Bijlage 1947-13 Toelichting bestemmingsplan Schakenbosch
Tekst van het document
Stedelijk gebied, kwalitatief: behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de kwaliteit van de bestaande woonmilieus, toevoegen van nieuwe woonmilieus; verbetering van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk en de identiteitsdragers (structuurbepalende identiteitsdragers zijn bijvoorbeeld de Vlietzone, de Loo-zone en het historisch lint Parkweg -Veursestraatweg); duurzame stedelijke ontwikkeling, onder meer door meervoudig ruimtegebruik, het beter benutten van de openbaar vervoerscapaciteit en verbetering van fietsverbindingen; versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen, versterken van de complementariteit en het kwaliteitsniveau van de winkelcentra; nieuwe economische kansen creëren door functieverandering, herstructurering en transformatie van gebieden, passend bij de positionering als groene woonwerkstad.
23
Afbeelding 2.3: Structuurbeeld 2040 Het aan de Duivenvoordecorridor grenzende Schakenbosch is een bouwlocatie voor wonen in het groen. Deze zone wordt nu gekenmerkt door een uiterst groen karakter, met een landgoedof campusachtige bebouwing. In de toekomst kan dit gebied de overgang worden tussen het coulisselandschap van de Duivenvoordecorridor met zijn nieuwe buitenplaatsen en het stedelijk gebied van Leidschendam. 2.5.2.1 Toetsing van onderhavig plan aan Structuurvisie De in de herijkte structuurvisie geformuleerde ambities voor het stedelijke gebied, zijn in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk in de overwegingen meegenomen. 80% van de woningbouwopgave dient binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. Met onderhavig plan worden 325 woningen binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Het onderhavige plan zorgt voor een kwalitatieve verbetering zoals genoemd in de structuurvisie: het groene karakter van het plangebied blijft behouden en wordt versterkt, de langzaamverkeersverbinding in het plangebied wordt verbeterd, daarnaast wordt er een extra weg voor langzaam verkeer gerealiseerd. In de structuurvisie is het plangebied al aangewezen als bouwlocatie voor wonen in het groen. 2.5.3
Woonvisie 2016-2020
De gemeentelijke woonvisie 2016-2020 benoemt een viertal thema’s: langer zelfstandig wonen, voldoende beschikbare sociale woningen, betaalbaarheid en woonlasten in de sociale sector en variatie in woonmilieus en leefbare wijken. Met het laatste thema richt de gemeente zich op het borgen van de woon- en leefkwaliteit voor de toekomst met een goede balans tussen de gewenste woonmilieus op lange termijn en aansluiting op de woningbehoefte. In dit verband moeten gebiedsontwikkelingen dusdanig zijn, dat zij ook op veel langere termijn meer waarde krijgen in sociaal opzicht en qua duurzaamheid en aanpasbaarheid. Variatie in woonmilieus en leefbare wijken Uit de Grote Woontest en het woonmilieuonderzoek is naar voren gekomen dat er in Leidschendam-Voorburg kansen liggen voor rustig stedelijke en hoogwaardige woonmilieus. De
24
gemeente wil bij iedere ontwikkellocatie en bij stedelijke vernieuwing sturen op de gewenste woonmilieus en aansluiten op de woningbehoefte. Om deze reden zijn er door de gemeente de 'Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2020' vastgesteld (zie paragraaf 2.5.4). Langer zelfstandig wonen Er moet meer ingespeeld worden op de behoefte aan geschikte woonvormen in relatie tot de behoefte aan zorg en begeleiding. Dit vraagt enerzijds om anders te kijken naar de inzet van voorzieningen op het gebied van welzijn en zorg en de bestaande praktijk van de woningtoewijzing. Anderzijds moeten er in samenspraak met andere partijen creatieve oplossingen worden bedacht om het zelfstandig wonen voor mensen met een zorgvraag daadwerkelijk mogelijk te maken. 2.5.3.1 Toetsing van onderhavig plan aan Woonvisie 2016-2020 Onderhavig plan past binnen de woonvisie 2016-2020. Gelet op de opgaven uit de woonvisie wordt ingezet op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu, met een focus op langer zelfstandig wonen. Hierin past ook een aandeel goedkope woningen. Ten behoeve van de doorstroming wordt het goedkope segment gemengd met middeldure woningen. Uitgangspunt is dat meerdere doelgroepen blijvend worden bediend. Ook toevoeging van woningen in het hogere marktsegment zorgt voor doorstroming in de bestaande voorraad. 2.5.4
Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2020
2.5.4.1 Achtergrond en beleidskader De gemeente Leidschendam-Voorburg hecht grote waarde aan een hoge kwaliteit van de leefomgeving, evenals van de woningvoorraad. Ook voor de langere termijn en evenzeer bij een wijzigende samenstelling van de bevolking moeten er voor alle inwoners voldoende hoogwaardige en betaalbare woningen beschikbaar zijn, gelegen in een duurzaam groene, prettige omgeving. Daarnaast ziet Leidschendam-Voorburg zich, net als de gehele regio Haaglanden en breder (vrijwel) de gehele provincie Zuid-Holland, gesteld voor de opgave om het tekortschietende aanbod aan sociale huurwoningen terug te brengen naar een meer acceptabel niveau. Tezamen zijn dit complexe kwalitatief-ruimtelijke en maatschappelijke opgaven, die vragen om een zekere mate van sturing door de overheid. Om te borgen dat nieuwe woningbouwplannen zowel bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving als aan een betere beschikbaarheid van goede en betaalbare woonruimte, heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg woonbeleid vastgesteld in de vorm van de gemeentelijke Woonvisie (zie paragraaf 2.5.3). Om een concrete toetsing van nieuwbouwplannen aan de doelen en uitgangspunten van de Woonvisie mogelijk te maken, heeft het college op 24 oktober 2017 in eerste instantie de 'Beleidsregels Woningbouw 2017-2019' vastgesteld.
Op 27 november 2018 zijn deze vervangen door de 'Beleidsregels woningbouw 2018-2021'. De Beleidsregels vormen in principe een toetsingskader voor de beoordeling, prioritering en fasering van (initiatieven tot) woningbouw. Door middel van toepassing van deze Beleidsregels moet worden bewerkstelligd dat in nieuw te ontwikkelen woongebieden primair wordt ingezet op de gewenste woonmilieus rustig stedelijk, dorps en hoogwaardig. Daarnaast is het uitgangspunt uit de Beleidsregels dat in elk nieuw woningbouwproject een aandeel van ten minste 30% sociale (huur)woningen moet worden verwezenlijkt. Uit een evaluatie van de Beleidsregels blijkt dat deze weliswaar hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van woningbouwplannen met meer sociale huurwoningen, maar dat de betrokken woningen niet of nauwelijks beschikbaar komen voor huishoudens die gelet op hun inkomen recht hebben op huurtoeslag. Daarom is het effect van de Beleidsregels waar het gaat om het toevoegen van woningen juist ten behoeve van deze doelgroep onvoldoende gebleken. Daarnaast blijkt dat de woningmarkt niet alleen behoefte heeft aan sociale huurwoningen, maar dat ook het aanbod aan middeldure huur- en koopwoningen sterk achterblijft bij de vraag. Mede daardoor stagneert de doorstroming op de woningmarkt.
