CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

NIEUW Verordening Jeugdhulp Leidschendam- Voorburg 2026 Wijzigingen Bijhouden

Commissie Samenleving 22 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen verordening jeugdhulp37.500 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

als overbelasting van de netwerkpersoon te verwachten is, waardoor duurzame inzet en kwaliteit niet zijn te waarborgen. 6. De hoogte van het pgb voor niet-professionele jeugdhulp bij kortdurend verblijf en dagbesteding wordt per individuele situatie vastgesteld op basis van het daarvoor geldende tarief als bedoeld in het derde lid. Hierbij wordt uitgegaan van het aantal uren individuele begeleiding en/of persoonlijke verzorging dat per etmaal kortdurend verblijf of per dagdeel dagbesteding noodzakelijk is. 7. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a. de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages de verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en b. het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 8.

Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of de ouder(s) ingediende pgb- budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 9. Bij jeugdhulp die wordt verleend op basis van een verklaring als bedoeld in artikel 8ab, lid 1, van de Regeling Jeugdwet, bedraagt het pgb: a. maximaal € 141 per kalendermaand, tenzij op basis van het pgb-plan kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming; en/of b. een tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten. De hoogte van deze tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst, waar mogelijk gebaseerd op richtbedragen van het Nibud. 10. De verklaring zoals genoemd in lid 8 wordt opgesteld volgens het door de SVB vastgestelde model en moet worden goedgekeurd door het college. Het college geeft goedkeuring alleen als de verklaring voldoet aan de eisen in artikel 8ab, derde lid, van de Regeling Jeugdwet. 11. Wijzigingen in een goedgekeurde verklaring, zoals genoemd in lid 9, worden direct aan de SVB doorgegeven met het daarvoor beschikbare modelformulier. 12. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. 13.

Het college kent geen verantwoordingsvrij bedrag (een klein bedrag waarover geen verantwoording hoeft te worden afgelegd) toe vanuit het pgb.

14. Voor vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, door ouder(s) en personen uit het sociaal netwerk-informeel vervoer-, geldt het bedrag volgens het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst. 15. Voor vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden door een formele vervoerderformeel vervoer- geldt dat het tarief maximaal de kostprijs per kilometer is van de goedkoopste adequate vervoersvoorziening in natura. 16. De in het veertiende lid genoemde tarief is uitgedrukt in het prijspeil van 2026 en wordt ieder opvolgend kalenderjaar geïndexeerd op basis van de NEA- index. 17. Het tarief voor ernstige dyslexiezorg zoals genoemd in artikel 16 bedraagt maximaal: a. 90% van de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopste en meest adequate en passende voorziening in natura; b. 75% van de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst en meest adequate en passende voorziening in natura bij een zelfstandige zonder personeel. 18. Het college publiceert op de volgende website de tarieven die aan de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders worden betaald: www.jeugdhulphaaglanden.nl. 19. De jeugdige of de ouder(s) kunnen ervoor kiezen het pgb te besteden aan een duurdere voorziening dan bedoeld in het eerste lid bedoelde voorziening in natura.

De meerkosten komen volledig voor rekening van de jeugdige of de ouder(s)’, volgens artikel 8.1.1, vierde lid, Jeugdwet. 20. Als de gemeente geen passend aanbod in zorg in natura (ZIN) kan bieden en de noodzakelijke jeugdhulp alleen tegen een hoger tarief beschikbaar is, wordt het pgb vastgesteld op het volledige tarief 21. Als de jeugdige of de ouder(s) gebruikmaken van het negentiende lid, blijven alle op het pgb van toepassing zijn de wettelijke en gemeentelijke voorwaarden onverkort gelden. 22. Het college kan het pgb weigeren voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dan de kosten van de in het eerste lid bedoelde voorziening in natura, volgens artikel 8.1.1, vierde lid, Jeugdwet. Artikel 26 Uitgesloten van pgb 1. De volgende activiteiten en kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; f. kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (spoedeisende/ crisishulp); g. kosten voor een aanvraag van een VOGerklaring Omtrent het Gedrag; h. contributie voor lidmaatschappen; i.

