Bijlage 1947-11 Zienswijzennota en nota van wijzigingen
Tekst van het document
beschouwd en niet gezien als onderdeel van de corridor.
52
transformeren’ is uitgewerkt. Maatgevend voor de toetsing aan de hand van deze begrippen uit de verordening zijn de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart die deel uitmaakt van de verordening. Onderstaand is een uitsnede weergegeven uit de kaart “Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën” behorende bij de provinciale Omgevingsverordening waarbij de rode markering de ligging van Schakenbosch aanduidt:
Voor Schakenbosch is geen sprake van specifieke beschermingscategorieën of richtpunten ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit die bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor ingrepen in het gebied geborgd dienen te worden. De raad verwijst verder naar paragraaf 2.3 van de plantoelichting. Daarin is integraal de toetsing van het plan aan het provinciaal omgevingsbeleid, met inbegrip van het regioprofiel, beschreven. Voorts is van belang dat het op grond van artikel 3.1.1 resp. .3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over het plan vooroverleg is gevoerd met diverse instanties, waaronder de provincie Zuid-Holland. De uitkomsten van dit vooroverleg zijn beschreven in paragraaf 8.2 van de toelichting. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben expliciet als vooroverlegreactie kenbaar gemaakt, dat het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan het relevante provinciale beleid. De raad sluit zich uiteraard bij dit oordeel van het provinciaal bestuur ten aanzien van het provinciaal beleid aan. Ten aanzien van de door reclamante benoemde actuele knelpunten op het vlak van het milieu verwijst de raad naar de toelichting van het plan, de daarvan deel uitmakende onderzoeken alsmede naar de m.e.r.-aanmeldnotitie en het m.e.r.-beoordelingsbesluit die voor het plan zijn opgesteld.
Alle relevante milieuaspecten zijn zorgvuldig onderzocht, op geen enkel punt is sprake van significante negatieve effecten als gevolg van of belemmeringen voor het plan. Onderdeel f.: Ten onrechte wordt Schakenbosch volgens reclamante aangemerkt als stadsrandzone. Op basis van deze onjuiste aanname is vervolgens in het ruimtelijk kader de maximale bouwhoogte gemotiveerd en doorvertaald naar het bestemmingsplan. Omdat echter deze motivering is gebaseerd op een onjuiste aanname, is sprake van een onlogische en onduidelijke onderbouwing van de op dit punt gemaakte keuzes. 53
Verwezen wordt naar de beantwoording van onderdeel b. en c. van de zienswijze van reclamante. Schakenbosch dient wel degelijk te worden beschouwd als stadsrandzone en onderdeel van het stedelijk gebied. De gegeven onderbouwing van de maximale bouwhoogten in het plangebied, die overigens reeds in het ruimtelijk kader –gemotiveerd- is afgewogen en vastgelegd, is passend bij dit gebiedstype en niet zoals reclamante veronderstelt gebaseerd op een onjuiste kwalificatie van het gebied. Onderdeel g.: Reclamante is, aanvullend aan onderdeel f. van de zienswijze, van mening dat de in het plan toegestane bouwhoogten tevens de ecologische waarde en ruimtelijke kwaliteit van Schakenbosch onaanvaardbaar aantasten. In de eerste plaats wijst de raad op het volgende. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst reclamante naar een passage uit het vigerende bestemmingsplan. Het betreft hier het plan “Landelijk Gebied 1978”, op 12 juni 1978 vastgesteld door de raad van de toenmalige gemeente Leidschendam. Een meer dan 40 jaar oud bestemmingsplan, gebaseerd op uitgangspunten die in veel gevallen niet of nauwelijks nog bruikbaar zijn en gestoeld op achterhaalde inzichten en wetgeving. Alleen al daarom kan aan deze verwijzing redelijkerwijs geen betekenis meer toekomen. Voorts is het aspect ecologie bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan nadrukkelijk aan de orde gekomen.
Verwezen wordt naar paragraaf 5.7 van de plantoelichting en de rapportages van de verschillende onderzoeken die als bijlage eveneens deel uitmaken van het plan. Hieruit blijkt zonder meer dat het plan niet leidt tot onevenredige aantasting van ecologische waarden. Reclamante voert voorts ook inhoudelijk geen gronden aan die aanleiding geven tot een andersluidende conclusie. Ten aanzien van de door reclamante gestelde aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt in de eerste plaats verwezen naar het ruimtelijk kader. Daarin heeft de raad op basis van een uitvoerige analyse van het gebied en zijn omgeving de verschillende kwalitatief-ruimtelijke aspecten van het plan afgewogen en op basis daarvan randvoorwaarden gesteld voor de beoogde herontwikkeling van het gebied. Het plan is daarmee, maar ook met provinciale en gemeentelijke beleidskaders op het vlak van de ruimtelijke kwaliteit volledig in overeenstemming. De raad deelt daarom de conclusie van reclamante, dat het plan de kwaliteit van het gebied zal aantasten, niet. Onderdeel h.: Reclamante stelt zich op het standpunt dat de ambitie, die voor de landschappelijke schakelzone zou moeten worden nagestreefd, niet ondergeschikt gemaakt zou moeten worden aan woningbouw. Dat is hier volgens reclamante wél het geval.
In de eerste plaats verwijst de raad naar de in de gemeentelijke structuurvisie beschreven opgaven en ambities voor het stedelijk gebied, waarvan Schakenbosch onderdeel is82. De functiewijziging van het gebied van instellingsterrein naar een groene woonomgeving past naadloos binnen de uitgangspunten als geformuleerd in de structuurvisie. Daarnaast blijkt uit de structuurvisie dat reeds in de eerdere structuurvisie uit 2006 Schakenbosch, als deel van de schakelzone, als toekomstige woningbouwlocatie buiten de toenmalige rode contouren in beeld was83. Dit toekomstbeeld is in de actuele structuurvisie verder uitgewerkt. De raad kan dan ook niet anders dan concluderen dat de redenering van reclamante niet strookt met hetgeen in het gemeentelijk ten aanzien van de schakelzone is opgenomen. Deze conclusie vindt ook 82 Zie ook de beantwoording van onderdeel b. en c. van de zienswijze van reclamante. 83 Zie paragraaf 4.5 op pag. 46 van de structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012”.
54
zijn weerslag in hoofdstuk 2 van het ruimtelijk kader voor Schakenbosch, waarin eveneens expliciet de beoogde herontwikkeling van het gebied randvoorwaardelijk wordt beoordeeld aan de hand van aanduiding van het gebied als deel van de schakelzone. Onderdeel i.: Reclamante stelt dat voor de herontwikkeling van Schakenbosch ten onrechte de term ‘Landgoed Voorlei’ wordt gebruikt. Het gebied voldoet naar het oordeel van reclamante niet aan de criteria van het rijk en de provincie om als landgoed te mogen worden gekwalificeerd. Schakenbosch B.V. heeft er voor gekozen de herontwikkeling van het gebied Schakenbosch te vermarkten onder de noemer “Landgoed Voorlei”. In de eerste plaats staat het een private partij volledig vrij een dergelijke keuze voor een gebied waarvan hij eigenaar is te maken. De gemeente heeft daar geen enkele zeggenschap over. Voorts wordt, voor zover dit überhaupt voor de beoordeling van het voorliggende bestemmingsplan relevant is, op geen enkele manier gepretendeerd dat het uiteindelijke doel is om een landgoed als bedoeld in artikel 1, sub a., van de Natuurschoonwet84 tot stand te brengen. De stelling van reclamante dat het plangebied niet aan deze wettelijke definitie zal voldoen is dan ook irrelevant. Onderdeel j.: Reclamante stelt dat het bestemmingsplan onvolledig is.
