CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

NIEUW Verordening Jeugdhulp Leidschendam- Voorburg 2026 Wijzigingen Bijhouden

Commissie Samenleving 22 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen verordening jeugdhulp37.500 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij het Kwaliteitsregister Vaktherapie) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of de toegang van de gemeente met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd is) alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een coördinerend behandelaar. Deze werkwijze sluit aan bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2023:655). Daarin is bevestigd dat het college bij de beoordeling van een aanvraag mag betrekken of een interventie past binnen de totale behandeling en of er voldoende professionele regie is georganiseerd. Als uit een deskundig advies blijkt dat dit nog niet het geval is, kan het college besluiten de interventie niet te vergoeden.

Artikel 18 Kinderopvang en buitenschoolse opvang In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Jeugdwet op de kinderopvang. Alleen als er als gevolg van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelings- doelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Uitgangspunt is inclusieve opvang: kinderen maken, waar mogelijk, gebruik van reguliere kinderopvang of BSO en nemen deel aan de groep. De inzet van (specialistische) begeleiding is erop gericht dat het kind zo veel mogelijk groepsgewijs wordt opgevangen en mee kan doen met de andere kinderen. Het

afzonderen van het kind wordt zoveel mogelijk voorkomen; individuele begeleiding wordt alleen ingezet als dit noodzakelijk is om het kind veilig en verantwoord te laten deelnemen aan de opvang en/of om de gestelde jeugdhulpdoelen te bereiken. Het college vergoedt in deze situaties uitsluitend de meerkosten die direct samenhangen met de noodzakelijke (specialistische) begeleiding; de reguliere opvangkosten blijven voor rekening van ouders. Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+. Artikel 19 Wonen en Verblijf Eerste lid Naast de Jeugdwet zijn er binnen jeugdzorg ook aanvullende afspraken over pleegzorg gemaakt. Het gaat om de volgende afspraken: • sinds juli 2018 wordt pleegzorg bij een jeugdige die dit vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd ook al kreeg standaard voortgezet tot 21 jaar, tenzij het pleegkind heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg;. • sinds februari 2020 kan verblijf in een gezinshuis worden verstrekt (of doorlopen) aan jeugdigen in de leeftijd tot 23 jaar. In overleg tussen gemeente, jeugdige, gezinshuisouders en eventueel behandelverantwoordelijke moet er dan wel een perspectief voor de toekomst zijn vastgelegd.

Dit is een voorwaarde voor verstrekking of verlenging van het verblijf tot 23 jaar. Dit wordt verlengde Jeugdhulp genoemd. Zowel pleegzorg als verblijf in een gezinshuis kan in het kader van verlengde Jeugdhulp standaard worden verstrekt tot de jeugdige de 23-jarige leeftijd bereikt. Dit kan alleen als voor deze jeugdige vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd ook al pleegzorg was ingezet, tenzij het pleegkind heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg. Derde lid Het uitgangspunt is dat onderwijs een essentieel onderdeel is van de voorziening. Het college zorgt er, in samenwerking met de jeugdhulpaanbieder en de onderwijsinstelling, voor dat de jeugdige continu onderwijs kan blijven volgen en ingeschreven blijft staan. Dit voorkomt onderbreking van het leerproces en ondersteunt de ontwikkeling van de jeugdige. Vierde lid De voorkeursvolgorde bij uithuisplaatsing is plaatsing in een gezins- of kleinschalige omgeving (zoals pleegzorg, gezinshuizen en andere kleinschalige woonvormen). Voor deze vormen wordt gekozen omdat zij een zo normaal mogelijke gezins- en opvoedsituatie bieden en in deze vorm, hechting, stabiliteit en continuïteit van de zorg bevorderen. Ook sluiten zij beter aan bij het recht op familieleven dan grootschalige residentiële instellingen.

