stromen is gehalveerd. Er mag nog maximaal 0,1 procent vervuiling (w.o. glas en overige verontreinigingen) en 2 procent steen in de compost aanwezig zijn.
Verontreinigingen groter dan 20 millimeter zijn sowieso niet toegestaan. Hierdoor voldoet alleen nog Klasse A Keurcompost aan de eisen voor toepassing in de voedselproductie. Bij toepassing in bijvoorbeeld de bollenteelt mag B kwaliteit nog wel. HVC-compost HVC streeft er naar om 100% A kwaliteit compost te produceren. Omdat het in b.v. de winterperiode lastiger is om deze norm te halen, kan er in de praktijk nog beperkt (max 10%) Bkwaliteit worden geproduceerd. Agrariër mag meer compost uitrijden Voor verbetering van de Nederlandse bodem is een grote hoeveelheid organische stof van goede kwaliteit nodig. In de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, die op 1 januari 2020 in werking is getreden, is verruiming voor het gebruik van fosfaat geregeld. Een landbouwer mag meer fosfaat aan de bodem toevoegen als hij gebruik maakt van een meststof die zorgt voor meer organische stof in de grond, zoals compost. Dat is goed voor de bodem en past binnen de kringlooplandbouw en een circulair voedselsysteem waar de overheid naar streeft. gfe inzameling hoogbouw Een vijfjarig onderzoek in hoogbouw gemeenten laat zien dat scheiden van organisch keukenafval in de hoogbouw positieve resultaten oplevert19. Zowel kwantitatief als kwalitatief. Gfe-inzameling in hoogbouw kan leiden tot een toename van het landelijke scheidingspercentage met 1,5 procent terwijl lokaal b.v.
in stedelijk gebied waar nu nog (vrijwel) geen gescheiden inzameling plaats vindt, deze toename aanzienlijk hoger kan zijn. Een menukaart laat zien welke instrumenten wel en niet
18 19
https://www.nvrd.nl/nieuwsberichten/2020/artikel-meer-duidelijkheid-over-inhoud-gft-bak https://www.verenigingafvalbedrijven.nl/nieuws/aan-de-slag-met-gfe-in-de-hoogbouw
werken. Met name het uitdelen van hulpmiddelen voor in de keuken, zoals bakjes met composteerbare zakjes, is goed uitvoerbaar en heeft veel effect.
3.4.2
PMD
Uiterlijk in 2023 zullen alle gemeenten over moeten stappen op het nieuwe ketenregiemodel, als gevolg van nieuwe afspraken in de Raamovereenkomst Verpakkingen. Dat betekent dat de gemeenten alleen verantwoordelijk zijn voor de inzameling van pmd, en dat het Afvalfonds Verpakkingen zorg draagt voor het transport na inzameling, de op- en overslag, sortering en afzet aan recyclers. Als gevolg van deze wijziging in het ketenregiemodel rond pmd sluit de Stichting Afvalfonds rechtstreeks contracten af met publieke en private partijen om het ingezamelde pmd te sorteren en te vermarkten. Stichting Afvalfonds heeft hiervoor contracten afgesloten met Suez, RKN ( HVC en Midwaste) en Attero. Onder die nieuwe afspraken moeten gemeenten er echter ook voor zorgen dat het ingezamelde pmd schoon is: de vervuiling mag maximaal 15 procent zijn, en vanaf 2028 nog maar 10 procent. Attero constateert op basis van eigen analyses dat in 70% van de gevallen er sprake is van meer dan 15 procent vervuiling, oplopend tot meer dan 40 procent. Ook in veel gemeenten wordt in toenemende mate vervuiling geconstateerd. Dat leidt tot forse financiële nadelen voor gemeenten. Immers, een goedgekeurde ton verpakkingsafval levert gemeenten 260 euro op terwijl voor een afgekeurde ton het verbrandingstarief bij een AEC moet worden betaald.