Het stedenbouwkundig plan, dat nodig is om de impact van het plan goed te kunnen beoordelen, ontbreekt terwijl uit de anterieure overeenkomst volgt dat het ontwerpbestemmingsplan pas ter inzage kan worden gelegd wanneer het definitief stedenbouwkundig plan voltooid is. Voor wat betreft het stedenbouwkundig plan merkt de raad het volgende op. Inderdaad is in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente Leidschendam-Voorburg en Schakenbosch B.V. een verband gelegd tussen het beschikbaar zijn van een definitief stedenbouwkundig plan en het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. De inhoud van deze overeenkomst bindt slechts de contracterende partijen en brengt uitsluitend tussen die contracterende partijen een rechtsverhouding tot stand. De gemeente en Schakenbosch B.V. hebben met elkaar geconstateerd, dat er goede gronden waren om de koppeling tussen een definitief stedenbouwkundig plan en het in procedure brengen van het voorliggende ontwerpbestemmingsplan los te laten. Het is logischer om vanuit het relatief globale instrument van het bestemmingsplan verder te detailleren naar een stedenbouwkundig plan en vervolgens een concreet inrichtingsplan. Aan de hand van dit meer logische pad kunnen ook beter de tussen de gemeente en Schakenbosch B.V. te maken beheersafspraken voor het gebied na uitvoering van het plan vorm worden gegeven.
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat er ook vanuit de relevante ruimtelijke ordeningswetgeving of ander publiekrechtelijk beoordelingskader geen enkele verplichting of eis bestaat waaruit volgt dat een ontwerpbestemmingsplan pas door het bevoegde gezag in procedure gebracht mag worden nadat er een stedenbouwkundig plan is opgesteld. Onderdeel k.: Reclamante is van mening dat bij de planvorming te weinig en onvoldoende serieus ruimte is gegeven aan participatie vanuit de omgeving. Er zijn veel signalen van onvrede over het plan geweest, de gemeente had zich meer moeten inspannen om het publieke belang van het park 84 “Landgoed: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere
houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is.”
55
Schakenbosch te beschermen. Ook is er onvoldoende aandacht geweest voor het behoud van een gezonde leefomgeving. Daarvoor had een integrale MER uitgevoerd moeten worden, dat is niet gebeurd. Voor wat betreft het aspect burgerparticipatie wordt de stelling van reclamanten, dat hieraan onvoldoende invulling is gegeven c.q. ruimte is geboden, niet herkend. Bij het opstellen van het concept voor het ruimtelijk kader is aan de omgeving alle ruimte geboden om inbreng te leveren en deze inbreng is ook belangrijk geweest bij het bepalen van de randvoorwaarden waaraan de beoogde herontwikkeling moet voldoen. Die randvoorwaarden zijn er juist op gericht de belangen te beschermen die vanuit de omgeving zijn aangedragen, zoals het groene karakter, de openbare toegankelijkheid, etc. Ook bij de bestuurlijke besluitvorming over dit ruimtelijk kader door het college en de raad zijn de standpunten van de omgeving betrokken. Onder meer over de invulling van het bouwprogramma, de vraag hoe om te gaan met de groene kwaliteit van het gebied, de blijvende openbaarheid, etc. heeft uitvoerig discussie plaatsgevonden en juist deze discussie heeft ook geleid tot uitstel van de uiteindelijke vaststelling van het ruimtelijk kader door de raad om nog kleine laatste programmatische verfijningen aan te brengen.
Het is van belang te onderkennen dat burgerparticipatie niet slechts dan geslaagd is, wanneer bij de ruimtelijke planvorming alle wensen uit de omgeving van een projectgebied gehonoreerd worden. Er is bij Schakenbosch (en dit geldt uiteraard ook voor veel andere ontwikkellocaties in de gemeente Leidschendam-Voorburg) sprake van gronden die geen gemeentelijk maar privaat eigendom zijn. De gemeenteraad kan weliswaar door middel van ruimtelijke instrumenten sturen op de gebruiks- en bouwmogelijkheden van zulke gronden, maar kan daaraan slechts beperkingen opleggen wanneer die vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn. Binnen dat toetsingskader zijn de programmatische - en inrichtingswensen van de eigenaar van de gronden beoordeeld en getoetst aan het gemeentelijk beleid. De wensen en argumenten die vanuit de omgeving ten aanzien van de transformatie van Schakenbosch naar voren zijn gebracht, zijn bij deze beoordeling betrokken en eveneens afgezet tegen het belang van een goede ruimtelijke ordening. Dit proces heeft uiteindelijk geresulteerd in de vaststelling van een ruimtelijk kader waarin uitgangspunten en randvoorwaarden voor de transformatie van het gebied zijn vastgelegd. Aan de hand van deze uitgangspunten en randvoorwaarden is vervolgens het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
Het nu voorliggende plan voldoet aan de gemeentelijke beleidskaders, is in overeenstemming met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening en komt objectief bezien op een verantwoorde manier aan een mix van verschillende belangen tegemoet, zonder te pretenderen dat daarbij alle ten aanzien van de planvorming bestaande bezwaren zijn weggenomen. Zoals echter gezegd: dat is ook geen vereiste om van adequate en betekenisvolle burgerparticipatie te kunnen spreken. Ten slotte verwijst de raad voor wat betreft dit punt nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Voor wat betreft het standpunt van reclamante dat ten onrechte geen integrale MER heeft plaatsgevonden merkt de raad het volgende op. Uit de bewoordingen van reclamante leidt de raad af dat met ‘milieueffectrapportage’ door reclamante (al dan niet op basis van concrete kennis van de m.e.r.-wetgeving) gedoeld wordt een milieueffectrapportage zoals die dient te worden opgesteld in gevallen waarin formeel sprake is van een directe m.e.r.-plicht op grond van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) resp. onderdeel C van het Besluit m.e.r. Het gaat dan om een volledige, integrale milieueffectrapportage inclusief beoordeling van alternatieve oplossingen, waarop de bijbehorende procedurele bepalingen (kennisgeving met zienswijzentermijn, tervisielegging milieueffectrapportage 56
en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.) van toepassing zijn. Dit is de ‘zwaarste’ vorm van een m.e.r., die in het algemeen slechts aan de orde komt bij zeer grote ingrepen. Denk hier bijvoorbeeld aan grote infrastructurele ingrepen, zoals de aanleg van de Rotterdamsebaan en de Rijnlandroute, of majeure landschappelijke transformaties als de herinrichting van de agrarische gronden in de Nieuwe Driemanspolder tot een natuur- en recreatiegebied annex (piek)waterbergingslocatie. Inhoudelijk is voorts het volgende van belang. Bij de voorbereiding van het plan is uitgebreid onderzoek verricht naar de effecten van het plan op het milieu. De uitkomsten van deze onderzoeken en de gevolgen daarvan voor het plan zijn in de diverse onderdelen van de plantoelichting beschreven, de verschillende onderzoeksrapporten maken als bijlagen eveneens onderdeel uit van het plan. Aan de hand van deze uitkomsten kan het bevoegd gezag beoordelen of al dan niet belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Om deze beoordeling door het bevoegd gezag mogelijk te maken dient een initiatiefnemer op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer bij het bevoegd gezag een zgn. aanmeldnotitie in te dienen. De informatie, die deze aanmeldnotitie moet bevatten, is in bedoeld artikel vastgelegd.
