CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1947-11 Zienswijzennota en nota van wijzigingen

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: vaststellen bestemmingsplan "Schakenbosch" (1947).37.426 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Bij het opstellen van het ruimtelijk kader voor Schakenbosch, maar ook de ruimtelijke uitnodiging voor de Duivenvoordecorridor zijn deze doelstellingen en uitgangspunten, voor zover nog relevant, ook weer als leidraad gebruikt. Met andere woorden: sinds 2005 is sprake van een consistente en integrale visievorming ten aanzien van het gebied tussen de kernen Leidschendam en Voorschoten, waarmee de nu voorgestane herontwikkeling van Schakenbosch volledig in overeenstemming is. Onderdeel e.: Reclamant is van mening dat voor wat betreft de verkeersgerelateerde effecten van het plan ten onrechte alleen is gekeken naar de gevolgen van het plan op zichzelf, zonder rekening te houden met andere in voorbereiding zijnde ingrepen in de omgeving. Bovendien zijn de effecten van horeca-, zorg- en overige voorzieningen buiten beschouwing gelaten. Ook de waarschuwing van longarts dr. Schreur voor de gezondheidsgevolgen van het plan is volstrekt genegeerd. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat ten behoeve van het plan álle relevante omgevingsaspecten en -effecten zijn onderzocht.

Wanneer het gaat om effecten als verkeer, (verkeers)geluid en luchtkwaliteit, dan zijn de onderzoeken die op deze vlakken zijn verricht gebaseerd op verkeerscijfers die zijn ontleend aan een regionaal verkeersmodel.50 Dit model bestaat uit computermodellen51 die verkeersstromen in een bestaande situatie in het gebied van de MRDH beschrijven op een gemiddelde werkdag, maar daarnaast inzicht geven in de toekomstige verkeersbelasting op wegen in de toekomstjaren 2023, 2030 en 2040. In het model is niet alleen de bestaande situatie op een gegeven moment verwerkt, maar worden ook de gegevens opgenomen van bekende ruimtelijke en overige ingrepen die de verkeersbelasting en daarvan afgeleide effecten (kunnen) beïnvloeden. Waar het gaat om de modellering van de huidige en toekomstige verkeerssituatie op en rond de Veursestraatweg is in het model rekening gehouden met het beoogde programma voor Schakenbosch, maar ook voor andere (bouw)projecten in de omgeving. In het verkeersonderzoek52 voor het bestemmingsplan is dit toegelicht. Daaruit volgt dat in alle van het verkeersonderzoek afgeleide verdere onderzoeken, o.a. voor geluid, luchtkwaliteit en flora & fauna, eveneens rekening is gehouden met de effecten van niet alleen Schakenbosch, maar ook van de andere projecten die een relevante invloed en effect op de omgeving van het plangebied hebben.

50 Regionaal verkeer- en vervoermodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). 51 Omnitrans. 52 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019).

35

Het verkeersonderzoek53, dat ten behoeve van het plan is uitgevoerd, had primair tot doel inzicht te geven in de vraag of de huidige inrichting van het kruispunt Veursestraatweg - Schakenbosch de toename van verkeer als gevolg van de ontwikkeling van Schakenbosch op kan vangen. Expliciet is daarbij bepaald dat bij het beantwoorden van deze onderzoeksvraag rekening dient te worden gehouden met andere ruimtelijke ontwikkelingen die spelen in het gebied rondom de Veursestraatweg. Doordat bij het verkeersonderzoek gebruik is gemaakt van het regionale verkeersmodel54 is een goed en volledig inzicht verkregen in de toekomstige verkeerssituatie op de Veursestraatweg. In dat toekomstbeeld zijn niet alleen de effecten van de herontwikkeling van Schakenbosch verwerkt, maar de gemodelleerde verkeerseffecten op de middellange en lange termijn van alle bekende ruimtelijke ingrepen in de omgeving opgenomen. Daarbij zijn uiteraard ook de effecten van ingrepen als de integrale herontwikkeling van Leidsenhage tot ‘Mall of the Netherlands’ en de aanleg van de Rijnlandroute op de verkeersintensiteit op de Veursestraatweg meegenomen in het model en dus in de resultaten van de onderzoeken die voor het voorliggende bestemmingsplan zijn verricht.

Resumerend: in tegenstelling tot hetgeen reclamanten stellen in dit onderdeel van de zienswijze beslaat het verkeersonderzoek de volle breedte van alle ingrepen, plannen en projecten die invloed (kunnen) hebben op de verkeersstromen op de Veursestraatweg. Dat geldt ook voor de eventuele effecten van projecten die over de grens van het gebied van de MRDH zijn gelegen. Ook de verkeersaantrekkende werking van andere functies dan wonen, die op Schakenbosch mogelijk worden gemaakt, zijn in het onderzoek betrokken. Zie hiervoor bijvoorbeeld de paragrafen 2.1 en 2.2.3 van het verkeersonderzoek55, waarin de diverse functies waarvan in de plansituatie sprake zal zijn en die in de berekeningen zijn meegenomen, zijn beschreven. Voor wat betreft de brief van dokter Schreur wordt het volgende opgemerkt. Uiteraard heeft de raad, evenals het college, kennisgenomen van de betrokken brief. De raad is gehouden bij de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan alle aspecten te betrekken die vallen onder het brede en algemene toetsingskader van een goede ruimtelijke ordening. Zaken als luchtkwaliteit en gezondheid maken daarvan uiteraard deel uit. De raad heeft daarbij getoetst aan door de wetgever vastgestelde normen. Denk bijvoorbeeld aan normen voor de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer, of de uitstoot van stoffen die de luchtkwaliteit beïnvloeden.

De raad is gehouden de effecten van het voorliggende plan te toetsen en beoordelen aan de hand van deze wettelijk geldende normen. Uit de onderzoeken, die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd, blijkt dat het plan op geen enkel aspect leidt tot een overschrijding van wettelijk in acht te nemen normen. Hiertoe wordt verwezen naar de toelichting van het plan en de verschillende daarvan onderdeel uitmakende onderzoeksrapporten, waaruit een en ander genoegzaam blijkt. De raad begrijpt uiteraard de zorg van omwonenden en andere betrokkenen voor aantasting van het woon- en leefklimaat en daarmee samenhangende risico’s voor de gezondheid van inwoners. De raad (en dat geldt evenzeer voor het college) deelt die zorg ook. Het is echter, gelet op het voorgaande, in redelijkheid en door middel van onderzoek aantoonbaar, niet aannemelijk dat de gevreesde negatieve effecten van het plan zich zullen voordoen. In zoverre bestaat er dan ook voor de raad geen aanleiding af te zien van vaststelling van het plan. Onderdeel f.: Reclamant is van oordeel dat de manier waarop het college van burgemeester en wethouders dit plan heeft voorbereid neerkomt op oneigenlijke doorzettingsmacht en onbehoorlijk bestuur.

53 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019). 54 Regionaal verkeer- en vervoermodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). 55BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019).

36

De raad herkent zich niet in dit verwijt. Verwezen wordt naar de beantwoording van onderdeel c. van de zienswijze van reclamant. Er is sprake geweest van een uitgebreid en transparant voorbereidingsen besluitvormingsproces, waarin alle relevante belangen en de door omwonenden en andere stakeholders naar voren gebrachte inbreng is afgewogen. Dat dit proces uiteindelijk niet heeft geleid tot een eindresultaat waarin reclamant zich kan vinden maakt de wijze van voorbereiden van het plan niet minder zorgvuldig. Van oneigenlijke doorzettingsmacht dan wel onbehoorlijk bestuur is geen sprake. Onderdeel g.: Reclamant wijst er op dat het plangebied deel uitmaakt van de Duivenvoordecorridor en wijst ter ondersteuning van dit standpunt naar de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor 2015”56. Daarom meent reclamant dat het plan getoetst dient te worden aan het bestuursconvenant dat op 19 februari 2008 is gesloten tussen de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Voorschoten, de Provincie Zuid-Holland en het Rijk. Inderdaad was in de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor 2005” het gebied Schakenbosch nog opgenomen als onderdeel van de corridor. Echter, in het bestemmingsplan “Duivenvoordecorridor”57 is Schakenbosch al niet meegenomen in het plangebied.