Een aanzienlijk deel van het bij de consumenten ingezamelde plastic afval is door de laagwaardige kwaliteit moeilijk te recyclen. Daarnaast ontstaat ook bij het recyclen van hoogwaardige stromen een laagwaardige reststroom waar geen nuttige toepassing voor mogelijk is. Diverse partijen kijken naar de mogelijkheden om deze laagwaardige stroom d.m.v. pyrolyse te verwerken en om te zetten in een olie die geschikt is als grondstof voor de productie van kunststoffen of als vervanger van (motor)brandstoffen.
3.4.3 Papier en karton Van het nieuw op de Nederlandse markt gebrachte papier en karton (OPK) (niet zijnde verpakkingen) is vorig jaar 89 procent ingezameld en hergebruikt. Dit is drie procent meer dan in 2018 terwijl de recyclingdoelstelling 75 procent is. Op Europees niveau ligt het percentage papierrecycling op ongeveer 72,5 procent (2017). In absolute zin daalt de hoeveelheid ingezameld oud papier per inwoner; in 2019 werd per inwoner gemiddeld 49 kilogram oud papier opgehaald, 15 kilogram minder dan in 201020. Deze afname is onder meer het gevolg van de digitalisering: er wordt steeds minder papier gebruikt. Uit het Vervuilingsonderzoek 2019 (over de periode 2017-2018) uitgevoerd door Papier Recycling Nerland blijkt dat de vervuiling in het OPK wederom is toegenomen. De vervuiling in de periode 2017-2018 bedroeg 2,10%. In 2015 bedroeg het vervuilingspercentage nog 1,59%. Er lijkt een relatie te bestaan tussen het vervuilingspercentage en de mate van vervuiling: in diftar-gemeenten en gemeenten met omgekeerd inzamelen is het gemiddelde vervuilingspercentage ca. 1% hoger dan in andere gemeenten.
20
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/40/meeste-huishoudelijk-afval-in-minst-stedelijke-gemeenten
Figuur 35. Percentage vervuiling in ingezameld OPK in relatie tot het inzamelsysteem.
3.4.5 Textiel Door het forse gebruik van land, water, energie en chemicaliën is de ecologische voetafdruk van de textielindustrie groot. Met een totale uitstoot van broeikasgassen door de textielindustrie van 1,2 miljard ton CO2 per jaar is de textielindustrie een van de vervuilendste industrieën wereldwijd. In april 2020 heeft staatsecretaris Van Veldhoven het Beleidsprogramma circulair textiel 2020 – 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd21 met daarin het streven om in 2035 een halvering van de ecologische voetafdruk van de textielsector op het gebied van uitstoot, watergebruik, chemicaliën en microplastics te hebben gerealiseerd. In 2050 moet de sector volledig circulair zijn. In totaal werd in 2018 305,1 kiloton textiel in Nederland afgedankt. Hiervan werd 44,6 procent gescheiden ingezameld in kringloopwinkels of kledingcontainers, het overige textiel kwam bij het restafval terecht. Van het totaal ingezamelde en geïmporteerde textiel werd in 2018 53 procent direct hergebruikt, 33 procent gerecycled en 14 procent verbrand met energieterugwinning. Dit betekent dat uiteindelijk ruim 60% van het huishoudelijk textiel wordt verbrand. In het beleidsprogramma worden met name veel scherpere meerjarige doelen formuleert voor de recycling van niet-herdraagbaar textiel en de toepassing van gerecycled (post-consumer)/duurzaam materiaal in nieuwe textielproducten.
Alhoewel hergebruik prioriteit moet hebben boven recycling zijn in het beleidsprogramma geen doelstellingen voor herdraagbaar textiel opgenomen. In het beleidsprogramma wordt een producentenverantwoordelijkheid voor textiel aangekondigd.
