4593-02 Toelichting TAM-omgevingsplan Nieuwe Vaartlaan 18
Tekst van het document
Conclusie Het planvoornemen is in overeenstemming met ‘Woonambities gemeentelijke beleid’.
22
4 Omgevingsaspecten 4.1
Inleiding
In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages maken als bijlage deel uit van deze toelichting.
4.2
Milieueffectrapportage
Algemeen Onderdeel van de beoordeling of toelichting volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een plan-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.1 van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)-plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van natuurwetgeving. In twee situaties dient een plan-mer-beoordeling opgesteld te worden: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V van het omgevingsbesluit, maar het gaat om een kleine wijziging van een plan of een plan voor kleine gebieden op lokaal niveau. Toetsing Voor de vraag of sprake is van een m.e.r-(beoordelings)plichtig besluit dient allereerst te worden gekeken naar de omschrijving in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien met het initiatief geen sprake is van een project als in kolom 1 van bijlage V is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)plicht.
In die zin is het Omgevingsplan geen kaderstellend plan voor het besluit. Bovendien is geen sprake van een situatie waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden op grond van natuurwetgeving. Aangezien het plan niet mer-plichtig is, dient beoordeelt te worden of een plan-mer-beoordeling uitgevoerd moet worden. De plan-mer-beoordeling is enkel noodzakelijk indien sprake is van een plan dat kaderstellend is voor projecten die niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar die wel milieueffecten kunnen hebben. Uit onderhavige onderbouwing (navolgende paragrafen) volgt dat het voornemen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen, mede door een beperkte aard en omvang van het initiatief. Derhalve is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Uit onderhavige onderbouwing blijkt dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-(beoordelings)rapportage.
23
4.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Uit jurisprudentie volgt daarnaast, dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing plan Onderhavige ontwikkeling omvat het nieuwbouwen van één woning ter vervanging van de bestaande woning. In het kader van de ontwikkeling wordt de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming omgezet. De ontwikkeling wordt gezien haar aard en omvang niet als een stedelijke ontwikkeling gekwalificeerd, waardoor de ladder formeel niet doorlopen hoeft te worden.
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder hoeft daarmee niet doorlopen te worden.
4.4
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. Algemeen De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente of de kencijfers van CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Op deze wijze kan worden aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. De kencijfers van het CROW zijn algemeen erkend. Het zijn richtlijnen, waarvan afgeweken kan worden. Toetsing plan Verkeer Het plangebied is in de huidige situatie via één inrit ontsloten op de Nieuwe Vaartlaan. Het perceel blijft gebruikmaken van de bestaande ontsluiting. Hier worden in het kader van het planvoornemen geen wijzigingen in aangebracht.
24
De Nieuwe Vaartlaan is een smalle doodlopende weg, die aan de zuidkant richting de kern van Stompwijk leidt. Aan de Nieuwe Vaartlaan is een verscheidenheid aan functies gevestigd: er zijn (agrarische) bedrijfslocaties aanwezig, er staan burgerwoningen en er zijn recreatiewoningen gevestigd. Gezien de verscheidenheid aan functies aan de Nieuwe Vaartlaan en de overlast die ondervonden wordt door het zware verkeer dat gepaard gaat met de bedrijfslocaties, is de omschakeling van het plangebied naar ‘wonen’ gewenst. Dit resulteert namelijk in een afname van zwaar verkeer in de Nieuwe Vaartlaan. Onderhavig initiatief betreft een functiewijziging van een bedrijf naar wonen. Er wordt een vrijstaande woning toegevoegd. Om de verkeersgeneratie van de ontwikkeling in beeld te brengen worden de richtlijnen van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’ toegepast. Op basis van de CROW-rekentool is in de toekomstige situatie sprake van een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van het oppervlak van één vrijstaande woning in het gebiedstype ‘buitengebied’ in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Deze gemeente kent een hoge adressendichtheid, waarmee de gemeente in de categorie ‘zeer sterk stedelijk’.
