Bijlage 1947-13 Toelichting bestemmingsplan Schakenbosch
Tekst van het document
Schakenbosch
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Opbouw van het plan
3 3 3 5 6
Hoofdstuk 2 Beleidskader 2.1 Europees beleid 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal Beleid 2.4 Regionaal beleid 2.5 Gemeentelijk beleid
7 7 7 13 19 21
Hoofdstuk 3 Bestaande situatie 3.1 Inleiding 3.2 Functionele analyse 3.3 Ruimtelijke analyse
33 33 33 33
Hoofdstuk 4 Visie op het plangebied 4.1 Inleiding 4.2 Toekomstige situatie
35 35 35
Hoofdstuk 5 Milieu-aspecten 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Water 5.4 Geluid 5.5 Luchtkwaliteit 5.6 Bedrijven en milieuzonering 5.7 Flora en Fauna 5.8 Externe Veiligheid 5.9 Voorkomen explosieven 5.10 Besluit m.e.r. 5.11 Duurzaamheid
43 43 43 44 45 47 48 50 52 54 55 56
Hoofdstuk 6 Cultureel erfgoed 6.1 Archeologisch erfgoed 6.2 Cultuurhistorisch erfgoed
57 57 66
Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving 7.1 Systematiek van de bestemmingsregels 7.2 Inleidende regels 7.3 Bestemmingsregels 7.4 Algemene regels, overgangs- en slotregels 7.5 Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan
69 69 69 69 70 70
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
73 73 74
2
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het plangebied 'Schakenbosch' bevindt zich aan de Veursestraatweg, gelegen tussen de bebouwde kom van Leidschendam en de Duivenvoordecorridor. Tot voor kort was het plangebied in gebruik door zorginstelling 'Schakenbosch'. Meijer Bergman Erfgoed Ontwikkeling en KondorWessels Projecten hebben het voornemen om het plangebied te herontwikkelen en op een hoogwaardige en duurzame wijze een aantrekkelijke woonomgeving in het groen te realiseren. Door de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg zijn op 12 december 2017, met het vaststellen van het Ruimtelijk kader Schakenbosch, de programmatische en ruimtelijke kaders en uitgangspunten voor deze gebiedsontwikkeling vastgesteld. Het plangebied is in de vigerende beheersverordening '2017 Leidschendam-Voorburg' bestemd als 'Agrarische doeleinden-C met landschappelijke waarde' en 'Bijzondere Doeleinden'. Binnen deze bestemmingen zijn geen reguliere (burger) woningen toegestaan. Met het voorliggende bestemmingsplan Schakenbosch wordt de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt in lijn met het vastgestelde Ruimtelijk Kader. Onderhavig bestemmingsplan is in een eerder stadium aan de gemeenteraad ter besluitvorming voorgelegd. De gemeenteraad heeft tijdens de raadsvergadering d.d. 7 juli 2020 het bestemmingsplan niet vastgesteld maar in meerderheid ingestemd met een amendement. In een raadsbrief d.d.
1 september 2020 heeft het college van Burgemeester en Wethouders aan de gemeenteraad uiteengezet op welke wijze zij uitvoering willen geven aan het raadsbesluit van 7 juli 2020. In onderhavig bestemmingsplan, maar tevens in de bijbehorende zienswijzennota en een overeengekomen aanvulling op de anterieure overeenkomst wordt ingegaan op welke stappen sinds het aangenomen amendement zijn genomen en welke wijzigingen dit heeft gehad voor het bestemmingsplan in samenhang met de onderliggende milieuplanologische onderzoeken.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Veursestraatweg (N447), tussen de bebouwde kom van Leidschendam en de Duivenvoordecorridor. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door de jeugdinrichting Schakenbosch, het sportpark Kastelenring en de spoorlijn Leiden-Den Haag. De zuidzijde wordt begrensd door de Veursestraatweg. Het 30 ha grote terrein is zowel onderdeel van de stad als van het landschap. Met op korte afstand de historische kernen van Leidschendam en Voorburg, maar ook de grote landschappen van Duin en Polder. Het plangebied staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Veur, sectie A, perceelnummers 1579, 985, 1562, 1554, 1216 en 1552. In de navolgende afbeelding is het plangebied weergegeven.
3
Afbeelding 1.1: ligging plangebied Schakenbosch
4
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Voor het plangebied is de 'Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg' vigerend. De beheersverordening is vastgesteld op 30 mei 2017. De beheersverordening omvat de bestaande planologisch-juridische regeling dan wel de bestaande gebruiks- en bouwmogelijkheden van de percelen, zoals opgenomen in de regels van voorheen geldende bestemmingsplannen. Deze gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn één op één in de beheersverordening overgenomen, met toevoeging van het relevante actuele beleidskader en enkele nieuwe standaard begrippen voor dit ruimtelijke instrument. Deze beheersverordening maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, die op grond van de betreffende bestemmingsplannen niet reeds waren toegestaan en heeft dan ook een conserverend karakter. In de regels van deze beheersverordening is aangeven dat ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Leidschendam 1978' voorheen vigeerde en dat met betrekking tot de voorschriften en de plankaart op dit bestemmingsplan dient te worden teruggevallen. Het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Leidschendam 1978' is vastgesteld op 12 juni 1978. In onderstaande afbeelding is de plankaart van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Leidschendam 1978' weergeven.