25
Om effectiever in te kunnen zetten op een toename van de productie van sociale huurwoningen en middeldure huur- en koopwoningen, heeft de gemeenteraad op 7 juli 2020 de 'Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2020' vastgesteld. De Verordening omvat een uitwerking van de 'Structuurvisie Ruimte voor wensen 2020 (herijking 2012)' en de 'Woonvisie Leidschendam-Voorburg 2016-2020' om de toevoeging van sociale en middeldure huurwoningen aan de woningvoorraad te bevorderen. De Verordening is met ingang van 14 juli 2020 in werking getreden en nadien nog gewijzigd. 2.5.4.2 Formele verhouding tussen de Verordening en onderhavig plan De beoogde transformatie van Schakenbosch naar een nieuw woonmilieu is gestart met het sluiten van een intentieovereenkomst tussen de grondeigenaar Schakenbosch B.V. en de gemeente Leidschendam-Voorburg. Doel van een dergelijke intentieovereenkomst is het onderzoeken van de haalbaarheid en het stellen van de randvoorwaarden van een dergelijke ontwikkeling. Deze intentieovereenkomst is tot stand gekomen op 24 oktober 2016. Vervolgens is gestart met het uitwerken van een stedenbouwkundig ontwerp en de vertaling daarvan naar een ruimtelijk kader. Het concept van dit ruimtelijk kader, waarin onder meer het beoogde woningbouwprogramma is vastgelegd, is voltooid in mei 2017.
Bij besluit van 11 juli 2017 heeft het college besloten dit concept ruimtelijk kader vrij te geven voor een openbare presentatie tijdens een Open Raadhuis Avond (ORA) op 29 augustus 2017. Vervolgens heeft het college op 26 september 2017 besloten (1) in te stemmen met het ontwerp-ruimtelijk kader en (2) de raad voor te stellen dit ruimtelijk kader vast te stellen. Uiteindelijk heeft de raad in zijn openbare vergadering van 12 december 2017 het ruimtelijk kader (unaniem en ongewijzigd) vastgesteld. De bepalingen uit de Verordening zijn in beginsel van toepassing op alle plannen voor de nieuwbouw van 10 woningen, die niet in overeenstemming zijn met een vigerend bestemmingsplan. Echter, in artikel 3 van de Verordening is bepaald dat de Verordening niet van toepassing is op onder meer bouwplannen waarover voor de dag van inwerkingtreding van de Verordening: Een intentie- of anterieure overeenkomst is gesloten tussen de gemeente en de ontwikkelende partij; Door de gemeenteraad een ruimtelijk kader is vastgesteld. Het voorliggende plan voldoet aan deze beide voorwaarden. De intentieovereenkomst dateert zoals gezegd van 24 oktober 2016, het ruimtelijk kader van 12 december 2017, beide derhalve van ruim voor de datum waarop de Verordening in werking trad. Een en ander betekent dat formeel de Verordening niet van toepassing is als beoordelingskader voor het onderhavige plan.
2.5.4.3 Het plan ‘in de geest van de Verordening’ Zoals hiervoor uiteengezet kan een formele toetsing van onderhavig plan aan de Verordening achterwege blijven. Dat neemt niet weg dat wel kan worden gesteld dat de beoogde transformatie van Schakenbosch plaatsvindt 'in de geest van de Verordening'. In de eerste plaats voorziet onderhavig plan in het transformeren van het terrein van de voormalige zorginstelling Schakenbosch tot een woonmilieu dat als hoogwaardig en rustig stedelijk/dorps kan worden gekarakteriseerd. Het beoogde eindbeeld van het gebied is dan ook in overeenstemming met, resp. levert, een concrete en significante bijdrage aan de beleidsdoelstelling om bij nieuwe woningbouwprojecten in te zetten op kwalitatief hoogwaardige, gedifferentieerde woonmilieus. Kernuitgangspunt van de Verordening is dat in elk nieuw woningbouwtraject ten minste voorzien moet worden in 30% woningen in de sociale (huur)sector en 20% middeldure huur- of koopwoningen. Het onderhavige plan voorziet niet in een programma waarin 30% sociale huuren 20% middeldure huur- of koopwoningen worden gerealiseerd. Het door de raad vastgestelde ruimtelijk kader voor het plan verlangt dat ook niet. Programmatisch is het plan daarmee, strikt genomen, niet in overeenstemming met de Verordening of de daaraan voorafgaande Beleidsregels.
26
Echter, binnen het beoogde programma van 325 woningen wordt 5% van het totaal in het segment 'sociaal' gerealiseerd en 10% in het segment 'goedkoop/middelduur'. Dat zijn circa 50 woningen. Deze specifieke toevoeging aan de woningvoorraad in Leidschendam zal bijdragen aan het verkleinen van het tekort aan betaalbare woningen en tevens de doorstroming binnen de woningvoorraad bevorderen. Daarmee levert het plan een substantiële bijdrage aan de doelstellingen die de Verordening en voorheen de Beleidsregels beogen te verwezenlijken. Daarnaast beoogt het plan (deels ter uitvoering van moties van de gemeenteraad) invulling te geven aan een omvangrijke maatschappelijke opgave, die bestaat uit een aantal elementen: Het realiseren van een zorgcentrum voor eerstelijns zorg; Het realiseren van ten minste 48 zorgplaatsen/woonruimten voor bewoners met een (geïndiceerde) zorgvraag, met een optie om dit in samenspraak met de afnemende zorgaanbieder eventueel uit te breiden naar 64 zorgplaatsen; Het (ruimtelijk) faciliteren van een wijkleercentrum; Het realiseren van een (semi-)publiek groengebied ('openbaar park') met een omvang van circa driekwart van het totale plangebied.
Door deze specifieke opbouw van het te verwezenlijken programma draagt onderhavig plan, ook al omvat dit niet de in de Verordening en eerder de Beleidsregels vereiste percentages sociale en middeldure woningbouw, toch zeer wezenlijk bij aan thema's als: Het voorkomen van een eenzijdige bevolkingsopbouw; Rekening houden met langer zelfstandig wonen; Voldoende beschikbaarheid van betaalbare woonruimte; Voldoende beschikbaarheid van hoogwaardige zorgvoorzieningen; Bevordering van de doorstroming; Het verwezenlijken en in stand houden van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Bovendien voorziet de zorgcomponent in onderhavig plan in een belangrijke maatschappelijke behoefte, die vooral waardevol is nu het aanbod aan zorgvoorzieningen in de regio zoals ziekenhuizen, huisartsenposten, etc. steeds minder dekkend wordt. Ten slotte is maatschappelijk gezien van groot belang dat met het onderhavig plan ook voor de lange termijn de openbare toegankelijkheid van belangrijke delen van het terrein van Schakenbosch gewaarborgd blijft.
Tussen de gemeente en de grondeigenaar zijn hier heldere afspraken over gemaakt, zodat het gebied ook na de transformatie een belangrijke publieke rol kan blijven vervullen als recreatief beleefbare groene schakel tussen het stedelijk gebied van Leidschendam en de landelijke groene openheid van het buitengebied, in het bijzonder van de aangrenzende Duivenvoordecorridor. De (mogelijke) toevoeging van enkele kleinschalige sociale, maatschappelijke en recreatieve functies aan het toekomstige woongebied versterkt dit duurzaam openbare karakter nog verder. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig plan, ook ondanks het niet opnemen van de normaliter verlangde percentages sociale en middeldure woningbouw in het beoogde programma, niet alleen uitvoering geeft aan enkele kerndoelen zoals die in de Verordening zijn vertaald, maar daarnaast waarborgt dat het gebied Schakenbosch ook op de langere termijn een belangrijke maatschappelijke en openbare functie kan blijven vervullen. Juist door het voorzien in deze veel bredere maatschappelijke opgave is onderhavig plan zonder meer in overeenstemming met 'de geest van de Verordening' te achten. Aangezien de Verordening echter, zoals uiteengezet, formeel voor onderhavig plan niet van toepassing is, vormt deze hoe dan ook geen belemmering voor het vaststellen en/of verwezenlijken van het plan.