De kern Stompwijk heeft een sterk afwijkende stedelijkheid ten opzichte van Voorburg en Leidschendam, waarmee Stompwijk in de categorie ‘niet-stedelijk’ valt (bron: Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2023). De verkeersgeneratie vormt door het geringe aantal geen belemmering voor het omliggende wegennet. Daarnaast blijft de bestaande verkeersontsluiting ongewijzigd. Ten aanzien van de verkeersveiligheid verbetert de situatie, aangezien geen zwaar verkeer ten behoeve van de bedrijfsfunctie meer door de smalle weg gaat. Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging. Parkeren Om de parkeernormen van de ontwikkeling te berekenen, wordt rekening gehouden met de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2023. De parkeernormen die in de nota zijn voorgesteld, bieden houvast bij het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen bij woningen, kantoren, winkels et cetera. Het gebruik van de juiste parkeernormen draagt bij aan een gunstig leef- en woonklimaat. De parkeernota hebben betrekking op nieuwbouw, verbouw, uitbreiding of wijziging van functies, daar waar een omgevingsvergunning en/of wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg is bij het bepalen van de parkeerbehoefte een gebiedsindeling gemaakt, met bij elke aanduiding eigen parkeereisen.
Het plangebied is gelegen in ‘buitengebied’. Autoparkeernormen worden bepaald door de functie, grootte en ligging van een initiatief. In het buitengebied van Stompwijk geldt dat er in dat geval 2,1 parkeerplaatsen per vrijstaande woning aanwezig moeten zijn op het erf voor het parkeren van de bewoners. Daarnaast geldt voor de bezoekers in dat gebied en met dat woningtype 0,2 parkeerplaats per woning. Voor de woonfunctie van één vrijstaande woning komt dat uit op 3 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt is dat parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein. Aan Nieuwe Vaartlaan 18 is meer dan voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Kortom, binnen het perceel zal voldoende oppervlakte en ruimte aanwezig om de activiteiten veilig plaats te laten vinden ten aanzien van parkeren. Het aspect parkeren vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
25
4.5
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Als de 3% grens voor NO2 en PM10 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Toetsing plan NIBM Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing te verwijderen en een nieuwe woning met bijgebouwen, plus een paardrijbak te realiseren voor het hobbymatig houden van 4 paarden. De ontwikkeling die onderhavig plan mogelijk maakt, valt niet direct onder een categorie uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Aan de hand van een berekening moet aangetoond worden dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling NIBM is. Ten behoeve van een dergelijke berekening heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool. Hiermee kan op een eenvoudige en snelle manier
26
bepaald worden of er sprake is van een NIBM-bijdrage. In de NIBM-tool dient alleen het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van een ontwikkeling te worden ingevoerd. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Onderhavig ontwikkeling heeft geen toename van 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg (zie ook paragraaf 4.3.4). Kortom, het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2023 tussen de 6 en 8 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 14 en 16 µg/m³ en de concentratie NO 2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal door voortschrijdende technologie de toekomstige situatie verder verbeteren. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het voorgenomen initiatief is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit het Bkl.
4.6
Geluid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) Algemeen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van
27
spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing plan Onderhavig initiatief betreft het realiseren van een vrijstaande woning en de omschakeling naar een woonbestemming. Met onderhavige ontwikkeling wordt dus een nieuw geluidsgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Rijksweg A4 ligt op meer dan 700 meter van het plangebied. Het plan ligt binnen het ‘geluidaandachtsgebied’ van de A4 en van een gemeentelijke weg. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de waarden voor geluid ten gevolge van wegverkeer te toetsen op de gevels van de woning (zie bijlage 4). Uit de toetsing blijkt het volgende: • • •
De waarde voor geluid vanwege het verkeer over de rijksweg A4 bedraagt 54 dB Lden. De standaardwaarde van 50 dB wordt met 4 dB overschreden; De waarde voor het gezamenlijke geluid Lg bedraagt 54 dB Lden. Er is sprake van een redelijke milieukwaliteit.