het volgen van cursussen over het pgb; j. informatiemateriaal; k. kosten van een individuele voorziening, die betrekking heeft op een periode voorafgaande aan de melding van de hulpvraag dan wel aan de aanvraag; l. als de ouder(s) dan wel personen uit het sociaal netwerk overbelast zijn of dreigen te geraken worden kosten of activiteiten niet vergoed; m. reiskosten van het vervoer van de budgethouder aan wie het pgb wordt besteed en de zorgverlener, tenzij in de beschikking anders is bepaald; n. kosten voor feestdagenuitkering aan de zorgverlener; o. eenmalige uitkering aan de zorgverlener; p. bBijkomende kosten voor de zorgverlener, zoals een cursus, maaltijden en consumpties bij overwerk; q. vast bedrag per periode voor zorgverlener.

HOOFDSTUK 7 AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 27 Voorliggende voorzieningen 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de WlzJeugdwet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet (Zvw); b. naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening voor begeleiding zoals bedoeld in artikel 1.1.1, van de JeugdWmowet maatschappelijke ondersteuning 2015; of c. gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de WlzJeugdwet langdurige zorg en de jeugdige of de ouder(s) weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de WlzJeugdwet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zvworgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. 3.

De jeugdige of de ouder(s) die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde Jeugdwetten kan worden behandeld. 4. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar WlzJeugdwet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld. Artikel 28 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. de Leerplichtwet; b. de Participatiewet; c. de WJeugdwet gemeentelijke schuldhulpverlening; d. de WJeugdwet Inburgering 2021; e. de WJeugdwet kinderopvang; f. de WlzJeugdwet langdurige zorg; g. de WmoJeugdwet maatschappelijke ondersteuning 2015; h. de WJeugdwet passend onderwijs; i. de WJeugdwet publieke gezondheid; j. de WJeugdwet tijdelijk huisverbod; k. de WJeugdwet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en l. de Zvworgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en de ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a.

het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder(s) of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder(s), voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder(s); b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder(s) zoals bedoeld in artikel 14 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4. Als een jeugdige of ouder(s) weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5. Als een jeugdige van zestien 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het 18de levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: a. voor het 18e levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het 18e jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6. Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de 18e verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wmo 2015Jeugdwet maatschappelijke ondersteuning, WlzJeugdwet langdurige zorg, of de Zvworgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het 18e levensjaar wordt ingezet. Artikel 29 Afstemming Zvworgverzekeringswet en Jeugdwet Langdurige ZorgWlz 1.

In artikel 7 (toegang jeugdhulp via het medisch domein) is de mogelijkheid opgenomen dat jeugdigen en/of ouders via het medisch domein een verwijzing voor jeugdhulp kunnen ontvangen. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en met de zorgverzekeraars, over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. 2. De inzet van zorg voor een jeugdige die 18 jaar wordt, kan wijzigen. Als het gaat om zorg die vanaf het 18e jaar onder de Zvworgverzekeringswet valt, zorgt het college in samenwerking met de zorgverzekeraars voor een soepele overgang. Het college doet dit door afspraken te maken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De afspraken gaan over hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zvworgverzekeringswet of WlzJeugdwet langdurige zorg komen te vallen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader. 3. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de WlzJeugdwet langdurige zorg. 4.

Als een aanvraag voor een indicatie op grond van de Wlzet langdurige zorg (Wlz) wordt afgewezen, draagt het college zorg voor een zorgvuldige beoordeling van de afwijzing, wijst het de jeugdige of diens ouder(s) op de mogelijkheden voor bezwaar en biedt het waar nodig onafhankelijke cliëntondersteuning. Het college kan, als de complexiteit van de situatie daartoe aanleiding geeft, in overleg treden met het CIZ. Artikel 30 Afstemming met gecertificeerde instellingen 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening en de gecertificeerde instellingen. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over: a. het overleg over de jeugdhulp die nodig is als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering aan de jeugdige is opgelegd, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet; b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt; d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en/of ouder(s); e.

hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden;

f.

de rol en verantwoordelijkheden van de gecertificeerde instelling bij de voorbereiding en overdracht rond de overgang van de jeugdige naar 18 jaar, waaronder het tijdig signaleren van de behoefte aan voortzetting van jeugdhulp, het adviseren over verlengde jeugdhulp en het afstemmen met het college en betrokken aanbieders. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de hier bovengenoemde afspraken vast in een protocol (artikel 3.5 lid 3 lid van de Jeugdwet). Artikel 31 Afstemming justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de- inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet. 2. Het college en de betrokken gecertificeerde instellingen nemen de afspraken op in het protocol zoals bedoeld in artikel 30 lid 3 van deze verordening. Het college en de Raad voor de Kinderbescherming leggen de manier van samenwerken en de gemaakte afspraken vast in het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de Jeugdwet. Artikel 32 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1.

Het college maakt met het bevoegd gezag van scholen en instellingen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, Jeugdwet afspraken over de wijze waarop de toegang van de gemeente bereikbaar is voor overleg bij het treffen van individuele voorzieningen voor jeugdigen die bij deze scholen en instellingen staan ingeschreven. 2. Het college kan daarnaast met organisaties voor kinderopvang, waaronder buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen, afspraken maken over signalering en toeleiding naar de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp. Deze organisaties worden niet aangemerkt als scholen of instellingen als bedoeld in de in het eerste lid genoemde onderwijswetten. 3. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste en tweede lid bedoelde afspraken en de werkzaamheden van de leerplichtambtenaren als bedoeld in artikel 16 van de Leerplichtwet 1969, zodat de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van de gemeente goed op elkaar aansluiten. 4. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken voor een jeugdige worden vastgelegd in de beschikking van de jeugdige. Artikel 33 Afstemming met Veilig Thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen. Artikel 34 Afstemming maatschappelijke ondersteuning 1.

Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen en/of ouder(s) op grond van de Wmowet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). 2. Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg als de jeugdige 18 jaar wordt en de zorg na het 18e jaar onder de Wmo 2015 valt. Artikel 35 Afstemming werk en inkomen Het college draagt zorg dat de toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Als het nodig is zorgt het college ervoor dat jeugdigen en/of ouder(s) de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen om deze belemmeringen weg te nemen, zoals schuldhulp- verlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen. Artikel 36 Overgang 18 - naar 18 +

1. Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is. 2. De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het zestiende 16e jaar een ‘perspectiefplan’ op waarin onder meer staat: a. welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; b. hoe en vanuit welke wet (Wmo 2015, WlzLZ of de Zvworgverzekeringswet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet. 3. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin, de eventueel betrokken gecertificeerde instelling en het college bij (het opstellen van) het perspectiefplan. Artikel 37 Verlengde jeugdhulp (18 tot 23 jaar) 1. Verlengde jeugdhulp is jeugdhulp aan een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die niet op grond van een andere wet, waaronder in ieder geval de Wmoet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Zvworgverzekeringswet of de Wlzet langdurige zorg, wordt verstrektrecht heeft op een andere voorziening. 2. Het college kan uitsluitend verlengde jeugdhulp verlenen in de volgende gevallen: a. de jeugdige ontving voor de 18e verjaardag jeugdhulp en het college oordeelt dat deze jeugdhulp na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar moet worden voortgezet; b.

het college heeft vóór de 18e verjaardag van de jeugdige beslist dat jeugdhulp na de 18e verjaardag noodzakelijk is; c. de jeugdhulp die vóór de 18e verjaardag is aangevangen, is beëindigd en het college beslist binnen zes 6 maanden na beëindiging dat dezelfde jeugdhulp opnieuw noodzakelijk is. 3. Bij de beoordeling van verlengde jeugdhulp draagt het college zorg voor afstemming met (potentiële) voorzieningen op grond van de Wmoet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Zvworgverzekeringswet en de Wlzet langdurige zorg, zodat geen dubbele of tegenstrijdige voorzieningen worden verstrekt.