2.5.5 Groenstructuurplan Gemeente Leidschendam-Voorburg (2010): Buitengewoon Groen Het groenstructuurplan geeft op hoofdlijnen aan welk groen van belang is op gemeentelijk niveau en waar het groen versterkt kan worden. Het garandeert het groene karakter van de gemeente in de toekomst door de hoofdgroenstructuur duidelijk te benoemen, verbindingen te maken en de ligging aan het buitengebied te versterken.
27
Om het groen in de gemeente te versterken wordt er ingezet op drie niveaus: groene zones; groene lijnen; groene wijken. Om de ambities te verwezenlijken, wordt in het Groenstructuurplan gesteld dat bij nieuwe ruimtelijke projecten het groen vanaf de initiatieffase een serieus onderdeel moet zijn van de planvorming. Voor elk ruimtelijk plan dient daarom, als onderdeel van de planvorming, een groene paragraaf geschreven te worden. In het Uitvoeringsprogramma van het Groenstructuurplan is het groen per wijk beschreven en zijn ambities aangegeven. Zo is er een groenvisie voor Schakenbosch. Ambitie Bij de toekomstige ontwikkeling van Schakenbosch wordt het groene karakter gehandhaafd. Daarnaast is een belangrijke opgave om Schakenbosch beter te laten aansluiten op zijn omgeving. De barrièrewerking tussen stad en buitengebied die het gebied thans deels heeft, moet wordt omgezet worden in een aantrekkelijke schakel tussen stad en platteland door toevoegen van ene recreatieve fiets- en voetgangersverbinding. De ingrepen in de bestaande groenstructuren hebben als doel de kwaliteit van het groen te verbeteren. Waardevolle groenstructuren en bomen worden zoveel mogelijk behouden en gekapte bomen worden herplant.
Per saldo blijft zo het groenbestand behouden en wordt toekomstvast gemaakt (zo worden veel oude Populieren die aan het eind van hun levensduur zijn, vervangen door hoogwaardiger soorten). Opgaven Behoud van het groene karakter en ecologische waarden; Functioneel doortrekken van de spoorzone, de heuvelwegzone, de route door Prinsenhof en de centrale zone tot in het buitengebied; Maken van en verbinden van wandelpaden tot ‘aantrekkelijke rondjes' vanuit de aangrenzende wijken; Eventuele nieuwbouw qua typologie aan laten sluiten bij het karakter van dit gebied; Behoud en versterken van de cultuurhistorische waarden van onder andere ontginningslint 'Noortheij' en de Veurse Achterweg. In het onderhavige plan is rekening gehouden met de ambitie en opgaven genoemd in het groenstructuurplan. In paragraaf 4.2.3 is ingegaan op de toekomstige groen- en waterstructuur binnen het plangebied. 2.5.6
Water- en rioleringsplan Leidschendam - Voorburg
Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de effecten van klimaatverandering. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. Waterbeheer en watertoets Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied. Tevens zijn zij in het kader van het vooroverleg op grond van de Wro betrokken bij het tot stand komen van het bestemmingsplan.
28
In paragraaf 5.3 wordt in gegaan op het aspect water binnen het plangebied. 2.5.7
Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020
In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd, de doelgroep die met name ook van belang is binnen dit bestemmingsplan. De gemeente kiest voor integrale woonkwaliteit. Naast energiebesparing betekent dit bijvoorbeeld ook meer comfort in woningen en een gezond binnenklimaat. Energiebesparing mag nooit ten koste van de gezondheid van bewoners en de gemeente blijft daarom het belang van goede ventilatie benadrukken. Voor de grotere projecten (met meer dan één woning) vindt toetsing plaats met het instrument GPR gebouw waarmee de duurzaamheidskwaliteit wordt bepaald; Alle nieuwbouwwoningen zijn minimaal 10% energiezuiniger dan de EPC-norm in het Bouwbesluit voorschrijft. Woningen worden flexibel gebouwd met het idee dat deze op termijn energieneutraal moeten worden. Zo kan worden besloten om woningen geschikt te maken voor latere toepassing van zonne-energie of lage temperatuur verwarming; De gemeente drukt de CO2-reductie bij nieuwbouw vanaf 200 woningen en herstructurering uit in de Energie Prestatie op Locatie (EPL). Bouwen volgens de minimumeisen levert bij nieuwbouw een EPL van 6,6 op, een energieneutrale locatie levert een EPL van 10 op.
Voor alle nieuwbouwwoningen met meer dan 200 woningen wordt, afhankelijk van de locatie en het type bouwproject, een minimale EPL gerealiseerd van 7,0 tot 8,0. In het kader van het klimaatbeleid wordt gestreefd naar het opnemen van collectieve duurzame energieopties in bestemmingsplannen en bouwplannen. Een energievisie geeft voor grotere bouwprojecten de mogelijkheden aan voor duurzame energiemogelijkheden binnen Leidschendam-Voorburg. In paragraaf 5.11 wordt nader ingegaan op de thema's energie en duurzaam bouwen als één van de milieuaspecten. 2.5.8
Nota archeologie, herijking 2013
Conform de herziene Monumentenwet moeten gemeenten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m². Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009. In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, 'archeologienota herijking 2013. In de Nota archeologie wordt een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels. De bodem van de Gemeente Leidschendam-Voorburg is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting.
Op de kaart wordt vermeld welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn en welk archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten verplicht is gesteld. De gemeente Leidschendam-Voorburg voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden. Het wordt daarom aangeraden de gemeentelijke website te bezoeken voor de meest actuele versie van de archeologische beleidskaart. In paragraaf 6.1 is de juridische regeling met betrekking tot het aspect archeologie ten aanzien van het plangebied nader gemotiveerd.
29
2.5.9
Gemeentelijke erfgoedverordening
Het is voor iedere gemeente verplicht om een verordening vast te stellen waarin de inschakeling is geregeld van een monumentencommissie. Deze commissie adviseert op het gebied van de monumentenzorg en heeft in elk geval tot taak om te adviseren over omgevingsvergunningen voor wijziging aan (van) rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten worden aangewezen en beschermd op basis van de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010. Daarnaast vormt de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010 de basis voor het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten en gemeentelijke groenmonumenten. Ook is het mogelijk op basis van de verordening een gebouw, groenelement of structuur aan te wijzen als een beeldbepalende zaak. De gemeentelijke monumenten of beeldbepalende zaken worden geregistreerd op een gemeentelijke monumentenlijst. In paragraaf 6.2 is ingegaan op het erfgoed binnen het plangebied. 2.5.10 Verkeers- en Vervoerplan 2014 De hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid op het gebied van verkeer en vervoer zijn vastgelegd in het Verkeers- en Vervoerplan (VVP) uit 2014. De ambities op het gebied van verkeer en vervoer van de gemeente worden hierin benoemd en toegelicht.