Voor de objecten bedoeld voor bewoning moet worden voldaan aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels. De grenswaarde van het geluidniveau in de geluidgevoelige ruimten van nieuw te realiseren objecten voor bewoning mag daarbij maximaal 33 dB bedragen (nieuwbouw). Bij een waarde voor het gezamenlijke geluid van 54 dB betekent dit, dat de karakteristieke geluidwering ten minste 21 dB moet bedragen. Daarnaast bestaat de voorkeur om bij het vaststellen van de indeling van de woning, de woonkamer en tenminste één slaapkamer aan de zuidoost of noordoost georiënteerde gevel te realiseren. Met dit rapport is hiermee voorzien in de benodigde onderbouwing voor het aspect wegverkeerslawaai. Ten aanzien geluid van omliggende bedrijven en industrieterreinen wordt verwezen naar paragraaf 4.2.5 Milieuzonering. Het geluid ten aanzien van spoorweglawaai is geen belemmering voor onderhavig plan, omdat omliggende spoorwegen op ruim voldoende afstand zijn gelegen. Conclusie Vanuit het aspect geluid bestaan geen belemmeringen voor de realisatie van het voornemen.
28
4.7
Bodemkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Bij omgevingsplanactiviteit zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: • • •
Worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; Worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; In de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen meegenomen.
worden
Toetsing plan Om de bodemkwaliteit in het plangebied in beeld te brengen, heeft ABO Milieuconsult op 11 juni 2024 een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen daarvan beschreven. De grond bestaat tot een diepte van circa 1,0 m-mv uit zand. Vanaf circa 1,0 m-mv tot de geboorde diepte van 2,0 m-mv bestaat de grond uit veen. In de bodem zijn in de bovengrond plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen met baksteen. De aangetroffen bijmengingen met baksteen in de bodem worden (conform bijlage A4, NEN5725) niet als asbestverdacht beschouwd. Het grondwater bevond zich op 0,60 m-mv (d.d. 18 juni 2024).
Bovengrond
In het grondmengmonster M01 is zink licht verontreinigd aangetoond. In het grondmengmonster M02 is kwik licht verontreinigd aangetoond. De overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de bovengrens van de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur.
Ondergrond
In het grondmengmonster M03 zijn kwik en lood licht verontreinigd aangetoond. De overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de bovengrens van de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur.
Grondwater
In het grondwater zijn de concentraties van alle geanalyseerde parameters uit het NEN 5740 grondwaterpakket lager dan de detectiegrens aangetoond.
29
Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 – 0,5 m-mv) visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De hypothese "De onderzoekslocatie is onverdacht" dient, op basis van de licht verhoogde gehalten aan zink, kwik en lood in de bovengrond, verworpen te worden.
Aanbevelingen
De licht verhoogde gehalten aan zink, kwik en lood in de grond zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. In de bovengrond zijn geen OCB’s aangetroffen, verder onderzoek is niet noodzakelijk. Ter plaatse van de twee gedempte watergangen zijn zintuiglijk geen bodemvreemde materialen waargenomen in de grond. Vermoedelijk zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. In de bovengrond zijn plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen met baksteen. De aangetroffen bijmengingen met baksteen in de bodem worden (conform bijlage A4, NEN5725) niet als asbestverdacht beschouwd. Verkennend asbestonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen belemmeringen aanwezig voor het beoogde gebruik, dan wel het wijzigen van het Omgevingsplan en het daaropvolgend indienen van een vergunningaanvraag om te bouwen. Kortom, vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
30
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel: het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Specifieke situaties Bkl
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toetsing plan Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing te verwijderen en een nieuwe woning met bijgebouwen, plus een paardrijbak te realiseren voor het hobbymatig houden van 4 paarden. Met onderhavige ontwikkeling is sprake van het realiseren van een kwetsbaar object. In verband met het borgen van een goed woon- en leefklimaat en het voldoen aan het principe van een evenwichtige toedeling van functies, zijn de effecten op het gebied van externe veiligheid getoetst. Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden.
De ligging van het plangebied ten opzichte van risicovolle activiteiten vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
31
Afbeelding 8 Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Risicovoltransport over spoorwegen of water Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over spoorwegen of water, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het plangebied vormt derhalve geen belemmering. Risicovol transport over wegen Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over wegen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ligging van het plangebied vormt derhalve geen belemmering. Risicovol transport door buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Op een afstand van circa 750 meter ten noordwesten van het plangebied is een aardgasleiding van Gasunie (W-514-01) gelegen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied ‘Brand’ en de PR10-6 contour van de buisleiding, de ligging van de aardgasleiding vormt derhalve geen belemmering. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
32
4.9
Bedrijven en milieuzonering
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieuzonering. Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden daardoor het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen), kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgesteld voor de toelating van milieuhinderlijke activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Milieuzonering maakt het mogelijk om de regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke activiteiten.