Afbeelding 1.2: plankaart Landelijk gebied Leidschendam 1978 Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Agrarische doeleinden-C met landschappelijke waarde' (groen omkaderd vlak) en 'Bijzondere Doeleinden' (zone A,B,C: stichting Schakenbosch, gezondheidszorg) ter plaatse. Toetsing van het onderhavige plan aan het vigerende bestemmingsplan Op het perceel van de voormalige zorginstelling Schakenbosch wordt een woonomgeving ontwikkeld. In paragraaf 4 wordt de ontwikkeling toegelicht. Het totale bouwplan beslaat 26.000 m2 (footprint) en maximaal 325 woningen (met uitzondering van de 7 bestaande woningen) alsmede een zorgprogramma. Voor een klein gedeelte van het totale plangebied (noordelijke gedeelte), zijn gronden aangewezen voor 'Agrarische doeleinden C (met landschappelijke waarden)'. Deze gronden zijn bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven met behoud van de aldaar
5
voorkomende landschappelijke waarden. Voor het grootste gedeelte van het plangebied vigeert de bestemming 'Bijzondere doeleinden'. Deze gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van de gezondheidszorg en een gebouw voor sociale en religieuze doeleinden met daarbij behorende bebouwing, wegen, parkeer- en groenvoorzieningen. Het onderhavige plan is niet mogelijk binnen de vigerende beheersverordening. Met het onderhavige plan worden er maximaal 325 woningen gerealiseerd. Binnen de bestemmingen 'Agrarische doeleinden-C met landschappelijke waarde' en 'Bijzondere Doeleinden' zijn geen reguliere (burger) woningen toegestaan.
1.4
Opbouw van het plan
Het bestemmingsplan 'Schakenbosch' bestaat uit een drietal onderdelen, te weten: de toelichting (plus bijlagen); de regels (plus bijlagen); de verbeelding (in de vorm van geometrisch bepaalde planobjecten). 1.4.1
De toelichting
Na een inleiding in dit eerste hoofdstuk, is de toelichting als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid op Europees-, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. De relevante onderdelen worden benoemd en waar nodig vertaald naar het bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder meer wordt een beschrijving gegeven van de stedenbouwkundige structuur en de functionele opbouw van het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt het toekomstbeeld voor het plangebied geschetst. Daarbij wordt specifiek ingegaan op onderhavige ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op diverse relevante milieuaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en archeologie. In hoofdstuk 7 is opgenomen hoe de in het bestemmingsplan benoemde keuzes juridisch worden vormgegeven in de regels en op de verbeelding. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven. Hierbij wordt ingegaan op het overleg met andere partijen, de maatschappelijke en de financieel-economische uitvoerbaarheid. 1.4.2
De regels
De regels en de (digitale) verbeelding vormen samen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Zij leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden en opstallen in het plangebied vast en vormen het formele beoordelingskader voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. De regels en de verbeelding zijn opgesteld in overeenstemming met de geldende verplichte standaarden voor digitaal vergelijkbare en uitwisselbare bestemmingsplannen, die onder meer zijn vastgelegd in de IMRO2012 en de SVBP2012.
6
Hoofdstuk 2
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor onderhavige plangebied relevante ruimtelijk beleid op Europees, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleidskader vormt de formele basis voor eventuele ontwikkelingen in het plangebied en is daarnaast een onderbouwing voor de beleidskeuzes die in het plan zijn gemaakt.
2.1
Europees beleid
2.1.1
Europese kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een ‘goede ecologische toestand’ (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een ‘goed ecologisch potentieel’ (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op het aspect water binnen het plangebied. 2.1.2
Verdrag van Malta
De afgelopen eeuwen is het tempo waarin wij de grond onder onze voeten roeren in razend tempo toegenomen. Of het nu woningbouw, intensieve landbouw, infrastructuur, industrie of natuurontwikkeling is: vrijwel alle ingrepen gaan gepaard met verstoring of vernietiging van bodemlagen die sporen van ons collectieve verleden bevatten. Daarom ondertekende Nederland in 1992 het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed – kortweg het Verdrag van Malta (ook wel: Valletta). De achterliggende gedachte is dat het bodemarchief eindig en kwetsbaar is en als bron van onze geschiedenis beschermd moet worden. Sindsdien is het uitgangspunt van het rijksbeleid dat archeologische waarden volwaardig meetellen bij beslissingen over gebruik en inrichting van de ruimte in ons land. De term 'archeologische monumentenzorg' (afgekort aangeduid als: AMZ) geeft de kern daarvan goed weer: archeologie is niet meer synoniem voor wetenschappelijk onderzoek en opgravingen, maar bestrijkt het hele proces van beheer van de ondergrond, behoud, selectie en besluitvorming over verwachte en aanwezige archeologische waarden. Op het wettelijke kader en de archeologische onderzoeksresultaten wordt verder ingegaan in Hoofdstuk 6.
2.2
Rijksbeleid
2.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven. Om deze nieuwe aanpak vorm te geven, was een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid nodig. Dit heeft geresulteerd in de op 13 maart 2012 door de Minister vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040 en geeft haar visie hoe Nederland in 2040 er voor moet staan. Dit op basis van de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven, zowel bovengronds als ondergronds, richting 2040 bepalen. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Tevens wordt een eenvoudigere regelgeving
7
nagestreefd. Daarbij verwacht het Rijk dat andere overheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van de 13 nationale belangen. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. Vergroten van de concurrentiek racht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. 9.
Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
8
Afb eelding 2.1: Uitvoeringsprogramma kaart Zuidvleugel / Zuid-Holland
9
2.2.1.1 Toetsing van onderhavige plan aan SVIR De SVIR kent een dusdanig hoog abstractieniveau, dat er geen directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma's op het plangebied van toepassing zijn. De met dit bestemmingsplan gepaard gaande herontwikkeling naar wonen heeft wel raakvlakken met de SVIR, met name waar het gaat om het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving. De (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is een Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in paragraaf 2.2.2. 2.2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
In het Bro, artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Ladder geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie met name de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 met nummer ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat niet álle woningbouwprojecten gezien moeten worden als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Zo stelt dat Afdeling dat een bouwplan van niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden beschouwd, in beginsel niet beschouwd moet worden als een stedelijke ontwikkeling waarop de Ladder van toepassing is. Behoefte Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van overprogrammering en de negatieve ruimtelijke gevolgen van leegstand. Ligt een plangebied in bestaand stedelijk gebied en voorziet de stedelijke ontwikkeling in een behoefte dan wordt voldaan aan de Ladder. 2.2.2.1 Toetsing van onderhavige plan aan Ladder voor duurzame verstedelijking Nieuwe stedelijke ontwikkeling Geconcludeerd wordt dat er bij onderhavig plan sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd is in de Ladder. Het onderhavig plan bestaat uit een ontwikkeling van meer dan 11 woningen.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt in beginsel in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Het onderhavige plan wordt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Het begrip 'bestaand stedelijk gebied' dat in het Bro (artikel 1.1.1, lid 1 onder h) wordt gehanteerd is gedefinieerd als een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare en sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het plangebied bestaat uit een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing welke reeds bestemd
10
is voor een stedelijke functie, namelijk voor een zorginstelling. Behoefte De druk op de woningmarkt in met name de randstad neemt zienderogen rap toe. Zo ook in de gemeenten binnen Haaglanden. De woningmarkt is overspannen, er is meer vraag dan aanbod, mede door verdunning van de gemiddelde huishoudensgrootte en de groeiende bevolking. Eén van de uitgangspunten vanuit de regionale woonvisie is het realiseren van de woonopgave binnen bestaande stedelijke gebieden. De gemeenten streven er naar om aan de provinciale vraag van ruim 50.000 woningen tot 2025 te voldoen. Om aan de grote vraag naar woningen in de regio te voldoen, wil de gemeente Leidschendam-Voorburg de realisatie van 325 woningen in bestaande en nieuwe bebouwing binnen het plangebied mogelijk maken. Onderhavig plan sluit aan op de gemeentelijke Woonvisie 2016-2020. Gelet op de opgaven uit de woonvisie wordt ingezet op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu, met een focus op langer zelfstandig wonen. Uitgangspunt is dat meerdere doelgroepen blijvend worden bediend. Met onderhavig plan wordt een hoogwaardig woonmilieu, in de typologie rustig stedelijk wonen, dorps wonen gerealiseerd. Dit woonproduct zal zorgen voor doorstroming in de bestaande voorraad in Leidschendam-Voorburg en daarmee bijdragen aan de mobiliteit in de lokale woningmarkt.
Naast dure, exclusieve woningen worden er minimaal 10% goedkope/middeldure woningen gerealiseerd en 10% woonruimten in de vorm van zorgvoorzieningen. Met het toevoegen van de mogelijkheid tot enkele kleinschalige maatschappelijke en/ of horecafunctie(s) aan het toekomstige woongebied wordt het openbare karakter van het gebied versterkt. 2.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (AMvB Ruimte)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, met uitzondering van enkele onderdelen, in werking getreden. Dit besluit is eerder aangekondigd als de Algemene maatregel van bestuur Ruimte (AMvB Ruimte) en wordt ook wel afgekort als het 'Barro'. De AMvB Ruimte is gericht op de doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke ruimtelijke plannen. Hierin worden door het Rijk kaderstellende uitspraken gedaan ten aanzien van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland. Deze uitspraken onderscheiden zich in die zin, dat van de provincies en gemeenten wordt gevraagd om met de inhoud daarvan rekening te houden bij hun ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (d.w.z.: door middel van tussenkomst door de provincie) door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De AMvB Ruimte bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken van het rijk. Omdat een deel van het ruimtelijk rijksbeleid en de bijbehorende kaders nog in ontwikkeling is danwel nog niet in werking is getreden, wordt de AMvB Ruimte gefaseerd vastgesteld.
De op 30 december 2011 inwerking getreden fase van de AMvB Ruimte bevat kaders ten aanzien van de volgende onderwerpen: Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundamenten; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie Vooralsnog is er geen sprake van nieuw of aanvullend beleid of regelgeving. De eerste fase van de AMvB Ruimte bevat de reeds in de Nota Ruimte opgenomen beleidskaders. Met het onderhavige plan zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.