Het bevoegd gezag toetst deze aanmeldnotitie en neemt vervolgens een besluit over de vraag of ten behoeve van het betreffende plan, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die het plan voor het milieu kan hebben, al dan niet een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dit is het zgn. m.e.r.beoordelingsbesluit85. In opdracht van Schakenbosch B.V. heeft Aveco de Bondt een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. In deze aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege de herontwikkeling van Schakenbosch redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Deze conclusie wordt onderbouwd door middel van de diverse ten behoeve van het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken. Zowel de aanmeldnotitie als de onderliggende onderzoeken zijn door de ter zake kundige vakinhoudelijke specialisten van de gemeente beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is, dat de overwegingen en conclusies uit de aanmeldnotitie kunnen worden onderschreven. Op basis van deze ambtelijke beoordeling en advisering heeft het college op 29 oktober 2019 besloten (= m.e.r.-beoordelingsbesluit) dat voor de beoogde functiewijziging en herinrichting van Schakenbosch en de daarvoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan geen nadere milieueffectrapportage naast de uitgevoerde zgn. Vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden opgesteld.
Met andere woorden: voor dit plan kan worden volstaan met de vormvrije m.e.r.beoordeling, zoals die in overeenstemming met de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. heeft plaatsgevonden. Voor de verdere inhoudelijke onderbouwing van een en ander wordt verwezen naar: het m.e.r.-beoordelingsbesluit bestemmingsplan “Schakenbosch” d.d. 29 oktober 2019, met besluitnummer 1345; de geactualiseerde Aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Landgoed Schakenbosch (Aveco de Bondt, 7 december 2020, nummer: RAN/170200), die als Bijlage 20 deel uitmaakt van het bestemmingsplan; de toelichting van het bestemmingsplan. Reclamante voert in de zienswijze geen verdere inhoudelijke argumenten aan die tot een andere conclusie aanleiding zouden moeten geven. Het enkele gegeven dat bij burgers de wens bestaat tot het doorlopen van een volledig milieueffectrapportage-traject en dat het spreken over deze wens kennelijk tot het ontstaan van een verwachtingspatroon heeft geleid maakt dit niet anders. Het plan
85 N.B.: In geval van een ontwerpbestemmingsplan is zowel het college van burgemeester en wethouders als de
gemeenteraad bevoegd om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, zie ook ABRvS ECLI:NL:RVS:2018:3131.
57
is, ook in relatie tot bijvoorbeeld drempelwaarden uit de m.e.r.-regelgeving86, niet van een dusdanige aard en omvang dat een volledige milieueffectrapportage nodig of zelfs gerechtvaardigd is. Onderdeel l.: Reclamante meent dat het bestemmingsplan moeilijk leesbaar is en dat daarin opgenomen bepalingen over maatvoering etc. slecht te interpreteren zijn. Het plan is daarom volgens reclamante niet in overeenstemming met de SVBP. Bovendien wordt meer bebouwing mogelijk gemaakt dan het maximum van 26.000 m2 waarover het ruimtelijk kader spreekt. Dat wordt nog versterkt door de 5% extra ruimte die in het plan mogelijk wordt gemaakt. Ten slotte is uit de digitale verbeelding niet op te maken waar bebouwing precies wordt gesitueerd en is de ligging en begrenzing van het plangebied onjuist beschreven. De raad constateert dat het plan, in tegenstelling tot wat reclamante stelt, wel degelijk voldoet aan de ter zake geldende wettelijke eisen en standaarden, met name de standaarden op het gebied van de Ruimtelijke Ordening zoals IMRO201287 en de SVBP201288. Wanneer dit niet het geval zou zijn, dan zou het technisch onmogelijk zijn geweest het plan elektronisch beschikbaar te stellen via de (wettelijk voorgeschreven) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het planbestand zou dan door de zgn.
validator (een controlemechanisme dat toetst of aangeboden plannen in overeenstemming zijn met de wettelijk voorgeschreven standaarden) zijn afgekeurd89. Het enkele feit dat reclamante kennelijk het lezen en interpreteren van een aan de wettelijke vereisten voldoend bestemmingsplan moeilijk vindt maakt dit niet anders. Voor wat betreft de maximale omvang aan te realiseren nieuwe bebouwing in het plangebied volstaat de raad ermee te verwijzen naar artikel 14.5 van de planregels. De daar opgenomen bepaling laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er mag in het plangebied niet meer dan 26.000 m² (footprint) aan bebouwing gerealiseerd worden, de 7 reeds bestaande woningen uitgezonderd. Datzelfde geldt ten aanzien van het maximaal te bouwen aantal woningen: artikel 14.4 van de regels legt dit vast op 325. Het aantal woningen dat per bouwvlak volgens de verbeelding mag worden gerealiseerd doet daar niet aan af, het totaal mag niet meer bedragen dan 325. Het feit dat reclamante kennelijk niet aan de hand van de verbeelding kan bepalen wat de oppervlakte van bestemmingsvlakken, bebouwingspercentages, etc. bedraagt doet daarom verder niet ter zake. Datzelfde geldt voor de verwijzing van reclamante naar de oppervlakten die in de plantoelichting zijn beschreven voor de verschillende deelgebieden.
De toelichting van een bestemmingsplan heeft geen juridisch bindende status, slechts datgene wat ten aanzien van de maximale footprint in de regels is bepaald heeft rechtskracht. Voor zover reclamante meent dat door middel van de binnenplanse afwijkingsbepalingen uit artikel 16 van de regels van het plan op een onvoldoende transparante wijze ruimte wordt gegeven om aanzienlijk meer bebouwing te realiseren dan wat in alle stukken als maximum wordt verkondigd, merkt de raad het volgende op. Het betreft hier geen rechtstreeks in het plan opgenomen extra ruimte voor bebouwing maar een afwijkingsbevoegdheid waarvan het college gebruik kan maken wanneer (a) de afwijking niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening90 en (b) voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd onder artikel 16.1 van de regels van het bestemmingsplan. Op basis 86 Voor een activiteit als opgenomen in kolom 2 van bijlage C. resp. bij het Besluit m.e.r. gelden als
drempelwaarden voor het al dan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn van een activiteit: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 87 IMRO = Informatiemodel Ruimtelijke Ordening. 88 SVBP = Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. 89 Zie: https://www.geonovum.nl/geo-standaarden/ro-standaarden-ruimtelijke-ordening en https://validator.ruimtelijkeplannen.nl/validator/validator/ 90 Zie artikel 2.12, eerste lid, onder a., onder 1⁰ van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
58
van door degene, die het college verzoekt om toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid, aan te leveren informatie, onderzoeksgegevens en onderbouwingen zal het college een afweging moeten maken omtrent het al dan niet bij omgevingsvergunning toepassen van de afwijkingsmogelijkheid. Het betreft een afwijkingsbevoegdheid, geen afwijkingsplicht. Een eventueel op basis van deze bepaling te verlenen vergunning kan vervolgens in bezwaar, beroep en hoger beroep door belanghebbenden worden aangevochten. De raad is van oordeel dat hiermee zowel qua beoordelingskader als qua rechtsbescherming in voldoende mechanismen is voorzien om een vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare toepassing van de afwijkingsbevoegdheid te voorkomen. Onderdeel m.: Reclamante meent dat de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken niet betrouwbaar zijn omdat deze zijn uitgevoerd door een nauw met de initiatiefnemer Schakenbosch B.V. verbonden onderneming. Het rapport van de ecologische quickscan bevat fouten, terwijl het onderzoek naar stikstofdepositie weinig transparant is en onvolledig lijkt omdat de bouwfase van het plan buiten beschouwing is gelaten.