Alleen als de problematiek of veiligheidssituatie van de jeugdige zodanig is dat verblijf in een instelling aantoonbaar meer in het belang van de jeugdige is, kan hiervan worden afgeweken. Artikel 20 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of de ouder(s) en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, zoopdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voort uit de Jeugdwet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Nu het verslag van het onderzoek een belangrijk onderdeel vormt van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit, wordt dit verslag ook aan de beschikking toegevoegd. HOOFDSTUK 6 AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

In de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt. Artikel 21 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb Eerste lid Wanneer een jeugdige of de ouder(s) naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of de ouder(s) vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo kan het college een format vaststellen voor een pgb- budgetplan dat de jeugdige of de ouder(s) met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb- budgetplan dient te de opgenomen. Uit de motivering in het pgb- budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is.

Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb- budgetplan moet zijn voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 21 van de verordening. Verder moet uit het pgb- budgetplan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. In de Jeugdwet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: a. de jeugdige of de ouder(s) zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige of de ouder(s) stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en c. de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.

Derde lid In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien toe op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is strikt geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van ZINzorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.

Zesde lid Specialistische begeleiding wordt ingezet voor zware en complexe problematiek. Deze vorm van begeleiding vraagt meer gespecialiseerde kennis dan reguliere individuele begeleiding, maar blijft ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en participatie. Artikel 22 Pgb-vaardigheid Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf): 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag); 2.

Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); 3. Goed werkgeverschap; 4. Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; 5. Voeren van een administratie; 6. Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en 7. In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig. Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb- budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgbvaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.

Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. Dit betekent dat iedere omstandigheid steeds in de context van het individuele geval beoordeeld moet worden. Het enkele feit dat één van de opgesomde omstandigheden aanwezig is, mag niet automatisch leiden tot een afwijzing van een pgb. Uit jurisprudentie, zoals de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2019:4940), volgt dat bijvoorbeeld schuldenproblematiek op zichzelf geen categorale

uitsluitingsgrond vormt. Het gaat er telkens om of de budgethouder of budgetbeheerder – al dan niet met inzet van passende waarborgen, zoals een beschermingsbewindvoerder, een professionele budgetbeheerder of een geschikt persoon uit het sociale netwerk – in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Daarmee blijft maatwerk geborgd en wordt recht gedaan aan de bedoeling dat een pgb slechts geweigerd kan worden als de risico’s niet adequaat kunnen worden ondervangen. 1. Problematische schuldenproblematiek: pProblematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij de financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd.

Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. 2. Ernstige verslavingsproblematiek: eErnstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over het eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over het eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. 3.

Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt nog meer als budgethouder of budgetbeheerder, of het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, of de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. 4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Eeen indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bBij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder.

Een aanbod van zorg in natura (ZIN) past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.

6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over hetde leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. 7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het pgb. 8. Het niet verkrijgen van een VOGerklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder. Artikel 23 Onderscheid formele en informele hulp PGB Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de WlzJeugdwet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet(Zvw) wordt gehanteerd. Eerste en tweede lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandigen zonder personeel (zzp’er), die onder toezicht staat van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouder(s), broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd.

De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerdzorg gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Professionals die hulpverlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb. Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de Jeugdwet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulp verlenen, moeten in beginsel geregistreerd zijn in het SKJ- of BIG-register. Rechtspraak (o.a. Rb. Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2023:966 en ECLI:NL:RBGEL:2025:4929) maakt echter duidelijk dat in bijzondere situaties gemotiveerd kan worden afgeweken van deze registratieplicht, mits aannemelijk is dat de kwaliteit en veiligheid van de geboden hulp niet worden aangetast.

Het college kan dus in uitzonderlijke gevallen bepalen dat een niet-geregistreerde professional de hulp uitvoert, als voldoende deskundigheid en waarborgen voor de kwaliteit van de uitvoering aanwezig zijn (artikel 5.1.1,

tweede lid, Besluit Jeugdwet). Het gaat hierbij om een uitzondering op de hoofdregel dat professionals geregistreerd moeten zijn. Derde lid Informele hulp is de jeugdhulp die wordt geboden door een natuurlijk persoon die behoort tot het sociale netwerk van de jeugdige of ouder (zoals personen uit de huiselijke kring, bloed- of aanverwanten, vrienden of anderen met een sociale relatie) en die de jeugdhulp niet beroeps- of bedrijfsmatig verleent en geen jeugdhulpaanbieder is als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: geboorte; afstamming van dezelfde voorvader; erkenning; gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: (adoptie)ouder(s); (adoptie)kinderen. Tweede graad: grootouder(s); kleinkinderen; broers en zussen. Artikel 24 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Eerste lid Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder(s).