HOOFDSTUK 8 HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel 38 Inlichtingen 1. Het college informeert de jeugdige of de ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. 2. Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet doen de jeugdige of de ouder(s) aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijnde tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Artikel 39 Medewerkingsplicht 1. De jeugdige en de ouder(s) zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over (een doelmatige) inzet van jeugdhulp of het pgb. 2.

Als de jeugdige of de ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. 3. Als de jeugdige of de ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken) en er aanwijzingen zijn dat sprake is van een (dreigende) onveilige situatie voor de jeugdige, beoordeelt het college de veiligheid van de jeugdige en treft het, voor zover dat tot zijn verantwoordelijkheid behoort, passende maatregelen of schakelt daartoe de daartoe bevoegde instanties in.

Artikel 40 Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering 1. Dit artikel strekt tot uitwerking van artikel 8.1.4 Jeugdwet voor besluiten over een pgbersoonsgebonden budget en bevat daarnaast door de gemeenteraad vastgestelde aanvullende regels voor besluiten over individuele voorzieningen in natura. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.4 Jeugdwet kan het college een beslissing over een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken indien het college vaststelt dat: a. de jeugdige of de ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of de ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; bijvoorbeeld in geval van overlijden; c. de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of de ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die, bij of krachtens deze verordening, door de gemeenteraad aan de individuele voorziening in natura of het pgb zijn verbonden; e. de jeugdige of de ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; 3.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen vier 4 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Een beslissing tot toekenning van een individuele voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of de ouder(s) zich niet binnen vier 4 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. 5. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het eerste lid onder a, dan kan het college de geldschade terugvorderen van het te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of pgb. 6. Als het college een beslissing op grond van het eerste lid, onder a, heeft ingetrokken of herzien wegens onjuiste en/ of onvolledige gegevens, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 7. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met e, de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien 13 weken. 8.

Het college kan de inzet van een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste dertien 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de individuele jeugdhulpaanbieder niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit de kwaliteitsafspraken zoals opgenomen in deze verordening en/ of in de contracten. 9. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb of de individuele voorziening in natura is opgeschort, voert het college of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit naar het gegronde vermoeden. 10. Wanneer het college op grond van deze verordening een ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten pgbersoonsgebonden budget, of de geldwaarde van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte jeugdhulp in natura, terugvordert, legt het die verplichting tot terugbetaling vast in een besluit. Het college biedt de jeugdige of de ouder(s) in beginsel een betalingstermijn van zes 6 weken en houdt bij de invordering zoveel mogelijk rekening met hun financiële draagkracht. 11. Het college kan bij een besluit tot herziening of intrekking over een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb bepalen dat het besluit in werking treedt op een door het college te bepalen tijdstip, waaronder een datum in het verleden. 12.

Het college maakt slechts gebruik van zijn bevoegdheid tot terugvordering en invordering indien de jeugdige of de ouder(s) redelijkerwijs hadden kunnen begrijpen dat het pgb of de jeugdhulp in natura ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend of ontvangen. 13. De vordering verjaart vijf 5 jaren nadat de in het terugvorderingsbesluit opgenomen betalingstermijn is verstreken. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van terugvordering en invordering.

Artikel 41 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van ten onrechte ontvangen voorzieningen en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. 2. Het college onderzoekt, met inachtneming van de artikelen 6b.1 tot en met 6b.6 zes a en zes b, van de Regeling Jeugdwet, de rechtmatigheid en doelmatigheid van de in natura verstrekte individuele voorzieningen. 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, de recht- en doelmatigheid van pgb’ s. Bij dit onderzoek worden relevante signalen over een jeugdhulpaanbieder of uitvoerder, afkomstig van onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), SVB of het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ), betrokken. 4. De in dit artikel bedoelde onderzoeken worden uitgevoerd met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit als bedoeld in artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 42 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.

Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. 3. Het college controleert periodiek of het pgbersoonsgebonden budget wordt besteed overeenkomstig de voorwaarden zoals vastgesteld in de beschikking. Hiertoe vraagt het college bij de SVB informatie op over de besteding van het pgb. Daarnaast kan het college, los van de SVB, zelfstandig onderzoek doen naar de besteding van het pgb. De budgethouder of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn verplicht mee te werken aan de verantwoording hierover.

HOOFDSTUK 9 REGELING ZAK- EN KLEEDGELD Artikel 43 Zak- en kleedgeld 1. Het college stelt ten behoeve van de jeugdige die ten minste gedurende een maand voltijds verblijft in een accommodatie, waarbij het voor de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige verblijft, blijkt dat het onmogelijk is om zelf van de onderhoudsplichtige ouders een bijdrage voor zak- en kleedgeld te ontvangen, een vervangende bijdrage ter beschikking gelijk aan het bedrag zoals genoemd in bijlage 5a.1 van de Regeling Jeugdwet. De bijdrage wordt uitbetaald aan de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige verblijft, mits de jeugdhulpaanbieder aantoont dat zij zelf voldoende heeft getracht de ouder(s) aan te spreken op hun onderhoudsplicht. 2. Het college maakt met de jeugdhulpaanbieders afspraken over de voorwaarden waarop deze vergoeding wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 10 WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel 44 Verhouding prijs en kwaliteit 1. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door: a. een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of b. een reële prijs vast te stellen.

2. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; c. de voor de sector toepasselijke CAO- schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; d. een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten; e. kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg; f. kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; g. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten (bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten; h. reis- en opleidingskosten; i. kosten van indexering. 3. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren vrij toegankelijke hulp in het kader van jeugdhulp, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b.

de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden, rapportage en administratieve verplichtingen. 4. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het tweede lid.

HOOFDSTUK 11 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 45 Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en hun ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel 46 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt jeugdigen en de ouder(s) van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen (groepsgewijs) kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. De gemeenteraad heeft de uitvoering van het eerste en tweede lid vastgelegd in de Participatieverordening Leidschendam-Voorburg 2023.

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN Artikel 47 Evaluatie Het door het college gevoerde beleid wordt ten minste eenmaal per vier 4 jaar geëvalueerd. Artikel 48 Overgangsrecht, intrekking oude verordening

1. Een jeugdige of dezijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026. 3 Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026, worden behandeld op grond van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst. 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020 te herzien: a. op de gronden, vermeld in de Verordening jeugdhulp gemeente Leidschendam-Voorburg 2015 b. als uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c.

als de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening jeugdhulp Leidschendamjeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden. 6. De Verordening jeugdhulp gemeente Leidschendam-Voorburg 2020 wordt ingetrokken. Artikel 49 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de regels in deze verordening als strikte toepassing hiervan leidt tot ernstige onrechtvaardigheid voor de jeugdige of de ouder(s). Artikel 50 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Leidschendam- Voorburg 2026

Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 juli 2026 van de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg

de griffier, de voorzitter, R.G.R. Jeene, M. Vroom

TOELICHTING ALGEMEEN Bedoeling verordening Met deze verordening verstevigt de gemeente het jeugdbeleid. Uitgangspunten zijn een sterke pedagogische basis, kinderrechten, het gewone leven als vertrekpunt, collectieve oplossingen, het bekijken van hulpvragen vanuit de context van de jeugdige en het werken vanuit vertrouwen. De gemeente sluit aan bij het besef dat het huidige jeugdhulpsysteem onder druk staat: met één op de zeven jeugdigen in de jeugdzorg is het systeem vastgelopen en financieel onhoudbaar. Te vaak wordt jeugdhulp

