CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1947-13 Toelichting bestemmingsplan Schakenbosch

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: vaststellen bestemmingsplan "Schakenbosch" (1947).29.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voor onderhavige ontwikkeling zijn de relevante voorwaarden samengevat: Tot het vaststellen van een hogere waarde kan alleen worden besloten als vaststaat dat de toepassing van geluidbeperkende maatregelen om alsnog aan de voorkeurswaarde te voldoen onvoldoende doeltreffend zullen zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiele aard (art. 110a, lid 5 Wgh); Een hogere waarden kan alleen worden vastgesteld als wordt gegarandeerd dat zal worden voldaan aan de wettelijk vereiste binnenwaarden. Deze bedraagt 33 dB bij wegverkeers- en spoorweglawaai; Bij het ontwerp van een woning dient rekening te worden gehouden met een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. Dit is een gevel c.q. buitenruimte waar de geluidbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeurswaarde;

46

Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur dienen in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de beoordeling van de ruimtelijke planvorming te worden betrokken. De gemeente stelt voor deze wegen dezelfde voorwaarden als voor zoneplichtige wegen. In geval van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dient onderzocht te worden of er maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting op de gevels van de woningen te verminderen. Dit kan gebeuren door wijzigingen in de stedenbouwkundige opzet of het treffen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen. Gelet op de relatief geringe overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde, de huidige bebouwingsituatie en de stedenbouwkundige opzet die in lijn is met het vastgestelde Ruimtelijk Kader, is verder van de geluidbronnen afbouwen niet noodzakelijk. Het treffen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen is verder ook niet doelmatig. Op basis van het uitgevoerde akoestische onderzoek is gebleken dat alle woningen zullen beschikken over een zogenaamde geluidluwe gevel waardoor een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. Voor een verdere onderbouwing, ook ten aanzien van de overige voorwaarden in het geluidbeleid, wordt verwezen naar de rapportage van het akoestisch onderzoek die als bijlage 6 is bijgevoegd.

In het akoestisch onderzoek is ook aandacht besteed aan de geluidseffecten op bestaande woningen in de omgeving van het plangebied vanwege de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien hiervan is gebleken dat het (extra) verkeer niet leidt tot een onaanvaardbare geluidtoename c.q. onaanvaardbare geluidbelasting bij de bestaande woningen langs de Veursestraatweg. Gesteld kan worden er geen sprake is van strijdigheid aan een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege het plan. 5.4.3

Conclusie

Op basis van uitgevoerd akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat, na verlening van de benodigde hogere waarden, voldaan wordt aan de Wet geluidhinder. Daarnaast wordt ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet zorgt voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande woningen in de omgeving van het plangebied. Op 13 november 2019 heeft het college van Burgemeester en Wethouders een (ontwerp) hogere waardenbesluiten genomen. Nadien is gebleken dat in het akoestisch onderzoek de geluidbelasting op het deelgebied Duivenhof niet was berekend. Deze omissie is in het geactualiseerde akoestisch onderzoek gerepareerd. Aangezien de geluidbelasting ter plaatse van het deelgebied Duivenhof de voorkeursgrenswaarde vanwege de Veursestraatweg wordt overschreden, is het hogere waarden besluit aangepast. Het besluit hogere waarden Wet geluidhinder is als bijlage 7 bijgevoegd.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Inleiding

De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

47

een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 5.5.2

Beoordeling plangebied

In het plangebied worden 325 grondgebonden woningen en appartementen gerealiseerd en kleinschalige maatschappelijke en horecafuncties. Dit betekent dat het onderhavige plan ruim past binnen de kaders van het besluit 'niet in de betekenende mate'. Geconcludeerd kan worden dat onderhavige plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed 'woon- en leefklimaat' ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit van het plangebied is opgenomen in de Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveaus. Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde ter plaatse van het plangebied ver onder de grenswaarde van 40µg/m³ ligt. In 2016 bedroeg de achtergrondbelasting respectievelijk 24 µg/m³ en 19 µg/m³.

Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³. Verkeer is een grote bron van fijnstof en stikstofdioxide uitstoot. Het plangebied is gelegen aan de Veursestraatweg, een belangrijke ontsluitingsweg van Leidschendam. Deze weg is opgenomen in de NSL-monitoringstool. In deze tool is een inschatting geven van wat de achtergrondbelasting van NO2, PM10 en PM2,5 in 2020 en 2030 bedraagt ter hoogte van de Veursestraatweg. In 2020 bedraagt de achtergrondbelasting respectievelijk 21,3 µg/m³ (NO2),18,6 µg/m³ (PM10) en 10,8 µg/m³ (PM2,5). In 2030 bedraagt de achtergrondbelasting respectievelijk 13,2 µg/m³ (NO2), 15,9 µg/m³ (PM10) en 8,6 µg/m³ (PM2,5). Hiermee wordt in de toekomst, wanneer onderhavig plan gerealiseerd is, ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³ (voor NO2 en PM10) en 20 µg/m³ (voor PM2,5) 5.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het uitvoeren van onderhavige plan.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

5.6.1

Inleiding

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en

48

milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd.

