CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1947-11 Zienswijzennota en nota van wijzigingen

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: vaststellen bestemmingsplan "Schakenbosch" (1947).37.426 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Dit proces heeft uiteindelijk geresulteerd in de vaststelling van een ruimtelijk kader waarin uitgangspunten en randvoorwaarden voor de transformatie van het gebied zijn vastgelegd. Aan de hand van deze uitgangspunten en randvoorwaarden is vervolgens het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Het nu voorliggende plan voldoet aan de gemeentelijke beleidskaders, is in overeenstemming met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening en komt objectief bezien op een verantwoorde manier aan een mix van verschillende belangen tegemoet, zonder te pretenderen dat daarbij alle ten aanzien van de planvorming bestaande bezwaren zijn weggenomen. Zoals echter gezegd: dat is ook geen vereiste om van adequate en betekenisvolle burgerparticipatie te kunnen spreken. Ten slotte verwijst de raad nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Onderdeel d.: Reclamanten stellen dat de onderzoeken, die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd, zijn uitgevoerd door een adviesbureau dat een volledige dochter is van dezelfde onderneming, waarvan ook Schakenbosch B.V. als initiatiefnemer van het plan deel uitmaakt. Reclamante suggereert dat de gebruikte onderzoeksresultaten, nu deze niet van een onafhankelijke partij afkomstig zijn, niet bij de voorbereiding van het plan gebruikt hadden kunnen worden. Hierover wordt het volgende opgemerkt.

Anders dan reclamanten kennelijk veronderstellen volgt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) herhaaldelijk heeft overwogen28, uit het enkele feit dat een onderzoeksrapport door of in opdracht van de ontwikkelaar van het plan is opgesteld niet dat hieraan in de bestemmingsplanprocedure geen betekenis kan worden toegekend. Alle onderzoeksrapporten, die bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan zijn gebruikt, zijn door de verschillende vakinhoudelijk gespecialiseerde ambtelijke adviseurs van de gemeente Leidschendam-Voorburg beoordeeld. Bij de beoordeling is uitsluitend getoetst op de inhoudelijke volledigheid, consistentie en juistheid van de uitgevoerde onderzoeken en de aan de hand van die onderzoeken getrokken conclusies. De gemeenteraad heeft daarin een eigenstandige taak als bevoegd gezag, waarbij slechts de kwaliteit van de aangeleverde rapporten en overige

28 Zie onder meer: ECLI:NL:RVS:2013:CA3693.

19

documenten relevant is voor het oordeel over deze stukken en niet de vraag door welke partij ze zijn opgesteld. De raad is van oordeel dat de verschillende aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken, ongeacht of deze zijn uitgevoerd door Aveco de Bondt of door andere partijen, op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en zijn voorbereid in overeenstemming met de daarvoor geldende normen, richtlijnen en gebruiken. Voorts ziet de raad geen aanleiding om de deskundigheid van de betrokken onderzoeks- en adviesbureaus, dan wel de inhoudelijke juistheid en volledigheid van de aangeleverde rapporten en overige documenten in twijfel te trekken. Gelet hierop meent de raad dat hij aan de desbetreffende onderzoeksrapporten en op basis daarvan getrokken conclusies doorslaggevende betekenis mag toekennen en deze aan het onderhavige bestemmingsplan ten grondslag mag leggen. Het feit dat (een deel van) de betreffende onderzoeken zijn uitgevoerd door een adviseur, die onderdeel uitmaakt van een holdingsstructuur waarmee ook de ontwikkelaar van Schakenbosch banden heeft maakt dat niet anders. Ten slotte verwijst de raad nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Onderdeel e.: Reclamanten stellen dat de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken inhoudelijk discutabel zijn en te beperkt zijn van strekking.

Reclamante plaatst kanttekeningen bij de ten behoeve van het plan uitgevoerde onderzoeken en de op basis van deze onderzoeken getrokken conclusies c.q. in het plan gemaakte keuzes. Voorts suggereert reclamante (zie ook onder d.) dat de onderzoeksresultaten niet onafhankelijk en objectief tot stand zijn gekomen en mogelijk beïnvloed zijn door Schakenbosch B.V. Reclamante verzuimt echter om op enige wijze aannemelijk te maken dat de betreffende adviezen op onjuiste dan wel onzorgvuldige wijze tot stand zouden zijn gekomen, dan wel dat daaraan anderszins concrete gebreken zouden kleven. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van reclamante zelf daaromtrent is in elk geval onvoldoende om reclamante hierin te volgen. In algemene zin is er daarom geen aanleiding om te veronderstellen, dat de uitgevoerde onderzoeken niet aan het plan ten grondslag gelegd mogen worden. Ten slotte verwijst de raad ook hier nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Onderdeel f.: Reclamanten stellen dat bij de beoordeling van het plan ten onrechte andere projecten, die eveneens effect hebben op de leefomgeving en de ruimtelijke ordening rond Schakenbosch, buiten beschouwing zijn gelaten. Verwezen wordt naar de beantwoording van onderdeel b. van de zienswijze.

De veronderstelling van reclamanten, dat de effecten van andere plannen in de omgeving niet in de beoordeling van dit plan zijn betrokken, is aantoonbaar onjuist.

Onderdeel g.: Reclamanten men dat het plan in strijd is met gemeentelijke beleids- en overige kaders, zonder dat de aanvaardbaarheid van deze strijdigheden wordt afgewogen en onderbouwd. Daarom komt de consistentie van beleid en betrouwbaarheid in het geding. Als concrete voorbeelden van beleidskaders waarmee het plan in strijd is verwijzen reclamanten naar het coalitieakkoord en de beleidsregels ten aanzien van sociale woningbouw. 20

In de eerste plaats wordt opgemerkt dat een coalitieakkoord niet kan worden aangemerkt als een onderdeel van gemeentelijk beleid. Een coalitieakkoord is een overeenkomst tussen de fracties van de politieke partijen uit de gemeenteraad, die samen deel uitmaken van het college van burgemeester en wethouders. Het coalitieakkoord regelt de politieke uitgangspunten voor de collegeperiode, maar is bestuursrechtelijk in feite zonder (juridische) betekenis omdat de nakoming ervan slechts politiek kan worden afgedwongen, niet juridisch. Het coalitieakkoord bindt slechts de partijen die deel uitmaken van de coalitie in hun onderlinge politieke verhouding jegens elkaar, maar heeft géén externe werking. Derden kunnen dan ook niet in bestuursrechtelijke zin aanspraak maken op de uitvoering dan wel nakoming van het coalitieakkoord. De vraag of het voorliggende plan al dan niet in strijd is met het coalitieakkoord, zoals reclamanten stellen, is daarom voor de bestemmingsplanprocedure volstrekt irrelevant. Voor zover reclamanten menen dat het plan in strijd is met de beleidsregels met betrekking tot sociale woningbouw kan worden volstaan met een verwijzing naar paragraaf 2.5.4 van de toelichting. Hierin wordt uitvoerig toegelicht zowel wat de verhouding is tussen de betrokken beleidsregels en het plan als hoe het plan qua programma kan worden bezien ‘in de geest van de beleidsregels’.

Onderdeel h.: Reclamanten zijn van mening dat, na het plotselinge raadsbesluit van eind 2017 om in te stemmen met de beoogde bouw van 325 woningen op Schakenbosch, de raad in het licht van veranderende omstandigheden zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen en beter had moeten opkomen voor de belangen van de burgers, onder meer waar het gaat om de gezondheidseffecten van een plan als dit. In de eerste plaats neemt de raad afstand van de kwalificatie ‘plotseling besluit’. Zoals beschreven bij de beantwoording van onderdeel c. van de zienswijze is de totstandkoming van het ruimtelijk kader voor Schakenbosch een intensief en langdurig proces geweest. Vanaf oktober 2016 is de haalbaarheid van de beoogde gebiedsontwikkeling onderzocht, waarbij ook op meerdere momenten ruimte aan inwoners is geboden voor het geven van input ten behoeve van de planvorming. Na een traject van meer dan een jaar heeft uiteindelijk op 12 december 2017 de vaststelling van het ruimtelijk kader door de raad plaatsgevonden. De term ‘plotseling besluit’ doet aan dit proces geen recht. De mogelijke gezondheids- en overige effecten van het plan zijn onderzocht.

