4593-02 Toelichting TAM-omgevingsplan Nieuwe Vaartlaan 18
Tekst van het document
•
Kroonjuwelen: cultuurhistorische kroonjuwelen zijn unieke, zeer karakteristieke en gave erfgoedensembles van het Zuid-Hollands landschap. De provincie kent in totaal 12 kroonjuwelen die in zeer sterke mate bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van een plek of landschap. Voor kroonjuwelen geldt de algemene sturingsrichtlijn ‘behoud en versterking van cultuurhistorisch waardevolle structuren en ensembles via bescherming én passende ruimtelijke ontwikkeling’; Werelderfgoed: cultureel en natuurlijk erfgoed dat van unieke en universele waarde is, kan door de Unesco aangewezen worden tot Werelderfgoed. Zuid-Holland kent één (definitief) aangewezen werelderfgoed: het molengebied van Kinderdijk. Hiervoor bestaat ook een definitieve begrenzing, welke is opgenomen op de CHS-kaart. Daarnaast zijn er 3 werelderfgoederen genomineerd voor aanwijzing: de Romeinse Limes, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Van Nellefabriek in Rotterdam.
De erfgoedthema’s zijn: • • •
Archeologie: algemeen uitgangspunt is dat aanwezige archeologische resten in de bodem behouden moeten blijven. Waar bodemverstoring niet is te vermijden is het leidende principe: de initiatiefnemer van de bodemverstoring betaalt het benodigd onderzoek; Molens: de provincie vindt het belangrijk dat molens als beeldbepalende elementen gezien kunnen worden en kunnen blijven draaien. Daarom kent Zuid-Holland een beschermend beleid voor de omgeving van windmolens; Landgoederen; Historische landgoederen in Zuid-Holland zijn van grote betekenis voor de omgeving. Ze vormen met hun groene en statige karakter rustruimten in het stedelijk gebied.
43
•
Om er voor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een zogeheten ‘landgoedbiotoop‘ ingesteld. ; Kasteelterreinen; de nog zichtbare kasteelterreinen in de provincie zijn van grote betekenis voor de cultuurhistorie van Zuid-Holland. Ook vormen ze veelal - met hun groene karakter rustruimten in het stedelijk gebied. Om er voor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een zogeheten ‘kasteelbiotoop‘ ingesteld.
Toetsing plan Als we het plan toetsen aan de kaartlagen uit de cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland van de provincie, dan zijn de ter plaatse van het plangebied de volgende waarden (en kenmerken): • •
Archeologie: zie (sub)paragraaf 4.2.1.1 ‘Archeologie’; Landschap, kenmerken en waarden: door de veenontginningen ontstond een verkaveling die nog altijd karakteristiek is voor het veenlandschap: lange (smalle) stroken, van elkaar gescheiden door (afwaterings)sloten, met de boerderij op de kop van de kavel. Aan de veenontginning ter plaatse heeft de provincie een ‘redelijk hoge waarde’ (geel) toegekend. Met het landschapstype is rekening gehouden in de opzet van het plan (zie paragraaf 2.3);
Ter plaatse is geen sprake van waardevolle nederzettingen, windmolens, kasteel- of landgoedbiotopen, ‘kroonjuwelen’, ‘werelderfgoed, erfgoedlijnen of ‘Beeldbepalend Erfgoed’. Conclusie Het plan is uitvoerbaar voor het onderdeel ‘cultuurhistorie’.
4.13
Ecologie
Algemeen Natuurwetgeving Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).
Natura 2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader
44
voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Natuurnetwerk Nederland
Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing plan Soortenbescherming ABO Milieuconsult heeft een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd voor de planlocatie (zie bijlage 8).
Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor de beschermde plant- en diersoorten. Uit bureaustudie en het verkennend veldbezoek is naar voren gekomen dat het onaannemelijk is dat met de ingreep vaste rust- en verblijfplaatsen of andere functies van natuurwaarden worden aangetast van beschermde en Rode Lijst soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna kunnen daarom worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft ‘De Wilck en bevindt zich op 4,7 km ten oosten van het plangebied. Zie navolgende afbeelding. Gelet op de afstand, de aard en omvang van het voornemen zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Onderhavig voornemen leidt tot stikstofdepositie. Om de stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een memo opgesteld en een AERIUS-berekening voor zowel de aanleg- als de verschilfase uitgevoerd. Zie voor de memo en AERIUS-berekeningen bijlage 9 en 10. Daaruit blijkt dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie en dus niet zal leiden tot significante negatieve effecten.