De reden hiervoor was destijds de onzekerheid over de toekomstplannen van de op het terrein gevestigde Robert Fleury Stichting en de daarmee samenhangende vraag of een herinrichting van Schakenbosch overeenkomstig de visie op de corridor binnen de (wettelijk bepaalde) planperiode van 10 jaar haalbaar zou zijn. Op grond van deze zelfde overwegingen is overigens Schakenbosch58 ook niet opgenomen in de het (Rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht van de ‘Landgoederenzone Wassenaar-VoorschotenLeidschendam-Voorburg’, zoals aangewezen door de Ministers van OC&W en VROM bij hun besluit van 16 november 2007. Het bestuursconvenant tussen gemeente, provincie en rijk, waarnaar reclamant verwijst, heeft voor wat betreft Leidschendam-Voorburg slechts betrekking op de gronden die deel uitmaken van het bestemmingsplan “Duivenvoordecorridor”. Schakenbosch maakt daarvan zoals gezegd geen onderdeel uit. Ook in alle overige visies, beleidsdocumenten, uitwerkingen, etc. voor het gebied die sinds 2005 zijn opgesteld door de gemeente, de provincie en andere instanties is Schakenbosch nooit meer opgenomen. In die zin is de veronderstelling van reclamant dat de beoogde transformatie van Schakenbosch getoetst zou moeten worden aan de beleidskaders voor de Duivenvoordecorridor, dus onjuist.

Daarbij is voorts van belang dat de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor 2005” niet meer het actuele ruimtelijke beleid op hoofdlijnen voor dit gebied vormt. Immers, in 2006 heeft de raad de gemeentelijke structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040” vastgesteld die vervolgens in 2012 is gevolgd door de structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040, Herijking 2012” in 2012. Deze laatste vormt ook voor Schakenbosch en de Duivenvoordecorridor thans het ruimtelijke beleidskader op hoofdlijnen. Zoals uiteengezet in paragraaf 2.5.2 van de plantoelichting is het voorliggende plan volledig met de structuurvisie in overeenstemming. Uit het vorenstaande volgt dat het voor Schakenbosch voorziene bouwvolume niet, zoals reclamant stelt, dient te worden betrokken op de beleidskaders en bestuursafspraken die specifiek voor de Duivenvoordecorridor gelden.

56 Aangenomen wordt dat reclamant hier de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor 2005” bedoelt. 57 Door de raad vastgesteld op 5 september 2007. 58 Met uitzondering van een klein gedeelte van Schakenbosch, namelijk de ‘hoek’ begrensd door de Lijtweg en

Veursestraatweg.

37

Onderdeel h.: Reclamant is van oordeel dat het bouwplan voor Schakenbosch uitsluitend voorziet in woningen in het hoge(re) segment en daarom niet voorziet in de behoefte van woningenzoekenden in Leidschendam-Voorburg. Er is vooral vraag naar sociale (huur/koop) woningen en woningen voor starters. Het plan voorziet daar niet in en is daarom in strijd met de gemeentelijke Woonvisie. Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt volstaan met een verwijzing naar de paragrafen 2.5.3 en 2.5.4 van de plantoelichting. Daarin wordt het plan getoetst aan het gemeentelijk woonbeleid en wordt uiteengezet waarom het plan aan de in dit beleid geformuleerde doelstellingen voldoet c.q. bijdraagt aan het verwezenlijken van deze doelstellingen. Uit de door reclamant naar voren gebrachte argumenten blijkt geenszins dat deze toetsing resp. de in het plan beschreven conclusies onjuist of onvolledig zouden zijn. Onderdeel i.: Reclamant stelt geen tegenstander te zijn van woningbouw op Schakenbosch als zodanig. De nieuw te realiseren bebouwing zou echter kleiner van omvang moeten zijn en gesitueerd worden op de plaatsen in het gebied waar vroeger de bebouwing van de zorginstellingen stond. Bovendien zou de planvorming zorgvuldiger moeten plaatsvinden. Voor wat betreft de omvang van de bebouwing wordt het volgende opgemerkt.

De bebouwingsmogelijkheden die in een bestemmingsplan worden vastgelegd voor (her)ontwikkellocaties zijn altijd een compromis tussen de ruimtelijke kwaliteit, de economische uitvoerbaarheid, de technische mogelijkheden en de wensen en belangen van alle betrokken partijen. Al deze aspecten dient de raad vanuit het algemene belang van een goede ruimtelijke ordening te beschouwen en af te wegen. Het plan zoals dat er nu ligt voldoet aan de kwalitatiefruimtelijke randvoorwaarden zoals die in het ruimtelijk kader zijn vastgelegd. Uit de diverse omgevings- en overige onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd blijkt bezien naar objectieve maatstaven dat het plan niet leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor het milieu, het woon- en leefklimaat resp. de leefomgeving of voor gerechtvaardigde belangen van derden. Het plan is voorts in zijn huidige aard en omvang redelijkerwijs economisch uitvoerbaar te achten. Ten slotte kan het plan in deze omvang een betekenisvolle bijdrage leveren aan het verwezenlijken van het gemeentelijk woonbeleid. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening zijn er geen gronden om aan het plan verder gaande beperkingen op te leggen dan de randvoorwaarden die reeds in het ruimtelijk kader zijn opgenomen.

Voorts voorziet de raad dat een -aanzienlijk- kleiner programma zoals reclamant wenst de economische uitvoerbaarheid van het plan niet ten goede zal komen en zal resulteren in minder investeringen in de ruimtelijke kwaliteit, het faciliteren van maatschappelijke functies, het behoud van een voldoende mate van openbaarheid, etc. Met andere woorden: door het verder beperken van de programmatische ruimte zullen juist de doelstellingen die reclamant in de zienswijze in het algemeen stelt na te streven mogelijk niet of in significant mindere mate gerealiseerd kunnen worden. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van de onderdelen a. t/m h. van de zienswijze van reclamant.

38

Onderdeel j.: N.B.: Reclamant heeft, na daarom in de initiële zienswijze uitdrukkelijk verzocht te hebben, de gelegenheid gekregen zijn zienswijze aan te vullen. Binnen de daartoe gestelde termijn heeft reclamant de hier behandelde aanvullende bezwaren tegen het plan naar voren gebracht. Reclamant wijst erop dat het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan fouten en onduidelijkheden bevat. Zo is in de bekendmaking van de terinzagelegging van het plan vermeld dat het plangebied aan de noordzijde begrensd wordt door de spoorlijn Leiden-Den Haag, hetgeen volgens reclamant onjuist is. Ook bevat de rapportage van de ecologische quickscan, die van het plan deel uitmaakt, volgens reclamant onjuistheden waardoor de vraag rijst of dit rapport wel aan het plan ten grondslag kan worden gelegd. Voor wat betreft de aangeduide begrenzing van het plangebied wordt het volgende opgemerkt. In de bekendmaking in de Staatscourant59 van 13 november 2019 (publicatienummer: 59067) staat voor wat betreft de ligging en begrenzing van het plangebied letterlijk het volgende vermeld: “Het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan ligt aan de Veursestraatweg (N447), tussen de bebouwde kom van Leidschendam en de Duivenvoordecorridor. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door de jeugdinrichting Schakenbosch, het Sportpark Kastelenring en de spoorlijn Leiden-Den Haag.