3.5
Afvalenergiecentrales
3.5.1. Algemeen De marktverdeling tussen publieke en private bedrijven in de verbrandingsmarkt is al jaren constant (fig. 36). Een eventuele verkoop van AEB zou tot een aanzienlijke verschuiving in deze verhoudingen kunnen leiden.
21
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/14/beleidsprogramma-circulair-textiel2020-2025
Figuur 36. Verdeling publiek en private bedrijven in de Nederlandse afvalverbrandingsmarkt.
3.5.2 Ontwikkelingen per bedrijf AEB De voorgenomen verkoop van AEB Amsterdam is uitgesteld o.a. omdat de gemeente Amsterdam heeft meer tijd nodig om de verkoop voor te bereiden. De gemeente had in eerste instantie het plan om in april of mei een besluit rond de verkoop te kunnen nemen, maar vanwege verschillende factoren blijkt deze planning niet haalbaar. Als onderdeel van de herstructurering, met een focus op het verbranden van restafval, zijn de recyclepunten overgedragen aan de gemeente Amsterdam. Bij de recyclepunten kunnen bewoners en kleine bedrijven hun afval aanbieden en wordt het afval zo veel mogelijk gescheiden. Bij deze overname is het personeel, ca. vijftig medewerkers, in dienst gekomen van de gemeente. Met deze overname is een bedrag gemoeid van ca. 1,5 miljoen euro. De Amsterdamse gemeenteraad gaat een raadsenquête houden over de gang van zaken bij de afvalverwerker AEB (Afval Energiebedrijf). De enquête moet antwoorden opleveren op vragen over de rol van het stadsbestuur, van de raad zelf en van de ambtelijke organisatie, als het gaat om bijvoorbeeld toezicht op en controle bij AEB. De enquête richt zich op de periode van 1986, toen de eerste plannen voor een Afval Energie Centrale werden gelanceerd, tot het moment in 2021 dat een rapportage wordt uitgebracht. Bij een raadsenquête kunnen getuigen onder ede worden gehoord.
De gemeente heeft voor de zomer een herstructureringsplan voor AEB ingediend bij de Europese Commissie. Onderdeel van dat plan is de verkoop van AEB's belang in stadswarmtebedrijf Westpoort Warmte, waarop zo'n 30.000 Amsterdamse huishoudens zijn aangesloten. Ook de biomassacentrale zal worden verkocht. In ruil daarvoor zou AEB een nieuwe geldinjectie van €36 mln van de gemeente krijgen. De Europese Commissie heeft deze nieuwe ronde staatssteun voor de noodlijdende Amsterdamse afvalverwerker AEB echter afgewezen. De gemeente Amsterdam moet van Brussel eerst terug naar de onderhandelingstafel om de voorwaarden voor een nieuwe miljoenenlening aan te scherpen. De commissie vindt dat het bankenconsortium bestaande uit ABN Amro, ING, BNG en Deutsche Bank onvoldoende bijdraagt aan een financiële oplossing voor AEB.
De provincie Noord-Holland gaf in 2015 de Omgevingsvergunning voor de BEC af. Die is echter onvoldoende duidelijk geformuleerd. Daarom wordt een revisie van de vergunning uitgevoerd waarbij is geconstateerd dat er een kans is dat er extra investeringen gedaan moeten worden voor de afgifte van de vergunning. Het gaat om kalkinjecties en aanvullende metingen van emissies. Die investeringen kunnen oplopen tot 2 miljoen euro. De biomassacentrale is ondertussen operationeel en levert sinds half juli warmte aan het warmtenet. AEB heeft in korte tijd diverse schadeclaims gekregen. Zo heeft het waterschap Amstel, Gooi en Vecht een claim van 10 miljoen euro ingediend. Dat bedrag betreft de meerkosten voor het waterschap voor het laten verwerken van zuiveringsslib toen AEB dat door het grotendeels stilleggen van de installatie niet meer kon verwerken. Daarnaast ligt er een schadeclaim van projectontwikkelaar INB (6,4 miljoen euro) voor extra gemaakte kosten. Een geschil tussen AEB en bouwcombinatie Bam/Banzo hebben is bijgelegd met een betaling van 2,3 miljoen euro van AEB aan de deze bouwcombinatie. AEB Amsterdam betaalt dit bedrag aan Bam Infra en Banzo Engineering voor de definitieve oplevering van en het onderhoud aan de nascheidingsinstallatie. ARN ARN gaat de recycling van luiers opschalen. Na de uitbreiding kan het afval- en energiebedrijf 15 kton luiers per jaar recyclen.