11
2.2.4
Wet op Archeologische Monumentenzorg en Erfgoedwet
In Nederland is bij de invoering van ‘Malta’ er voor gekozen om gemeenten een sleutelrol te laten spelen bij het beheer van het bodemarchief. Op 1 september 2007 trad daarvoor de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking. De Wamz omvatte de wijziging van de Monumentenwet 1988, de Woningwet, de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet voor het aspect archeologie. De integratie van de archeologie in de ruimtelijke besluitvorming werd verder verankerd in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2008), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit Omgevingsrecht (2010). Het sluitstuk was de invoering van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) in oktober 2010). Met deze wetgeving is de archeologische monumentenzorg geheel geïntegreerd in de ruimtelijke wetgeving en besluitvormingsprocedures. De sinds 2007 ingevoerde wijzigingen houdt in dat bij ruimtelijke plannen de initiatiefnemer van de ruimtelijke ingreep door het bevoegd gezag kan worden verplicht de archeologische waarde van het te verstoren terrein aan te tonen.
Indien de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag is vastgesteld (bijvoorbeeld door middel van archeologisch vooronderzoek) kunnen de aanwezige en bedreigde archeologische waarden in de belangenafweging kunnen worden meegewogen, zoals vastgelegd in het Europees Verdrag van Valetta (Malta). Daarin neemt de zorg voor het archeologisch erfgoed een belangrijke plaats in. Nieuw is de bepaling dat 'de verstoorder betaalt'. Dit heeft tot gevolg dat alle kosten van archeologisch onderzoek en het eventueel uitvoeren van een opgraving voor rekening van de initiatiefnemer van een (bouw)plan is. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden, die de bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed regelt in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De archeologische waarden zijn op landelijk niveau aangegeven op de door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) uitgebrachte Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Op het wettelijke kader en de archeologische onderzoeksresultaten wordt verder ingegaan in Hoofdstuk 6. 2.2.5
Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat men werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Wat wel veranderd is, zijn de lijsten met beschermde soorten. Er zijn soorten die nu beschermd zijn, die dat onder de Flora- en faunawet niet waren en andersom. Zo is een aantal soorten planten (orchideeën), insecten en vissen (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn zonder binding met Natura 2000-gebieden) niet meer beschermd. De Wet natuurbescherming brengt het aantal beschermingsregimes terug van ‘Vogels’ en ‘Tabel 1,2,3’ naar ‘Beschermingsregime Vogelrichtlijn’, ‘Beschermingsregime Habitatrichtlijn’ en ‘Beschermingsregime andere soorten’. De eerste twee regimes komen overeen met de Europese richtlijnen. De laatste groep bevat soorten uit Tabel 1,2 en 3 die niet onder de Europese regelgeving beschermd zijn. Tevens zijn hier een aantal soorten van de Rode lijst aan toegevoegd die onder de Flora- en faunawet niet waren beschermd.
Ook onder de Wet natuurbescherming geldt dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden. In paragraaf 5.7 wordt verder ingegaan op de effecten van voorgenomen ontwikkeling op de beschermde soorten en gebieden.
12
2.2.6
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude- en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m³/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. In paragraaf 5.3 wordt in gegaan op het aspect water binnen het plangebied. 2.2.7
Nationaal bestuursakkoord Water
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feiten dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op het aspect water binnen het plangebied.
2.3
Provinciaal Beleid
2.3.1
Provinciaal Omgevingsbeleid
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De beleidskeuzes zijn opgenomen in de provinciale database Omgevingsbeleid welke digitaal raadpleegbaar is via de website van de provincie. Naast de inhoudelijke beleidsuitwerking zijn in de raadpleegomgeving ook relaties tussen de beleidskeuzes zichtbaar gemaakt.
De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische
13
beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. De geconsolideerde versie van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2019. 2.3.1.1 Opgavegericht samenwerken Het Omgevingsbeleid krijgt verder vorm via een opgavegerichte aanpak. Dat wil zeggen dat de provincie vanuit maatschappelijke opgaven bepaalt welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden aangepast. Voorziene aanpassingen in het omgevingsbeleid zijn terug te vinden in de Lange Termijn Agenda Omgevingsbeleid van Provinciale Staten. De provincie Zuid-Holland onderschrijft verder de filosofie van de Omgevingswet die in 2021 in werking treedt: minder en overzichtelijker regels, lokaal maatwerk, meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven en meer vertrouwen. De wet gaat uit van samenwerking en gecoördineerd optreden van de verschillende overheidslagen. De grote maatschappelijke opgaven zijn vrijwel altijd multischalig en vragen inzet van meerdere overheden en maatschappelijke partijen. Daarbij ondersteunt men van harte het uitgangspunt van de wet dat taken en bevoegdheden in principe op lokaal niveau worden uitgevoerd, tenzij een expliciet provinciaal belang betrokkenheid van de provincie noodzakelijk maakt. Gelet op de aard en schaal van deze samenhangende beleidskeuzes, rekent de provincie deze tot een provinciaal belang.
Het is bovenal de bedoeling dat alle samenwerkende overheden ontwikkelingsgericht, integraal en samen met belanghebbenden gaan werken aan de maatschappelijke opgaven die zich voordoen. Dit is precies de manier waarop het provinciale bestuur van Zuid-Holland wil werken: een partner die open staat voor vernieuwing, samenwerkt, zich dienstbaar opstelt en waar nodig haar verantwoordelijkheid neemt. 2.3.2
Omgevingsvisie
Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken. 1. De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: een INTRODUCTIE op het omgevingsbeleid, waarin zijn opgenomen de kaartbeelden en beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur; 2. de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: AMBITIES EN STURING. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven; 3. een beschrijving van de OMGEVINGSKWALITEIT van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. de samenhangende BELEIDSKEUZES voor de fysieke leefomgeving. Dit bestaande beleid is integraal toegankelijk via de digitale raadpleegomgeving.
