4718 - Toelichting TAM-Omgevingsplan Overgoo
Tekst van het document
Toetsing
Zoals beschreven werkt rekening houden met geur twee kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Het eerste punt is niet van toepassing omdat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een geuremissie en derhalve geen relevante invloed heeft op de geur in de omgeving. Door de beoogde ontwikkeling is wel sprake van de toevoeging van geurgevoelige functies. In dat kader dient – ondanks dat de beoogde ontwikkeling hier geen effect op heeft - ook de mogelijke geurbronnen in de omgeving beschouwd te worden. Op grond van het “TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 en 8a” kan geconcludeerd worden dat bij het nabijgelegen autobedrijf 'W. van den Berg' (Vlietweg 8a) een spuitcabine aanwezig is met een relevante geuremissie. Onderstaand figuur betreft een uitsnede uit dit omgevingsplan (bron: Peutz, Onderzoek naar de kans op geurhinder van autobedrijf W. van den Berg aan de Vlietweg 8a, 16 november 2023). Het plangebied Overgoo – Fleetpark is gelegen ten zuidwest van het autobedrijf. Figuur 4.10: Uitsnede onderzoek naar de kans op geurhinder - Peutz.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 70
Op grond van het TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 en 8a kan het volgende geconcludeerd worden: Er zijn geen (terechte) geurklachten bekend zijn ten gevolge van het autobedrijf. Voorts is van belang dat in Nederland de overheersende windrichting zuidwestelijk is. Daarbij geldt dat de bestaande woningbouw, zoals ook weergegeven op bovenstaand figuur maatgevend is. Het autobedrijf wordt in zijn eventuele ontwikkelruimte met betrekking tot het aspect geur reeds beperkt door de bestaande woningen. Het voorliggende plan leidt derhalve niet tot extra of nieuwe beperkingen. Tot slot geldt dat ten behoeve van de herontwikkeling Vlietweg 3 en 8a een kwantitatieve beschouwing is uitgevoerd. Uit de berekeningen volgt dat de geurbelasting ten gevolge van het autobedrijf ter hoogte van bestaande woningen hoger is dan ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw aan de Vlietweg 3. Dat is gezien de afstand (20 meter bestaand versus 30m geprojecteerd ten opzichte van het emissiepunt) en de overheersende windrichting in Nederland (zuidwestelijk) ook te verwachten. Analoge redenering leidt ertoe dat ter plaatse van dit TAM-omgevingsplan minder geurbelasting te verwachten is en dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Stof Er geldt een richtafstand van 10 meter vanwege de spuitcabine. De spuitcabine is gesitueerd in de bestaande loods.
De loods ligt op grotere afstand dan 10 meter van de nieuwe woonbebouwing. Bovendien ligt het niet voor de hand dat de spuitcabine binnen de loods verplaatst zal (kunnen) worden. De locatie van de spuitcabine is op de verbeelding van het
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 71
TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 en 8a” vastgelegd. 4.9.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten ter plaatse van het plangebied. Het aspect geur en stof vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Trillingen
4.10.1 Kaders In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Een aanvaardbare situatie wordt in ieder geval gecreëerd als in het omgevingsplan de standaardwaarde van toepassing wordt verklaard voor continue en herhaald voorkomende trillingen. Het omgevingsplan kan ook een lagere waarde bevatten. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde dan de standaardwaarde bevatten, als op basis van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift reeds een hogere waarde gold. Deze waarde is niet hoger dan de grenswaarde. Ook is een hogere waarde mogelijk als het gaat om een activiteit die verricht wordt op een bedrijventerrein dat in het omgevingsplan is aangewezen. Indien sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan dit het rechtvaardigen om in het omgevingsplan een hogere waarde op te nemen dan de standaardwaarde en zelfs hoger dan de grenswaarde. De maximale waarde is de grenswaarde vermenigvuldigd met de factor 1,8. 4.10.2 Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals treinspoorlijnen. Derhalve wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren.
4.10.3 Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Water
In de waterparagraaf komen de relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in ter plaatse van het plangebied. De locatie is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland en het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer. 4.11.1 Kaders Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 72
water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende 'water' gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken getoond tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid.
Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 73
Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerbrief d.d. 25 november 2022, kenmerk IENW/BSK-2022/283041). Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Beleid waterbeheerder Hoogheemraadschap van Delfland Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016- 2021.
Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico's, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Waterschapsverordening Verder beschikt Delftland over de 'Waterschapsverordening Delfland'. Deze is sinds 1 januari 2024 van kracht. De waterschapverordening vervangt de Keur en de algemene regels. In de waterschapverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten waar in het beheersgebied mogen plaatsvinden en welke voorwaarden hiervoor gelden.
Hierin staan de voorwaarden waaraan voldaan moet worden bij de inrichting, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Naast de waterschapsverordening beschikt Delfland over de onderstaande beleidsregels: Beleidsregels medegebruik Waterkeringen; Beleidsregels medegebruik Zeewering; Beleidsregels medegebruik Delfandsedijk; Beleidsregels grondwateronttrekking en infiltraties; Beleidsregels dempen en graven; Beleidsregels Natte Ecologische Zone; Beleidsregels kunstwerken in wateren; Beleidsregels steigers; Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 74
Beleidsregels werken in het profiel van wateren. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. De watertoets is gebaseerd op twee uitgangspunten: Standstill-beginsel: dit houdt in dat de waterhuishouding door ruimtelijke veranderingen in elk geval niet mag verslechteren. Negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem moeten worden voorkomen; Verbetering: veranderingen in de inrichting van een gebied bieden ook mogelijkheden om het watersysteem te verbeteren. Kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen worden benut. Standstill-beginsel Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan.