De zuidzijde wordt begrensd door de Veursestraatweg”.

Het doel van de tekst in de bekendmaking is om, door middel van een globale aanduiding van de ligging en begrenzing van het plangebied, duidelijk te maken op welke locatie het plan in grote lijnen betrekking heeft. Op de verbeelding van het plan zelf wordt de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven. De tekst in de bekendmaking heeft slechts een indicatieve en informatieve functie, de op de verbeelding opgenomen grenzen zijn juridisch bindend. De raad is van mening dat de tekst zoals deze in de betreffende bekendmaking is opgenomen voor eenieder in redelijkheid voldoende duidelijk maakt waar het plangebied globaal gelegen is. Dat geldt naar het oordeel van de raad zeker voor direct omwonenden of diegenen die, zoals reclamant, zelf in het plangebied woonachtig zijn. Met betrekking tot de opmerkingen van reclamant over de ecologische quickscan constateert de raad, dat bij het ontwerpbestemmingsplan helaas niet het goede rapport ter inzage is gelegd. Reeds bij de voorbereiding van het plan is ambtelijk gesignaleerd dat het rapport van 24 mei 2017 de ook door reclamant benoemde fouten bevat. Vervolgens is door Aveco de Bondt een geheel geactualiseerde en uitgebreide versie van de quickscan60 alsmede een bijbehorende oplegnotitie61 ingediend.

Deze beide documenten hadden bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd moeten worden, met de oplegnotitie is dat ook gebeurd maar abusievelijk is daarbij helaas niet het juiste, geactualiseerde en gecorrigeerde rapport bij de planstukken gevoegd. De raad betreurt dit uiteraard, maar stelt tevens vast dat de conclusies in de plantoelichting62 wel degelijk (zo blijkt uit de wel correct opgenomen oplegnotitie) zijn gestoeld op de juiste en actuele ecologische beoordeling, te weten de quickscan uit mei 2019. Inhoudelijk blijft het bij de planstukken ter inzage leggen van het rapport met de door reclamant gesignaleerde gebreken dan ook zonder gevolgen. Uiteraard wordt bij het vastgestelde plan wel de juiste rapportage als bijlage toegevoegd, zodat bedoeld gebrek wordt gerepareerd. Indien reclamant (of andere belanghebbenden) zich met de uitkomsten van de ecologische beoordeling c.q. de rapportage uit mei 2019 niet kunnen verenigen, dan kunnen zij hiertegen in beroep alsnog inhoudelijk opkomen. Aangezien echter de inhoudelijke 59 Dezelfde bekendmaking is overigens ook identiek opgenomen in de gemeenterubriek in ’t Krantje en op de

gemeentelijke website. 60 Aveco de Bondt, Quickscan flora en fauna Schakenbosch Leidschendam (17 mei 2019). 61 Aveco de Bondt, Memo Stand van zaken ecologische onderzoeken Schakenbosch (3 december 2020). 62 Zie paragraaf 5.7 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan.

39

conclusies op het vlak van flora en fauna al juist in het ontwerp van het voorliggende plan waren verwoord bestaat er geen aanleiding het plan uitsluitend vanwege dit aspect opnieuw ter inzage te leggen. Conclusie: De zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De juiste ecologische rapportage wordt alsnog toegevoegd aan de bijlagen bij de plantoelichting. Voorts wordt de plantoelichting aangevuld naar aanleiding van de AERIUSberekening voor de realisatiefase van het plan.

5.

Reclamant 7, A. Nutbeij, Veursestraatweg 142 te Leidschendam

Inhoud en beantwoording van de zienswijze: De zienswijze die reclamant heeft ingediend tijdens de daartoe geldende termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan “Schakenbosch” is een pro forma zienswijze. Dat wil zeggen dat de zienswijze niet de inhoudelijke gronden bevat waarop de bezwaren van reclamant ten aanzien van het bestemmingsplan betrekking hebben. Aan reclamant is bij brief van 8 januari 2020 (verzonden 9 januari 2020) verzocht om binnen een termijn van twee weken van dagtekening van verzending van bedoelde brief alsnog de gronden waarop zijn zienswijze berust kenbaar te maken. Op dit verzoek is van reclamant geen reactie ontvangen. Daaruit volgt dat de zienswijze van reclamant niet voldoet aan de vereisten die daaraan op grond van de Wro en Awb moeten worden gesteld, zodat de zienswijze niet-ontvankelijk moet worden gedacht. De raad kan de zienswijze niet inhoudelijk in behandeling nemen. Conclusie: Deze zienswijze geeft, nu zij niet-ontvankelijk moet worden geacht, geen aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.

6.

Reclamant 9, Nederlandse Tuinen Stichting te AMSTERDAM

Inhoud en beantwoording van de zienswijze Onderdeel a.: Reclamante meent dat het plan onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, omdat de grote cultuurhistorische waarde van het park Schakenbosch niet goed is onderzocht en onderkend. Het plan heeft betrekking op een herontwikkeling van het terrein van de voormalige psychiatrische inrichting Schakenbosch. Oorspronkelijk bestond de locatie van de inrichting uit weiland met enkele boerderijen. Deze boerderijen dateren vanaf het einde van de zestiende eeuw, na de ontginning van de restanten van het toenmalige landgoed Schakenbosch.

40

Topografische kaart 1876: locatie plangebied met weilanden

De bouw van de psychiatrische instelling startte in 1939, maar kwam door het uitbreken van de tweede wereldoorlog stil te leggen. De realisatie van de instelling werd pas na 1945 voltooid, inclusief het parkachtige buitenterrein zoals we dat nu kennen. Het huidige parkachtige gebied kenmerkt zich door een mix van een formele hoofdas met elementen van de landschapsstijl. De opzet en inrichting van het terrein is met name bepaald door c.q. volgend geweest aan de massa en situering van de verschillende bouwvolumes, die samen de psychiatrische inrichting vormden.

Luchtfoto RAF ca.1944: locatie plangebied met Schakenbosch in aanbouw

Door middel van een inventariserend onderzoek is in kaart gebracht wat de kenmerkende en meest waardevolle elementen van het gebied zijn. De hoofd(infra)structuur is daar het belangrijkste onderdeel van. Bij de herontwikkeling van het plangebied worden de kenmerkende landschappelijke elementen ingepast. Dit is in de verbeelding van het bestemmingsplan goed te zien. Daarnaast wordt een zo groot mogelijk deel van de waardevolle bomen in het gebied behouden c.q. ingepast. De kenmerkende uitstraling en kwaliteiten van het parkachtige voormalige instellingsterrein blijven daarmee in elk geval op hoofdlijnen behouden. Zowel de resultaten van de inventarisatie als de wijze waarop een en ander in het plan een passende ruimtelijke oplossing krijgt is verwerkt in het door de raad vastgestelde ruimtelijk kader. De raad hecht er voorts aan te benadrukken dat van een geformaliseerde cultuurhistorische waarde van het gebied geen sprake is. Veelbetekenend daarbij is dat Schakenbosch, met uitzondering van 41