In aanvulling op de standaard gebiedsgerichte instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl kan het omgevingsplan voorzien een extra set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Deze aanvullende regels vloeien voort uit de systematiek voor milieuzonering in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). De VNG heeft deze handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ in oktober 2024 opgesteld. Deze handreiking vervangt de veelgebruikte publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Hoewel de basisprincipes van milieuzonering hetzelfde blijven, is de nieuwe handreiking wezenlijk anders dan de systematiek in de uitgave uit 2009. Zo wordt in de nieuwe systematiek niet meer getoetst aan de aspecten stofhinder en gevaar, maar enkel nog aan geluid en geur. Voor een aantal situaties en gebieden is de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet aan de orde: -
-
Industrieterreinen (geluid): In deze gebieden zijn vaak zwaardere industrieën gevestigd, daarom geldt hier op grond van het Bkl een aparte geluidregeling; Milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied; Milieuthema’s die al op een andere wijze geregeld zijn: o Luchtverontreiniging o Externe veiligheid en gevaar o Trillinghinder o Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied o Lichthinder en spuitzones o De hinder door verkeer aantrekkende werking Zware activiteiten die niet direct worden toegelaten: het gaat hier bijvoorbeeld om het exploiteren van een IPPC-installatie of projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal.
Functiescheiding door uitwaartse en inwaartse zonering: Bij uitwaartse zonering wordt gezoneerd vanuit de milieuhinderlijke functies. Dit betekent dat er in een zone rondom het werkterrein milieugevoelige functies moeten worden geweerd. In het geval van inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de milieugevoelige activiteiten en daarbij zones met gebruiksruimte voor geluid en geur aan te houden per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit: hoe groter de afstand tot de milieugevoelige functie, hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur kan zijn. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten
33
opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke activiteiten meer of minder gebruiksruimte. In de nieuwe handreiking wordt uitgegaan van inwaartse zonering. Voortzetting onderscheid gemengd gebied met wonen en rustig woongebied Zoals gebruikelijk was in de ruimtelijke ordening onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt ook onder de nieuwe systematiek voor het aspect geluid onderscheid gemaakt tussen twee soorten woongebieden: gemengde gebieden met wonen en rustige woongebieden. Nabij een rustig woongebied wordt de beschikbare geluidsruimte per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Hierbij staat dus een extra bescherming van een rustig woongebied ten opzichte van gemengd gebied met wonen centraal. Voor het aspect geur is er qua gebruiksruimte geen verschil tussen een gemengd en rustig woongebied. Buitengebied Ook in het buitengebied komen activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in de handreiking kan ook in het buitengebied worden toegepast, met als kanttekening dat de in de handreiking beschreven waarden voor geur niet gelden voor agrarische activiteiten.
Opbouw in het omgevingsplan Voor het reguleren van onder meer geluid- en geurbelasting door milieuhinderlijke activiteiten kunnen door gemeenten drie elkaar aanvullende sets van regels in het nieuwe omgevingsplan worden opgenomen: algemene bepalingen, standaard (gebiedsgerichte) omgevingsplanregels en aanvullende gebiedsgerichte omgevingsplanregels. Voor het goed functioneren van de regelingen voor geluid en geur zijn in het omgevingsplan aanwijzingen nodig. Zo kan een gebied bijvoorbeeld aangewezen worden als ‘bedrijventerrein’ en worden de grenzen tussen ‘gemengd gebied met wonen’ en ‘rustig woongebied’ aangewezen. Ook kunnen zones worden opgenomen voor geur en geluid: basis – beperkt – verruimd. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBIcode en de daarbij horende richtafstanden. ‘Activiteiten en milieuzonering’ stuurt strakker op de gewenste omgevingskwaliteit, omdat getoetst wordt aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. Geluid Tabel 1 Tabel VNG - aspect geluid in rustig woongebied1