De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen Delfland geeft met de Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen invulling aan zijn bevoegdheid om voorwaarden te stellen voor het medegebruik van de ruimte in, op, boven, over en onder regionale waterkeringen. De beleidsregel vormt het toetsingskader voor vergunningverlening op basis van de Waterwet en de Keur Delfland, vanaf het moment van inwerkingtreding. Met de Beleidsregel Medegebruik Regionale waterkeringen maakt Delfland voor alle betrokkenen intern en extern transparant op welke manier het medegebruik van de ruimte in, op, boven, over en onder de regionale waterkeringen wordt beoordeeld.
Voor Delfland staat de veiligheid van de waterkering voorop. Een voorwaarde voor het toestaan van medegebruik is dat Delfland in het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het medegebruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Beleidsregel dempen en graven De 'Beleidsregels Dempen en graven' geven regels voor de inrichting van watergangen en oevers van alle oppervlaktewateren in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het doel van de 'Beleidsregels Dempen en graven' is aan te geven hoe Delfland omgaat met zijn bevoegdheid om vergunning te verlenen voor de verbodsbepalingen die in waterschasverordening zijn opgenomen. Om te voorkomen dat bij het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning steeds weer een volledige belangenafweging dient plaats te vinden, heeft Delfland in deze beleidsregels vastgelegd, wanneer wel en wanneer niet gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot vergunningverlening. De Beleidsregels Dempen en graven bevatten toetsingcriteria voor de behandeling van de vergunningaanvraag. Uitgangspunten van de gemeente Leidschendam-Voorburg De gemeente Leidschendam-Voorburg beschikt over een Verordening op de afvoer van Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 75
hemelwater en grondwater. Hieruit volgende de volgende (klimaat)regels: Hemelwater wordt gescheiden van het vuilwater ingezameld en verwerkt; In gebieden waar wateroverlast is vastgesteld, moet bij nieuwbouw of uitbreiding op het perceel waterberging worden aangelegd. De vereiste waterberging is 50 liter per vierkante meter verhard oppervlak op het perceel (50 mm); De vereiste 50 mm berging is gebaseerd op de doelstellingen in het Water- en Rioleringsplan en de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's om schade door wateroverlast te voorkomen. De gemeente zorgt voor de afvoer van ongeveer 20 mm neerslag per uur naar het oppervlaktewater. In wateroverlastgebieden wordt de totale verharding gebruikt voor de berekening van de vereiste waterberging; De eis is uit het WRP is dat de waterkwaliteit niet nadelig wordt beïnvloed door de ontwikkeling; Beperkte afvoer is toegestaan vanaf het begin van de regenbui; Water en rioleringsplan gemeente, handboek openbare ruimte eisen maatregelen; Vloerpeil 20 cm boven het wegpeil; Vloerpeil (bovenkant) 100 cm boven het grondwaterpeil (GHG-situatie); Ontwatering van wegen 70 cm (GHG-situatie 95 %); Kelders gesloten tot 20 cm boven maaiveld.
4.11.2 Toetsing Zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 van voorliggend plan, zijn in paragraaf 7.3.6.a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening de regels ten aanzien van toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen opgenomen. Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In artikel 7.41aa is opgenomen dat een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrekt. Op grond van artikel 7.41b dient rekening te worden gehouden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Met een toenemende druk op zowel de boven- als ondergrond, rekening houdend met klimatologische ontwikkelingen en de huidige waterhuishoudkundige situatie mag de waterhuishouding geen onderbelicht thema zijn en derhalve is ten behoeve van het plan een weging van het waterbelang opgesteld (zie Bijlage 8).
Op deze manier is binnen het plan het waterbelang vroegtijdig en volwaardig meegewogen waarmee het onderdeel water tijdig en volledig wordt geborgd in het omgevingsplan. Op deze manier wordt duurzaam waterbeheer bevorderd en worden wateroverlast en watertekorten voorkomen. De resultaten uit de rapportage zijn hieronder samenvattend weergegeven. Huidige situatie Maaiveldverloop Het maaiveld binnen het projectgebied ligt tussen de -4,0 en +1,0 m NAP. Het maaiveld loopt in zuidoostelijke richting af. Het gebied wordt in de huidige situatie ontsloten via de Vlietweg aan de noordzijde, met een wegpeil van circa +0,4 m NAP. Langs de westrand is de Noordelijke Verbindingsweg gesitueerd welke van circa +0,2 m NAP oploopt tot het viaduct over de tramlijn (circa +3,0 m NAP). Via een steil talud loopt het maaiveld af tot waarden rond -3,5 m NAP. Langs de taluds van de watergangen komen nog lagere maaiveldhoogtes voor.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 76
Oppervlaktewatersysteem en waterkering Het plangebied is gelegen in het zuiden van Leidschendam, en grenst aan de noordzijde aan het kanaal de Leidsche Vliet. Het watersysteem is onderverdeeld in twee verschillende type wateren: primair water (zoals boezem de Vliet) en secundair water. Het secundair water bestaat onder andere uit watergangen en ondersteunende duikers, waaronder in het poldergebied, die zorgen voor peilregulering en afwatering van het gebied. Aan de noordzijde van het plangebied is het boezemwater van de Vliet gesitueerd. En aan de zuidzijde is een boezemkade aanwezig die water binnen de boezem moeten houden. Te midden van het plangebied, aan de zuidrand van peilvak GPG2007LEI 7, zoals weergegeven op onderstaand figuur is een waterpartij met belendende waterkering aanwezig die tot doel heeft om overtollig water op te vangen en tijdelijk op te slaan tijdens perioden van hevige regenval en om de grondwaterstand te reguleren. Op onderstaand figuur zijn tevens de overige peilvlakken binnen het plangebied weergegeven. Figuur 4.12 Uitsnede leggerkaart oppervlaktewater inclusief peilgebieden (bron: Weging van het waterbelang Fleetpark Leidschendam, TAUW).
