CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4173 rapport 2023431 1_Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving d.d. 29-01-2025

Raadsvergadering 15 april 2025, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel bindend adviesrecht geven op aanvraag omgevingsvergunning bouwplan Rijnlandstraat Noord21.046 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.1.2

Beschrijving van de omgeving De Rijnlandstraat is een ruim vormgegeven laan binnen het centrum van Leidschendam. Wat betreft de inrichting is gekozen voor een brede middenberm van gras en rijen van bomen. Bomen in de straat zorgen voor een lommerrijk karakter. De Rijnlandstraat loopt parallel aan de Damlaan en biedt direct toegang tot de Oude Trambaan en de J.S. Bachlaan. De locatie aan de overzijde van de Rijnlandstraat Noord, Leytsche Hof, is op dit moment in ontwikkeling. Daar komen eveneens woningen. Aan de Rijnlandstraat Zuid zijn achttien herenhuizen gerealiseerd met vijf verschillende types in ‘paren’ geschakeld. De opzet van dit project is pandsgewijs en bestaande uit twee woonlagen in combinatie met een woonlaag onder de kap of drie volledige woonlagen. Aan de zijde van de Oude Trambaan daarentegen is de structuur met de kruising van de Rijnlandstraat wat grootschaliger. Hier vind je een appartementencomplex bestaande uit vier lagen met een plint met de commerciële en / of maatschappelijke functies. Dit complex staat in relatie tot de winkelstraat Damlaan en de Oude Trambaan. De Damlaan kenmerkt zich door zijn pandsgewijze opzet met bebouwingshoogte van 2, 3 en in een aantal gevallen 4 bouwlagen, met in de plint commerciële en / of maatschappelijke ruimten en op de bovengelegen bouwlagen de functie van wonen.

In zijn architectuur is het appartementencomplex aan de Oude Trambaan modern, in vergelijking met bijvoorbeeld de rijk gedetailleerde pandjes aan de Damlaan. Tegenover de projectlocatie staat eveneens een appartementengebouw, ‘Het Kwadrant’. Het Kwadrant ligt aan de J.S. Bachlaan op de hoek met de Oude Trambaan in het centrum van

26

Leidschendam. Het complex bestaat uit 21 luxe appartementen, verdeeld over drie woonlagen boven de plint (welke wordt gebruikt ten behoeve van parkeren en commerciële en / of maatschappelijke doeleinden). Ten westen van de projectlocatie wordt het bouwplan Damlaan 66 – 68 gerealiseerd. Dit plan bevat appartementen en, ter plaatse van de begane grond (in het steegje tussen de Rijnlandstraat en de Damlaan), aan 3 commerciële en / of maatschappelijke ruimten (van ieder circa 60 m2). Het ontwerp voor dit plan gaat uit van een aaneengesloten bouwvolume, bestaande uit 7 verschillende elementen welke gezamenlijk een architectonische eenheid vormen. Het bouwvolume aan de zijde van de Oude Trambaan gaat uit van drie tot vier bouwlagen met een kap. 3.2.2

Beschrijving van het plan Algemeen Het centrum van Leidschendam ondergaat momenteel een grote metamorfose waarbij het karakter van Leidschendam opnieuw wordt gedefinieerd. Met respect voor de omgeving herrijst op diverse locaties veelzijdige en gevarieerde bebouwing, met een historisch geïnspireerde architectuur als die van een Hollandse Waterstad. Dit is zichtbaar in de wisseling in panden, grotere en kleinere korrel in straten, wisselende dak-typologie, architectuur, wisselende hoogte van panden en daklijnen. Er ontstaat zo een kenmerkende klassieke pandopbouw met plint, midden en dak en duidelijk vormgegeven entrees. Inhoud plan Dit project bestaat uit de realisatie van de 62 woningen (8 maisonnettewoningen en 54 appartementen), met de commerciële en/of maatschappelijke ruimten (ongeveer 142 m2) en een overdekte parkeerplaats (zowel op maaiveld als verdiept) aan de Rijnlandstraat Noord. Aan het einde van deze paragraaf zijn ter illustratie enkele beeldimpressies opgenomen. Opzet nieuwbouwplan Het deelgebied Rijnlandstraat Noord ligt op de overgang van de grondgebonden herenhuizen aan de Rijnlandstraat en de appartementen van de Oude Trambaan. De twee verschillende types raken hier vervlochten.

