NIEUW Verordening Jeugdhulp Leidschendam- Voorburg 2026 Wijzigingen Bijhouden
Tekst van het document
Bij financiële belemmeringen kan een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand of Stichting Leergeld.
HOOFDSTUK 3 VORMEN VAN JEUGDHULP EN PARTNERS Artikel 5 Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 6) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’). Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijnde van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en de ouder(s).
Derde lid Uit de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de Jeugdwet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het derde lid wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Het college moet op basis van het vierde lid deze elementen overnemen in de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken. Vierde lid Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van de inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. Vijfde en zesde lid Per 1 januari 2026 is de WJeugdwet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg van kracht.
Deze Jeugdwet verplicht gemeenten om complexe en schaarse vormen van jeugdhulp regionaal beschikbaar te stellen en de continuïteit te waarborgen. Onder cruciale jeugdzorg vallen onder meer: jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, specialistische hulp bij complexe problematiek, forensische jeugdhulp, hulp voor jeugdigen met een zintuiglijke beperking, 24-uurs crisishulp, dagbehandeling in groepsverband, hoogspecialistische geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen, hulp bij seksueel misbruik, hulp bij ernstige onzindelijkheidsproblematiek, en jeugdbescherming en jeugdreclassering uitgevoerd door gecertificeerde instellingen. De NZa heeft een vroegsignaleringstaak voor aanbieders van deze vormen van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen. Bij acute financiële risico’s kan gebruik worden gemaakt van de Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg. Met deze leden wordt vastgelegd dat het college verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid en continuïteit van cruciale jeugdzorg, met regionale samenwerking, toezicht en subsidiemogelijkheden als instrumenten om continuïteit te waarborgen.
HOOFDSTUK 4 TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader (nader) geregeld. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt hier de toegang niet geregeld in het gedwongen kader, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Artikel 6 Toegang jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 9 opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de Jeugdwet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Eerste tot en met derde lid
Jeugdigen en ouder(s) kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouder(s) is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 9). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouder(s) verlangd (CRvB zestien januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de Jeugdwet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of de ouder(s) een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een pgb- budgetplan in moeten dienen. Zesde lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. Zevende lid Als de inzet van jeugdhulp niet kan wachten tot het onderzoek is afgerond, kan het college in spoed- of crisissituaties direct jeugdhulp inzetten. In deze gevallen start de hulp onmiddellijk, zonder dat vooraf een volledig onderzoek is afgerond of een besluit is genomen.
Het besluit tot inzet van een individuele voorziening wordt dan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de start van de hulp, vastgelegd in een beschikking. Achtste lid Dit lid regelt dat de beslistermijn wordt opgeschort gedurende de periode waarin de jeugdige en/of ouder(s) een familiegroepsplan opstellen en indienen. Het familiegroepsplan is een plan dat door ouders, de jeugdige en het sociale netwerk wordt opgesteld, waarin zij zelf aangeven hoe de problemen kunnen worden aangepakt. De opschorting van de beslistermijn met zes weken voorkomt dat het college onder tijdsdruk een beschikking moet nemen terwijl het familiegroepsplan nog in voorbereiding is. Zo wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van de Jeugdwet dat ouders en hun netwerk zo veel mogelijk zelf oplossingen formuleren, en kan het college dit plan betrekken bij de beoordeling van de noodzaak en aard van jeugdhulp. Deze duur geeft jeugdigen en ouders reële tijd om samen met hun netwerk een familiegroepsplan te maken, maar waarborgt ook dat het college binnen afzienbare tijd een besluit neemt. Elfde lid Voor het indienen van een aanvraag voor jeugdhulp is het voldoende dat één ouder met gezag namens de jeugdige optreedt. Het college mag de aanvraag niet afhankelijk stellen van toestemming van de andere gezaghebbende ouder; dat zou een extra wettelijke drempel zijn.
De wettelijke eis dat beide ouders met gezag toestemming moeten geven, geldt voor het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp en niet voor de aanvraag. Deze toestemming is vormvrij en de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de jeugdhulpverlener, niet bij het college. Het college spant zich wel in om beide gezaghebbende ouders zoveel als redelijkerwijs mogelijk te betrekken bij de besluitvorming. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat betrokkenheid van beide ouders, ook vanuit systemisch en pedagogisch perspectief, bijdraagt aan het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige. Het betrekken van beide ouders bevordert de samenwerking, vergroot het draagvlak voor de hulp en ondersteunt de stabiliteit en veiligheid van het kind. Artikel 7 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hiervoorna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de Jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Tweede tot en met derde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of de ouder(s) na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit.