een ondergeschikt gedeelte van het plangebied, geen onderdeel uitmaakt van het (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht “Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam-Voorburg” dat bijvoorbeeld wel van toepassing is op de aangrenzende Duivenvoordecorridor. Weliswaar heeft Schakenbosch zeker een aantal kenmerkende kwaliteiten en waarden, maar deze zijn historisch niet terug te voeren tot het voormalige landgoed. De structuren van het gebied zijn juist veel meer een functioneel gevolg van de inrichting en wijze van gebruik van het gebied als instellingsterrein ten behoeve van de psychiatrische inrichting. Gelet hierop is de raad van oordeel dat wel degelijk de waarden van het gebied voldoende in kaart zijn gebracht en passend (én voldoende kenbaar, zie ook paragraaf 6.2 van de plantoelichting) in het plan zijn verwerkt. De voorbereiding van het plan is op dit punt dan ook voldoende zorgvuldig geweest. Onderdeel b.: Reclamante meent dat de naam ‘Schakenbosch’ vanwege de verwijzing naar de historie van het gebied niet verloren zou moeten gaan. Schakenbosch B.V. heeft er voor gekozen de herontwikkeling van het gebied Schakenbosch te vermarkten onder de noemer “Landgoed Voorlei”. In de eerste plaats staat het een private partij volledig vrij een dergelijke keuze voor een gebied waarvan hij eigenaar is te maken. De gemeente heeft daar geen enkele zeggenschap over.

Voorts bestaat er geen enkele relatie tussen het voorliggende bestemmingsplan “Schakenbosch” en een eventuele naamswijziging van het gebied, zodat dit onderwerp verder in de bestemmingsplanprocedure niet relevant kan worden geacht. Conclusie: Deze zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, geen aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.

7.

Reclamante 10, W. Smit, Veursestraatweg 186 te LEIDSCHENDAM

Inhoud en beantwoording van de zienswijze Onderdeel a.: Reclamante meent dat in de bekendmaking (aangenomen wordt dat reclamante doelt op de bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan) onjuiste informatie is opgenomen over de ligging en begrenzing van het gebied. Ook wordt volgens reclamante ten onrechte gesproken over een voormalige GGZ-instelling Schakenbosch waarvan eveneens ten onrechte wordt gesteld dat die haar oorspronkelijke functie heeft verloren. Deze onzorgvuldigheden zijn volgens reclamante zo ernstig dat het ontwerpbestemmingsplan met correcties op deze punten opnieuw ter inzage gelegd zou moeten worden. Reclamante verwijst daarbij tevens naar door haar geconstateerde fouten in de rapportage van de ecologische quickscan. Voor wat betreft de aangeduide begrenzing van het plangebied wordt het volgende opgemerkt. In de bekendmaking in de Staatscourant63 van 13 november 2019 (publicatienummer: 59067) staat voor wat betreft de ligging en begrenzing van het plangebied letterlijk het volgende vermeld: “Het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan ligt aan de Veursestraatweg (N447), tussen de bebouwde kom van Leidschendam en de Duivenvoordecorridor. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door de jeugdinrichting Schakenbosch, het Sportpark Kastelenring en de spoorlijn Leiden-Den Haag. De zuidzijde wordt begrensd door de Veursestraatweg”.

63 Dezelfde bekendmaking is overigens ook identiek opgenomen in de gemeenterubriek in ’t Krantje en op de

gemeentelijke website.

42

Het doel van de tekst in de bekendmaking is om, door middel van een globale aanduiding van de ligging en begrenzing van het plangebied, duidelijk te maken op welke locatie het plan in grote lijnen betrekking heeft. Op de verbeelding van het plan zelf wordt de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven. De tekst in de bekendmaking heeft slechts een indicatieve en informatieve functie, de op de verbeelding opgenomen grenzen zijn juridisch bindend. De raad is van mening dat de tekst zoals deze in de betreffende bekendmaking is opgenomen voor eenieder in redelijkheid voldoende duidelijk maakt waar het plangebied globaal gelegen is. Dat geldt naar het oordeel van de raad zeker voor direct omwonenden of diegenen die, zoals reclamant, zelf in het plangebied woonachtig zijn. Ook voor betreft de door reclamante bestreden benaming GGZ-instelling Schakenbosch meent de raad dat hier van een reële gedachtegang in redelijkheid geen sprake kan zijn. De zorginstellingen die in de loop der jaren op Schakenbosch gevestigd zijn geweest hebben geopereerd onder een veelheid aan namen: Hulp en Heil, Stichting Open Ankh, Schakenbos, Robert-Fleury Stichting, GGZ Rivierduinen, etc. Met de term ‘GGZ-instelling Schakenbosch’ is in redelijkheid voor eenieder duidelijk om welke locatie resp. welke voorziening het gaat.

De kennelijk voor reclamante vereiste mate van detaillering en onderscheid in de gehanteerde benaming doet voor de kenbaarheid van de locatie en het onderwerp van de beoogde ontwikkeling in het geheel niet ter zake. Het opnieuw als ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan is dan ook niet aan de orde. Met betrekking tot de opmerkingen van reclamant over de ecologische quickscan constateert de raad, dat bij het ontwerpbestemmingsplan helaas niet het goede rapport ter inzage is gelegd. Reeds bij de voorbereiding van het plan is ambtelijk gesignaleerd dat het rapport van 24 mei 2017 de ook door reclamante benoemde fouten bevat. Vervolgens is door Aveco de Bondt een geheel geactualiseerde en uitgebreide versie van de quickscan64 alsmede een bijbehorende oplegnotitie65 ingediend. Deze beide documenten hadden bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd moeten worden, met de oplegnotitie is dat ook gebeurd maar abusievelijk is daarbij helaas niet het juiste, geactualiseerde en gecorrigeerde quickscan-rapport bij de planstukken gevoegd. De raad betreurt dit uiteraard, maar stelt tevens vast dat de conclusies in de plantoelichting66 wel degelijk (zo blijkt uit de wel correct opgenomen oplegnotitie) zijn gestoeld op de juiste en actuele ecologische beoordeling, te weten de quickscan uit mei 2019.

Inhoudelijk blijft het bij de planstukken ter inzage leggen van het rapport met de door reclamant gesignaleerde gebreken dan ook zonder gevolgen. Uiteraard wordt bij het vastgestelde plan wel de juiste rapportage als bijlage toegevoegd, zodat bedoeld gebrek wordt gerepareerd. Indien reclamant (of andere belanghebbenden) zich met de uitkomsten van de ecologische beoordeling c.q. de rapportage uit mei 2019 niet kunnen verenigen, dan kunnen zij hiertegen in beroep alsnog inhoudelijk opkomen. Aangezien echter de inhoudelijke conclusies op het vlak van flora en fauna al juist in het ontwerp van het voorliggende plan waren verwoord bestaat er geen aanleiding het plan uitsluitend vanwege dit aspect opnieuw als ontwerp ter inzage te leggen. Onderdeel b.: Het plan faciliteert de bouw van 325 woningen. De daadwerkelijke behoefte aan specifiek dit aantal woningen wordt echter volgens reclamante in het plan niet of onvoldoende onderbouwd. Reclamante meent verder dat met de vele bouwprojecten in de omgeving het aanbod aan nieuwe woningen de geraamde behoefte ruim overschrijdt. In de eerste plaats wordt voor de onderbouwing van de behoefte aan de woningen, waarvan het plan de bouw mogelijk maakt, verwezen naar paragraaf 2.2.2.1 van de plantoelichting. Hier wordt 64 Aveco de Bondt, Quickscan flora en fauna Schakenbosch Leidschendam (17 mei 2019).

65 Aveco de Bondt, Memo Stand van zaken ecologische onderzoeken Schakenbosch (3 december 2020). 66 Zie paragraaf 5.7 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan.