34
Voor aspect geluid wordt onderscheid gemaakt tussen een drietal zones met oplopende geluidsruimte. De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geluid als volgt omgezet naar zones, waarden en afstanden. Zie voorgaande- en navolgende tabel. Tabel 2Tabel VNG - aspect geluid in gemengd woongebied
Geur De milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 zijn voor geur zoals onderstaande tabel laat zien, omgezet naar zones, waarden en afstanden. Zoals eerder toegelicht valt, omdat een groot aantal thema’s al op een andere wijze afdoende gereguleerd is, geur door agrarische activiteiten niet onder deze toetsing. Tabel 1 Tabel VNG - aspect geur in rustig en gemengd woongebied
35
Toetsing plan De beoogde ontwikkeling betreft een invulling die volgens de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van andere functies in de omgeving. Medewerking aan het voornemen is pas mogelijk indien blijkt dat het bestaande milieugevoelige of milieuhinderlijke functies in de omgeving niet belemmert. Met onderhavig initiatief wordt de planologische ruimte voor een hoveniersbedrijf beëindigd en vervangen door het realiseren van een nieuwe woning, waarbij hobbymatig (maximaal 4) paarden worden gehouden en een buitenrijbak wordt gerealiseerd. Door het verdwijnen van de milieuhinderlijke hoveniersfunctie gaat de milieusituatie ter plaatse er dus op vooruit. Tegelijkertijd komt er een nieuwe milieugevoelige functie voor in de plaats. Het plangebied en haar directe omgeving kan worden geclassificeerd als gemengd gebied met wonen, omdat in de omgeving van het plangebied diverse soorten functies gelegen zin. Zo zijn er aan de Nieuwe Vaartlaan diverse woon- en bedrijfsfuncties gelegen, enkele agrarische bedrijven, recreatiewoningen en een volkstuin. Realisatie woning Kijkend naar de ontwikkeling wordt een nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt, dat dient getoetst te worden op basis van het woon- en leefklimaat op locatie en ten opzichte van het niet mogen belemmeren van omliggende bedrijfsactiviteiten.
Een nabijgelegen bedrijf betreft volgens het bestemmingsplan een dierenpension annex -crematorium ter plaatse van Nieuwe Vaartlaan 22, gelegen op circa 35 meter van het plangebied. Dit bedrijf is echter niet meer actief en ook niet meer aanwezig (de bebouwing is gesloopt). Thans is er nog wel sprake van een vigerende bestemming die in acht dient te worden genomen. Doordat de bestaande woning van Nieuwe Vaartlaan 20 tussen het plangebied en het dierenpension annex -crematorium in ligt, moet ter plaatse van de woning van Nieuwe Vaartlaan 20 op grond van de handreiking voldaan worden aan de basiswaarden met betrekking tot geluid en geur. Dit betekent dat deze woning dus al maatgevend is voor een dierenpension annex -crematorium op Nieuwe Vaartlaan 22. De voorgenomen ontwikkeling belemmerd de ontwikkelingsmogelijkheden van Nieuwe Vaartlaan 22 niet en daarnaast zal naar verwachting, gezien de beperkte milieubelasting, sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op locatie Nieuwe Vaartlaan 18. Een ander nabijgelegen bedrijf betreft een loodgietersbedrijf aan Nieuwe Vaartlaan 16. De afstand tussen het plangebied en Nieuwe Vaartlaan 16 bedraagt ruim 70 meter. Tegenover de bedrijfslocatie van Nieuwe Vaartlaan 16 liggen de bestaande woningen van Nieuwe Vaartlaan 3 en Nieuwe Vaartlaan 5 (beiden op circa 30 meter van het bedrijfsperceel).