ingezet voor problemen die thuishoren in opvoeding, onderwijs of de sociale context, waardoor de focus verschuift naar de jeugdige als drager van het probleem. Daarom wordt in gezinnen, scholen, buurten en verenigingen het gewone leven versterkt. Ouders en jeugdigen worden ondersteund om samen ervaringen te delen en oplossingen te vinden. Het doel is dat vragen, onzekerheden en spanningen zoveel mogelijk binnen het normale leven worden opgevangen. Zo worden alledaagse opvoed- en opgroeivraagstukken niet onnodig geproblematiseerd of gemedicaliseerd, en wordt jeugdhulp alleen ingezet waar dit passend en nodig is. Jeugdhulp als aanvullend middel Waar het gewone leven niet voldoende is, maakt de verordening duidelijk wat wel en niet onder jeugdhulp valt. Ook bij een jeugdhulpvraag wordt eerst gekeken wat ouders en jeugdigen zelf kunnen oplossen. Jeugdhulp is aanvullend, nooit vervangend. Als het nodig is wordt hulp tijdelijk en doelgericht ingezet, met als doel dat jeugdigen en gezinnen zo snel mogelijk weer kunnen deelnemen aan het normale leven. Zo blijft capaciteit beschikbaar voor jeugdigen die aantoonbaar baat hebben bij jeugdhulp. Rol van de gemeente De verordening versterkt de sturende rol van de gemeente.

Het college kan voorzieningen periodiek heroverwegen en hanteert duidelijke kaders voor duur, intensiteit en vorm van hulp, zodat jeugdhulp doelgericht en ondersteunend aan het gewone leven blijft. Uitgangspunt blijft dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. De gemeente richt ondersteuning op de context en oorzaken van de hulpvraag en biedt alleen hulp aan de jeugdige wanneer dit passend is. Hulp wordt niet ingezet als de problematiek uitsluitend bij de ouders ligt. Rechten van de jeugdige De verordening beschermt de rechten van de jeugdige door zorgvuldige besluitvorming, duidelijke rechtsbescherming en actieve betrokkenheid. De jeugdige heeft recht op een zorgvuldig onderzoek, een gemotiveerd besluit en vastlegging daarvan in een beschikking, ook bij afwijzing van jeugdhulp. Tegen het besluit van de gemeente kan een belanghebbende eerst bezwaar maken. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hierdoor zijn de rechten op bezwaar en beroep gewaarborgd. De jeugdige wordt zoveel mogelijk betrokken bij plannen zoals perspectiefplannen of familiegroepsplannen, waarbij rekening wordt gehouden met behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren.

Daarnaast heeft de jeugdige recht op passende, noodzakelijke en veilige ondersteuning, privacy, kwalitatief goede hulp, bescherming tegen ongeschikte en mogelijk zelfs schadelijke hulp en continuïteit, ook bij de overgang naar 18 jaar of andere veranderingen in Jeugdwetgeving of zorgdomein. Materiële voorzieningen, zoals zak- en kleedgeld, en toegang tot klachtprocedures zijn eveneens gegarandeerd. Waar de jeugdige een recht heeft, rust op het college op grond van de Jeugdwet de verplichting om dit te realiseren, door de benodigde voorzieningen, samenwerking en ondersteuning te organiseren. Uitzonderingen en hardheidsclausule Met duidelijke regels wordt geprobeerd uitzonderingssituaties zoveel mogelijk te beperken, omdat deze kunnen leiden tot onduidelijkheid, verkeerde interpretaties en nadelige gevolgen voor de jeugdige. Door een hardheidsclausule blijft het echter mogelijk in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels, met behoud van het uitgangspunt dat de jeugdige zoveel mogelijk kan deelnemen aan het normale leven. Samenhang, continuïteit en toekomstgericht werken De verordening benadrukt samenhang tussen onderwijs, gezin en jeugdhulp, tijdige afstemming bij de overgang naar volwassenheid en samenwerking met andere Jeugdwetgeving, zoals de WlzJeugdwet langdurige zorg. Ook bij afwijzing van andere voorzieningen blijft de gemeente actief betrokken.

