4593-02 Toelichting TAM-omgevingsplan Nieuwe Vaartlaan 18
Tekst van het document
TOELICHTING TAM-OMGEVINGSPLAN NIEUWE VAARTLAAN 18 (HOOFDSTUK 22B)
TAM-OMGEVINGSPLAN NIEUWE VAARTLAAN 18 (HOOFDSTUK 22B) Initiatieflocatie:
Nieuwe Vaartlaan 18, 2266 PB Leidschendam
Adviseur/contact:
FarmConsult Postbus 91 7240 AB Lochem farmconsult@forfarmers.eu Projectleider DH Opsteller SRo/DH
Datum:
februari 2026 (vaststelling)
1
Inhoudsopgave INHOUDSOPGAVE ................................................................................................ 1 1 INLEIDING ................................................................................................. 3 1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding .................................................................................................................. 3 Ligging plangebied ..................................................................................................... 4 Geldende planologische regelingen ........................................................................... 4 Leeswijzer .................................................................................................................. 5
2
PLANBESCHRIJVING .................................................................................... 6
2.1 2.2 2.3
Huidige situatie .......................................................................................................... 6 Nieuwe situatie .......................................................................................................... 7 Ruimtelijk-stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing ............................... 8
3
BELEID ..................................................................................................... 10
3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................... 10
3.1.1 3.1.2 3.2
Provinciaal beleid ..................................................................................................... 11
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3
Nationale omgevingsvisie............................................................................................10 Besluit kwaliteit leefomgeving .....................................................................................11
Omgevingsvisie Zuid-Holland ......................................................................................11 Omgevingsprogramma Zuid-Holland ............................................................................12 Omgevingsverordening Zuid-Holland ...........................................................................13
Gemeentelijk beleid ................................................................................................. 17
3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4
Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012 ..............................................17 Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf....................................................................................18 Bouwstenen Omgevingsvisie .......................................................................................21 Woonambities gemeentelijk woonbeleid ......................................................................22
4
OMGEVINGSASPECTEN.............................................................................. 23
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Inleiding ................................................................................................................... 23 Milieueffectrapportage ............................................................................................ 23 Ladder voor duurzame verstedelijking .................................................................... 24 Verkeer en parkeren ................................................................................................ 24 Luchtkwaliteit .......................................................................................................... 26 Geluid ....................................................................................................................... 27 Bodemkwaliteit ........................................................................................................ 29 Externe veiligheid .................................................................................................... 30 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................... 33 Trillingen .................................................................................................................. 37 Water .......................................................................................................................
38 Cultuurhistorie en archeologie ................................................................................ 42
1
4.12.1 4.12.2
Archeologisch erfgoed ................................................................................................42 Cultuurhistorisch erfgoed ............................................................................................42
4.13 4.14 4.15 4.16 4.17
Ecologie .................................................................................................................... 44 Gezondheid .............................................................................................................. 47 Duurzaamheid .......................................................................................................... 48 Klimaat ..................................................................................................................... 49 Kabels en leidingen .................................................................................................. 50
5
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES ....................... 51
5.1 5.2
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ................................................... 51 Wijzigen omgevingsplan .......................................................................................... 51
5.2.1 5.2.1.1 5.2.1.2 5.2.1.3
Systematiek van de bestemmingsregels .......................................................................51 Inleidende regels ....................................................................................................51 Bestemmingsregels ................................................................................................52 Algemene regels en overgangsregels .......................................................................52
5.3
Toepassing en handhaving van het plan.................................................................. 53
6 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ........................................................... 54 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ................................................... 55
7.1 7.2 7.3
Participatie ............................................................................................................... 55 Vooroverleg met overlegpartners en overige stakeholders .................................... 55 Terinzagelegging en zienswijzen ............................................................................. 56
2
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer bezit het bedrijfsperceel aan de Nieuwe Vaartlaan 18 te Leidschendam. Hoewel volgens het bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ (vastgesteld op 9 juli 2024, nog niet onherroepelijk, en opgenomen in het tijdelijke gedeelte van het Omgevingsplan van gemeente Leidschendam-Voorburg) de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hoveniersbedrijf’ aanwezig is, is er in werkelijkheid al jaren geen sprake meer van het daadwerkelijk uitoefenen van een hoveniersbedrijf. Initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen. Hiertoe wil zij graag een nieuwe woning realiseren met één of meerdere bijgebouwen, een paardrijbak aanleggen en hobbymatig paarden (maximaal 4) houden. Met de herontwikkeling van de locatie is het wenselijk dat de bestemming daarmee overeenkomstig is.
Afbeelding 1 Luchtfoto globale duiding plangebied (rood omlijnd)
Op 4 augustus 2022 heeft zij daartoe in het kader van vooroverleg een eerste inrichtingstekening ingediend bij de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de gemeente). Na meerdere beoordelingen ‘op afstand’ door de gemeente van dit plan, heeft er op verzoek van initiatiefnemer begin oktober 2023 een locatiebezoek plaatsgevonden vanuit de gemeente, waarbij disciplines op het gebied van planologie, stedenbouw, groen en vergunningverlening aanwezig waren. Naar aanleiding hiervan is er eind oktober 2023 opnieuw een advies uitgebracht over de toekomstige inrichting van het perceel (zie bijlage 1+2). Omdat de gemeente eind 2023 een ontwerp voor de integrale herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ ter inzage heeft gelegd, heeft initiatiefnemer in januari 2024 een zienswijze naar voren gebracht om de omzetting naar de passende enkelbestemming ‘Wonen - Grondgebonden buitengebied’ mee te nemen in deze herziening. Temeer, omdat ook de gemeente van mening is dat
3
de huidige bedrijfsbestemming niet meer in overeenstemming is in met een evenwichtige toedeling van functies, en de enkelbestemming 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied' meer passend is. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ heeft de gemeenteraad besloten de verzochte aanpassing van de locatie niet mee te nemen. Om die reden is in overleg met de gemeente besloten om daarvoor een afzonderlijk traject te doorlopen via een Wijziging van het Omgevingsplan (TAMIMRO). Deze ruimtelijke onderbouwing vormt de motivering dat daarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies (ETFAL) behorende tot Wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO).