43

aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking de behoefte onderbouwd van het programma dat op Schakenbosch gepland is. Verder wordt verwezen naar de paragrafen 2.5.3 en 2.5.4 van de toelichting, waarin ook aan de hand van het gemeentelijk woonbeleid wordt onderbouwd dat het beoogde programma zowel qua typologie als qua omvang passend is bij de behoefte vanuit de woningmarkt. Voorts wijst de raad erop dat de vraag hoeveel woningen binnen een gegeven termijn aan de lokale voorraad moeten worden toegevoegd niet alleen beantwoord kan worden op basis van de lokale behoefte. Ook de regionale en provinciale opgave op het vlak van volkshuisvesting dient hierin betrokken te worden. Vanuit de provinciale volkshuisvestingsopgave dienen er in de regio Haaglanden tot 2025 ruim 50.000 nieuwe woningen te worden gerealiseerd. De 325 woningen op Schakenbosch die het voorliggende plan mogelijk maakt vormen een substantiële bijdrage aan de inspanningen om het woningtekort in Zuid-Holland terug te dringen, maar zijn tegelijkertijd afgezet tegen de totale opgave van 50.000 woningen slechts een druppel op de groeiende plaat. De raad kan de gedachte van reclamante, dat het aanbod aan woningen de behoefte inmiddels zou overschrijden, dan ook niet volgen.

Onderdeel c.: Reclamante stelt dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de geldende wettelijke zoals opgenomen in de Wro, het Bro en de SVBP2012, omdat volgens haar niet direct uit het plan kan worden afgelezen wat de oppervlakte van bestemmingsvlakken, de omvang van toegestane bebouwing, etc. is. Daarnaast meent reclamante dat het plan meer bebouwing toestaat dan de 26.000 m² footprint die op grond van het ruimtelijk kader het maximum is. Ook constateert reclamante dat de ‘verbeelding’, die op dit soort vragen mogelijk een antwoord kan geven, bij dit plan ontbreekt. Ten slotte meent reclamante dat het ontwerpbestemmingsplan niet in procedure gebracht had mogen worden zonder dat er een definitief stedenbouwkundig plan beschikbaar was, dat tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage kon worden gelegd. De raad constateert dat het plan, in tegenstelling tot wat reclamante stelt, wel degelijk voldoet aan de ter zake geldende wettelijke eisen en standaarden, met name de standaarden op het gebied van de Ruimtelijke Ordening zoals IMRO201267 en de SVBP201268. Voor wat betreft de maximale omvang aan te realiseren nieuwe bebouwing in het plangebied volstaat de raad ermee te verwijzen naar artikel 14.5 van de planregels.

De daar opgenomen bepaling laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er mag in het plangebied niet meer dan 26.000 m² (footprint) aan bebouwing gerealiseerd worden, de 7 reeds bestaande woningen uitgezonderd. Het feit dat reclamante kennelijk niet aan de hand van de verbeelding kan bepalen wat de oppervlakte van bestemmingsvlakken, bebouwingspercentages, etc. bedraagt doet daarom verder niet ter zake. Onderwerpen als openbare toegankelijkheid, de exacte inrichting van het gebied, e.d. kunnen niet door middel van het bestemmingsplan worden geregeld, daarvoor zijn andere instrumenten bedoeld maar in de bestemmingsplanprocedure zullen deze specifieke thema’s verder buiten beschouwing moeten blijven. Ook stelt reclamante dat de verbeelding van het plan niet zou zijn bijgevoegd. Reclamante meent dat er toch voldoende tijd geweest moet zijn om dit soort zaken op orde te brengen. De raad constateert dat reclamante kennelijk onvoldoende op de hoogte is van de opbouw van een bestemmingsplan en de wijze waarop zo’n plan conform de wettelijke voorschriften elektronisch beschikbaar gesteld dient te worden. De basis van de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is een overzichtskaart. Per specifieke locatie of specifiek plan kan de bestemming, die aan gronden of gebieden is 67 IMRO = Informatiemodel Ruimtelijke Ordening. 68 SVBP = Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen.

44

toegekend, zichtbaar worden gemaakt door middel van de zoekfunctie of door in de kaart te ‘klikken’. Deze visualisatie van bestemmingen, aanduidingen, e.d. vormt de verbeelding van het plan. Deze elektronische visualisatie is overigens ook de enige juridisch bindende versie van de verbeelding. Een papieren afdruk daarvan of een uitvoer in de vorm van een Pdf-bestand kan niet als rechtsgeldige versie van de verbeelding worden aangemerkt. Er is dan ook geen sprake van een apart bestand ‘verbeelding’, zoals reclamante lijkt aan te nemen. Het plan is volledig en in overeenstemming met de daarvoor geldende eisen beschikbaar gesteld en raadpleegbaar. Voor wat betreft het stedenbouwkundig plan merkt de raad het volgende op. Inderdaad is in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente Leidschendam-Voorburg en Schakenbosch B.V. een verband gelegd tussen het beschikbaar zijn van een definitief stedenbouwkundig plan en het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. De inhoud van deze overeenkomst bindt slechts de contracterende partijen en brengt uitsluitend tussen die contracterende partijen een rechtsverhouding tot stand. De gemeente en Schakenbosch B.V. hebben met elkaar geconstateerd, dat er goede gronden waren om de koppeling tussen een definitief stedenbouwkundig plan en het in procedure brengen van het voorliggende ontwerpbestemmingsplan los te laten.

Het is logischer om vanuit het relatief globale instrument van het bestemmingsplan verder te detailleren naar een stedenbouwkundig plan en vervolgens een concreet inrichtingsplan. Aan de hand van dit meer logische pad kunnen ook beter de tussen de gemeente en Schakenbosch B.V. te maken beheersafspraken voor het gebied na uitvoering van het plan vorm worden gegeven. Ten slotte wordt nog opgemerkt dat er ook vanuit de relevante ruimtelijke ordeningswetgeving of ander publiekrechtelijk beoordelingskader geen enkele verplichting of eis bestaat waaruit volgt dat een ontwerpbestemmingsplan pas door het bevoegde gezag in procedure gebracht mag worden nadat er een stedenbouwkundig plan is opgesteld. Onderdeel d.: Reclamante meent dat het plangebied van Schakenbosch deel uitmaakt van de Duivenvoordecorridor. Daaruit volgt dat een ontwikkeling in het gebied ook in overeenstemming moet zijn met de verschillende beleidskaders zoals die door de gemeente, de provincie en het rijk voor de corridor zijn vastgesteld. Dat is volgens reclamante niet het geval. Inderdaad was in de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor 2005” het gebied Schakenbosch nog opgenomen als onderdeel van de corridor. Echter, in het bestemmingsplan “Duivenvoordecorridor”69 is Schakenbosch al niet meegenomen in het plangebied.

De reden hiervoor was destijds de onzekerheid over de toekomstplannen van de op het terrein gevestigde Robert Fleury Stichting en de daarmee samenhangende vraag of een herinrichting van Schakenbosch overeenkomstig de visie op de corridor binnen de (wettelijk bepaalde) planperiode van 10 jaar haalbaar zou zijn. Op grond van deze zelfde overwegingen is overigens Schakenbosch70 ook niet opgenomen in de het (Rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht van de ‘Landgoederenzone Wassenaar-VoorschotenLeidschendam-Voorburg’, zoals aangewezen door de Ministers van OC&W en VROM bij hun besluit van 16 november 2007. Het bestuursconvenant tussen gemeente, provincie en rijk, waarnaar reclamant verwijst, heeft voor wat betreft Leidschendam-Voorburg slechts betrekking op de gronden die deel uitmaken van het bestemmingsplan “Duivenvoordecorridor”. Schakenbosch maakt daarvan zoals gezegd geen onderdeel uit. Ook in alle overige visies, beleidsdocumenten, uitwerkingen, etc. voor het gebied die sinds 2005 zijn opgesteld door de gemeente, de provincie en andere instanties is 69 Door de raad vastgesteld op 5 september 2007. 70 Met uitzondering van een klein gedeelte van Schakenbosch, namelijk de ‘hoek’ begrensd door de Lijtweg en

Veursestraatweg.