Tweede lid punt a De bepaling, waarbij de VOG bij aanvang van de hulpverlening niet ouder mag zijn dan drie 3 maanden en tijdens de hulpverlening niet ouder mag zijn dan drie jaar, geldt uitdrukkelijk ook voor solistisch werkende jeugdhulpverleners, veelal zzp’ers, waarbij de verplichting om te beschikken over een VOGerklaring Omtrent het Gedrag rechtstreeks voortvloeit uit artikel 4.1.6, derde lid, van de Jeugdwet. Zesde lid GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Artikel 25 Hoogte pgb Eerste, tweede, derde lid In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet

zijnde om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. De essentialia (belangrijkste regels) van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Tariefsdifferentiatie hoort hierbij. Deze uitspraak ging over de Wmo 2015, maar de rechtbank sprak uit (CRVB 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092) dat wat daar in het kader van de WMO 2015 in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, ook geldt voor de Jeugdwet. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp vanuit een professionele organisatie (lid een) en een tarief voor informele hulp (lid drie). Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de WlzJeugdwet langdurige zorg (Wlz) en Zvworgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen. De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura.

Op grond van artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet stelt het college de hoogte van het pgb zodanig vast dat de noodzakelijke jeugdhulp kan worden ingekocht. Het college mag het pgb relateren aan het tarief voor ZIN. Een lager percentage dan het ZIN-tarief is gerechtvaardigd, omdat in dat tarief kosten zijn inbegrepen die bij pgb-zorg geheel of gedeeltelijk ontbreken, zoals overhead, huisvesting, contractbeheer en administratieve lasten. Met het vastgestelde percentage blijft het pgb toereikend om de geïndiceerde jeugdhulp bij ten minste één aanbieder in te kopen. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp’ers (lid twee), wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager omdat zij vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit hebben als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel. In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp (lid drie) gebaseerd op het wettelijk minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, vermeerderd met vakantieopslag, werkgeverslasten en een opslag. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen.

Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht. Deze lijn wordt ondersteund door recente rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 8 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4405), en sluit aan bij de beleidsopvatting van de staatssecretaris, zoals verwoord in de Kamerbrief van 20 december 2024, waarin een hoger tarief voor informele hulp onwenselijk wordt geacht. Iemand hoort tot het sociaal netwerk als er een bestaande sociale relatie is met de jeugdige/ouders en de hulp niet beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend; bij familie wordt dit in elk geval aangenomen. De gehanteerde eventuele opslag in lid drie 3 sluit aan bij de beleidsdoelstelling om minder te professionaliseren en informele zorg actief te stimuleren als passend alternatief voor zwaardere jeugdhulp. Door een tarief vast te stellen dat hoger ligt dan het wettelijk minimumloon, maar aanzienlijk lager blijft dan de tarieven voor formele jeugdhulp, wordt daarbij onbedoelde professionalisering voorkomen. Daarmee ontstaat een bewuste prikkel om ondersteuning, waar mogelijk, binnen het informele netwerk te organiseren. Op deze manier draagt het tarief bij aan normalisering en beheersing van de kosten.

Vierde en vijfde lid

De Regeling Jeugdwet Artikel 8b biedt de mogelijkheid om een professioneel tarief rekenen als de hulp uit het sociaal netwerk beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. In het vierde lid is deze mogelijkheid alleen in geval van hoge uitzondering opgenomen; er zijn voorwaarden gesteld met betrekking tot noodzakelijkheid en kwaliteit, en er gelden expliciete uitsluitingscriteria. Zesde lid Dit artikel regelt hoe de hoogte van het pgb voor niet-professionele jeugdhulp bij kortdurend verblijf en dagbesteding wordt bepaald. De vaststelling vindt plaats per individuele situatie en is gebaseerd op het tarief voor niet-professionele jeugdhulp zoals bedoeld in het derde lid. Bij de berekening wordt uitgegaan van het aantal uren individuele begeleiding en/of persoonlijke verzorging dat daadwerkelijk noodzakelijk is per etmaal bij kortdurend verblijf of per dagdeel bij dagbesteding. Er wordt gewerkt met een reëel en werkbaar aantal uren en niet met een inzet van 24 uur per etmaal. Het pgb voor niet-professionele jeugdhulp bedraagt nooit meer dan het pgb voor professionele jeugdhulp. Daarnaast geldt dat de hoogte van het pgb niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate en passende voorziening in natura.