De jeugdige of de ouder(s) kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 6). Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten de van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of de ouder(s) geen gebruik kunnen maken van een pgb. Vierde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of de ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat volgens het oordeel van de aanbieder de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn. Het oordeel wordt mede gebaseerd op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van de handelen vormen (stap 2).
Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vierde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan dat wat volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Daarnaast geldt dat de jeugdhulpaanbieder zich moet houden aan de bepalingen uit deze verordening. Dit betekent concreet dat de jeugdhulpaanbieder zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 6 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook beperkt de inzet zich in beginsel tot de individuele voorzieningen die in artikel 5 zijn opgesomd. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute
HOOFDSTUK 5 BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 9 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek gebeurt in
samenspraak met de jeugdige en de ouder(s). Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en de ouder(s) en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en de ouder(s). Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de Jeugdwet informeert het college jeugdigen, ouder(s) en pleegouder(s) tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Jeugdstem voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen.
Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouder(s) hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij het onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college.
Ouder(s) kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Vierde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of de ouder(s), na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of de ouder(s) zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Vierde lid Op grond van artikel 2.5, van de Jeugdwet informeert het college jeugdigen, ouder(s) en pleegouder(s) tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Jeugdstem voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.
Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Vijfde lid Ouder(s) hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij het onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouder(s) kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en de ouder(s) er zelf niet uitkomen.
De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of de ouder(s)? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of de ouder(s) nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart en leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.
De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s), met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid en dat de jeugdige voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.
Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Jeugdwet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015),
Jeugdwet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 28 e.v.). Zesde lid Als de jeugdige of de ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Jeugdwet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf zestien 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jeugdige of de ouder(s) al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Zevende lid Het is mogelijk dat een jeugdige of de ouder(s), na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of de ouder(s) zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Achtste lid Om een volledig beeld te krijgen van de ontwikkeling van de jeugdige kan het college ouder(s) vragen de voorgeschiedenis van de jeugdige en het gezin in beeld te brengen. Hierin kan dan de hele (vroege) ontwikkeling en de hulpvraag worden beschreven.
Als de hulpvraag ook met school te maken heeft kan het college, enkel met toestemming van de ouder(s), de leerkracht of mentor van de school verzoeken om het schoolvragenformulier alvast in te vullen. Dit ter voorbereiding op het gesprek naar aanleiding van de melding van de hulpvraag. De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en de ouder(s) er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of de ouder(s)? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of de ouder(s) nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart en leg dat vast.
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s), met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid en dat de jeugdige voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee
al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.
NegenElfde lid Als wél sprake is van een hulpvraag van de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening, en de hulpvraag voortkomt uit maatschappelijke, psychische of relationele problemen van ouder(s), wordt de jeugdhulp afgestemd op de ondersteuning die ouder(s) nodig hebben. Bij deze problemen kan worden gedacht aan problemen rondom bestaanszekerheid (schulden, huisvesting, inkomen), verslavings- of GGZ- problematiek of echtscheidingsproblematiek. Het college zet daarbij nadrukkelijk in op het versterken van ouder(s) en het toeleiden naar passende hulp voor hen, zo nodig in samenwerking met andere (betrokken) partijen. Het uitgangspunt is dat problemen bij ouder(s) zo veel mogelijk daar worden aangepakt waar zij ontstaan. De jeugdhulp die wordt ingezet richt zich in deze situaties op aangepaste en realistische doelen. Daarbij wordt rekening gehouden met wat redelijkerwijs en binnen een bepaalde termijn van de ingezette jeugdhulp kan worden verwacht, gelet op de problematiek(en) van de ouder(s). Het werken met aangepaste en realistische doelen geldt ook als bekend is dat er een wachtlijst is voor de hulp die ouder(s) nodig hebben en als de ouder(s) weigeren hulp te zoeken en/ of te starten.
In deze situaties richt de ondersteuning aan de jeugdige zich primair op het waarborgen van de veiligheid en het bevorderen van een gezonde ontwikkeling, terwijl de inzet op hulp voor ouder(s) waar mogelijk wordt voortgezet. Er worden afspraken gemaakt over het contact tijdens de wachtperiode. Artikel 10 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 9 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of de ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.
In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; • taal- en leerproblemen; • somatische aandoeningen; • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en • kindermishandeling en huiselijk geweld. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de Jeugdwet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 10, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van
Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Jeugdwet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot de bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 11 Vaststelling van het Burgerservicenummer Dit artikel is gebaseerd op de bepalingen in §7.2 van de Jeugdwet.