De Omgevingsvisie omvat daarnaast de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
14
2.3.3
Omgevingsverordening
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. De Omgevingsverordening Zuid - Holland stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. De inhoud is van toepassing op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, waarbij een provinciaal belang speelt. De provincie heeft in de Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over Activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna activiteiten, de leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen. 2.3.4
Programma ruimte
Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet. In het programma ruimte staan de provinciale ambities en belangen. Het programma ruimte kent een grotere dynamiek dan de visie. Het kan hierdoor bijvoorbeeld in samenhang met een nieuw collegeprogramma van Gedeputeerde Staten, elke vier jaar worden geactualiseerd. Daarbij wordt verbinding gelegd met de verschillende uitvoeringsprogramma's, beleidsuitwerkingen en verordeningen. Het plangebied valt binnen de bebouwde ruimte. In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.
De onderbouwing van de behoefte zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking gebeurt met regionale visies, op basis van behoefteonderzoek. 2.3.5
Toetsing aan Provinciaal omgevingsbeleid
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij het relevante provinciale omgevingsbeleid. In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is vastgelegd waaraan een bestemmingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voldoen. Het gaat er hierbij met name om dat in de toelichting van het bestemmingsplan wordt ingegaan op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde ruimte en binnen de stadsrand. Voor de onderbouwing van de behoefte wordt verwezen naar de onderbouwing in paragraaf 2.2.2. De herontwikkeling van het plangebied dient bij te dragen aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek en er dient gebruik gemaakt te worden van de groen- en waterstructuur. De bestaande overgang de bebouwde ruimte naar het landelijk gebied blijft met onderhavige plan behouden en waar nodig versterkt en de groen- en waterstructuur binnen het plangebied wordt tevens versterkt. Bij uitstek draagt de voorgenomen ontwikkeling, waarbij woningen worden gerealiseerd in een groen landschap, bij aan een gezonde leefomgeving, één van de provinciale speerpunten. In hoofdstuk 4 wordt de herontwikkeling beschreven en wordt omschreven hoe de ruimtelijke karakteristiek wordt versterkt.
15
2.3.6
Cultuurhistorische hoofdstructuur
2.3.6.1 Algemeen De Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS) geeft een overzicht van cultureel erfgoed in de provincie Zuid-Holland. Het cultureel erfgoed wordt hier opgevat als het geheel van overblijfselen uit het verleden in de bodem (archeologie), de ongebouwde omgeving (landschap) en de gebouwde omgeving (nederzettingen). Wanneer deze overblijfselen nog voldoende herkenbaar zijn als een kenmerk van de regionale bewonings- en ontginningsgeschiedenis, zijn ze op kaart gezet: de zogenoemde cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland. De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht op hoofdlijnen van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Deze kaart kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder thema bestaat weer uit 2 kaarten, de kenmerkenkaart en de waardenkaart, die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom. De cultuurhistorische kaart is een belangrijke onderlegger voor ruimtelijke planvorming. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden blijft en/of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast heeft de provincie de zogenoemde gebiedsprofielen Cultuurhistorie opgesteld.
Dit zijn zestien gebiedsprofielen, die als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus dienen om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen, zoals die staan in de Provinciale Structuurvisie. De gebiedsprofielen zijn een aanscherping van het bestaande beleid voor cultuurhistorie en ruimtelijke planvorming. Het voorliggende plangebied maakt deel uit van het gebiedsprofiel 'Duin, Horst en Weide'. 2.3.6.2 Gebiedsprofiel Duin, Horst en Weide Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten van het gebiedsprofiel Duin, Horst en Weide voor dit gebied. Strandvlakte Karak teristiek Tussen de strandwallen van Voorschoten en Wassenaar ligt de lager gelegen, open strandvlakte Veenwatering (Duivenvoordse- en Veenzijdse Polder). Dit is de grootste strandvlakte in het gebied. Karakteristiek is het ontginningspatroon van smalle percelen en sloten haaks op de strandwallen. Belangrijke structuurdrager zijn de wateringen die parallel aan de strandwallen lopen. De landbouw vormt de belangrijkste economische drager van het open weidelandschap, ook zijn het waardevolle weidevogelgebieden.