De uitkomst van deze onderzoeken is dat het plan, objectief bezien en aantoonbaar, redelijkerwijs geen onevenredige negatieve effecten op het gebied van de gezondheid, het woon- en leefklimaat, de leefomgeving of een goede ruimtelijke ordening met zich mee brengt. Tegelijkertijd levert de realisatie van 325 nieuwe woningen een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van het ernstige woningtekort in Leidschendam-Voorburg en worden zeer nodige nieuwe zorg(woon)voorzieningen gerealiseerd. De gemeente en haar bestuursorganen mogen niet alleen oog hebben voor de belangen van omwonenden van het gebied Schakenbosch, maar moeten ook de gerechtvaardigde belangen behartigen van woning- en zorgzoekenden. Met het nu voorliggende plan is een goed compromis bereikt waarmee aan de zeer verschillende belangen op een naar het oordeel van de raad ruimtelijk en maatschappelijk verantwoorde wijze tegemoet wordt gekomen. Het enkele feit dat reclamanten liever andere keuzes hadden gezien maakt dit niet anders. Onderdeel i.: Reclamanten zijn van oordeel dat zij, door het niet, niet volledig of niet tijdig delen van informatie omtrent het plan, in het debat over het plan op voorhand in een ongelijkwaardige positie ten opzichte van de gemeente is gezet. Zij vrezen dat sprake is van bewuste beïnvloeding van het debat.

Ter ondersteuning van dat standpunt verwijzen reclamanten naar de wijze waarop met een door hen ingediend Wob-verzoek met betrekking tot Schakenbosch is omgegaan. 21

In de eerste plaats wordt opgemerkt dat het aangehaalde Wob-verzoek, in tegenstelling tot wat reclamante 3 stelt, niet door dan wel namens haar is ingediend. Het Wob-verzoek is wel door reclamant 4 op persoonlijke titel ingediend. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wob beslist het bestuursorgaan op een Wob-verzoek binnen uiterlijk vier weken na de dag waarop het is ontvangen. Artikel 6, tweede lid, van de Wob geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid de beslissing op het verzoek voor ten hoogste vier weken te verdagen. Het betreffende Wob-verzoek is ontvangen op 28 oktober 2019. Bij schrijven van 21 november 2019 heeft het college de beslissing op het Wob-verzoek verdaagd met twee weken, tot 8 december 2019. De beslissing op het Wob-verzoek is uiteindelijk op 9 december 2019, één dag na het einde van de verdagingstermijn maar ruim binnen de maximale verdagingstermijn aan de indiener van het verzoek bekendgemaakt. De zienswijzentermijn voor het ontwerp van het voorliggende bestemmingsplan liep tot en met 27 december 2020. Van een te late afhandeling waardoor de belangen van betrokkene in relatie tot het indienen van een zienswijze op het ontwerp van het bestemmingsplan “Schakenbosch” werden geschaad kan daarom naar het oordeel van de raad redelijkerwijs niet worden gesproken.

Ten slotte wijst de raad er nog op dat de beslissing op een Wob-verzoek een appellabel besluit in de zin van de Awb is. Wanneer reclamant 4 zich met de beslissing op zijn Wob-verzoek niet kon verenigen, dan had het op zijn weg gelegen daartegen de rechtsmiddelen in te roepen die hem op grond van de Awb toekomen. Het is niet mogelijk om binnen de hier aan de orde zijnde bestemmingsplanprocedure alsnog op te komen tegen het daarvan geen onderdeel uitmakende Wob-besluit. Voor het overige wordt opgemerkt dat de zienswijzen betrekking dienen te hebben op het ontwerpbestemmingsplan “Schakenbosch” zoals dat ter inzage heeft gelegen van 15 november t/m 27 december 2019. Alle documenten, die deel uitmaken van dit bestemmingsplan dan wel aan (de onderbouwing van) dit bestemmingsplan en de daarin gemaakte afwegingen en keuzes ten grondslag hebben gelegen zijn met het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Van ongelijkheid in de informatievoorziening ten aanzien van het onderwerp van de bestemmingsplan- c.q. zienswijzenprocedure is dan ook redelijkerwijs geenszins sprake. INHOUDELIJKE ONDERDELEN Onderdeel j.: Reclamanten zijn van mening dat het onderzoek naar de verkeerseffecten van het plan te beperkt is qua scope, gebaseerd is op te beperkte aannames en daardoor leidt tot verkeerde conclusies.

Aangenomen wordt dat reclamanten met de term ‘verkeerseffecten’ in dit onderdeel van de zienswijze doelen op de gevolgen van het plan voor de verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en bereikbaarheid en niet op de verkeersgerelateerde milieu-effecten, zoals geluid en luchtkwaliteit. Het verkeersonderzoek29, dat ten behoeve van het plan is uitgevoerd, had primair tot doel inzicht te geven in de vraag of de huidige inrichting van het kruispunt Veursestraatweg - Schakenbosch de toename van verkeer als gevolg van de ontwikkeling van Schakenbosch op kan vangen. Expliciet is daarbij bepaald dat bij het beantwoorden van deze onderzoeksvraag rekening dient te worden gehouden met andere ruimtelijke ontwikkelingen die spelen in het gebied rondom de Veursestraatweg. Doordat bij het verkeersonderzoek gebruik is gemaakt van het regionale verkeersmodel30 is een goed en volledig inzicht verkregen in de toekomstige verkeerssituatie op de Veursestraatweg. In dat toekomstbeeld zijn niet alleen de effecten van de herontwikkeling van 29 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019). 30 Regionaal verkeer- en vervoermodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).

22

Schakenbosch verwerkt, maar de gemodelleerde verkeerseffecten op de middellange en lange termijn van alle bekende ruimtelijke ingrepen in de omgeving opgenomen. Daarbij zijn uiteraard ook de effecten van ingrepen als de integrale herontwikkeling van Leidsenhage tot ‘Mall of the Netherlands’ en de aanleg van de Rijnlandroute op de verkeersintensiteit op de Veursestraatweg meegenomen in het model en dus in de resultaten van de onderzoeken die voor het voorliggende bestemmingsplan zijn verricht. Resumerend: in tegenstelling tot hetgeen reclamanten stellen in dit onderdeel van de zienswijze beslaat het verkeersonderzoek de volle breedte van alle ingrepen, plannen en projecten die invloed (kunnen) hebben op de verkeersstromen op de Veursestraatweg. Dat geldt ook voor de eventuele effecten van projecten die over de grens van het gebied van de MRDH zijn gelegen, zoals het plan ‘Starrenburg III’ in de gemeente Voorschoten31. Ook de verkeersaantrekkende werking van andere functies dan wonen, die op Schakenbosch mogelijk worden gemaakt, zijn in het onderzoek betrokken. Zie hiervoor bijvoorbeeld de paragrafen 2.1 en 2.2.3 van het verkeersonderzoek32, waarin de diverse functies waarvan in de plansituatie sprake zal zijn en die in de berekeningen zijn meegenomen, zijn beschreven.

