CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4718 - Toelichting TAM-Omgevingsplan Overgoo

Commissie Omgeving 23 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM-omgevingsplan "Overgoo"39.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Verder wordt ervan uitgegaan dat het verkeer dat berekend is op de Overgoo zich verdeelt op basis van de nieuw te realiseren parkeerplaatsen in de verhouding van het aantal parkeerplaatsen. Tevens is de koude start van de voertuigen meegenomen. Er worden 3 parkeergarages gerealiseerd onder de woonblokken langs de Noordelijke Verbindingsweg, namelijk onder het noordelijke, midden- en zuidelijke woonblok met respectievelijk 500, 100 en 300 parkeerplaatsen. Aangenomen wordt dat gemiddeld op elke parkeerplaats 1x per etmaal langer dan 2 uur wordt geparkeerd. Het gaat hierbij om lichte voertuigen. De zware voertuigen zullen na het laden en lossen (circa 30 minuten) met warme motor vertrekken. Projectberekening Aanleg/ bouwfase Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator volgt dat er sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden vanwege de aanleg-/bouwfase. Op basis van kentallen, te weten 3 kg NOx per woning10 en 100 kg NOx per 10.000 m² bvo voor overige functies voor de aanleg-/ en bouwfase zou per jaar de realisatie van ongeveer 50 woningen en 2.000 m2 bvo aan overige functies gerealiseerd kunnen worden. Deze aantallen leiden tot een dermate lange bouwtijd dat dit niet realistisch wordt geacht.

Gebruiksfase Uit de rekenresultaten van AERIUS volgt sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de gebruiksfase (bijdrage maximaal 0,01 mol N/ha/jaar). Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 90

Uit de rekenresultaten blijkt dat significant negatieve effecten vanwege de beoogde ontwikkeling niet kunnen worden uitgesloten voor de gebruiksfase. In dat geval kan middels intern salderen de zekerheid worden verkregen dat geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten vanwege het beoogde gebruik van de projectlocatie. Daarnaast zal het gebruik van intern salderen meer ruimte voor de bouw-/aanlegfase kunnen bieden. Intern salderen Het meest nabij het projectgebied gelegen Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide betreft een habitatrichtlijngebied. Voor dit natuurgebied geldt een referentiedatum van 7 december 2004. De beschreven referentiesituatie is in de gehele periode vanaf de aanwijsdatum tot heden ongewijzigd van kracht geweest. Rekenresultaten intern salderen Aanleg/ bouwfase Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator volgt dat ten opzichte van de referentiesituatie sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden vanwege de aanleg-/bouwfase (bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar), indien er sprake is van stikstofemissie vanaf 440 kg NOx en 17,6 kg NH3 ten gevolge van het bouwverkeer en de mobiele werktuigen.

Op basis van kentallen, te weten 3 kg NOx per woningen 100 kg NOx per 10.000 m² bvo voor overige functies voor de aanleg-/ en bouwfase zou per jaar de realisatie van ongeveer 129 woningen en 5.265 m2 bvo aan overige functies gerealiseerd kunnen worden. Het is daarmee realistisch te veronderstellen – zeker ingeval ook mogelijk nog nieuw/elektrisch materieel toegepast wordt, en op de ontwikkeling op een strategische wijze gefaseerd wordt - dat de aanleg van de beoogde ontwikkeling mogelijk kan plaatsvinden zonder dat sprake zal zijn van een relevante toename aan stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/N/ha/jaar. Het is bovendien van belang om op te merken dat de emissies ten gevolge van de aanleg/ bouwfase tijdelijk zijn en daarmee geen permanente of herhaaldelijke bijdrage aan stikstofdepositie in de toekomstige situatie leveren. Gebruiksfase Uit de rekenresultaten van AERIUS volgt dat ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de gebruiksfase (bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar). Conclusie Er is aangetoond dat sprake is van een uitvoerbaar plan. Op basis van worst case uitgangspunten kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van een beperkende situatie wat stikstofdepositie betreft, en aldus sprake is van een uitvoerbaar plan.