Volgens artikel 7.2.1 van de Jeugdwet mag het BSN worden gebruikt om te waarborgen dat persoonsgegevens van de juiste jeugdige zijn. Artikel 7.2.2 schrijft voor dat het BSN bij het eerste contact met de jeugdige wordt vastgesteld. Artikel 7.2.3 geeft aan dat hiervoor het nummerregister of de BRP kan worden geraadpleegd, tenzij het BSN al bekend is via een andere bevoegde gebruiker. Het doel van deze bepaling is het waarborgen van de rechtmatigheid van de jeugdhulpverlening en dat de inzet van voorzieningen bij de juiste jeugdige terechtkomt. Artikel 12 Verslag In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en de ouder(s) krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor dehaar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouder(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb).
Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of de ouder(s) het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en de ouder(s) doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen. Artikel 13 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet opstellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Het betrekt de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.
Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Tweede lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de Jeugdwet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de Jeugdwet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien de leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Derde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet.
Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of algemene voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of algemene voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Vierde lid Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Vijfde lid Het vierde lid sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet Jeugdwetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254).
Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet Jeugdwetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/) en, de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd. Zesde en zevende lid Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouder(s) helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een
zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de Jeugdwet alleenlouter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de Jeugdwet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouder(s) liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouder(s) zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouder(s) via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat als er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de Jeugdwet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken.
Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Achtste lid Met dit lid wordt beoogd het gebruik van individuele begeleiding zorgvuldig en terughoudend toe te passen. Individuele begeleiding is een zwaar en ingrijpend middel, dat alleen wordt ingezet op basis van een vastgesteld afwegingskader. Dit geldt zowel in relatie tot verblijf, onderwijs, dagbesteding en dagbehandeling. Aanleiding hiervoor is dat uit praktijkervaring en onderzoek blijkt dat deze vorm van begeleiding vaak wordt ingezet als laatste redmiddel in zeer complexe situaties, terwijl het zelden leidt tot duurzame verbetering. Onderzoek en ervaringen, onder meer uit de regio Rotterdam-Rijnmond, laten zien dat langdurige individuele begeleiding hoge kosten met zich meebrengt, de zelfredzaamheid van jeugdigen kan verzwakken en het risico vergroot dat perspectief op ontwikkeling ontbreekt. Daarnaast kan deze vorm van begeleiding nadelige effecten hebben op hechting en het toewerken naar zelfstandigheid. Ook blijkt dat individuele begeleiding vaak lang doorloopt, zonder duidelijke doelen, afbouw of samenhangende behandelstrategie.
Het college wil voorkomen dat individuele begeleiding een structurele oplossing wordt bij het ontbreken van passend aanbod, onvoldoende regie of afstemming tussen jeugdzorg, GGZ, onderwijs en dagbesteding en dagbehandeling. Daarom wordt deze vorm van begeleiding alleen toegestaan bij hoge uitzondering, altijd op basis van een verklarende analyse en met een beperkte duur (1 maand). Als er sprake is van een uitzonderingssituatie kan het college, gelet op de omstandigheden van de jeugdige of het gezin en/ of vanuit zwaarwegende maatschappelijke overwegingen, gemotiveerd afwijken van het afwegingskader. Onder zwaarwegende maatschappelijke overwegingen wordt onder meer verstaan situaties waarin het achterwege laten van (tijdelijke) individuele begeleiding leidt tot een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de jeugdige, het gezin, de directe omgeving en/ of de maatschappij. Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarin sprake is van (dreiging van) ernstige geweldsdelicten, andere ernstige strafbare feiten, of ernstig zelfbeschadigend tot suïcidaal gedrag. Het college kan in deze uitzonderlijke situaties gemotiveerd afwijken van het afwegingskader, met als doel acute risico’s te beperken en stabiliteit te creëren. Er wordt bij de onderbouwing van de uitzonderingssituatie rekening gehouden met het risico dat er geen nieuw precedent ontstaat door de uitzonderingssituatie.
Negende lid Coördinatie wordt ingezet om te zorgen voor samenhang en regie in situaties waar de veiligheid of ontwikkeling van de jeugdige onder druk staat en meerdere partijen betrokken zijn. Hoewel deze situaties
vaak complex zijn, is er niet altijd sprake van meervoudige problematiek op verschillende levensdomeinen. Complexiteit kan ook voortkomen uit de aard van de problematiek of de samenwerking tussen betrokken partijen. Artikel 14 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Algemeen Artikel 2.3, van de Jeugdwet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de Jeugdwet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en de ouder(s) er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf. Van ouder(s) mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden.
Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouder(s) behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouder(s) worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL: CRVB:2019:2362). De in de Jeugdwet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouder(s) om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouder(s) geldt als uitgangspunt dat beide ouder(s) met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning.