In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). 5.6.2

Beoordeling plangebied

De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen, maatschappelijke voorzieningen en landelijk gebied. Het plangebied en de omgeving kan worden gekenmerkt als 'rustige woonwijk/buitengebied'. Onderhavig plan wordt niet gekenmerkt als een milieubelastende activiteit. Naast wonen is er een mogelijkheid om er kleinschalige maatschappelijke, bedrijf- en horecafuncties in het plangebied te vestigen. Deze functies zijn goed verenigbaar met wonen en vormen daarmee geen belemmering voor het wonen in het plangebied. Het onderhavige plan vormt daarmee ook geen mogelijk hinder op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Wel wordt het onderhavige plan gekenmerkt als een milieuhinder gevoelige bestemming. Dit betekent dat onderhavig plan kan worden belemmerd door mogelijke hinder van milieubelastende bestemmingen in de direct omgeving van het plangebied. Onderhavig plan als milieuhinder gevoelige functie Het gebied ten zuidwesten van het plangebied kenmerkt zich door woningbouw en aan de Frekeweg 4 is een autobedrijf gevestigd. Dit autobedrijf heeft een milieucategorie 2 en binnen het vigerende bestemmingsplan is tevens op dit adres een bedrijf met een milieucategorie 2 toegestaan. De richtafstand bedraagt 30 meter en valt buiten het plangebied. Aan de overzijde van de Veursestraatweg bevinden zich woningen en enkele bedrijven welke verenigbaar zijn met woningen.

Achter deze woningen, op het bedrijventerrein aan de Parnashofweg, zijn nog een aantal grotere bedrijven gevestigd. Deze bedrijven zijn op meer dan 100 meter vanaf de eerste woningbouw in het plangebied gelegen. Echter het bedrijventerrein aan de Parnashofweg wordt op korte termijn getransformeerd tot woongebied en vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan. Het gebied ten noordoosten van het plangebied kenmerkt zich door agrarisch gebied met woningen en glastuinbouw. Het dichtstbijzijnde erf met een woning en kassen (Lijtweg 8) bevindt zich op 30 meter vanaf het plangebied. Dit bedrijf is al enige tijd niet meer actief en sinds 2007 ook niet meer positief bestemd als agrarisch (tuinbouw)bedrijf. Alle bedrijven in de omgeving vormen geen hinder voor het onderhavige plan.

49

5.6.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.7

Flora en Fauna

5.7.1

Inleiding

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantingsof rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in Provinciale Verordening Ruimte 2014. 5.7.2

Beoordeling plangebied

Ten behoeve van het onderhavige plan zijn verschillende onderzoeken, quickscan en aanvullende onderzoeken, uitgevoerd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de conclusies opgenomen. De gehele rapportages zijn in de bijlage opgenomen. 5.7.2.1 Soortenbescherming Vleermuizen Op basis van de uitgevoerde quickscan konden binnen het plangebied beschermde vaste rustof verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes niet uitgesloten worden. Door de

50

voorgenomen sloop/renovatie zal mogelijk sprake zijn van een verlies van een verblijffunctie. Gelet hierop heeft er volgend op de quickscan aanvullend vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat binnen het projectgebied 17 verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Het betreft een kraamverblijf, zeven zomerverblijven en negen paarverblijven. Deze verblijfplaatsen kunnen ook door de gewone dwergvleermuis worden gebruikt als winterverblijf. Daarnaast maakt de gewone dwergvleermuis gebruik van het projectgebied als baltsterritorium en foerageergebied. Hiermee is het projectgebied van belang voor de gewone dwergvleermuis. Voor de overige aangetroffen vleermuizen is het projectgebied van gering belang. Deze hebben geen verblijfplaatsen in het projectgebied, zijn slechts incidenteel waargenomen en toonden geen binding met het projectgebied. Op 6 maart 2018 is de eerste ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. De aanvraag heeft betrekking op fase 1. De werkzaamheden betreffen het (deels) renoveren en (deels) slopen van gebouwencomplexen, het gaat specifiek om de complexen 'Vlietzicht', 'Duivenhof' en 'Kerkgebouw'. Voor de werkzaamheden in fase 1 worden geen bomen of struiken gerooid. De ontheffing is verleend op 18 oktober 2018 door de omgevingsdienst Haaglanden.

De verleende ontheffing (de looptijd van deze ontheffing is ondertussen verlengd) is als bijlage 10 opgenomen. Voor de vervolgfase dient nog een ontheffing aangevraagd te worden. Vooruitlopend op een ontheffingsaanvraag voor de aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in het Hoofd- en Economiegebouw zijn er in juli 2019 zes tijdelijke kraamkasten geplaatst verspreid over het plangebied (stookgebouw, voor het hoofdgebouw en aan het kantoorgebouw). Grondgebonden zoogdieren Eekhoorn Voorafgaand aan de kap van bomen is er door een ter zake kundige een controle uitgevoerd op eventueel aanwezige nesten. Nesten van de eekhoorn zijn hierbij niet aangetroffen. Broedvogels Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Jaarrond beschermde nestlocaties van vogels binnen het plangebied zijn niet uit te sluiten in het plangebied. Voorafgaand aan de kap van bomen heeft een inventarisatie van de bomen op nesten en holtes plaatsgevonden. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen. Niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5 en overige soorten) Algemene broedvogels zoals houtduif, ekster, ijsvogel en merel kunnen tot broeden komen binnen het plangebied in de bomen of struiken. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Er wordt geen standaardperiode voor het broedseizoen gehanteerd; ongeacht het seizoen mogen nesten van vogels die in gebruik zijn, niet worden aangetast of verstoord. Het broedseizoen loopt van globaal medio maart – augustus, maar is afhankelijk van de betreffende soort en buitentemperatuur. Het bouwrijp maken van het terrein dient buiten het broedseizoen te gebeuren, tenzij voor het broedseizoen maatregelen genomen worden om het terrein broed vrij te houden. 5.7.2.1.1

Conclusie soortenbescherming

Op basis van de uitgevoerde ecologische onderzoeken is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk nadelige effecten heeft voor vleermuizen. Voor fase 1 van de geplande werkzaamheden is door het bevoegd gezag reeds een ontheffing verleend. Voor vervolgfases dient nog een ontheffing aangevraagd te worden. In een oplegnotitie (zie bijlage 14) zijn de verschillende uitgevoerde ecologische onderzoeken samengevat.