Alle aspecten, waarvan reclamanten menen dat die relevant zijn en dus onderdeel uit dienen te maken van het verkeersonderzoek, zijn in dat onderzoek betrokken. Van een te beperkte scope, gebaseerd op te beperkte aannames die leidt tot verkeerde conclusies is, gelet op het voorgaande, dan ook geen sprake. Onderdeel k.: Reclamanten verwijzent naar een brief die door de longarts dr. H. Schreur aan de raad is gezonden en waarin hij waarschuwt voor de relatie tussen de verkeersvolumes op de A4 en Veursestraatweg en het voorkomen van diverse longklachten. Reclamanten menen dat de gemeente, door niet op dit signaal van een team longartsen te reageren, haar zorgplicht verzaakt. Uiteraard heeft de raad, evenals het college, kennisgenomen van de betrokken brief. De raad is gehouden bij de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan alle aspecten te betrekken die vallen onder het brede en algemene toetsingskader van een goede ruimtelijke ordening. Zaken als luchtkwaliteit en gezondheid maken daarvan uiteraard deel uit. De raad heeft daarbij getoetst aan door de wetgever vastgestelde normen. Denk bijvoorbeeld aan normen voor de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer, of de uitstoot van stoffen die de luchtkwaliteit beïnvloeden. De raad is gehouden de effecten van het voorliggende plan te toetsen en beoordelen aan de hand van deze wettelijk geldende normen.

Uit de onderzoeken, die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd, blijkt dat het plan op geen enkel aspect leidt tot een overschrijding van wettelijk in acht te nemen normen. Hiertoe wordt verwezen naar de toelichting van het plan en de verschillende daarvan onderdeel uitmakende onderzoeksrapporten, waaruit een en ander genoegzaam blijkt. De raad begrijpt uiteraard de zorg van omwonenden en andere betrokkenen voor aantasting van het woon- en leefklimaat en daarmee samenhangende risico’s voor de gezondheid van inwoners. De raad (en dat geldt evenzeer voor het college) deelt die zorg ook. Het is echter, gelet op het voorgaande, in redelijkheid en door middel van onderzoek aantoonbaar, niet aannemelijk dat de gevreesde negatieve effecten van het plan zich zullen voordoen. In zoverre bestaat er dan ook voor de raad geen aanleiding af te zien van vaststelling van het plan en is er geen sprake van het verzaken van zorgplicht.

31 Aangenomen wordt dat reclamanten op dit plan doelen waar in de zienswijze wordt gesproken over een lopend

project van > 500 woningen in Voorschoten. 32 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019).

23

Onderdeel l.: Reclamanten stellen dat een zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de effecten van het plan op de luchtkwaliteit ontbreekt. Voor wat betreft de aanname van reclamanten dat slechts aan een ‘onafhankelijk’ onderzoek betekenis kan toekomen wordt verwezen naar de beantwoording van onderdeel d. van de zienswijze en naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. In paragraaf 5.5 van de toelichting zijn de effecten van het plan op de luchtkwaliteit kwalitatief beoordeeld aan de hand van de relevante wettelijke toetsingskaders. Deze beoordeling leidt tot de conclusie dat het plan niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en dat ook in de plansituatie ruimschoots zal worden voldaan aan de wettelijke normen voor NO2 en PM10. Reclamanten hebben van deze beoordeling kennis kunnen nemen. Zij voeren in de zienswijze geen argumenten aan die twijfel kunnen doen ontstaan over de juistheid en/of volledigheid van de gemaakte beoordeling. De raad ziet daarom geen aanleiding voor en toegevoegde waarde bij een nader onderzoek ten aanzien van de luchtkwaliteit, nu dit gebruik zou maken van dezelfde uitgangspunten en parameters die ook bij de van het plan deel uitmakende kwalitatieve beoordeling zijn toegepast en dus redelijkerwijs ook tot eenzelfde uitkomst zal leiden.

Onderdeel m.: Reclamanten wijzen er op dat plan onder de huidige PAS-regeling valt, zodat adequaat onderzoek gedaan had moeten worden naar de stikstofdepositie als gevolg van het plan op Natura 2000gebieden. Dit onderzoek had door een onafhankelijke deskundige en op basis van de juiste verkeersgegevens uitgevoerd moeten worden. Bovendien merken reclamanten op dat een plan voor de bouw van een nieuwe woonwijk met 325 woningen niet als ‘klein bouwproject’ kan worden gezien. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat van een ‘huidige PAS-regeling’ geen sprake meer is. Het PAS33 was het instrument waarmee de rijksoverheid de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) wou terugdringen. Het PAS was gericht op het versterken van de natuur maar tegelijkertijd het bieden van ruimte voor economische ontwikkeling. Met een tweetal uitspraken van 29 mei 201934 heeft de ABRvS het PAS ongeldig verklaard. Aan het PAS komt daarom, in tegenstelling tot wat reclamante kennelijk veronderstelt, voor de beoordeling van het voorliggende plan geen betekenis meer toe. De stikstofdepositie als gevolg van het plan op gevoelige Natura 2000-gebieden dient te worden beoordeeld door middel van een zogenoemde AERIUS-berekening.

AERIUS Calculator35 is een door de rijksoverheid beschikbaar gestelde rekentool, waarmee de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden kan worden berekend. Een project of plan is met de actuele normen in overeenstemming, wanneer uit de AERIUS-berekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van dat project of plan niet meer bedraagt dan 0,005 mol/ha/j. De ontwikkelingen die met het bestemmingsplan “Schakenbosch” mogelijk worden gemaakt zijn voor wat betreft de stikstofdepositie doorgerekend met de AERIUS-calculator. De uitkomst van de AERIUSberekening voor de gebruiksfase, die is gebaseerd op de bouw van 325 woningen en de overige met het plan mogelijk gemaakte voorzieningen, maakt als Bijlage 15 deel uit van de toelichting van het plan. Uit deze AERIUS-berekening, waarvoor onder meer gebruik is gemaakt van de

33 Programmatische Aanpak Stikstof. 34 ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604. 35 https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl#

24

verkeersgegevens die afkomstig zijn uit het verkeersonderzoek36 voor het bestemmingsplan, blijkt dat het plan voor wat betreft de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase niet zal leiden tot een toename van meer dan 0,00 mol/ha/j. Het plan voldoet daarmee aan de actueel geldende normen. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan was wel reeds op basis van onder meer bekende ervaringsgegevens, vuistregels voor de indicatieve depositie van stikstof in relatie tot aantallen woningen en afstanden tot Natura 2000-gebieden een globale inschatting gemaakt van de kans dat de realisatiefase, in tegenstelling tot de gebruiksfase, wel tot een overschrijding van de norm van 0,00 mol/ha/j zou kunnen leiden. Die kans werd toen als zeer minimaal ingeschat. Daarom was het verantwoord dat het ontwerp van het plan op basis van slechts de berekening van de gebruiksfase in procedure is gebracht. Inmiddels is ook de AERIUS-berekening van de realisatiefase beschikbaar. Deze bevestigt dat ook in de realisatiefase geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol/ha/j. Ook voor wat betreft de realisatiefase voldoet het plan aan de actueel geldende normen. De rapportage van de AERIUS-berekening voor de realisatiefase37 wordt alsnog (als Bijlage 16) aan het plan toegevoegd.