Naar verwachting is de installatie halverwege 2021 volledig operationeel. ARN startte in 2015 met proeven met de recycling van luiers in een pilot reactor van 300 liter. Na twee jaar testen bouwde het bedrijf vervolgens een eerste reactor met een capaciteit van 5.000 liter. Deze werd begin 2019 in gebruik genomen en is nu één jaar getest. Omdat deze testperiode goed is verlopen, is besloten tot uitbreiding naar drie reactoren van 5.000 liter per stuk met een gezamenlijke capaciteit van 15 kton luiers per jaar. AVR AVR gaat samen met het Britse bedrijf Carbon8 een pilot uitvoeren waarbij afgevangen CO2 met vliegas wordt gecombineerd tot een grondstof voor de bouw. De pilot wordt uitgevoerd bij de AEC van AVR in Duiven waar op dit moment circa 15 procent van de CO2-uitstoot afgevangen. Naar verwachting zal de pilot zo'n 100 ton van het bouwmateriaal produceren. Omrin De gemeenten Groningen, Het Hogeland en Westerkwartier willen aandeelhouder worden van Omrins afvalverwerkingstak Afvalsturing Friesland. Dat is het resultaat van een marktverkenning waarin de volgende drie opties zijn vergeleken: verlenging van de huidige overeenkomst, aanbesteden op de markt of inbesteden van de afvalverwerking bij een publiek bedrijf.
De gemeente Groningen verwacht dat verwerking van het restafval door Omrin jaarlijks 1 miljoen euro goedkoper uitvalt dan van de huidige afvalverwerking bij Attero in Groningen. Omrin gaat met behulp van een zogenaamde Dano-trommel luiers en ander organisch restmateriaal scheiden uit restafval om er biogas van te maken. Vooral organisch materiaal – waaronder luiers wordt na behandeling in de trommel verder fijngemaakt, afgezeefd en geschikt gemaakt voor vergisting. Omrin verwacht met deze biomassa ruim 6 miljoen kubieke meter extra biogas per jaar te kunnen produceren. Het opgewekte biogas uit afval dient deels als brandstof voor de inzamel- en transportvoertuigen, en wordt deels ingevoed op het aardgasnetwerk. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft voor deze innovatie in het kader van de Topsector Energie een subsidie verleend van maximaal 4,8 miljoen euro. De hele investering bedraagt circa 11 miljoen euro. Suez Na AVR, HVC en Twence is Suez de vierde afvalverbrander die CO2 gaat afvangen. De investeringsbeslissing hiervoor moet uiterlijk eind 2021 genomen worden maar ondertussen zijn wel
de vergunningsprocedures opgestart. Tuinders in West-Brabant willen de vrijgekomen warmte en de CO2 van Suez ReEnergy gebruiken bij de teelt van groente, fruit en sierplanten. Hiervoor gebruiken ze nu nog aardgas. Het Franse milieuconcern Veolia heeft een bod ingediend op een belang van 29,9 procent van Engie in Suez en aast op een volledige overname. Bij het samengaan van de twee bedrijven zou een nieuw milieuconcern ontstaan met een omzet van rond de 41 miljard euro (gebaseerd op de cijfers van de bedrijven van 2019). 46 procent van de omzet zou verkregen worden uit wateractiviteiten, 40 procent uit afval en 14 procent uit energie. Verder heeft Veolia berekend dat kostenbesparingen door synergiën binnen vier jaar zouden oplopen tot 500 miljoen euro. Suez beschouwt de overnamepoging door Veolia als ‘vijandig’ en gaat daarom “alternatieven voor Veolia’s voorstel onderzoeken”. Volgens Suez zou een overname ‘desastreus’ zijn voor de Franse economie, zinspelend op een ontslaggolf als de bedrijven worden samengevoegd. Ook kunnen er volgens Suez mededingingsproblemen ontstaan. Tot slot wordt de actie van Veolia neergezet als een ‘opportunistische financiële operatie’. Veolia en Suez zijn beide actief in Nederland. Suez (tweeduizend werknemers) zamelt het afval van 530.000 huishoudens en 80.000 bedrijven en instellingen in.