51

5.7.2.2 Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in een gebied dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor het NNN is geen externe werking van toepassing binnen de provincie Zuid-Holland. Gezien het plangebied niet binnen de grenzen van de NNN valt, zijn aanvullende toetsingen aan de kernkwaliteiten van het NNN niet noodzakelijk. Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkheide op circa 4 km afstand. Door de beperkte impact van de voorgenomen ontwikkelingen en de afstand van circa 4 kilometer tot Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide worden directe effecten uitgesloten. Indirecte effecten van de werkzaamheden op Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide worden niet verwacht op basis van de afstand, tussenliggende elementen en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling. Vanwege de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 dient ook voor gebiedsontwikkelingen op enige afstand tot Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie middels een AERIUS-berekening aangetoond te worden. Uit het door Aveco de Bondt uitgevoerde onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie onder de thans geldende norm van 0,00 mol/ha/j. blijft.

De berekende stikstofdepositie leidt derhalve niet tot verlies aan kwaliteit van de Natura 2000 gebieden. Het onderzoek is als bijlage 15 bij de toelichting toegevoegd. In dit onderzoek is ingegaan op de stikstofdepositie vanwege de gebruiksfase. Daarnaast is tevens de stikstofdepositie vanwege de realisatiefase (inclusief het bouw- en woonrijpmaken) berekend. Hieruit is gebleken dat ook de stikstofdepositie vanwege de realisatiefase voldoet aan de geldende normen. Het onderzoek naar de realisatiefase is als bijlage 16 bijgevoegd. Het onderhavige plan leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 5.7.2.2.1

Conclusie gebiedsbescherming

Doordat het plangebied is gelegen op een grote afstand van het Natura 2000-gebied, worden directe en indirecte effecten uitgesloten. Het plangebied ligt buiten de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland. Nadere toetsingen aan de instandhoudingsdoelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde gebieden zijn niet noodzakelijk.

5.8

Externe Veiligheid

5.8.1

Inleiding

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse weten regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt

52

door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingcriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron. Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit (bijv. ruimtelijk besluit of milieuvergunningsbesluit). Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging.

Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. 5.8.2

Beoordeling plangebied

Voor het in beeld brengen van de externe veiligheid in en in de omgeving van het plangebied is de risicokaart geraadpleegd.

Afbeelding 5.1: uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: risicokaart.nl) Risicovolle bronnen Transport van gevaarlijk e stoffen over de weg Op ruim 1 km vanaf het plangebied is de rijksweg A4 gelegen. Voor de A4 geldt op basis van de regeling Basisnet een plaatsgebonden risicocontour met een kans van 10-6 per jaar. Het plangebied valt niet binnen de 10-6 contour van deze weg. Gezien de afstand van deze risicobron tot het plangebied wordt er geen toename van het groepsrisico verwacht. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 200 meter zone waarin het Groepsrisico verantwoord moet worden bij een bestemmingsplan en het ligt ook niet binnen de 355 meter zone inzake een incident met LPG-transport. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied (4.000 meter) voor het incident met toxische stoffen. De kans op een dergelijk incident is zeer klein. Gelet op de ligging binnen het

53

invloedsgebied adviseert de Veiligheidsregio bij de planuitwerking rekening te houden met: Geadviseerd wordt om bij gebouwen een voorziening te plaatsen zodat ventilatie met een eenvoudige handeling uitgeschakeld kan worden; Geadviseerd wordt om het personeel, de BHV-organisatie en/of de begeleiding van groepen personen en/of verminderd- tot niet zelfredzame personen voor te bereiden op calamiteiten op de Rijksweg A4; Geadviseerd wordt om bewoners en vaste gebruikers te informeren over de risico's en gevaren van het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A4; Het is belangrijk dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten en dat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Transport van gevaarlijk e stoffen door buisleidingen In de direct nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse aardgastransportleidingen gelegen. De dichtstbijzijnde leidingen bevinden zich ten zuidoosten van het plangebied op 1 kilometer. De maximale werkdruk van deze buisleidingen bedraagt 40 bar en de uitwendige diameter bedraagt 12,76 inch. Conform het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen 2016' bedraagt het invloedsgebied (1%-letaliteitgrens) van de buisleidingen maximaal 140 meter. Het invloedsgebied overschrijft het plangebied niet. Transport van gevaarlijk e stoffen over het spoor en over water De spoorbaan Den Haag - Leiden ligt op ca.

400 meter ten noordwesten van het plangebied. Op deze spoorbaan vindt in principe geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Wanneer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over het spoor plaatsvindt zijn er geen risico's die van belang zijn om in het onderhavige plangebied op te nemen. Tevens geldt dat alleen binnen 200 meter vanaf de bron externe veiligheid een rol speelt. Over de Vliet, welke op ca. 160 meter vanaf het plangebied gelegen is, vindt incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid. Opslag van gevaarlijke stoffen Bij de paardenstal aan de Veursestraatweg 288 is een propaanopslagtank met een inhoud van 3 m3 gelegen waarop het Activiteitenbesluit van toepassing is. De effectafstand van de tank is 105 meter en het invloedsgebied bedraagt 190 meter. Het invloedsgebied van de tank is voor een klein gedeelte over het plangebied gelegen. Echter zijn binnen deze zone geen nieuwe (beperkt) kwetsbare functies voorzien. Risicovolle inrichtingen of bedrijven Ter plaatse en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de Bevi en derhalve is Bevi niet relevant voor dit plangebied. 5.8.3

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid, rekening houdend met de adviezen van de Veiligheidsregio, geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.9

Voorkomen explosieven

5.9.1

Inleiding

In opdracht van de gemeente Leidschendam-Voorburg heeft AVG Explosieven opsporing Nederland onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de tweede wereldoorlog. Tevens zijn alle oorlogshandelingen (zoals loopgraven, stellingen, bomkraters, lanceer-installaties) in kaart gebracht. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage 17 opgenomen.