Ambities Behoud en versterking van de openheid, rust en stilte van de strandvlaktes in contrast met de besloten strandwallen en stedelijke agglomeraties; Ruimte bieden voor een vitale landbouw als drager/beheerder van het open weidelandschap en de landelijke identiteit. Schaalvergroting en verbreding zijn mogelijk. Nieuwe ontwikkelingen passen binnen het open en landelijke karakter; Vergroten van de beleefbaarheid van de strandvlaktes zonder de rust te verstoren, bijvoorbeeld door aanleg van een beperkt aantal informele (boerenland-/natuur-)paden in combinatie met een passende bestemming zoals een vogelkijkhut. Eventueel alleen met een gids te bezoeken. Afsluiting tijdens broedseizoen mogelijk. Geen doorgaande fietsroutes; Behoud van het kenmerkende (opstrekkende) verkavelingspatroon; Broed- en foerageergebieden voor de weidevogels behouden en versterken. Strandwal Karak teristiek
16
Het plangebied ligt op de strandwal van Leidschendam - Voorschoten. Ambities Behoud en versterking van het lommerrijke karakter van de strandwallen met lanen, landgoederen/buitenplaatsen, bossen en groene villawijken; Kwaliteit van de stads- en dorpsrand Karak teristiek Op de hoger gelegen strandwallen is eigenlijk geen sprake van een bebouwingsrand, maar van verweving met het landschap. De dorpen en stadsranden zijn onderdeel van het lommerrijke, besloten landschap dat bestaat uit landgoederen, buitenplaatsen, (landgoed)bossen, parken en villawijken. Men woont in het landschap. Dorpse en landelijke programma’s vloeien in elkaar over; sportvelden, landgoederen, bossen en weides wisselen elkaar continu af. Dit zorgt voor de kenmerkende variatie tussen open en dicht. Ambities De stads- of dorpsrand en de landgoederenzone vloeien in elkaar over en worden in samenhang ontworpen. De afwisseling in gebruik en openheid is uitgangspunt. Inzetten op een maximale landschappelijke verweving tussen stad en landschap. Positionering, schaal, omvang en ligging van nieuwe ontwikkelingen wordt daarop afgestemd; (Nieuwe) ontwikkelingen zijn te gast en dragen bij aan een kwaliteitsverbetering van het landschap; De toegankelijkheid en beleefbaarheid van de landgoederenzone verbeteren door openbare routes te handhaven dan wel te versterken.
Formele structuren van de landgoederen, zoals zichtlijnen en lanen, blijven herkenbaar en worden zorgvuldig ingepast of versterkt. Deze structuren vormen aanleidingen voor visuele en fysieke verbindingen tussen stad en land. Identiteitsdragers - Horst Karak teristiek Kenmerkend voor het gebied is de unieke reeks van uiteenlopende landschappen parallel aan de kust: Duin, Horst en Weide. Een denkbeeldige doorsnede omvat 1) het natuurlijke duinlandschap, 2) de besloten strandwallen met landgoederen, boerderijen, buitens en dorpen en de open strandvlaktes daartussen en 3) de weidsheid van de polders van het veenweidegebied en droogmakerijen helemaal in het oosten. Dit zeer afwisselende landschap, vol contrasten is een grote kwaliteit en is uniek in Nederland. Ambities Versterken van de kwaliteit en identiteit van de opeenvolgende landschappen en de contrasten daartussen. Werkgebieden met karakter - zorginstelling Karak teristiek Aan de oostelijke stadsrand van Leidschendam ligt zorginstelling Rivierduinen, een grote organisatie voor geestelijke gezondheidszorg met onder andere een centrum voor eetstoornissen. Het complex heeft een groene, campusachtige uitstraling en is openbaar toegankelijk ondanks dat het privaat eigendom was en is. Door deze groene opzet sluit de zorginstelling goed aan bij de landgoederen en buitenplaatsen op de strandwal van Voorschoten en Leidschendam.
Ambities De groene campusachtige uitstraling van de zorginstelling behouden. Door op strategische plekken zichtlijnen toe te voegen, kan de zorginstelling nog meer opgaan in en onderdeel worden van de landgoederenzone tussen Leidschendam en Voorschoten; De zorginstelling goed en vanzelfsprekend verbinden met de omgeving, zodat er aangename verbindingen ontstaan tussen stad en land. Dit betekent dat routes uit de stad zoveel mogelijk doorlopen naar het landschap en aantrekkelijk zijn voor recreanten, bewoners en
17
werknemers. 2.3.6.3 Toetsing van onderhavige plan aan cultuurhistorische hoofdstructuur Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorische gebiedsprofiel Duin, Horst en Weide. Dit gebiedsprofiel vormt de uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in onderhavig plan. Het plangebied ligt op de overgang van de strandwallen naar de strandvlakte. Het meest zuidelijke gedeelte, aan de Veursestraatweg, ligt op een hogere en drogere zone, de strandwal en meer naar achteren toe ligt het nattere gebied, de strandvlaktes. Zowel in de terreininrichting als in de aanwezig boomsoorten is dit onderscheid herkenbaar. Met het onderhavige plan wordt ingespeeld op de overgang van strandwal naar de strandvlakte. Zo ontstaat er een parkachtige allure aan de Veursestraatweg op de strandwal en een landelijker karakter op de strandvlakte. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de stadsrand. Kenmerkend is dat de stadsrand onderdeel is van het lommerrijke, besloten landschap dat bestaat uit landgoederen, buitenplaatsen, (landgoed)bossen, parken en villawijken. Voor het onderhavige plan staat de huidige parkachtige kwaliteit van het plangebied centraal, wonen in een groene parkachtige omgeving. De toegankelijkheid en beleefbaarheid van de stadsrand wordt verbeterd, door openbare routes in het plangebied te versterken.