45
Afbeelding 9 Ligging plangebied ten opzichte van het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied
Natuurnetwerk Nederland Voorts is het plangebied niet gelegen binnen het NNN. In navolgende afbeelding zijn de NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. Daaruit volgt dat de het plangebied op 50 meter ligt van een gebied dat tot het NNN behoort. Op onderstaande afbeelding is het plangebied ten opzichte van de omliggende NNN-gebieden weergeven. Door het plan wordt dit gebied niet aangetast c.q. doorkruist. Bovendien draagt de landschappelijke inpassing bij aan versterking van de natuurlijke waarden.
Afbeelding 10 Ligging plangebied (zie rode pijl) ten opzichte van NNN-gebieden
Conclusie Het plan is uitvoerbaar voor wat betreft het aspect ecologie.
46
4.14
Gezondheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Toetsing Handreiking Veehouderij en volksgezondheid 2.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen.
De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: • Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; • Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; • Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; • Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstofendotoxine emissie van de veehouderij; • Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie. Veehouderijen In de omgeving van Nieuwe Vaartlaan 18 zijn enkele veehouderijen gelegen. Het betreft met name grondgebonden melkveehouderijen en een paardenhouderij (adres: Westeinder 10).
In de omgeving zijn geen intensieve varkenshouderijbedrijven of intensieve pluimveebedrijven gelegen waar in voorliggend initiatief rekening mee gehouden dient te worden. Er is derhalve geen vervolg onderzoek nodig in het kader van onderhavige ontwikkeling. Kortom, gelet op de voorgenomen ontwikkeling en de afstanden zullen de veehouderijbedrijven niet worden belemmerd en vormt het aspect endotoxine geen belemmering op onderhavige locatie. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Het dichtstbijzijnde gelegen geitenbedrijf is gelegen op 2,8 km afstand ten oosten van het plangebied (adres: Geerweg 7). Er is dus geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.
47
Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Voor locatie Nieuwe Vaartlaan 18 wordt de bestaande bebouwing vervangen voor een nieuwe woning met bijgebouwen, plus het realiseren van een paardrijbak voor het hobbymatig houden van 4 paarden. Het plan leidt dus tot de oprichting van een (nieuw) milieugevoelig gebouw. Echter, de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een cultuurhistorisch polderlandschap. De bodemopbouw betreft de categorie ‘Weideveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen Meerveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen (pVc/zVc)’. Deze grond is voornamelijk geschikt voor grasland, water, of riet. Intensieve teelten, zoals boom- en fruitteelt, vindt hier derhalve niet plaats. Doordat er geen sprake is van boom- en fruitteelt en er geen verwachting is dat ooit boom- en fruitteelt plaats gaat vinden in de omgeving, vormt de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot spuitzonering geen belemmering voor het woon- en leefklimaat op locatie en een eventueel gebruik van omliggende gronden.
Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige projectlocatie zijn geen hoogspanningsleidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen herontwikkeling van Nieuwe Vaartlaan 18. Conclusie Vanuit aspect gezondheid bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen
4.15
Duurzaamheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid. Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's.
In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels. Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt de planologische ruimte voor een hoveniersbedrijf beëindigd en vervangen door het realiseren van een nieuwe woning, waarbij hobbymatig (maximaal 4) paarden
48
worden gehouden en een buitenrijbak wordt gerealiseerd. Door het verdwijnen van de milieuhinderlijke hoveniersfunctie gaat de milieusituatie ter plaatse er dus op vooruit. De nieuw te bouwen woning zal conform (B)ENG-voorwaarden gerealiseerd worden. Daarnaast wordt qua materiaalgebruik rekening gehouden met materialen die geen negatieve invloed hebben op de leefomgeving. Tot slot wordt op het erf voorzien in een passende landschappelijke inpassing. Onderhavig initiatief draagt bij aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit en ruimtelijke kwaliteit door landschappelijke inpassing en passende nieuwbouw. Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.16
Klimaat
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect klimaat. Algemeen Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt de planologische ruimte voor een hoveniersbedrijf beëindigd en vervangen door het realiseren van een nieuwe woning, waarbij hobbymatig (maximaal 4) paarden worden gehouden en een buitenrijbak wordt gerealiseerd. Door het verdwijnen van de milieuhinderlijke hoveniersfunctie gaat de milieusituatie ter plaatse er dus op vooruit.