54

5.9.2

Beoordeling plangebied

Er bevinden zich binnen het plangebied een loopgraaf en twee stellingen waar mogelijk munitie is gedumpt of achtergelaten. CE kunnen hier tot maximaal 2 meter minus het maaiveld worden aangetroffen. Het maaiveld uit de Tweede Wereldoorlog is de bovengrens van het CE verdachte gebied. Ter plaatse van de vastgestelde CE verdachte gebieden kan worden volstaan met een oppervlaktedetectieonderzoek (indien hier grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd). Er zijn ter plaatse van de CE verdachte gebieden tal van naoorlogse bodemingrepen uitgevoerd. Denk aan o.a. naoorlogse bebouwing en infrastructuur. Om de locaties van deze bodemingrepen gedetailleerd in beeld te krijgen, is het raadzaam om, voorafgaand aan de daadwerkelijke opsporing, door middel van een aanvullend onderzoek te bepalen of het CE verdachte gebied kan worden verkleind. Dit kan worden gedaan door contra-indicaties, zoals gegevens betreffende het naoorlogse wegcunet en ontgravingen, gestructureerd in kaart te brengen. 5.9.3

Conclusie

Er dient nog aanvullend onderzoek plaatste vinden naar conventionele explosieven binnen het plangebied. De uitkomsten van dergelijk onderzoeken zijn van belang voor de uitvoering van de werkzaamheden, maar staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.10

Besluit m.e.r.

Bij de beoordeling van een project dient te worden gekeken naar het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. zijn activiteiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (de zgn. C-Lijst), evenals activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of deze belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (de zgn. D-lijst). Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor het beoordelen van de vraag of een activiteit m.e.r.- (beoordeling)plichtig is kan niet enkel worden volstaan met een toets aan deze drempelwaarden, zoals deze in kolom 2 van bijlage C respectievelijk D behorende bij het Besluit m.e.r. zijn opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van 325 woningen mogelijk en maatschappelijke en horeca functies. Dat betekent, dat het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt, zoals dat is bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Een stedelijk project valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage moet het voornemen worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de 'bijzondere omstandigheden' genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: de kenmerken van de activiteit; de plaats waar de activiteit plaatsvindt;

55

de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie); de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Om te beoordelen of er sprake is van significant nadelige milieugevolgen is er door Aveco de Bondt een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. De conclusie hieruit is dat er geen sprake is van significant negatieve milieugevolgen en dat derhalve een M.E.R.-procedure niet benodigd is. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft hierop op 29 oktober 2019 besloten dat er geen belangrijke milieugevolgen zijn die het uitvoeren van een milieueffectrapportage nodig maken.

5.11

Duurzaamheid

In paragraaf 2.5.7 is het beleid omtrent duurzaam bouwen beschreven aan de hand van het Klimaatplan Leidschendam - Voorburg 2009-2020 beschreven. In deze paragraaf worden de duurzaamheidsmaatregelen van de voorgenomen ontwikkeling besproken. 5.11.1 Beoordeling plangebied De duurzaamheidsambities bij de ontwikkeling van Schakenbosch gaan verder dan energiebesparingen en duurzame energieopwekking. Echt duurzaam is het behouden van een aantrekkelijk gebied en gezonde leefomgeving voor toekomstige generaties. Binnen de te ontwikkelen gebieden worden de krachtige landschappelijke elementen behouden en versterkt. Duurzaamheid is integraal en verbindend ingezet om het landschap en de natuur optimaal te laten renderen en de woonomgeving gezond en aantrekkelijk te maken met een minimale milieubelasting. Door het parkachtige karakter vormt het plangebied een natuurlijke overgang tussen het stedelijk gebied en het landschap. Voor de ontwikkeling Schakenbosch zijn de volgende ambities opgesteld: 1. 2. 3. 4.

Gasloos bouwen Integreer duurzame maatregelen zo goed mogelijk in de inrichting Durf innovatief, creatief en vernieuwend te zijn Gebruik duurzame oplossingen en maatregelen in de techniek

Door bureau Nieman is begin 2019 een energiescan opgesteld die aannemelijk maakt dat alle grondgebonden woningen energieneutraal zijn uit te voeren. Voor de appartementen is energieneutraal soms nog een te grote stap, maar een EPC < 0,2 is overal haalbaar.

56

Hoofdstuk 6

Cultureel erfgoed

6.1

Archeologisch erfgoed

6.1.1

Algemeen

6.1.1.1 Zorgplicht De archeologische zorgplicht wordt door de gemeenten via het bestemmingsplan en vergunningverlening uitgevoerd. Als bevoegd gezag kan de gemeente van aanvragers van een vergunning voor bodemingrepen in gebieden met een vastgestelde archeologische waarde of verwachting vragen om inzichtelijk te maken of de geplande bodemingrepen consequenties hebben voor het bodemarchief in het plangebied (zgn. vooronderzoek). Als de uitslag daarvan is dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, zal het plan moeten worden aangepast. Als dit niet mogelijk is neemt de gemeente een besluit: de omgevingsvergunning kan worden geweigerd, of er worden aan de vergunning nadere voorwaarden gesteld, zoals een opgraving om de archeologische informatie veilig te stellen. 6.1.1.2 Uitvoering De uitvoering van de archeologische zorgplicht is gebaseerd op de driehoek overheid (gemeente), initiatiefnemer ('veroorzaker') en archeologisch uitvoerder. De gemeente is bevoegd gezag, regisseert het archeologische onderzoeksproces, stelt eisen, toetst en besluit; de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van het benodigde onderzoek en de kosten daarvan; de uitvoerder is een door het rijk erkend archeologisch bedrijf of organisatie die het onderzoek conform de eisen uitvoert.