Met deze verordening kiest de gemeente voor een koerswijziging: vertrouwen waar mogelijk, begrenzing waar nodig en ondersteuning die bijdraagt aan ontwikkeling, veiligheid en participatie. Jeugdhulp is geen vanzelfsprekend recht, maar een tijdelijk en passend middel dat het gewone leven van jeugdigen en gezinnen versterkt. Opbouw van de verordening Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met de algemene bepalingen. In hoofdstuk 2 staan de algemene uitgangspunten. In hoofdstuk 3 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden en met welke partners wordt samengewerkt. Hoofdstuk 4 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 5 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 6 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een pgbersoonsgebonden budget. De hoofdstukken 7 tot en met 12 bevatten overige afstemming, (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings-)plichten en de herziening van besluiten. De opdracht van de Jeugdwetgever: wat moet de Verordening regelen? Sinds 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de Jeugdwet).

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jeugdigen met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de Jeugdwet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jeugdigen, ouder(s) en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet die de gemeenteraad opdraagt om bij de verordening regels vast te stellen over: a. de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een pgbersoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en d. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgbersoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. De verordening bevat ook regels ter waarborging van: a.

een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en b. de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgbersoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Achtergronden De Jeugdwet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de WmoJeugdwet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een

voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouder(s) van bij hun situatie zodat de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt. Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij -toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 5 lid 1 en 2). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of de ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en de ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of de ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door Veilig Thuis. De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of de ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en de ouder(s) wordt uitgevoerd.

Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en de ouder(s) gekeken worden wat de jeugdige en de ouder(s) eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en de ouder(s) doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of de ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd.

In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van de professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Door deze afspraken is het mogelijk toe te zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Ook wordt ingegaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin -1 regisseur- 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar Jeugdweten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 5, derde lid).

De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 7). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de

directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst de kinderrechter gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in het verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren.

De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in het verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Afbakening jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de Jeugdwetgever de Jeugdwet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de Jeugdwet. Als er algemene voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet- algemene toegankelijke voorzieningen.

De verordening voorziet in: - Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket; - Een verbeterde afstemming tussen de Jeugdwet en andere Jeugdwetgeving; - Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouder(s) en het college als verstrekker van individuele voorzieningen; - Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en - Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de Jeugdwet. Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de Jeugdwet. ARTIKELSGEWIJS In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet (allemaal) nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’ en ‘jeugdige’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en jeugdhulp overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt.

In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: ‘1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouder(s) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van 18 jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’. In artikel 1.1. van de Jeugdwet is jeugdige als volgt gedefinieerd: ‘persoon die: 1°. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; 2°.

de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Jeugdwetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Jeugdwetboek van Strafrecht; 3°. de leeftijd van 18 jaar doch niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt voor zover de te verlenen jeugdhulp uit pleegzorg bestaat, indien: – de pleegzorg was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, of – de pleegzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat, of 4°. onverminderd onderdeel 3°, de leeftijd van 18 jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze Jeugdwet: – is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1° van de begripsbepaling van jeugdhulp, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, noodzakelijk is; – vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of – is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is’.

Ook de Algemene Jeugdwet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang de, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb). ‘Algemene voorziening’. De Jeugdwet kent geen definitie van een ‘algemene voorziening’. In artikel 2.9 van de Jeugdwet wordt wel de term ‘overige voorziening’ gebruikt, maar deze term wordt niet bij de begripsbepalingen gedefinieerd. De Wmo kent hier wel een definitie van (in artikel 1.1.1 Wmo 2015). Om aan te sluiten bij de terminologie van de Wmo wordt in deze verordening daarom de term ‘algemene voorziening’ gehanteerd. ‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp de opgenomen in artikel 2 (individuele voorzieningen en algemene voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 6 en verder.

‘iJw’: is in de Regeling Jeugdwet gedefinieerd als de ‘door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de Jeugdwet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties’. De iJw is de iStandaard om cliënten in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Het doel is een snelle en efficiënte inzet van zorg ondersteunen en bijdragen aan een afname van administratieve lasten. Daarnaast moet iJw een betrouwbare en duurzame bron van informatie zijn over de Jeugdwet-zorg (https://www.istandaarden.nl/ijw). ‘Pgb’: De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘pgbersoonsgebonden budget’.