In de eerste plaats meent de raad nadrukkelijk, dat er voor hem geen enkele reden bestaat om te twijfelen aan de bruikbaarheid van de onderzoeken die ten behoeve van het plan door of in opdracht van Aveco de Bondt zijn uitgevoerd. Anders dan reclamanten kennelijk veronderstellen volgt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) herhaaldelijk heeft overwogen91, uit het enkele feit dat een onderzoeksrapport door of in opdracht van de ontwikkelaar van het plan is opgesteld niet dat hieraan in de bestemmingsplanprocedure geen betekenis kan worden toegekend. Alle onderzoeksrapporten, die bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan zijn gebruikt, zijn door de verschillende vakinhoudelijk gespecialiseerde ambtelijke adviseurs van de gemeente Leidschendam-Voorburg beoordeeld. Bij de beoordeling is uitsluitend getoetst op de inhoudelijke volledigheid, consistentie en juistheid van de uitgevoerde onderzoeken en de aan de hand van die onderzoeken getrokken conclusies. De gemeenteraad heeft daarin een eigenstandige taak als bevoegd gezag, waarbij slechts de kwaliteit van de aangeleverde rapporten en overige documenten relevant is voor het oordeel over deze stukken en niet de vraag door welke partij ze zijn opgesteld.
De raad is van oordeel dat de verschillende aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken, ongeacht of deze zijn uitgevoerd door Aveco de Bondt of door andere partijen, op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en zijn voorbereid in overeenstemming met de daarvoor geldende normen, richtlijnen en gebruiken. Voorts ziet de raad geen aanleiding om de deskundigheid van de betrokken onderzoeks- en adviesbureaus, dan wel de inhoudelijke juistheid en volledigheid van de aangeleverde rapporten en overige documenten in twijfel te trekken. Gelet hierop meent de raad dat hij aan de desbetreffende onderzoeksrapporten en op basis daarvan getrokken conclusies doorslaggevende betekenis mag toekennen en deze aan het onderhavige bestemmingsplan ten grondslag mag leggen. Het feit dat (een deel van) de betreffende onderzoeken zijn uitgevoerd door een adviseur, die onderdeel uitmaakt van een holdingsstructuur waarmee ook de ontwikkelaar van Schakenbosch banden heeft maakt dat niet anders. Ten slotte verwijst de raad nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Met betrekking tot de opmerkingen van reclamante over de ecologische quickscan constateert de raad, dat bij het ontwerpbestemmingsplan helaas niet het goede rapport ter inzage is gelegd.
Reeds bij de voorbereiding van het plan is ambtelijk gesignaleerd dat het rapport van 24 mei 2017 de ook door reclamante benoemde fouten bevat. Vervolgens is door Aveco de Bondt een geheel 91 Zie onder meer: ECLI:NL:RVS:2013:CA3693.
59
geactualiseerde en uitgebreide versie van de quickscan92 alsmede een bijbehorende oplegnotitie93 ingediend. Deze beide documenten hadden bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd moeten worden, met de oplegnotitie is dat ook gebeurd maar abusievelijk is daarbij helaas niet het juiste, geactualiseerde en gecorrigeerde quickscan-rapport bij de planstukken gevoegd. De raad betreurt dit uiteraard, maar stelt tevens vast dat de conclusies in de plantoelichting94 wel degelijk (zo blijkt uit de wel correct opgenomen oplegnotitie) zijn gestoeld op de juiste en actuele ecologische beoordeling, te weten de quickscan uit mei 2019. Inhoudelijk blijft het bij de planstukken ter inzage leggen van het rapport met de door reclamante gesignaleerde gebreken dan ook zonder gevolgen. Uiteraard wordt bij het vastgestelde plan wel de juiste rapportage als bijlage toegevoegd, zodat bedoeld gebrek wordt gerepareerd. Indien reclamante (of andere belanghebbenden) zich met de uitkomsten van de ecologische beoordeling c.q. de rapportage uit mei 2019 niet kunnen verenigen, dan kunnen zij hiertegen in beroep alsnog inhoudelijk opkomen. De stikstofdepositie als gevolg van het plan op gevoelige Natura 2000-gebieden dient te worden beoordeeld door middel van een zogenoemde AERIUS-berekening.
AERIUS Calculator95 is een door de rijksoverheid beschikbaar gestelde rekentool, waarmee de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden kan worden berekend. Een project of plan is met de actuele normen in overeenstemming, wanneer uit de AERIUS-berekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van dat project of plan niet meer bedraagt dan 0,005 mol/ha/j. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan “Schakenbosch” mogelijk worden gemaakt zijn voor wat betreft de stikstofdepositie doorgerekend met de AERIUS-calculator. De uitkomsten van de berekening maken als Bijlage 15 en 16 deel uit van de toelichting van het plan. Uit de berekening, waarvoor onder meer gebruik is gemaakt van de verkeersgegevens doe afkomstig zijn uit het verkeersonderzoek96 voor het bestemmingsplan, blijkt dat het plan voor wat betreft de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet leidt tot een zowel in de gebruiks- als in de bouwfase niet zal leiden tot een toename van meer dan 0,00 mol/ha/j. Het plan voldoet daarmee aan de actueel geldende normen. Reclamante voert geen inhoudelijke argumenten ten aanzien van de uitgevoerde berekening aan die aanleiding geven tot twijfel over de juistheid en volledigheid van het uitgevoerde onderzoek. Voor wat betreft de berekening van de stikstofdepositie van het plan ten gevolge van de realisatiefase merkt de raad het volgende op.
Reclamante constateert terecht dat bij het ontwerp van het plan de AERIUS-berekening van de realisatiefase nog niet beschikbaar was. Aangezien de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase van het plan structureel is, terwijl de realisatiefase slechts een tijdelijke situatie betreft, is ervoor gekozen bij de planvoorbereiding eerst de focus te leggen op de effecten van de gebruiksfase. Daarom is eerst de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zijn door de gemeente beoordeeld en geconstateerd is dat aan de geldende normen werd voldaan. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan was wel reeds op basis van onder meer bekende ervaringsgegevens, vuistregels voor de indicatieve depositie van stikstof in relatie tot aantallen woningen en afstanden tot Natura 2000-gebieden een globale inschatting gemaakt van de kans dat de realisatiefase, in tegenstelling tot de gebruiksfase, wel tot een overschrijding van de norm van 0,00 mol/ha/j zou kunnen leiden. Die kans werd toen als zeer 92 Aveco de Bondt, Quickscan flora en fauna Schakenbosch Leidschendam (17 mei 2019). 93 Aveco de Bondt, Memo Stand van zaken ecologische onderzoeken Schakenbosch (3 december 2020). 94 Zie paragraaf 5.7 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan.
95 https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl# 96 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019).