Conform het wettelijke veroorzakersprincipe is de initiatiefnemer/ vergunningaanvrager verantwoordelijk voor de kosten: dit geldt voor alle fasen van vooronderzoek, maar ook (wanneer het besluit tot opgraving of archeologische begeleiding is genomen) voor de kosten van een archeologische begeleiding of opgraving, inclusief de uitwerking en rapportage daarvan. Om te voldoen aan deze nieuwe 'vraag naar archeologie' is een archeologische markt in het leven geroepen: sinds 2001 zijn er in Nederland vele archeologische bedrijven (uitvoerend en adviserend) actief. Initiatiefnemers mogen hieruit zelf een keuze maken, mits de archeologische partij erkend is. Om de kwaliteit van onderzoek in dit geliberaliseerde bestel te borgen, zijn namelijk alle onderdelen van het archeologische proces, de producten en actoren beschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en houdt de Erfgoedinspectie toezicht. 6.1.1.3 Uitgangspunten Het belangrijkste doel van de nieuwe wet is de bescherming van het bodemarchief door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Uitgangspunt is de aanwezige of te verwachten archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem (in situ) te behouden of te ontzien. Alleen als in situ behoud niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ, d.w.z. behoud van informatie door het verrichten van een opgraving en het opslaan van gegevens en vondsten.

De verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed ligt bij de gemeenten, die – binnen de kaders van de wetgeving – dienen te beschikken over een gemeentelijke beleidsnota archeologie en een beleidskaart archeologie. Gemeenten zijn verplicht om bij nieuwe bestemmingsplannen rekening houden met archeologie en kunnen archeologische randvoorwaarden opleggen aan omgevingsvergunningen. Het is ook mogelijk dat een vergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg niet wordt verleend. De initiatiefnemer van de bodemverstorende activiteit moet het door de gemeente verplicht gestelde archeologische onderzoek en de eventuele inpassing van archeologische waarden in de planontwikkeling en –uitvoering zelf regelen en ook zelf betalen (principe 'de verstoorder betaalt'). Elk archeologisch veldonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) door een bedrijf met een opgravingsvergunning.

57

De wet regelt dus de te volgen procedures en de financiering van archeologisch (voor)onderzoek en ook het eigendom en beheer van archeologische vondsten. Gelet op de bedoelingen van Malta en de consequenties van de nieuwe wet voor provincies, verschuift de beleidsinzet nog nadrukkelijker van toetsing op archeologische aspecten bij ruimtelijke plannen achteraf naar inbedding van deze aspecten vooraf, van alleen regels handhaven naar meedenken en van behoud van archeologische waarden sec naar behoud en benutting van deze waarden. 6.1.1.4 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Archeologische Monumenten Zorg cyclus De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is een door de archeologische beroepsgroep gedragen document dat eisen stelt aan de uitvoering en uitvoerders van archeologische werkzaamheden. Het gebruik van de KNA is verankerd in het Nederlandse archeologiebestel door middel van het Besluit archeologische Monumentenzorg (BAMZ), (zie ook art. 24, lid 1 van de BAMZ). Archeologisch onderzoek wordt in de regel gefaseerd uitgevoerd. Dit wordt de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) cyclus genoemd. De AMZ-cyclus bestaat uit de volgende stappen: A. Inventariserend onderzoek. Een inventariserend onderzoek begint met een bureauonderzoek, eventueel aangevuld met enkele controleboringen. Doel hiervan is het opstellen van een gespecificeerde verwachting van het plangebied.

Als uit dit onderzoek blijkt dat op de betreffende locatie geen waardevolle archeologische resten aanwezig zijn of verwacht worden, hoeft geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Als uit het bureauonderzoek blijkt dat er wel waardevolle archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn, of als het bureauonderzoek geen uitsluitsel geeft over mogelijk aanwezige archeologische resten, zal een inventariserend veldonderzoek moeten plaatsvinden. Meestal gebeurt dit in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. In uitzonderingsgevallen (zie KNA) zijn archeologische begeleidingen toegestaan. Het inventariserende veldonderzoek heeft tot doel vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig zijn en wat de kenmerken hiervan zijn (aard, datering, enz.). Vervolgens vindt een waardering plaats van de aangetroffen resten conform de criteria van de KNA en wordt aan het bevoegd gezag een advies uitgebracht over de te nemen vervolgstappen. B. Besluit. Op basis van de resultaten van het (waarderend) inventariserend onderzoek neemt het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, een besluit over de te nemen vervolgstappen: behoud van de archeologische resten in de bodem, aanvullend onderzoek, vrijgave of een combinatie van dezen. C. Vervolgstappen.

Indien het bevoegd gezag besluit dat de archeologische resten zo waardevol zijn dat zij in de bodem bewaard moeten blijven, kan dit betekenen dat bijvoorbeeld een vergunning voor een bouwactiviteit niet of onder voorwaarden wordt verstrekt, of dat planaanpassing moet plaatsvinden. Als er wel waardevolle archeologische resten aanwezig zijn, maar deze niet in aanmerking komen voor behoud, zal aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden. Dit zal meestal betekenen dat er een opgraving wordt uitgevoerd. In uitzonderingsgevallen wordt een archeologische begeleiding toegestaan. Bij afwezigheid van archeologische resten of indien aanwezige archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden, wordt de betreffende locatie vrijgegeven. De AMZ-cyclus is afgerond als de rapporten van alle uitgevoerde onderzoeken door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd en eventuele beschermende maatregelen zijn genomen. In navolgend schema is de AMZ-cyclus in hoofdlijnen weergegeven:

58

Afbeelding 6.1: de KNA-processen in relatie tot het proces van de archeologische monumentenzorg (AMZ).