45

Schakenbosch nooit meer opgenomen. In die zin is de veronderstelling van reclamant dat de beoogde transformatie van Schakenbosch getoetst zou moeten worden aan de beleidskaders voor de Duivenvoordecorridor, dus onjuist. Daarbij is voorts van belang dat de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor 2005” niet het meer het actuele ruimtelijke beleid op hoofdlijnen voor dit gebied vormt. Immers, in 2006 heeft de raad de gemeentelijke structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040” vastgesteld die vervolgens in 2012 is gevolgd door de structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040, Herijking 2012” in 2012. Deze laatste vormt ook voor Schakenbosch en de Duivenvoordecorridor thans het ruimtelijke beleidskader op hoofdlijnen. Zoals uiteengezet in paragraaf 2.5.2 van de plantoelichting is het voorliggende plan volledig met de structuurvisie in overeenstemming. Uit het vorenstaande volgt dat het voor Schakenbosch voorziene bouwvolume niet, zoals reclamant stelt, dient te worden betrokken op de beleidskaders en bestuursafspraken die specifiek voor de Duivenvoordecorridor gelden. Met de voor het plangebied wel relevante kaders e.d. is het plan, zoals in de toelichting onderbouwd, geheel in overeenstemming.

Onderdeel e.: De gemeenten Wassenaar, Voorschoten en Leidschendam-Voorburg hebben gezamenlijk op zich genomen de mogelijkheden in kaart te brengen om een impuls te geven aan de invulling van de Landgoederenzone. Dit heeft geleid tot het rapport “Cultuurhistorische Impuls Duin, Horst en Weide 2005’. Bij de start van het nu lopende traject voor de herontwikkeling van Schakenbosch is de indruk gewekt dat er daarbij oog zou zijn voor de cultuurhistorische waarden van het gebied. Dat is een van de redenen waarom de raad heeft ingestemd met de planvorming. In het nu voorliggende bestemmingsplan komt aandacht voor de cultuurhistorische waarde van Schakenbosch echter niet terug. Er is dan ook volgens reclamante op dit vlak sprake geweest van misleiding; De raad verwijst naar paragraaf 2.3 van de plantoelichting. Daarin is integraal de toetsing van het plan aan het provinciaal omgevingsbeleid, met inbegrip van het regioprofiel, beschreven. Voorts is van belang dat het op grond van artikel 3.1.1 resp. .3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over het plan vooroverleg is gevoerd met diverse instanties, waaronder de provincie Zuid-Holland. De uitkomsten van dit vooroverleg zijn beschreven in paragraaf 8.2 van de toelichting.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben expliciet als vooroverlegreactie kenbaar gemaakt, dat het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan het relevante provinciale beleid. De raad sluit zich bij dit oordeel van het provinciaal bestuur ten aanzien van het provinciaal beleid aan. Voor het overige meent de raad dat in de planvorming wel degelijk voldoende aandacht is besteed aan de cultuurhistorische waarde en functie van het plangebied. Zowel in het ruimtelijk kader als in het bestemmingsplan heeft dit onderwerp een adequate plaats gekregen. Onder meer wordt hiertoe verwezen naar paragraaf 6.2 van de plantoelichting. Gelet hierop herkent de raad zich ook niet in de kwalificatie van ‘misleiding’, die reclamante in haar zienswijze bezigt. Onderdeel f.: Reclamante is van oordeel dat de toetsing van het plan aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, zoals die in het plan is beschreven, onjuist en onvolledig is omdat ten onrechte als uitgangspunt is genomen dat Schakenbosch deel uitmaakt van stedelijk gebied. Bovendien is door deze aanname de beoordeling van het plan in relatie tot provinciale regelgeving voor de ruimtelijke kwaliteit onjuist. In de eerste plaats merkt de raad op dat voor het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ waar het gaat om de toetsing aan de hand van de Ladder aansluiting is gezocht bij de opvatting van de ABRvS daarover, 46

zoals onder meer verwoord in de (overzichts)uitspraak van 28 juni 201771. Wil sprake zijn van bestaand stedelijk gebied, dan moet het volgens artikel 1.1.1 Bro gaan om een bestaand stedenbouwkundig samenstel van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Of dat zo is hangt af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur72. In het plangebied bevond zich sinds de jaren veertig een psychiatrische instelling met een kerk, technische gebouwen en overige bijbehorende voorzieningen. Eén en ander was volledig in overeenstemming met het ‘oude’ bestemmingsplan voor deze locatie, de “Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg”73.

De aard en omvang van de bebouwing, de functie van het gebied, de inrichting van het terrein en de ligging daarvan binnen de bebouwde kom van Leidschendam in samenhang met het vorige bestemmingsplan maken naar het oordeel van de raad dat voor Schakenbosch kan worden gesproken van een stedenbouwkundig samenspel van bebouwing voor openbare dan wel sociaal-culturele voorzieningen met daarbij behorend stedelijk groen en infrastructuur. Daaruit volgt dat Schakenbosch voor wat betreft de toetsing aan de hand van de Ladder wel degelijk als bestaand stedelijk gebied dient te worden aangemerkt. Aan het voorgaande kan nog worden toegevoegd dat het plangebied ook is gelegen binnen de contour van het bestaand stads- en dorpsgebied zoals door de provincie vastgesteld op 20 februari 2018. Een uitsnede74 van de kaart waarop deze contour is opgenomen is hieronder weergegeven:

71 ECLI:NL:RVS:2017:1724. 72 Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2015:1340 en ECLI:NL:RVS:2015:1581. 73 Die overigens integraal voor dit gebied het bestemmingsplan “Landelijk gebied Leidschendam 1978” van

toepassing verklaarde. 74 Bron: https://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied/

47

De toetsing van het plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking op basis van de aanname dat het plan binnen stedelijk gebied is gelegen, is gelet op het vorenstaande juist. Voor het overige verwijst de raad naar hetgeen ook al bij de beantwoording van onderdeel e. van de zienswijze van reclamante is opgemerkt. Nu de provincie Zuid-Holland in het kader van het wettelijk voorgeschreven vooroverleg over het plan heeft geconcludeerd dat het plan op alle punten in overeenstemming is met het provinciaal beleid, ziet de raad geen enkele aanleiding om tot een andere conclusie hieromtrent te komen. Onderdeel g.: Reclamante meent dat de behoefte aan de geprogrammeerde 325 woningen onvoldoende is onderbouwd. Zeker nu de toenemende bevolking toch al nadelig effect heeft op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is het toevoegen van nog meer woningen aan de woningvoorraad onwenselijk. Bovendien meent reclamante dat het plan in strijd is met het woonbeleid van de gemeente. De raad verwijst in de eerste plaats naar de beantwoording van onderdeel b. van de zienswijze van reclamante. Voor wat betreft de stelling van reclamante dat het plan niet past in het gemeentelijk woonbeleid wordt verwezen naar de paragrafen 2.5.3 en 2.5.4 van de plantoelichting. Hierin wordt de relatie tussen het gemeentelijk woonbeleid en het plan uitvoerig beschreven.