60
minimaal ingeschat. Daarom was het verantwoord dat het ontwerp van het plan op basis van slechts de berekening van de gebruiksfase in procedure is gebracht. Inmiddels is ook de AERIUS-berekening van de realisatiefase beschikbaar. Deze bevestigt dat ook in de realisatiefase geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol/ha/j. Ook voor wat betreft de realisatiefase voldoet het plan aan de actueel geldende normen. De rapportage van de AERIUS-berekening voor de realisatiefase97 wordt alsnog (als Bijlage 16) aan het plan toegevoegd. Daarmee wordt de omissie van het ontbreken van deze informatie bij het intwerp van het plan hersteld. Onderdeel n.: Reclamante meent dat een integrale MER ook noodzakelijk zou zijn geweest om beter inzicht te verkrijgen in de gevolgen van het plan voor de groene kwaliteit van Schakenbosch, de negatieve effecten van het plan op de volksgezondheid en de invloed van het plan op de kwaliteit van de leefomgeving. Verwezen wordt naar de beantwoording van onderdeel k. van de zienswijze van reclamante, waar op het thema ‘integrale MER’ al uitvoerig is ingegaan. Conclusie: Deze zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De juiste ecologische rapportage wordt alsnog toegevoegd aan de bijlagen bij de plantoelichting.
Voorts wordt de plantoelichting aangevuld naar aanleiding van de AERIUS-berekening voor de realisatiefase van het plan.
9.
Reclamante 12, K. de Vlaming, Parnashofweg 33 te LEIDSCHENDAM
Inhoud en beantwoording van de zienswijze Reclamante stelt dat er kennelijk nog geen overeenstemming tussen betrokken partijen bestaat over het uiteindelijke ambitieniveau van de maatschappelijke functie in Schakenbosch. Daarmee is, zo concludeert reclamante, nog niet althans niet volledig uitvoering gegeven aan de motie de raad bij de vaststelling van het ruimtelijk kader op 12 december 2017 heeft aangenomen. In de bedoelde motie van de fractie GBLV, die de raad in zijn vergadering van 12 december 2017 heeft aangenomen, roept de raad het college op ten aanzien van het zorginitiatief (Groep de Vlaming): Medewerking te verlenen aan het vinden van partijen voor het zorginitiatief Vanuit het programma langer zelfstandig wonen aansluiting te vinden bij het zorginitiatief Te bevorderen dat partijen op een goede manier met elkaar in gesprek blijven De raad op de hoogte te houden van de vorderingen De raad constateert in de eerste plaats dat in het bestemmingsplan “Schakenbosch” voorzien is in het (kunnen) realiseren van maatschappelijke voorzieningen, zowel binnen de bestemming ‘Gemengd’98 als binnen de bestemming ‘Wonen - Gemengd’99. De functies, die reclamante graag een plaats ziet krijgen binnen Schakenbosch, worden daarmee juridisch-planologisch gefaciliteerd. Alleen al het bestemmingsvlak met de bestemming ‘Gemengd’ heeft een oppervlakte van ruim 14.000 m 2.
Binnen dit bestemmingsvlak is een maximaal bebouwingspercentage van 40% toegelaten, ofwel ca. 5.600 m2 footprint. Dit rechtvaardigt de conclusie, dat de door reclamante gewenste 3.000 m2 (bvo) 97 Aveco de Bondt, AERIUS berekening realisatiefase BP Schakenbosch Leidschendam (30 november 2020). 98 Zie artikel 3 van de regels van het plan. 99 Zie artikel 7 van de regels van het plan.
61
voor de zorgfunctie binnen de opgenomen bestemmingsregelingen zonder meer te realiseren is. Dat geldt evenzeer voor de door reclamante gewenste zorgwoningen. De raad constateert voorts dat door Schakenbosch B.V. intensief gesproken wordt met partijen voor het concreet invullen van de beoogde zorgfuncties en dat het college hierin waar mogelijk partijen ondersteunt. De visie nu die over de invulling van het zorgdeel bestaat draagt nadrukkelijk bij aan het bevorderen van langer zelfstandig wonen. In zoverre is de raad van oordeel dat aan de betreffende motie uitvoering is en nog steeds wordt gegeven. Een bestemmingsplan is echter primair een juridisch-planologisch instrument dat het belang van een goede ruimtelijke ordening borgt en dient als grondslag voor vergunningverlening. Het vastleggen van een concreet ambitieniveau voor de feitelijke uitvoering en kwaliteit van bepaalde functies kan niet plaatsvinden door middel van een bestemmingsplan, omdat dit slechts de realisatie van functies en voorzieningen mogelijk maakt, maar die realisatie vervolgens niet kan opleggen en/of afdwingen. In die zin kan aan de zienswijze van reclamante dan ook niet door middel van het bestemmingsplan tegemoet worden gekomen. Conclusie: Deze zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, geen aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
10.
Reclamant 13, P. Brandhorst, Parnashofweg 61 te LEIDSCHENDAM
Inhoud en beantwoording van de zienswijze
Onderdeel a.: Reclamant is van mening dat het wegennet van Leidschendam ontoereikende capaciteit heeft om de toename in het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de vele bouwplannen rond de Veursestraatweg op te kunnen vangen. Een dagelijks verkeersinfarct zal het gevolg zijn. Reclamant vraagt zich af waarom geen onafhankelijk onderzoek is gedaan naar de verkeerssituatie. Ten behoeve van het voorliggende bestemmingsplan is een verkeersonderzoek100 uitgevoerd. Het primaire doel van dit onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de vraag of de huidige inrichting van het kruispunt Veursestraatweg – Schakenbosch de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkelingen op Schakenbosch adequaat op kan vangen. Expliciet is daarbij bepaald dat bij het beantwoorden van deze onderzoeksvraag rekening dient te worden gehouden met andere ruimtelijke ontwikkelingen die spelen in het gebied rondom de Veursestraatweg. Doordat bij het verkeersonderzoek gebruik is gemaakt van het regionale verkeersmodel101 is een goed en volledig inzicht verkregen in de toekomstige verkeerssituatie op de Veursestraatweg. In dat toekomstbeeld zijn niet alleen de effecten van de herontwikkeling van Schakenbosch verwerkt, maar zijn de gemodelleerde verkeerseffecten op de middellange en lange termijn van alle bekende ruimtelijke ingrepen in de omgeving opgenomen.
Daarbij zijn uiteraard ook de effecten van ingrepen als de integrale herontwikkeling van winkelcentrum Leidsenhage tot ‘Mall of the Netherlands’ en de aanleg van de Rijnlandroute op de verkeersintensiteit op de Veursestraatweg meegenomen in het model en dus in de resultaten van de verkeersgerelateerde onderzoeken die voor het voorliggende bestemmingsplan zijn verricht. Het verkeersonderzoek is uitgevoerd door Bono Traffics B.V. uit Kampen, een onafhankelijk specialistisch verkeerskundig adviesbureau. De rapportage van het verkeersonderzoek maakt als Bijlage 2 onderdeel uit van de plantoelichting. De uitkomsten van het onderzoek en de gevolgen 100 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019). 101 Regionaal verkeer- en vervoermodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).