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Nieuwe Vaartlaan 18 te Leidschendam, in het buitengebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het plangebied staat kadastraal bekend als Stompwijk, sectie A, nummer 1096. Het plangebied heeft een omvang van circa 2.370 m2. In onderstaande luchtfoto is de ligging van het plangebied weergeven.
Afbeelding 2 Luchtfoto met kadastrale gegevens en duiding plangebied (rood omlijnd)
1.3 Geldende planologische regelingen Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is een omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit ruimtelijke regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en rijksregels over activiteiten (de bruidsschat). In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zit onder andere het ruimtelijk plan ‘Landelijk – 2’ (vastgesteld op 9 juli 2024, nog niet onherroepelijk). De planlocatie valt hierbinnen. Voor het plangebied geldt de bestemming ‘Bedrijf’ in combinatie met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hoveniersbedrijf’ en de functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’. Ter plaatse van het bedrijfsperceel is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de bestaande gebouwen zijn gelegen. Daarnaast is de maatvoering gemaximeerd op een bebouwd oppervlak van 200 m2 en op een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 6 en 3 meter. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde -
4
Archeologie 3’ van toepassing op het gehele plangebied. Tevens geldt de gebiedsaanduiding ‘paardenbeleid agrarische gebieden’.
Afbeelding 7 Uitsnede plankaart bestemmingsplan "Landelijk-2" (plangebied rood omcirkeld)
Ondanks dat deze bestemming en functieaanduiding aanwezig zijn, is er in werkelijkheid al jaren geen sprake meer van het daadwerkelijk uitoefenen van een hoveniersbedrijf. Het planvoornemen, waarbij sprake is van het omschakelen van een bedrijfs- naar een woonbestemming en het realiseren van een vrijstaande woning met bijgebouwen, is niet direct mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Derhalve wordt een Wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO) doorlopen. Deze ruimtelijke onderbouwing vormt de motivering dat daarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies (ETFAL) behorende tot Wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO).
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt: • • • • • • •
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie en wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling; In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven; In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en die getoetst dienen te worden aan het principe van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’; Hoofdstuk 5 besteedt aandacht aan de beperkingsgebieden; Hoofdstuk 6 besteedt aandacht aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen; In hoofdstuk 7 wordt beschreven hoe het TAM-omgevingsplan is opgesteld; Gedetailleerde informatie zoals tekeningen, onderzoeksrapportages en verslagen zijn bijgevoegd in de separate bijlagen in hoofdstuk 8.
5
2 Planbeschrijving 2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen in de Westeindsche polder. De locatie is gelegen aan de Nieuwe Vaartlaan, waar naast agrarische functies ook diverse burgerwoningen, recreatiewoningen en bedrijfsfuncties aanwezig zijn. Op circa een kilometer ten noordwesten van het plangebied loopt de A4 (tussen Leiden en Den Haag). Glastuinbouwgebied Meeslouwerpolder is gelegen op circa 800 meter ten westen van het plangebied. Op afstand aan de noord- en westzijde is Rijksweg A4 gelegen en recreatiegebied De Vlietlanden. De dichtstbijzijnde kern is Stompwijk, gelegen op circa 800 meter ten zuiden van het plangebied.
Afbeelding 3 Uitsnede topografische kaart met globale duiding plangebied (rood omlijnd)
Het plangebied is ruim opgezet en heeft een totale oppervlakte van circa 2.370 m 2. Op het erf zijn diverse voorzieningen en bijgebouwen aanwezig. Rondom het perceel zijn diverse watergangen aanwezig. Aan de noordzijde grenst het erf aan een burgerwoning. In de omgeving zijn diverse burgerwoningen gelegen en enkele kleinschalige bedrijfsactiviteiten. In de polder wordt agrarisch grondgebruik afgewisseld met natuurgronden. Op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ (vastgesteld op 9 juli 2024, nog niet onherroepelijk) is op de Nieuwe Vaartlaan 18 de enkelbestemming “Bedrijf” van toepassing, waarbij de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf - hoveniersbedrijf” hoort. Ter plaatse van het plangebied worden geen bedrijfsactiviteiten meer uitgevoerd, maar is nog wel een hoveniersbedrijf ingeschreven bij de KvK.
6
2.2
Nieuwe situatie
Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing te verwijderen en een nieuwe woning met bijgebouwen en een paardrijbak te realiseren voor het hobbymatig houden van 4 paarden. Met het voornemen wil initiatiefnemer het erf herindelen en een woonfunctie ontwikkelen. In lijn met deze ontwikkeling wordt bovendien het erf opgeruimd en landschappelijk ingepast conform het ambtelijk advies van eind oktober 2023 (zie bijlage 1+2). In de toekomstige situatie is sprake van een woning met een bebouwingsoppervlakte van maximaal 150 m2. Deze wordt in lijn met het bestaande straatbeeld aan de voorkant van het perceel gerealiseerd. Op het achtererf zijn daarnaast bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 150 m2 voorzien voor de privéberging en ten behoeve van de stalling van maximaal vier paarden. De beoogde planologische inpassing daarvan middels de bestemming ‘Wonen - Grondgebonden - buitengebied’ sluit aan bij artikel 28 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Landelijk -2’, waarin ruimte wordt geboden om naast het wonen in een grondgebonden woning hobbymatig paarden te houden en een kleinschalige paardenbak, paddock of longeercirkel op te richten. Deze woonbestemming is van toepassing op alle (burger)woningen aan de Nieuwe Vaartlaan en dus daarmee eveneens passend in de omgeving.
