04 - AV - Contextanalyse
Tekst van het document
4. Contextanalyse 2020 Aan:
Algemene Vergadering
Van:
directie en raad van commissarissen
Betreft: Contextanalyse 2020 Datum: 3 november 2020
1. Inleiding Jaarlijks stelt HVC een contextanalyse op. In deze contextanalyse worden actuele ontwikkelingen geschetst op de terreinen waarbinnen HVC actief is; (duurzame) energie, afval-/grondstoffen en zuiveringsslib. Via de contextanalyse worden de aandeelhouders geïnformeerd over deze ontwikkelingen. Tevens levert de contextanalyse een bijdrage aan de beleids- en strategieontwikkeling binnen HVC. 2. Impact ‘corona’ op afval- en energiesector ‘Corona’ heeft een forse impact op de maatschappij en daarbij uiteraard ook op de sectoren waarbinnen HVC actief is. Zo is de energievraag sterk gedaald waardoor ook de CO2-emissies zowel wereldwijd als in Nederland fors lager zijn dan vorig jaar. In de afvalsector is sprake van een verhoging van het aanbod aan huishoudelijk afval en een verlaging van het aanbod aan afval van bedrijfsmatige activiteiten. Door verminderde afzetmogelijkheden zijn voor een aantal gescheiden ingezamelde deelstromen de afzetmarkten sterk gekrompen met afzetproblemen en lagere marktprijzen tot gevolg. De werking van zuiveringsinstallaties is niet verstoord en het aanbod aan zuiveringsslib voor de slibverbranding lijkt door ‘corona’ niet te zijn beïnvloed. 3. Energie en klimaat Ten opzichte van de meeste andere Europese landen scoort Nederland slecht m.b.t. het verduurzamen van de energiehuishouding.
In regionale energiestructuren worden de mogelijkheden die de regio’s zien om een bijdrage te leveren aan de duurzame energieproductie beschreven. Om de CO2-uitstoot te beperken wordt in Nederland een CO2-heffing ingevoerd. Gemeenten gaan op grond van de Warmtewet 2.0 bepalen welk warmtebedrijf verantwoordelijk wordt voor het leveren van warmte aan een collectief warmtesysteem. Deze wet moet helpen bij de groei en het verduurzamen van warmtenetten. De nieuwe Mijnbouwwet komt met een nieuw vergunningstelsel ‘op maat’ voor geothermieprojecten. Deze wijzigingen moeten bijdragen aan de realisatie van het potentieel dat aan geothermie wordt toebedeeld als duurzame warmtebron. Biomassa wordt gezien als belangrijke duurzame energiebron in de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Op termijn zal biomassa echter vooral moeten worden ingezet als grondstof en voor hoogwaardige energietoepassingen waar geen andere duurzame alternatieven voor zijn. Waterstof is op zichzelf geen duurzame energiebron en de productie van duurzame waterstof is duur en groene waterstof vraagt de inzet van grote hoeveelheden (en in Nederland in die mate nauwelijks beschikbare) groene stroom. Relatief kleinschalige pilots, onder andere gericht op het benutten van piekopbrengsten aan duurzame energie, worden ontwikkeld.
1
4. Afval-/grondstoffen In het Verenigd Koninkrijk wordt nog steeds bijna de helft van het huishoudelijk afval gestort. De export van RDF vanuit Engeland neemt geleidelijk af. De import van Engels RDF in Nederland is, waarschijnlijk door de afvalstoffenbelasting die sinds 1 januari jl. voor dit afval moet worden betaald, in 2020 sterk gedaald. De CO2-heffing voor afvalenergiecentrales kan leiden tot een geleidelijke stijging van het verwerkingstarief voor brandbaar restafval tot circa € 15 per ton in 2030. Mogelijk met ingang van 2022 zal er een statiegeldregeling voor blikjes gaan gelden. Dit moet leiden tot een forse reductie van de hoeveelheid zwerfafval. In vrijwel alle Nederlandse gemeenten is sprake van een aanzienlijke stijging van de gemeentelijke afvalstoffenheffing. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn de in 2019 sterk verhoogde afvalstoffenbelasting, dalende opbrengsten voor gescheiden ingezamelde grondstofstromen en hogere inzamel- en verwerkingskosten door marktontwikkelingen. De afvalstoffenheffing in diftargemeenten is gemiddeld lager dan in niet diftar-gemeenten. Het aantal gemeenten dat een diftarsysteem hanteert, neemt jaarlijks toe. Ondanks gemiddeld 60% gescheiden inzameling bevat het Nederlands restafval nog steeds veel recyclebare stromen. De geleidelijk toenemende mate van vervuiling voor diverse deelstromen leidt tot hogere verwerkingskosten.
De trend van een toename van de inzameling van huishoudelijk restafval door publieke bedrijven ten opzichte van private inzamelaars zet door. De (mogelijke) verkoop van AEB kan leiden tot een verschuiving privaat – publiek in de verbrandingssector. 5. Zuiveringsslib Waterschappen hebben de in het Klimaatakkoord Waterschappen – Rijk vastgelegde ambities voor 2020 reeds behaald. Met 77% van de totale duurzame-energieproductie is biogas een belangrijke duurzame-energiebron voor de waterschappen. In Dordrecht wordt bij de slibverwerkingsinstallatie (SVI) van HVC een proeffabriek gebouwd voor de productie van een volledig afbreekbaar en duurzaam bioplastic. Voor een grootschalige oplossing voor het terugwinnen van fosfaat uit de vliegassen van de SVI’s van HVC en SNB wordt onder meer een mogelijke samenwerking met Remondis (met het TetraPhos concept) onderzocht. Er is sprake van een schaarste aan voldoende verwerkingscapaciteit voor de eindverwerking van slib. Er is onzekerheid over de mate waarin de verwachte reductie in slibaanbod behaald wordt over de beschikbaarheid van bestaande en nieuw te realiseren installaties.