Voor het regelen van de waterafvoer binnen het gebied zijn duikers en stuwen aangelegd. Deze kunstwerken zijn verbonden met verschillende watergangen die het water geleiden en zorgen voor een gecontroleerde afvoer. Op deze manier wordt het waterpeil binnen het gebied gereguleerd en kunnen wateroverlast en overstromingen worden voorkomen. Het systeem staat in verbinding met een gemaal waarbij het overtollige water in een zijtak van de Vliet gepompt wordt. De huidige situatie is schematisch weergegeven in onderstaand figuur, waarin de waterkering, oppervlaktewater, inlaatduiker, gemaal en waterafvoersystemen zijn weergegeven. Figuur 4.13 Waterkering en ondersteunende constructie (bron: Weging van het waterbelang Fleetpark Leidschendam, TAUW).
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 77
De polderkade, zoals hierboven beschreven is aangemerkt als 'overige waterkering' en voorkomt dat een teveel aan water afstroomt naar de lager gelegen peilvakken. Deze kering dient in stand te worden gehouden bij de herontwikkeling van het plangebied. Omdat de ontwikkeling beoogd is ter plaatse van een overige waterkering (polderkade) en nabij een inlaatduiker is onderzoek gedaan naar diverse varianten ten aanzien van deze polderkade binnen de gebiedsontwikkeling, zodanig dat de waterveiligheid geborgd blijft. Deze rapportage is als Bijlage 9 toegevoegd aan voorliggende motivering. Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Verharding en bergingsopgave Door het herontwikkelen van het plangebied wordt bestaand verhard oppervlak deels verwijderd en komt er nieuw verhard oppervlak bij. Dit levert netto een toename aan verhard oppervlak op. Om een snelle afvoer van neerslag vanaf verhard oppervlak te voorkomen moet dit gecompenseerd worden door waterberging te realiseren.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 78
Op basis van het aangeleverde inrichtingsplan is het verhard oppervlak per peilgebied geïnventariseerd en op basis van de vlakkenkaart is het verhard oppervlak (geheel) bepaald. Het bruto oppervlak van de ontwikkeling is 7,62 ha. Hiervan is circa 4,32 ha verhard in de toekomstige situatie. Ten opzichte van de huidige situatie betekent dat een toename van 0,96 ha. Vanwege de verschillende peilvakken, zoals nader beschreven in Bijlage 8, is het plangebied opgedeeld in deelgebieden. Per deelgebied zijn de oppervlakken in de huidige en toekomstige situatie geïnventariseerd, waarmee de verschillen in beeld is gebracht. Figuur 4.14: Verharding per type oppervlak (bron: weging van het waterbelang Tauw).
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft met de Watersleutel de bergingsopgave bepaald voor de ontwikkeling Fleetpark. Deze berekeningen zijn gemaakt aan de hand van de verharding zoals weergegeven in bovenstaand figuur. Door enerzijds het dempen van bestaand oppervlaktewater en anderzijds het nieuw realiseren van verhard oppervlak is voor elk deelgebied (/peilvak) een bergingsopgave berekend, volgend uit de Watersleutel van het hoogheemraadschap. In de berekening is rekening gehouden met de klimaateffecten op basis van KNMI 2019 klimaatscenario WL 2050. De opgave per peilvak is weergegeven in
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 79
onderstaand figuur. Netto moet in de toekomstige situatie 1.628 m3 extra waterberging worden gerealiseerd, dit is inclusief de afname aan wateroppervlak in de peilvakken LEI 5 en LEI 7. De volumes zijn op basis van de toegestane peilstijging omgerekend naar een nieuw te realiseren oppervlak aan oppervlaktewater. Figuur 4.15: Bergingsopgave plangebied (bron: weging van het waterbelang Tauw).
Realiseren beringsopgave Om de bergingsopgave van 1.628 m3 te realiseren is eerst gekeken naar hoeveel ruimte voor waterberging in het huidige ontwerp is opgenomen. In het huidige ontwerp wordt in de peilvakken LEI 5 en LEI 7 geen toename aan waterberging in oppervlaktewater gerealiseerd. Daarentegen wordt in peilvakken LEI 1 en LEI 1a respectievelijk 1.012 m2 en 1.116 m2 aan nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Met een toegestane peilstijging van 0,55 m voor LEI 1 en 0,30 m voor LEI 1a betekent dit een beschikbare bergingscapaciteit van 891 m3. In het huidige ontwerp worden wadi's gerealiseerd, welke voor een deel invulling geven aan de bergingsopgave. In peilvak LEI 7 blijft het oppervlak aan wadi's gelijk, terwijl in de peilvakken LEI 1, LEI 1a en LEI 5 een toename wordt gerealiseerd. Netto wordt een toename van 405 m2 aan wadioppervlak gerealiseerd. Als uitgangspunt is gehanteerd dat in een T=100 situatie de wadi's met een maatgevende waterhoogte van 50 cm (verschil tussen wadibodem en maaiveldniveau) volledig gevuld mogen zijn. Dit levert netto circa 202 m3 waterberging op. Van de bergingsopgave van 1.628 m3 kan door middel van de toename aan oppervlaktewater en wadi's 1.093 m3 (891 m3 + 202 m3) worden gerealiseerd. Dit betekent dat er nog een restopgave is van 535 m3.