De rijbak is voorzien op het achterste deel van het perceel en krijgt een (standaard) afmeting van 20 bij 40 meter. Deze rijbak komt hij deels binnen de bestemming ‘Wonen - Grondgebonden - buitengebied’ en de bestemming ‘Groen - 2’ te liggen (zie ook paragraaf 2.3 voor een nadere motivering daarvan). BraGIS heeft een plankaart/DWG gemaakt voor de toekomstige situatie. In onderstaande afbeelding is een impressie weergeven, de volledige plankaart is weergeven in bijlage 3.
Afbeelding 4 Impressie planvoornemen (bron: Pitbouw Advies)
7
Afbeelding 5 Uitsnede beoogde verbeelding TAM-IMRO Omgevingsplan
2.3
Ruimtelijk-stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing
De situering van de gebouwen op het erf verandert met het voornemen. De ruimtelijke uitstraling en landschappelijke inpassing worden verbeterd. Zo wordt de huidige bedrijfsbestemming met de mogelijkheid om een hoveniersbedrijf in bedrijfsgebouwen uit te oefenen (incl. de bijbehorende milieuhinder, waaronder het gebruik van bestrijdingsmiddelen) omgezet naar een voor de omgeving meer passende woonfunctie. In lijn met deze ontwikkeling wordt nieuwere, toekomstbestendige bebouwing toegevoegd en het erf heringedeeld conform het advies van de gemeente (zie bijlage 1+2). Daarmee wordt een duidelijk onderscheid aangebracht tussen een woongedeelte aan de voorkant en het meer open gebruik in het achterste deel: •
•
•
De achtergrens van de woonbestemming loopt analoog aan de woonbestemming van Nieuwe Vaartlaan 20. De situering van de woning is ingetekend achter het bouwvlak volgens het vigerende bestemmingsplan, waardoor de afstand van de bebouwing tot de Nieuwe Vaartlaan iets toeneemt; Het achterste deel waarin de paardenbak deels ligt, krijgt op voorspraak van het advies van de gemeente de bestemming ‘Groen - 2’. Nieuwe Vaartlaan 18, 20 en 22 en de houtopstand tussen 16 en 18 vormen samen een unieke opgaande groene enclave in het doorgaans open en weids agrarisch gebied. Met de ontwikkeling aan de Nieuwe Vaartlaan 18, 20 en 22 en de daarbij door de gemeente aangedragen randvoorwaarden wordt deze enclave versterkt en behouden. Op de naastgelegen percelen tussen de houtopstand en de Stompwijkseweg is het landschap weer het karakteristieke open veenweidegebied. Deze contrasten zijn kenmerkend voor het landschap en dienen behouden te blijven. Ontwikkelingen in dat open landschap dienen vooral die openheid te behouden en versterken; De bestaande natuurlijk- en landschappelijk waardevolle houtopstanden en houtwallen blijven behouden;
8
•
•
•
• •
Tussen de kavels wordt een groene buffer/omzoming ingepast met gebiedseigen beplanting om in lijn met het beleid van de gemeente meer groenwaarde te creëren om een bijdrage te leveren aan de beeldkwaliteit, historische gaafheid van het landelijk gebied en schuil- en foeragemogelijkheden te bieden voor vogels en kleine zoogdieren; Ter plaatse van de woonbestemming heeft de groene buffer een breedte van minimaal 1-1,5 meter, ter plaatse van de groen bestemming wordt een breedte van 1-3 meter in acht genomen. Bij de opzet van het plan (gebouwen, paardenbak en andere bouwwerken) wordt ter plaatse van de woon- en groen bestemming met inachtneming van het advies van de gemeente van oktober 2023 (zie bijlage 1+2) voldoende ruimte vrijgehouden voor de groene buffer. De gemeente heeft aangegeven dat er geen aparte bestemming/aanduiding nodig is voor de groene buffer; Op de bestemmingsplankaart zijn de breedtes voor de groene buffer in acht genomen bij de positionering van de bouwwerken (onder andere de paardenbak), zodat er voldoende ruimte is voor een volwaardige groene inpassing.
Tevens is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen omtrent de inachtneming van de groene buffers en de aanplant en instandhouding van de typen te gebruiken beplanting; Voor de groene buffer wordt volgens de ambtelijke organisatie te zijner tijd een verplichting opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen, waarbij de natuur- en landschapswaarden geborgd zitten in een landschapsplan dat getoetst wordt bij de aanvraag; Op de erfgrenzen komt geen bebouwing en de erfgrenzen zijn rechte lijnen haaks op de slagenstructuur. Daarmee is rekening gehouden met de landschapsstructuur ter plaatse.
9
3 Beleid In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat ruimtelijk/functioneel relevant is voor de planlocatie en de hier beoogde ontwikkeling. Het betreft hier zowel ruimtelijk beleid als facet- en sectorbeleid op de verschillende beleidsniveaus.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn, indien: •
• •
een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is, ofwel een hoog afwentelrisico kent, ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie. Ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatie mogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Toetsing plan Aangezien sprake is van een kleinschalige ontwikkeling, waarbij een vrijstaande woning met bijgebouwen en een paardrijbak worden gerealiseerd, bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen.