59

6.1.1.5 Kosten Archeologische MonumentenZorg De kosten van alle onderzoeken en maatregelen die plaats dienen te vinden volgens de AMZ-cyclus komen rechtstreeks voor rekening van de initiatiefnemer van een bodemverstorende activiteit. Als al deze stappen doorlopen zijn en de rapportages van de archeologische onderzoeken zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag heeft de initiatiefnemer aan zijn verplichtingen voldaan en is het archeologische onderzoek in principe afgerond. Indien er bij uitvoering van de werkzaamheden vervolgens alsnog onverwachts archeologische vondsten worden gedaan, is de initiatiefnemer conform art. 53 van de Monumentenwet verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag en gelegenheid te geven tot archeologisch onderzoek. 6.1.1.6 Archeologie Afweging Het bevoegd gezag dient tussen de archeologische en andere maatschappelijke belangen een verantwoorde afweging te maken. De gemeente kan aangeven welke archeologische vindplaatsen dienen te worden behouden door inpassing en welke door middel van opgravingen. Inpassing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door aanpassing van het stedenbouwkundig plan of het ontwerp. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen. Daarnaast kan de gemeente ook, beargumenteerd, aangeven welke er mogen worden opgegeven.

Besluiten dienen te berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb). De overheid die heeft bepaald dat er onderzoek moet plaatsvinden (of niet) is verder verplicht inzicht te geven in de achterliggende argumenten en de wijze waarop eventueel tegengestelde belangen tegen elkaar zijn afgewogen (artikelen 3:2 en 3:4 Awb). 6.1.1.7 Beleidsregels bij de archeologische beleidskaart In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, en de 'Nota archeologie: herijking 2013' opgesteld. In dit archeologiebeleid zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillen waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

60

Afbeelding 6.2: Archeologische beleidskaart De vier waarderingsgebieden zijn: Waarde-Archeologie 1

Archeologisch rijksmonument

Waarde-Archeologie 2

Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde

Waarde-Archeologie 3

Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting

Waarde-Archeologie 4

Gebieden met een lage archeologische waarde

Het plangebied is gelegen in het gebied met Waarde-Archeologie 3. 6.1.2

Beoordeling plangebied

6.1.2.1 Archeologisch onderzoek In opdracht van Schakenbosch b.v. heeft Transect in de periode juli-augustus 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het onderzoek bestond uit een bureau- en een verkennend booronderzoek (Transect rapport 2223 en 2333). Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. In deze paragraaf zijn uitsluitend de resultaten en conclusies opgenomen. De gehele rapportages van het bureau- en veldonderzoek zijn als bijlage 18 en 19 opgenomen. Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied bestaat uit meerdere aaneengeschakelde strandwallen, waartussen in het noordwesten lagergelegen gebieden aanwezig zijn. De laagtes zijn opgevuld met veen, dat zich vermoedelijk sinds de Bronstijd heeft kunnen vormen. De grote strandwal in het zuidoosten van het plangebied lijkt op grond van het onderzoek te bestaan uit meerdere kleine strandwallen. De laagtes die hiertussen aanwezig zijn, zijn opgevuld geraakt met duinzand. Tegenwoordig is het reliëf in het plangebied niet meer te zien.

Uit het veldonderzoek is namelijk gebleken dat de hogere toppen van de strandwallen zijn geëgaliseerd, aangezien hier strandafzettingen direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. Archeologische verwachting Op basis van het uitgevoerde onderzoek geldt de volgende archeologische verwachting: Op basis van onderzoeken in de omgeving valt af te leiden dat binnen het plangebied in principe zowel in de lagere als ook op hogere delen archeologische resten aanwezig kunnen zijn in het Neolithicum-Vroege Bronstijd. Hiervoor geldt een hoge archeologische verwachting; Vanaf de Midden-Bronstijd zijn de lagere delen van het plangebied als gevolg van een voortdurende grondwaterspiegelstijging vernat. Daardoor trad hier veenvorming op. Het veen wordt soms te drassig voor bewoning geïnterpreteerd, waardoor voor deze periode hier geen archeologische (nederzettings)resten worden verwacht. Bewoning in een veengebied kon echter wel plaatsvinden wanneer veen lokaal ontwaterd wordt door de aanwezigheid van een geul. Hiervan kan met name sprake zijn in de IJzertijd en Romeinse tijd. Ook op de plekken waar de strandwallen en duinen hoog genoeg waren dat ze boven het veen uitstaken bestonden bewoningsmogelijkheden. Voorbeelden van sporen van nederzetting uit die tijd zijn bijvoorbeeld tijdens het proefsleuvenonderzoek ten oosten van het plangebied gevonden (Vlietvoorde aan de Veursestraatweg).

Dit geldt voor zowel resten op de strandwal als in de top van het veen. Voor de periode Midden-Bronstijd-Vroege Middeleeuwen geldt zodoende een hoge archeologische verwachting; Vanaf de Vroege Middeleeuwen vernat het gebied verder. Daardoor vernatten ook oudere, lager gelegen strandwallen en duinen, zoals die ter hoogte van het plangebied. Theoretisch kunnen op de strandwal archeologische resten aanwezig zijn uit de Late Middeleeuwen. De