62
daarvan voor het plan worden beschreven in paragraaf 4.2.4 van de toelichting. Aan de wens van reclamant om een onafhankelijk verkeersonderzoek te laten uitvoeren is dus bij de voorbereiding van het plan reeds tegemoetgekomen. Onderdeel c.: Reclamant is van mening dat onvoldoende en niet-onafhankelijk onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De waarschuwende brief van longarts dokter Schreur is ten onrechte genegeerd. Het toetsingskader aan de hand waarvan de raad zich een oordeel dient te vormen over het aspect luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd). In de wet zijn grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die invloed hebben op de luchtkwaliteit. Vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) van belang. Deze grenswaarden zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: dit niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden; de concentratie van de relevante stoffen in de buitenlucht daardoor per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; bij een beperkte toename van de concentratie van een relevante stof door een met de uitoefening van de bevoegdheid samenhangende maatregel of door een daarbij optredend effect de luchtkwaliteit per saldo verbetert; dit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; het voorgenomen besluit is genoemd of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een daarmee vergelijkbaar programma gericht op het bereiken van de grenswaarden. In paragraaf 5.5 van de plantoelichting wordt aan de hand van een toetsing aan de hierboven beschreven wettelijke criteria onderbouwd dat (1) de luchtkwaliteit ter plaatse en in de omgeving van het plangebied in de bestaande situatie -ruimschoots- voldoet aan de wettelijke normen en dat (2) in de plansituatie in de toetsingsjaren 2020 en 2030 geen sprake zal zijn van een verslechtering.
In cijfers, die leiden tot deze conclusie, zijn uiteraard ook de effecten meegenomen van diverse ruimtelijke ontwikkelingen die in Leidschendam-Voorburg en omgeving zullen plaatsvinden. De raad heeft de aan het plan ten grondslag gelegde onderbouwing beoordeeld en heeft geen aanleiding om aan te nemen dat deze onvolledig of onjuist zou zijn. Reclamant voert hiertoe overigens ook geen enkel inhoudelijk argument aan. Gelet hierop onderschrijft de raad de conclusie dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de herontwikkeling van Schakenbosch.
63
Voor wat betreft de brief van dr. Schreur merkt de raad op dat hij van deze brief kennis heeft genomen. Zoals in het voorliggende bestemmingsplan is toegelicht zal in 2030 de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied een duidelijke verbetering laten zien ten opzichte van de huidige situatie, zie onderstaande tabel:
NO2 PM10
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3
2016 24 µg/m3 19 µg/m3
2020 20,5 µg/m3 19,6 µg/m3
2030 13,8 µg/m3 17,0 µg/m3
Uiteraard deelt de raad de zorg voor de volksgezondheid die dr. Schreur in zijn brief naar voren brengt. De raad heeft echter geen aanleiding om aan te nemen dat het voorliggende plan een zodanig negatief effect zal hebben op de luchtkwaliteit dat hij hierom van vaststelling van het plan zou moeten afzien. Voor wat betreft de stelling van reclamant dat het plan onafhankelijk onderzoek ontbeert merkt de raad het volgende op. Noch de Wet ruimtelijke ordening noch andere relevante wetgeving schrijft voor dat onderzoek ten behoeve van een bestemmingsplan slechts door onafhankelijke adviseurs of instanties mag worden uitgevoerd. Anders dan reclamanten kennelijk veronderstellen volgt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) herhaaldelijk heeft overwogen102, uit het enkele feit dat een onderzoeksrapport door of in opdracht van de ontwikkelaar van het plan is opgesteld niet dat hieraan in de bestemmingsplanprocedure geen betekenis kan worden toegekend. Alle onderzoeksrapporten, die bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan zijn gebruikt, zijn door de verschillende vakinhoudelijk gespecialiseerde ambtelijke adviseurs van de gemeente Leidschendam-Voorburg beoordeeld.
Bij de beoordeling is uitsluitend getoetst op de inhoudelijke volledigheid, consistentie en juistheid van de uitgevoerde onderzoeken en de aan de hand van die onderzoeken getrokken conclusies. De gemeenteraad heeft daarin een eigenstandige taak als bevoegd gezag, waarbij slechts de kwaliteit van de aangeleverde rapporten en overige documenten relevant is voor het oordeel over deze stukken en niet de vraag door welke partij ze zijn opgesteld. De raad is van oordeel dat de verschillende aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken, ongeacht of deze zijn uitgevoerd door Aveco de Bondt of door andere partijen, op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en zijn voorbereid in overeenstemming met de daarvoor geldende normen, richtlijnen en gebruiken. Voorts ziet de raad geen aanleiding om de deskundigheid van de betrokken onderzoeks- en adviesbureaus, dan wel de inhoudelijke juistheid en volledigheid van de aangeleverde rapporten en overige documenten in twijfel te trekken. Gelet hierop meent de raad dat hij aan de desbetreffende onderzoeksrapporten en op basis daarvan getrokken conclusies doorslaggevende betekenis mag toekennen en deze aan het onderhavige bestemmingsplan ten grondslag mag leggen.
Het feit dat (een deel van) de betreffende onderzoeken zijn uitgevoerd door een adviseur, die onderdeel uitmaakt van een holdingsstructuur waarmee ook de ontwikkelaar van Schakenbosch banden heeft maakt dat niet anders. Ten slotte verwijst de raad nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Onderdeel d.: Reclamant is van mening dat ten onrechte geen recent onderzoek is gedaan naar de geluidsoverlast die het plan zal veroorzaken.
102 Zie onder meer: ECLI:NL:RVS:2013:CA3693.
64
Reclamant kan in dit onderdeel van de zienswijze niet worden gevolgd. Ten behoeve van het plan is in augustus 2019 een akoestisch onderzoek103 uitgevoerd. De rapportage van bedoeld onderzoek maakt als Bijlage 6 onderdeel uit van de toelichting van het bestemmingsplan. De resultaten van het onderzoek en de gevolgen daarvan voor het plan zijn beschreven in paragraaf 5.4 van de plantoelichting. De stelling van reclamant, dat een recent geluidsonderzoek ontbreekt, is derhalve feitelijk onjuist. Onderdeel e.: Reclamant is van mening dat er ten onrechte is afgezien van een integrale MER. Aangenomen wordt dat met ‘milieueffecten rapportage’ bedoeld wordt een milieueffectrapportage zoals die dient te worden opgesteld in gevallen waarin formeel sprake is van een directe m.e.r.-plicht op grond van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) resp. onderdeel C van het Besluit m.e.r. Het gaat dan om een volledige, integrale milieueffectrapportage inclusief beoordeling van alternatieve oplossingen, waarop de bijbehorende procedurele bepalingen (kennisgeving met zienswijzentermijn, tervisielegging milieueffectrapportage en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.) van toepassing zijn. Dit is de ‘zwaarste’ vorm van een m.e.r., die in het algemeen slechts aan de orde komt bij zeer grote ingrepen.
Denk hier bijvoorbeeld aan grote infrastructurele ingrepen, zoals de aanleg van de Rotterdamsebaan en de Rijnlandroute, of majeure landschappelijke transformaties als de herinrichting van de agrarische gronden in de Nieuwe Driemanspolder tot een natuur- en recreatiegebied annex (piek)waterbergingslocatie. Bij de voorbereiding van het plan is uitgebreid onderzoek verricht naar de effecten van het plan op het milieu. De uitkomsten van deze onderzoeken en de gevolgen daarvan voor het plan zijn in de diverse onderdelen van de plantoelichting beschreven, de verschillende onderzoeksrapporten maken als bijlagen eveneens onderdeel uit van het plan. Aan de hand van deze uitkomsten kan het bevoegd gezag beoordelen of al dan niet belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Om deze beoordeling door het bevoegd gezag mogelijk te maken dient een initiatiefnemer op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer bij het bevoegd gezag een zgn. aanmeldnotitie in te dienen. De informatie, die deze aanmeldnotitie moet bevatten, is in bedoeld artikel vastgelegd.