Daarmee wordt de omissie van het ontbreken van deze informatie bij het intwerp van het plan hersteld. Reclamante voert geen inhoudelijke argumenten ten aanzien van de uitgevoerde berekening aan die aanleiding geven tot twijfel over de juistheid en volledigheid van het uitgevoerde onderzoek. Anders dan reclamante kennelijk veronderstelt volgt voorts, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) herhaaldelijk heeft overwogen38, uit het enkele feit dat een onderzoek door of in opdracht van de ontwikkelaar van het plan is uitgevoerd niet dat hieraan in de bestemmingsplanprocedure geen betekenis kan worden toegekend. Onderdeel n.: Reclamanten zijn van mening dat onvoldoende aandacht is besteed aan de bestaande geluidssituatie aan de Veursestraatweg. Voor een aantal woningen worden de wettelijke normen nu al overschreden. Het plan zal die situatie nog verder laten verslechteren. Met reclamanten is de raad van oordeel dat de geluidssituatie voor een aantal bestaande woningen in de nabijheid van het plangebied, aan de Veursestraatweg, vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat voor burgers, zeker niet optimaal is. Er zal in 2021 onderzoek gedaan worden naar mogelijke maatregelen, die tot een verbetering van het akoestisch binnenklimaat in de betrokken woningen kunnen leiden.

Echter, uit het geluidsonderzoek39 ten behoeve van het voorliggende plan blijkt dat het plan als zodanig niet zal leiden tot een significante, voor bewoners van de betrokken woningen merkbare, verslechtering van de bestaande situatie. De stelling van reclamante, dat dit plan en overige nieuwe ontwikkelingen de toch al ontoelaatbare situatie nog slechter maken is dus op zichzelf feitelijk niet geheel onjuist. Een en ander leidt echter niet tot de conclusie dat daarom dit plan en andere ontwikkelingen niet gerealiseerd kunnen worden omdat de betreffende ingrepen niet de oorzaak van de geluidsproblematiek zijn en ook zonder deze ingrepen maatregelen nodig zijn (en uitgevoerd zullen worden) om deze geluidsproblematiek doeltreffend aan te pakken. 36 BonoTraffics, Verkeersonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch (8 oktober 2019). 37 Aveco de Bondt, AERIUS berekening realisatiefase BP Schakenbosch Leidschendam (30 november 2020). 38 Zie onder meer: ECLI:NL:RVS:2013:CA3693. 39 Aveco de Bondt, Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Schakenbosch te Leidschendam (19 augustus

2019).

25

Onderdeel o.: Reclamanten menen dat het plan ten onrechte mogelijk maakt dat het in het ruimtelijk kader vastgelegde maximum van 325 woningen ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. De samenstelling van het programma is volgens reclamanten in strijd met de gemeentelijke beleidsregels op het vlak van sociale woningbouw. Alleen het bedrijfseconomisch belang van Schakenbosch B.V. is volgens reclamanten bij deze planinvulling gebaat. Voor wat betreft de invulling van het aantal woningen kunnen reclamanten in hun redenering niet goed worden gevolgd. In het ruimtelijk kader, dat de raad op 12 december 2017 heeft vastgesteld, is op basis van een kwalitatief-ruimtelijke beschouwing van het gebied en de functie daarvan als groene, in de bestaande situatie al van de bebouwde kom resp. het stedelijk gebied van Leidschendam deel uitmakende overgangszone naar het landelijk gebied, bepaald dat voor de herontwikkeling maximaal 325 nieuwe woningen gebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan maakt eveneens de bouw van ten hoogste 325 nieuwe woningen juridisch-planologisch mogelijk. Let wel: het plan maakt dit aantal woningen mogelijk, maar legt niet aan de ontwikkelende partij op dat dit aantal ook daadwerkelijk gebouwd moet worden. Het plan bakent slechts de maximale ontwikkelruimte af en hanteert daarbij integraal de door de raad vastgestelde ruimtelijke randvoorwaarden.

Daaruit volgt dat het voorliggende bestemmingsplan niets anders doet dan de ruimtelijke invulling, die in het ruimtelijk kader gemotiveerd als passend wordt aangemerkt, één-opéén van een gelijkluidende en dus volledig met het ruimtelijk kader in overeenstemming zijnde juridisch-planologische grondslag voorzien. Nu de randvoorwaarden uit het ruimtelijk kader primair zijn gestoeld op een kwalitatief-ruimtelijke afweging en het plan daarmee in overeenstemming is, kan ook niet staande worden gehouden dat het plan resp. de daarmee mogelijk gemaakte invulling van het plangebied slechts tot doel zou hebben het bedrijfseconomisch belang van een ontwikkelende partij te dienen. Die aanname miskent de rol en verantwoordelijkheid van de raad in het ruimtelijk proces en steunt niet op door reclamante gemotiveerd aangedragen feiten en omstandigheden. Voor wat betreft de stelling van reclamante dat het plan niet past in het gemeentelijk woonbeleid wordt verwezen naar de paragrafen 2.5.3 en 2.5.4 van de plantoelichting. Hierin wordt de relatie tussen het gemeentelijk woonbeleid en het plan uitvoerig beschreven. De conclusie van reclamante, dat het plan niet zou voldoen aan het gemeentelijk woonbeleid is aantoonbaar onjuist. Onderdeel p.: Reclamanten zijn van mening dat ten behoeve van het plan een milieueffectrapportage opgesteld had moeten worden.

Reclamanten begrijpen niet waarom het college, ondanks het ambtelijk advies een dergelijke rapportage te laten opstellen, ervoor heeft gekozen hier toch van af te zien. Dit te meer omdat de enige onderbouwing voor de beslissing om af te zien van een milieueffectrapportage bestaat uit door Aveco de Bondt aangeleverde stukken. Uit de bewoordingen van reclamanten leidt de raad af dat met ‘milieueffectrapportage’ door reclamanten (al dan niet op basis van concrete kennis van de m.e.r.-wetgeving) gedoeld wordt een milieueffectrapportage zoals die dient te worden opgesteld in gevallen waarin formeel sprake is van een directe m.e.r.-plicht op grond van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) resp. onderdeel C van het Besluit m.e.r. Het gaat dan om een volledige, integrale milieueffectrapportage inclusief beoordeling van alternatieve oplossingen, waarop de bijbehorende procedurele bepalingen (kennisgeving met zienswijzentermijn, tervisielegging milieueffectrapportage en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.) van toepassing zijn. Dit is de ‘zwaarste’ vorm van een m.e.r., die in het algemeen slechts aan de orde komt bij zeer grote ingrepen. Denk hier bijvoorbeeld aan grote infrastructurele ingrepen, zoals de aanleg van de Rotterdamsebaan en de Rijnlandroute, of majeure

26

landschappelijke transformaties als de herinrichting van de agrarische gronden in de Nieuwe Driemanspolder tot een natuur- en recreatiegebied annex (piek)waterbergingslocatie. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de raad niet bekend is met ambtelijke adviezen aan het college dan wel de raad, die strekken tot het uitvoeren van een dergelijke ‘zware’ milieueffectrapportage. Gelet op de aard en omvang van het plan in relatie tot de wettelijke voorschriften is er in elk geval geen aanleiding voor een volledige milieueffectrapportage, zodat een dergelijk ambtelijk advies ook niet voor de hand ligt. Inhoudelijk is voorts het volgende van belang. Bij de voorbereiding van het plan is uitgebreid onderzoek verricht naar de effecten van het plan op het milieu. De uitkomsten van deze onderzoeken en de gevolgen daarvan voor het plan zijn in de diverse onderdelen van de plantoelichting beschreven, de verschillende onderzoeksrapporten maken als bijlagen eveneens onderdeel uit van het plan. Aan de hand van deze uitkomsten kan het bevoegd gezag beoordelen of al dan niet belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Om deze beoordeling door het bevoegd gezag mogelijk te maken dient een initiatiefnemer op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer bij het bevoegd gezag een zgn. aanmeldnotitie in te dienen.