Om de restopgave van 535 m3 waterberging te realiseren is een alternatieve optie voor het inrichtingsplan uitgewerkt. Daarbij zijn de watergangen in alle drie de peilvakken verbreed en zijn waar mogelijk extra wadi’s toegevoegd. De alternatieve optie heeft daarmee in totaal 1.881 m3 beschikbare waterberging, waarmee ruimschoots invulling wordt gegeven aan de bergingsopgave van 1.628 m3. Het omgevingsplan biedt ruimte om aan deze maatregelen en alternatieve maatregelen invulling te geven. Bergingseis gemeente Leidschendam-Voorburg De bergingseis van de gemeente Leidschendam-Voorburg bedraagt 50 mm over het totaal verhard oppervlak in de toekomstige situatie. Op basis van een verhard oppervlak van 43.221 m2 resulteert dit in een bergingsopgave van 2.161 m3. De gemeente hanteert als eis dat de waterberging op straat en terreinverharding mag worden geborgen, met als uitgangspunt dat het niet in de woningen mag stromen. De vloerpeilen dienen dan ook ruim voldoende boven het wegpeil uit te steken, daarbij rekening houdend met het hellende karakter van het plangebied en het feit dat afstromende neerslag zich verzamelt in de laagste delen, alvorens het naar oppervlaktewater afstroomt. De beschikbare waterberging in wadi's mag eveneens worden meegerekend. Uit figuur 4.15 volgt dat in totaal 1.643 m2 aan wadi's beschikbaar is in het nieuwe ontwerp.
Met een maatgevende waterschijf van 50 cm kan in totaal 821 m3 water in de wadi's worden geborgen (uitgangspunt is dat de wadi's optimaal worden gevuld in een maatgevende situatie). Van de oorspronkelijke bergingsopgave van 2.161 m3 resteert dan een opgave van 1.340 m3. Uit figuur 4.14 volgt dat in totaal 15.594 m2 wegverharding (infrastructuur) in het nieuwe ontwerp aanwezig is, exclusief de terreinverharding van uitgeefbare percelen. Om in de resterende bergingsopgave van 1.340 m3 te voorzien, is een maximale waterschijf van Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 80
circa 9 cm nodig. Voor dit plan wordt geadviseerd om de vloerpeilen 20 cm boven het wegpeil te kiezen. Daarmee is in de basis voldoende ruimte aanwezig om de bergingsopgave in te vullen, om overlast bij de woningen te voorkomen en waarbij rekening wordt gehouden met het hellende karakter van het plangebied. In de nadere uitwerking moet getoetst worden of dit inderdaad allemaal past. Conclusie bergingsopgave Uit de watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland volgt een bergingsopgave voor de toekomstige ontwikkeling van totaal 1.628 m3. Door het realiseren van nieuw oppervlaktewater en wadi's conform het voorgestelde plan, resulteert dit in voldoende waterberging, uitgaande van de 'alternatieve optie'. Het oorspronkelijke ontwerp biedt nog onvoldoende waterberging. De maatregelen zijn overeenkomstig de toegestane maatregelen uit de Richtlijn Compensatie Verharding van het waterschap. Het plan voldoet tevens aan de bergingseis van 50 mm neerslag van de gemeente Leidschendam-Voorburg, uitgaande dat de vloerpeilen ruim voldoende boven het wegpeil worden gesitueerd. Toekomstige hemelwaterstructuur De hoofdstructuur is centraal in het plangebied bedacht zodat alle daken en wegen eenvoudig gekoppeld kunnen worden aan de hoofdstructuur. Deze structuur wordt uitgevoerd als hemelwaterriolering en voert af in richting de bestaande watergangen aan de noordoostzijde van het plangebied.
Hierbij wordt rekening gehouden met de drie verschillende peilgebieden, wat betekent dat elk peilgebied een eigen hemelwaterstructuur en uitlaat op het oppervlaktewater bevat. In de verdere uitwerking moet rekening worden gehouden met een verplichte onderhoudsstrook langs het oppervlaktewater (leggerwatergang), om beheer en onderhoud mogelijk te maken. Afhankelijk van de breedte van de watergang is enkelzijdig, tweezijdig of varend onderhoud nodig. Figuur 4.16: Principe uitwerking hemelwaterstructuur (bron: weging van het waterbelang Tauw).
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 81
Het systeem omvat twee wadi’s binnen de hemelwaterstructuur. Om de bergingscapaciteit te benutten is het belangrijk ervoor te zorgen dat deze wadi’s in staat zijn om zich te vullen en te legen in hetzelfde of een lagergelegen peilvak. Om dit te bereiken, moeten er verbindingen worden gemaakt tussen de wadi’s en het hemelwaterstelsel. Dit wordt gedaan door middel van overstorten en slokops. Via overstorten kan overtollig regenwater vanuit de hwa-leidingen naar de wadi’s stromen. Daarnaast worden slokops gebruikt om water wat niet infiltreert uit de wadi’s via het hemelwaterstelsel af te voeren naar het oppervlaktewater. Deze slokops fungeren als inlaten en zorgen ervoor dat de wadi’s voldoende op het juiste peil blijven. Door het gebruik van overstorten en slokops kan het systeem ervoor zorgen dat de wadi’s altijd een geschikt waterniveau hebben, wat essentieel is voor hun optimale werking binnen de hemelwaterstructuur. Omdat de infiltratiecapaciteit niet geschikt is om hemelwater te infiltreren is het nodig grondverbetering toe te passen en een drain aan te leggen onder de wadi’s met een (vertraagde) afvoer naar de HWA-riolering en/of oppervlaktewater. Op deze manier kan de wadi altijd tijdig ledigen. De wadi wordt vanuit het oogpunt van beheer en onderhoud voorzien van taluds die niet steiler zijn dan 1:3.