Ten gevolge van de aanleg-/bouwfase van de beoogde ontwikkeling is naar alle verwachting geen sprake van een relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Ter plaatse van het plangebied is door ecologisch adviesbureau Van der Goes en Groot onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek dat er mogelijk vleermuizen verblijven in de te slopen bebouwing en derhalve is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd in de periode van mei tot en met september 2021. Uitkomst van het vervolgonderzoek was dat in het plangebied verblijvende vleermuizen zijn aangetroffen. Het gaat om Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Aangezien de jongste gegevens voor Natura 2000 en soortenbescherming niet ouder mogen zijn dan drie jaar is een actualisatie van het nader onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door Van der Goes en Groot in de periode mei tot en met september 2024. De resultaten van het

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 91

onderzoek worden hieronder samenvattend weergegeven. Tijdens de inventarisatie zijn drie soorten vleermuizen aangetroffen (zie hiertoe onderstaande figuren). Laatvlieger is niet aangetroffen. Figuur 4.17: Uitsnede ecologisch vervolgonderzoek (bron: Van der Goes en Groot).

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 92

In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om Ruige dwergvleermuis. Zodra werkzaamheden worden verricht aan gebouwdelen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een vergunningsaanvraag Ow. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een vergunning afgegeven. De watergang (oost-west) in het plangebied betreft mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van deze soort als vliegroute, vooral in samenhang met rondom het plangebied gelegen kraamverblijven. Als grootschalig bosschages rondom de watergang in het plangebied gekapt worden, dan wordt het essentiële leefgebied mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is. Als grootschalig bosschages rondom de watergang in het plangebied gekapt worden, dan wordt het essentiële leefgebied mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is. 4.13.3 Conclusie Op grond van het ecologisch onderzoek naar beschermde soorten kan geconcludeerd worden dat een ontheffing benodigd is.

De ontheffingsaanvraag dient voor vaststelling van het TAM-omgevingsplan te zijn ingediend bij het bevoegd gezag. Op basis van worst case uitgangspunten voor wat betreft stikstofdepositie kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van een beperkende situatie wat stikstofdepositie betreft, en aldus sprake is van een uitvoerbaar plan. Ten gevolge van de aanleg-/bouwfase van de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden, zolang aan de beschreven voorwaarden wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het TAM-omgevingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 93

4.14

Bezonning

4.14.1 Kaders Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. 4.14.2 Toetsing Ten behoeve van het TAM-omgevingsplan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de mogelijke invloed van de geplande bebouwing op de bezonning van de omliggende bestaande woonbebouwing. De onderzoeksresultaten worden bij afwezigheid van een officiële norm getoetst aan de criteria van de lichte TNO-norm. Bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober is sprake van voldoende bezonning van een woning. Er bestaan meerdere interpretaties van de lichte TNO-norm. In dit onderzoek is de bezonning beoordeeld op de gevels van de bestaande woningen, waarbij de bezonning van voor-, achteren zijgevels opgeteld wordt.

Woningen ten zuidwesten van de planlocatie De bestaande woningen aan De Ruyterstraat kijken aan de straatzijde uit op de planlocatie. Voor zover op deze gevels in de vroege ochtend in de schaduw valt ten gevolge van de geplande bebouwing is dit dusdanig kort dat de bezonning boven de grenswaarde van 2 zonuren blijft. Daarnaast is sprake van tweezijdige bezonning. De zuidwestgevels van deze woningen zullen door de oriëntatie ruimschoots in de zon vallen. Woningen ten noordwesten van de planlocatie In de ochtend geeft de geplande bebouwing plaatselijk schaduw bij de bestaande woningen ten westen van het plangebied. Ten gevolge van de oriëntatie van de noordoostgevels van de woningen aan Johan Zocherstraat en aan de Pieter Postplaats is daar in de bestaande situatie een beperkte bezonning aanwezig. Voor 21 oktober is plaatselijk minder dan de grens van 2 zonuren vastgesteld. De geplande bebouwing geeft hier kortstondig schaduw. Dit betreft met name de appartementen aan de Johan Zocherstraat en aan de Pieter Postplaats en grondgebonden woningen aan de Cornelis Voorhoevelaan. Bij al deze woningen is echter bij zijgevels en tegenovergelegen gevels eveneens sprake van bezonning, waardoor de totale bezonningsduur per woning boven de grens van 2 zonuren uitkomt.