10
Bovendien wordt in het kader van het planvoornemen bijgedragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (zie paragraaf 2.3). De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de vergroening van het perceel dragen bij aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Er bestaan vanuit de NOVI geen belemmeringen voor de functiewijziging van Nieuwe Vaartlaan 18. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie.
3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. De instructieregels gaan over: - Algemene bepalingen; - Waarborgen van veiligheid; - Beschermen van waterbelangen; - Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; - Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; - Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; - Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, Rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën. Toetsing plan De beoogde ontwikkeling ziet op het realiseren van een nieuwe woning met een paardrijbak om maximaal vier paarden hobbymatig te houden. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij het gehele erf Nieuwe Vaartlaan 18 herontwikkeld wordt.
De herontwikkeling van de projectlocatie wordt afzonderlijk in hoofdstuk 4 van deze motivering getoetst aan de regels van de sectorale aspecten die voorvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de instructieregels.
3.2
3.2.1
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie Zuid-Holland is op 8 maart 2023 geactualiseerd vastgesteld door de provincie ZuidHolland in het kader van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. In de Omgevingsvisie worden 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving aangegeven: • • • • • •
Naar een klimaagbestendige delta; Naar een nieuwe economie: next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
11
Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: • • • • • • • • • • • •
Landschap en cultuurhistorie; Gezondheid en veiligheid; Natuur en recreatie; Ruimte en verstedelijking; Wonen; Bodem en ondergrond; Cultuurparticipatie en bibliotheken; Klimaatadaptie; Zoetwater en drinkwater; Bereikbaarheid; Regionale economie; Energievoorziening.
Toetsing plan Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Voorliggend bestemmingsplan heeft met name een relatie tot de opgaven 'Landschap en cultuurhistorie', 'Ruimte en verstedelijking' en 'Wonen'. De ontwikkeling van Nieuwe Vaartlaan 18 draagt bij aan de ambitie van de provincie Zuid-Holland om een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving te creëren. De voorgenomen ontwikkeling draagt met name bij aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De bedrijfsfunctie verdwijnt, bijbehorende verouderde bebouwing wordt verwijderd en een hoogwaardige woning wordt teruggebouwd. De diverse groenelementen in het plangebied versterken de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied. Er worden groene buffers ingepast, behoud van flora en fauna wordt zo veel als mogelijk ondersteund. Op deze manier wordt er een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving gerealiseerd. Hiermee is de ruimtelijke ontwikkeling niet alleen functioneel, maar ook toekomstbestendig en aantrekkelijk (zie ook paragraaf 2.3). Op dit punt draagt het plan goed bij aan de ambities van de omgevingsvisie. Met de andere ambities is niet direct raakvlak.
Deze vormen dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Voor wat betreft het provinciale beleid omtrent het behoud van voldoende bedrijventerreinen waar bedrijven gevestigd zijn van (milieu)categorie 3 en hoger, kan het volgende gesteld worden: •
•
In het plangebied is op dit moment op grond van het bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ planologisch een hoveniersbedrijf met een maximum bebouwd oppervlakte van max 200 m2 toegestaan. Gelet op de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn hoveniersbedrijven met een bedrijfsvloeroppervlakte van minder dan 500 m2 aan te merken als milieucategorie 2. Binnen het plangebied is dus geen sprake van een planologisch toelaatbare milieucategorie van 3 of hoger; Daarnaast betreft het plangebied een solitair perceel van 2.370 m2. Daarmee is geen sprake van een bedrijventerrein in de zin van art. 7.51a van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Conclusie Kortom, het plan is in overeenstemming met de ambities die de provincie in haar omgevingsvisie heeft verwoord.
3.2.2
Omgevingsprogramma Zuid-Holland
12
Op 6 april 2021 is door Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland het ‘Omgevingsprogramma Zuid-Holland’ vastgesteld. In dit Programma is het strategische beleid uit de Omgevingsvisie doorvertaald naar operationeel beleid en is aangegeven welke mix aan instrumenten de provincie voornemens is om in te zetten en aan wil bieden om deze doelen te realiseren. In het omgevingsprogramma is operationeel beleid opgesteld op thema’s als openbaar vervoer, elektriciteitsvoorziening, verduurzaming, wonen, cultuur en toerisme, natuur, toekomstbestendige landouw, enzovoorts. Toetsing plan In het programma zijn maatregelen opgenomen met betrekking tot het thema ‘wonen’. Specifiek gaat het hier om beleidsdoel 6-1: Voldoende juiste woningen op de juiste plek. In Zuid-Holland moeten het komende decennium 200.000 woningen worden gebouwd. Er zijn inmiddels al plannen voor het toevoegen van woningen, zowel binnen bestaande steden en dorpen als daarbuiten. De provincie wil betaalbare en passende woningbouw versnellen en zorgen dat de woningvoorraad op peil is. Aan de hand van diverse maatregelen wil de provincie bovenstaande bereiken. Zo worden er bestuurlijke afspraken gemaakt over woningbouw: bij woningbouw moet conform de ladder voor duurzame verstedelijking de behoefte te worden onderbouwd. In paragraaf 3.1.2 is reeds getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Daarnaast werkt provincie Zuid-Holland aan de diverse instrumenten voor woonbeleid. Het gaat hier om een woningbehoefteverkenning Zuid-Holland, regionale woonzorgvisies, woningbouwprogramma’s en realisatieagenda’s en toezicht houden op de Huisvestingswet. Relevante regionale programma’s worden besproken onder 3.4 gemeentelijk beleid. Al met al levert het Omgevingsprogramma gezien aard en omvang geen beperkingen op voor het uitvoeren van initiatief, wat het realiseren van één vrijstaande woning met bijgebouwen betreft. Conclusie Het plan past binnen de kaders van het ‘Omgevingsprogramma Zuid-Holland’.