Ook stiefouder(s) zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de Jeugdwet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en de ouder(s) er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De Jeugdwetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of de ouder(s) een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en de ouder(s) de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder ontoereikend de.
Dit zou ook strijdig zijn met de uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, de ouder(s) en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouder(s) en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg
komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en de ouder(s) zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Eerste lid Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg, zoals opgenomen in de ‘Beleidsregels jeugdhulp Leidschendam- Voorburg 2026’. Derde lid Dit lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of de ouder(s) gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek. Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de Jeugdwet.
De in het Burgerlijk Jeugdwetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouder(s) is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid. In geval van gescheiden ouders, wordt rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont, terwijl erkend wordt dat soms geen andere ouder beschikbaar is, bijvoorbeeld door overlijden, onbekendheid of afwezigheid van betrokkenheid. Vijfde lid Dit lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouder(s). Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak. Zesde lid Op de in artikel 9 van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden.
Daarmee wordt het noodzakelijke verband gelegd tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de Jeugdwet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouder(s) kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Artikel 15 Vervoer
In artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer omvatten van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld, waarbij geldt dat de gemeente die verantwoordelijk is voor de jeugdhulp op grond van het woonplaatsbeginsel ook verantwoordelijk is voor het vervoer. In geval van gescheiden ouders in verschillende gemeenten, is die gemeente ook verantwoordelijk voor het vervoer van en naar beide ouderadressen. Tweede lid Wanneer de ouder(s) in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Derde lid Het vervoer moet noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Van een medische noodzaak is sprake als de jeugdige vanwege een lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking niet in staat is (eventueel onder begeleiding van een volwassenen) om, al dan niet onder gebruikelijke begeleiding, op passende wijze zelfstandig van en naar de jeugdhulplocatie te reizen. Een reisafstand binnen zes 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen.
Het gaat hier om één van de wegingsfactoren. Dit wil dus zeggen dat als de afstand korter is dan zes 6 kilometer er om andere redenen wel vervoer kan worden toegekend. Ook geldt dat een afstand van meer dan zes 6 km niet vanzelfsprekend leidt tot een vervoersvoorziening als ouders wel met eigen mogelijkheden het vervoer kunnen organiseren. Vijfde lid De uitgangspunten zoals genoemd in lid vijf d ‘best passende, best te organiseren en goedkoopste vervoersvoorziening’ kunnen met elkaar op gespannen voet staan. Bij de besluitvorming hierover staat het belang van het kind dan ook voorop. Met het oog op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, verstaat het college hier het volgende onder: • veiligheid en welzijn van het kind staan centraal; • het vervoer is passend en kindgericht, met maatwerk waar nodig; • de reistijd moet redelijk zijn in verhouding tot de leeftijd en belastbaarheid van het kind; • het kind moet onderwijs kunnen volgen dat bij hem/haar past; • de stem van het kind wordt actief meegenomen in beslissingen van het college. Het uitgangspunt zoals genoemd in lid vijf e is dat gebruik wordt gemaakt van groeps- of openbaar vervoer.
Taxivervoer, doorgaans solovervoer maar soms met meerdere kinderen, wordt alleen ingezet wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege ernstige gedragsproblematiek bij het kind die veilig groepsvervoer verhindert, of andere niet-medische omstandigheden waardoor deelname aan groepsvervoer niet haalbaar is. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de andere kinderen in het groepsvervoer en met het belang van rust, reinheid en regelmaat. Zesde lid Bij kortdurend verblijf wordt van de ouders verwacht dat zij hun kind naar de logeerplek brengen, vanuit het principe van eigen kracht. Dit is echter geen absolute voorwaarde. Het college toetst altijd individueel of het in het concrete geval redelijk en haalbaar is, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de ontlastende functie van het kortdurend verblijf. Achtste lid Artikel 1.2 Jeugdwet bepaalt dat het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te treffen als er voor dezelfde problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling (bijv. Wlz, Zvw, leerlingenvervoer). Begeleiding vanuit de Wmo 2015 geldt niet als
voorliggende voorziening voor jeugdigen. De Jeugdwetgever heeft bepaald dat begeleiding voor jeugdigen tot 18 jaar in beginsel onder de Jeugdwet valt. Twaalfde lid Het uitgangspunt is dat kinderen zoveel mogelijk door ouders of het sociale netwerk zelf worden vervoerd of zelfstandig reizen. Een tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt alleen verstrekt wanneer de eigen mogelijkheden daadwerkelijk ontoereikend zijn en de financiële situatie het vervoer belemmert. Deze tegemoetkoming mag niet leiden tot gederfde inkomsten van ouders wanneer zij het vervoer zelf verzorgen. Bij de beoordeling kijkt het college ook naar de praktische mogelijkheden van ouders, bijvoorbeeld rekening houdend met werk en andere zorgtaken. In artikel 25 is geregeld hoe de hoogte van een pPgb voor de kosten van vervoer wordt bepaald. Het vervoer wordt uitsluitend verstrekt voor het daadwerkelijk brengen en ophalen van de jeugdige naar de jeugdhulpaanbieder. Dit betekent dat per dag maximaal één heenrit en één terugrit voor één meereizende begeleider wordt vergoed. Ritten die ouders maken zonder dat de jeugdige meerijdt, zoals terugrijden na het brengen of heenrijden voorafgaand aan het ophalen, vallen niet onder Jeugdwetvervoer en worden niet vergoed. Alleen de jeugdige is doelgroep; ouders kunnen op grond van de Jeugdwet geen afzonderlijke vervoersvoorziening ontvangen.