Woningen ten noordoosten van de planlocatie In de loop van de dag komt de schaduw van het bouwplan tot bij de bestaande woningen ten noordoosten van de planlocatie. Op 21 oktober treedt bij diverse woningen aan onder meer de Nieuwstraat, De Schans en De Oude Bleijk kortstondig schaduw op. Er blijft ondanks schaduw in voldoende mate bezonning mogelijk.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 94

4.14.3 Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de bebouwing waar het omgevingsplan ruimte aan biedt enige mate van schaduw geeft bij de aanwezige omliggende woonbebouwing. Binnen de periode van de lichte TNO-norm is toetsingsdatum 21 oktober, qua zonnestanden overeenkomend met 19 februari, door een beperkte zonshoogte bepalend. Op grond van het bezonningsonderzoek kan worden vastgesteld dat de bezonning in de geplande situatie bij alle omliggende bestaande woningen blijft voldoen aan de criteria van de lichte TNO-norm. Bij woningen waarbij de bezonning nu niet voldoet aan dit criterium is geen verdere afname van de bezonning vastgesteld. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bezonning geen belemmering vormt voor het TAM-omgevingsplan.

4.15

Bedrijven en milieuzonering

4.15.1 Kaders De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema's stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen.

Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Richtafsand gemend gebied 0 meter 10 meter 30 meter 50 meter Pagina | 95

In 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerder genoemde milieuwaarden. De nieuwe uitgave van de VNG Activiteiten en Milieuzonering Omgevingswet 2024 is vastgesteld in oktober 2024. De nieuwe handreiking kent een aantal belangrijke kenmerken. De nieuwe systematiek sluit beter aan bij de integratie van ruimte en milieu onder de Omgevingswet. De oude systematiek werkte met een vaste richtafstand voor iedere aan een locatie toegedeelde milieuhinderlijke activiteit, ongeacht of die activiteit die afstand wel nodig heeft. Dat kan leiden tot inefficiënt ruimtegebruik. 4.15.2 Toetsing De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. De omgeving kan gekwalificeerd worden als een gemengd gebied. Omdat naast woningen zich in de directe omgeving ook de functies 'Kantoor', 'Bedrijf' en 'Gemengd-1' bevinden.

Toetsing in onderhavig omgevingsplan vindt plaats aan de hand van de oude handreiking, aangezien gemotiveerd kan worden dat de richtafstanden geen belemmering vormen voor het plangebied. Ten oosten van het plangebied, ter plaatse van de Vlietweg nummer 3, zijn de gronden bestemd als bedrijf. Deze gronden kennen de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2'. Voor deze locatie is planologische procedure doorlopen waarmee de herontwikkeling van de bestaande bebouwing naar een nieuw appartementencomplex wordt mogelijk gemaakt. Deze gronden vormen daarmee geen belemmering voor voorliggend plangebied. Ter plaatse van de Vlietweg 8a geldt het volgende. Volgens het omgevingsplan is op deze locatie een bedrijf in categorie 3.2 toegestaan. De richtafstand die hierbij hoort in gemengd gebied is 50 meter. Er wordt niet voldaan aan deze richtafstand van 50 meter. Feitelijke activiteiten Op het perceel is automobielbedrijf 'W. van den Berg' gevestigd. Dit is een herstelinrichting van motorvoertuigen en verfspuitinrichting.