Voor achtereenvolgens de auto, het langzaam verkeer, het openbaar vervoer, verkeersveiligheid, parkeren en duurzaamheid bevat het plan de ontwikkelingen en knelpunten, de gewenste situatie en conclusies en aanbevelingen voor oplossingsrichtingen. Zo is er een oplossingsrichting voor hoofdfietsroutes opgenomen welke voor het plangebied van belang is. Route Prinsenhof laag - Schakenbosch - Duivenvoordecorridor: ter verbetering van de stadlandverbindingen richten ze zich op het realiseren van een langzaam verkeersverbinding tussen Prinsenhof laag en de Duivenvoordecorridor, via het Schakenbosch terrein. Deze route sluit aan op de aantrekkelijke, verkeersluwe route Leidsenhage - De Heuvel - Amstelwijk - Prinsenhof. In het onderhavige plan is rekening gehouden met de oplossingsrichting voor hoofdfietsroutes binnen het verkeers- en vervoerplan. In paragraaf 4.2.4 is ingegaan op de toekomstige verkeersstructuur binnen het plangebied. 2.5.11 Parkeerbeleid Het gemeentelijk parkeerbeleid is nader uitgewerkt in de gemeentelijke Parkeernota uit 2005. In de nota komen verschillende vormen van parkeerregulering, inclusief bijbehorend afwijkingsbeleid, aan de orde. Daarnaast wordt onder andere aangegeven hoe wordt omgegaan met parkeren voor diverse doelgroepen, parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen en de handhaving van het parkeerbeleid.
Op basis van een inventarisatie van parkeerknelpunten biedt de nota een overzicht van oplossingsrichtingen voor de korte, middellange en lange termijn. Eén van de uitgangspunten van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving. De te hanteren parkeernormen bij nieuwbouw, functiewijziging of verbouw zijn opgenomen in de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg. In paragraaf 4.2.4 is ingegaan op de het parkeren binnen het plangebied. 2.5.12 Welstandsbeleid Vanaf 1 juli 2004 is het toetsen van bouwplannen 'aan redelijke eisen van welstand' alleen nog mogelijk op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota. Daartoe heeft de gemeenteraad op 14 juni 2004 de "Welstandsnota Leidschendam-Voorburg" vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven op welke welstandsgerelateerde aspecten gelet wordt bij het beoordelen van vergunningaanvragen. De nota is gewijzigd bij besluiten van 31 januari 2006, 2 februari 2010 en 13 september 2011. De redelijke eisen van welstand zijn daarbij geobjectiveerd door de gemeente onder te verdelen
30
in een aantal gebiedstypen. Elk gebiedstype kent eigen welstandseisen voor zowel bouwwerken op zichzelf als in relatie tot de omgeving, aan de hand waarvan bouwplannen worden beoordeeld. Elk gebiedstype kent eigen welstandaspecten voor het bouwwerk op zichzelf en voor het bouwwerk in relatie tot de omgeving waarop beoordeeld wordt.
Afbeelding 2.4: gebiedstypen welstandsnota Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan valt onder het gebiedstype 'instituten en kantoren'. Terwijl voor de woningbouw aanvankelijk de ruimtelijke opzet werd gebaseerd op de sfeer en de structuur van voormalige buitenplaatsen heeft dat bij de locatie ontwikkeling voor instituten en kantoren nauwelijks een rol gespeeld. Alleen het park waarin de Robert Fleury Stichting haar huisvesting heeft gehad, herinnert nog aan het gegeven dat hier het uitgestrekte landgoed Schakenbosch gelegen heeft. Schuin door het park loopt een landelijk weggetje, de Frekeweg, restant van de historische lijn Veurse Achterweg, Boslaan, Lijstweg. De continuïteit in die lijn is grondig versneden en geblokkeerd door een ruime bocht van de Noordsingel en de bouw van een verzorgingshuis. Het Schakenbosch heeft daarmee een isolement dat zich kennelijk ook aan welstandstoezicht onttrekt. Met het onderhavige plan is het plangebied zo ingericht en de bebouwing zo vorm gegeven dat het een samenhangend geheel vormt. Voor het plangebied is een Definitief Stedenbouwkundig Plan opgesteld met een specifiek gebiedsgericht welstandskader. Dit Kader is door Welstand aanvaard als aanvullend toetsingskader voor toetsing van de bouwplannen om zo tot samenhang te komen passend bij het specifiek karakter van het gebied.
31
32
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de bestaande situatie van het plangebied. Aan bod komen de ruimtelijke hoofdstructuur van het plangebied en de aanwezigheid van verschillende functies in het plangebied.
3.2
Functionele analyse
Gelegen op een oude strandwal werd het gebied tussen Leidschendam en Voorschoten (de Duivenvoordecorridor) eeuwenlang gebruikt voor tuinbouw en veehouderij. Het gebied raakte in de vorige eeuw grotendeels bebouwd met kassencomplexen. Het plangebied ligt tussen de komgrens van Leidschendam en Duivenvoordecorridor. In de jaren '40 nam een zorginstelling voor psychiatrie zijn intrek in het plangebied, op wat toen Schakenbosch werd genoemd. De locatie Schakenbosch kwam net voor WOII in het bezit van de Vereniging Nederlandsche Hervormde Stichtingen voor Zenuw- en Geesteszieken. Deze Stichting maakte in 1940 een begin met de bouw van de psychiatrische inrichting 'Hulp en Heil', die in 1949 officieel geopend werd door koningin Wilhelmina. De afgelopen zestig jaar heeft de inrichting verschillende vormen van gebruik gekend, in lijn met de veranderde opvatting over psychiatrie en de meest doelmatige behandeling van patiënten. Dat betekent dat zowel het bebouwingspatroon als de groene terreininrichting een aantal malen is aangepast. Sinds 2010 is het plangebied niet meer als inrichting in gebruik. Wel is direct aangrenzend aan de zuidzijde van het plangebied de nieuwe GGZ Rivierduinen ontwikkeld die via de hoofdingang van plangebied is ontsloten. Aan de noordzijde is de gesloten jeugdinrichting Schakenbosch gesitueerd, omzoomd door het sportpark Kastelenring.
De afgelopen jaren zijn al meerdere zorggebouwen binnen het plangebied gesloopt. Het plangebied heeft daarnaast een recreatieve functie voor omwonenden, geregeld wordt er een wandeling gemaakt door het parkachtige plangebied.
3.3
Ruimtelijke analyse
3.3.1
Stedenbouwkundige opzet
Het plangebied is gesitueerd aan de groene stadsrand van Leidschendam, de overgang naar het landschap van de Duivenvoordecorridor. De stedenbouwkundige opzet van het plangebied wordt grotendeels bepaald door de bebouwingsstructuur, de verkeersstructuur en de groen-water structuur. Het plangebied wordt gekenmerkt door het vele groen begeleid door water. De randen van het plangebied kenmerken zich door dichtere bosstroken. De landschappelijke ligging en ontstaansgeschiedenis van het plangebied hebben geleid tot een zichtbare driedeling van het plangebied, namelijk het park aan de voorzijde, boskamers in het midden en weilanden aan de achterzijde. 3.3.2
Bebouwingsstructuur
Van de karakteristieke instellingsarchitectuur uit de beginperiode resteren het sanatorium Vlietzicht, de kerk en enkele gebouwen (Hoofdgebouw, Economiegebouw en Ketelhuis) in de middenas. Het terrein heeft zijn statige entree aan de Veursestraatweg behouden. Ook de bestaande dienstwoningen die verspreid liggen over het gebied, zoals de identieke poortwachterswoningen aan de Frekeweg/Lijtweg, zijn nog aanwezig en vormen karakteristieke elementen. In navolgende afbeelding zijn de gebouwen in het plangebied weergegeven.