3.2.3
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De Omgevingsverordening Zuid-Holland is gezamenlijk met de Omgevingsvisie op 20 februari 2019 vastgesteld en op 1 april 2019 in werking getreden. De meest recente versie van de Omgevingsverordening is op 1 april 2023 in werking getreden, waarin enkele wijzigingen zijn doorgevoerd. De Omgevingsverordening is in het kader van de Omgevingswet opgesteld. De Omgevingsverordening stelt regels over diverse aspecten welke van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving. Toetsing plan Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan het toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies. In deze ruimtelijke onderbouwing vindt deze toetsing plaats. Onderhavig initiatief betreft het realiseren van een vrijstaande woning met bijgebouw. Onderstaand wordt getoetst aan de artikelen die relevant zijn voor een dergelijke ontwikkeling. Verder dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. Onderstaand wordt dus ook aan de relevante werkingsgebieden getoetst.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 van de provinciale Omgevingsverordening staat:
13
1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als opgenomen in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d.
6.9e, 6.9f en 6.9g, zijn van toepassing, tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 6.9e, in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij i.
aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat
14
onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; ii.
indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.
8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. 9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d. 10. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g. 11. Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.10.
De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Onderhavig planinitiatief sluit goed aan op dit artikel. Door de herinrichting van het plangebied is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Ook neemt de hoeveelheid verharding af door deze herinrichting. Gezien de kleinschaligheid van dit initiatief kan dit bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (zoals gesteld in artikel 6.9 van de Omgevingsverordening, lid 5 onder a).
De ontwikkeling past namelijk binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. Door het toepassen van een goede landschappelijke inpassing met groene en natuurlijke elementen, is dit het geval (zie paragraaf 2.3). Er moet daarnaast rekening gehouden worden met de gebiedstypen, later in deze paragraaf wordt aan de gebiedstypen getoetst die van toepassing zijn op het plangebied.
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3
15
hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X; 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten aanvaarde regionale woonvisie; 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening; 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. De ladder voor duurzame verstedelijking is op deze ontwikkeling van toepassing. De ladder wordt doorlopen in paragraaf 3.1.2.
Aangezien het plangebied kleiner is dan 3 hectare, is lid 1, sub b niet van toepassing. Het plangebied ligt binnen de volgende beschermingscategorieën: Gebied met beschermingscategorie 2 Gebieden met beschermingscategorie 2 bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied. Het plangebied is aangeduid als groene buffer. In artikelen 7.41 tot en met 7.43 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen met betrekking tot de gebieden aangeduid met een beschermingscategorie. In beginsel laat een bestemmingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. Met het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit wordt rekening gehouden met de beschermingscategorie en het gebiedstype, het soort en de mate van “ingrijpendheid” van de ruimtelijke ontwikkeling. Gezien aard en omvang vormt deze aanduiding geen belemmering voor het planvoornemen. Bovendien wordt de bufferfunctie versterkt door middel van de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.3). Gebied met beschermingscategorie 3 Het gebied met beschermingscategorie 3 bestaat uit gebiedstype buitengebied.
Voor een locatie met een dergelijke aanduiding is bepaald dat een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering dienen diverse kwaliteiten met betrekking tot het landschap worden opgenomen, denk aan de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten, het groene karakter, het type functies en de ontstaansgeschiedenis. Met de realisatie van de groenstroken en buffers is rekening gehouden met bovenstaande. Conclusie provinciaal beleid Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied een passende ontwikkeling is binnen de provinciale beleidskaders.
16
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012
De Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 is vastgesteld in 2006 en herijkt vastgesteld op 25 september 2012. De structuurvisie vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers: -
versterken van de groene woonstad; verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur; beter benutten en verbeteren van de bereikbaarheid.
Afbeelding 6 Uitsnede structuurbeeld 'integrale opgaven stedelijk gebied' (plangebied rood omcirkeld)
De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Het plangebied valt binnen aanduiding ‘buitengebied’. Voor het buitengebied zijn de onderstaande opgaven geformuleerd: -
de ontwikkeling van het Regiopark optimaal benutten als een onderscheidende vestigingsfactor en aanvullende kwaliteit voor het imago van de groene woonstad; verbetering van de recreatieve mogelijkheden en ontwikkeling van nieuwe economische kansen met behoud van de agrarische functie; realisatie van diversiteit aan kwaliteiten aan de stadsranden; verbetering van de recreatieve netwerken en de stad-landverbindingen.
17
Het gehele spectrum aan woonmilieus is binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg aanwezig, van vroeg naoorlogse wijken, landgoederen, groen wonen, stedelijk wonen, vooroorlogse wijken en historische dorpen tot flatwijken. Het gemeentelijk streven is gericht op 'complete wijken' met alle voorzieningen en verschillende woningtypen in verschillende prijsklassen in aansluiten op de behoeften en de markt. Toetsing plan Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een vrijstaande woning gerealiseerd aan de Nieuwe Vaartlaan. In dit bebouwingslint zijn verschillende functies aanwezig; er wordt gewoond, gewerkt en gerecreëerd. Vanwege de kleinschaligheid van de directe omgeving, is een bedrijfsfunctie op locatie minder gewenst en is het ontwikkelen van een woonfunctie passend, vanwege de afgenomen overlast en milieuhinder voor omwonenden. De ruimtelijke kwaliteit verbetert, door de landschappelijke inpassing die wordt geleverd. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit om deze redenen goed aan op de structuurvisie en de daarin gestelde ambities en opgaven.