In dit geval bestaat het plangebied nu nog uit een werkgebied met karakter, welke door de groene opzet goed aansluit bij de landgoederen en buitenplaatsen op de strandwal van Voorschoten en Leidschendam. Wel heeft de huidige groenstructuur over het algemeen een laagwaardige kwaliteit. Met het onderhavige plan wordt de zorginstelling herontwikkeld tot woningbouw in een groene parkachtige omgeving. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een kwaliteitsverbetering, dat is met onderhavig plan ook het geval. In paragraaf 6.2 wordt verder ingegaan op het cultuurhistorisch erfgoed binnen het plangebied. 2.3.7
Archeologie
De provincie Zuid-Holland draagt medeverantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van het cultuurhistorisch erfgoed op en in haar grondgebied. De archeologische waarden die zich (vrijwel) onzichtbaar in de grond bevinden, zijn onderdeel van dat cultuurhistorisch erfgoed. Met de ontwikkeling van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) in 2001 en de herziening daarvan in 2007 heeft de provincie de archeologische waarden in kaart gebracht. De bescherming van het bodemarchief is wettelijk geregeld in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening De Provincie stelt in haar Verordening Ruimte dat het haar wens is, duidelijker aan te geven hoe de verdeling van de verantwoordelijkheid is tussen provincie en gemeenten bij het beschermen van bekende en potentiële archeologische waarden. Uitgangspunt is dat de gemeenten meer ruimte krijgen om hun eigen archeologiegebied in relatie tot de ruimtelijke ordening beter uit te voeren.
De gemeenten krijgen het voortouw bij de gebieden met verwachte archeologische waarden. Het gaat om de gebieden met een redelijk tot hoge trefkans op archeologische sporen en gebieden met een zeer hoge trefkans op archeologische sporen. Gemeenten kunnen voor die gebieden gemotiveerd afwijken van het provinciaal beleid op basis van een archeologische waardenkaart die gestoeld is op archeologisch onderzoek. De provincie zal zich dan terughoudend opstellen. Het provinciaal belang is het grootst in de gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden. Deze waarden moeten goed beschermd worden in het bestemmingsplan. Daarom worden de archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in de verordening. Door vaststelling van eigen archeologiebeleid en een gemeente dekkende
18
archeologische beleidskaart kan een gemeente op basis van lokale omstandigheden gemotiveerd afwijken (naar beneden en naar boven) en een eigen planologisch regime ontwerpen. In paragraaf 6.1 is de juridische regelgeving met betrekking tot het aspect archeologie ten aanzien van het plangebied nader gemotiveerd.
2.4
Regionaal beleid
2.4.1
Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021
De Haaglandengemeenten vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. De regionale samenwerking op het gebied van 'wonen' is na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen met de negen Haaglandengemeenten. Aan de hand van een gezamenlijk woningbouwprogramma willen de gemeenten zo goed en efficiënt mogelijk inspelen op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbehoeften van de regio Haaglanden. Een vast uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk realiseren van de woonopgaven binnen bestaand stedelijke gebieden. Dit omwille van het in stand kunnen houden van de specifieke groene en blauwe kwaliteiten van de regio, die in belangrijke mate bijdragen aan het prettige woonklimaat van Haaglanden. Qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad streven de gemeenten er gezamenlijk naar om te voldoen aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Gemeenten kijken daartoe met name ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en leegstand op oude bedrijventerreinen biedt om nieuwe woningen toe te voegen. Daarnaast zal uiteraard ook nieuwbouw van woningen plaatsvinden. 2.4.1.1 Toetsing van het onderhavige plan aan Woonvisie Eén van de uitgangspunten vanuit de regionale woonvisie is het realiseren van de woonopgave binnen bestaande stedelijke gebieden.
De gemeenten streven er naar om aan de provinciale vraag van ruim 50.000 woningen tot 2025 te voldoen. Dit is een grote opgave en met het onderhavige plan wordt een kleine bijdrage geleverd door een woongebied te realiseren met 325 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Op de website van "De Nieuwe Kaart van Nederland" zijn o.a. de regionaal afgestemde woningbouwplannen opgenomen. Voor het plangebied Schakenbosch zijn hier reeds de geplande 325 woningen opgenomen.
19
Afbeelding 2.2: Uitsnede "De Nieuwe Kaart van Nederland" 2.4.2
Waterbeheerplan Hoogheemraadschap Rijnland
Het plangebied is gelegen in het verzorgingsgebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied en de zorg voor de waterkeringen. Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP) van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, klimaatadaptatie en gezond water. De handreiking Watertoetsproces bij Rijnland beschrijft hoe het Hoogheemraadschap omgaat met de watertoets. Tevens wordt beschreven wat zij van derden verwacht in geval van ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Per 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Binnen het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen en rondom het plangebied zijn regionale watergangen gelegen.
2.4.2.1 Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
20
b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: 1. zonodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; 2. lokaal, zonodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. 2.4.2.2 Zorgplicht en preventie maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen.
Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld: duurzaam bouwen; het toepassen van berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruid beheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding. Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de kwaliteit van het oppervlaktewater, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus aansluiten op het gemengde stelsel.
Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op het aspect water binnen het plangebied.