33
Afbeelding 3.1: overzicht gebouwen plangebied 3.3.3
Verkeersstructuur
De hoofdontsluiting van het plangebied is via de Veursestraatweg. Via de hoofdontsluiting is er een zichtas richting het middengebied. In dwarsrichting wordt het plangebied gekruist door de landelijke Frekeweg/Lijtweg, een openbare langzaamverkeersroute. De verkeersstructuur in het plangebied is parkachtig opgezet. 3.3.4
Groenstructuur
In de loop van de jaren is een parkachtige omgeving ontstaan met een grote variatie in boombeplantingen waarbij aangemerkt moet worden dat van een totaalontwerp nooit sprake is geweest. Langs de randen van het gebied liggen dichtere bosstroken, verspreid over het terrein staan solitaire parkbomen. Door het wisselende beheer en de leegstand heeft het groen nogal wat achterstallig onderhoud. Het terrein maakt daardoor een wat sleetse en onsamenhangende indruk. 3.3.5
Waterstructuur
De drie grote vijvers leveren geen van allen een aantrekkelijk beeld op in samenhang met de bebouwing en beplanting. Langs de randen van het terrein en langs de historische Frekeweg/Lijtweg liggen waterlopen die deel uitmaken van het boezemstelsel en daarmee het terrein in het landschap verankeren.
34
Hoofdstuk 4 4.1
Visie op het plangebied
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Aan de hand van de randvoorwaarden beschreven in paragraaf 2.5.1 Ruimtelijk kader Schakenbosch is men gekomen tot het onderhavige plan. De randvoorwaarden zijn: 1. Behoud van de herkenbaarheid van Schakenbosch als groene enclave aan de rand van de stad; 2. Behoud van de waarde van Schakenbosch als groene schakel tussen stad en landschap; 3. De landschappelijke ondergrond blijft herkenbaar in de nieuwe ontwikkeling; 4. De geschiedenis van de psychiatrische inrichting blijft op een subtiele manier herkenbaar; 5. Schakenbosch behoudt zijn parkachtige kwaliteit.
4.2
Toekomstige situatie
4.2.1
Stedenbouwkundige opzet
Voor de beeldkwaliteit van de toekomstige woonomgeving staat de huidige parkachtige kwaliteit van het plangebied centraal; wonen op een Landgoed in een groene omgeving, met ruimte voor sport en spel. Driedeling plangebied De landschappelijke ligging en ontstaansgeschiedenis van het plangebied hebben geleid tot een zichtbare driedeling van het terrein. De typologie van de drie verschillende zones vormt de leidraad voor de verdere uitwerking van het terrein en de toekomstige bebouwing: het park aan de voorzijde: enkele, bijzondere gebouwen verspreid in het groen, gevarieerde parkbeplanting met solitairen, compositie van open ruimtes boskamers in het midden: dichtere bebouwingskern, meer formeel van opzet, structurerende groene randen weilanden aan de achterzijde: op de overgang naar de strandvlakte lagen van oudsher de boerderijen zoals Herbertshoeve en Bouwlust met meer openheid en karakteristieke erfbeplanting Herontwikkeling, woonclusters en vrijstaande bebouwing Een aantal bestaande karakteristieke gebouwen (Hoofdgebouw, Economiegebouw, Ketelhuis en Kerk) en landschappelijke elementen van het oude Schakenbosch blijven behouden op Schakenbosch en worden aangevuld met nieuwe stijlvolle architectuur. De overige gebouwen worden gesloopt en maken ruimte voor nieuwe woningen, groen of water.
Er ontstaat een hedendaags landgoed, waarbij veel aandacht wordt geschonken aan de klassieke structurele landgoed-elementen zoals bomenlanen, kronkelende paden, waterpartijen en tuinen. Ruimte voor groen blijft behouden door verdichting rond de kern (Hoofdgebouw, Economiegebouw en Ketelhuis en compacte woonclusters in de randzone. De woonclusters fungeren als op zichzelf staande objecten met ieder een eigen karakter, waarbij veel aandacht uitgaat naar de subtiele overgangen tussen publiek en privaat. Ook de oriëntatie van de bebouwing speelt daarbij een grote rol. De clusters zijn onderdeel van het park of voegen zich bij de bestaande -herbestemde- bebouwing, waardoor ze waardevolle open ruimtes benadrukken of onderdeel worden van de meer gesloten bosranden. Hierdoor blijft de ervaring van een groen landgoed dominant. Naast de woonclusters is er ook ruimte voor vrijstaande bebouwing als accenten verspreid over het terrein. Zowel de woonclusters als de vrijstaande bebouwing houden rekening met de gewenste maat van de groene randen en de aanwezige waardevolle open ruimtes van het plangebied. Het landgoed Schakenbosch valt te plaatsen in de traditie van herenhuizen, buitenplaatsen en landgoederen aan de Vliet. Een buitengoed dat zich oriënteert op het landschap, sloten, polders
35
boerderijen en kasteel Duivenvoorde aan de oostzijde. Bouwplan Conform de gemeentelijke ambities krijgt dit woongebied een groen, duurzaam en hoogwaardig karakter en moet het ruimte bieden aan meerdere doelgroepen. Het totale bouwplan beslaat ca. 26.000 m² (footprint), maximaal 325 woningen (circa 10 wo/ha, in de typologie rustig stedelijk wonen, dorps wonen en hoogwaardig wonen), alsmede een zorgcentrum en kleinschalige maatschappelijke-, bedrijfs- en horecafuncties. Naast dure, exclusieve woningen worden er minimaal 5% van het totaal in het segment 'sociaal' gerealiseerd en 10% in het segment 'goedkoop/middelduur' (ca. 50 woningen). Aanvullend daaraan worden in deelplan Duivenhof nog 10% woonruimten in de vorm van onzelfstandige zorgvoorzieningen (beoogd 48 wooneenheden, conform Ruimtelijk Kader minimaal 30 wooneenheden) gerealiseerd. Alle gestapelde woningen in het plan zullen levensloopbestendig worden uitgevoerd en derhalve geschikt (te maken) zijn voor minder validen en senioren. 4.2.2
Bebouwingsstructuur
Het streven is om de bestaande gebouwen op het terrein te handhaven en te herbestemmen, met uitzondering van gebouwen Ursula (aan de achterzijde) en aanbouwen rondom en achter de kerk. Het paviljoen Vlietzicht wordt in gemoderniseerde vorm herbouwd. Daarnaast is er ruimte voor nieuwbouw. Binnen het plangebied ontstaan er woonclusters. In navolgende afbeelding zijn de verschillende woonclusters weergeven.
36
Afbeelding 4.1: toekomstige situatie plangebied met weergave woonclusters Carré Carré vormt het centrale deel binnen het plangebied. Ter plaatse worden het Hoofdgebouw en Economiegebouw omgevormd tot fraaie woningen en omringd door nieuwbouw. Door de nieuwe woningen ontstaan er hofjes, pleintjes, steegjes en hoekjes. De twee 'poortwachters' vóór het Hoofdgebouw begeleiden de zichtas en accentueren de entree naar de Carre, middels een poort door het Hoofdgebouw. Deze wachters staan markant net over de grens van de groenzone en de centrale as om hun stedenbouwkundige rol zo goed te kunnen vervullen.