Veolia (650 werknemers) is kleiner en richt zich primair op het recyclen van plastic en papier en op het hergebruik van restwarmte. Na Veolia heeft ook private equitygroep Ardian aangegeven interesse te hebben in een overname van het belang van 29,9 procent van Engie in Suez. Ardian wil een consortium vormen van, voornamelijk Franse, private en publieke investeerders om uiteindelijk tot een ‘vriendelijk openbaar bod’ te komen. Suez liet direct weten dat de raad van bestuur en de vertegenwoordiging van de medewerkers zich kunnen vinden in de intentieverklaring van Ardian. Volgens Suez wil de private equitygroep niet alleen de aandelen van Engie in Suez overnemen, maar doet de groep direct ook een bod op de andere Suez-aandelen onder dezelfde behandelingsvoorwaarden. Ondanks het verzet van Suez heeft Veolia 29,9 procent van de aandelen in Suez overgenomen van Engie. Veolia betaalt 18 euro per aandeel, wat neerkomt op ruim 3,4 miljard euro in totaal. Het originele bod van eind augustus bedroeg nog 15,50 euro per aandeel. Veolia overweegt een openbaar overnamebod voor de resterende aandelen in Suez. Daarvoor wil het bedrijf ook 18 euro per aandeel betalen - eventuele aanpassingen door verkopen of andere veranderingen voorbehouden. Pre Zero De Schwarz-Gruppe, het moederbedrijf van o.a.
Lidl en Kaufland, is via het afvalbedrijf PreZero bezig met een sterke expansie van haar activiteiten. Na de overname en integratie van recyclingspecialist Sky Plastic gaat het bedrijf verder onder de nieuwe naam PreZero Polymers. Met PreZero Polymers heeft Schwarz nu operationele locaties in Harmburg (Oostenrijk) en Fonte (Italië) waar het overwegend Duits, Oostenrijks en Italiaans plasticafval van zowel bedrijven als huishoudens verwerkt tot PP-, PE- en PS-recyclaten. In Zwolle heeft PreZero afgelopen januari een sorteerinstallatie voor pmd in gebruik genomen met een jaarlijkse sorteercapaciteit van 80 kton. PreZero wil voor een bedrag van 1,1 miljard euro alle activiteiten van Suez over op het gebied van afvalverwijdering en recycling in Nederland, Duitsland, Luxemburg en Polen overneemt. Deze activiteiten genereerden in 2019 een omzet van zo’n 1,11 miljard euro en een ebitda van zo’n 100 miljoen euro. De onderdelen plasticrecycling en de verwijdering van gevaarlijk en chemisch afval
vallen buiten de overeenkomst. Als de verkoop doorgaat, neemt PreZero in Nederland zo'n 2.000 medewerkers van Suez over. Twence Twence in Hengelo gaat vanaf 2022 warmte leveren aan bierbrouwer Grolsch in Enschede. Komend jaar wordt een begin gemaakt met de aanleg van de benodigde 1,5 kilometer lange leiding tussen de twee bedrijven. De leiding zal eigendom zijn van Twence. Twence produceert de warmte in zijn biomassacentrale. Het gaat dus om hernieuwbare energie, opgewekt uit onbewerkt hout. De centrale stamt uit 2007 en leverde tot een aantal jaren geleden enkel elektriciteit. Maar sinds een ombouw in 2018 kan er ook warmte opgewekt worden. De capaciteit bedraagt nu 450 GWh, waarvan 350 GWh aan stoom en warmte. Als gevolg van het contract met Grolsch zal de