Het bevoegd gezag toetst deze aanmeldnotitie en neemt vervolgens een besluit over de vraag of ten behoeve van het betreffende plan, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die het plan voor het milieu kan hebben, al dan niet een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dit is het zgn. m.e.r.beoordelingsbesluit104. In opdracht van Schakenbosch B.V. heeft Aveco de Bondt een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. In deze aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege de herontwikkeling van Schakenbosch redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Deze conclusie wordt onderbouwd door middel van de diverse ten behoeve van het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken. Zowel de aanmeldnotitie als de onderliggende onderzoeken zijn door de ter zake kundige vakinhoudelijke specialisten van de gemeente beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is, dat de overwegingen en conclusies uit de aanmeldnotitie kunnen worden onderschreven. Op basis van deze ambtelijke beoordeling en advisering heeft het college op 29 oktober 2019 besloten (= m.e.r.-beoordelingsbesluit) dat voor de beoogde functiewijziging en herinrichting van Schakenbosch en de daarvoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan geen (nadere!) milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.
Met andere woorden: voor dit plan kan 103 Aveco de Bondt, Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Schakenbosch te Leidschendam (19 augustus
2019). 104 N.B.: In geval van een ontwerpbestemmingsplan is zowel het college van burgemeester en wethouders als de gemeenteraad bevoegd om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, zie ook ABRvS ECLI:NL:RVS:2018:3131.
65
worden volstaan met de zgn. vormvrije m.e.r.-beoordeling, zoals die in overeenstemming met de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. heeft plaatsgevonden. Voor de verdere inhoudelijke onderbouwing van één en ander wordt verwezen naar: het m.e.r.-beoordelingsbesluit bestemmingsplan “Schakenbosch” d.d. 29 oktober 2019, met besluitnummer 1345; de geactualiseerde Aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Landgoed Schakenbosch (Aveco de Bondt, 7 december 2020, nummer: RAN/170200), die als Bijlage 20 deel uitmaakt van het bestemmingsplan; de toelichting van het bestemmingsplan. Reclamant voert in de zienswijze geen verdere inhoudelijke argumenten aan die tot een andere conclusie aanleiding zouden moeten geven. Het plan is, ook in relatie tot bijvoorbeeld drempelwaarden uit de m.e.r.-regelgeving, niet van een dusdanige aard en omvang dat een volledige milieueffectrapportage nodig of zelfs gerechtvaardigd is. Onderdeel f.: Reclamant meent dat er bij de planvorming onvoldoende serieuze ruimte is geboden voor burgerparticipatie. In de eerste plaats verwijst de raad naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Voor wat betreft het aspect burgerparticipatie wordt de stelling van reclamant, dat hieraan onvoldoende invulling is gegeven c.q. ruimte is geboden, niet herkend.
Bij het opstellen van het concept voor het ruimtelijk kader is aan de omgeving alle ruimte geboden om inbreng te leveren en deze inbreng is ook belangrijk geweest bij het bepalen van de randvoorwaarden waaraan de beoogde herontwikkeling moet voldoen. Die randvoorwaarden zijn er juist op gericht de belangen te beschermen die vanuit de omgeving zijn aangedragen, zoals het groene karakter, de openbare toegankelijkheid, etc. Ook bij de bestuurlijke besluitvorming over dit ruimtelijk kader door het college en de raad zijn de standpunten van de omgeving betrokken. Onder meer over de invulling van het bouwprogramma, de vraag hoe om te gaan met de groene kwaliteit van het gebied, de blijvende openbaarheid, etc. heeft uitvoerig discussie plaatsgevonden en juist deze discussie heeft ook geleid tot uitstel van de uiteindelijke vaststelling van het ruimtelijk kader door de raad om nog kleine laatste programmatische verfijningen aan te brengen. Het is van belang te onderkennen dat burgerparticipatie niet slechts dan geslaagd is, wanneer bij de ruimtelijke planvorming alle wensen uit de omgeving van een projectgebied gehonoreerd worden. Er is bij Schakenbosch (en dit geldt uiteraard ook voor veel andere ontwikkellocaties in de gemeente Leidschendam-Voorburg) sprake van gronden die geen gemeentelijk maar privaat eigendom zijn.
De gemeenteraad kan weliswaar door middel van ruimtelijke instrumenten sturen op de gebruiks- en bouwmogelijkheden van zulke gronden, maar kan daaraan slechts beperkingen opleggen wanneer die vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn. Binnen dat toetsingskader zijn de programmatische - en inrichtingswensen van de eigenaar van de gronden beoordeeld en getoetst aan het gemeentelijk beleid. De wensen en argumenten die vanuit de omgeving ten aanzien van de transformatie van Schakenbosch naar voren zijn gebracht, zijn bij deze beoordeling betrokken en eveneens afgezet tegen het belang van een goede ruimtelijke ordening. Dit proces heeft uiteindelijk geresulteerd in de vaststelling van een ruimtelijk kader waarin uitgangspunten en randvoorwaarden voor de transformatie van het gebied zijn vastgelegd. Aan de hand van deze uitgangspunten en randvoorwaarden is vervolgens het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. 66
Het nu voorliggende plan voldoet aan de gemeentelijke beleidskaders, is in overeenstemming met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening en komt objectief bezien op een verantwoorde manier aan een mix van verschillende belangen tegemoet, zonder te pretenderen dat daarbij alle ten aanzien van de planvorming bestaande bezwaren zijn weggenomen. Zoals echter gezegd: dat is ook geen vereiste om van adequate en betekenisvolle burgerparticipatie te kunnen spreken. Conclusie: Deze zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, geen aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
11.
Reclamant 14, W. van Soest, Prins Berhardlaan 123 te LEIDSCHENDAM
Inhoud en beantwoording van de zienswijze Onderdeel a.: Reclamant uit zijn zorgen over de gevolgen die het plan zal hebben voor cliënten van GGZ Rivierduinen en de gesloten jeugdzorginstelling in Schakenbosch-Noord. Ook vreest reclamant voor het verdwijnen van de parkfunctie die het gebied heeft voor met name ouderen uit de omgeving. De raad begrijpt de zorg van reclamant. Van belang is echter om te beseffen dat het terrein Schakenbosch door de gebruikers uit de omgeving weliswaar wordt ervaren als een openbare groenvoorziening, maar dat het gebied die status de facto nooit heeft gehad. Het gehele terrein is altijd particulier eigendom geweest. Voorheen was de ter plaatse gevestigde GGZ-instelling eigenaar, thans is dat Schakenbosch B.V. Weliswaar hebben de private eigenaren altijd informeel toegelaten dat het terrein door derden recreatief (als parkachtige groenvoorziening) werd gebruikt, maar noch de gemeente Leidschendam-Voorburg noch andere partijen hebben ooit formeel de bevoegdheid of macht gehad voortzetting van dit ‘openbare’ gebruik te eisen af te dwingen. De private eigenaren van Schakenbosch hebben altijd het recht gehad op enig moment waarop zij daartoe aanleiding zouden zien het terrein geheel voor derden af te sluiten.