Initiatiefnemer draagt met de toekomstige inrichting van het erf in algemene zin bij aan klimaatadaptatie, door onder andere de landschappelijke inpassing, hemelwaterberging, het materiaal gebruik en het bouwen conform (B)ENG. Het initiatief is een verbetering voor het klimaat. Conclusie Vanuit het aspect klimaatadaptatie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
49
4.17
Kabels en leidingen
Er zijn blijkens het geldende omgevingsplan en de risicokaart via Atlas van de leefomgeving in of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een planologische beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanwege het aspect kabels en leidingen bestaan geen belemmeringen voor uitvoering van het initiatief.
50
5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
5.1
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In Hoofdstuk 3 Beleid en Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. In paragraaf 5.2 wordt beschreven op welke wijze het TAM-omgevingsplan is opgesteld.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het wijzigen van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie met ´Groen´. In lijn met deze ontwikkeling wordt het erf opgeruimd en landschappelijk ingepast conform het ambtelijk eindadvies. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit van het perceel. Er wordt een nieuwe, verbeterde functie gecreëerd voor de locatie, die passend is in het gebied. Bovendien is de impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten beperkt van aard en treden er geen nadelige gevolgen voor het milieu op. De milieusituatie wordt met het plan enkel beter, gelet op het feit dat de bedrijfsfunctie beëindigd wordt. Met het plan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Wijzigen omgevingsplan
5.2.1
Systematiek van de bestemmingsregels
Voor de systematiek van het “TAM-omgevingsplan Nieuwe Vaartlaan 18” is aangesloten bij het bestemmingsplan “Landelijk-2”. Het TAM-omgevingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen in de planlocatie alsmede vormt het TAM-omgevingsplan een bindend kader voor het gebruik van gronden en opstallen in het gebied. Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen. De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in: • • • •
5.2.1.1
Inleidende regels Bestemmingsregel; Algemene regels; Overgangsregels.
Inleidende regels
Om misverstanden over de toepassing en interpretatie van het TAM-omgevingsplan te voorkomen worden in de begripsbepalingen (artikel 1) de verschillende in het plan voorkomende begrippen nader omschreven ook om de eenduidigheid bij het gebruik van het plan te bevorderen. Bij de meet- en regelbepalingen (artikel 2) wordt beschreven hoe voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan bepaalde maten gemeten dienen te worden. Alleen de begrippen en meet- en regelbepalingen die nodig zijn voor de toepassing van dit TAMomgevingsplan zijn opgenomen.
51
5.2.1.2
Bestemmingsregels
De regels, behorende bij de verschillende in het plan voorkomende functies, zijn opgebouwd, volgens een vast stramien. Elk artikel is opgebouwd volgens de onderstaande standaardindeling: • Functieomschrijving; • Beoordelingsregels; • Maatwerkvoorschriften; • Vergunningplicht voor afwijken; • Specifieke functieregels; • Vergunningplicht voor afwijken van de functieregels; • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden. Eén en ander uiteraard voor zover in dit specifieke plan van toepassing. In het voorliggende “TAM-omgevingsplan Nieuwe Vaartlaan 18” komen de volgende functies voor: Groen – 2 Het achterste deel waarin de paardenbak deels ligt, krijgt op voorspraak van het advies van de gemeente de bestemming ‘Groen - 2’. Nieuwe Vaartlaan 18, 20 en 22 en de houtopstand tussen 16 en 18 vormen samen een unieke opgaande groene enclave in het doorgaans open en weids agrarisch gebied. Met de ontwikkeling aan de Nieuwe Vaartlaan 18, 20 en 22 en de daarbij door de gemeente aangedragen randvoorwaarden wordt deze enclave versterkt en behouden. Op de naastgelegen percelen tussen de houtopstand en de Stompwijkseweg is het landschap weer het karakteristieke open veenweidegebied. Deze contrasten zijn kenmerkend voor het landschap en dienen behouden te blijven.