Op grond van de handreiking moet bij deze woningen voldaan worden aan de basiswaarden met betrekking tot geluid en geur. Dat betekent dat deze woningen maatgevend zijn voor het loodgietersbedrijf. De voorgenomen ontwikkeling belemmerd de ontwikkelingsmogelijkheden van Nieuwe Vaartlaan 16 niet en daarnaast zal naar verwachting, gezien de beperkte milieubelasting, sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op locatie Nieuwe Vaartlaan 18. Aan de Nieuwe Vaartlaan worden op enkele locatie nog hobbymatig dieren gehouden. Deze locaties liggen ruimschoots op afstand van het plangebied. Het hobbymatig houden van dieren wordt als passend beoordeeld in een landelijke en gemengde leefomgeving als kleinschalige en ondergeschikte activiteit bij een (bedrijfs)woning. Dit aspect is reeds getoetst en geaccordeerd in lijn met de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ (vastgesteld op 9 juli 2024, nog niet onherroepelijk, en opgenomen in het tijdelijke gedeelte van het Omgevingsplan van gemeente Leidschendam-Voorburg). Hobbymatig paarden houden Ter plaatse van het woonperceel, is initiatiefnemer voornemens maximaal 4 paarden te houden en een rijbak te realiseren. Hoewel er geen sprake is van een milieubelastende activiteit op basis van het Bal voor het houden van paarden, is het in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan
36
locaties de milieuzonering in ogenschouw te nemen. In de handreiking staat evenwel aangegeven dat zij niet van toepassing is op:
“Geur door het houden van paarden en pony’s voor het berijden daarvan. Paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden daarvan zijn geen landbouwhuisdieren in de zin van het Bkl en het Bal.” Zowel het houden van maximaal 4 paarden als het gebruik van de rijbak betreffen een hobbymatige activiteit. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de burgerwoning aan Nieuwe Vaartlaan 20. De afstand tussen deze woning enerzijds en rijbak anderzijds betreft 25 meter. De realisatie van de groene buffer draagt bij aan het verminderen van de milieuhinder van de rijbak ten opzichte van de woning aan Nieuwe Vaartlaan 20. Vanwege deze afstand en het hobbymatige gebruik zal de hinder vanwege geur en geluid van de rijbak niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt het hobbymatig houden van dieren als passend beoordeeld in een landelijke en gemengde leefomgeving als kleinschalige en ondergeschikte activiteit bij een (bedrijfs)woning. Dit aspect is reeds getoetst en geaccordeerd in lijn met de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Landelijk2’ (vastgesteld op 9 juli 2024, nog niet onherroepelijk, en opgenomen in het tijdelijke gedeelte van het Omgevingsplan van gemeente Leidschendam-Voorburg).
Kortom, het houden van maximaal 4 paarden levert in combinatie met een buitenrijbak aanzienlijk minder milieuhinder op voor de omliggende milieugevoelige functies dan een hoveniersbedrijf. De milieusituatie ter plaatse gaat er met dit voornemen dus op vooruit en daarmee het woon- en leefklimaat, ook ter plaatse van Nieuwe Vaartlaan 20. Conclusie Gelet op bovenstaande motivering zal met het voornemen vanuit het oogpunt van milieuzonering sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.10
Trillingen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Toetsing plan Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
37
4.11
Water
Algemeen Sinds 1 november 2003 was het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Vanaf 1 januari 2024, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is de oude term ‘watertoets’ overgegaan in ‘weging van het waterbelang’. Op 27 december 2023 heeft Waterschap de Dommel een handreiking opgesteld, die men kan naslaan bij initiatieven in de fysieke leefomgeving waarin waterbelang aan de orde is. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod, naar aanleiding van wat de handreiking voorschrijft: beschrijving waterrelevant beleid en beschrijving kenmerken van de ruimtelijke kenmerken ter plaatse van het plangebied. De weging van het waterbelang is als instructieregel voor overheden vastgelegd in het Bkl en luidt: “in een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en daarbij worden de opvattingen van de waterbeheerder betrokken.” EU-beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Rijksbeleid
Omgevingswet
De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.
Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de
38
waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 worden de provinciale opgaven beschreven in het kader van water. Het programma bevat de verplichte onderdelen om aan de Europese richtlijnen te voldoen. Dit zijn de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast bevat het programma onderwerpen als zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie. Door deze onderwerpen in één document te behandelen, kunnen deze in samenhang worden bekeken. Hoogheemraadschap Rijnland
Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' Hoogheemraadschap Rijnland
Het Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' is vastgesteld voor de periode 2022-2028. Hierin zijn de ambities van Rijnland beschreven, inclusief de richtinggevende uitgangspunten voor de planperiode. Ook de uitvoering van de opgaven wordt beschreven.