Als antwoord hierop is de locatie Rijnlandstraat Noord, in opzet aan de Oude Trambaan een continuïteit van de grote korrel en aan de Rijnlandstraat een continuïteit van de kleine korrel. In opvolging van de korrelgrootte, ontstaan vervolgens twee typen bebouwing en daarmee twee onderdelen in het plan, namelijk het lagere deel aan de Rijnlandstraat (5 laags, tot circa 16 meter hoogte) en het hogere deel (7 laags, tot circa 19 meter hoogte) appartementen op de kop met de Oude Trambaan. Over dit deel wordt opgemerkt dat dit een verbijzondering in bebouwing met zich meebrengt die de belangrijke kruising van de verschillende structuren die elkaar ontmoeten verbijzondert en daarom een iets grovere schaal heeft. Deze bebouwing sluit daarmee goed aan op het gebouw ‘Halte Damhof’, op het appartementengebouw aan de overzijde van de straat langs de Bach-as (‘Het Kwadrant’) en op het bouwvolume van het nieuwe appartementengebouw aan de Damlaan 66 - 68. Ook sluit het bouwplan met de te realiseren appartementen qua woningtypologie aan op de in aanbouw zijnde appartementen aan overzijde van de Rijnlandstraat (project Leytsche Hof). Het plan sluit aan op de functionele en ruimtelijke structuur van de Rijnlandstraat zoals beoogd in het Masterplan. De straat is volgens het Masterplan ingericht als laan met een middenprofiel met gras, en bomen.

Het deelgebied Rijnlandstraat Noord ligt op de overgang van de grondgebonden herenhuizen verderop in de Rijnlandstraat en de appartementen van de Oude Trambaan. Het bouwplan voor Rijnlandstraat Noord legt de verbinding tussen de grondgebonden herenhuizen verderop in de Rijlandstraat (eerdere fase) en de stevigere

27

volumes langs de Bach-as, de Oude Trambaan ter hoogte van het Kwadrant en Leytsche Hof (in aanbouw). Wel worden de appartementen van het bouwplan Rijnlandstraat Noord onderbroken door een bestaande in- en uitrit. De situering van deze bestaande in- en uitrit op deze plek volgt uit een bestaande erfdienstbaarheid, waarmee de ontsluiting van de achtertuinen van de woningen en de bedrijfspanden, gelegen aan de Damlaan, wordt gewaarborgd. De openingen in de wand is logische en goed mee-ontworpen in de gevelarchitectuur. Het aangepaste plan voldoet aan de uitgangspunten en stedenbouwkundige opzet zoals opgenomen in het Masterplan Damcentrum. Ook de stedenbouwkundige toetsing bevestigt dat het voorliggende bouwplan tot een verbetering van de ruimtelijke - en beeldkwaliteit van zowel de projectlocatie op zichzelf als het Damcentrum als geheel leidt. Levendige plint De hoofdontsluiting van het bouwplan is gelegen aan de Rijnlandstraat. Vlak na het verkeerslicht met de Oude Trambaan is de entree van de garages. De uitgang van de garages is ter plaatse van het recht van weg voor de woningen en bedrijfspanden van de Damlaan. Aandachtspunt is een levendige plint. Dit wordt bereikt door in de plint meerdere functies toe te passen, namelijk 8 maisonnettewoningen, commerciële en / of maatschappelijke ruimten, een ontsluiting, 2 entrees van de appartementen en een berging voor fietsparkeren.