De conclusie van reclamante, dat het plan niet zou voldoen aan het gemeentelijk woonbeleid is aantoonbaar onjuist. Voor wat betreft de invulling van het aantal woningen kan reclamante in haar redenering niet goed worden gevolgd. In het ruimtelijk kader, dat de raad op 12 december 2017 heeft vastgesteld, is op basis van een kwalitatief-ruimtelijke beschouwing van het gebied en de functie daarvan als groene overgangszone naar het landelijk gebied, bepaald dat voor de herontwikkeling maximaal 325 nieuwe woningen gebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan maakt eveneens de bouw van ten hoogste 325 nieuwe woningen juridisch-planologisch mogelijk. Let wel: het plan maakt dit aantal woningen mogelijk, maar legt niet aan de ontwikkelende partij op dat dit aantal ook daadwerkelijk gebouwd moet worden. Het plan bakent slechts de maximale ontwikkelruimte af en hanteert daarbij integraal de door de raad vastgestelde ruimtelijke randvoorwaarden. Daaruit volgt dat het voorliggende bestemmingsplan niets anders doet dan de ruimtelijke invulling, die in het ruimtelijk kader gemotiveerd als passend wordt aangemerkt, één-op-één van een gelijkluidende en dus volledig met het ruimtelijk kader in overeenstemming zijnde juridisch-planologische grondslag voorzien.

Nu de randvoorwaarden uit het ruimtelijk kader primair zijn gestoeld op een kwalitatief-ruimtelijke afweging en het plan daarmee in overeenstemming is, kan ook niet staande worden gehouden dat het plan resp. de daarmee mogelijk gemaakte invulling van het plangebied slechts tot doel zou hebben het bedrijfseconomisch belang van een ontwikkelende partij te dienen. Die aanname miskent de rol en verantwoordelijkheid van de raad in het ruimtelijk proces en steunt niet op door reclamante gemotiveerd aangedragen feiten en omstandigheden. Onderdeel h.: Reclamante maakt in dit onderdeel van de zienswijze haar opvattingen kenbaar over de totstandkoming van het ruimtelijk kader voor Schakenbosch en de wijze waarop de gemeente omgaat met verschillende relevante beleidskaders ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, groen, e.d. De raad neemt kennis van de opvattingen van reclamante. De hier aangehaalde onderwerpen zijn zeer algemeen van aard en hebben niet of nauwelijks een directe relatie met het voorliggende bestemmingsplan dan wel de bestemmingsplanprocedure. Daarom laat de raad een verdere inhoudelijke beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze achterwege.

48

Onderdeel i.: Reclamante stelt dat voor het plan onvoldoende draagvlak bestaat. De petitie ‘Behoud Park Schakenbosch’, die verwijst naar het ‘Manifest Behoud Park Schakenbosch’ uit januari 2018, heeft ruim 630 steunbetuigingen ontvangen. Reclamante stelt daarom vast dat het tot ver in de omtrek van het plangebied ontbreekt aan draagvlak voor het plan. Nog afgezien van de feitelijke constatering dat Schakenbosch formeel niet de functie van (openbaar) park heeft en ook nooit heeft gehad, maar particulier terrein is, merkt de raad op dat 630 steunbetuigingen niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat het plan in de verre omtrek van het plangebied geen draagvlak zou hebben. De kern Leidschendam heeft ca. 23.500 inwoners75. Ca. 3% daarvan heeft de petitie en het manifest waarnaar reclamante verwijst daadwerkelijk van een steunbetuiging voorzien. Een zeer ruime meerderheid van de inwoners van Leidschendam heeft een dergelijke steunbetuiging dus niet afgegeven. Dat wil uiteraard niet zeggen dat deze 97% van de inwoners vóór het plan zouden zijn, maar de stelling van reclamante vindt in elk geval geen steun in de feiten c.q. cijfers. Onderdeel j.: Reclamante meent dat voor de herontwikkeling van Schakennbosch ten onrechte de titel “Landgoed Voorlei” draagt.

Niet alleen voldoet het plan niet aan de wettelijke eisen en definitie van een landgoed, maar ook is het verloren gaan van de eeuwenoude naam “Schakenbosch” volgens reclamante onwenselijk. Schakenbosch B.V. heeft er voor gekozen de herontwikkeling van het gebied Schakenbosch te vermarkten onder de noemer “Landgoed Voorlei”. In de eerste plaats staat het een private partij volledig vrij een dergelijke keuze voor een gebied waarvan hij eigenaar is te maken. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft daar geen enkele zeggenschap over. Voorts wordt, voor zover dit überhaupt voor de beoordeling van het voorliggende bestemmingsplan relevant is, op geen enkele manier gepretendeerd dat het uiteindelijke doel is om een landgoed als bedoeld in artikel 1, sub a., van de Natuurschoonwet76 tot stand te brengen. De stelling van reclamante dat het plangebied niet aan deze wettelijke definitie zal voldoen is dan ook irrelevant. Conclusie: Deze zienswijze geeft, gelet op vorenstaande overwegingen, aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De juiste ecologische rapportage wordt alsnog toegevoegd aan de bijlagen bij de plantoelichting.

8.

Reclamante 11, K. de Mos, Veursestraatweg 172 te LEIDSCHENDAM

Inhoud en beantwoording van de zienswijze Onderdeel a.: Reclamante heeft in eerste instantie een pro forma zienswijze ingediend, waarin zijn op voorhand één procedureel-inhoudelijk punt naar voren heeft gebracht. Reclamante meent dat het ontwerpbestemmingsplan niet volledig is, omdat bij de elektronisch beschikbaar gestelde versie van het plan (op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl) de verbeelding niet is in te zien. Ook stelt reclamante dat de verbeelding van het plan niet zou zijn bijgevoegd. Reclamante meent dat er toch voldoende tijd geweest moet zijn om dit soort zaken op orde te brengen.

75 Het buitengebied / Stompwijk niet meegerekend. 76 “Landgoed: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere

houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is.”

49

De raad constateert dat reclamante kennelijk onvoldoende op de hoogte is van de opbouw van een bestemmingsplan en de wijze waarop zo’n plan conform de wettelijke voorschriften elektronisch beschikbaar gesteld dient te worden. De basis van de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is een overzichtskaart. Per specifieke locatie of specifiek plan kan de bestemming, die aan gronden of gebieden is toegekend, zichtbaar worden gemaakt door middel van de zoekfunctie of door in de kaart te ‘klikken’. Deze visualisatie van bestemmingen, aanduidingen, e.d. vormt de verbeelding van het plan. Deze elektronische visualisatie is overigens ook de enige juridisch bindende versie van de verbeelding. Een papieren afdruk daarvan of een uitvoer in de vorm van een Pdf-bestand kan niet als rechtsgeldige versie van de verbeelding worden aangemerkt. Er is dan ook geen sprake van een apart bestand ‘verbeelding’, zoals reclamante lijkt aan te nemen. Het plan is volledig en in overeenstemming met de daarvoor geldende eisen beschikbaar gesteld en raadpleegbaar. Onderdeel b.: Reclamante is van oordeel dat het plangebied ten onrechte wordt aangemerkt als onderdeel van het stedelijk gebied, terwijl in feite sprake is van buitengebied. Het plan is volgens haar niet in overeenstemming met de ambitie voor het buitengebied zoals beschreven in de gemeentelijke Structuurvisie.

Bovendien leidt het ten onrechte aanmerken van het plangebied als stedelijk gebied tot een onjuiste beoordeling aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In de eerste plaats merkt de raad op dat voor het begrip ‘bestaand stedelijk gebied’ waar het gaat om de toetsing aan de hand van de Ladder aansluiting is gezocht bij de opvatting van de ABRvS daarover, zoals onder meer verwoord in de (overzichts)uitspraak van 28 juni 201777. Wil sprake zijn van bestaand stedelijk gebied, dan moet het volgens artikel 1.1.1 Bro gaan om een bestaand stedenbouwkundig samenstel van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Of dat zo is hangt af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.

Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur78. In het plangebied bevond zich sinds de jaren veertig een psychiatrische instelling met een kerk, technische gebouwen en overige bijbehorende voorzieningen. Eén en ander was volledig in overeenstemming met het ‘oude’ bestemmingsplan voor deze locatie, de “Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg”79. De aard en omvang van de bebouwing, de functie van het gebied, de inrichting van het terrein en de ligging daarvan binnen de bebouwde kom van Leidschendam in samenhang met het vorige bestemmingsplan maken naar het oordeel van de raad dat voor Schakenbosch kan worden gesproken van een stedenbouwkundig samenspel van bebouwing voor openbare dan wel sociaal-culturele voorzieningen met daarbij behorend stedelijk groen en infrastructuur.

Daaruit volgt dat Schakenbosch voor wat betreft de toetsing aan de hand van de Ladder wel degelijk als bestaand stedelijk gebied dient te worden aangemerkt.

77 ECLI:NL:RVS:2017:1724. 78 Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2015:1340 en ECLI:NL:RVS:2015:1581. 79 Die overigens integraal voor dit gebied het bestemmingsplan “Landelijk gebied Leidschendam 1978” van

toepassing verklaarde.

50

Dit wordt ook bevestigd door het feit dat het plangebied volledig is gelegen binnen de contour van het bestaand stads- en dorpsgebied zoald door de provincie is vastgesteld op 20 februari 2018. Een uitsnede80 van de kaart waarop deze contour is opgenomen is hieronder weergegeven:

Ook in de gemeentelijke structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012” wordt Schakenbosch nadrukkelijk behandeld als onderdeel van het stedelijk gebied van de gemeente. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar paragraaf 5.2 van de visie, waaruit deze stedelijke positionering van Schakenbosch expliciet blijkt. Ook elders in de structuurvisie wordt zonder meer duidelijk gemaakt dat Schakenbosch onderdeel is van het stedelijk gebied dan wel de stadsrand en niet, zoals reclamante stelt, van het buitengebied. De toetsing van het plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking op basis van de aanname dat het plan binnen stedelijk gebied is gelegen, is gelet op het vorenstaande juist. Onderdeel c.: Reclamante stelt dat het plan niet aansluit bij de ambitie, die in de gemeentelijke Structuurvisie is geformuleerd voor het buitengebied. De met het plan nagestreefde verdichting is in strijd met de uitgangspunten van het (provinciale) Gebiedsprofiel Duin Horst en Weide resp. de gemeentelijke doelstellingen voor het Regiopark Duin Horst en Weide. In de eerste plaats wordt verwezen naar de beantwoording van onderdeel b. van de zienswijze van reclamante. Schakenbosch maakt geen onderdeel uit van het buitengebied en wordt in de structuurvisie nadrukkelijk besproken vanuit het perspectief voor het stedelijk gebied.

Voorts verwijst de raad (onder meer) naar paragraaf 5.2 van de structuurvisie, waarin ten aanzien van Schakenbosch concreet het volgende perspectief wordt beschreven: Pag. 53: “Stedelijk gebied: versterken groene woonstad De volgende identiteitsdragers en de daaraan gekoppelde opgaven en bestaande ontwikkelingen dragen primair bij aan dit thema: Historisch lint, Loo-zone, Infra-as en Centrale Groenzone. De ontwikkeling van de gebieden

80 Bron: https://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied/

51

Schakenbosch, Duivenvoordecorridor81, Leidsenhage, Voorburg-Noord-Bovenveen en stedelijke ontwikkeling van openbaarvervoersknooppunten en stationslocaties dragen bij aan de variatie in woonmilieus” Pag. 55: “Schakenbosch-Duivenvoordecorridor Schakenbosch vormt samen met de Duivenvoordecorridor de zogenoemde landschappelijke schakelzone van de gemeente, aangemerkt als de stadsrandzone in het Regionaal Structuurplan Haaglanden.” “Schakenbosch In Schakenbosch zijn de ontwikkelingen voorzien voor de middellange termijn, na 2015. De beoogde functies en daarbij behorende woon- en/of werkmilieus worden concreter in beeld gebracht totdat er duidelijkheid is in hoeverre Schakenbosch aanvullend is op de ontwikkelingen in de Duivenvoordecorridor. Concurrentie tussen de twee gebiedsontwikkelingen is ongewenst en wordt voorkomen door scherpe prioriteitstelling en fasering van toekomstige ontwikkelingen.”

Bezien in samenhang met hetgeen in de structuurvisie ten aanzien van de ambitie voor het regiopark Duin Horst en Weide is beschreven concludeert de raad dat het voorliggende plan volledig in overeenstemming is met zowel de structuurvisie als de uitgangspunten voor Duin Horst en Weide. Onderdeel d.: Reclamante stelt dat het met dit plan mogelijk gemaakte aantal woningen (maximaal 325) niet is gemotiveerd. Deze toevoeging aan de woningvoorraad kan in ieder geval niet worden onderbouwd op basis van de verwachte toekomstige woningbehoefte in Leidschendam, zo stelt reclamante. In de eerste plaats wordt voor de onderbouwing van de behoefte aan de woningen, waarvan het plan de bouw mogelijk maakt, verwezen naar paragraaf 2.2.2.1 van de plantoelichting. Hier wordt aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking de behoefte onderbouwd van het programma dat op Schakenbosch gepland is. Verder wordt verwezen naar de paragrafen 2.5.3 en 2.5.4 van de toelichting, waarin ook aan de hand van het gemeentelijk woonbeleid wordt onderbouwd dat het beoogde programma zowel qua typologie als qua omvang passend is bij de behoefte vanuit de woningmarkt. Voorts wijst de raad erop dat de vraag hoeveel woningen binnen een gegeven termijn aan de lokale voorraad moeten worden toegevoegd niet alleen beantwoord kan worden op basis van de lokale behoefte.

Ook de regionale en provinciale opgave op het vlak van volkshuisvesting dient hierin betrokken te worden. Vanuit de provinciale volkshuisvestingsopgave dienen er in de regio Haaglanden tot 2025 ruim 50.000 nieuwe woningen te worden gerealiseerd. De 325 woningen op Schakenbosch, die het voorliggende plan mogelijk maakt, vormen een substantiële bijdrage aan de inspanningen van Leidschendam-Voorburg om het woningtekort in Zuid-Holland terug te dringen, maar zijn tegelijkertijd afgezet tegen de totale opgave van 50.000 woningen weinig meer dan een druppel op de groeiende plaat. De raad kan de gedachtegang van reclamante dan ook niet volgen. Onderdeel e.: Reclamante meent dat de transformatie van Schakenbosch, gelet op de provinciale Omgevingsverordening, gezien het gemeentelijk woonbeleid en in het licht van de actuele milieuproblemen, niet verantwoord is. Waar het gaat om het provinciaal beleid verwijst reclamante naar het provinciaal beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, zoals opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. Verwezen wordt naar artikel 6.9 van de betreffende verordening, waarin regels zijn opgenomen ten aanzien van borging van de ruimtelijke kwaliteit en waarin onder meer de trits ‘inpassen – aanpassen – 81 N.b.: In de structuurvisie wordt dus expliciet Schakenbosch afzonderlijk van de Duivenvoordecorridor

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=29812f5f-a78e-48e4-8743-70392c86bf18