Met het voorliggende plan wordt niet alleen de herontwikkeling van Schakenbosch tot een woongebied mogelijk gemaakt, maar worden ook de randvoorwaarden gecreëerd om het groene karakter van het gebied te behouden en te versterken en vervolgens voor aanzienlijke delen van het terrein ook voor de langere termijn de openbare toegankelijkheid daarvan te waarborgen. Met andere woorden: het plan zal juist bijdragen aan het beschikbaar blijven van een groot deel van Schakenbosch voor de doelgroepen die reclamant op het oog heeft, en daarnaast aan deze doelgroepen een betere gebruikskwaliteit en belevingswaarde bieden. Onderdeel b.: Reclamant verzoekt de omvang van de nieuwe bebouwing in Schakenbosch te beperken en vast te houden aan het maximale aantal van 325 woningen. De raad onderschrijft dat vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit en goede ruimtelijke ordening het woningbouwprogramma beperkt dient te blijven tot een bij het gebiedskarakter van Schakenbosch passende omvang. In de het ruimtelijk kader voor de herontwikkeling van het gebied is daartoe een maximumaantal woningen van 325 (exclusief bestaande woningen op het terrein) vastgelegd.
Deze randvoorwaarde uit het ruimtelijk kader is in het bestemmingsplan juridisch-planologisch verankerd in artikel 14.4 van de regels, waarin is bepaald dat het maximumaantal te bouwen woningen voor het gehele plangebied niet meer mag bedragen dan 325 (met uitzondering van de 7 bestaande woningen). Het plan is op dit punt dus in overeenstemming met de wens van reclamant.
67
Conclusie: Deze zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, geen aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
12.
Reclamante 15, D.B. Oosterbeek, Boslaan 31 te Leidschendam
Inhoud en beantwoording van de zienswijze Onderdeel a.: Reclamante geeft aan dat de luchtkwaliteit en geluidoverlast rond het plangebied in 2016 al ruimschoots in strijd met de normen van de WHO waren. Voor zover reclamante bekend zijn er sindsdien geen maatregelen voor verbetering van de situatie getroffen. Daarom is actueel en onafhankelijk (d.w.z. niet verricht door enige instantie die direct of indirect belang bij de uitkomsten heeft) onderzoek noodzakelijk. Inhoudelijk verwijst de raad voor wat betreft de aspecten geluid en luchtkwaliteit naar de ten behoeve van het plan uitgevoerde onderzoeken, waarvan de rapportages als bijlagen onderdeel uitmaken van de plantoelichting, alsmede naar de hoofdstukken 4 en 5 van diezelfde plantoelichting. Daarin worden de uitkomsten van de verschillende onderzoeken beschreven en afgewogen en wordt geduid wat de gevolgen voor het plan zijn. Voor wat betreft de stelling van reclamante dat het plan onafhankelijk onderzoek ontbeert merkt de raad het volgende op. Noch de Wet ruimtelijke ordening noch andere relevante wetgeving schrijft voor dat onderzoek ten behoeve van een bestemmingsplan slechts door onafhankelijke adviseurs of instanties mag worden uitgevoerd.
Anders dan reclamante kennelijk veronderstelt volgt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) herhaaldelijk heeft overwogen105, uit het enkele feit dat een onderzoeksrapport door of in opdracht van de ontwikkelaar van het plan is opgesteld niet dat hieraan in de bestemmingsplanprocedure geen betekenis kan worden toegekend. Alle onderzoeksrapporten, die bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan zijn gebruikt, zijn door de verschillende vakinhoudelijk gespecialiseerde ambtelijke adviseurs van de gemeente Leidschendam-Voorburg beoordeeld. Bij de beoordeling is uitsluitend getoetst op de inhoudelijke volledigheid, consistentie en juistheid van de uitgevoerde onderzoeken en de aan de hand van die onderzoeken getrokken conclusies. De gemeenteraad heeft daarin een eigenstandige taak als bevoegd gezag, waarbij slechts de kwaliteit van de aangeleverde rapporten en overige documenten relevant is voor het oordeel over deze stukken en niet de vraag door welke partij ze zijn opgesteld. De raad is van oordeel dat de verschillende aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken, ongeacht of deze zijn uitgevoerd door Aveco de Bondt of door andere partijen, op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en zijn voorbereid in overeenstemming met de daarvoor geldende normen, richtlijnen en gebruiken.
Voorts ziet de raad geen aanleiding om de deskundigheid van de betrokken onderzoeks- en adviesbureaus, dan wel de inhoudelijke juistheid en volledigheid van de aangeleverde rapporten en overige documenten in twijfel te trekken. Gelet hierop meent de raad dat hij aan de desbetreffende onderzoeksrapporten en op basis daarvan getrokken conclusies doorslaggevende betekenis mag toekennen en deze aan het onderhavige bestemmingsplan ten grondslag mag leggen. Het feit dat (een deel van) de betreffende onderzoeken zijn uitgevoerd door een adviseur, die onderdeel uitmaakt van een holdingsstructuur waarmee ook de ontwikkelaar van Schakenbosch banden heeft maakt dat niet anders.
105 Zie onder meer: ECLI:NL:RVS:2013:CA3693.
68
Ten slotte verwijst de raad nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Onderdeel b.: Reclamante verwijst naar de brief van longarts dr. Schreur en verzoekt de reactie van de raad op deze brief openbaar te maken, of ten minste de strekking daarvan weer te geven. Voor wat betreft de brief van dokter Schreur wordt het volgende opgemerkt. Uiteraard heeft de raad, evenals het college, kennisgenomen van de betrokken brief. De raad is gehouden bij de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan alle aspecten te betrekken die vallen onder het brede en algemene toetsingskader van een goede ruimtelijke ordening. Zaken als luchtkwaliteit en gezondheid maken daarvan uiteraard deel uit. De raad heeft daarbij getoetst aan door de wetgever vastgestelde normen. Denk bijvoorbeeld aan normen voor de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer, of de uitstoot van stoffen die de luchtkwaliteit beïnvloeden. De raad is gehouden de effecten van het voorliggende plan te toetsen en beoordelen aan de hand van deze wettelijk geldende normen. Uit de onderzoeken, die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd, blijkt dat het plan op geen enkel aspect leidt tot een overschrijding van wettelijk in acht te nemen normen.
Hiertoe wordt verwezen naar de toelichting van het plan en de verschillende daarvan onderdeel uitmakende onderzoeksrapporten, waaruit een en ander genoegzaam blijkt. De raad begrijpt uiteraard de zorg van omwonenden en andere betrokkenen voor aantasting van het woon- en leefklimaat en daarmee samenhangende risico’s voor de gezondheid van inwoners. De raad (en dat geldt evenzeer voor het college) deelt die zorg ook. Het is echter, gelet op het voorgaande, in redelijkheid en door middel van onderzoek aantoonbaar, niet aannemelijk dat de gevreesde negatieve effecten van het plan zich zullen voordoen. In zoverre bestaat er dan ook voor de raad geen aanleiding af te zien van vaststelling van het plan. Van het geven van een reactie op de brief van dokter Schreur heeft de raad afgezien. Naar het oordeel van de raad geeft de redactie van de betreffende brief daartoe ook geen aanleiding, zij is slechts bedoeld om een standpunt onder de aandacht van de raad te brengen en de raad heeft zoals gezegd van dat standpunt kennisgenomen. Onderdeel c.: Reclamante vraagt zich af waarom er met de komst van The Mall of the Netherlands en de daarmee verwachte verkeersstromen geen aanpassingen aan het wegennet hebben plaatsgevonden om de doorstroming te verbeteren.