3.3.2
Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf
De gemeente vindt het belangrijk dat de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, de wijze waarop de bebouwing zich in het landschap manifesteert, wordt gewaarborgd en waar nodig verbeterd. Om die reden heeft de gemeente ervoor gekozen het waarborgen van ruimtelijke kwaliteit als apart beleidsveld te introduceren. Dit heeft een vertaling gekregen in een bij de regels van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ opgenomen bijlage, genaamd de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf. Ook in het recentelijke vastgestelde bestemmingsplan ‘Landelijk-2’ is de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen als bijlage bij de regels en zijn de waarden beschreven in deze toelichting. De kwaliteit vormt mede de onderbouwing om al dan niet planologisch medewerking te verlenen aan het afwijken van dit bestemmingsplan. Dit paragraaf is opgebouwd uit een beschrijving van de ruimtelijke kwaliteit op drie niveaus: structuren, bouwstenen en deelgebieden. Daarnaast zijn er verschillende zones onderscheiden waarin, afhankelijk van de locatie, verschillende deelactiviteiten of vervolgfuncties mogelijk zijn. Op lokaal schaalniveau wordt het landelijk gebied opgedeeld in zes hoofdtypen van structuren, dit zijn de dragers van het landelijk gebied. De hoofdtypen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Lintdorpen en lintwegen Dijken en keringen Waterstructuren Weidegronden Landpaden en kerkepaden Markante punten, wegen en zichtlijnen
Deze hoofdtypen worden verder uitgewerkt in kwaliteiten en beleving, bedreigingen en wensbeelden. Om bovengenoemde dragers van het landelijk gebied te behouden en te beschermen zijn deze met een dubbelbestemming cultuurhistorie aangeduid. De zes hoofdtypen van structuren zijn weer doorvertaald naar specifieke locaties waarbij per deellocatie een overzicht van de ruimtelijke kenmerken wordt gegeven. In de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf wordt een verdeling gemaakt in negen deelgebieden: •
Leidschendammerhout en Vlietland;
18
• • • • • • • •
Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder en Meeslouwerpolder; Drooggemaakte Grote Polder; Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaardpolder; Zoetermeersche Meerpolder; Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder; Duivenvoordecorridor; Nieuwe Driemanspolder; De Vliet en vlietoevers.
Toetsing plan Het plangebied ligt binnen de structuur ‘Lintdorpen en lintwegen’. Als wensbeeld voor de linten is in de Ruimtelijke Kwaliteitsparagraaf het volgende aangegeven: • • •
• • • • • • • •
Richten op de versterking van het cultuurhistorische karakter van de polderlinten door uit te gaan van het 'Stompwijkse bouwen' en door herinrichting van de wegen. Het tegengaan van de verrommeling, onder andere door het saneren van de verspreide glaslocaties, is eveneens van belang. Bouwwerken moeten zich voegen in het bestaande ruimtebeeld. Dat betekent bijvoorbeeld dat bij woningen aan een dijk, indien zij niet in de “eerste lijn” zijn gebouwd, het profiel van de dijk moet worden gerespecteerd. Een perceel voor nieuwbouw op zodanige afstand van de dijk dat het pand deel is van het open landschap wordt dus niet verhoogd. Bouwwerken als onderdeel van een bebouwingscluster (a dienen zich te voegen naar het groepsbeeld van dat cluster. Bijbehorende bouwwerken en extra woningen bij agrarische erven worden binnen het bestaande erf gerealiseerd waarbij de nieuwbouw de maat en schaal moet hebben van agrarische bebouwing. Volumeopbouw respecteert het onderscheid van voorhuis, achterhuis, schuren en dergelijke. Zorgvuldige detaillering is gewenst en van duurzame kwaliteit. Een op zichzelf staande architectuur is mogelijk mits in verhouding tot het weefsel van het lint. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost (Ontwikkelvisie Stompwijk). De ophaalbruggen worden behouden of zelfs teruggebracht. Dijk(profiel)en blijven bewaard.
Het behouden en terugplaatsen van meidoornhagen, populieren, geriefhout/hakhoutbosjes en andere kenmerkende beplanting van de linten.
Als wensbeeld randen en 'achterkanten' van de linten is het volgende opgenomen: • •
•
•
Bestaande doorzichten over erven blijven behouden. Oriëntatie en situering. Er is sprake van een dubbele oriëntatie, op het erf en het landschap. De woningen (schuren) zijn losse gestrooide objecten in de ruimte en zijn overwegend in de lengte gesitueerd in de richting van het slagenlandschap. Het karakter van het landschap wordt medebepaald door de boerenerfbebouwing, die de rafelrand naar het polderlandschap vormt. Deze bebouwing heeft forse eenduidige bouwvolumes, een herkenbare architectuur, herkenbaar materiaalgebruik en heldere situering. Daarnaast heeft de bebouwing een oriëntatie op het erf met zichten op de polders. Het is belangrijk om het karakter van boerenerven te versterken door de relatie met het omliggende landschap centraal te stellen. De kwaliteit en beleving vanaf de lintwegen en door de inrichting van de weg zelf is een cruciale factor in de realisatie van het wensbeeld van de gemeente om het authentieke karakter in stand te houden en de bereikbaarheid voor langzaam verkeer te bevorderen. De unieke meidoornhagen zijn hier een strategisch onderdeel van en worden opgeknapt en herplant waar deze verdwenen zijn. Dit wensbeeld dient te worden vertaald in een goed plan voor de verkeerscirculatie met bijbehorende low-profile verkeerstechnische uitwerking.