De informatie, die deze aanmeldnotitie moet bevatten, is in bedoeld artikel vastgelegd. Het bevoegd gezag toetst deze aanmeldnotitie en neemt vervolgens een besluit over de vraag of ten behoeve van het betreffende plan, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die het plan voor het milieu kan hebben, al dan niet een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dit is het zgn. m.e.r.beoordelingsbesluit40. In opdracht van Schakenbosch B.V. heeft Aveco de Bondt een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. In deze aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege de herontwikkeling van Schakenbosch redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Deze conclusie wordt onderbouwd door middel van de diverse ten behoeve van het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken. Zowel de aanmeldnotitie als de onderliggende onderzoeken zijn door de ter zake kundige vakinhoudelijke specialisten van de gemeente beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is, dat de overwegingen en conclusies uit de aanmeldnotitie kunnen worden onderschreven. Op basis van deze ambtelijke beoordeling en advisering heeft het college op 29 oktober 2019 besloten (= m.e.r.-beoordelingsbesluit) dat voor de beoogde functiewijziging en herinrichting van Schakenbosch en de daarvoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan geen nadere milieueffectrapportage naast de uitgevoerde zgn.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden opgesteld. Met andere woorden: voor dit plan kan worden volstaan met de vormvrije m.e.r.beoordeling, zoals die in overeenstemming met de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. heeft plaatsgevonden. Voor de verdere inhoudelijke onderbouwing van één en ander wordt verwezen naar:  het m.e.r.-beoordelingsbesluit bestemmingsplan “Schakenbosch” d.d. 29 oktober 2019, met besluitnummer 1345;  de geactualiseerde Aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Landgoed Schakenbosch (Aveco de Bondt, 7 december 2020, nummer: RAN/170200), die als Bijlage 20 deel uitmaakt van het bestemmingsplan;  de toelichting van het bestemmingsplan. Reclamanten voeren in de zienswijze geen verdere inhoudelijke argumenten aan die tot een andere conclusie aanleiding zouden moeten geven. Het enkele gegeven dat bij burgers de wens bestaat tot 40 N.B.: In geval van een ontwerpbestemmingsplan is zowel het college van burgemeester en wethouders als de

gemeenteraad bevoegd om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, zie ook ABRvS ECLI:NL:RVS:2018:3131.

27

het doorlopen van een volledig milieueffectrapportage-traject en dat het spreken over deze wens kennelijk tot het ontstaan van een verwachtingspatroon heeft geleid maakt dit niet anders. Het plan is, ook in relatie tot bijvoorbeeld drempelwaarden uit de m.e.r.-regelgeving41, niet van een dusdanige aard en omvang dat een volledige milieueffectrapportage nodig of zelfs gerechtvaardigd is. Onderdeel q.: Reclamanten zijn van mening dat het plan het karakter van het waardevolle gebied Schakenbosch structureel zal veranderen. Zo’n ingreep zou niet plaats moeten kunnen vinden zonder dat er sprake is van een, in samenspraak met bewoners en belanghebbenden ontwikkelde, integrale gebiedsvisie voor de gehele Duivenvoordecorridor. Het nu ingezette traject is onomkeerbaar, niet vooraf bestuurlijk afgedekt en niet passend in de filosofie van de Omgevingswet. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de Omgevingswet vooralsnog niet in werking is getreden. Invoering van de wet is voorlopig voorzien voor 1 januari 2022. Daarom kan van een formele beoordeling van het proces rondom de herontwikkeling van Schakenbosch, dat gestart is in 2016, aan de hand van de nog niet in werking getreden Omgevingswet geen sprake zijn. Reclamanten stellen dat de beoogde ingrepen op Schakenbosch onderdeel zouden zijn van een proces dat ‘niet vooraf bestuurlijk afgedekt’ is.

Reclamanten kunnen hierin niet gevolgd worden. Elke stap die in bedoeld proces heeft plaatsgevonden is onderwerp geweest van voorafgaande bestuurlijke besluitvorming. Dat geldt zowel voor het sluiten van een intentie- resp. anterieure overeenkomst als voor de voorbereiding en vaststelling van het ruimtelijk kader, het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit, het in procedure brengen van een ontwerpbestemmingsplan als thans voor het vaststellen van het nu voorliggende bestemmingsplan. Uiteraard is het een gegeven dat met de beoogde herontwikkeling het karakter van het gebied zal veranderen. Voorheen was de hier gevestigde GGZ-instelling de dominante factor, waar het ging om zowel de functie als de ruimtelijke inrichting van Schakenbosch. De activiteiten van de GGZ-instelling zijn echter gestaakt en een aanzienlijk deel van de voormalige bebouwing is reeds verdwenen. In de beoogde nieuwe situatie zal met name de functie van het gebied verschuiven naar wonen, zij het dat ook sprake zal zijn van een significante maatschappelijke invulling. Gelet echter op de maximaal mogelijk gemaakte omvang van de woonbebouwing42 behoudt Schakenbosch zijn oorspronkelijke karakter van een gebied waar de functionele elementen zijn ingebed in een grotendeels groene omlijsting.

Deze beoogde toekomstige oppervlakte aan bebouwing wijkt overigens ook niet substantieel af van het totaal areaal aan bebouwing dat zich in de meest uitgebreide situatie ten behoeve van de GGZ-instelling op het terrein bevond. Aanzienlijke delen van het gebied zullen verder, zoals dat ook in de bestaande situatie door omwonenden wordt ervaren43, openbaar dan wel semi-openbaar toegankelijk blijven. Het is dan ook naar het oordeel van de raad onjuist om te stellen dat het gebied Schakenbosch daadwerkelijk, zoals reclamanten aannemen, in kwalitatief-ruimtelijk opzicht structureel van karakter zal wijzigen.

41 Voor een activiteit als opgenomen in kolom 2 van bijlage C. resp. bij het Besluit m.e.r. gelden als

drempelwaarden voor het al dan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn van een activiteit:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat, of  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 42 26.000 m², overeenkomend met in totaal ca. 8,5% van de totale omvang van het plangebied. 43 Zij het dat formeel geen sprake is noch ooit sprake is geweest van een openbare groenvoorziening.

28

OVERIGE ONDERDELEN Onderdeel r.: Reclamanten geven aan dat zij kritisch zijn over het nu voorliggende plan maar niet op voorhand tegen elke ontwikkeling in het gebied zijn. Zij achten een beter passend, goed onderbouwd plan dat met adequate burgerparticipatie tot stand komt zeker bespreekbaar. Het is van belang op te merken dat de gronden in het gebied Schakenbosch geen eigendom zijn of op enig moment zijn geweest van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het gehele terrein is eigendom van een private partij, die in beginsel vrij is om zelf te bepalen welke functies zij op haar gronden wil verwezenlijken. De gemeenteraad heeft weliswaar beleidsvrijheid als het gaat om het stellen van randvoorwaarden voor het gebruik en het bebouwen van private gronden, maar mag daarbij slechts die beperkingen opleggen die vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk en gerechtvaardigd zijn. Bovendien mogen deze beperkingen niet zodanig van aard zijn dat het daardoor onmogelijk wordt gemaakt een uitvoerbaar plan tot stand te brengen. Ook burgerparticipatie ten aanzien van ruimtelijke ingrepen op private gronden zal zich uitsluitend binnen dat afwegings- en toetsingskader kunnen en mogen afspelen.