Waterschapsverordening De Rijnlandse Keur
Deze verordening van de waterbeheerder stelt wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze verordening is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet anders is bepaald. De waterschapsverordening vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een omgevingsvergunning aanvragen bij Rijnland (en een omgevingsvergunning bij de gemeente). Water- en rioleringsplan 2022-2027 Leidschendam-Voorburg In het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027, vastgesteld op 10 november 2021, is de toekomstvisie voor 2050 op de zorg voor riolering en grond- en oppervlaktewater beschreven. De volgende beleidsdoelen zijn als uitgangspunt aangehouden: • • • • •
Water- en rioleringszorg draagt bij aan een goede volksgezondheid; Leidschendam-Voorburg wordt duurzaam en klimaatbestendig gemaakt; Water- en rioleringszorg draagt bij aan een schone en prettige leefomgeving; De gemeente heeft een goede dienstverlening; De gemeente levert kwaliteit tegen een maatschappelijk verantwoord kostenniveau.
Om de ambitieuze doelen van het Water- en rioleringsplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Toetsing plan
Kenmerken van het watersysteem en toetsing wateraspecten
39
De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: beschermde gebieden, bodem en grondwater, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Om deze beoordeling zorgvuldig uit te voeren is tevens een ‘Digitale Watertoets’ uitgevoerd (zie bijlage 6) en is over het plan afstemming gezocht met het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeentelijk beleidsadviseur over rioleringen. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven akkoord te zijn. Beschermde gebieden Het plangebied is niet gelegen in een beschermd gebied of attentiegebied. Tevens ligt het niet rond primaire of regionale keringen of een afvalwatertransportleiding Bodem en grondwater In paragraaf 4.1.1 zijn de resultaten van het bodemonderzoek beschreven, waarin onder andere is gekeken naar eventuele verontreinigingen in de bodem en het grondwater. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het beoogde gebruik. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. In geval een kruipruimte onder de woning wordt aangelegd, geldt het volgende:
“Het gemeentelijke beleid is om een vloerpeil van 1 m boven de maatgevende grondwaterstand aan te houden. Deze grondwaterstand, die 1x per jaar wordt overschreden, is bepaald door de oppervlaktewaterstand van NAP-2,52 m (zomerpeil). Het zomerpeil is maatgevend omdat de maatgevende grondwaterstanden tegenwoordig als gevolg van klimaatontwikkeling ook optreden tijdens de periode dat het zomerpeil is ingesteld. Door regen zijn de grondwaterstanden onder de woning ongeveer 0,2 m boven het zomerpeil, dus op NAP-2,30 m. Om dit te bereiken dient wel een drainage te worden aangelegd rondom de woning die vanwege de slechte doorlatendheid van de bodem wordt aangesloten op de sloot. Het vloerpeil dient dus te worden gekozen op NAP-1,30 m om wateroverlast in de kruipruimte te voorkomen. Een vochtdichte vloer helpt ook, maar de ervaring leert dat deze vloer niet vochtdicht blijft in de loop van de levensduur van de woning. Het vloerpeil dient ook minimaal 0,2 m boven maaiveld te liggen om instromend hemelwater te voorkomen (NEN Binnenhuisriolering). Het maaiveld ligt volgens de Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op NAP-1,70 m, dus het benodigd vloerpeil van NAP-1,30 m ligt 0,40 m boven maaiveld. In de AHN kan ook NAP-2,00 m worden afgelezen.
Het vloerpeil dient ook minimaal 0,2 m boven de putdeksel van de drukrioleringspompput te liggen om afvoerproblemen van de afvalwaterriolering te voorkomen (NEN Binnenhuisriolering). Met bovenstaande maaiveldhoogte en vloerpeil zal dit naar verwachting het geval zijn.”
40
Oppervlaktewater Op basis van de Leggerkaart van Hoogheemraadschap Rijnland is het mogelijk om de oppervlaktewateren in de omgeving van het plangebied inzichtelijk te maken. Ter impressie zie navolgende afbeelding. Het plan is in overeenstemming met de legger oppervlaktewater.