6. Voorstel Ter kennisname.
2
HVC Contextanalyse najaar 2020
0
1
2
Samenvatting................................................................................................................................... 5 0.1
Inleiding ................................................................................................................................... 5
0.2
Impact ‘corona’ op afval- en energiesector. ........................................................................... 5
0.3
Energie en klimaat ................................................................................................................... 5
0.3
Afval- en grondstoffen............................................................................................................. 7
0.4
Afvalwater/zuiveringsslib ........................................................................................................ 9
Impact ‘corona’ op afval- en energiesector .................................................................................. 10 1.1
Energie en klimaat ................................................................................................................. 10
1.2
Afval en grondstoffen ............................................................................................................ 11
1.3
Afvalwater/zuiveringsslib ...................................................................................................... 12
Energie en klimaat ......................................................................................................................... 13 2.1
2.1.1
Aanscherping Europese ambities .................................................................................. 13
2.1.2
Realisatie duurzame energieproductie ......................................................................... 13
2.2
Ontwikkelingen beleid en regelgeving, nationaal ................................................................. 13
2.2.1
Uitwerkingen Klimaatakkoord ....................................................................................... 13
2.2.2
Warmtewet ................................................................................................................... 14
2.2.3
Biomassa........................................................................................................................ 15
2.3
Duurzame energieproductie in Nederland............................................................................ 17
2.4
Energiemarkt ......................................................................................................................... 20
2.4.1
Algemeen....................................................................................................................... 20
2.4.2
Markt ontwikkelingen ................................................................................................... 21
2.5
Duurzame energiebronnen ................................................................................................... 22
2.5.1
Wind op land ................................................................................................................. 22
2.5.2
Wind op zee ................................................................................................................... 23
2.5.3
Zon-pv ............................................................................................................................ 23
2.5.4
Biomassa........................................................................................................................ 25
2.5.6
Geothermie ................................................................................................................... 27
2.5.7
Aquathermie.................................................................................................................. 31
2.6
Hernieuwde interesse kernenergie ....................................................................................... 33
2.7
Waterstof............................................................................................................................... 33
2.8
Ontwikkelingen warmte ........................................................................................................ 33
2.8.1
Warmtenetten algemeen .............................................................................................. 33
2.8.2
Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) ............................................... 34
2.9 3
Ontwikkelingen beleid en regelgeving, internationaal ......................................................... 13
Verduurzaming mobiliteit ..................................................................................................... 35
Afval en grondstoffen .................................................................................................................... 37
3.1
Internationale ontwikkelingen .............................................................................................. 37
3.1.1
Europese greendeel....................................................................................................... 37
3.1.2
Afval Engeland ............................................................................................................... 37
3.1.3
Duitse verbrandingsinstallaties nog tot 2040 vol .......................................................... 38
3.2
Ontwikkelingen beleid en regelgeving Nederland ............................................................... 39
3.2.1
Ontwerp nationaal milieubeleidskader ......................................................................... 39
3.2.2
Vernieuwd uitvoeringsprogramma CE .......................................................................... 39
3.2.3
CO2-heffing voor afvalenergiecentrales........................................................................ 39
3.2.4
BREF Waste Incineration ............................................................................................... 41
3.2.5
Statiegeld op blik ........................................................................................................... 41
3.2.6
Ontwikkelingen afvalstoffenheffing .............................................................................. 42
3.2.7
Ontwikkelingen Diftar.................................................................................................... 43
3.3 3.3.1
Hoeveelheid huishoudelijk afval ................................................................................... 44
3.3.2
Samenstelling huishoudelijk restafval ........................................................................... 44
3.3.4
Marktontwikkelingen inzameling .................................................................................. 45
3.3.5
Ontwikkelingen Inzamelbedrijven ................................................................................. 46
3.4
Secundaire grondstoffen ....................................................................................................... 48
3.4.1
Gft/gfe ........................................................................................................................... 48
3.4.2
PMD .............................................................................................................................. 49
3.4.3
Papier en karton ............................................................................................................ 49
3.4.5
Textiel ............................................................................................................................ 50
3.5
4
Inzameling ............................................................................................................................ 44
Afvalenergiecentrales ............................................................................................................ 50
3.5.1.
Algemeen....................................................................................................................... 50
3.5.2
Ontwikkelingen per bedrijf ............................................................................................ 51
Afvalwater/zuiveringsslib .............................................................................................................. 55 4.1
Energie en grondstoffen ........................................................................................................ 55
4.1.1.
Waterschappen bereiken energie- en klimaatambities 2020 ....................................... 55
4.1.2
Uitstel verduurzaming slibverwerking Wetterskip Fryslan ........................................... 55
4.1.3
Bouw proeffabriek voor afbreekbaar bioplastic gestart ............................................... 56
4.1.4
Fosfaat terugwinning..................................................................................................... 56
4.2
Ontwikkelingen afvalwaterzuivering ..................................................................................... 56
4.2.1
Afvalwaterzuivering met fysisch-chemische scheidingstechnieken.............................. 56
4.2.2
Verwijderen medicijnresten .......................................................................................... 57
4.2.3
Zeer zorgwekkende stoffen ........................................................................................... 57
4.3
Slibverwerking ....................................................................................................................... 57
4.3.1
Capaciteit slibverwerking .............................................................................................. 57
4.3.2
Ontwikkeling en implementatie nieuwe verwerkingstechnieken................................. 58
0
Samenvatting
0.1
Inleiding
HVC is een duurzaam energie- en afvalbedrijf van 44 gemeenten en 6 waterschappen. HVC wil als toonaangevend nutsbedrijf onze gemeenten, waterschappen en inwoners koploper maken en houden als het gaat om het verduurzamen van de energiehuishouding en het hergebruiken van grondstoffen. HVC is actief in zowel de energie- als de afvalketen. Op beide terreinen is sprake van veel dynamiek. De contextanalyse wordt jaarlijks opgesteld om de aandeelhouders van HVC op hoofdlijnen te informeren over de ontwikkelingen op deze twee gebieden. Naast het informeren van de HVC gemeenten en waterschappen levert de contextanalyse tevens een bijdrage aan de beleids- en strategieontwikkeling binnen HVC. De impact van ‘corona’ op de deelterreinen waarop HVC actief is, is beschreven in hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2 van deze contextanalyse gaat vervolgens in op de ontwikkelingen op het gebied van (duurzame) energie en CO2 terwijl hoofdstuk 3 ingaat op de ontwikkelingen op het gebied van afvalen grondstoffen. Hoofdstuk 4 is gericht op de ontwikkelingen m.n. op het gebied van de afvalwaterketen en zuiveringsslib.
0.2
Impact ‘corona’ op afval- en energiesector.
Door de wereldwijd getroffen maatregelen om de impact van ‘corona’ te beperken, is het energieverbruik, en daarmee tevens de CO2-uitstoot, wereldwijd fors gedaald. Dit lijkt een tijdelijk effect te zijn geweest omdat het grotendeels opheffen van maatregelen weer tot een toename van (o.a.) CO2-uitstoot heeft geleid. Een dalende vraag naar energie heeft gezorgd voor een (tijdelijke) verlaging van de prijs van b.v. elektriciteit. De realisatie van duurzame energieprojecten is in een aantal gevallen beperkt vertraagd. De impact van ‘corona’ op de afval- en grondstoffenmarkt was groot. Het aanbod aan huishoudelijk afval is sterk toegenomen terwijl de hoeveelheid bedrijfsafval is gedaald. Onder andere door een beperking van het aantal mensen dat gelijktijdig aanwezig mocht zijn, ontstonden op veel afvalbrengstations lage wachtrijen. Een sterke beperking in de afzetmogelijkheden zorgde aanzienlijke verslechtering van marktpositie van diverse secundaire grondstofstromen (waaronder kunststoffen, textiel en metalen). Alhoewel in het afvalwater en zuiveringsslib ‘resten’ van het corona-virus worden aangetroffen is de werking van zuiveringsinstallaties en het verwerken van zuiveringsslib niet verstoord.
0.3
Energie en klimaat
Duurzame energieproductie Internationaal gezien blijft Nederland één van de slechtst scorende landen in Europa met betrekking tot de duurzame energieproductie. Dertig regio’s in Nederland hebben een Regionale Energiestrategie (RES) opgesteld waarin de regionale uitwerkingen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord met betrekking tot het duurzaam opwekken van elektriciteit, maar ook op de warmtetransitie, zijn uitgewerkt. Een CO2-heffing voor de industrie moet er voor zorgen dat de industrie 14,3 Mton minder CO2 gaat uitstoten. Het aandeel hernieuwbare energie in het totale eindverbruik van energie in Nederland neemt geleidelijk toe; van 7,4% in 2018 naar 8,7% in 2019. In 2019 zorgde de productie van hernieuwbare elektriciteit 18% van het elektriciteitsverbruik in Nederland. Bij de ontwikkeling duurzame energieprojecten blijft wind-op-land achter bij de nationale doelstellingen. Zonnestroom ontwikkelt
zich ‘stormachtig’ zoals dat onder andere blijkt uit daadwerkelijke realisatie en productie en toekomstige realisaties op basis van verleende SDE+ subsidies. Warmteontwikkelingen Wet collectieve warmtevoorziening, ook wel Warmtewet 2.0 genoemd, moet per 2022 ingaan. Deze wet moet helpen bij de groei en verduurzaming van warmtenetten. In het Klimaatakkoord is afgesproken om in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen van het aardgas af te halen. Gemeenten gaan in het kader van deze wet bepalen welk warmtebedrijf verantwoordelijk wordt voor collectieve warmtelevering als gebouwen van het aardgas gaan. Warmtebedrijven krijgen een alleenrecht op warmtelevering voor minimaal twintig en maximaal dertig jaar. Biomassa De inzet van biomassa ten behoeve van duurzame energieproductie is sterk ter discussie komen te staan. In een aantal gevallen heeft deze discussie geleid tot het stopzetten van initiatieven. De Rijksoverheid is van mening dat de inzet van biomassa een belangrijke rol speelt in de energietransitie maar dat op termijn biomassa ingezet moet worden voor hoogwaardiger toepassingen als grondstof in een biobased economy en voor energietoepassingen waarvoor geen alternatieven zijn. Aardwarmte en aquathermie Het gebruik van aardwarmte als bron voor verwarming neemt geleidelijk toe.