De gemeenteraad heeft als democratisch gekozen hoogste gezag binnen de gemeente en na een intensief proces waarbij ook aan omwonenden en andere stakeholders voldoende ruimte is geboden voor inbreng, voor de beoogde herontwikkeling van Schakenbosch de randvoorwaarden vastgelegd in een ruimtelijk kader. De eigenaar van de gronden heeft op basis van dit ruimtelijk kader een plan uitgewerkt, dat op alle fronten in overeenstemming is met deze randvoorwaarden én met het op dat plan van toepassing zijnde gemeentelijk beleid. Dat plan is vervolgens vertaald naar een bestemmingsplan, dat voorzien is van een uitvoerige onderbouwing op alle relevante omgevings-, milieu- en overige aspecten. Dit bestemmingsplan is op alle onderdelen door de gemeenteraad getoetst en vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaarheid akkoord bevonden. Het enkele feit dat reclamanten een andere opvatting hebben over wat zij als passende invulling voor het gebied zien maakt dit niet anders c.q. leidt er niet toe dat de raad gehouden dan wel bevoegd zou zijn verdere beperkingen op te leggen ten aanzien van de herontwikkeling van het gebied. Onderdeel s.: Reclamanten wijzen erop dat in het plan een bestemming of reservering ontbreekt voor (her)vestiging van de Stichting Dierenweide Schakenbosch. Dit gaat in tegen met Schakenbosch B.V. gemaakte afspraken.

Bovendien worden hierdoor vooral de zwakkeren in de samenleving getroffen en leidt het wegbestemmen van de Stichting tot aanzienlijke kapitaalvernietiging. Het is aan eigenaar Schakenbosch BV om met huidige gebruikers op het terrein - waaronder de Stichting Dierenweide - te komen tot afspraken die recht doen aan hun wettelijke positie van deze gebruikers en passen binnen het beoogde toekomstbeeld van Schakenbosch zoals vertaald in het voorliggende bestemmingsplan. Hierbij kan opgemerkt worden dat de gemeente in het Ruimtelijke Kader de positie van de Stichting Dierenweide niet expliciet heeft benoemd, zij het dat de raad uiteraard wel de maatschappelijke waarde van de dierenweide onderschrijft. Voorts is het bestemmingsplan niet het instrument door middel waarvan eventuele afspraken en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden kunnen worden vastgelegd. De raad kan daarom in de bestemmingsplanprocedure ook geen betekenis laten toekomen aan standpunten omtrent het verloop van gesprekken, het behouden van investeringen, etc. AANVULLING OP DE INITIËLE ZIENSWIJZE VAN RECLAMANTE 3 Bij schrijven van 23 januari 2020 heeft reclamante een aanvulling ingediend op haar eerdere zienswijze. Hoewel deze aanvulling buiten de zienswijzentermijn is ingediend en er in het geval van

29

reclamante geen sprake was van een pro forma zienswijze, zal de raad deze aanvulling toch beantwoorden. Reclamante brengt het volgende naar voren:  De wijze waarop het plangebied wordt beschreven en de begrenzing daarvan wordt weergegeven is niet correct en wekt verwarring. Deze fouten zijn zodanig dat volgens reclamante aanleiding bestaat om het ontwerpbestemmingsplan opnieuw ter inzage te leggen;  In de van het plan deel uitmakende ecologische quick scan zijn zodanige fouten geconstateerd dat reclamante zich afvraagt of dit rapport wel betrekking heeft op Schakenbosch. Er dient een nieuw onderzoek plaats te vinden waarop opnieuw zienswijzen ingediend moeten kunnen worden. Onderdeel t.: Voor wat betreft de aangeduide begrenzing van het plangebied wordt het volgende opgemerkt. In de bekendmaking in de Staatscourant44 van 13 november 2019 (publicatienummer: 59067) staat voor wat betreft de ligging en begrenzing van het plangebied letterlijk het volgende vermeld: “Het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan ligt aan de Veursestraatweg (N447), tussen de bebouwde kom van Leidschendam en de Duivenvoordecorridor. De noordzijde van het plangebied wordt begrensd door de jeugdinrichting Schakenbosch, het Sportpark Kastelenring en de spoorlijn Leiden-Den Haag. De zuidzijde wordt begrensd door de Veursestraatweg”.

Het doel van de tekst in de bekendmaking is om, door middel van een globale aanduiding van de ligging en begrenzing van het plangebied, duidelijk te maken op welke locatie het plan in grote lijnen betrekking heeft. Op de verbeelding van het plan zelf wordt de exacte begrenzing van het plangebied weergegeven. De tekst in de bekendmaking heeft slechts een indicatieve en informatieve functie, de op de verbeelding opgenomen grenzen zijn juridisch bindend. De raad is van mening dat de tekst zoals deze in de betreffende bekendmaking is opgenomen voor eenieder in redelijkheid voldoende duidelijk maakt waar het plangebied (globaal) gelegen is en op geen enkele wijze aanleiding geeft tot relevante misverstanden. Onderdeel u.: Met betrekking tot de opmerkingen van reclamante over de ecologische quickscan constateert de raad, dat bij het ontwerpbestemmingsplan helaas niet het goede rapport ter inzage is gelegd. Reeds bij de voorbereiding van het plan is ambtelijk gesignaleerd dat het rapport van 24 mei 2017 de ook door reclamante benoemde fouten bevat. Vervolgens is door Aveco de Bondt een geheel geactualiseerde en uitgebreide versie van de quickscan45 alsmede een bijbehorende oplegnotitie46 ingediend.

Deze beide documenten hadden bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd moeten worden, met de oplegnotitie is dat ook gebeurd maar abusievelijk is daarbij helaas niet het juiste, geactualiseerde en gecorrigeerde quickscan-rapport bij de planstukken gevoegd. De raad betreurt dit uiteraard, maar stelt tevens vast dat de conclusies in de plantoelichting47 wel degelijk (zo blijkt ook uit de wel correct opgenomen oplegnotitie) zijn gestoeld op de juiste en actuele ecologische beoordeling, te weten de quickscan uit mei 2019. Inhoudelijk blijft het bij de planstukken ter inzage leggen van het rapport met de door reclamant gesignaleerde gebreken dan ook zonder gevolgen. Uiteraard wordt bij het vastgestelde plan wel de juiste rapportage als bijlage toegevoegd, zodat bedoeld gebrek wordt gerepareerd. Indien reclamant (of andere belanghebbenden) zich met de uitkomsten van de ecologische beoordeling c.q. de rapportage uit mei 2019 niet kunnen verenigen, 44 Dezelfde bekendmaking is overigens ook identiek opgenomen in de gemeenterubriek in ’t Krantje en op de

gemeentelijke website. 45 Aveco de Bondt, Quickscan flora en fauna Schakenbosch Leidschendam (17 mei 2019). 46 Aveco de Bondt, Memo Stand van zaken ecologische onderzoeken Schakenbosch (20 september 2019). 47 Zie paragraaf 5.7 van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan.

30

dan kunnen zij hiertegen in beroep alsnog inhoudelijk opkomen. Aangezien echter de inhoudelijke conclusies op het vlak van flora en fauna al juist in het ontwerp van het voorliggende plan waren verwoord bestaat er geen aanleiding het plan uitsluitend vanwege dit aspect opnieuw als ontwerp ter inzage te leggen. Conclusie: De zienswijzen 3. en 4. geven, gelet op vorenstaande overwegingen, aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De juiste ecologische rapportage wordt alsnog toegevoegd aan de bijlagen bij de plantoelichting.

4.

Reclamant 6, T. de Vries, Lijtweg 26 te Leidschendam

Inhoud en beantwoording van de zienswijze Onderdeel a.: Reclamant meent dat het beoogde aantal woningen in Schakenbosch (325) te hoog is. Met dit aantal wordt alleen het economisch belang van de ontwikkelaar gediend, maar een goede onderbouwing van nut en noodzaak van dit aantal ontbreekt. Gelet op de effecten die het plan voor de omgeving veroorzaakt en het feit dat het ruimtelijke karakter van het park hiermee onomkeerbaar wordt aangetast is dit niet aanvaardbaar. In opdracht van de gemeente Leidschendam-Voorburg (en dus voor alle duidelijkheid niet van de ontwikkelaar Schakenbosch B.V.) heeft Feddes/Olthof landschapsarchitecten b.v. het ‘Ruimtelijk kader Schakenbosch’ opgesteld. In dit document zijn de ruimtelijke en functionele uitgangspunten en randvoorwaarden uitgewerkt die de gemeente hanteert bij de beoogde gebiedstransformatie van Schakenbosch. De gemeenteraad heeft dit ruimtelijk kader in zijn openbare vergadering van 12 december 2017 vastgesteld. Kort samengevat ziet de gemeente bij deze transformatie als ruimtelijke hoofdopgave om een gedifferentieerd, eigentijds en onderscheidend woonmilieu tot stand te brengen met een sterke relatie tussen wonen en groen.