Daardoor ontstaat een basis om de huidige ruimtelijke kwaliteiten te behouden en het cultuurhistorische karakter te versterken. Door toepassing van streekeigen wegprofielen, bouwvolumes en
19
materialen kan de cultuurhistorische kwaliteit worden versterkt. Ook erfbeplanting draagt hieraan bij. Leibomen, solitairen en/of hagen aan de voorzijde van het erf en singels, bomenrijen of boomgaarden aan zij- en achterzijden complementeren het afwisselende dorpse en agrarische beeld. Voor de Nieuwe Vaartlaan en Van Kampenlaan (Voormalig Doctor van Noortstraat 137 - 199 alias "Laantje van Kampen") zijn de volgende waarden en kenmerken behoudswaardig:
“Deze doodlopende zeer smalle weg is ongeveer drie meter breed en ligt parallel aan de brede Nieuwe Vaart die Stompwijk verbindt met de Vliet en eindigt bij de middentocht van de Westeinderpolder. De bebouwing ligt in een vrij smalle zone; een structuur die in hoofdlijn overeenkomt met veel oude bebouwingslinten in het gebied. De weg en bebouwing zijn echter een recente ontwikkeling uit het midden van de 20e eeuw, ontstaan achter een oudere huiskavel aan de Doctor van Noortstraat langs de Stompwijkse Vaart. Daarom maakt de weg vanaf de Stompwijkse Vaart eerst een slinger om het oude erf heen. Over de hele lengte tussen de vaart en de weg liggen hoofdzakelijk recreatiewoningen. Vanaf halverwege tot het eind liggen aan de andere zijde enkele voormalige (agrarische) bedrijven die op het eind in een vrij dicht cluster liggen.” Kenmerkend voor dit lint is: • • • • •
•
De bebouwing met beplanting heeft een vrij gesloten karakter, waardoor er weinig zicht is op de vaart en weilanden. Opvallend en daardoor karakteristiek zijn de Liguster en Elzenhagen langs diverse percelen die de smalle weg inkaderen vanaf de Doctor van Noortstraat. De polderlandschappen aan weerszijden van het lint zijn nog vrij gaaf bewaard gebleven. Hoge ligging langs een hoogtesprong in het landschap. De Meeslouwerpolder aan de overzijde van de Nieuwe Vaart ligt heel herkenbaar ruim 3 meter dieper omdat deze is uitgeveend en vervolgens weer drooggemaakt. Het Laantje ligt daardoor als het ware op een podium langs de Meeslouwerpolder waarbij het dijktalud van de Nieuwe Vaart een steile rand vormt. Zicht op de bebouwingslinten van Stompwijk, het Oosteinde en het Westeinde.
Het plangebied ligt volgens de Ruimtelijke Kwaliteitsparagraaf in het deelgebied ‘Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaardpolder’. Hierbij horen de volgende gebiedskenmerken: •
• • • • • • •
De polder is voor Leidschendam-Voorburg bijzonder omdat deze nooit is uitgeveend. Het middeleeuwse slagenlandschap is hier nog behouden met een rijkdom aan kleine variaties in kavelgrenzen en het slotenpatroon. De overige polders in het plangebied zijn allemaal jongere uitgeveende droogmakerijen die vanaf 1614 tot eind 19e eeuw zijn drooggelegd; diep gelegen en met een kleibodem. Sloten langs opstrekkende kavels zijn vaak breder en grilliger dan in de latere droogmakerijen die meer planmatig in vrij korte tijd zijn heringericht. Grote langgerekte open ruimten aan weerszijden van het Oosteinde. Lintbebouwing langs wegen (deels historische bebouwing). Veel microreliëf met greppels en kreekresten. De waterstand is hoog omdat bij teveel drooglegging het maaiveld teveel in zou klinken waardoor de waarde voor weidevogels zeer hoog is; De doodlopende weg midden in de Groote Westeindsche polder (Westeinde) heeft het authentieke profiel behouden wat in de regio bijna nergens meer voorkomt. Deze is zeer smal (ongeveer 3 meter) en het laatste deel is nog onverhard; De dammen aan het Westeinde met beplanting op de hoofden en meerdere kleine (pest)bosjes.
20
Verder ligt het plangebied in ‘Zone 4’. Op grond van een tabel die is opgesteld om per zone aan te geven welke deelactiviteiten en vervolgfuncties zijn toegestaan, komt hier voor ‘Zone 4’ naar voren dat de vervolgfunctie wonen is toegestaan. Zoals is aangegeven in paragraaf 2.3 is bij de opzet van het plan het gemeentelijk advies van oktober 2023 (zie bijlage 1+2) in acht genomen. Hiermee zijn de gemeentelijke ambities betrokken uit de Ruimtelijke Kwaliteitsparagraaf met betrekking tot de structuur ‘Lintdorpen en lintwegen’ en meer specifiek voor de Nieuwe Vaartlaan, alsmede de gebiedskenmerken van de ‘Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaardpolder’ en de toegestane vervolgfunctie in Zone 4. Conclusie Dit plan voldoet aan de Ruimtelijke Kwaliteitsparagraaf.