Op basis van een recente studie wordt geschat dat 26% van de gebouwen op termijn kan worden verwarmd met aardwarmte. In een voorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet wordt een nieuw vergunningenstelsel voor de geothermiesector geïntroduceerd. Uitgangspunt daarbij is dat er vergunningstelsel komt dat specifiek is toegesneden op geothermie (en niet zoals nu het geval is hetzelfde stelsel als voor olieen gaswinning). In het wetsvoorstel wordt een nog nader uit te werken bepaling opgenomen dat EBN (EnergieBeheer Nederland) verplicht deelneemt aan aardwarmteprojecten. Op meerdere plaatsen in Nederland zijn projecten in voorbereiding om te komen tot warmtenetten met geothermie als bron. Ook de mogelijkheid om aquathermie als warmtebron in te zetten wordt in toenemende mate onderzocht. Martkontwikkelingen Zowel de groothandelsprijs voor elektriciteit als de CO2-prijs daalden sterk bij het begin van de pandemie. Daarna hebben deze markten zich weer min of meer hersteld waarbij de groothandelsprijs voor elektriciteit wel aanzienlijk onder het gemiddelde niveau van 2019 ligt. Consumenten blijven met name vanwege te behalen prijsvoordeel massaal overstappen naar een andere energieleverancier. Kernenergie De politiek en maatschappelijke discussie over kernenergie CO2-vrije energiebron is na de publicatie van een rapport opgesteld in opdracht van de Minister ‘opgelaaid’.
Alhoewel de minister van mening is dat de studie bevestigt dat kernenergie na 2030 een kosteneffectieve optie is voor CO2-vrij regelbaar vermogen, zijn anderen van mening dat de studie een veel te rooskleurig beeld van o.a. de kostenontwikkeling van kernenergie schetst. Waterstof Waterstof is op zichzelf geen duurzame energiebron maar wordt wel toenemende mate gezien als belangrijke brandstof als onderdeel van een duurzame energiehuishouding. Zowel een gebrek aan goedkope groene stroom als een hoge kostprijs voor groen of blauwe waterstof zijn vooralsnog een belemmering voor een grootschalige toepassing. De productie van waterstof wordt gezien als
mogelijke oplossing om pieken in de productie van duurzame elektriciteit af te vangen. Pilots gericht op de productie en/of toepassing van waterstof worden ontwikkeld. Mobiliteit In Nederland steeg het marktaandeel van verkochte nieuwe elektrische auto’s van 4,3% in 2018 tot 9,5% in 2019 terwijl Nederland met ruim 60.000 laadpunten wereldwijd het land is met de hoogste dichtheid aan laadpunten.
0.3
Afval- en grondstoffen
Afval Verenigd Koninkrijk In het Verenigd Koninkrijk is de hoeveelheid gestort en de hoeveelheid verbrand restafval min of meer gelijk. Ongeveer 10% van het afval uit het VK wordt voor verwerking geëxporteerd. In 2020 lijkt de afname in de omvang van export zich versterkt door te zetten. Waarschijnlijk door de afvalstoffenbelasting die in Nederland sinds 1 januari j.l. wordt geheven op het verbranden van import-afval, is de afvalexport naar Nederland sterk gedaald. Beleid en uitvoering Het nationaal milieubeleidskader (NMK) bevat uitgangspunten en bouwstenen voor de actualisatie van het gehele milieubeleid. In september 2020 heeft staatssecretaris Van Veldhoven het ontwerp NMK naar de Tweede Kamer gestuurd. Eind september heeft de staatsecretaris het geactualiseerde Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie naar de Tweede Kamer gestuurd. De focus komt daarbij hoger in de ladder te liggen, op preventie en hergebruik. CO2-heffing voor AEC’s Afvalenergiecentrales (AEC’s) krijgen te maken met een CO2-heffing die tot doel heeft de reductieopgave voor AECs van 1,1 Mton CO2 in 2030 te helpen realiseren. Naar verwachting zal 2024 het eerste jaar zijn waarin de AEC’s deze heffing moeten betalen. De hoogte van deze heffing zal naar verwachting oplopen tot ruim € 100 per ton CO2 in 2030. Deze heffing zal leiden tot hogere tarieven voor afvalverbranding.
Op basis van de huidige inzichten kan dit prijseffect in 2030 zijn opgelopen tot ca. € 15 per ton te verbranden afval. Ontwikkelingen afvalstoffenheffing De hoogte van de gemeentelijke afvalstoffenheffing is afgelopen jaren aanzienlijk gestegen. Ook voor 2021 wordt een verdere stijging voorzien. De belangrijkste oorzaken voor deze ontwikkeling zijn de in 2019 sterk verhoogde afvalstoffenbelasting, dalende opbrengsten voor gescheiden ingezamelde grondstofstromen en hogere inzamel- en verwerkingskosten door marktontwikkelingen. Door deze ontwikkelingen en de financiële positie van gemeente die zwaar onder druk staat, is sprake van een toename van de woonlasten voor de inwoners. Bij diftar is de omvang van de te betalen afvalstoffenheffing naast een vaste component mede afhankelijk van het afvalaanbod onder andere o.b.v. de omvang van de container, het aantal ledigingen of het gewicht van het aangeboden afval. De totaal te betalen afvalstoffenheffing is in diftar-gemeenten gemiddeld lager dan in niet-diftar gemeenten. Er is sprake van een geleidelijke toename van het aantal gemeenten dat een vorm van diftar hanteert waardoor op dit moment 31 procent van de Nederlanders in een diftargemeente woont. Huishoudelijk afval Van het huishoudelijk afval wordt in Nederland gemiddeld 60 procent gescheiden ingezameld.
Ondanks de gescheiden inzameling bevat het Nederlands huishoudelijk restafval gemiddeld nog steeds een groot percentage potentieel recyclebare stromen nl. gft (31%) , papier en karton (19%) en kunststoffen (13%).
Marktontwikkeling inzameling en verwerking De trend van een toename van de inzameling van huishoudelijk restafval door publiek bedrijf ten koste van private inzamelaars zet door. Het aandeel ‘overheidsbedrijven’ en ‘gemeenschappelijke regelingen’ in deze inzameling is in 10 jaar tijd gestaag toegenomen terwijl het aandeel van private bedrijven fors is teruggelopen. Bij AEC’s is al jaren sprake van een min of meer stabiele verdeling tussen publieke en private bedrijven. De eventuele verkoop van AEB kan tot een aanzienlijke verschuiving van deze verhoudingen leiden. Secundaire grondstoffen Bij diverse gescheiden ingezamelde deelstromen is sprake van een toename van de mate van verontreiniging. Dat kan leiden tot afkeur, waardoor deze deelstroom alsnog door een AEC moet worden verwerkt, en/of tot extra kosten voor de be- en verwerkers om een product te produceren dat aan de kwaliteitseisen voldoet. Een nieuwe wel/niet-lijst moet (meer) helderheid voor inwoners verschaffen over stromen die wel of niet bij het gft horen. Dit moet mede bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit van het ingezamelde gft. Met onder andere het uitdelen van hulpmiddelen voor in de keuken, zoals bakjes met composteerbare zakjes, moet de gescheiden inzameling van gfe in de hoogbouw worden verbeterd. In Nederland wordt ca.