Er moet een gebied ontstaan dat niet ervaren wordt als een uitbreiding van de bestaande woonwijken van de kern Leidschendam, maar als een overgangszone tussen de sterkt verstedelijkte bebouwde kom en het landelijk gebied van de Duivenvoordecorridor. Een bebouwingsdichtheid van circa 10 woningen per hectare wordt vanuit landschappelijk oogpunt voor een dergelijke overgangszone als kwalitatief-ruimtelijk passend beoordeeld. Gelet op de omvang van het (plan)gebied Schakenbosch vertaalt deze dichtheid zich naar een maximum van 325 woningen. Dit maximale aantal van 325 woningen is door de vaststelling van het ruimtelijk kader als harde randvoorwaarde meegegeven aan de ontwikkelende partij, Schakenbosch B.V. Het voorliggende bestemmingsplan limiteert daarom het aantal nieuwe woningen dat binnen het plan gerealiseerd mag worden op 325 , zodat geconstateerd moet worden: 1. dat het aantal van maximaal 325 woningen door de gemeenteraad als ruimtelijke randvoorwaarde voor de gebiedstransformatie in het ruimtelijk kader voor Schakenbosch is vastgelegd; 2. dat dit aantal tot stand is gekomen op basis van de kwalitatief-ruimtelijke overwegingen die voor een overgangszone als deze in het ruimtelijk kader zijn geformuleerd; 3. dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de onder 1. en 2. bedoelde randvoorwaarden en overwegingen.

Het bestemmingsplan maakt zoals gezegd de bouw van ten hoogste 325 nieuwe woningen juridischplanologisch mogelijk. Let wel: het plan maakt dit aantal woningen mogelijk, maar legt niet aan de ontwikkelende partij op dat dit aantal ook daadwerkelijk gebouwd moet worden. Het plan bakent 31

slechts de maximale ontwikkelruimte af en hanteert daarbij integraal de door de raad vastgestelde ruimtelijke randvoorwaarden. Daaruit volgt dat het voorliggende bestemmingsplan niets anders doet dan de ruimtelijke invulling, die in het ruimtelijk kader gemotiveerd als passend wordt aangemerkt, één-op-één van een gelijkluidende en dus volledig met het ruimtelijk kader in overeenstemming zijnde juridisch-planologische grondslag voorzien. Nu de randvoorwaarden uit het ruimtelijk kader primair zijn gestoeld op een kwalitatief-ruimtelijke afweging en het plan daarmee in overeenstemming is, kan ook niet staande worden gehouden dat het plan resp. de daarmee mogelijk gemaakte invulling van het plangebied slechts tot doel zou hebben het bedrijfseconomisch belang van een ontwikkelende partij te dienen. Die aanname miskent de rol en verantwoordelijkheid van de raad in het ruimtelijk proces en steunt niet op door reclamante gemotiveerd aangedragen feiten en omstandigheden. Onderdeel b.: Reclamant stelt dat het college ten onrechte en in afwijking van ambtelijke adviezen heeft besloten om geen MER uit te (laten) voeren voor het plan. Gelet op de actuele stikstofproblematiek en de brief van longarts dr. Schreur is deze beslissing onverantwoord. Dit is des te kwalijker omdat het college zijn besluit alleen baseert op niet-onafhankelijke adviezen.

Uit de bewoordingen van reclamant leidt de raad af dat met ‘milieueffectrapportage’ door reclamant (al dan niet op basis van concrete kennis van de m.e.r.-wetgeving) gedoeld wordt een milieueffectrapportage zoals die dient te worden opgesteld in gevallen waarin formeel sprake is van een directe m.e.r.-plicht op grond van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) resp. onderdeel C van het Besluit m.e.r. Het gaat dan om een volledige, integrale milieueffectrapportage inclusief beoordeling van alternatieve oplossingen, waarop de bijbehorende procedurele bepalingen (kennisgeving met zienswijzentermijn, tervisielegging milieueffectrapportage en toetsing door de Commissie voor de m.e.r.) van toepassing zijn. Dit is de ‘zwaarste’ vorm van een m.e.r., die in het algemeen slechts aan de orde komt bij zeer grote ingrepen. Denk hier bijvoorbeeld aan grote infrastructurele ingrepen, zoals de aanleg van de Rotterdamsebaan en de Rijnlandroute, of majeure landschappelijke transformaties als de herinrichting van de agrarische gronden in de Nieuwe Driemanspolder tot een natuur- en recreatiegebied annex (piek)waterbergingslocatie. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat de raad niet bekend is met ambtelijke adviezen aan het college dan wel de raad, die strekken tot het uitvoeren van een dergelijke milieueffectrapportage.

Gelet op de aard en omvang van het plan in relatie tot de wettelijke voorschriften is er in elk geval geen aanleiding voor een volledige milieueffectrapportage, zodat een dergelijk ambtelijk advies ook niet voor de hand ligt. Inhoudelijk is voorts het volgende van belang. Bij de voorbereiding van het plan is uitgebreid onderzoek verricht naar de effecten van het plan op het milieu. De uitkomsten van deze onderzoeken en de gevolgen daarvan voor het plan zijn in de diverse onderdelen van de plantoelichting beschreven, de verschillende onderzoeksrapporten maken als bijlagen eveneens onderdeel uit van het plan. Aan de hand van deze uitkomsten kan het bevoegd gezag beoordelen of al dan niet belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Om deze beoordeling door het bevoegd gezag mogelijk te maken dient een initiatiefnemer op grond van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer bij het bevoegd gezag een zgn. aanmeldnotitie in te dienen. De informatie, die deze aanmeldnotitie moet bevatten, is in bedoeld artikel vastgelegd. Het bevoegd gezag toetst deze aanmeldnotitie en neemt vervolgens een besluit over de vraag of ten behoeve van het betreffende plan, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die het plan voor het milieu kan

32

hebben, al dan niet een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dit is het zgn. m.e.r.beoordelingsbesluit48. In opdracht van Schakenbosch B.V. heeft Aveco de Bondt een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. In deze aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen vanwege de herontwikkeling van Schakenbosch redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Deze conclusie wordt onderbouwd door middel van de diverse ten behoeve van het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken. Zowel de aanmeldnotitie als de onderliggende onderzoeken zijn door de ter zake kundige vakinhoudelijke specialisten van de gemeente beoordeeld. De uitkomst van deze beoordeling is, dat de overwegingen en conclusies uit de aanmeldnotitie kunnen worden onderschreven. Op basis van deze ambtelijke beoordeling en advisering heeft het college op 29 oktober 2019 besloten (= m.e.r.-beoordelingsbesluit) dat voor de beoogde functiewijziging en herinrichting van Schakenbosch en de daarvoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan geen nadere milieueffectrapportage naast de uitgevoerde zgn. Vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft te worden opgesteld. Met andere woorden: voor dit plan kan worden volstaan met de vormvrije m.e.r.beoordeling, zoals die in overeenstemming met de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. heeft plaatsgevonden.