Ontwikkelingen in dat open landschap dienen vooral die openheid te behouden en versterken. ‘Wonen - Grondgebonden - buitengebied’ De functie 'Wonen - Grondgebonden - buitengebied’ wordt gebruikt voor het voorste deel van het plangebied waar de woning is voorzien. De regeling sluit aan bij artikel 28 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Landelijk -2’, waarin ruimte wordt geboden om naast het wonen in een grondgebonden woning hobbymatig paarden te houden en een kleinschalige paardenbak, paddock of longeercirkel op te richten. Deze woonbestemming is van toepassing op alle (burger)woningen aan de Nieuwe Vaartlaan en dus daarmee eveneens passend in de omgeving. Waarde - Archeologie 3 De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie 3' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), aangewezen voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Met de toevoeging van een archeologisch peil worden de archeologische waarden extra beschermd. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van proefsleuvenonderzoek of archeologievriendelijk bouwen.
5.2.1.3
Algemene regels en overgangsregels
Rijbak
De rijbak is voorzien op het achterste deel van het perceel en krijgt een (standaard) afmeting van 20 bij 40 meter. Deze rijbak komt hij deels binnen de bestemming ‘Wonen - Grondgebonden - buitengebied’ en de bestemming ‘Groen - 2’ te liggen, ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van wonen paardenbak’ en ‘specifieke vorm van groen - paardenbak’.
Voorwaardelijke inpassing landschappelijke inpassing
In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het plan omtrent de inachtneming van de groene buffers en de aanplant en instandhouding van de typen te gebruiken beplanting.
52
Algemene regels en overgangsregels
In het TAM-omgevingsplan is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft hier een aantal algemene bouw- en gebruiksregels en een aantal algemene afwijkingsregels. Tenslotte zijn bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het TAM-omgevingsplan.
5.3
Toepassing en handhaving van het plan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een omgevingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het omgevingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om al tijdens het opstellen van een omgevingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. De wettelijke basis hiervoor is gelegd in artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met de afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: •
•
• •
Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het omgevingsplan bij degenen die het moeten naleven. Het omgevingsplan is immers aan een ieder kenbaar gemaakt zodat wordt aangenomen dat belanghebbenden in de planlocatie op de hoogte (kunnen) zijn van de regels. Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van de planlocatie. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het omgevingsplan is echter wel wenselijk. Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in de planlocatie. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
De afdeling Handhaving is belast met de handhaving van de regels in dit TAM-omgevingsplan stelt jaarlijks handhavingsplannen op en een handhavingsprogramma voor meerdere jaren. Daarin zijn prioriteiten gesteld ten aanzien van de te handhaven zaken. In het algemeen geldt op grond van vaststaande jurisprudentie een beginselplicht tot handhaving. Dat neemt natuurlijk niet weg dat per geval moet worden onderzocht of handhaving (nog) mogelijk of proportioneel is. Een uitzondering is bijvoorbeeld concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Bij handhaving van de regels wordt onder meer aandacht besteed aan de normen met betrekking tot brandveiligheid en constructieve veiligheid, monumentenstatus, toezicht op de naleving en uitvoering van omgevingsvergunningen en de handhaving op milieuovertredingen.
53
6 Economische uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd. De memorie van toelichting bij de Omgevingswet geeft aan dat het voldoende is om, waar nodig met onderzoek, vast te stellen dat op voorhand aannemelijk is dat de functie binnen een redelijke termijn kan worden gerealiseerd. Alleen als evident is dat een functie binnen een redelijke termijn onuitvoerbaar is, moet het toedelen daarvan achterwege blijven. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. Als bij een project op voorhand onzekerheid bestaat over bovenstaande dan is het advies nader onderzoek te doen naar de economische uitvoerbaarheid en de resultaten daarvan op te nemen in deze plantoelichting.
Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaal plichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit"). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het Omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. Met wijziging van het omgevingsplan wordt een aangewezen bouwactiviteit mogelijk gemaakt waarvoor kostenverhaal verplicht is. Er wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin alle verplicht te verhalen kosten worden verhaald.