Hierbij horen de volgende sbi-codes, richtafstanden en milieucategorieën: Sbi-code 451, 452, 454: Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven (richtafstand gemengd: geur: 0m, stof 0m, geluid 10m, gevaar 0m, grootste afstand 10m)/milieucategorie 2; Sbi-code 45204: Autospuitinrichtingen (richtafstand gemengd: geur 30m, stof 10m, geluid 10m, gevaar 10m, grootste afstand 30m)/milieucategorie 3.1. Voor de herstelinrichting geldt aldus een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De autospuiterij geeft (op papier) de grootste richtafstand, namelijk een afstand van 30 meter voor het aspect geur. Hierbij is echter geen bandbreedte gegeven van de omvang van de spuitinrichting. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies is in het “TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 en 8a” gekozen de ten hoogste toegestane milieucategorie te verlagen van 3.2 naar 2. Deze wijziging brengt geen nieuwe beperking mee in relatie tot de huidige activiteiten van het bedrijf. Mits tijdens het verrichten van luidruchtige werkzaamheden in de werkplaats de schuifdeur gesloten blijft is bovendien geen sprake van geluidoverlast op de omliggende woningen. Deze verplichting geldt reeds voor de inrichting op basis van de voorheen geldende milieuvergunning.

Het (opnieuw) opleggen van die verplichting, door middel van het vaststellen van een maatwerkvoorschrift, is daarmee geen onevenredig beperkende maatregel voor het bedrijf. Het bedrijf kan deze maatregel eenvoudig naleven terwijl daarmee een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen aan de Vlietweg 3 is gegarandeerd doordat in dat geval sprake is van 'aanvaardbaar geluid' op de gevels van de nieuwe woningen binnen voorliggend plangebied. Op grond van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 96

automobielbedrijf geen belemmering vormt voor onderhavig plangebied. Er wordt voldaan aan de geldende richtafstand als gevolg van de verlaging naar milieucategorie 2 middels het TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 en 8a en daarnaast geldt dat de omliggende woningen nabij de autospuiterij als maatgevend beschouwd kunnen worden. Aan de overzijde van de Vliet geldt dat de gronden bestemd zijn als Bedrijf (bedrijft tot en met categorie 2). Ter plaatse van de Nieuwe Havenstraat 5 kende de gronden de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- betonmortelcentrale' op grond van oude bestemmingsplan “Nieuw Damsigt” (2013). Als gevolg van het bestemmingsplan “Stedelijk” is hindercontour van de betonmortelfabriek Mebin verdwenen. Begin 2018 zijn de silo's en stalen gedeelte van de Mebin betoncentrale al ontmanteld. In 2019 zijn de bijbehorende kantoorgebouwen gesloopt. Nadien zijn verkenningen opgestart de gronden te her ontwikkelen en deze ontwikkeling betreft tevens een deelontwikkeling van de 'Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder - Ruimte voor Ideeën'. Deze gronden vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.15.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.16

Duurzaamheid

4.16.1 Kaders Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. 4.16.2 Toetsing De ontwikkelingen binnen de planlocatie sluiten aan op de duurzaamheidsdoelstellingen waar heel Nederland naar streeft. Nieuwe woningen mogen per 1 juli 2018 niet meer aangesloten worden op het gasnetwerk, maar dienen met een duurzamere en schonere energievoorzieningen gerealiseerd te worden. Het gebied is onderdeel van de 2e transitiewijk energie en moet uiterlijk 2034 aardgasloos zijn. Dit houdt in dat de aardgasleidingen verwijderd worden en dat gelet op de bouwdichtheid een collectieve warmteoplossing gerealiseerd moet worden. In § 7.3.6a van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen zijn verschillende artikelen van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Artikel 7.41a bepaalt dat deze paragraaf geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Artikel 7.41aa stelt dat bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen.

Dit omvat aspecten zoals de risico's van klimaatverandering, energiehuishouding, circulaire of biobased materialen, emissiereductie, waterbesparing, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Artikel 7.41b vereist dat het omgevingsplan de risico's van klimaatverandering in overweging neemt, waaronder wateroverlast, overstroming, hitte, droogte en bodemdaling. Het plan moet maatregelen treffen om deze risico's zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, of deze risico's gericht accepteren. Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte klimaatadaptief is. Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd. Door extreme neerslag, hitte en droogte kan veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen. Vanwege deze Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 97

redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Klimaatverandering zal niet in alle gebieden van Nederland dezelfde effecten hebben. Op basis van kenmerken, zoals ondergrond, nabijheid van sloten, bebouwingsdichtheid, aanwezigheid van groen en gebruikte materialen zijn er veel verschillen in de stad. Op grond van de stresstestkaart 'Extreme neerslag' van de gemeente, kan geconcludeerd worden dat delen van het plangebied aangemerkt zijn als gevoelig voor wateroverlast. Hittestress De klimaateffectatlas bevat enkele relevante kaartbeelden voor het plangebied, waaronder de hittestress en de waterdiepte. In onderstaand figuur is de gevoelstemperatuur van de huidige klimaatscenarios weergegeven. De gevoelstemperatuur in het plangebied kan oplopen tot ongeveer 45 °C. Dit komt met name doordat er weinig schaduw en bomen aanwezig zijn. In het zuidoosten van het plangebied loopt de temperatuur minder hoog op, hier ligt de gevoelstemperatuur rond de 33 °C. Hier is meer groen en minder verharding aanwezig in de huidige situatie. Figuur 4.18: gevoelstemperatuur (bron: Klimaateffectatlas).

Op de klimaateffectatlas is te zien dat er binnen het plangebied plassen met een water diepte van 10 cm – 30 cm ontstaan als gevolgd van een extreme bui (70 mm). Ook is er wateroverlast voorzien op de Overgoo. Onderstaand figuur betreft hier een uitsnede van. De kaart maakt inzichtelijk waar waarschijnlijk wateroverlast zal ontstaan na een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur. Figuur 4.19: waterdiepte bij een extreme bui van 70mm (bron: Klimaateffectatlas).

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 98

Ingegeven door de gevolgen van klimaatverandering, de grondstoffenschaarste en de zorg om de luchtkwaliteit vindt er in Nederland een transitie plaats naar het gebruik van duurzame en hernieuwbare bronnen voor het opwekken van energie. De invulling voor onze elektriciteitsvraag, verwarming en mobiliteit vraagt om een radicaal andere energievoorziening. Fossiele brandstoffen worden op grote schaal uitgefaseerd om het uiteindelijke doel te behalen: een CO2-neutrale energievoorziening in 2050. Nieuwbouw is het meest kostenefficiënte moment om energiebesparende maatregelen toe te passen. Daarnaast wordt door te voorzien in voldoende waterbergende voorzieningen voldaan aan de eisen voor wat betreft watercompensatie en door het toevoegen van groen en schaduwrijke plekken wordt hitte stress zo veel als mogelijk voorkomen. 4.16.3 Conclusie Het doel is een zo laag mogelijke MilieuPrestatie Gebouwen en de gebruikte materialen zijn in de toekomst daar waar mogelijk weer herbruikbaar. Zoals beschreven in paragraaf 4.11 is door Tauw een weging van het waterbelang opgesteld waarin beschreven is hoe hevige neerslag verwerkt kan worden en dat dit niet resulteert in problemen en/ of schade. Tot slot geldt op het gebied van mobiliteit dat met parkeren binnen de daartoe bestemde parkeergarages en de fiets binnen het plangebied gestuurd wordt op duurzame mobiliteit.

4.17

Kabels en leidingen

4.17.1 Kaders De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico's van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon). De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gas- en telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 99

Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen.

Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken: soort stof (bij buisleidingen) maximale druk (bij gas in buisleidingen) maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) 4.17.2 Toetsing In de nabijheid van het plangebied zijn geen (hoogspanning)leidingen gelegen met een bijbehorende beschermingszone die tot binnen het plangebied reikt. Wel zijn binnen het plangebied twee waterleidingen gelegen. Hier geldt op basis van het bestemmingsplan Stedelijk de dubbelbestemming 'Leiding - Water'. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de belemmeringenstrook behorend bij deze leidingen. In paragraaf 4.11 Water is hier reeds op ingegaan. 4.17.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor het omgevingsplan.

4.18

Windhinder

4.18.1 Kaders Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken. Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=50c4140a-d838-4290-8a5a-256d24b7a591