37
Naast woningen biedt het Ketelhuis of de Centrale Keuken in het Economiegebouw mogelijk ook de kans om kleinschalige horeca-, bedrijfs- en maatschappelijke functies in het Carré op te nemen, met een maximum van 1.200 m2. De bebouwing zal in totaal een oppervlakte (footprint) van ca. 11.000 m² krijgen met een maximale bouwhoogte van 7 lagen met kap. Huis aan de vijver Een flinke vijver zal het beeld bepalen. Omsloten door een haag van groen worden er meerdere appartementencomplexen gerealiseerd in een samenhangende compositie. De totale oppervlakte (footprint) van het de appartementencomplexen zal ongeveer 2.000 m² bedragen met een bouwhoogte van 4 lagen met kap. Vanwege het specifieke architectonische ontwerp resulteert dit in een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 15 en 18 meter. Hiermee wordt voldaan aan het uitgangspunt in het Ruimtelijk Kader dat de bebouwing rondom het Carré qua omvang en hoogte ondergeschikt moet blijven ten opzichte van de bebouwing in het Carré. Pauwentuin Er wordt één appartementengebouw gerealiseerd. De totale oppervlakte (footprint) van de bebouwing zal ongeveer 2.000 m² bedragen met een bouwhoogte van 4 lagen met kap. Het appartementengebouw wordt omsloten door groen en water.
De Hoeve De bebouwing en inrichting van De Hoeve sluit aan bij het eeuwenoud agrarische gebied door gebruik te maken van de landelijke, geborgen architectuur binnen een singelstructuur die al in het landschap aanwezig is. Er wordt een gemeenschappelijke fruitboomgaard of moestuin gerealiseerd. De bebouwing is geclusterd rondom gezamenlijke hoven. Het parkeren wordt opgelost middels een "parkeerschuur" die aansluit bij de landelijke karakteristieken die worden nagestreefd. De ruime groene omkadering van fruitbomen en gemeenschappelijk groen alsmede de 'doorwaadbaarheid' van het terrein middels wandelpaden zorgen ervoor dat voldaan wordt aan de in het ruimtelijk kader nagestreefde sfeer in de randzone, met een doorlopend groen parklandschap. Ter plaatse worden grondgebonden woningen gerealiseerd met een totale oppervlakte (footprint) van ca. 5.500 m² met een bouwhoogte van 2 lagen met kap. Huizen in het hout Twee gebieden bieden de vrijheid aan bewoners om zelf vorm te geven aan hun woondroom. Het groene noorden van het landgoed zal aansluiten bij landweggetjes zoals die in de directe omgeving te vinden zijn. In de zuidelijke hoek zijn een aantal kavels beschikbaar zijn voor woningen met bijvoorbeeld paardenstal en -wei. Ter plaatse komen kavels voor vrijstaande woningen beschikbaar. De woningen zullen bestaan uit twee lagen met kap.
Duivenhof In de Duivenhof wordt wonen en zorg gecombineerd, met de nadruk op senioren. De Duivenhof wordt opgezet als een hofje, met een rijkdom aan groen rond de bebouwing. Het gemeentelijk monument, kerkgebouw De Hulp en Heilkerk, wordt verbouwd en krijgt een maatschappelijke functie. Met de verbouwing blijft de monumentale waarde en de kwaliteiten van de kerk behouden. Het kerkgebouw wordt beschermd middels een opgenomen bouwaanduiding 'monument' in de regels. Daarnaast vindt er een uitbreiding plaats om een zorgcentrum mogelijk te maken. De totale oppervlakte (footprint) zal ca. 4.500 m² bedragen met een bouwhoogte van 4 lagen met kap. Vlietzicht Op de rand van het landgoed vormt Vlietzicht de ideale plek voor gezinnen met kinderen. De bebouwing wordt in gemoderniseerde vorm herbouwd. Het bestaande gebouw is na onderzoek als technisch te slecht voor hergebruik beoordeeld. Op deze locatie worden extra grondgebonden woningen toegevoegd, bestaande uit 2 lagen met kap, met een totale
38
oppervlakte (footprint) van ca. 3.000 m². 4.2.3
Groen- en waterstructuur
Het plangebied is van oorsprong al een groen gebied met houtwallen, bosjes en parkachtige bomen en beplanting. Dit zal in de ontwikkeling van het gebied ook zo blijven, de groene randen blijven behouden en het groen verspreid over het gehele plangebied wordt waar mogelijk versterkt. Daarbij zal er worden ingespeeld op de ondergrond van strandwallen en veengrond. Het plangebied blijft grotendeels openbaar toegankelijk en blijft daardoor een perfect gebied voor een heerlijk ommetje. Door toevoegingen van recreatieve dwarsverbindingen wordt het buitengebied van Schakenbosch beter bereikbaar. De kwaliteit van het ensemble van een landgoed wordt versterkt door het toevoegen van een herkenbare drager aan de bestaande bomenstructuur: een centrale bomencarré. Tevens worden er parkbossen, lanen en tuinen toegevoegd. Naast het groen is ook het water een belangrijke karakteristiek van Schakenbosch. Het gebied maakt onderdeel uit van een groter watersysteem en dus blijven de sloten behouden. Daar wordt op een aantal plekken nog vijvers aangelegd die de beleving van het parkachtige landschap zullen versterken en tevens als waterbuffer dienen. Naast het groen en het water zal ook dat laatste element een prominente plek krijgen in de vorm van tuinen. Deze tuinen vormen naast een mooi gezicht ook de ideale ontmoetingsplekken voor de toekomstige bewoners.
De woonclusters krijgen gemeenschappelijke tuinen, met een variatie van omsloten tuinen, siertuinen en weiden. De ruime weides bij de entree en achter Duivenhof blijven behouden. Deze worden deels met bloemrijk gras ingezaaid, deels met strakke gazons. De weides worden met solitairen en boomgroepen gemarkeerd. 4.2.4
Verkeersstructuur
Wegenstructuur Vanuit het oude hoofdgebouw loopt er een fraaie zichtas naar de Veursestraatweg. Dit zal de enige ontsluitingsroute blijven voor gemotoriseerd verkeer. Het verkeer van de toekomstige ontwikkeling Noorthey zal tevens via het plangebied op de Veursestraatweg ontsloten worden. Er is in de toekomst geen sprake van een verbinding van het plangebied naar de Noortheylaan. Er is geen doorgaande verbinding voor gemotoriseerd verkeer naar Prinsenhof. In geval van calamiteiten kunnen nooddiensten gebruik maken van de Bouwlustweg. Voor regulier verkeer is deze route afgesloten middels een verwijderbaar obstakel. De wegenstructuur binnen het plangebied zal worden afgestemd op de functie. Gelet op de toekomstige woonfunctie en het relatief geringe aantal voertuigbewegingen, zal het plangebied ingericht worden als een 30 km/u gebied. De smalle rijbanen en het nader uit te werken wegontwerp inclusief snelheidsremmende maatregelen zullen bijdragen aan een veilige verkeersituatie. De ambitie voor de schakelzone ligt in het versterken en uitbreiden van de fysieke verbindingen van de recreatieve routes. In de dwarsrichting wordt het plangebied doorkruist de lijn van de Frekeweg/Lijtweg.