Hiermee wordt geborgd dat het pgb doelmatig wordt ingezet en dat informele jeugdhulp niet leidt tot hogere kosten dan zorg in natura, terwijl de noodzakelijke ondersteuning wel passend en beschikbaar blijft. Zevende lid De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein. Achtste lid Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Negende lid Bij sommige vormen van jeugdhulp vanuit het sociale netwerk is het wenselijk de mogelijkheid voort te zetten om minder dan het wettelijk minimumloon te vergoeden. Het gaat hier om hulp die hoofdzakelijk wordt verleend uit morele of sociale overwegingen, bijvoorbeeld door familie of vrienden. Voor deze nietprofessionele hulp geldt dat de hulpverlener geen aanspraak maakt op een beloning zoals bij reguliere arbeid. Om dit in de praktijk te regelen, biedt de Regeling Jeugdwet een nieuwe mogelijkheid: met een verklaring (niet zijnde een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) kan een hulpverlener een klein, symbolisch bedrag ontvangen uit het pgb.

Dit betreft hulp en bijstand in de particuliere sfeer, zoals een vriendendienst of vrijwillige hulp in familieverband, waarbij geen wettelijke verplichting bestaat tot beloning. Het tarief voor deze vorm van jeugdhulp wordt door het college vastgesteld op basis van artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet. Het college controleert of de verklaring wordt opgesteld volgens het vigerende, door de SVB vastgestelde model en of het ten minste het volgende bevat: a. de naam, de geboortedatum en het Burgerservicenummer van de hulp uit het sociaal netwerk; b. de ingangsdatum vanaf wanneer op verzoek een tegemoetkoming kan worden verstrekt; c. de mededelingen dat de hulp uit het sociaal netwerk zonder dienstbetrekking jeugdhulp zal verlenen aan de persoon aan wie een pgbersoonsgebonden budget is verstrekt en of een bedrag per kalendermaand en of door het college vastgestelde bedragen worden aangevraagd; d. de handtekening van de persoon aan wie een pgbersoonsgebonden budget is verstrekt, waarmee die persoon aangeeft dat hij inderdaad jeugdhulp uit het sociaal netwerk zal ontvangen, alsmede de handtekening van de hulp uit het sociaal netwerk.

Artikel 26 Uitgesloten van pgb Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in dit artikel opgesomd. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt daarom niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of de ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien de jeugdige ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan. Lid 1 e De jeugdige of de ouder(s) heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Als besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Lid 1f Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de Jeugdwet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb.

Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of de ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Lid 1o Een eenmalige uitkering kan alleen mogelijk als er nog budget beschikbaar is, maar het pgb is bedoeld voor de daadwerkelijke zorg en ondersteuning van de budgethouder. Het betreft gemeenschapsgeld dat anders terugvloeit naar de gemeente. Dit is de reden waarom het niet is toegestaan om een feestdagenuitkering via het pgb uit te keren. Lid 1 p Een eenmalige uitkering is bijvoorbeeld een eenmalige uitkering aan de aanbieder ter compensatie voor het plotselinge en onvoorziene verlies aan inkomsten. Dit speelt onder meer wanneer de afgesproken opzegtermijn niet kan worden nagekomen, bijvoorbeeld bij het overlijden van de inwoner of bij een (tijdelijke) opname. Het pgb is echter uitsluitend bestemd voor de daadwerkelijke zorg en ondersteuning van de budgethouder, en niet voor extra financiële compensaties buiten de zorgovereenkomst. Lid 1q Kosten zoals cursussen van de zorgverlener, entreegeld voor recreatieve activiteiten, maaltijden en consumpties bij overwerk, en woonkosten in wooninitiatieven worden niet vergoed vanuit het pgb. Het pgb is uitsluitend bestemd voor de daadwerkelijke zorg en ondersteuning van de individuele budgethouder.