3.3.3
Bouwstenen Omgevingsvisie
De gemeente stelt haar omgevingsvisie stap voor stap op. In 2019 is het Kompas van de Leefomgeving vastgesteld. Dit document geeft de eerste richting aan die de gemeente op wil. Het kompas bevat doelstellingen, agendapunten en hoofdkeuzes. Als belangrijke tussenstap tussen het kompas en de omgevingsvisie zijn een aantal bouwstenen opgesteld. De bouwstenen zijn een uitwerking van het kompas en vormen de agenda voor de omgevingsvisie. De keuzes in het kompas worden in de bouwstenen verder uitgewerkt. De bouwstenen zijn samen het complete verhaal die de toekomst van Leidschendam-Voorburg schetst. De 4 bouwstenen zijn: -
Groene woongemeente; Mobiliteit en bereikbaarheid; Economie en bedrijvigheid; Lokale energiestrategie en Transitievisie Warmte.
In de bouwstenen wordt beschreven hoe we de kwaliteiten van de gemeente kunnen behouden en tegelijkertijd de keuzes voor de toekomst kunnen inpassen. Toetsing plan
Groene woongemeente
De bouwsteen Groene Woongemeente stuurt op het uitbreiden van het woningaanbod, terwijl het aanwezige groen wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Dit is mogelijk door met name op binnenstedelijke locaties te bouwen. Het plangebied ligt niet binnen de stadsgrenzen. Met het planvoornemen wordt het bedrijf ter plaatse van het plangebied beëindigd, daarmee gaat gepaard dat de aanwezige overtollige bebouwing op locatie wordt gesloopt. Het aanwezige groen wordt met de extra landschappelijke inpassing versterkt. Binnen een bestaand bebouwingslint wordt dus een nieuwe woonfunctie gecreëerd, en door de toevoeging van nieuw groen wordt goed aangesloten op de ambities van deze bouwsteen.
Mobiliteit en bereikbaarheid
De bouwsteen Mobiliteit en bereikbaarheid stuurt op het benutten van de bestaande infrastructuur en het stimuleren van andere vervoerswijzen dan de auto, zoals de fiets of het openbaar vervoer. Het plangebied is goed ontsloten en in de toekomstige situatie verandert dat niet. Het parkeren kan worden opgevangen in het plangebied, waarmee onderhavig planinitiatief aansluit op deze bouwsteen.
Economie en bedrijvigheid
De bouwsteen Economie en bedrijvigheid zet in op een aantrekkelijke groene woongemeente met een uitstekend voorzieningenniveau. Daarnaast wordt gestuurd op een werkgelegenheidsgroei en een buitengebied met een economisch verdienmodel. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de realisatie van bedrijvigheid of voorzieningen. Wel zijn de aanwezige voorzieningen goed bereikbaar
21
vanaf het plangebied, waarmee er een aantrekkelijke woonomgeving wordt gecreëerd. Daarmee sluit het planinitiatief aan op deze bouwsteen.
Lokale energiestrategie en Transitievisie Warmte
De bouwstenen voor de Lokale energiestrategie en Transitievisie Warmte zetten in op de verduurzaming van de gemeente. Onderhavig planinitiatief sluit daarop aan doordat de te realiseren woning zal voldoen aan de wettelijke eisen voor nieuwbouwwoningen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de Bouwstenen omgevingsvisie.
3.3.4
Woonambities gemeentelijk woonbeleid
In de Bouwsteen groene woongemeente Leidschendam-Voorburg 2021 en de Woonzorgvisie 2022-2030 zijn de actuele thema's op het gebied van huisvesting (met eventueel daarbij behorende knelpunten) binnen de gemeente in kaart gebracht. De gemeente stelt in de Bouwsteen de volgende doelen om specifieke opgaven te behalen: -
Ruimte voor woningbouw van 4.500 tot 5.000 woningen tot 2040; Niet bouwen in het groen (uitwerking kompas: kwaliteit boven kwantiteit); Functies parkeren, economie en zorg gaan niet ten koste van groen of woningen; Gezien de bevolkingsgroei houden we rekening met extra ontwikkeling jongerenvoorzieningen, culturele voorzieningen, zorg en onderwijs.
van
Uitgangspunt is een rustig stedelijk en hoogwaardig woonmilieu. Bij de invulling van de woonopgave gaat Leidschendam-Voorburg uit van de woningbehoefte van inwoners en zet zich vooral in voor groepen waar de woningnood het hoogst is en blijft: jongeren, studenten, starters, senioren, kwetsbare inwoners, statushouders en spoedzoekers. In de Woonzorgvisie Leidschendam-Voorburg 2022-2030 heeft de gemeente op het gebied van huisvesting als ambitie vastgesteld: "Het realiseren van voldoende en kwalitatief geschikte woningen voor de verschillende doelgroepen." De opgaven die de gemeente stelt zijn: a. Het realiseren en ontwikkelen van geschikte zelfstandige woonruimtes; b. Het faciliteren en sturen op het realiseren van woonzorginitiatieven. Toetsing plan Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een vrijstaande woning met bijgebouwen gerealiseerd, die landschappelijk ingepast is. Hiermee wordt dus een zelfstandige woonruimte gerealiseerd, wat passend is binnen de Woonambities van gemeente Leidschendam-Voorburg. Hoewel niet direct ingezet wordt op groepen waar de woningnood het hoogst is, vormt het realiseren van de woning gezien aard en omvang van het initiatief geen belemmering. Bovendien is het realiseren van een vrijstaande woning in het betreffende bebouwingslint in het buitengebied, waar beperkte openbare voorzieningen aanwezig zijn, het meest passend.