61

kans dat dit nederzettingsresten betreffen is echter kleiner, aangezien er zonder ingrepen in het landschap over het algemeen sprake was van relatief natte omstandigheden. Nederzettingen uit de Late Middeleeuwen kunnen ook aanwezig zijn in het plangebied, Op kaarten vanaf de 17de eeuw zijn vier historische boerderij locaties aan te wijzen. Historische informatie De oudste geraadpleegde kaart waar het plangebied op staat, dateert uit 1686. Deze kaart geeft een goede, doch globale indicatie van de inrichting van het plangebied en de directe omgeving ervan. Op een nog oudere kaart uit 1589 van het ‘Schaakelbos’ is te zien dat het plangebied toen nog niet in cultuur was gebracht maar vrijwel geheel uit bos bestond. Centraal en aan de westzijde zijn al wel enkele ontboste duinen zichtbaar. Op afbeelding 6.4 is te zien dat verspreid in het plangebied boerderijen lagen. Deze concentreerden zich op de rand van de strandwallen in het gebied, in het noorden langs de Dobbewetering, in het zuiden aan de Lytwech (de huidige Lijtweg) en de Heerwech (de voorganger van de huidige Veursestraatweg). Rondom de bebouwing en wegen zijn vermoedelijk bouw- en weilanden aanwezig. Op later kaartmateriaal verandert er niet veel aan de inrichting uit de 17e eeuw. De meeste boerderijen op de kaart uit 1686 zijn ook op de kadastrale Minuut uit 1811-1832 (zie afbeelding 6.3) te herkennen.

Wel lijkt één boerderij uit de 17e eeuw te zijn verdwenen in het begin van de 19e eeuw. De ligging ervan valt echter nog wel af te leiden aan de hand van de vorm van de verkaveling op de kadastrale Minuut. Een vergelijking van de bebouwing in het plangebied in de 17e eeuw en de 19e eeuw is weergegeven in afbeelding 6.4. De bekende archeologische waarden in het plangebied zijn: een archeologische vindplaats ter hoogte van de Bouwlustweg; een zone met 17e-eeuwse boerderijen ten noorden van de as Lijtweg - Frekeweg en een zone met voormalige boerderijen eveneens ter hoogte van de Bouwlustweg.

62

Afb eelding 6.3: Weergave Kadastrale Minuutplan 1832 (Bron: Transect)

63

Afbeelding 6.4: Weergave locaties historische boerderijen (Bron: Transect) Verstoringen Uit de onderzoeken blijkt tevens dat in het gebied verschillende negatieve effecten op de aanwezigheid van archeologische resten heeft plaatsgevonden. Er zijn verschillende panden gebouwd en gesloopt, leidingen aangelegd, sloten ingegraven en gedempt en er heeft in delen reeds archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Hiervan geeft Nales (2019a) een zo goed mogelijk overzicht op basis van bekende of beschikbare informatie. De kans is groot dat op die plekken alle archeologische resten verstoord zijn geraakt, ondanks dat in niet alle gevallen de mate van verstoring precies te kwantificeren viel. Dit geldt eveneens voor de resultaten van het veldonderzoek. Er zijn tijdens dit onderzoek aanwijzingen van verstoringen gevonden getuige het voorkomen van kalkhoudend (strand)zand onder de bouwvoor, diepreikende bodemverstoringen en enkele ontgraven kuilen in het veld. Gemeentelijke beoordeling uitgevoerde onderzoek Het onderzoeksbureau geeft aan dat er zones zijn met een hogere en een lagere archeologische verwachting. Hoewel dit tot op zekere hoogte naar verwachting juist is wordt het advies dat hieraan verbonden wordt, namelijk om geen vervolgonderzoek uit te voeren in de gebieden met een lage verwachting, niet overgenomen. De reden hiervoor is tweeledig.

Ten eerste is niet vast te stellen of de interpretatie van Transect dat de lager gelegen zandniveaus strandafzettingen zijn en geen duinafzettingen zoals op basis van de nieuwe lithostratigrafische indeling van TNO (TNO-rapport NITG 00-95-A) verwacht mag worden. de lage verwachting van Transect gebaseerd op de in de ogen van de gemeente onjuiste interpretatie

64

dat de lager gelegen zandniveaus strandafzettingen zijn. Deze interpretatie wijkt af van de gangbare nieuwe lithostratigrafische indeling van TNO (TNO-rapport NITG 00-95-A). Op basis van TNO indeling zouden waarvan deze zanden met een matig fijne korrelgrote namelijk tot het laagpakket van Schoorl (kustduinen) gerekend moeten worden. Ten tweede is het advies van Transect die welke aan deze onjuiste classificatie als strandafzettingen wordt verbonden wordt in strijd met het archeologie beleid van de Gemeente Leidschendam-Voorburg. Volgens dit beleid geldt er namelijk wel een onderzoeksplicht voor de gebieden met een lage verwachting. 6.1.2.2 Conclusie Op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat er archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn, met name wanneer de top van de duinafzettingen intact is gebleven. Gelet op de resultaten van het vooronderzoek en de bovenvermelde toelichting wordt aan het plangebied de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" toegekend. In het bestemmingsplan worden regels opgenomen ter bescherming van deze mogelijk in het gebied aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Voor bodem verstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 100 m2 en die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Het is mogelijk dat de omgevingsvergunning in het belang van de archeologie niet wordt verleend, of dat deze wordt verleend onder voorwaarden, zoals het treffen van maatregelen om de archeologische resten in de bodem te behouden, of de verplichting tot het verrichten van archeologisch onderzoek. Hoewel er vrijwel overal in het plangebied archeologische waarden aanwezig kunnen zijn die mogelijk bedreigd worden door de herontwikkeling, blijkt uit het onderzoek van Transect (2019b) dat de archeologische verwachting niet gelijkwaardig verdeeld is over het plangebied. Op basis van de bekende bodemopbouw, de aanwezige verstoring en de te verwachten contextuele archeologische informatie zijn er zones aangewezen waarvoor een betere onderzoeksmogelijkheid aanwezig is. Deze archeologische verwachtingszones zijn aangegeven in afbeelding 6.5 en vormen de meest kansrijke gebieden voor het aantreffen van archeologisch waarden in het plangebied.