Cursussen en maaltijden zijn kosten van de zorgverlener zelf, entreegeld betreft recreatie en woonkosten zijn particuliere uitgaven van de bewoners. Door deze kosten uit te sluiten blijft het pgb volledig gericht op zorg en ondersteuning. Lid 1r Het is niet toegestaan om een vast bedrag per periode via het pgb uit te keren, omdat dan niet gegarandeerd is dat de zorg daadwerkelijk is geleverd. Als de zorg stopt maar de zorgovereenkomst niet wordt beëindigd, kunnen betalingen blijven doorlopen terwijl er geen zorg wordt geleverd.

HOOFDSTUK 7 AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.

Waar het de afbakening met andere Jeugdwetgeving betreft, zoals de WlzJeugdwet langdurige zorg (Wlz), de Zvworgverzekeringswet (Zvw) en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de Jeugdwet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) Jeugdwetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015. Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.

Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze Jeugdwetgeving voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet. Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de Jeugdwet. Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp.

(zie ook bij artikel 23) Artikel 28 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de Jeugdwet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de Jeugdwet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere Jeugdwet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere Jeugdwet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke Jeugdwet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 9 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.

Eerste lid Het eerste lid bevat een opsomming van Jeugdwetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen de bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze Jeugdwetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Zodra voor een jeugdige een indicatie of aanspraak op grond van een andere Jeugdwet is vastgesteld, zet het college zich actief in om te bevorderen dat deze zorg zo spoedig mogelijk begint. Tot de feitelijke start blijft het college

verantwoordelijk voor het leveren van jeugdhulp. In deze situatie treedt het college direct in overleg met betrokken partijen om afspraken te maken over overdracht, bekostiging en eventuele verrekening van kosten. Als de jeugdhulp langer duurt dan 3drie maanden, wordt in gezamenlijk overleg bezien welke tijdelijke aanpassingen in het zorgaanbod passend zijn, met blijvende inzet op een spoedige start van de nieuwe voorziening. Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of de ouder(s). Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.

Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het 18e levensjaar, of het 21eenentwintigste of 23drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het 16zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. Artikel 29 Afstemming Zvworgverzekeringswet en WlzJeugdwet Langdurige Zorg Eerste lid De verplichting voor het college om afspraken te maken over de voorwaarden en de wijze van verwijzing via het medisch domein volgt uit artikel 2.7 lid 4 van de Jeugdwet. De gemeente gaat daarbij uit van de professionele standaarden die voor de betrokken beroepsgroepen gelden. De verplichting voor het college om te voorzien in overbruggingszorg volgt uit het woonplaatsbeginsel (artikel 1.1 Jeugdwet) en de zorgplicht van de gemeente om te voorkomen dat een jeugdige zonder passende ondersteuning komt te zitten. Het uitgangspunt is dat de nieuwe voorziening, zodra een indicatie of aanspraak is vastgesteld, zo spoedig mogelijk moet starten.

Het college zet zich daarom actief in om samen met betrokken partners belemmeringen zoals wachtlijsten of het ontbreken van een passende plek zo snel mogelijk op te lossen. De uitspraak van de Geschillencommissie Sociaal Domein van 26 juli 2024 (referentiecode: 229647/256000), bevestigt dat de gemeente van herkomst verantwoordelijk blijft totdat de nieuwe voorziening daadwerkelijk is gestart. Vierde lid De afgelopen periode is er een toename zichtbaar in afwijzingen van WlzLZ-aanvragen door het CIZ, waarbij de motivering niet altijd overtuigend is of waarbij het onderzoek onvoldoende diepgaand lijkt te zijn uitgevoerd. Recente rechtspraak (o.a. ECLI:NL:RBOVE:2024:6697 en ECLI:NL: RBNNE:2025:2195) bevestigt dat het CIZ een vergaande onderzoeksplicht en bewijslast heeft. Daarbij geldt dat de vraag of de zorgbehoefte ‘blijvend’ is, beoordeeld moet worden in relatie tot het al dan niet wegvallen van onplanbare 24-uurszorg, en niet enkel op basis van algemene ontwikkelingsmogelijkheden. Het is van belang dat de gemeentelijke toegang alert iszijn op mogelijke onvolkomenheden in de besluitvorming, cliënten wijzen op hun rechten en zorgen voor passende ondersteuning bij bezwaarprocedures.