Aantal bouwlagen De bebouwing aan de zijde van de Rijnlandstraat Noord bestaat hoofdzakelijk uit 5 bouwlagen, behalve de bebouwing op de kop welke bestaat uit 6 bouwlagen. De bebouwing sluit daarmee aan op de bestaande nieuwbouw van de Rijnlandstraat Zuid. En het 1 verdieping hogere deel op de hoek Rijnlandstraat Noord en Oude Trambaan sluit daarmee enerzijds aan op het appartementencomplex aan de Damlaan / Oude Trambaan (‘Halte Damhof’) en anderzijds op het appartementencomplex aan de overzijde van de Oude Trambaan, langs de zogenaamde Bach-as. Verkeer en parkeren De grondgebonden maisonnettewoningen krijgen aan de voorzijde een directe ontsluiting aan de aanliggende straat. Het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord voorziet in parkeren op maaiveldniveau (openbaar, met ontsluiting via de Rijnlandstraat) en in parkeren in een ondergrondse parkeergarage. Deze beide parkeervoorzieningen worden ontsloten via 2 toegangen aan de Rijnlandstraat. In de stedenbouwkundige opzet van de openbare ruimte is het parkeren nauwelijks zichtbaar, doordat het als langsparkeren in het straatbeeld is opgenomen met groenvoorzieningen en door parkeren uit te voeren op het maaiveld (deels) onder de woningen en onder de gezamenlijke dektuinen en in de ondergrondse parkeergarage.

Het parkeren aan de achterzijde van de woningen en in de parkeergarage wordt met bovenstaande oplossing zo veel mogelijk aan het zicht onttrokken, hetgeen bijdraagt aan de kwaliteit van het woon- en leefklimaat aan de voorzijde van de woningen. In de parkeergarage op maaiveldniveau worden 41 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd en in de ondergrondse parkeergarage 53 parkeerplaatsen. Voor wat betreft de berekende parkeerbehoefte en het voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt ook verwezen naar paragraaf 4.1.3 van deze onderbouwing.

28

Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over de afname van het gedeelte openbare parkeerplaatsen. Ook is met de gemeente afgesproken dat er met een deskundige adviseur, goedgekeurd door de gemeente, een Programma van eisen (PvE) zal worden opgesteld dat door de gemeente wordt beoordeeld en goedgekeurd. De bouw van de garage kan en zal voldoen aan dit PvE. Opstuwing of verlaging grondwater door parkeergarage De constructeur heeft de eventuele obstakelvorming van het freatische grondwater door de aanleg van een parkeerkelder aan de Rijnlandstraat te Leidschendam bekeken. Op basis van de sonderingen wordt tot 6 à 7 m – NAP een doorgaand zandpakket aangetroffen. De onderkant van de parkeerkelder zit op circa 3m – NAP met lokaal nog een verdiepte funderingsstrook tot ca. 3,7 m – NAP. Onder de keldervloer blijft een doorstroomde hoogte van minimaal 3,0 m in stand. Doordat hiermee het grondwater vrijelijk kan blijven stromen (communicerende vaten) worden opstuwing of ongewenste verlagingen van de grondwaterstand door obstakelvorming niet aan de orde geacht. Ter plaatse van het bestaande theater worden de damwanden niet getrokken. Gezien de beperkte afmetingen in horizontale zin zal ook hier geen meetbare opstuwing of grondwaterstandsverlaging ontstaan doordat rondom voldoende doorstroming plaatsvindt in de watervoerende zandlagen tot 6 à 7 m – NAP.