Het kenmerkende profiel van deze historische route, met een laanbeplanting en klinkerpad, tussen twee waterlopen, is een waardevol en herkenbaar element in het plangebied dat gerespecteerd en behouden moet blijven. De landelijke Frekeweg/Lijtweg zorgt voor een aantrekkelijke openbare langzaam verkeersroute vanuit het woongebied van Leidschendam door het plangebied heen naar het buitengebied. Daarnaast wordt er nog een tweede openbare recreatieve verbinding voor langzaam verkeer gerealiseerd. Ook deze lijn kruist het plangebied in dwarsrichting en sluit aan op de lange lijn vanuit de Prinsenhof, aan de landschapszijde sluit deze nieuwe recreatieve verbinding aan op de bestaande Noortheylaan. Om als gebied toegankelijk en beleefbaar te zijn vormen de wandelingen langs de randen van het plangebied en over de Frekeweg/Lijtweg de recreatieve hoofdontsluiting. Het is niet de
39
bedoeling dat mensen die komen wandelen met de auto naar het gebied komen. Voor het landgoed geld dat de auto te gast is in de openbare ruimte. Voetgangers en fietsers hebben voorrang, de auto volgt. Naast de routes voor fietsen en wandelen is het plangebied goed aangesloten op het openbaar vervoersnetwerk. Aan de Veursestraatweg is ter hoogte van de ontsluiting van het plangebied een bushalte aanwezig (Halte Leidschendam GGZ Rivierduinen (lijn 45 en 46)). Verkeersonderzoek Door Bono Traffics is onderzoek uitgevoerd naar de verkeersstructuur en de effecten van de voorgenomen ontwikkeling hierop (zie bijlage 2). Hierbij is in het bijzonder aandacht besteed aan de effecten op de verkeersafwikkeling van GGZ Rivierduinen, die gebruik maken van dezelfde ontsluiting op de Veursestraatweg. In het onderzoek is rekening gehouden met de verkeersgeneratie van de verschillende gebiedsontwikkelingen in Leidschendam en omgeving die een effect kunnen hebben op de verkeersafwikkeling van de Veursestraatweg. De conclusie van het onderzoek is dat er na de transformatie van Schakenbosch en de realisatie van de overige ontwikkelingen, er geen afwikkelingsproblemen ontstaan op het kruispunt Veursestraatweg – Schakenbosch. Door het beperkte verkeersaanbod op de zijwegen en de aanwezigheid van voldoende hiaten op de hoofdrijbaan, ontstaan nauwelijks wachtrijen.
De langste wachtrijen ontstaan op de linksafbewegingen vanaf de Veursestraatweg. Voor deze richtingen zijn reeds aparte opstelstroken aanwezig die ruim voldoende capaciteit bieden, zowel in de ochtend- als in de avondspits. Naast de wachtrijen zijn ook de wachttijden vanuit de zijwegen zeer beperkt. Dit betekent dat er voor het verkeer op de zijwegen voldoende hiaten op de Veursestraatweg aanwezig zijn om binnen acceptabele tijd in te kunnen voegen op de hoofdrijbaan. Er is specifiek gekeken naar de bereikbaarheid van de GGZ. Belangrijk aspect is dat de toegang, die georganiseerd is via de Van Ruytenburghlaan, niet geblokkeerd wordt door een wachtrij op Schakenbosch. Uit de simulatie is gebleken dat de wachtrij op Schakenbosch in 90% van de tijd niet langer wordt dan circa 10 meter. De lengte van het wegvak tussen de Veursestraatweg en de Van Ruytenburghlaan bedraagt 27 meter, wat daarmee ruim voldoende is. De kans op het blokkeren van de toegangsweg is derhalve zeer klein. Parkeren Het principe is dat bewoners uit het zicht van de openbare ruimte parkeren. Dat kan in een parkeerkelder, in stalling omsloten door woonbebouwing of in een parkeerschuur. Voor bezoekers van de woningen zijn parkeerpockets voorzien. Deze parkeeroplossingen zijn in lijn met de in het Ruimtelijk kader vastgelegde uitgangspunten.
Voor de gebouwde voorzieningen worden deels (half)verdiepte parkeerkelders voorzien, deels gebouwde voorzieningen op het maaiveld. De parkeerkelders worden voorzien in de deelgebieden 'Duivenhof', 'Huizen aan de Vijver' en 'Pauwentuin' alsmede in deelplan 'Carré'. De tweede categorie kan bestaan uit zogenaamde 'parkeerschuren' in de deelgebieden 'Huizen in de Hout' en 'De Hoeve' en een zogenaamde 'parkeerpergola' in deelgebied Vlietzicht. Dit zijn gebouwde parkeervoorzieningen die door hun vormgeving een goede inpassing in het landschap beogen. Het eigendom komt in een VVE. In de parkeerbalans wordt rekening gehouden met de parkeernormen behorende bij de gebiedscategorisering "rest bebouwde kom". Er wordt, gezien de dominantie van de woonfunctie, geen rekening gehouden met voordelen uit dubbelgebruik. Bezoekersparkeren wordt in kleinschalige 'parkeerkoffers' geplaatst welke voorzien zijn van halfverharding en een groene omkadering. Voor bezoekersparkeren wordt de norm van 0,3 per woning gehanteerd alsmede de passende norm voor zorg, maatschappelijk en horeca waar benodigd.
40
Afbeelding 4.2: weergave verschillende parkeeroplossingen In bijlage 3 is de parkeerbalans opgenomen die is opgesteld op basis van de proefverkaveling.
41
42
Hoofdstuk 5 5.1
M ilieu-aspecten
Inleiding
In het bestemmingsplan is naast stedenbouwkundige uitgangspunten en bestaand ruimtelijk beleid ook rekening gehouden met verschillende milieu- en omgevingsaspecten, zoals bodemkwaliteit, waterhuishouding, geluid en archeologie. In lijn met het door de gemeenteraad op 7 juli 2020 aangenomen amendement is er door een onafhankelijke derde partij een second opinion uitgevoerd op de bij het ontwerp-bestemmingsplan bijgevoegde onderzoeken. De uitkomsten van deze second opinion heeft op onderdelen tot wijzigingen geleid. In bijlage 21 is weergeven op welke wijze omgegaan is met de opmerkingen in de second opinion.
5.2
Bodem
5.2.1
Inleiding
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. 5.2.2
Beoordeling plangebied
Op 10 februari 2017 is een memo bodemkwaliteit Schakenbosch opgesteld. De memo is als bijlage 4 toegevoegd. In deze memo is een overzicht opgenomen van de uitgevoerde bodemonderzoeken binnen het plangebied. Op de ontwikkellocatie ‘Schakenbosch’ zijn gedurende de voorbereidingen op de ontwikkelperiode diverse milieukundige (bodem)onderzoeken (verkennend en nader bodemonderzoek) uitgevoerd. In 2009 is door de gemeente Leidschendam een zeer uitgebreid historisch bodemonderzoek (concept) verricht, waaruit aanvullende verdachte deellocatie naar voren zijn gekomen. Op basis van dit historisch onderzoek is de ontwikkellocatie in 2010 nogmaals onderzocht, waarbij specifieke aandacht is besteed aan alle verdachte deellocaties (incl. slootdempingen). In geen van de uitgevoerde bodemonderzoeken zijn verontreinigingen aangetoond, welke op basis van de Wet bodembeschermingen als een geval van ernstige bodemverontreiniging worden aangemerkt. In de grond worden overwegend geen tot licht verhoogde gehalten (max. kwaliteitsklasse industrie) en in het grondwater overwegend geen tot lichte verhoogde concentraties aangetoond. Sinds de laatste uitgevoerde bodemonderzoeken (periode 2008-2010) hebben op de ontwikkellocatie geen veranderingen (nieuwe bronnen) in gebruik opgetreden welke zouden hebben kunnen leiden tot bodemverontreiniging.
Alle verdachte activiteiten in het verleden die mogelijk hebben geleid tot bodemverontreiniging zijn reeds onderzocht. De uitgevoerde bodemonderzoeken geven dus nog steeds een actueel beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse en derhalve nog zeer goed bruikbaar en dus representatief. Een nieuw uit te voeren bodemonderzoek zal gezien het huidige gebruik van het plangebied niet leiden tot nieuwe inzichten in de bodemkwaliteit. De bodem is geschikt voor de realisatie van onderhavig plan.
43
5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
5.3
Water
5.3.1
Inleiding
De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan en is in samenspraak met de waterbeheerders tot stand gekomen. In dit hoofdstuk komen alle relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de watergangen in het polderland binnen het plangebied als ook voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het boezemwater. Het Hoogheemraadschap is tevens de beheerder van de waterkeringen. De gemeentelijke taken zijn o.a. het riool- en oeverbeheer. Voor onderhavig plan is een waterstructuurplan opgesteld, welke positief beoordeeld is door Het Hoogheemraadschap van Rijnland. In het waterstructuurplan zijn de uitgangspunten en randvoorwaarden voor waterhuishouding en riolering geformuleerd. Deze volgen uit het beleid van het Hoogheemraadlandschap van Rijnland en de gemeente Leidschendam - Voorburg. Op basis van het waterstructuurplan is een positief wateradvies gegeven. In onderstaande paragrafen wordt kort ingegaan op het waterstructuurplan. Het volledige waterstructuurplan is in bijlage 5 te vinden. 5.3.2
Waterstructuur
Het huidige watersysteem is een complex geheel van boezemland, polders, boezemwatergangen die polders doorkruisen en sifons onder boezemwatergangen die de peilgebieden van polders onderling verbinden. In de waterstructuurvisie is deze indeling echter niet aangepast, de huidige indeling in boezemland en polder is gehandhaafd. De aan- en afvoer van het poldersysteem en de boezem blijven ook gehandhaafd. 5.3.2.1 Poldergebied Binnen het poldergebied wordt een bestaande waterpartij gedempt en worden twee nieuwe waterpartijen gerealiseerd. Daarnaast worden nieuwe watergangen aangelegd. Het poldergebied ten oosten van het plangebied kan door middel van de sifon blijven afvoeren via het plangebied. Door het netwerk van watergangen wordt het water afgevoerd richting de noordelijke sifon. 5.3.2.2 Boezemgebied De waterstructuur van het boezemgebied wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. De watergangen aan weerszijde van de Frekeweg en Lijtweg zullen op twee locaties worden gekruist door nieuwe wegverbindingen. 5.3.3
Waterberging
Ten opzichte van het watersysteem in de huidige situatie wordt een aantal watergangen en de waterpartij in het noordelijk deel gedempt. Gedempt oppervlaktewater moet 1 op 1 worden gecompenseerd. Daarnaast wordt ten opzichte van de huidige situatie een aantal panden en wegen gesloopt. Hiervoor in de plaats komen nieuwe bebouwing en wegen. De toename van verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de toename van verhard oppervlak in het boezemgebied en de toename van verhard oppervlak in het poldergebied. Uit berekening welke is opgenomen in het waterstructuurplan volgt dat de inrichting voldoet aan de gestelde eisen voor water binnen het plangebied.
44
5.3.4
Waterkwaliteit
De watergangen en waterpartijen in het plan worden zoveel mogelijk met elkaar verbonden. Hierdoor ontstaan geen doodlopende watergangen, wordt de doorstroming verbeterd en wordt stagnant water voorkomen. Dit heeft een positief effect op de waterkwaliteit. Door het nieuwe verhard oppervlak af te laten voeren naar het oppervlaktewater wordt relatief schoon hemelwater aangevoerd. Dit heeft een positief effect op doorstroming en waterkwaliteit. In het gebied worden geen uitlogende materialen toegepast welke schadelijk kunnen zijn voor de waterkwaliteit. 5.3.5
Waterkeringen
Rondom het deel van het plangebied dat tot de polder behoort ligt een boezemwaterkering. Deze worden ook wel regionale waterkeringen genoemd. De beschermingszone van de regionale waterkering is met een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen op de verbeelding. 5.3.6
Riolering
Het gebied zal worden voorzien van een gescheiden rioolstelsel. Het regenwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater en het vuilwater zal worden afgevoerd naar de RWZI. Het gebied ten zuiden van de Frekeweg zal onder vrijverval afvoeren naar de gemengde riolering in de Veursestraatweg. Het gebied ten noorden van de Frekeweg zal door middel van een nieuw rioolgemaal afvoeren naar het gemengde rioolstelsel in de wijk Prinsenhof. 5.3.7
Beheer en onderhoud
De watergangen in het plan hebben een breedte van 2,5 m en 4 m. De hoofdwatergangen voldoen hierbij niet aan de minimale afmetingen uit de algemene regel van uitvoeringsregel 5 Graven. Deze afwijkende breedte is in de huidige situatie reeds aan de orde. De eisen ten aan van de minimale breedte van de watergang gelden voor het goed kunnen onderhouden van de watergang en dat deze watergang voldoende water kan aan- en afvoeren. Ten aanzien van het onderhoud kan gesteld worden dat het onderhoud van de watergangen door het Hoogheemraadschap vanaf de kant wordt uitgevoerd in plaats van varend waardoor de breedte geen probleem oplevert. Om het onderhoud vanaf de kant mogelijk te maken hebben hoofdwatergangen een beschermingszone van 5,00 m breed. Ten aanzien van het voldoende kunnen aan- en afvoeren van water kan gesteld worden dat de smallere watergangen vanwege o.a. het overwegend groene karakter van de omgeving niet leidt tot afwateringsproblemen. 5.3.8
Conclusie
Op basis van het waterstructuurplan is een positief wateradvies gegeven. Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
5.4
Geluid
5.4.1
Inleiding
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. In situaties waarbij de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld rond 30 km wegen of bij bedrijven niet gelegen op Wgh-gezoneerde bedrijventerreinen) zal de bescherming tegen geluid via de invulling van "een goede ruimtelijke ordening" plaatsvinden (Wro/Wabo). Wegverkeerslawaai
45
Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere weg, met uitzondering van woonerven en 30 km gebieden. Voor alle woningen en geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van die weg liggen, moet de geluidsbelasting als gevolg van verkeerslawaai berekend worden. De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 Wgh wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven. Railverkeerslawaai Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan 55 dB voor woningen en geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de spoorweg. Industrielawaai/bedrijfszonering Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder (Wgh) is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers, woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gevestigd. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone.
Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. 5.4.2
Beoordeling plangebied
Het onderhavige plan voorziet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies binnen de invloedszone van de spoorlijn Den Haag - Leiden en de Veursestraatweg (N447). In de directe omgeving van het plangebied is geen bedrijven-/industrieterrein gelegen waar een zonering in het kader van industrielawaai van toepassing is. Het bedrijventerrein aan de Parnashofweg wordt getransformeerd tot woongebied. Door Aveco de Bondt is een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd (zie bijlage 6). Op basis hiervan is het volgende gebleken: Op grond van de Wet geluidhinder zijn er in de nabijheid van het plangebied twee bronnen met een relevante geluidzone, te weten de Veursestraatweg en het spoortraject Den Haag - Leiden. De geluidbelasting vanwege het spoor overschrijdt de voorkeursgrenswaarde met slechts 1 dB ter plaatse van het deelgebied 'Huizen in het Hout' in het noordwesten van het plangebied. De geluidbelasting vanwege de Veursestraatweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde met 4 dB ter plaatse van twee nieuw geprojecteerde woningen aan de Lijtweg en met 6 dB ter plaatse van de locatie Duivenhof. Nergens wordt de maximaal te ontheffen waarde overschreden. Geluidbeleid De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft geluidbeleid vastgesteld (Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg (201/3089)).