Voor de uitvoering van de archeologische onderzoeksplicht, zoals voorgeschreven op basis van de archeologische dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", wordt daarom vooral ingezet in de op afbeelding 6.5 als archeologisch kansrijk aangeven gebieden. De kans op het aantreffen van archeologische vindplaats is echter mede afhankelijk van de omvang van de verstoring. Om deze reden wordt in de gebieden met een lagere verwachting met name onderzoek uitgevoerd bij grotere bodemverstoringen dan wel ter controle van het verwachtingsmodel (steekproefsgewijs). Geadviseerd wordt bij het vastleggen van de voor het waarderende onderzoek noodzakelijke onderzoeksopzet rekening te houden met gebiedsspecifieke omstandigheden (eventueel aanwezige begroeiing, kabels en leidingen en hoge grondwaterstanden).

65

Afbeelding 6.5: Overzicht kansrijke gebieden. (verwachtingskaart Bron: Transect)

6.2

Cultuurhistorisch erfgoed

6.2.1

Plangebied vóór ‘Schakenbosch’

Een belangrijk deel van de cultuurhistorisch waardevolle elementen en locaties van plan Voorlei ontlenen hun waarde aan de periode vóórdat Zorgcomplex Schakenbosch er gevestigd werd. Dat gebeurde eind jaren '30 / begin jaren '40 van de vorige eeuw voor de toenmalige Stichting `Hulp en Heil´. Het gebied maakte tot die tijd deel uit van het agrarisch cultuurlandschap op de strandwallen. Volgens kaartanalyses en archiefmateriaal is het grondgebruik in de eeuwen ervoor lange tijd stabiel gebleven, en werd het landschapsbeeld vooral bepaald door: de onregelmatige blokverkaveling op de strandwallen (deels met boomrijen of houtwallen); de strokenverkaveling in de lagere, natte terreindelen; oude landwegen zoals de huidige Lijtweg of de huidige wandelroute aan de noordoostkant van het plangebied; twee boerderijen ter hoogte van de Bouwlustlaan; boerderijen/woonplaatsen aan de Lijtweg resp. de Frekeweg. Gedurende zeker bijna 4 eeuwen was het plangebied agrarisch in gebruik en stonden er 4 boerenerven, twee aan de noordkant met de naam Bouwlust, één in de zuidoosthoek aan de Lijtweg en één in het midden van het plangebied. Het erf aan de Lijtweg komt al voor op een kaart van Floris Balthasar uit 1612. De andere erven staan op een kaart uit 1686. 6.2.2

Zorgcentrum Hulp en Heil, later Schakenbosch

Typerend voor het ontwerp van het zorgcentrum was hier integrale aanpak van de inrichting, waarbij het ontwerp voor de gebouwen en het ontwerp voor de buitenruimte (wegenpatroon en groenstructuur) als complementaire delen werden ontwikkeld. Een en ander weerspiegelt zich vooral in de symmetrische wegenstructuur die destijds werd geïntroduceerd en de vanouds even symmetrische opzet van de bebouwing. In tegenstelling tot de sterk geometrische vormgeving van het centrale deel van de zorginstelling heeft de entree een meer landschappelijk karakter gekregen. Typerend zijn hier vooral: de sterke afwisseling van bosschages en open terreindelen;

66

het grote aantal beeldbepalende boomgroepen en solitaire bomen; de her en der fraaie zichtlijnen; en de representatieve vormgeving van de entree (dubbele oprijlaan met wegbegeleidende beplanting, die via een ovaal overgaat in de symmetrische structuur van het centrale deel van Schakenbosch). De architectuur van de oude zorggebouwen kan het best als sober en ingetogen worden omschreven met karakteristieken die sterk verwant zijn aan de “Delftse School” en de “Interbellum architectuur”: sobere baksteengevel, fijnzinnige detailleringen en een symmetrische opzet van gebouwen. Met de bouw van nieuwe paviljoenachtige bebouwing is een flink deel van de karakteristiek echter verdwenen. Samenvattend kan worden gesteld, dat bij de herinrichting vanuit cultuurhistorisch oogpunt rekening gehouden zou moeten worden met: het parkachtige en groen karakter van de entree; de symmetrische opzet van de bebouwing en architectuur in het centrale deel van Schakenbosch; het hoofdgebouw (voormalige administratiegebouw) als beëindiging van de hoofdas van de entree; en de ingetogen “interbellum architectuur”. Gemeentelijk monument Veurhuis (Hulp en Heilkerk) Het Veurhuis, of Hulp en Heilkerk (gemeentelijk monument sinds 2019), werd in de jaren ’60 van de 20e eeuw gebouwd aan de entreezijde van het terrein. Het gebouw is vermoedelijk ontworpen door de bekende Voorburgse architect Albert van Essen.

De kerk bestaat uit een rechthoekige opzet onder een zadeldak. Voor de kerk staat een Latijns kruis met klokken. Aan de noordzijde van het complex is een mozaïekmuur aangebracht. Overeenkomstig vele wederopbouwkerken uit de jaren zestig kent het pand een sobere uitstraling met weinig vensters om zo de kerkgangers zo weinig mogelijk af te leiden tijdens de dienst. Het orgel is afkomstig van de firma Flentrop uit 1962, waarbij van Essen deels verantwoordelijk is geweest voor het ontwerp. Het Veurhuis is als latere toevoeging aan Hulp en Heil een bijzondere uiting van religieuze wederopbouwarchitectuur. Waar bij de oudere bebouwing op het complex een traditionele vormentaal werd aangehouden, was de kerk een eigentijdse vertaling die tevens van de hand van een bekend Voorburgs architectenbureau afkomstig is. Het kerkgebouw (zonder de aanbouwen van 1970 en recenter) is daarom op 18 juni 2019 aangewezen als gemeentelijk monument. Deze kerk blijft met onderhavige plan behouden en wordt beschermd middels een opgenomen bouwaanduiding 'monument' in de regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=7495a799-7321-4b80-a230-8bbe725de34e