Door middel van een modelberekening zal worden aangetoond dat e.e.a. geen gevolgen heeft voor de maximale en minimale grondwaterstanden en daarmee voor de omliggende bebouwing. Dektuin Het plan wordt tevens voorzien van een gezamenlijke dektuin / - ruimte. Dit betreft de ruimte bovenop de parkeergarage op de begane grond (zie figuur 3.1). Deze ruimte zal gedeeltelijk groen worden ingericht en zal ook waterbergend vermogen bezitten. Al het water dat op de daken wordt vertraagd afgevoerd en opgevangen in een waterberging / waterbassin. Het is een zogenaamd slim systeem: als er bergingscapaciteit nodig is door forse regenval dan zal het systeem vooraf bergingscapaciteit vrijmaken door de waterberging te lozen op de normale hemelwaterafvoer. In droge periode wordt het water gebruikt om het aangelegde groen op de daken te bewateren. Om het systeem te waarborgen wordt de tuin ook bij oplevering geheel ingericht om deze waterbergingscapaciteit te garanderen. De tuin wordt daarom ook voor een periode van 3 jaar onderhouden en op de tuin heerst een instandhoudingsplicht.

Fig. 3.1 Gezamenlijke dektuin / - ruimte Rijnlandstraat Noord

Belangen omwonenden Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de nieuwe woningen, is er gekeken of het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q. omwonenden. Daarbij is er gekeken naar met name twee aspecten: bezonning en privacy voor bestaande omwonenden.

29

Door de gekozen stedenbouwkundige opzet vormt het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord als het ware een verbindende schakel tussen de nieuwe woningen aan de Rijnlandstraat Zuid en het appartementencomplex van ‘Halte Damhof’. De bestaande bebouwing bevindt zich grotendeels aan de achterzijde van het plan, aan de Damlaan. Bij het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met een voldoende tussenruimte tussen de nieuwe woningen en het appartementencomplex van ‘Halte Damhof’. De afstand tussen het woongebouw Halte Damhof en de tot 2010 bestaande woonbebouwing bedroeg 4 meter (zie figuur 3.2). De afstand tussen het woongebouw Halte Damhof en het eerdere ontwerp van februari 2022 bedroeg 7,20 meter. De afstand tussen het woongebouw Halte Damhof en het nieuwe ontwerp bedraagt 13,37 meter (van gevel tot gevel, zie figuur 3.3).

Fig. 3.2 Portiekflats tot 2010

Fig. 3.3 Afstand nieuwbouw ten opzichte van ‘Halte Damhof’

Deze afstand van de nieuwbouw ten opzichte van de bestaande bebouwing in een stedelijk gebied wordt uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar geacht, nu de

30

nieuwbouw wat betreft functie aansluit op de reeds bestaande woonfunctie en eveneens de bebouwingshoogte aansluit op de bestaande bebouwing. De toename van een mogelijke privacy-aantasting voor de bestaande bewoners blijft daarmee beperkt en aanvaardbaar. Daarbij wordt opgemerkt dat bij de realisatie van dit bouwplan de regels uit het (privaatrechtelijke) burenrecht zullen en ook kunnen worden gerespecteerd. Het plan heeft dan ook geen onaanvaardbare gevolgen voor de privacy-situatie van omwonenden. Voor dit plan is ook de bezonningsituatie in beeld gebracht. De berekeningen zijn gevisualiseerd waarbij inzichtelijk is gemaakt wat de schaduwwerking is van het theoretische bouwvolume zoals dat mag worden gerealiseerd conform het bestemmingsplan en de schaduwwerking van het voorliggende bouwplan (Bezonningsstudie Groosman, d.d. 2 mei 2024, zie bijlage I). In deze tekeningen wordt zichtbaar dat het bouwplan minder schaduw geeft dan wat er mogelijk is volgens de uitwerkingsregels uit het bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat dit bouwplan wat betreft bezonning en privacy gunstiger is voor omwonenden dan ingeval de maximale uitwerkingsmogelijkheden zouden zijn benut uit het vigerende bestemmingsplan. Erfdienstbaarheid Voorts wordt in dit kader nog stilgestaan bij de bestaande erfdienstbaarheid (‘recht van weg’) welke op het plangebied ligt.