54
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Participatie
Participatie bij het planvormingstraject geeft in een vroegtijdig stadium meer inzicht in de belangen en wensen van betrokken partijen en meer gelegenheid om deze in dat traject mee te wegen. Deze paragraaf bevat een beschrijving van het participatieproces en de wijze waarop er invulling is gegeven aan het toepassen van participatiebeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg (conform art. 10.2 Omgevingsbesluit). Aangegeven wordt hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
Omgevingsdialoog
Gemeente en initiatiefnemers achten het van belang dat de ontwikkeling vroegtijdig aan omwonenden wordt toelicht en met de omgeving wordt besproken. Doel van een omgevingsdialoog is om omwonenden de informeren en in gelegenheid te stellen hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken en verbeterpunten op te halen. Voorafgaand aan de formele voorbereidingsprocedure is een omgevingsdialoog gevoerd met de buurtbewoners nabij de projectlocatie. Een samenvatting van de omgevingsdialoog is hieronder kort beschreven. Voor meer informatie zie bijlage 11. Buurtbewoners reageerden enthousiast op het planvoornemen. Wel is verzocht om tijdens de sloop- en bouwfase rekening te houden met het zwaar verkeer, omdat de gehele laan eigen weg betreft. Al met al worden er door de bewoners op de laan geen bezwaren geuit ten aanzien van de voorgenomen plannen en worden de plannen als positief ervaren. Omwonenden hebben daarnaast de mogelijkheid om te reageren in de formele procedure (zienswijzen dan wel bezwaar).
7.2
Vooroverleg met overlegpartners en overige stakeholders
In het kader van het vooroverleg met relevante overheidsinstanties, nutspartijen en andere stakeholders is een concept van het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan voor de Nieuwe Vaartlaan 18 voorgelegd. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop een reactie. De volgende overlegpartners respectievelijk stakeholders zijn uitgenodigd om een vooroverlegreactie te geven: • • • • • • • • • • • • •
Provincie Zuid-Holland; Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg; Dunea; Vereniging Erfgoed Leidschendam; Nederlandse Gasunie; Hoogheemraadschap Rijnland; Natuur- en milieufederatie Zuid-Holland; Nederlandse Aardolie Maatschappij; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Rijkswaterstaat; Stichting Duurzaam Leidschendam-Voorburg; TenneT; Veiligheidsregio Haaglanden.
55
Ontvangen overlegreacties
Hieronder zijn de van de bovengenoemde overlegpartners ontvangen reacties samengevat en - waar nodig - van een inhoudelijke beantwoording voorzien. Het omgevingsplan is voorgelegd aan de provincie Zuid-Holland. De provincie overweegt dat de ruimtelijke kwaliteit erop vooruit gaat met de functiewijziging. Het omzetten van een solitaire bedrijfslocatie in het buitengebied naar wonen, wordt op deze locatie wenselijk geacht. Bovendien geeft het plan minder vervoersbewegingen. De opzet van de kavel is in lijn met de structuur van het lint en de provincie is van mening dat voor de inpassing zorgvuldig is nagedacht aan behoud en versterken van een stevige groene omzoming. De provincie merkt op dat het terrein in de huidige situatie niet op de provinciale bedrijventerreinenkaart is opgenomen. De bestemming ‘Bedrijf’ in combinatie met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – hoveniersbedrijf’ is waarschijnlijk vanuit historische ontwikkeling ontstaan. Een alternatieve bedrijfsmatige invulling met een dergelijk kleine omvang is niet logisch. Daarom is er geen bezwaar om de huidige bestemming los te laten. Het voorliggende plan is te zien als ‘inpassing’ in categorie 2 groene buffer en categorie 3 buitengebied. De provincie kan zich vinden in het plan zoals dat nu is voorgelegd. De reactie van de provincie heeft derhalve niet tot wijzigingen geleid in het plan.
7.3
Terinzagelegging en zienswijzen
Het TAM-omgevingsplan heeft vanaf 17 oktober 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen tot en met 27 november 2025. Gedurende deze periode kon door een ieder zowel mondeling als schriftelijk een zienswijze worden ingediend. Tegen het ontwerpplan is één zienswijze ingediend. In de planregels behorende bij het ontwerp is een hoogte van 2 meter opgenomen voor hekwerken in de functie ‘Groen – 2’. In de zienswijze is verzocht om geen hekwerk toe te staan hoger dan circa 1,20 meter. De zienswijze heeft geleid tot een wijziging in de vastgestelde versie van het TAM-omgevingsplan voor de Nieuwe Vaartlaan 18. In de vastgestelde versie is de hoogte voor erf- en perceelgrensafscheidingen in de functie ‘Groen – 2’, verlaagd naar 1 meter.
56