HOOFDSTUK 2 ALGEMENE UITGANGSPUNTEN Artikel 3 Geen voorziening op grond van de Jeugdwet Eerste en tweede lid Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet is het college niet verplicht een voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of recht op zorg als bedoeld bij of krachtens een zorgverzekering als bedoel in de Zvworgverzekeringswet. Het college is ook niet verplicht een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening voor begeleiding zoals bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze Jeugdwetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, of recht op zorg als bedoeld bij of krachtens een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet.

Uit de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127). Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de Jeugdwet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt. Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of de ouder(s) naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen. Uit jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 21 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5828), volgt dat vormen van ondersteuning zoals osteopathie, reflexintegratietherapie of vergelijkbare behandelingen die uitsluitend onder een aanvullende zorgverzekering vallen, niet op voorhand zijn uitgesloten van de Jeugdwet.

Wanneer een behandeling niet valt onder het basispakket van de Zvworgverzekeringswet, maar uitsluitend onder een aanvullende verzekering, is de Zvworgverzekeringswet niet zonder meer voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent echter niet dat deze zorg automatisch voor vergoeding vanuit de Jeugdwet in aanmerking komt. Ook in die situaties gelden onverkort de voorwaarden uit deze verordening. Dat houdt in dat:

– eerst moet zijn vastgesteld dat sprake is van een jeugdhulpvraag, zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening; – het probleemoplossend vermogen van ouders wordt betrokken, waaronder het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als deze beschikbaar is, zoals bedoeld in artikel 15; – het ontbreken van (voldoende) vergoeding vanuit een aanvullende verzekering op zichzelf geen recht geeft op jeugdhulp. Vierde lid Dit artikel verduidelijkt de afbakening van de Jeugdwet. Het uitgangspunt is dat een individuele voorziening op grond van deze verordening alleen wordt ingezet wanneer sprake is van een daadwerkelijke ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige of een hulpvraag die daar direct op ziet. Wanneer de ondersteuningsbehoefte primair voortkomt uit maatschappelijke problemen of eigen psychische of relationele problematiek van ouders, valt dit in beginsel onder andere wettelijke kaders, zoals de Wmo 2015, participatievoorzieningen of de volwassen-GGZ. Voorbeelden zijn armoede, schulden, huisvestingsproblemen, relationele spanningen of psychische klachten van ouders, zonder dat sprake is van een concrete bedreiging van de ontwikkeling en/ of veiligheid van het kind. Jeugdhulp is niet bedoeld als oplossing voor dergelijke problematiek op zichzelf.

Pas wanneer deze omstandigheden leiden tot een zodanige situatie dat de ontwikkeling van de jeugdige daadwerkelijk in het geding is en er een zelfstandige hulpvraag ontstaat als bedoeld in deze verordening, kan een individuele voorziening aan de orde zijn. Hiermee wordt de reikwijdte van de Jeugdwet zorgvuldig afgebakend en wordt ingezet op passende ondersteuning via het juiste wettelijke kader. Zesde lid Begeleiding bij maatschappelijke activiteiten, waaronder bijvoorbeeld sportactiviteiten, wordt in beginsel niet aangemerkt als jeugdhulp. Alleen wanneer een kind vanwege een beperking of andere problematiek specifieke ondersteuning nodig heeft, kan sprake zijn van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Daarbij moet zijn onderzocht en vastgesteld dat er een jeugdhulpbehoefte bestaat en dat het kind zonder deze ondersteuning niet kan participeren. In die gevallen kan extra begeleiding bij een sportactiviteit, inclusief zwemles, als jeugdhulp worden ingezet. Het gaat dan om een voorziening die tijdelijk van aard is en gericht is op het vergroten van participatie en zelfredzaamheid van het kind. Altijd wordt samen met de jeugdige en ouder(s) eerst gekeken naar een passend alternatief binnen eigen kracht en algemene voorzieningen. Cliëntondersteuning kan hierbij van dienst zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=16a9fb8a-2f6d-4990-a9c8-49ce845bebc4