Waterkwaliteit Voor een robuust watersysteem met een goede waterkwaliteit zijn een aantal aspecten van belang. Zo mag geen verontreinigd water worden geloosd en mogen bij de nieuwbouw geen uitlogende materialen worden toegepast. Dit zijn bronmaatregelen die voorkomen dat vervuiling in het oppervlaktewater terechtkomt. Hetzelfde kan gedaan worden met weken en dakoppervlak welke via een voorzuiverende voorziening (bijvoorbeeld een wadi of wegberm) gezuiverd wordt, voordat er water in het oppervlaktewater terechtkomt. Bij het realiseren van oppervlaktewater is het van belang dat de waterdiepte voldoende is (minimaal 1,0 m) en dat er geen doodlopende trajecten zijn. Doodlopende watergangen zijn niet wenselijk, tenzij aan het uiteinde een hemelwaterlozing aanwezig is die voor de nodige Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 82
doorspoeling zorgt bij neerslag. Waar mogelijk kunnen natte ecologische zones of natuurvriendelijke oevers langs de watergangen worden gerealiseerd. Wadi’s en groenzones kunnen zo mogelijk voorzien worden van biodiverse beplanting. Met deze uitgangspunten voor de inrichting van de waterpartijen, oevers en dergelijk kan ook de biologische en chemische situatie worden verbeterd. Riolering De nieuwe functies in het plangebied zorgen elk voor hun eigen vuilwaterproductie. Deze afvalstroom moet ingezameld en getransporteerd worden, waarbij een aansluiting op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel wordt gemaakt. Voor de afvoer van vuilwater bestaan een paar mogelijkheden. De meest gebruikelijke wijze is om het vuilwater onder vrijverval af te voeren naar een nieuw te realiseren vuilwaterriool. Mocht een aansluiting onder vrijverval niet mogelijk zijn, dan is het alternatief om een rioolgemaal op het laagste gelegen deel van het plangebied toe te passen. Deze locatie wordt aanbevolen omdat het riool dan met het aflopende maaiveld mee gelegd kan worden, waardoor het riool niet onnodig diep komt te liggen. Een aandachtspunt in deze is de waterkering die dwars door het gebied loopt. Overige waterkering In voorliggende paragraaf, is onder de de subkop huidige situatie reeds ingegaan op de Polderkader, die is aangemerkt als 'overige waterking'.
De polderkade voorkomt dat een teveel aan water afstroomt naar de lager gelegen peilvakken en de kering dient in stand te worden gehouden bij de herontwikkeling van het plangebied. Omdat de ontwikkeling beoogd is ter plaatse van een overige waterkering (polderkade) en nabij een inlaatduiker is onderzoek gedaan naar diverse varianten ten aanzien van deze polderkade binnen de gebiedsontwikkeling, zodanig dat de waterveiligheid geborgd blijft. In Bijlage 9 is een voorkeursvariant opgenomen die beoordeeld is aan de hand van de beleidsregels van het hoogheemraadschap van Delfland. Belangrijke punten bij de polderkade is de geometrie, welke conform het daarvoor geldende leggerprofiel van het hoogheemraadschap moet worden uitgevoerd. Dit profiel is van belang voor de stabiliteit en veiligheid van de kering. In het kort komt het erop neer dat de kruinhoogte minimaal 50 cm boven het polderpeil moet liggen (bij aanleg nog iets hoger, rekening houdend met zettingen). Daarnaast heeft het binnentalud een helling van maximaal 1:3 en het buitentalud een helling van maximaal 1:1 (steiler wordt niet toegestaan). De kering heeft een vastgestelde zone waterstaatswerk en een beschermingszone (zoals ook opgenomen op de verbeelding bij dit omgevingsplan). In de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap is vastgelegd welke eisen en voorschriften hieraan verbonden zijn.
Het polderpeil dat gekeerd moet worden bedraag -2,00 m NAP. Dat betekent dat de hoogte van de waterkering minimaal -1,50 m NAP moet bedragen. Voor de toekomstige situatie wordt de polderkade over een beperkte lengte binnen het plangebied verlegd, waardoor de ‘zuidelijke lus’ langs de Noordelijke Verbindingsweg komt te vervallen. Het oostelijke deel blijft ongewijzigd. In onderstaand figuur is de inpassing van de voorkeursvariant, zoals beschreven in Bijlage 9, van de verlegde polderkade in de stedenbouwkundige schets weergegeven. Als gevolg van de gedeeltelijke verlegging van de polderkade neemt ook de lengte van de inlaatduiker fors af. In de betreffende rapportage waarin de voorkeursvariant is uitgewerkt en getoetst, zijn meerdere dwarsprofielen en langsdoorsneden gemaakt van de toekomstige situatie. Daaruit volgt dat het nieuwe plan geen belemmering vormt voor de kering, en dat de verlegde kering voldoet aan alle eisen die het hoogheemraadschap aan de kering stelt. Zo valt het toekomstige oppervlaktewater langs de kering niet binnen de bufferzone van de kering en ter hoogte van de kering en inlaatduiker komt geen gebouw op maaiveld te staan, maar dit betreft een poort/doorgang met daarboven bebouwing.
In het ontwerp is rekening gehouden met de minimale vrije hoogte die boven de kering aangehouden moet worden voor onderhoud en het feit dat er niet op de duiker gebouwd mag worden. De polderkade maakt deel uit van een bredere, verheelde kering. Figuur 4.17 Impressie nieuwe situatie met bufferzone verlegde waterkering en aangepaste
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 83
inlaatduiker (bron: Weging van het waterbelang Fleetpark Leidschendam, TAUW).
Als gevolg van het verleggen van de polderkade moet ook een deel van het polderwater worden gedempt. Deze demping moet 1-op-1 gecompenseerd worden binnen het nieuwe plan in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Idealiter wordt deze compensatie uitgevoerd in het bovenstrooms gelegen peilvak. In de verdere uitwerking van het plan vormt de voorkeursvariant van de verlegde polderkade het uitgangspunt. 4.11.3 Conclusie Uit de watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland volgt een bergingsopgave voor de toekomstige ontwikkeling van totaal 1.628 m3. Wanneer alle voorgestelde wadi’s ontwikkeld worden en het oppervlaktewater wordt uitgebreid wordt kan er voldaan worden aan deze eis. Een alternatief is het realiseren van waterberging op daktuinen als onderdeel van het uitgeefbare terrein. Waterberging wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in het peilvakgebied waar ook het verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Omdat dit niet 100 % dekkend is, wordt in het laagste peilvak extra oppervlaktewater gerealiseerd, zodat de bergingsopgave binnen het volledige plangebied kan worden gerealiseerd. Er vindt dan ook geen afwenteling naar buiten het plangebied plaats. Daarnaast blijkt uit de weging van het waterbelang, dat ook voldaan kan worden aan de bergingseis van de gemeente Leidschendam - Voorburg. Het aspect water staat niet aan het vaststellingsbesluit in de weg.