warmteproductie toenemen ten koste van de opwek van elektriciteit. Grolsch gaat door deze warmtelevering 3 miljoen kubieke meter aardgas per jaar besparen. De CO₂emissie van het bedrijf daalt daarmee met 5.500 ton, bijna drie kwart van de totale uitstoot. Vanuit de biomassacentrale wordt ook warmte geleverd aan Ennatuurlijk (voor het warmtenet van Enschede) en aan chemiebedrijf Nouryon. Nadat eerder al de gemeenten Almelo en Oldenzaal aan hebben gegeven tot verkoop van hun aandelen Twence over te willen gaan, wil ook de gemeente Twenterand haar aandelen verkopen.
De bedoeling is dat de aandeelhouders in december opnieuw een strategische keuze maken, namelijk om al dan niet deel te nemen aan een nieuw verwerkings- en leveringscontract afval vanaf juni 2022. Gemeenten die niet deelnemen zullen de aandelen tegen nominale waarde (zijnde één euro per aandeel) conform moeten overdragen. Twenterand is van mening dat deze verkoop van aandelen tegen een reële prijs zou moeten gebeuren. En dat is volgens het college een prijs ‘waarmee het dividendverlies gedurende een lange termijn kan worden gedekt’. Tien aandeelhoudende gemeenten van Twence zetten verdere stappen in de verduurzaming van hun energieverbruik door vanaf 2021 via Greenchoice duurzaam opgewekte elektriciteit af te nemen van Twence. Het gaat om de gemeentes Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Tubbergen en Wierden. In de komende vijf jaar wil Twence minimaal 50% van het aardgasverbruik van de deelnemende gemeenten als groengas opwekken. Daarnaast willen ze 50% van het elektriciteitsverbruik duurzaam op gaan wekken via zon- en windprojecten bij de deelnemende partijen.
4
Afvalwater/zuiveringsslib
4.1
Energie en grondstoffen
4.1.1. Waterschappen bereiken energie- en klimaatambities 2020 De waterschappen hebben hun energie- en klimaatambities 10 jaar geleden vastgelegd in het Klimaatakkoord Waterschappen – Rijk. Uit de Klimaatmonitor Waterschappen22 over het verslagjaar 2019 blijkt dat deze ambities voor 2020 nu al behaald. De doelstellingen hebben o.a. betrekking op het verbeteren van de energie-efficiency, het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen en de productie van duurzame energie. Een belangrijke duurzame energiebron voor de waterschappen is biogas; in 2019 werd ruim 120 mln Nm3 biogas geproduceerd (fig. 37) en had daarmee een aandeel van 77% van de duurzame energieproductie.
Figuur 37. Ontwikkeling productie biogas. De waterschappen verwachten in de periode 2020-2025 zowel uit eigen opwekking als in samenwerking met derden nog eens 4.465 TJ extra aan duurzame energie op te wekken. De meeste voorgenomen projecten zijn gericht op de opwekking van zonnestroom, gevolgd door projecten gericht op windenergie. Omdat windenergieproject veel meer duurzame elektriciteit oplevert dan een zonneproject, levert windenergie verreweg de grootste bijdrage (ongeveer 2.345 TJ, ca. 53%) gevolgd door zonnestroom (ongeveer 1.155 TJ, ca. 26%). Als alle voorgenomen projecten gerealiseerd worden is de ambitie van energieneutraliteit in 2025 binnen bereik.