45% van het afgedankt textiel gescheiden ingezameld, het overige textiel kwam bij het restafval terecht. Door het forse gebruik van land, water, energie en chemicaliën is de ecologische voetafdruk van de textielindustrie groot. Staatsecretaris Van Veldhoven heeft in het Beleidsprogramma circulair textiel 2020 – 2025 het streven vastgelegd om in 2035 een halvering van de ecologische voetafdruk van de textielsector op het gebied van uitstoot, watergebruik, chemicaliën en microplastics te hebben gerealiseerd. In 2050 moet de sector volledig circulair zijn. Ontwikkelingen per bedrijf De voorgenomen verkoop van AEB Amsterdam is uitgesteld o.a. omdat de gemeente Amsterdam heeft meer tijd nodig om de verkoop voor te bereiden. Als onderdeel van de herstructurering, met een focus op het verbranden van restafval, zijn de recyclepunten overgedragen aan de gemeente Amsterdam. ARN gaat de recycling van luiers opschalen. Na de uitbreiding kan het afval- en energiebedrijf 15 kton luiers per jaar recyclen. Naar verwachting is de installatie halverwege 2021 volledig operationeel. Omrin gaat met behulp van een zogenaamde Dano-trommel luiers (en ander organisch restmateriaal) scheiden uit restafval om er biogas van te maken. Het residu van deze vergisting wordt alsnog verbrand. Na AVR, HVC en Twence is Suez de vierde afvalverbrander die CO2 gaat afvangen.
AVR gaat samen met het Britse bedrijf Carbon8 een pilot uitvoeren waarbij afgevangen CO2 met vliegas wordt gecombineerd tot een grondstof voor de bouw. Ondanks het verzet van Suez heeft Veolia 29,9 procent van de aandelen in Suez overgenomen van Engie. Veolia overweegt een openbaar overnamebod voor de resterende aandelen in Suez. De Schwarz-Gruppe, het moederbedrijf van o.a. Lidl en Kaufland, is via het afvalbedrijf PreZero bezig met een sterke expansie van haar activiteiten. In Zwolle heeft PreZero afgelopen januari een sorteerinstallatie voor pmd in gebruik genomen met een jaarlijkse sorteercapaciteit van 80 kton.
PreZero wil voor een bedrag van 1,1 miljard euro alle activiteiten van Suez over op het gebied van afvalverwijdering en recycling in Nederland, Duitsland, Luxemburg en Polen overnemen. Naast activiteiten op het gebied van CO2-afvang, zijn veel AEC’s bezig om het benutten van de bij het verbrandingsproces vrijkomende energie te optimaliseren. Zo gaat Twence vanaf 2022 warmte leveren aan bierbrouwer Grolsch in Enschede.
0.4
Afvalwater/zuiveringsslib
Klimaatakkoord Uit de Klimaatmonitor Waterschappen blijkt dat de in het Klimaatakkoord Waterschappen – Rijk vastgelegde ambities voor 2020 al zijn behaald. Een belangrijke duurzame energiebron voor de waterschappen is biogas; in 2019 werd ruim 120 mln Nm3 biogas geproduceerd (77% van de duurzame energieproductie). Grondstoffen In Dordrecht wordt bij de slibverwerkingsinstallatie van HVC een proeffabriek gebouwd voor de productie van PHBV, een volledig afbreekbaar en duurzaam bioplastic. Dit is een gezamenlijk project van vijf waterschappen, kenniscentrum Stowa, technologiebedrijf Paques en HVC. HVC en SNB werken al jaren samen aan een grootschalige oplossing voor het terugwinnen van fosfaat uit hun vliegassen. Door het faillissement van EcoPhos is een nieuwe route noodzakelijk. Op grond van verkenningen wordt nu wordt nu een samenwerking met Remondis (met het TetraPhos concept) voorzien. Verwerkingscapaciteit Er is op dit moment een schaarste aan voldoende verwerkingscapaciteit voor de eindverwerking van slib. Er is onzekerheid over de mate waarin de verwachte reductie in slibaanbod behaald worden en er bestaat onzekerheid over de beschikbaarheid van bestaande en nieuw te realiseren installaties. De ontwikkeling van nieuwe technieken voor slibverwerking gaan langzaam.
1
Impact ‘corona’ op afval- en energiesector ‘Corona’ heeft het leven in de eerste helft van 2020 fors beïnvloed. In dit hoofdstuk wordt de belangrijkste impact van ‘corona’ op de afval- en energiesector beschreven.
1.1
Energie en klimaat Als gevolg van de (al dan niet gedeeltelijke) lockdown van bedrijven en het op grote schaal thuiswerken is er sprake geweest van een aanzienlijke daling van de energieconsumptie. Zo was het stroomverbruik in Nederland in het tweede kwartaal van 2020 7% lager dan in dezelfde periode van vorig jaar. In de eerste zes maanden van dit jaar werd wereldwijd 1551 miljoen ton minder CO2 uitgestoten dan in dezelfde periode vorig jaar, een daling van 8,8 procent. Na het opheffen van veel lockdown-maatregelen rond juli, bereikte de CO2-uitstoot het oude niveau weer. De tijdelijke verlaging van de CO2-uitstoot heeft daarom op de lange termijn een zeer gering effect op de CO2-concentratie in de atmosfeer. De uitstoot van CO2 was in Nederland in het eerste kwartaal 8,7 procent lager dan in dezelfde periode een jaar eerder. Deze afname komt vooral doordat de energiebedrijven bij hun productie minder steenkool en meer aardgas hebben ingezet, de CO2-uitstoot van de luchtvaart fors is afgenomen en een aanzienlijk lagere emissie door de transportsector. Deze daling van de CO2-uitstoot door Nederlandse economische activiteiten heeft zich in het tweede kwartaal nog sterker voortgezet. De CO2-uitstoot was voor alle sectoren significant lager dan in de vergelijkbare periode van 2019 en was in totaal 21,1 procent lager dan in hetzelfde kwartaal van 2019 (fig. 1).
Figuur 1. CO2-emissies in het tweede kwartaal van 2020 t.o.v. het tweede kwartaal van 2019.
De realisatie van (duurzame) energieprojecten heeft in diverse gevallen vertraging opgelopen. Oorzaken daarvoor waren o.a. een vertraagde levering van goederen en materialen, een beperking in de beschikbaarheid van medewerkers (b.v. door reisbeperkingen), geringere inzet van medewerker b.v. door aanpassingen in werkprocessen, etc. Werkzaamheden ‘achter de voordeur’ (zoals bijvoorbeeld het plaatsen van slimme meters) hebben om besmettingen te voorkomen een tijdje stil gelegen.