Voor de verdere inhoudelijke onderbouwing van een en ander wordt verwezen naar:  het m.e.r.-beoordelingsbesluit bestemmingsplan “Schakenbosch” d.d. 29 oktober 2019, met besluitnummer 1345;  de geactualiseerde Aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Landgoed Schakenbosch (Aveco de Bondt, 7 december 2020, nummer: RAN/170200), die als Bijlage 20 deel uitmaakt van het bestemmingsplan;  de toelichting van het bestemmingsplan. Reclamant voert in de zienswijze geen verdere inhoudelijke argumenten aan die tot een andere conclusie aanleiding zouden moeten geven. Het enkele gegeven dat bij burgers de wens bestaat tot het doorlopen van een volledig milieueffectrapportage-traject en dat het spreken over deze wens kennelijk tot het ontstaan van een verwachtingspatroon heeft geleid maakt dit niet anders. Het plan is, ook in relatie tot bijvoorbeeld drempelwaarden uit de m.e.r.-regelgeving49, niet van een dusdanige aard en omvang dat een volledige milieueffectrapportage nodig of zelfs gerechtvaardigd is. Onderdeel c.: Reclamant is van mening dat omwonenden en belanghebbenden onvoldoende betrokken zijn bij de voorbereiding van het plan. Van enige serieus genomen ruimte voor inbreng is nooit sprake geweest, de plannen stonden op voorhand vast. Reclamant kwalificeert de gang van zaken daarom als schijninspraak.

Voor wat betreft het aspect burgerparticipatie wordt de stelling van reclamanten, dat hieraan onvoldoende invulling is gegeven c.q. ruimte is geboden, niet herkend. Bij het opstellen van het concept voor het ruimtelijk kader is aan de omgeving alle ruimte geboden om inbreng te leveren en deze inbreng is ook belangrijk geweest bij het bepalen van de randvoorwaarden waaraan de beoogde herontwikkeling moet voldoen. Die randvoorwaarden zijn er juist op gericht de belangen te beschermen die vanuit de omgeving zijn aangedragen, zoals het groene karakter, de openbare toegankelijkheid, etc. 48 N.B.: In geval van een ontwerpbestemmingsplan is zowel het college van burgemeester en wethouders als de

gemeenteraad bevoegd om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, zie ook ABRvS ECLI:NL:RVS:2018:3131. 49 Voor een activiteit als opgenomen in kolom 2 van bijlage C. resp. bij het Besluit m.e.r. gelden als drempelwaarden voor het al dan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn van een activiteit:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat, of  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

33

Ook bij de bestuurlijke besluitvorming over dit ruimtelijk kader door het college en de raad zijn de standpunten van de omgeving betrokken. Onder meer over de invulling van het bouwprogramma, de vraag hoe om te gaan met de groene kwaliteit van het gebied, de blijvende openbaarheid, etc. heeft uitvoerig discussie plaatsgevonden en juist deze discussie heeft ook geleid tot uitstel van de uiteindelijke vaststelling van het ruimtelijk kader door de raad om nog kleine laatste programmatische verfijningen aan te brengen. Het is van belang te onderkennen dat burgerparticipatie niet slechts dan geslaagd is, wanneer bij de ruimtelijke planvorming alle wensen uit de omgeving van een projectgebied gehonoreerd worden. Er is bij Schakenbosch (en dit geldt uiteraard ook voor veel andere ontwikkellocaties in de gemeente Leidschendam-Voorburg) sprake van gronden die geen gemeentelijk maar privaat eigendom zijn. De gemeenteraad kan weliswaar door middel van ruimtelijke instrumenten sturen op de gebruiks- en bouwmogelijkheden van zulke gronden, maar kan daaraan slechts beperkingen opleggen wanneer die vanuit oogpunt van goede ruimtelijke ordening gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn. Binnen dat toetsingskader zijn de programmatische - en inrichtingswensen van de eigenaar van de gronden beoordeeld en getoetst aan het gemeentelijk beleid.

De wensen en argumenten die vanuit de omgeving ten aanzien van de transformatie van Schakenbosch naar voren zijn gebracht, zijn bij deze beoordeling betrokken en eveneens afgezet tegen het belang van een goede ruimtelijke ordening. Dit proces heeft uiteindelijk geresulteerd in de vaststelling van een ruimtelijk kader waarin uitgangspunten en randvoorwaarden voor de transformatie van het gebied zijn vastgelegd. Aan de hand van deze uitgangspunten en randvoorwaarden is vervolgens het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Het nu voorliggende plan voldoet aan de gemeentelijke beleidskaders, is in overeenstemming met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening en komt objectief bezien op een verantwoorde manier aan een mix van verschillende belangen tegemoet, zonder te pretenderen dat daarbij alle ten aanzien van de planvorming bestaande bezwaren zijn weggenomen. Zoals echter gezegd: dat is ook geen vereiste om van adequate en betekenisvolle burgerparticipatie te kunnen spreken. Ten slotte verwijst de raad nog naar de algemeen inleidende opmerkingen in dit Hoofdstuk B4 van de zienswijzennota. Onderdeel d.: Reclamant is van mening dat het plan leidt tot het verloren gaan van het laatste betekenisvolle park van Leidschendam. Daarmee gaat volgens reclamant ook de historische groene corridor tussen Leidschendam en Voorschoten verloren.

Juist daarom zou een integrale gebiedsvisie voor het gehele gebied wenselijk zijn geweest. De raad begrijpt de zorg van reclamant op dit punt. Van belang is echter om te beseffen dat het terrein Schakenbosch door de gebruikers uit de omgeving weliswaar wordt ervaren als een openbare groenvoorziening (park), maar dat het gebied die status de facto nooit heeft gehad. Het gehele terrein is altijd particulier eigendom geweest. Voorheen was de ter plaatse gevestigde GGZ-instelling eigenaar, thans is dat Schakenbosch B.V. Weliswaar hebben de private eigenaren altijd informeel toegelaten dat het terrein door derden recreatief (als parkachtige groenvoorziening) werd gebruikt, maar noch de gemeente Leidschendam-Voorburg noch andere partijen hebben ooit formeel de bevoegdheid of macht gehad voortzetting van dit ‘openbare’ gebruik te eisen af te dwingen. De private eigenaren van Schakenbosch hebben altijd het recht gehad om, op enig moment waarop zij daartoe aanleiding zouden zien, het terrein geheel voor derden af te sluiten. Met het voorliggende plan wordt niet alleen de herontwikkeling van Schakenbosch tot een woongebied mogelijk gemaakt, maar worden ook de randvoorwaarden gecreëerd om het groene 34

karakter van het gebied te behouden en te versterken en vervolgens voor aanzienlijke delen van het terrein ook voor de langere termijn de openbare toegankelijkheid daarvan te waarborgen. Met andere woorden: het plan zal juist bijdragen aan het beschikbaar blijven van een groot deel van Schakenbosch als (semi-)openbare groenvoorziening voor bezoekers die ook in de huidige situatie gebruik maken van het gebied en daarnaast aan deze gebruikers een betere gebruikskwaliteit en belevingswaarde bieden. Voor zover reclamant meent dat een integrale gebiedsvisie voor het gehele gebied tussen Leidschendam en Voorschoten noodzakelijk is om de belangen van het gebied als geheel te borgen, wordt het volgende opgemerkt. In 2005 hebben de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Voorschoten gezamenlijk de “Structuurvisie Duivenvoordecorridor” vastgesteld. Doel van deze structuurvisie was (kort samengevat) het behalen van ruimtelijke kwaliteitswinst door het saneren van de glastuinbouwlocaties in de corridor en het beschermen en versterken van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De doelstellingen en uitgangspunten uit deze intergemeentelijke visie zijn vervolgens doorvertaald naar de gemeentelijke structuurvisie “Ruimte voor Wensen 2040” in 2006 resp. “Ruimte voor Wensen 2040, Herijking 2012” in 2012.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=29812f5f-a78e-48e4-8743-70392c86bf18