Afbeelding 11 Uitsnede leggerkaart met rood omlijnd het plangebied
Afvalwater Ter plaatste is reeds een rioolaansluiting aanwezig (drukriolering). Daarop vindt de aansluiting van de nieuw te bouwen woning plaats. De exacte uitwerking van de aansluiting vindt plaats in lijn met de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen. Hemelwater Het regenwater dient op het eigen perceel verwerkt te kunnen worden, het liefst via infiltratie in de bodem, dan wel via afstroming op oppervlaktewater. Het hemelwater mag niet geloosd worden op de vuilwaterriolering. Uit het bodemonderzoek komt een zeer slechte doorlatendheid (K-waarden in m/etmaal < 0,01) naar voren. Dit betekent dat verwerking van het regenwater via afstroming op het oppervlaktewater het meest waarschijnlijk is. Het Hoogheemraadschap Rijnland hanteert het beleid dat bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2, de toename in verharding wordt gecompenseerd door middel van nieuw oppervlaktewater. Dit moet minimaal 15% van de toename van het aantal vierkante meters verharding bedragen. Binnen het plangebied is reeds circa 600 m2 aan verharding aanwezig. Het plan voorziet in een oppervlakteverharding van in totaal circa 550 m2. Er is daarmee geen sprake van een toename van oppervlakteverharding. Compensatie is om die reden niet noodzakelijk. Desalniettemin overweegt initiatiefnemer ter bevordering van de waterhuishoudkundige situatie een wadi aan te leggen.
De exacte uitwerking van de wadi vindt plaats in lijn met de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen. Wat betreft de wateroverlast op de toegangsweg is het voldoende om dat water te laten afstromen naar een kavelsloot. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige aspecten zijn er geen belemmeringen voor het plan.
41
4.12
Cultuurhistorie en archeologie
4.12.1 Archeologisch erfgoed Algemeen Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Omgevingswet. Toetsing plan Om eventuele archeologische waarden in het plangebied in beeld te brengen, heeft T&A Survey een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7).
Verwachting Prehistorie en Romeinse tijd: lage verwachting, omdat het terrein een nat veengebied is. Het zand zal geen podzolbodem hebben gevormd en ligt hier diep onder het veen en de klei (bijvoorbeeld een boring in DINOloket ten noordwesten van het plangebied bevat zand op 11,5 meter diepte). Ten zuiden is een boring waar het zand op 4,8 meter diep is en ten oosten op 5 meter. Die boring ten oosten is dieper doorgezet en het blijkt dat het een zandlaag is van 3,5 meter met eronder nog klei en veenlagen (dus overspoeling) en weer zand op 11,7 meter diep - mogelijk is dit het pleistocene zand). Middeleeuwen: Lage verwachting, want ontveening en landbouwperceel. Late middeleeuwen: lage verwachting, want bewoning vond plaats langs historisch dorpslint verder naar het zuiden en niet ter hoogte van het plangebied. Hier werden pas na WO2 de huidige weg en de eerste kassen aangelegd. Nieuwe tijd: lage verwachting, want het plangebied heeft deel uitgemaakt van landbouwgronden. RAAP heeft in zijn rapport over een gebied ca. 300 m ten noorden van het onderhavige plangebied het Kaartboek van Rijnland uit 1746 afgebeeld. Hier is geen bebouwing in het plangebied te zien (RAAP rapport p. 18).
De bovenlaag van het plangebied zal verstoord zijn door enkele sloten die gedempt zijn, de bouw en sloop van kassen, planten en rooien van bomen (op de topografische kaart 1958 staan bomen in het plangebied) en de bebouwing rond 1997 en later. Advies: geen vervolgonderzoek en vrijgave van het hele perceel. Het is aan de gemeente als bevoegd gezag om een besluit te nemen. Volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet geldt ook voor vrijgegeven percelen een plicht om vondsten te melden. Conclusie Op basis van de analyse van de geraadpleegde stukken, worden geen archeologische waarden verwacht binnen het plangebied. De werkzaamheden kunnen daarmee zonder verder archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
4.12.2 Cultuurhistorisch erfgoed Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het
42
Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Cultuurhistorische kaart Zuid-Holland De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De cultuurhistorische kaart ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) - kent 3 verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. De kaart bevat naast dit overzicht ook een selectie van waarden die specifiek van provinciaal belang zijn. Het gaat enerzijds om bijzondere erfgoedgebieden anderzijds om erfgoedthema’s van provinciaal belang. Daarmee is de CHS-kaart de onderlegger voor het provinciaal erfgoed van ruimtelijk belang. De erfgoedgebieden zijn: •