4.12
Cultuurhistorie en archeologie
4.12.1 Kaders Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Ow (art. 1.2). De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Ow: in de Ow zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 84
1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Ow is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Ow. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Ow. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stadsen dorpsgezichten gebeurt op grond van de Ow. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De regels dragen de gemeente op om in het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.18 over archeologie worden gebieden met bekende archeologische waarde aangewezen en beschermd. In § 7.3.19 over traditionele windmolens gaat het om de aanwijzing en bescherming van molenbiotopen. Omgevingsplannen moeten vrije windvang en zicht op de molen garanderen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. In paragraaf 3.7.4 is de Nota Archeologie reeds beschreven. 4.12.2 Toetsing Archeologisch erfgoed In paragraaf 3.7.4 is beschreven dat het plangebied een drietal archeologische waarden kent. Omdat met voorliggend TAM-omgevingsplan een nieuwe ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt is in het kader hiervan door Transect i.o. van TAUW in september 2024 een archeologisch vooronderzoek verricht. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO).
De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het onderzoek is als bijlage 10 toegevoegd aan voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied achter de oudste strandwal van Leidschendam, in het Hollands veen- en kleigebied. Op basis van het bureauonderzoek is de archeologische verwachting als volgt: Duin (Laag van Ypenburg). 1. In het noorden van het plangebied is op basis van onderzoek in de omgeving mogelijk een duin in de ondergrond aanwezig. Het duin is aantrekkelijk geweest voor bewoning in het Neolithicum, waarna het duin vermoedelijk overdekt geraakt is met veen. Bij de Westvlietweg in Den Haag is het duin met veen overdekt geraakt. Het veen op het duin is gedateerd op 3100 à 3030 voor Chr. (Midden-Neolithicum; Mijle Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 85
Meijer et al., 2010). In de directe omgeving zijn nog geen vondsten uit deze periode bekend, maar aan de Westvlietweg in Den Haag, ongeveer 1,3 km ten zuidwesten van het plangebied, zijn op een vergelijkbaar duin (dat op een kwelder ligt) wel resten uit het Midden en Laat-Neolithicum aangetroffen. De archeologische verwachting ter plaatse van een eventueel duin is daarom hoog. Circa 30 m ten oosten van het plangebied is de top van het duin rond 1 m-Mv (-1,5 m NAP) aangetroffen. (Gantel-)getijdekreek. 1. Ten zuiden van het duin, in het noorden van het plangebied, wordt een getijdegeul uit de IJzertijd verwacht. In de omgeving van het plangebied is hierop een laklaag aangetroffen, die laat zien dat er een stilstandsfase in de sedimentatie was, waardoor de oever aantrekkelijk voor bewoning was. Voor de top van de oevers van de getijdekreek geldt daarom een hoge archeologische verwachting. Circa 30 m ten oosten van het plangebied is de laklaag tussen 260 en 295 cm -Mv aangetroffen (circa -4,3 m NAP). AMK-terrein. 1. In het noordwesten van het plangebied, in het verlengde van de verwachte ligging van de getijdekreek, is een kanaal aangetroffen dat is geclassificeerd als het Kanaal van Corbulo. Het betreft een terrein van zeer hoge archeologische waarde. Het kanaal is 1,6 m diep en 14 tot 20 m breed.
Bij een proefsleuvenonderzoek is de insteek van de geul vanaf -2,3 m NAP aangetroffen. Ook zijn er paaltjes in aangetroffen, die gedateerd zijn in de Late-IJzertijd (14C-methode). Daarmee zou het ook een IJzertijdkreek kunnen zijn in plaats van het Kanaal van Corbulo. Of beide watergangen bestaan naast elkaar. Droogmakerij. 1. De rest van het plangebied maakt deel uit van een drooggemaakte veenplas, die onderdeel was van het veen- en kleigebied. Hier is de archeologische verwachting laag. Historische bebouwing. 1. Hoewel het plangebied langs de middeleeuwse Vliet ligt, ontbreken op historische kaarten vanaf 1647 aanwijzingen voor bebouwing uit de Nieuwe Tijd. De archeologische verwachting voor de Nieuwe Tijd is daarom laag. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op de overgang van een strandwal naar een kweldergebied ligt. In het zuidoosten van het plangebied liggen kwelderafzettingen van het Laagpakket van Wormer aan het maaiveld. In dit gedeelte is de lage archeologische verwachting vanuit het bureauonderzoek bevestigd. Dit kweldergebied is vanuit het westen deels bedekt geraakt met strandafzettingen. De verbreiding hiervan ligt verder zuidoostelijk dan vanuit het bureauonderzoek werd verondersteld. Het betreft de eerste vorming van de strandwallen in het kustgebied gedurende het Neolithicum.
Een deel van deze strandafzettingen is nog bedekt met een dun restant veen. De top van de strandafzettingen ligt in dit gedeelte op 60-100 cm -Mv (3,55 – 4,5 m -NAP). In het noorden van het plangebied bestaat de natuurlijke ondergrond overwegend uit Oude Duin- en Strandafzettingen. Dit gedeelte ligt op een strandwal. Een klein hoekje in het noorden ligt in een strandvlakte. In een deel van de strandwal is sprake van duinzand met daarin een vegetatieniveau (Laag van Ypenburg). Getuige de aanwezigheid van een vegetatieniveau en een afdekkende veenlaag is dit duin nog intact. Dit duintje ligt eveneens iets verder zuidelijk dan vanuit het bureauonderzoek werd verwacht. In de rest van deze strandwalzone ontbreekt dit vegetatieniveau, maar is de strandwal getuige een afdekkende laag veen en klei nog intact. Het is onduidelijk in hoeverre het duintje wat ten noordoosten van het plangebied op dit duin aansluit. Mogelijk betreffen het twee kleine geïsoleerde duinkopjes. Ter plaatse van deze strandwal en duin is sprake van een hoge verwachting op resten uit het Neolithicum. Gezien de onzekerheid over de aanwezigheid van duinzand in dit noordoostelijke deel geldt ter plaatse van de zone met een strandvlakte vooralsnog een archeologische verwachting. De aan- of afwezigheid van duinzand in dit gebied zal nog nader in kaart moeten worden gebracht.
De strandwal is doorsneden door een getijdegeul van het Gantel-systeem. Plaatselijk is in de Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 86
top van deze afzettingen sprake van een laklaag. Dit niveau is archeologisch gezien intact. Wegens aantreffen van de Gantel-geul geldt hier een hoge verwachting op resten uit de IJzertijd-Romeinse Tijd. Dit niveau ligt op 50-215 cm -Mv (1,7 – 2,9 m -NAP). De geul heeft zich plaatselijk tot in de Oude Duin- en Strandafzettingen ingesneden, maar dit is op basis van de boringen slechts zeer lokaal. Elders is de insnijding beperkt tot in het veen en zijn de eronder gelegen afzettingen nog intact. Hier kunnen ook onder de afzettingen van de Gantel nog resten uit het Neolithicum aanwezig zijn. De top van de Oude Duin- en Strandafzettingen in dit gedeelte ligt op 170-380 cm -Mv (2,9 – 4,6 m -NAP). Het diepste voorkomen is veelal het gevolg van diepere verstoringen en/of insnijding door de Gantel. Een verwachtingskaart op basis van het veldonderzoek is opgenomen in bijlage 19 en 20 van het archeologische onderzoek. De exacte wijze van uitvoering van de geplande ingrepen in het gebied is nog niet bekend. De bestaande bebouwing in het gebied zal worden gesloopt. Vermoedelijk zullen er ingrepen in het gebied plaatsvinden ten behoeve van het bouwrijp maken van het terrein. Deze zijn nog niet concreet. De locatie van de toekomstige bebouwing, toegangsweg en waterpartijen is wel bekend. Mogelijk zal het gebied gefaseerd ontwikkeld worden.
In vrijwel het gehele plangebied zullen in meer of mindere mate ingrepen plaatsvinden. In een gedeelte van het plangebied geldt een advies tot vervolgonderzoek. Delen hiervan zijn momenteel nog niet bebouwd en in principe toegankelijk voor (gravend) vervolgonderzoek. Het advies luidt om eerst de te verstoren gebieden te onderzoeken, die momenteel goed toegankelijk zijn (fase 1). Dit zijn met name de nog onbebouwde gebieden die nu in gebruik zijn als parkeerplaats, groenstrook of weiland. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek in deze delen kan mogelijk al een inschatting worden gemaakt van de risico’s voor de omliggende (nog bebouwde of ontoegankelijke) zones. Daarnaast wordt geadviseerd om de verwachting en archeologische waardestelling van het terrein zoveel mogelijk duidelijk te hebben, voordat de eventuele ondergrondse sloop- en bouwwerkzaamheden starten. Onder de huidige, te slopen bebouwing kunnen ook nog archeologische resten worden verwacht. Wij adviseren om deze eerst bovengronds te slopen. Voor het verwijderen van de funderingen en heipalen wordt een archeologische begeleiding van deze ondergrondse sloopwerkzaamheden geadviseerd (fase 2). Indien er op basis van de resultaten van fase 1 blijkt dat in een bepaalde zone geen resten meer worden verwacht, kan mogelijk een deel van deze ondergrondse sloop worden vrijgesteld van onderzoek.
Op basis van de resultaten van de onderzoeken in fase 1 en 2 kan worden bepaald wat de archeologische waardestelling van het terrein is. Met deze gegevens kunnen (indien nodig) zones worden geselecteerd voor een veiligstellende opgraving (al dan niet in de vorm van een begeleiding) of zones worden vrijgegeven voor de geplande ingrepen. De gebieden waar momenteel een riool- en waterleiding ligt, zijn gezien de verwachte aanlegdiepte van 2 á 2,5 m -Mv als verstoord te beschouwen. Hier is geen vervolg noodzakelijk. Cultuurhistorisch erfgoed Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen. Op circa 90 meter van het plangebied, ten noordoosten is het rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht 'Leidschendam - Sluiscomplex' gelegen. De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Een erfgoedlijn is een geografische structuur die meerdere monumentale stippen met één gemeenschappelijk historisch verhaal verbindt tot een streep of lijn op de kaart. Erfgoedlijnen zijn als zodanig kenmerkende ensembles van erfgoed, landschap en water die beschikken over een groot recreatief-toeristisch potentieel.
Een erfgoedlijn bestaat dus uit objecten die deel uitmaken van een groter geografisch geheel, met een gezamenlijk verhaal dat belangrijk Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 87
is voor de geschiedenis van Zuid-Holland. Vaak vormen ze met het omringende landschap, water en natuur een ensemble dat door velen herkend wordt. Er zijn in totaal zeven erfgoedlijnen. Op de cultuurhistorische atlas van de provincie is te zien dat het plangebied valt binnen de volgende erfgoedlijnen: De Limes: Ondanks dat de Limes op de Cultuurhistorische atlas verder oostwaarts van de planlocatie geprojecteerd is, dient men rekening te houden met de loop van het Kanaal van Corbulo. Trekvaarten: De trekvaarten zijn de door de mens gegraven waterverbindingen tussen de opkomende Hollandse steden in de Gouden Eeuw. Het is het verhaal van het massapersonenvervoer over water vóór de komst van de trein. Nu zijn de vaarten aantrekkelijk voor de waterrecreatie. Landgoederenzone: De Landgoederenzone is een langgerekte, min of meer aaneengesloten verzameling landgoederen, die loopt over de oude duinenrij van Monster naar Haarlem. Welgestelde regenten en kooplieden wilden in de zomer graag de stad uit en legden buitenverblijven aan op de zandgrond van de oude duinenrij langs de kust. De Herenweg (o.a. de Veursestraatweg) en de buitenplaatsen spelen hier een centrale rol. In de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers (vastgesteld d.d. 11-10-2016) is aangegeven dat de gemeente Leidschendam-Voorburg wordt gescheiden en verbonden door de Vliet.
De scheiding ontstaat enerzijds doordat het grondgebied van Leidschendam-Voorburg aan weerszijden van de Vliet ligt. Anderzijds is er sprake van een verbinding omdat de Vliet de hele gemeente van noord naar zuid doorloopt. Juist dat opvallende kenmerk maakt de Vliet tot een belangrijke structuur binnen de gemeentegrenzen. In de cultuurhistorische analyse wordt aangegeven dat het belangrijk is dat wandvorming langs de oevers van de Vliet moet worden voorkomen. Daarnaast is aangegeven dat bedrijventerreinen langs de Vlietoevers breken met de groene kwaliteit en met de van oudsher architectonische verfijning. Het versterken van het industriële thema is een ongewenste ontwikkeling. Door de voorgenomen ontwikkeling wordt verouderd kantoorcomplex herontwikkeld tot nieuw en hoogwaardig woon- en werkgebied. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de cultuurhistorische analyse. 4.12.3 Conclusie In de regels van het TAM-omgevingsplan is een verplichting opgenomen ten aanzien van het benodigd archeologische onderzoek. Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt verder geen belemmering voor het plan.
4.13
Ecologie
4.13.1 Kaders Omgevingswet Een van de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Ow op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 88
zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Hierin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Provinciale omgevingsverordening In deze paragraaf moet aandacht besteed worden aan paragraaf 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland en artikel 7.45ca uit de provinciale omgevingsverordening waarin wordt voorgeschreven dat bij stedelijke ontwikkelingen de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit worden betrokken.
4.13.2 Toetsing Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de aangewezen gebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. Het plangebied Overgoo Fleetpark is buiten het NNN gelegen en derhalve vormt dit geen belemmering. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide, ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting.
De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie en derhalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie hiertoe Bijlage 11). De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Referentiesituatie In de huidige situatie zijn binnen het plangebied in de huidige situatie 8 kantoorgebouwen aanwezig met de bestemming kantoor die aan de Overgoo of Vlietweg gelegen zijn. In de huidige situatie zijn echter niet alle panden ook daadwerkelijk in gebruik als kantoor. In een klein deel van de panden zijn namelijk thans andere tijdelijke functies gevestigd. Vooralsnog wordt in een worstcase-benadering voor de berekening van de referentiesituatie uitgegaan van het gebruik van de panden als kantoor. De verkeersgeneratie van deze andere voorzieningen is namelijk gelijkwaardig of hoger als die van de kantoorfunctie. Het aardgasgebruik zal ook geen relevante toe- of afname kennen als gevolg van de gewijzigde functies. Van deze bestaande kantoorgebouwen worden er 7 gesloopt en blijft 1 kantoorgebouw behouden.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 89
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het gestelde gebruik van deze kantoorpanden in de referentiesituatie eveneens aan de orde was ten tijde van de aanwijzing van de voor deze studie relevante natuurgebieden. Dit betekent ook dat de referentiesituatie die voor een omgevingsvergunning gehanteerd dient te worden gelijk is aan de referentiesituatie die in voorliggend onderzoek is aangehouden. Ten tijde van de referentiesituatie is sprake van een drietal te onderscheiden bronnen van stikstofhoudende verbindingen (emissie in de vorm van NOx/NH3) als gevolg van: aardgasverbruik voor het verwarmen van de te slopen kantoorpanden; verkeersbewegingen met fossiele brandstof aangedreven motorvoertuigen; koude start van geparkeerde voertuigen. Toekomstige situatie - aanleg/ bouwfase Gedurende de werkzaamheden in de aanleg-/bouwfase wordt gebruik gemaakt van met fossiele brandstof aangedreven materieel en is sprake van vracht- en werkverkeer van en naar het plangebied, hetgeen leidt tot de emissie van stikstofhoudende verbindingen.
Omdat er nog geen zicht is hoe de planning en fasering van de ontwikkeling wordt ingericht, wordt onderzocht hoeveel emissie van stikstofhoudende verbindingen per jaar maximaal plaats kan vinden als gevolg van de aanleg-/bouwfase waarbij uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator volgt dat ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000- gebieden (bijdrage minder dan 0,01 mol N/ha/jaar). Op basis van deze hoeveelheid stikstofemissie kan op basis van kengetallen teruggerekend worden hoeveel woningen en hoeveel m2 bvo overige functies per jaar gerealiseerd kan worden. Toekomstige situatie - gebruiksfase Voor de gebruiksfase wordt aangenomen dat bebouwing wordt gerealiseerd dat niet op gas wordt aangesloten. Goudappel heeft op basis van CROW-kencijfers de weekdagintensiteiten voor de toekomstige situatie berekend ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor de berekening van de toekomstige situatie is uitgegaan van het stedenbouwkundig plan uit 2023 en het hierin aangegeven programma van circa 110.000 m2 bvo. Daar bovenop is nog worstcase rekening gehouden met 10% extra verkeersgeneratie. Hetgeen betekent dat uitgegaan is van een programma van circa 121.000 m2 bvo.