Op één van de kadastrale percelen van de projectlocatie, gemeente Veur sectie B, nummer 6578, is een ‘recht van weg’ (erfdienstbaarheid) gevestigd ten gunste van de percelen Damlaan 46 t/m 58. Door middel van de erfdienstbaarheid wordt de achterzijde van deze percelen ontsloten vanaf de Rijnlandstraat. De ligging van de erfdienstbaarheid is in de daarop betrekking hebbende kadastrale akte specifiek beschreven. In eerdere plannen is overwogen om de betreffende erfdienstbaarheid te verplaatsen. Dit stuitte echter op veel bezwaren van de eigenaren van het heersende erf (dus degenen die het recht hadden om gebruik te maken van de ontsluiting). Met onderhavig plan worden de bestaande rechten echter gerespecteerd (de ligging van de erfdienstbaarheid wijzigt dus niet, zie figuur 3.4).

Fig. 3.4 Overzicht ‘recht van weg’

Theater Het tegen het plan aan gelegen theater heeft deuren en ramen aan de zijde van het nieuwbouwplan. De Rijnlandstraatgevel van het theater moet dicht worden gemaakt, om het

31

plan uit te kunnen voeren. De ramen en deuropeningen van de Rijnlandstraatgevel van het theater worden verplaatst naar de beide zijgevels van de theateruitbouw. Daarover is overeenstemming bereikt met het theater. Voorts wordt een extra vluchtweg vanuit het theater gemaakt die aansluit op het achterpad (pad dat bij het nieuwbouwplan hoort), dan wel aansluit op het bouwplan (bijvoorbeeld de parkeergarage in). De exacte positie van deze vluchtweg zal nader worden bepaald. De kosten voor de aanpassingen aan het theater worden gedragen door de ontwikkelende partij. Conclusie Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende bouwplan weliswaar afwijkt van de bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’, maar wel resulteert in een goede aansluiting op bestaande bebouwing en daarmee in een kwalitatiefruimtelijke verbetering voor dit gedeelte van Leidschendam-Centrum. De stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van het plan is inmiddels in het supervisieteam aan de orde geweest en akkoord bevonden. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt het bouwplan daarom positief beoordeeld en bestaat bovendien geen bezwaar tegen de afwijkingen van (de uitwerkingsregels uit) het vigerende bestemmingsplan.

Fig. 3.5 Begane grond nieuwe situatie

Fig. 3.6 Voorgevel Rijnlandstraat

32

Fig. 3.7 Achtergevel

Fig. 3.8 Hoek Rijnlandstraat – Oude Trambaan

Fig. 3.9 Zijde Halte Damhof

3.2.3

fig. 3.10 Zijde steegje richting Damlaan

Welstand Op 15 oktober 2024 is het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord behandeld in de Welstandsen monumentencommissie. De commissie is onder voorbehoud van het kleur- en materiaalgebruik akkoord met het voorliggende bouwplan: het bouwplan voldoet zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot zijn omgeving aan redelijke eisen van welstand. Voor zover relevant voor de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning is de conclusie dat ook in welstandstechnische zin (welstand zowel beoordeeld op zichzelf als in relatie tot de omgeving) geen belemmeringen bestaan voor het realiseren van de afwijkingen van het vigerende bestemmingsplan.

33

4.

VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied.

4.1 4.1.1

Parkeren Inleiding De parkeerbehoefte voor het centrumgebied van Leidschendam als geheel is ingeschat aan de hand van landelijk gehanteerde kencijfers, gecombineerd met de gegevens over de feitelijke situatie in het Damcentrum. Deze parkeerbehoefte is vertaald naar een integrale parkeerbalans voor het gehele centrumgebied. Bij de behandeling van de beroepen tegen het goedkeuringsbesluit van dit bestemmingsplan heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze parkeerbalans als niet in geding zijnde uitgangspunt bevestigd en gehanteerd. Op 31 oktober 2017 is deze parkeerbalans (geactualiseerd) vastgesteld door de raad. De uitgangspunten en systematiek van de balans voldoen nog steeds.