1.2
Afval en grondstoffen Inzameling De inzameling van zowel bedrijfsafval als huishoudelijk afval is vrijwel ongestoord doorgegaan. Om besmettingsrisico’s voor de medewerkers te voorkomen zijn wel diverse praktische aanpassingen van werkprocessen doorgevoerd o.a. op het gebied van reinigen van de cabine, overdracht van diensten, beperking bezetting cabines, etc. Door de lockdown heeft er wel een aanzienlijke verschuiving in de hoeveelheid ingezamelde afvalstoffen plaatsgevonden. Voor bedrijfsafvalstoffen was er sprake van een aanzienlijke daling, met name vanuit sectoren die het hardst door de lockdown zijn getroffen zoals horeca en de kantoren- , winkels- en diensten-sector. Voor huishoudelijk afval was er sprake van een toename van de hoeveelheid aangeboden afvalstoffen. Op de afvalbrengstations was sprake van een topdrukte, zowel door het aanbod als door de beperking van het aantal mensen dat gelijktijdig het afval kon storten. Recycling Voor diverse secundaire grondstofstromen heeft de corona-crisis gezorgd voor een aanzienlijke verslechtering van marktpositie. Dit betrof onder andere:
kunststoffen. Een hoog aanbod, een verminderde vraag en door de lage olieprijs goedkope primaire grondstoffen, leidde tot (economische) knelpunten m.b.t. de afzet van teruggewonnen kunststoffen; textiel. Een hoog aanbod en beperking van de afzet (zowel internationaal als nationaal b.v. door het (tijdelijk) sluiten van kringloopbedrijven) leidde tot ophoping van de voorraden en lage marktprijzen. metalen. De terugloop van de economie leidde tot een verminderde vraag naar diverse ferro- en non-ferro metalen met veel lagere opbrengsten tot gevolg.
Verbranding. Uit internationaal onderzoek, met een focus op Europa, blijkt dat afvalenergiecentrales tijdens de coronacrisis grotendeels op normale sterkte zijn blijven draaien. 15 procent kreeg zelfs meer afval te verwerken. Zoals al eerder uit andere onderzoeken is gebleken, nam de hoeveelheid bedrijfsafval weliswaar af, maar werd die vaak gecompenseerd door een groter aanbod huishoudelijk afval. Daarnaast was er meer behoefte aan verbranding van potentieel besmet, waaronder van medisch afval. Daarvoor hebben diverse installaties ook extra veiligheidsmaatregelen geïmplementeerd. De verandering in samenstelling leidde wel tot een verandering in de calorische waarde van het te verbranden afval en daardoor tot een verminderde doorzet.
1.3
Afvalwater/zuiveringsslib De werking van zuiveringsinstallaties en het verwerken van zuiveringsslib is niet verstoord door ‘corona’. Alhoewel in het afvalwater en zuiveringsslib ‘resten’ van het corona-virus worden aangetroffen, zijn reguliere beschermingsmaatregelen voldoende om medewerkers in de sector tegen eventuele besmettingen te beschermen. Bij de slibverbrandingsinstallatie van HVC is geen aan ’corona’ toe te wijzen impact op het slibaanbod waarneembaar. Sinds een paar weken worden 318 rioolwaterzuiveringen in opdracht van het RIVM wekelijks bemonsterd op erfelijk materiaal van het coronavirus. Daardoor ontstaat een betrouwbaar beeld van de verspreiding van het virus in ons land. Op dit moment is er op basis van de rioolwatermetingen op het coronadashboard nog geen sprake van vroegsignalering, maar bevestigen de rioolwatermetingen een bepaalde trend.
2
Energie en klimaat
2.1
Ontwikkelingen beleid en regelgeving, internationaal
2.1.1 Aanscherping Europese ambities De Europese Commissie heeft voorgesteld dat de de CO2-uitstoot in 2030 minimaal 55 procent lager moet zijn dan in 1990. Anders is het doel van klimaatneutraliteit in 2050 – netto geen CO2-uitstoot – niet haalbaar. Tot nog toe stond het doel op 40 procent minder CO2-emissies in 2030. Het Europees Parlement overweegt een stap verder te gaan (60 procent reductie in 2030). De EU-landen moeten jaarlijks 350 miljard euro extra investeren, wil de Unie in 2030 de uitstoot van het broeikasgas CO2 met 55 procent terugdringen. Het geld is nodig voor de opwekking van meer duurzame energie, de ontwikkeling van schonere auto’s en maatregelen voor energiebesparing.
2.1.2 Realisatie duurzame energieproductie Er zijn grote verschillen in de bijdrage die duurzame energie levert aan de totale energie voorziening van de Europese landen (fig. 2). De mate van verduurzaming lijkt met name bepaald door de beschikbaarheid/inzet van biomassa en waterkracht.
Figuur 2. Verbruik hernieuwbare energie 2018 in een deel van de EU landen.
2.2
Ontwikkelingen beleid en regelgeving, nationaal
2.2.1 Uitwerkingen Klimaatakkoord CO2-heffing Een CO2-heffing moet er vanaf 1 januari 2021 voor zorgen dat de industrie minder CO2 gaat uitstoten en de doelen uit het Klimaatakkoord worden gehaald. Deze nieuwe heffing is een onderdeel van een wetsvoorstel van de ministeries van Financiën en Economische Zaken en Klimaat, waarmee ze de CO2-uitstoot van de industrie in Nederland in 2030 willen halveren ten opzichte van 1990. Dat komt neer op 14,3 Mton CO2. Regionale energiestructuren In het Nationale Klimaatakkoord van 2019 is afgesproken dat de CO2-uitstoot in Nederland in 2030 met 49 procent gedaald moet zijn ten opzichte van 1990. In 2050 moet het percentage met 95 procent gedaald zijn. Om dit te kunnen verwezenlijken is er afgesproken dat dertig regio’s in
Nederland een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. Daarin worden de regionale uitwerkingen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord vastgelegd, allereerst gericht op het duurzaam opwekken van elektriciteit, maar daarnaast ook op de warmtetransitie. De RES-regio’s samen moeten in 2030 gezamenlijk de in het Klimaatakkoord afgesproken doelstelling van 35 TWh elektriciteitsproductie uit zonne-energie en windenergie op land realiseren. De dertig conceptRESsen gaan naar het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat controleert of de doelen van het Klimaatakkoord ermee worden gehaald. Als dat niet het geval is dan moeten de concept-RESsen inhoudelijk worden aangevuld. Daarna kunnen gemeenteraden, besturen van de waterschappen en Provinciale Staten hun strategieën vaststellen. Dat moet voor 1 juli 2021. Pas daarna kunnen plannen in bestemmingsplannen worden opgenomen, en kunnen er omgevingsvergunningen worden afgegeven. Dat moet uiterlijk in 2025 gebeuren om de installaties nog voor 2030 in bedrijf te hebben. Uit een eerste analyse van de concept-RESsen bleek een ruime overschrijding van de doelstelling van 35 TWh nl. ruim 50 TWH. Echter, de haalbaarheid/realisatie van een aanzienlijk deel van deze plannen is onzeker waardoor een dergelijke ruime overschrijding noodzakelijk is om de huidige doelstelling van 35 TWh uiteindelijke te realiseren.
In lijn met de trend van de laatste jaren blijkt uit de concept-RESsen een sterke voorkeur voor zon-pv op daken en terughoudendheid met betrekking tot grootschalig zon-pv op land en wind-op land. De aankondiging van de Europese Commissie dat de uitstoot van CO2 veel sneller omlaag moet, nl. met 55 procent in 2030, betekent dat ook de productie van duurzame elektriciteit aanzienlijk moet stijgen (van 85 TWH (op zee en op land) naar 120 TWh). Met dergelijke ontwikkelingen is in de concept-RESsen nog geen rekening gehouden. De RESsen zijn echter geen ’statisch document’; elke twee jaar moeten ze worden bijgesteld, zodat nieuwe inzichten en technieken kunnen worden verwerkt.
2.2.2 Warmtewet In juni 2020 heeft minister Wiebes de Wet collectieve warmtevoorziening, ook wel Warmtewet 2.0 genoemd, ter consultatie gelegd. De wet moet per 2022 ingaan en helpen bij de groei en verduurzaming van warmtenetten. Op dit moment is ongeveer 5,5% van de Nederlandse huishoudens aangesloten op een collectief warmtesysteem, maar vanwege de beslissing van het kabinet om gebouwen van het aardgas af te halen, zal dit percentage groeien. In het Klimaatakkoord is afgesproken om in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen van het aardgas af te halen. Naar verwachting zal de helft daarvan een stadswarmte-aansluiting krijgen1. In potentie kunnen 2 tot 2,5 miljoen woningen aangesloten worden op een warmtenet (op een totaal van ca. 7,9 miljoen woningen). De belangrijkste punten van de nieuwe Warmtewet zijn :
1
gemeenten (evt. samen met de provincie als er sprake is van gemeentegrens overschrijdende warmtenetten) krijgen het laatste woord over welk warmtebedrijf verantwoordelijk wordt voor collectieve warmtelevering als gebouwen van het aardgas gaan; het warmtebedrijf krijgt alleenrecht op warmtelevering voor minimaal twintig en maximaal dertig jaar;
https://fd.nl/economie-politiek/1352627/gemeenten-en-netbeheerders-vrezen-monopolie-op-markt-voorstadswarmte
warmtebedrijven moeten een plan indienen bij de gemeente met een document, getoetst door de ACM2, dat bewijst dat zij in staat zijn een collectief warmtesysteem op te zetten en in stand te houden; er is één bedrijf eindverantwoordelijk voor de hele warmteketen (productie, transport en levering). Taken kunnen wel door meerdere bedrijven uitgevoerd worden; de ACM krijgt een veel grotere rol als toezichthouder op de warmtesector; het warmtetarief wordt gebaseerd op de kosten die warmtebedrijven maken plus een redelijk rendement. De gasreferentie vervalt; er komt een CO₂-norm ter verduurzaming van het warmtenet. In 2022 mag een warmtebedrijf per geproduceerde GJ warmte 40 kg CO₂ uitstoten en dat daalt ieder jaar met 1,9 kg CO₂ naar 25 kg CO₂ per GJ in 2030; er komt een opt-out systeem. In principe worden alle gebouweigenaren in een wijk waar collectieve warmte is voorzien aangesloten. Gebouweigenaren moeten met een alternatief plan komen voor hoe hun pand duurzaam verwarmd wordt, als zij niet aangesloten willen worden. Deze optie kan door de gemeente afgewezen worden. Is een gebouw, dus ook een individueel huis, eenmaal aangesloten dan kan na vijf jaar een aanvraag voor afsluiting worden gedaan. Hier moeten dan wel afsluitkosten voor worden betaald, de hoogte bepaalt de ACM.
De Warmtewet 2.0 moet zorgen voor meer draagvlak voor warmte en meer verduurzaming in de warmtesector, zonder dat het traditionele warmtebedrijf tekort wordt gedaan. Deze traditionele warmtebedrijven moeten wel bereid blijven investeringen te doen in de markt. Ook hun kennis en kunde is belangrijk voor het slagen van de warmtetransitie. Uitzonderingen De Warmtewet 2.0 zoals die hierboven wordt beschreven, geldt voor grotere warmtenetten. Voor een klein buurtnetje, waarop maximaal tien huizen zijn aangesloten, gelden niet zulke strenge regels. Voor collectieve systemen van verhuurders en Verenigingen van Eigenaren (VVE's) die warmte van het warmtebedrijf doorleveren aan hun huurders, gelden voor het tarief andere regels.
2.2.3 Biomassa De inzet van biomassa ten behoeve van duurzame energieproductie is landelijk en lokaal afgelopen jaar sterk ter discussie te komen staan, zowel politiek als maatschappelijk, met een aanzienlijke polarisering van standpunten tot gevolg. De lokale discussie heeft ondertussen gezorgd voor het stopzetten van diverse initiatieven. Het kabinet wil een breed gedragen duurzaamheidskader biomassa opstellen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft daartoe aan de SER gevraagd hier advies over uit te brengen. Als input daarvoor is het PBL verzocht de beschikbaarheid en de optimale toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa voor Nederland in te schatten. Biomassa kan voor een groot aantal verschillende toepassingen worden ingezet. Uit de studie van het PBL3 (en de in het kader van deze studie opgestelde achtergrondrapporten) blijkt dat de behoefte aan biomassa voor (vrijwel) alle toepassingen naar verwachting de komende decennia sterk zal toenemen (fig. 3). Ten aanzien van de beschikbaarheid van biomassa concludeert PBL dat Nederland in geen enkel perspectief in de eigen toekomstige biomassabehoefte kan voorzien en dus in alle 2
ACM = Autoriteit Consument & Markt https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2020-beschikbaarheid-en-toepassingsmogelijkhedenvan-duurzame-biomassa-verslag-zoektocht-naar-gedeelde-feiten-opvattingen_4188.pdf 3
gevallen importstromen vanuit de Europese Unie of de rest van de wereld nodig heeft - zelfs om in de ondergrens van de behoeftes te voorzien. Omdat de Nederlandse vraag in geen enkel perspectief groter is dan 6,5 procent van de beschikbaarheid in de wereld of de Europese Unie wordt tevens geconcludeerd dat het in elk geval fysiek mogelijk is de gewenste hoeveelheid biomassa te importeren. Het is een kwestie van onder andere duurzaamheidsbeleid, biomassaprijzen en wellicht de invulling van het ‘fair share’ beginsel of het mogelijk en wenselijk is de gewenste hoeveelheden daadwerkelijk te importeren.
Figuur 3. Huidige en toekomstige biomassabehoefte in Nederland voor verschillende toepassingen. PBL concludeert dat zonnepanelen en windmolens weliswaar efficiënter zijn in termen van energieopbrengst per oppervlakte-eenheid dan biomassa, maar dat het toch raadzaam is maximaal in te zetten op de ontwikkeling van zowel de productie van duurzame biomassa als van power-toliquid (en power-to-hydrogen). Een significante rol voor biomassa lijkt van wezenlijk belang voor een klimaatneutrale circulaire economie. Verlies van biodiversiteit door grootschalige productie van biomassa is een reëel risico; aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk met inachtneming van de afweging tussen klimaatverandering en biodiversiteit. De SER geeft in haar advies ‘Biomassa in balans’4 heldere antwoorden op nuttige en minder nuttige toepassing van biomassa. De chemische sector en de bouw komen als eerste in aanmerking voor de beperkte wereldwijde beschikbaarheid van biomassa. Daarna volgt zwaar wegtransport, zoals de lucht- en scheepvaart. Als laatste zou de energiesector mogen aankloppen voor het verbranden van biomassa voor het opwekken van warmte en elektriciteit. De beleidsinzet moet zich richten op de toekomstige gewenste situatie (fig. 4).
4
https://www.ser.nl/nl/Publicaties/advies-biomassa-in-balans
Figuur 4. Beleidsinzet per toepassingsgebied. Volgens de SER is het cruciaal dat de overheid garandeert dat in Nederland gebruikte biomassa duurzaam is geproduceerd, dus met oog voor goed waterbeheer, duurzaam bosbeheer en armoedebestrijding. Nederland zou de Europese richtlijnen hiervoor als basis kunnen nemen. Het kabinet doet er goed aan om het duurzaamheidskader zo in te richten dat de subsidie voor biomassa gaat naar deze nuttige, of “hoogwaardige toepassingen. Subsidies voor biomassa voor energieopwek moeten juist worden afgebouwd, waarbij het wel belangrijk is dat duurzame alternatieven zoals geothermie, zich sneller ontwikkelen. De SER adviseert om het woord biomassa voortaan niet meer te gebruiken, maar te spreken over biogrondstoffen.
2.3
Duurzame energieproductie in Nederland
In 2019 was het aandeel hernieuwbare energie 8,7 procent van het eindverbruik van energie (fig. 5). Dat is ongeveer 14 procent hoger dan het aandeel in 2018 (7,4%). Het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen gebeurt in de vorm van elektriciteit (43%), warmte (42%) en biobrandstoffen voor vervoer (15%) (fig. 5).
Figuur 5. Ontwikkeling duurzame energieproductie in Nederland. De bijdrage van elektriciteit uit duurzame bronnen aan de totale elektriciteitsproductie in Nederland neemt geleidelijk toe (fig. 6). In 2019 was de productie van hernieuwbare elektriciteit goed voor 18 procent van het elektriciteitsverbruik in Nederland (15 procent in 2018). Windmolens hadden hierin met 49 procent het grootste aandeel gevolgd door biomassa (26 procent) en zonnestroom (24 procent) (fig 7.). Bij de fossiele bronnen was sprake van een aanzienlijke verschuiving van steenkool naar aardgas. Zowel een lage aardgasprijs als een hoge CO2-prijs droegen bij aan deze ontwikkeling. Bij de productie van elektriciteit met aardgas wordt naar verhouding minder CO2 uitgestoten per geproduceerde hoeveelheid kWh elektriciteit dan bij elektriciteitsproductie met steenkool.
Figuur 6. Elektriciteitsproductie naar energiedrager.
Figuur 7. Ontwikkeling duurzame energieproductie per bron. SDE+/SDE++ Het belangrijkste instrument van de Rijkoverheid om de productie van duurzame energie te stimuleren is de SDE+-subsidieregeling. Voor de laatste ronde van de SDE+ dit voorjaar was een budget van 4 miljard euro beschikbaar. Het totaal aangevraagde subsidiebudget bedraagt 4,1 miljard euro. Er zijn 7.562 subsidieaanvragen ingediend, waarvan 7.012 een positieve beschikking hebben ontvangen. De totale beschikte subsidieuitgaven komen daarmee uit op 3,3 miljard euro (tabel 1). Zonne-energie is goed voor 6.882 daarvan. Met 2,15 miljard euro gaat 65 procent van het budget naar deze vorm van hernieuwbare energie. Voor de categorie Biomassa warmte en WKK zijn er 21 projecten, met een gezamenlijk budget van 202 miljoen euro. Voor Biomassa gas gaat het om zes projecten, met een budget van 563 miljoen euro.
Tabel 1. Overzicht SDE+ beschikkingen voorjaarsronde 2020.
SDE++ De SDE++ is de opvolger van de SDE+. In deze regeling kunnen ook andere technieken die bijdragen aan de reductie van CO₂, in aanvulling op de productie van hernieuwbare energie subsidie krijgen. De eerste aanvraagronde loopt van 24 november tot en met 17 december met een openstellingsbudget van € 5 miljard. Ten opzichte van eerdere informatie is de regeling op een aantal punten aangepast. Hieraan ligt o.a. een discussie met de Europese Commissie, die goedkeuring aan de regeling omtrent staatsteun moet verlenen, ten grondslag. Voor o.a. de categorieën elektrische boiler en productie van waterstof door elektrolyse heeft dit geleid tot een beperking van het aantal draaiuren voor deze elektrificatie-opties. Voor levering van CO2 aan de glastuinbouw wordt de categorie CCS dit jaar eenmalig opengesteld.
2.4
Energiemarkt
2.4.1 Algemeen De corona-pandemie had een sterk negatieve invloed op de groothandelsprijs voor elektriciteit (fig. 8). Daarna heeft de prijs zich weer min of meer hersteld tot op het niveau van voor de pandemie. Wel ligt de groothandelsprijs aanzienlijk onder het gemiddelde niveau van 2019. Ook de CO2-prijs daalde sterk bij het begin van de pandemie (fig. 9). Daarna herstelde deze prijs zich tot een niveau rond of iets boven de CO2-prijs van de eerste paar maanden van 2020.
Figuur 8. Ontwikkeling groothandelsprijs elektriciteit voor levering in 2021 resp. 2022.
Figuur 9. Ontwikkeling CO2-prijs binnen de Europese emissiehandel.
2.4.2 Markt ontwikkelingen Vijf jaar geleden betrad GP Groot uit Alkmaar de energiemarkt als leverancier. GP Groot had plannen om afval- en energiecontracten te combineren, maar de levering van energie blijkt complex en de sector intensief. De ACM heeft op verzoek van het bedrijf de leveringsvergunning ingetrokken. De bestaande aansluitingen, ca. dertig à veertig aansluitingen, merendeels kleinverbruikers, zijn nu overgeheveld naar HVC. Het aantal consumenten dat overstapt naar een andere energieleverancier neemt nog steeds toe (fig. 10). De belangrijkste reden om naar een andere leverancier over te stappen is het te behalen prijsvoordeel (fig. 11).
Figuur 10. Aantal consumenten dat jaarlijks overstapt naar een andere energieleverancier.
Figuur 11. Redenen voor overstap naar andere energieleverancier.
2.5
Duurzame energiebronnen
2.5.1 Wind op land Op 26 juni 2020 is de Monitor Wind op Land 2019 door minister Wiebes naar de Tweede Kamer gestuurd. Uit deze monitor blijkt dat de doelstelling voor wind op land in 2020 (6.000 MW opgesteld vermogen) niet gehaald zal worden (fig. 12). Ten opzichte van de prognoses in monitoringsrapportages van voorgaande jaren is er zelfs sprake van een dalende tendens m.b.t. de verwachte realisatie. Dit wordt met name toegeschreven aan de langdurige voorbereidingstrajecten inclusief juridische procedures. Op dit moment is de verwachting dat eind 2020 4.509 MW windenergie op land operationeel zal. De monitor laat zien dat de totale projectcapaciteit, dat wil zeggen projecten die gerealiseerd zijn of in ontwikkeling zijn voor de komende jaren, het afgelopen jaar is gegroeid naar 7.389 MW (+201 MW). Deze toename wordt verklaard door de ontwikkeling van een aantal nieuwe projecten en door een toename van het (gemiddelde) vermogen per geplande turbine. Op grond van deze ontwikkelingen wordt verwacht het totale operationele vermogen windenergie op land eind 2023 de doelstelling voor zal hebben overschreden (maximaal 6.796 MW opgesteld vermogen eind 2023).
Figuur 12. Ontwikkeling opgesteld vermogen wind op land.
2.5.2 Wind op zee In 2019 zijn er geen windparken op zee gerealiseerd waardoor het opgesteld vermogen constant bleef (bijna 1 000 megawatt). Dit moet de komende jaren sterk groeien om in 2030 40 procent van de elektriciteitsbehoefte te kunnen invullen met elektriciteit geproduceerd door wind op zee. In april 2020 zijn de eerste turbines van windpark Borssele 1&2 geïnstalleerd en is vervolgens in dezelfde maand de eerste elektriciteit geleverd aan het Nederlandse elektriciteitsnet. De totale omvang van dit project bedraagt 94 turbines (van 8 MW). In juli 2020 heeft het CrossWind consortium, een samenwerking tussen Shell en Eneco, de kavel Hollandse Kust Noord toegewezen gekregen. Dit wordt het derde subsidieloze windpark op de Nederlandse Noordzee. CrossWind gaat 69 windturbines met elk een vermogen van 11 MW plaatsen.
2.5.3 Zon-pv De groei van het aantal zonnepanelen in Nederland, en daarmee de bijdrage van zon-pv aan de duurzame elektriciteitsproductie, zet onverminderd door (fig. 13). Het totale vermogen van zonnepanelen is in 2019 met ongeveer 2 400 megawatt gegroeid, en wordt geraamd op 6 900 megawatt. Het grootste deel van deze toename (70 procent, ofwel 1 700 megawatt) is toe te schrijven aan nieuwe, grote installaties op daken van gebouwen, en op de grond. Ook de groei van het aantal zonnepalen op woningen blijft sterk groeien (fig. 14).
Figuur 13. Ontwikkeling opgesteld vermogen zon-pv.
Figuur 14. Ontwikkeling aantal woningen met zonnepanelen en aandeel zonnestroom in het totale verbruik. De sterke schommeling van de elektriciteitsproductie, zowel over een dag als over een jaar (fig. 15), maken een vorm van sturing in ieder geval op termijn noodzakelijk. Deze sturing kan gericht zijn op de opslag van elektriciteit m.n. door middel van accu’s en/of het sturen op gebruik waardoor bij een hoog aanbod de elektriciteitsvraag wordt gestimuleerd.
Figuur 15. Ontwikkeling dagopbrengst zon-pv. HVC en zon-pv. In september 2020 is de realisatie van twee zonneparken waar HVC in participeert, afgerond. Zonnepark Amstelwijck is een initiatief van Energiecoöperatie Dordrecht (samenwerking tussen gemeente Dordrecht HVC) waar in totaal 11.500 zonnepanelen zijn geplaatst. In zonneweide Tripkouw in Midwoud zijn 16.000 zonnepanelen geplaatst. Bij beide zonneparken konden inwoners 'meedoen' door te investeren. Daardoor profiteren ze mee van de opbrengsten van het zonnepark.
2.5.4 Biomassa Met een bijdrage van ca.60 procent is biomassa de grootste bron van hernieuwbare energie in Nederland (fig. 16). In 2019 werd 27% procent van de duurzame elektriciteit in Nederland opgewekt uit biomassa. De bijdrage van biomassa in de totale duurzame energieproductie is nog steeds stijgend o.a. door de inzet van biomassa in kolencentrales en door een toenemend aandeel vloeibare biobrandstoffen in de transportbrandstoffen. Afvalverbrandingsinstallaties zijn met een bijdrage van ca. 40% de belangrijkste leverancier van hernieuwbare energie uit biomassa (fig. 17). Deze duurzame energie wordt geproduceerd uit de biomassafractie van het restafval (waaronder gft, papier en karton en hout). Het percentage duurzame energie dat door afvalverbrandingsinstallaties wordt geproduceerd wordt jaarlijks door de Rijksoverheid vastgesteld op basis van samenstellingsgegevens van het afval. Door verandering in samenstelling is dit percentage licht dalend en bedraagt voor 2020 52%5,6.
5 6
https://wetten.overheid.nl/BWBR0042708/2020-01-01 Voor 2021 is weer een lichte stijging (naar 53%) aangekondigd.
Figuur 16. Ontwikkeling verbruik hernieuwbare energie in Nederland per bron.
Figuur 17. Ontwikkeling bijdrage diverse verwerkingsinstallaties in duurzame energieproductie uit biomassa.
2.5.6 Geothermie Stand van zaken Sinds eind 2008 wordt in Nederland gebruik gemaakt van aardwarmte. In eerste instantie ging het om één glastuinbouwbedrijf dat op dit moment op twee plaatsen aardwarmte wint. In 2019 zijn er in totaal 21 projecten in gebruik waarvan er drie tijdelijk stilliggen. De projecten liggen stil wegens technische problemen met de boorputten, risico op vervuiling van de bodem en seismische risico’s. In totaal produceerden de aardwarmte-installaties in 2019 5,6 petajoule aan warmte en dat is 49 procent meer dan in 2018 (fig. 18). De stijging komt vooral voort uit de productie van nieuwe projecten; opgestart in 2018 of 2019. Bij de meeste geothermiebronnen is de warmte afkomstig van een diepte tussen de 1.800 en 2.500 m terwijl de belangrijkste afnemers van warmte bedrijven uit de glastuinbouwsector zijn (fig. 19).
Figuur 18. Aantal producerende installaties en jaarproductie aan aardwarmte (PJ/jaar).
Figuur 19. Geologische formatie (a), diepte mid-reservoir (b) en (beoogd) gebruik van de geproduceerde warmte (c) van huidige geothermie installaties. Ontwikkelingen beleid en regelgeving Verplicht belang EBN in geothermie In juli 2020 is voorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet gepubliceerd. Hierin wordt een nieuw vergunningenstelsel voor de geothermiesector geïntroduceerd. Op dit moment geldt voor aardwarmte grosso modo hetzelfde stelsel als voor olie- en gaswinning, maar omdat de dynamiek bij geothermie van een heel andere aard is vinden alle belanghebbenden de huidige situatie ongewenst. Met dit voorstel wordt tevens, zoals eerder al was aangekondigd, bepaald dat EBN verplicht deelneemt aan -in beginsel- alle aardwarmteprojecten. Het precieze percentage van die deelname wordt op een later moment, na een marktconsultatie, vastgesteld. Naar verwachting zal dit percentage lager uitkomen dan de 40% die gebruikelijk is bij olie en gas. Ook ten aanzien van andere aspecten is het op dit moment nog niet duidelijk de deelname van EBN wordt geconcretiseerd. Doel van de deelname van het staatsbedrijf in geothermie is namelijk een vergroting van de kennis, waarmee een snelle opschaling ten behoeve van de energietransitie wordt bevorderd. In de fossiele sector dient de participatie van EBN vooral het belang van de staatsinkomsten.
Het nieuwe vergunningenstelsel zier er op hoofdlijnen als volgt uit:
Initiatiefnemers zullen straks eerst een zogenoemd zoekgebied moeten aanvragen. De toewijzing hiervan maakt het mogelijk om nader onderzoek te doen naar de ondergrond, alvast subsidie aan te vragen en financiering te regelen. In de tweede fase wordt een startvergunning aangevraagd. Deze vergunning geeft niet alleen recht op het boren en testen van een doublet, maar ook op het tijdelijk winnen van aardwarmte. In deze procedure vindt een relatief zware toetsing plaats, inclusief advisering door TNO, SODM, RVO (voor advies over de financiële positie van de aanvragen) en de Mijnraad. Ook voor decentrale overheden ligt er een adviestaak. In de derde en laatste fase is de zogenoemde vervolgvergunning aan de orde. Hierin wordt onder meer vastgelegd hoe lang er geproduceerd kan worden.
Potentie van aardwarmte als duurzame warmtebron Bureau Berenschot heeft in opdracht van Energie Beheer Nederland (EBN) onderzoek gedaan naar het potentieel van geothermie in de gebouwde omgeving, en in de marge van dat onderzoek ook glastuinbouw en industrie meegenomen. Eerst is gekeken naar de behoefte aan warmte met een temperatuur tot circa 100°C bovengronds, daarna naar de potentiële omvang van aardwarmtebronnen ondergronds. en tot slot zijn die twee met elkaar gecombineerd. Daarbij is ook gekeken naar de kosten, in de vorm van nationale kosten. Er is niet gekeken naar een businesscase voor een warmtebedrijf, marktpartij of overheid. Uitgangspunten bij de studie waren een daling van de warmtevraag van de huidige 451 PJ naar 333 PJ in 2030 (o.b.v. Klimaatakkoord) en een reductie van een daling van de kosten voor geothermie met 30% (conform Masterplan van EBN en de sector (2018)). Gegeven die randvoorwaarden kan 26% van de gebouwen worden verwarmd met aardwarmte. Of, in absolute cijfers: er is een potentieel van 88 PJ aan aardwarmte voor de gebouwde omgeving, verdeeld over middentemperatuurnetten die worden gevuld met aardwarmte (38 PJ), middentemperatuurnetten met restwarmte waar ook aardwarmte (33 PJ) in kan worden gevoed, en lagetemperatuursnetten waar aardwarmte (17 PJ) als één van de bronnen kan dienen.