2.5
Gemeentelijk beleid
2.5.1
Ruimtelijk kader Schakenbosch
Het ruimtelijke kader Schakenbosch is op 12 december 2017 door de gemeenteraad vastgesteld en beschrijft integraal de ruimtelijke en functionele uitgangspunten en randvoorwaarden voor een mogelijke herontwikkeling van Schakenbosch. Het vormt daarmee de basis voor het wijzigen van het bestemmingsplan. Het Ruimtelijk Kader Schakenbosch is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de gemeentelijke projectgroep. Het ruimtelijke kader is als bijlage 1 bijgevoegd. Het is de ambitie van de gemeente Leidschendam-Voorburg om een aantrekkelijke, groene en duurzame woon-werkgemeente te zijn. Daarom wil de gemeente inzetten op de ontwikkeling van een duurzaam en hoogwaardig woonmilieu in Schakenbosch, waarbij het een wens is ook met kleinschalige sociale en horecafuncties en nieuwe voorzieningen op het gebied van zorg in te spelen op behoeften vanuit de omgeving. De nieuwe woonbuurt moet zich evenwichtig verhouden tot de andere nieuwe woonenclaves die in de nabije toekomst op locatie Vliethaven (het voormalige bedrijventerrein Parnashofweg) en in de Duivenvoordecorridor worden ontwikkeld. Tevens dient het terrein deels toegankelijk te blijven
21
voor bewoners uit de aangrenzende buurten in Leidschendam, die het parkachtige gebied gebruiken om er te wandelen. De randvoorwaarden voor de herontwikkeling zijn in het ruimtelijk kader omschreven als spelregels die richtinggevend zijn voor de herontwikkeling. Deze spelregels resulteren in een integrale kaart voor de herontwikkeling van Schakenbosch en conclusies over de omvang van nieuwbouw die binnen dit kader mogelijk is. De vijf thema's voor deze spelregels zijn: 1. Schakenbosch blijft herkenbaar als groene enclave 2. Schakenbosch vormt een functionele schakel tussen stad en land 3. In de toekomstige ruimtelijke structuur van Schakenbosch blijft de landschappelijk ondergrond herkenbaar 4. Bij transformatie van Schakenbosch is de geschiedenis van de psychiatrische inrichting een aanknopingspunt 5. In de transformatie van Schakenbosch blijft de parkachtige kwaliteit van het gebied behouden Bestaande karakteristieke elementen van het gebied die hiervoor van belang worden geacht, zijn bijvoorbeeld de groene randen die het gebied afbakenen, de open ruimtes en waardevolle bomen in het gebied en de Frekeweg als historische langzaam verkeersroute, met een laanbeplanting en klinkerpad tussen twee sloten. Met maximaal 325 woningen in de typologie rustig stedelijk wonen, dorps wonen en hoogwaardig wonen en een maximaal bebouwingsoppervlak (footprint) van ca. 26.000 m2 (ca.
8,5% van het gehele gebied), met verdichting van de woningbouw juist in de kern, kan het parkkarakter van het gebied behouden blijven. Voor de hoogteaccenten die de kern benadrukken, geldt een maximale hoogte van circa 22 meter (7 bouwlagen). Deze blijven daarmee onder de toppen van de hoogste bomen op het terrein. De in het ruimtelijk kader beschreven duurzaamheidsambities gaan verder dan energiebesparingen en duurzame energieopwekking. Duurzaamheid wordt integraal en verbindend ingezet om het landschap en de natuur optimaal te laten renderen en de woonomgeving gezond en aantrekkelijk te maken met een minimale milieubelasting. Gelet op de opgaven uit de Woonvisie 2016-2020 en de voorgenomen ontwikkeling van het gebied wordt ingezet op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu met een focus op het langer zelfstandig wonen. De ontwikkelaar wil ook zorgvoorzieningen realiseren in het gebied, wat reeds toegestaan is op grond van de geldende beheersverordening. Om een eenzijdige bevolkingsopbouw te voorkomen, rekening houdend met de thema's in de Woonvisie - o.a. langer zelfstandig wonen, bevorderen doorstroming, aantrekkelijk woon- en leefklimaat - wordt in dit ruimtelijk kader als opgave gesteld om minimaal 10% goedkope/middeldure woningen (koopprijs € 188.000/ € 278.500, prijspeil 2017) en 10% woonruimten/zorgplaatsen in de beoogde zorgvoorziening te realiseren.
Het mogelijk maken van enkele kleinschalige maatschappelijke en horeca functies in het toekomstige woongebied versterkt het openbare karakter van het gebied en daarmee de ervaring van een functionele schakel tussen stad en land. Tenslotte worden in het ruimtelijk kader ook de ruimtelijke principes voor de beeldkwaliteit van het toekomstige woongebied en de functionele uitvoeringsaspecten van de toekomstige transformatie beschreven.
22
2.5.1.1 Toetsing van onderhavige plan aan ruimtelijk kader Schakenbosch Het ruimtelijke kader heeft de basis gevormd voor onderhavig plan. In paragraaf 4.2 wordt de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. Hieruit blijkt dat het onderhavige plan overeenkomt met de gestelde randvoorwaarden. Op één punt wijkt de voorgenomen ontwikkeling af van de vastgestelde kaders in het Ruimtelijk kader. De twee vrijstaande woningen, de 'wachters', voor deelplan Carré staan net met hun footprint door de bouwcontour heen om beter hun rol als begeleiders van de centrale zichtas te kunnen invullen. Het betreft een zeer beperkte overschrijding met een stedenbouwkundige motivatie. 2.5.2
Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012
De structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 is vastgesteld in 2006 en herijkt vastgesteld op 25 september 2012. De structuurvisie vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers: versterken van de groene woonstad; verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur; beter benutten en verbeteren van de bereikbaarheid. De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Het plangebied valt binnen het zogenaamde stedelijk gebied. In de structuurvisie vormt Schakenbosch samen met de Duivenvoordecorridor de zogenaamde landschappelijke schakelzone van de gemeente, aangemerkt als stadsrandzone. Voor het stedelijke gebied zijn de onderstaande opgaven geformuleerd. Stedelijk gebied, kwantitatief: realisatie van 80% van de woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied; faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040.