Artikel 32 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Derde lid De leerplichtambtenaren van gemeente zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de Leerplichtwet. Problemen van jeugdigen uiten zich niet zelden in de vorm van (langdurig of frequent) schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten. Afstemming tussen leerplichtambtenaar, school én de toegang van de gemeente is in dergelijke gevallen van groot belang. Artikel 35 Afstemming werk en inkomen Het hebben van schulden en/of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouder(s) hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden. Hierbij kan het college of gecertificeerde instelling een actieve rol hebben: aanvragen van armoedevoorzieningen, het voeren van een gesprek over armoede, zelf een afspraak maken voor de ouder en de drempel zo laag mogelijk maken door bijvoorbeeld samenwerking met de maatschappelijke dienstverlening.

HOOFDSTUK 8 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Artikel 38 Inlichtingen Eerste lid Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouder(s) en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en de ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening.

In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en de ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Tweede lid Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of de ouder(s) het college alle informatie verstrekt die van belang kan de voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de ouder(s). Immers, ook van jeugdigen en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Artikel 39 Medewerkingsplicht

Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouder(s) niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp. Artikel 40 Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering Eerste lid Dit lid werkt artikel 8.1.4 Jeugdwet uit voor pgb-besluiten en breidt de daarin genoemde gronden uit naar besluiten over individuele voorzieningen in natura. Daarmee wordt gekozen voor gemeentelijk beleid waarin voor natura en pgb dezelfde herzienings- en intrekkingsgronden gelden. Tweede lid Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens toe op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van de bevoegdheid tot herziening of intrekking.

Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). Derde en vierde lid: Van een jeugdige en/of de ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen vier 4 maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen vier 4 maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.

Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen en/ of ouder(s) niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken. Vijfde en zesde lid: In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De invorderingsbevoegdheid via dwangbevel is op grond van de Jeugdwet uitsluitend van toepassing op pgb’s en niet op voorzieningen in natura. Deze dwangbevelbevoegdheid geldt dus niet voor voorzieningen in natura; daarvoor beperkt de verordening zich tot de bevoegdheid tot (civielrechtelijke of bestuursrechtelijke) terugvordering van de geldschade.

Zevende en achtste lid: In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Het gaat bijvoorbeeld om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit is in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat: 1) de jeugdige of de ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); 2) de jeugdige of de ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of 3) de jeugdige of de ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e).

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouder(s) niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit het sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien 13 weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz. Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onder f.

Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik kan maken van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgbhouder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg. Negende lid Het college kan de inzet van een voorziening tijdelijk opschorten als er een gegrond vermoeden is dat een aanbieder de gemaakte kwaliteitsafspraken niet naleeft. Deze maatregel moet steeds feitelijk onderbouwd en proportioneel zijn. Tijdens de opschorting wordt actief onderzoek gedaan naar de feiten. Het formele kwaliteitstoezicht berust bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ); de bevoegdheid van de gemeente beperkt zich tot het handhaven van de eigen contractuele afspraken en de verordening.

Artikel 41 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Eerste lid

In de Jeugdwet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de Jeugdwet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de Jeugdwet toezichthouder(s) aanwijst, die specifiek toezien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd. Tweede en derde lid: Op grond van artikel 8.1.3, van de Jeugdwet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de Jeugdwet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 41, tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb.

Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de Jeugdwet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijnde verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouder(s), bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouder(s) ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder. Artikel 42 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura [en in vorm van pgb’s] te waarborgen en fraude te voorkomen. In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid).

Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die de afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid).

HOOFDSTUK 10 WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel 44 Verhouding prijs en kwaliteit Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, meting van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of de ouder(s), door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermings- maatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 38 voorziet hierin, waarbij een aantal elementen

met aanvullende criteria nader zijn uitgewerkt. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp. Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt. HOOFDSTUK 11 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 45 Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de Jeugdwet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling over klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de aanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen aanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 46 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de Jeugdwet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de Jeugdwet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze Jeugdwet. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=16a9fb8a-2f6d-4990-a9c8-49ce845bebc4