Dertiende lid Het college kan een vergoeding verstrekken voor een alternatieve vervoersvoorziening als deze past bij de jeugdige en niet duurder is dan het openbaar vervoer. Het gaat daarbij niet alleen om bestaande opties zoals een (elektrische) fiets. Ook nieuwe of gezamenlijke initiatieven kunnen in aanmerking komen, bijvoorbeeld wanneer ouders gezamenlijk een bus organiseren of een andere alternatieve oplossing realiseren. Hiermee blijft ruimte voor maatwerk en innovatie, zodat vervoer veilig, praktisch en passend kan worden uitgevoerd. Daarnaast moet het wel om passend vervoer gaan. Dat betekent bijvoorbeeld: • dat de jeugdige het vervoermiddel veilig moet kunnen besturen (hij moet verkeersveilig zijn); • dat de jeugdige geen begeleider nodig heeft tijdens het vervoer; • dat de jeugdige de jeugdhulpaanbieder kan bereiken met het alternatieve vervoermiddel (de afstand mag niet te groot zijn voor de leerling, er moet een fietspad zijn). Veertiende lid Het doel van de vervoerstraining is om de jeugdige in staat te stellen alsnog zelfstandig te reizen, waarbij de jeugdige niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen.
Als dat niet mogelijk is, wordt de jeugdige door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo zelfstandig mogelijk reizen, waardoor gebruik kan worden gemaakt van een goedkopere vervoersvoorziening en de jeugdige niet langer afhankelijk is van een begeleider die meereist. Vijftiende lid Om het vervoer efficiënter en goedkoper te maken, kan het college opstapplaatsen aanwijzen. Jeugdigen worden dan niet thuis opgehaald, maar gaan - eventueel onder begeleiding - naar de aangewezen plek, waar de taxi of bus hen ophaalt. Zestiende lid De aan te wijzen opstapplaats moet op een veilige en beschutte plek zijn. Het feit dat de opstapplaats aan een drukke verkeersweg ligt, is op zichzelf niet voldoende om de locatie als onvoldoende veilig te beoordelen. Van ouders mag in dergelijke situaties verwacht worden dat zij voor begeleiding zorgen tot ten minste het moment dat hun kind is ingestapt. De opstapplaats moet ook binnen een redelijke afstand van de woning van de jeugdige liggen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Een reistijd van niet meer dan 15vijftien minuten is in ieder geval redelijk. Zeventiende lid
Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de jeugdige naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Nu van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is. Eenentwintigste lid Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame jeugdige zijn verplicht informatie met betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame jeugdige iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit. Beëindigen Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze voorziening te beëindigen.
Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening. Opschorten Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek. Herzien Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen. Intrekken Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken.
Overig Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een jeugdige de toegang tot de vervoersvoorziening tijdelijk of voor de rest van de beschikkingsperiode ontzeggen, als bij herhaling is gebleken dat de jeugdige door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn als de zorgvraag van de jeugdige dermate hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan worden gevergd. Artikel 16 Dyslexie Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de Jeugdwet valt, met dien verstande dat de Jeugdwetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zvworgverzekeringswet naar de Jeugdwet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college, op grond van artikel 2.3, van de Jeugdwet, enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot
dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Artikel 17 Vaktherapie De Jeugdwet sluit niet uit dat vaktherapie, als het passend is, ingezet wordt als jeugdhulp. De Jeugdwet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, dient de gemeente zich te baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren. Eerste lid Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet Jeugdwetenschappelijk is aangetoond. Die therapieën worden meestal ook niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de Jeugdwet wordt verstrekt, tenzij er geen passend alternatief beschikbaar is. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Derde tot en met vijfde lid Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijnde aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld.