4718 - Toelichting TAM-Omgevingsplan Overgoo
Tekst van het document
het planeffect voor de ochtend- en avondspits doorgerekend voor de kruispunten N14 (Noordelijke Randweg) – Noordelijke Verbindingsweg – A4 en N14 (Noordelijke Randweg) – Zoetermeerse Rijweg – Donau – A4. De rapportage is als bijlage 18 bij deze motivering opgenomen. Voor het geregelde kruispunt N14 – A4 west- en oostzijde is geanalyseerd wat het effect op de verkeersafwikkeling is van voorliggende planontwikkeling. Hiervoor is gebruik gemaakt van intensiteiten uit het verkeersmodel van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (prognosejaar 2035). De conclusie van de aanvullende notitie luidt dat het planeffect van de ontwikkeling waar dit TAM-plan ruimte aan biedt op een acceptabele wijze afgewikkeld kan worden op de kruispunten N14 (Noordelijke Randweg) – Noordelijke Verbindingsweg – A4 en N14 (Noordelijke Randweg) – Zoetermeerse Rijweg – Donau – A4. Dit geldt zowel voor de ochtend- als de avondspits. Op grond van het verkeerkundig onderzoek van GoudAppel en de aanvullende kruispuntanalyse kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder wordt opgemerkt dat een deel van het besluitgebied waar dit TAM-omgevingsplan betrekking op heeft is gelegen binnen het reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg op grond van 5.133 van het Bkl.
In artikel 5.134 van het Bkl is vastgelegd dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, dan laat het omgevingsplan hier geen bouwactiviteiten toe. Voorgaande geldt niet voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk dat wordt toegelaten voor een periode van ten hoogste vijf jaar. In hoofdstuk 1 van voorliggende motivering is beschreven dat het plangebied waar dit TAM-Omgevingsplan betrekking op heeft ruimer is dan het ontwikkelgebied. Zo is het bestaande park richting de woonwijk ten oosten en Rijksweg A4 onderdeel van het plangebied. De daar bestaande functies, zoals water en groen zijn daarmee geborgd en het betreft juist deze als groen bestemde gronden die behoren tot de reserveringsruimte autoweg Rijk. Deze gronden maken nadrukkelijk geen onderdeel uit van het ontwikkelgebied waar de voorgenomen bouwactiviteiten zijn voorzien. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de betreffende reservering, en meer specifiek de artikelen 5.133 en 5.134 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet aan de vaststelling van het TAM-omgevingsplan in de weg staan.
Parkeren In het stedenbouwkundigplan is beschreven dat het parkeren grotendeels geconcentreerd is en geplaatst wordt binnen de woonblokken langs de Noordelijke Verbindingsweg, waardoor de rest van het plangebied zoveel mogelijk vrij blijft van zichtbare parkeergarages. De grootste parkeergarage wordt ontsloten vanaf de Noordelijke Verbindingsweg om op die manier een groot deel van de autobewegingen uit het gebied te weren. Onderstaand figuur
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 45
betreft een uitsnede uit het stedenbouwkundig plan waarin ter impressie de locaties met daarbij behorende parkeerruimte is weergegeven. Figuur 4.0: Parkeren geconcentreerd in de parkeergarage aan de rand van het plangebied (bron: stedenbouwkundigplan Overgoo - Fleetpark).
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan biedt zoals beschreven ruimte aan zowel een commercieel programma als woonprogramma. In onderstaand figuur zijn de normen uit de Nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2023 opgenomen. Daarbij geldt dat het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Schil’. Figuur 4.1: Weergave parkeernormen uit de Nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg – woonfuncties.
Figuur 4.2: Weergave parkeernormen uit de Nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg – overige functies.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 46
Op grond van het programma waar dit TAM-plan ruimte biedt en de daarbij behorende parkeernormen geldt een totale parkeerbehoefte van 957. Opgemerkt wordt dat bij het bepalen van dit aantal geen gebruik gemaakt is van dubbelgebruik en deelmobiliteit. Bij de verdere planuitwerking van de ontwikkeling in het plangebied wordt echter wel gebruik gemaakt van dubbelgebruik om zo de daadwerkelijke parkeerbehoefte te berekenen. Bij een ontwikkeling met meer functies, zoals in voorliggend geval, kunnen parkeerplaatsen dubbel gebruikt worden, als de parkeerbehoefte van die functies op verschillende momenten in de tijd ligt. Zo worden parkeerplaatsen bij woningen vooral ’s avonds en ’s nachts gebruikt, terwijl parkeerplaatsen bij bedrijven juist overdag de hoogste bezetting kennen. De mate van dubbelgebruik is vastgelegd in aanwezigheidspercentages. Voor elke functie is bepaald, wat de parkeerbehoefte per moment is. Die parkeerbehoefte wordt voor alle functies per moment opgeteld, waarbij het moment met de hoogste totale parkeerbehoefte maatgevend is. Hierbij wordt uitgegaan van aanwezigheidspercentages van het CROW, zie onderstaande tabel uit de Nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg. Figuur 4.3: Uitsnede Nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg – aanwezigheidspercentages
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 47
Op basis van de toe te passen parknormen en het toepassen van dubbelgebruik is getoetst of er voldoende ruimte in het plan is. Hieruit is gebleken dat er genoeg plaats is voor de parkeerplaatsen die verdeeld zullen worden over het gebied in de parkeergarages. Omdat ruim voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden binnen de beoogde parkeergarages op basis van de gemeentelijke parkeernormen wordt extra parkeerdruk voor de omliggende buurten voorkomen. Daarbij wordt opgemerkt dat het uitgangspunt uit het stedenbouwkundig plan is om het parkeren te concentreren in drie garages onder de woonblokken langs de Noordelijke Verbindingsweg, waardoor de rest van het plangebied vrij blijft van parkeergarages. Het parkeerprogramma wordt richting de hoven en de hoofdlaan zoveel mogelijk omringd met woonprogramma zodat er een aantrekkelijke levendige gevel ontstaat. De parkeergevel langs de Noordelijke Verbindingsweg wordt vergroend en voorziet de parkeervoorziening van natuurlijke ventilatie. Tevens wordt bij de verdere planvorming onderzocht of mogelijk in twee parkeergarages kan worden voorzien in de parkeerbehoefte op grond van het geldend gemeentelijk beleid. Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 48
Op grond van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er genoeg plaats is voor de benodigde parkeerplaatsen die verdeeld zullen worden over het gebied. Ook kan dit nog geoptimaliseerd worden door het toepassen van deelmobiliteit en aanwezigheidspercentages en het een en ander is onderdeel van de verdere planuitwerking. 4.4.3 Conclusie Op grond van de verkeersstudie van GoudAppel kan geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie als gevolg van het programma waar voorliggende wijziging van het omgevingsplan ruimte aan biedt zonder problemen op de bestaande wegenstructuur kan afwikkelen. Daarnaast biedt het plan ruimte aan voldoende autoparkeerplaatsen en is tevens sprake van een overschot op basis van de gemeentelijke parkeernota. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer- en parkeren geen belemmering vormt en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Kaders De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit.
4.5.2 Toetsing Voor de ontwikkeling Fleetpark - Overgoo is beschouwd in hoeverre het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. Toets NIBM en aandachtsgebieden Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 49
Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven). Het plangebied valt onder de agglomeratie Den Haag/ Leiden. Artikel 5.51 Bkl is van toepassing op het toelaten van de volgende activiteiten: de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen; activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; of milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht.
In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 975 woningen en 17.400 m2 bvo aan werkprogramma en hiermee draagt het plan - gelet op de weergegeven voorbeelden - niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving. Daarbij geldt dat het plangebied in de huidige situatie nog in gebruik is als kantoorgebied.
In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, is volledigheidshalve in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de achtergrondconcentraties de grenswaarde niet overschrijden en hier ruim onder zijn gelegen. Figuur 4.1: Tabel achtergrondconcentraties stikstofdioxide en fijnstof.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 50
N O
P M
P M
2
1
2,5
0
(µ g/ m ³)
( µ g / m ³ )
Monitori ngsrond e 2023 Monitori ngsjaar 2022 Monitori ngsrond e 2023 Monitori ngsjaar 2030 Grens waarde
( µ g / m ³ )
2 9 , 7 2
1 8 , 9 6
9, 63
2 1 , 7 8
1 5 , 8 9
7, 68
4 0
4 0
2 5
recept or wegver keer 273709 40_155 53685 recept or wegver keer 273709 40_155 53685
4.5.3 Conclusie Zoals beschreven blijkt dat de achtergrondconcentraties de grenswaarde niet overschrijden en hier ruim onder zijn gelegen. Ook geldt dat er een verbetering optreedt de komende jaren en geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
4.6
Geluid van wegen, spoorwegen, industrieterrein en activiteiten
4.6.1 Kaders De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: Woonfunctie Onderwijsfunctie Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 51
Geluidbr onsoort
Provinci ale wegen Rijksweg en Gemeen tewegen
Standaard waarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden
Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl)
53 Lden
70 Lden
60 Lden
Watersc hapsweg en Lokale 55 Lden 65 Lden spoorwe gen Hoofdsp oorwege n Industrie 50 Lden 55 Lden terreinen Industrie 40 Lnight 45 Lnight terreinen Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden. De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 52
van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. 4.6.2 Toetsing Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Peutz. De rapportage is als bijlage 5 toegevoegd aan voorliggende motivering. Uitgangspunten - wegverkeersgegevens In voorliggende situatie is sprake van de ligging van de beoogde ontwikkeling binnen de geluidaandachtsgebieden van gemeentewegen, rijkswegen en lokale spoorwegen. Zo is het plangebied gelegen binnen de geluidaandachtsgebieden van de rijkswegen A4 en N14. De verkeersgegevens voor deze wegen zijn ontleend uit het Geluidsregister, centrale voorziening geluidgegevens (CVGG). Daarnaast is de beoogde ontwikkeling ook gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentewegen. In de verkregen verkeersgegevens is de beoogde ontwikkeling nog niet meegenomen. Om die reden dient ook de verkeersgeneratie in toekomstige situatie meegenomen te worden, waarbij de verkeersgeneratie in de huidige situatie in mindering wordt gebracht. Goudappel heeft op basis van kencijfers van het CROW het verkeer dat de functies in het plangebied in zowel de huidige als de toekomstige situatie genereren op de nabijgelegen gemeentewegen berekend.
Bij de berekening van de verkeersintensiteiten in de toekomstige situatie is daarbij niet uitgegaan van het programma conform het stedenbouwkundig plan uit 2023 en het hierin aangegeven programma van circa 110.000 m2 bvo, maar van een programma van 121.000 m2 bvo zoals dat is vastgelegd in het Ontwikkelkader. Dit programma geldt als een worst-case benadering. In onderstaand figuur zijn de verkeersgeneraties in weekdagintensiteiten per etmaal voor respectievelijk de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. Het betreft de weergave van het grootste programma (te weten 121.000 m2 bvo) en omvat zo de worst-case variant. In het rekenmodel is rekening gehouden met de toename als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De toename is opgeteld bij de door de gemeente verkregen verkeersintensiteiten. De intensiteit voor de toekomstige situatie betreft de weekdagintensiteit als gevolg van de beoogde ontwikkeling minus de huidige situatie.
Uitgangspunten spoorwegverkeergegevens Voor de intensiteit van het tramverkeer van tramlijn 19 (van HTM) is uitgegaan van de dienstregeling op het moment van dit onderzoek. Het betreft tramlijn 19 tussen Leidschendam en Station Delft. De passagetijden ter hoogte van het plan zijn gerelateerd aan de vertrektijden bij de meest nabij het plangebied gelegen halte Oosteinde. Uit de dienstregeling volgt een gemiddelde weekdagintensiteit voor het totaal in beide rijrichtingen Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 53
van 72, 25 en 12 trams in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Toetspunten Per bouwlaag zijn de toetspunten op 2/3 van de hoogte van de gevel gesitueerd. Aangezien nog niet bekend is waar de gevelopeningen komen, is voor de toetspunten een onderlinge afstand van 5 meter aangehouden. De toetspunten zijn niet alleen op de locaties van de woningen gesitueerd maar ook op de locaties van de overige voorzieningen. Hiermee ontstaat een volledig beeld voor de beoogde ontwikkeling. Voor het overzicht zijn de gebouwen per bouwblok genummerd. Daarnaast kent elk bouwdeel binnen de bouwblokken dat in hoogte en in lengterichting geen verspringing kent, een apart nummer. De toetspunten behorende bij een bouwdeel hebben een bij het bouwdeel corresponderend nummer gekregen. Figuur 4.2: Indeling bouwblokken en bouwdelen (bron: akoestisch rapport Peutz d.d. 3 juni 2025).
Uit het onderzoek volgt dat de standaardwaarde voor rijkswegen van 50 dB met maximaal 15 dB wordt overschreden. Tevens wordt de grenswaarde van 60 dB voor rijkswegen hiermee overschreden. Daarnaast wordt de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen met maximaal 15 dB overschreden. Aan de grenswaarde voor gemeentewegen wordt voldaan. Voor het lokale spoorwegverkeer geldt dat overal wordt voldaan aan de standaardwaarden en daarmee ook aan de grenswaarden. In blauw en rood is aangegeven of respectievelijk de standaardwaarde en grenswaarde wordt overschreden. Voor het lokale spoorwegverkeer geldt dat overal wordt voldaan aan de standaardwaarden en daarmee ook aan de grenswaarden. Figuur 4.3: Maximaal optredende geluidsbelasting Lden (bron: akoestisch rapport Peutz d.d 3 juni 2025 ).
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 54
Het maximale geluid op de gevels als gevolg van wegverkeer over rijkswegen is bij alle 22 bouwblokken hoger dan de standaardwaarde en bij 8 bouwblokken ook hoger dan de grenswaarde. Ten aanzien van de overschrijding van de grenswaarde is het – om woningen mogelijk te kunnen maken - noodzakelijk om maatregelen te treffen. Woningbouw is uitsluitend mogelijk indien een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen wordt toegepast, of het geluid wordt gereduceerd tot maximaal de grenswaarde. Voor gemeentewegen geldt dat bij 14 bouwblokken het maximale geluid op de gevel hoger is dan de standaardwaarde. Voor het lokale spoorwegverkeer geldt dat overal wordt voldaan aan de standaardwaarden en daarmee ook aan de grenswaarden. Aangezien de standaardwaardes worden overschreden dienen mogelijkerwijs hogere waarden te worden vastgelegd in het omgevingsplan. Dit kan alleen indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de standaardwaarde te voldoen. Voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen als het geluid hoger is dan de standaardwaarde maar lager dan de grenswaarde (binnen de reguliere bandbreedte van de decentrale afwegingsruimte binnen een gemeente), geeft artikel 5.78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving een instructieregel over het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.
Derhalve is onderzocht tof het mogelijk is geluidbeperkende maatregelen te treffen. Deze worden hieronder nader beschouwd.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 55
Bronmaatregelen Het terugbrengen van de maximumsnelheid op de rijkswegen A4 en N14 wordt niet realistisch geacht aangezien het drukke en belangrijke doorgaande wegen betreffen. Verder geldt dat op zowel de A4 als N14 zeer open asfaltbeton (zoab) is aangelegd. Dit type asfalt heeft reeds een verminderd geluidniveau ten opzichte van andere veel gebruikte asfaltsoorten. Een nog stiller type asfalt zoals geluidreducerend asfalt of dunne geluidreducerende deklagen zal een relatief beperkt effect kennen. De Vlietweg, de Overgoo en de Noordelijke verbindingsweg zijn maatgevend voor het geluid als gevolg van gemeentewegen. Voor de Vlietweg en de Noordelijke verbindingsweg zou ook een stiller asfalttype gekozen kunnen worden. Ook zou hier de snelheid van 50 naar 30 km/h verlaagd kunnen worden. Ook in dit geval zal de reductie van het geluid beperkt zijn. Een beslissing voor snelheidsverlaging vraagt ook om een integrale mobiliteitsafweging. Tot slot is op de Overgoo de snelheid reeds 30 km/h. Een lagere snelheid wordt als niet realistisch beschouwd. Ook is dit reeds een asfaltweg. De aanleg van een stiller type asfalt heeft relatief weinig effect. Daarnaast geldt net als voor de rijkswegen A4 en N14 dat het belangrijke doorgaande wegen betreffen.
Een andere bronmaatregel die beschouwd kan worden is het stedenbouwkundig ontwerp zelf en de positie van de woningen ten opzichte van de geluidbronnen. In het ontwerp is reeds rekening gehouden met een afschermende werking van hoge bouwblokken aan de zijden van de rijkswegen. Wel kan rekening gehouden worden met een strategische indeling van de geluidgevoelige gebouwen, bijvoorbeeld door niet geluidgevoelige gebouwen op de meest geluidbelaste plekken te positioneren. Ook bij de woningindeling kan rekening gehouden door bijvoorbeeld verblijfsruimtes aan de geluidluwe zijde te positioneren. Overdrachtsmaatregelen Overdrachtsmaatregelen kunnen bestaan uit het plaatsen van geluidschermen of geluidwallen. Diffractoren langs de weg of op een scherm hebben bij hoogbouw weinig nut.Aan de A4 is overigens reeds een geluidscherm aanwezig. Voor de Vlietweg en Overgoo geldt ook dat gezien de hoogte van de gebouwen het plaatsen van schermen niet wenselijk is. Naast dat deze schermen duur zijn, wordt ook stedenbouwkundig een niet wenselijke situatie gecreëerd. Ook wordt afscherming reeds gerealiseerd middels de bebouwingsopzet. Ontvangermaatregelen Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om het geluid op de gevels te beperken, kunnen voorzieningen aan of in de woningen worden gerealiseerd.
In de onderhavige situatie zouden verhoogde borstweringen of verglaasde loggia’s toegepast kunnen worden om het geluid op de gevels te reduceren tot de standaard en/of grenswaarde ten gevolge van het wegverkeer over de gemeente- en rijkswegen. Verglaasde loggia’s bieden daarbij een betere bescherming tegen het geluid dan een verhoogde borstwering. Bij de beoogde ontwikkeling zal rekening gehouden worden met het realiseren van een goed woon- en leefklimaat. De beoogde woningen zullen wat betreft het binnenniveau voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hiermee zal een aanvaardbaar akoestisch binnenniveau worden gewaarborgd. Toetsing gemeentelijk beleid (Programma actieplan geluid gemeente Leidschendam-Voorburg). Het geluidbeleid van gemeente Leidschendam-Voorburg is opgenomen in het document Programma actieplan geluid gemeente Leidschendam-Voorburg. Het programma bestaat uit 5 onderdelen: Deel 1 tot en met 4 gaat in op het actieplan geluid 2024-2028. Dit plan behandelt het aanpakken van bestaande geluidknelpunten en is een uitvloeisel van de EU-richtlijn Omgevingslawaai. Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 56
Deel 5: Afwegingskader geluid Omgevingswet. Dit afwegingskader bevat de regels die bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in acht moeten worden genomen bij de toetsing van het geluid bij nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Aangezien sprake is van de overschrijding van de standaardwaarde dient aangesloten te worden op het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het gemeentelijk beleid geldt dat overschrijding van de standaardwaarden enkel toelaatbaar wordt geacht indien de woonkamer en tenminste 1 slaapkamer grenzen aan een geluidluwe gevel. In onderstaande figuren wordt weergegeven of bij een toetspunt wordt voldaan aan de waarden voor geluidluwe gevel. Dit is wanneer de standaardwaarden per geluidbron en de gecumuleerde waarde van 55 dB niet worden overschreden. Zonder maatregelen is niet overal direct sprake van een geluidluwe zijde. Figuur 4.4: Geluidluwe gevels (bron: akoestisch rapport Peutz).
Figuur 4.5: Geluidluwe gevels (bron: akoestisch rapport Peutz).
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 57
Figuur 4.6: Geluidluwe gevels (bron: akoestisch rapport Peutz).
Figuur 4.7: Geluidluwe gevels (bron: akoestisch rapport Peutz).
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 58
Als het redelijkerwijs en aantoonbaar niet mogelijk is om een geluidluwe gevel te realiseren mag hiervan onder voorwaarden worden afgeweken, waarbij tenminste een woon- en/of één slaapkamer grenzen aan een geluidluwe zijde of afgeschermde buitenruimte. In de verdere bouwkundige uitwerking zal met deze eisen rekening moeten worden gehouden, zodat voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid. Geluidluwe buitenruimte De toetsingswaarden voor een geluidluwe buitenruimte zijn minder streng dan voor een geluidluwe gevel. Hiervan is sprake wanneer de standaardwaarden + 5dB per geluidbron en de gecumuleerde waarde van 60 dB niet of wel wordt overschreden. In de figuren met de resultaten voor het weg- en spoorwegverkeer is ook in de legenda de standaardwaarde + 5 dB opgenomen. In deze figuren kan dus gezien worden wanneer deze waarden worden overschreden. Als de realisatie van een niet-gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte redelijkerwijs en aantoonbaar niet mogelijk is, dient te worden voorzien in een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte. In de verdere bouwkundige uitwerking zal met deze eisen rekening worden gehouden.
Niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen Bij overschrijding van de grenswaarden kan een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen wordt toegepast. Het gemeentelijke beleid staat per woning maximaal 2 niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen toe. In het verdere ontwerp zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Verder moet bij toepassing van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen ook aan de gemeentelijke eisen voor een geluidluwe gevel worden voldaan
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 59
4.6.3 Conclusie In de voorliggende situatie zijn de mogelijkheden voor bron- en overdrachtsmaatregelen beperkt. De opzet van de bebouwing, conform het stedenbouwkundigplan en ontwikkelkader, is reeds dusdanig opgezet dat deze een afschermende werking zal hebben. Verdere maatregelen aan de woningen, waarmee wordt voldaan aan de standaardwaarden, zijn het meest kansrijk. Hierbij dient ook voldaan te worden aan de eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid (o.a. inzake de geluidluwe gevel/buitenruimte). In de verdere bouwkundige uitwerking zal hier rekening mee worden gehouden en het een en ander is nader vastgelegd in de regels van het omgevingsplan. Daarnaast zal worden voldaan aan de eisen uit het Bbl, en wordt hiermee een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat gecreëerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
4.7
Bodemkwaliteit
4.7.1 Kaders Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming vervallen. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels voor bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Een onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en activiteiten.
4.7.2 Toetsing Ten behoeve van het plan zijn door de volgende onderzoeken uitgevoerd binnen het projectgebied: Vooronderzoek landbodem volgens NEN 57251 Verkennend landbodemonderzoek volgens NEN 57402 Vooronderzoek waterbodem volgens NEN 57173 Verkennend waterbodemonderzoek volgens NEN 57204 Verkennend onderzoek naar asbest in de bodem volgens NEN 57075 Verkennend onderzoek asbest in de afgedekte funderingslaag volgens NEN 58976 In de rapportage kenmerk: R002-1296961ORM-V01-pws-NL (toegevoegd als bijlage X) zijn de (tussentijdse) resultaten beschreven. De conclusies en aanbeveling uit voorgenoemde rapportage zijn hieronder intergraal weergegeven. Vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek blijkt dat de locatie gelegen is in een poldergebied en vanaf eind 18e/begin 20e eeuw in gebruik is geweest als agrarisch gebied (weiland met sloten). Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw is het noordelijk deel van de locatie ontwikkeld tot bedrijventerrein met infrastructuur en hebben diverse activiteiten plaatsgevonden in dit gebied (onder andere voormalig meubelfabriek, laboratorium, verfspuitinrichting, drukkerij, opslag smeerolie, ondergrondse brandstoftanks, bouw en sloop Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 60
van bebouwing). Eind jaren ‘80/begin jaren ’90 is het zuidelijk deel van de locatie deels ontwikkeld tot bedrijventerrein, bebouwing is hier enkel gebruikt als kantoorpand. Het centraal oostelijk gelegen deel van de locatie is tijdelijk in gebruik geweest als volkstuincomplex (1970-2015), waar mogelijk PFAS houdend slootwater gesproeid. In de periode van 1999-2022 zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd in verband met destijds voorgenomen (herinrichtings)werkzaamheden of eigendomsoverdracht op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie. Hier uit blijkt dat de bodem niet sterk maar plaatselijk wel matig verontreinigd en asbesthoudend is en antropogene bijmengingen met voornamelijk puin en baksteen aanwezig zijn in de bodem. In de omgeving van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie zijn enkele sterke verontreinigingen met asbest in bodem aangetoond. Ter plaatse van het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie zijn, met uitzondering van het voormalige volkstuincomplex waar maximaal lichte verontreinigingen zijn aangetoond, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Resultaten bodem- en funderingsonderzoek De verwachtingen op basis van het vooronderzoek zijn grotendeels bevestigd op basis van de onderzoeksresultaten.
Aan de westelijke zijde van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie zijn diffuus verspreid en heterogeen voorkomend over het gebied verontreinigingen >(0,5*)I-waarde met PAK en zware metalen aangetoond in de ondergrond, vermoedelijk te relateren aan de ophoging / antropogene bijmengingen in de bodem (met name baksteen en puin) en een plaatselijk weergenomen teergeur. In het midden van dit gebied is plaatselijk ook een sterke verontreiniging met koper aangetoond in de bovengrond, vermoedelijk eveneens te relateren aan antropogene bijmengingen. Opgemerkt wordt dat op basis van de resultaten van dit onderzoek nog geen inschatting gegeven kan worden van de omvang van sterke verontreiniging. Asbest is enkel verhoogd aangetoond in de bovengrond langs de gevel van Overgoo 15 ter plaatse van een tweetal boorpunten waar asbestplaatmateriaal is waargenomen. Ter plaatse van één boorpunt is de bodem verontreinigd ruim boven de interventiewaarde met asbest, vermoedelijk is dit te relateren aan de bebouwing. De verwachte funderingslaag onder de weg en parkeerstroken op het middendeel van het tracé zijn bevestigd, het betreft menggranulaat en de omvang hiervan is omvangrijker dan op basis van het vooronderzoek verwacht werd. Deze laag is echter niet asbesthoudend en voldoet (indicatief) aan de eis voor toepassing van niet vormgegeven bouwstof.
Ter plaatse van één boorpunt is eveneens een funderingslaag met bitumen en asfaltbrokken aangetroffen, deze is (indicatief) niet toepasbaar als vormgegeven bouwstof. In het grondwater zijn geen stoffen aangetoond in concentraties >(0,5*) signaleringsparameters. Op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie zijn in de grond geen stoffen aangetoond in gehalten >0,5*I, hiermee voldoet de bodemkwaliteit hier aan de verwachtingen op basis van de bodemkwaliteitskaart. De bovengrond ter plaatse van de volkstuin is PFAS houdend, waardoor er indicatief beperkingen zijn voor het hergebruik, echter niet boven de indicatieve niveaus voor ernste verontreinigsing (INEV-waarde). Aan de oostzijde van bebouwing Overgoo 13-15 en ter plaatse van de parkeerplaats zuidwestelijk van deze bebouwing is een puinfunderingslaag waargenomen, welke niet was voorzien in het vooronderzoek. Deze lagen zijn (indicatief) onderzocht en niet verontreinigd met asbest >50 mg/kg d.s., maar is wel asbesthoudend (4,4 mg/kg d.s. max). De laag voldoet indicatief aan de toepassingseisen voor niet vormgegeven bouwstof. Langs de gevel van Overgoo 13-15 is asbestplaatmateriaal aangetroffen, op basis hiervan is een asbestgehalte boven de norm voor nader onderzoek (>50 mg/kg d.s.) aangetoond (64 mg/kg d.s.). Het asbest is hier vermoedelijk te relateren aan de bebouwing.
Het grondwater is in dit gebied niet verontreinigd >(0,5*)signaleringsparameters. Ter plaatse van de slootdempingen is geen verdacht demping of ophoogmateriaal waargenomen. De plaatselijk aangetoonde sterke verontreinigingen met asbest in de
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 61
bovengrond (boorpunt 403) en PAK en zware metalen in de ondergrond (boringen 400 t/m 402) worden niet specifiek gerelateerd aan de slootdempingen, maar de antropogene bijmengingen in de ondergrond (PAK en zware metalen) en asbesthoudend materiaal afkomstig van de bebouwing (asbest). 4.7.3 Conclusie Indien voor de werkzaamheden grond toegepast wordt, dient op basis van de bodemkwaliteitskaart en het huidig gebruik dit minimaal te voldoen aan de kwaliteitsklasse Industrie voor het noordelijk deel en aan klasse Achtergrondwaarde voor het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie, op basis van de bodemkwaliteitskaart. Omdat de toekomstige functies in het gebied voornamelijk wonen (met tuin) wordt zal de maximaal toelaatbare kwaliteit van de grond strenger worden op het noordelijk deelgebied dan nu het geval is. Ter plaatse van de aangetoonde sterke verontreinigingen met asbest, zware metalen en/of PAK in het onderzoek, is een indicatie op een overschrijding van de maximale toelaatbare kwaliteit voor bouwen (gemiddeld gehalte voor parameter>I-waarde over volume van 25 m3 grond). Om vast te stellen of dit daadwerkelijk het geval is, wordt hier een nader onderzoek voor uitgevoerd. Op grond hiervan kan bepaald worden of de toelaatbare kwaliteit werkelijk overschreden wordt.
Voor de aangetoonde sterke verontreinigingen geldt dat er sprake is van een potentiële toevalvondst, aangezien de I-waarde wordt overschreden en deze verontreinigingen niet eerder beschikt/bekend zijn. Om vast te stellen of dit aan de orde is, wordt een nader onderzoek uitgevoerd en vervolgens een risicobeoordeling gedaan voor de sterke verontreinigingen. Indien hier uit blijkt dat sprake is van humane risico’s, dient de verontreiniging op initiatief van de eigenaar te worden gesaneerd. Op grond van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld en dat, in de huidige situatie, de aanwezige bodemverontreiniging in principe een belemmering kan vormen voor de voorgenomen herontwikkeling. Hiertoe wordt het benodigd vervolgonderzoek uitgevoerd. Indien benodigd kan middels een eventueel saneringsplan worden toegewerkt naar een situatie waarbij de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies die met dit TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Kaders Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het omgevingsveiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 62
Het wettelijk kader m.b.t. omgevingsveiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: Brandaandachtsgebied Explosieaandachtsgebied Gifwolkaandachtsgebied Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende maatregelen: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied aanvullende risicocommunicatie beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron vlucht- en schuilmogelijkheden omgevingsmaatregelen aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 63
Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven.
De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 4.8.2 Toetsing De Omgevingswet heeft als één van de doelen het beschermen van de fysieke leefomgeving. Bij het beschermen gaat het om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Peutz heeft een inventarisatie van risicovolle activiteiten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling en een beoordeling van de effecten van deze activiteiten op de beoogde ontwikkeling uitgevoerd. Daarnaast is ingegaan op de mogelijke maatregelen om veiligheidsrisico's zo veel mogelijk te beperken. Het onderzoek is als bijlage 7 opgenomen. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van woningen, voorzieningen en werkfuncties. De voorzieningen en werkfuncties kunnen zowel vallen onder de categorie van kwetsbare als beperkt kwetsbare gebouwen. De woonfuncties vallen in de voorliggende situatie onder de categorie kwetsbare gebouwen.
Voor de voorzieningen zal daarnaast naar verwachting nog sprake zijn van gebruiksfuncties die onder de categorie ‘zeer kwetsbaar gebouw’ vallen, zoals bijvoorbeeld een kinderopvang. Inventarisatie risicovolle activiteiten in de omgeving In de omgeving van de beoogde ontwikkeling zijn de risicovolle activiteiten geïnventariseerd. Hiervoor is gebruik gemaakt van de kaarten van Signaleringskaart EV en de informatie van de Atlas leefomgeving. De activiteiten worden per risicocategorie verder beschouwd. Opslag van gevaarlijke stoffen Voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn er een aantal risicovolle activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied gesitueerd. Het betreft de volgende locaties, zoals weergegeven in onderstaand figuur:
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 64
Op grond kan bovenstaand figuur kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet gelegen is binnen de afstand van de plaatsgebonden risicocontour van 10-6. Transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Voor het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor zijn er twee routes die in de nabije omgeving van het plangebied zijn gesitueerd. Dit betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A4 en over de provinciale weg N14 zoals weergegeven in onderstaand figuur. Figuur 4.8: Ligging routes voor transport gevaarlijke stoffen - weg.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 65
De A4 en de N14 zijn gelegen op respectievelijk ongeveer 20 en 40 meter van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour van zowel de N14 als A4 zijn gelegen op 0 meter en liggen geheel op de weg zelf. De betreffende routes hebben een brand-, een explosie- en een gifwolkaandachtsgebied. De brand- en explosieaandachtsgebieden langs het Basisnet hebben een vaste afstand van respectievelijk 30 en 200 meter. De beoogde ontwikkeling is (gedeeltelijk) gelegen binnen het explosieaandachtsgebied van zowel de A4 als de N14 en ook voor een klein gedeelte (10 meter) gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de A4. Voor dat laatste geldt dat de beoogde bebouwing niet is gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de A4. Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten zuidwesten (W-514-16), zuidoosten (A-51-7, W-514-01 en W-514-50) en noordwesten(W-514-17) van het plangebied liggen buisleidingen voor het vervoer van aardgas onder hoge druk. Het een en ander is weergegeven in onderstaand figuur, met de daarbij behorende kenmerken. Figuur 4.9: Ligging routes voor transport gevaarlijke stoffen - buisleiding.
Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 66
De voornoemde buisleidingen kennen geen contour voor het PR van 10-6 per jaar. De buisleidingen kennen wel een brandaandachtsgebied. De ten zuidoosten van de beoogde ontwikkeling gelegen buisleidingen A-517 en W-514-01 hebben een brandaandachtsgebied van respectievelijk 405 en 140 meter aan weerszijden van de leiding. De beoogde ontwikkeling is voor een gedeelte gelegen binnen dit brandaandachtsgebied. De beoogde bebouwing zal naar verwachting niet worden gesitueerd binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding W-514-01. De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen de brandaandachtsgebieden van de overige 2 leidingen (W-514-16 en W- 514-17). Verantwoording groepsrisico in aandachtsgebied Voor de realisatie van (zeer) kwetsbare gebouwen binnen de hiervoor beschreven aandachtsgebieden geldt conform het Bkl dat rekening gehouden moet worden met het groepsrisico. Hierbij dient ingeval van een ramp of calamiteit aandacht besteed te worden aan: Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 67
het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en de geneeskundige hulpverlening. Om inzicht te krijgen in mogelijke maatregelen in het kader van het groepsrisico is het ten eerste van belang om te bepalen van welk soort gevaar er sprake is. In voorliggende situatie gaat het om mogelijke rampscenario's ingeval van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de nabijgelegen wegen en in de nabijgelegen buisleidingen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen op de nabijgelegen transportroutes zijn rampscenario's voor het explosieaandachtsgebied het optreden van een (koude of warme) BLEVE, wolkbrand en/of gaswolkexplosie als gevolg van het vrijkomen van de tankinhoud van tankwagens en tubetrailers met gassen zoals LNG, LPG en waterstof. Het kan daarbij gaan om het instantaan vrijkomen van de gehele tankinhoud of een continue uitstroming uit een gat van de tank. Daarnaast vindt er ook transport van toxische stoffen plaats over de A4 en de N14 waar rekening mee gehouden dient te worden. Ingeval van een incident met een tankwagen die een giftige stof zoals acrylnitriet, zwaveltrioxide of ammoniak vervoert, kan sprake zijn van het vormen van een giftige wolk.
Voor het vervoer van aardgas via de aardgasleidingen geldt als rampscenario in het brandaandachtsgebied een ongeval als gevolg van een leidingbreuk, bijvoorbeeld als gevolg van graafwerkzaamheden. Vlak na de beschadiging kan het aardgas ontsnappen met een explosie, als gevolg van de hoge druk in de leidingen. De ontstane gaswolk kan dan ontsteken in een brandende gaswolk en het uitstromende aardgas vormt vervolgens een brand. Maatregelen ter beperking gevolgen ramp Voor het maken van de afweging hoe met het groepsrisico rekening gehouden dient te worden, kan het stappenplan van het handboek Omgevingsveiligheid van het RIVM gevolgd worden. Het stappenplan kent daarbij de volgende stappen: 1. Afstand houden van het aandachtsgebied 2. Waarderen al bestaande bescherming 3. Overwegen aanvullende bescherming Hieronder wordt achtereenvolgens op bovenstaande drie stappen ingegaan. Gezien de opgave van de beoogde ontwikkeling en de besluitvorming die reeds heeft plaatsgevonden over het ontwikkelkader en het stedenbouwkundig plan is het niet mogelijk om gebouwen waar mensen zich kunnen bevinden buiten de aandachtsgebieden te plaatsen.
Daarnaast geldt dat de aan de N14 en de A4 gelegen toegestane bebouwing een afschermende werking voor de achterliggende bebouwing kent en deze gebouwen kunnen tevens fungeren als een eerste afscherming ingeval van rampen met betrekking tot brand- en explosies. De beoogde bebouwing in het plangebied is gelegen binnen de explosieaandachtsgebieden van transportroutes van gevaarlijke stoffen over wegen en binnen een brandaandachtsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. De gemeente kan deze gebieden aanwijzen als brand- en explosievoorschriftengebieden. Daar waar zeer kwetsbaar gebouwen worden toegelaten is de gemeente verplicht een brand- en explosievoorschriftengebied in te stellen. Binnen een voorschriftengebied gelden dan voor het ontwerp van de gebouwen de eisen uit paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor een brandvoorschriftengebied gaat het hierbij onder andere om eisen met betrekking tot de brandwerendheid en brandklasse van de buitengevel, de vluchtroute en de sterkte bij brand. Specifiek voor een explosievoorschriftengebied geldt de eis met betrekking tot scherfwerking van de in dit gebied gelegen beglazing. In het geval van een toxische wolk zijn personen binnen het best beschermd.
Hierbij zijn de luchtdichtheid van het gebouw, de mogelijkheid tot het uitschakelen van de ventilatie en het sluiten van deuren en ramen van belang. Wat betreft de toxische wolk zijn daarbij aldus relatief eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Hiermee zal bij de Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 68
uitwerking van het plan rekening gehouden moeten worden. De aanwezige personen betreffen naar verwachting hoofdzakelijk volwassenen en gezinnen, aangezien het grootste gedeelte van het bouwprogramma aan woonfuncties wordt toebedeeld. Enkel de locatie waar een kinderdagverblijf is toegestaan faciliteert minder zelfredzame personen. Er wordt aangenomen dat er slechts in beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Zodoende zal er geen sprake zijn van een hoge concentratie van "verminderd zelfredzame" personen. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van de beoogde ontwikkeling. In het ontwerp dient rekening gehouden te worden om het vluchten van de betreffende risicobron af mogelijk te maken. Dit lijkt gezien het ontwerp goed mogelijk. Bovendien wordt geadviseerd om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijde van een mogelijke ramp. De bereikbaarheid en de aanwezigheid van voldoende bluswater en vaste opstelplaatsen voor de brandweer zijn maatregelen die de effecten van een ramp kunnen verkleinen. Bij de uitwerking van het verdere ontwerp dient aandacht besteed te worden aan de bereikbaarheid en ontsluiting (van de entrees) van alle te realiseren gebouwen voor de hulpdiensten.
4.8.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen het PR van 10-6 afstand van een risicovolle activiteit in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is deels gelegen binnen een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied en het omgevingsplan staat de realisatie van zeer kwetsbare objecten toe binnen het explosieaandachtsgebied, waaronder een kinderdagverblijf, maar buiten het brandaandachtsgebied. Aanwijzing explosieaandachtsgebied Op grond van de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden er rond aangewezen risicobronnen van rechtswege explosieaandachtsgebieden. Als met het wijzigen van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning een (beperkt/zeer) kwestbaar gebouw of een (beperkt) kwetsbare locatie binnen dit aandachtsgebied mogelijk wordt gemaakt, dan moet bij het nemen van dit besluit bijzondere aandacht op het daarmee samenhangende risico worden besteed. Daarnaast kán de gemeente binnen dit aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied vaststellen. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 4.90 en verder van het Besluit bouwwerken leefomgeving bijzondere eisen aan de constructie van de gevel van de (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen worden gesteld.
Om de gebruiker van dit omgevingsplan van deze gevolgen op de hoogte te stellen, is in de wijziging van het omgevingsplan het explosieaandachtsgebied weergegeven. Ter plaatse van voorschriftengebieden gelden extra (technische) eisen voor bouwwerken, met het oog op het beperken van de gevolgen van een brand of explosie. Deze aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij de verdere uitwerking van het plan dient hier rekening mee gehouden te worden. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Geur - stof
4.9.1 Kaders In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo
Pagina | 69
bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Geurgevoelige gebouwen In artikel 5.91, lid 1 Bkl is bepaald dat een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied (een bedgebied is een verblijfsgebied met een of meer bedruimten) en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied* en nevengebruiksfuncties daarvan. Onder geurgevoelige gebouwen vallen eveneens ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie, bijvoorbeeld een garage of een kantoor aan huis. Daarnaast wordt onder een geurgevoelig gebouw ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit mag worden gerealiseerd. 4.9.2 Geur