4.1.2

Toetsing parkeren Nota Parkeernormen 2023 In de Nota Parkeernormen 2023 staan de parkeernormen voor auto en fiets. Hieraan moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de norm mag worden afgeweken. Daarnaast heeft de gemeente voor Leidschendam Centrum een apart parkeerbeleid vastgesteld, waarbij parkeernormen per nieuwbouwproject op basis van maatwerk worden berekend. Parkeerberekening Voor het nieuwbouwplan aan de Rijnlandstraat Noord heeft Future Mobility een mobiliteitsvisie opgesteld (Mobiliteitsvisie, Rijnlandstraat Noord Leidschendam, 23 juli 2024, zie bijlage II). Deze mobiliteitsvisie bevat een parkeerbalans voor de auto- en fietsparkeervraag voor de ontwikkeling aan de Rijnlandstraat, met de normen die de gemeente LeidschedamVoorburg heeft toegekend aan het programma van deze ontwikkeling. Daarnaast wordt in deze mobiliteitsvisie het toepassen van de mogelijke mobiliteitscorrecties op de parkeereis belicht voor het toepassen van een excellente fietsenstalling en deelmobiliteit. Future Mobility komt daarbij tot de volgende parkeervraag c.q. parkeerbalans (zowel voor auto- als voor fietsparkeren).

Autoparkeervraag De gemeente Leidschendam-Voorburg hanteert specifieke parkeernormen voor verschillende typen woningen en commerciële en / of maatschappelijke ruimtes. Bij toepassing van deelmobiliteit met deelauto’s kan een reductie van 15% op de parkeereis worden verkregen. Voor de woningbouwprojecten Damlaan en Rijnlandstraat Noord is afgesproken dat ze gezamenlijk aan de deelmobiliteitseisen mogen voldoen. De toevoeging van vier deelauto’s aan de Damlaan zorgt ervoor dat ook Rijnlandstraat Noord voldoet aan de reductie-eisen. Na toepassing van deze mobiliteitscorrecties bedraagt de totale parkeereis 51 parkeerplaatsen.

34

Het huidige parkeeraanbod is weergegeven in figuur 4.1. Er zijn 54 parkeerplekken ontwikkeld. De parkeervraag voor auto’s (inclusief deelauto’s opgelost bij de Damlaan) is 51, dus er is een overschot aan parkeerplekken van 3 (zie parkeerbalans, fig. 4.2).

Fig. 4.1 Parkeerkelder (53 parkeerplaatsen)

Fig. 4.2 Parkeerbalans autoparkeren

In de parkeergarage op maaiveldniveau worden 41 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd (zie figuur 4.3) en in de ondergrondse parkeergarage 53 parkeerplaatsen (zie figuur 4.1). Met de gemeente zijn afspraken gemaakt over de afname van de 41 openbare parkeerplaatsen op maaiveldniveau.

Fig. 4.3 Parkeren maaiveldniveau (41 parkeerplaatsen)

35

Fig. 4.4 Rijrichtingen en ontsluitingen nieuwe situatie Fietsparkeren Van de 62 eenheden beschikken alle woningen over een eigen fietsenberging (zie fig. 4.4). Om fietsgebruik te stimuleren is het van belang de toegankelijkheid van de fietsenbergingen zo goed mogelijk te borgen. Omdat alle woningen over een berging beschikken wordt er reeds voldaan aan de fietsparkeereis voor bewoners. De gezamenlijke fietsenstalling is hiermee een extra toevoeging aan plan waarmee fietsen worden gestimuleerd. Deze bergingen zijn minimaal 5 m2. Dit is voldoende om de fietsen comfortabel te stallen. De fietsenbergingen zijn vanwege de toegankelijkheid bij voorkeur zo veel mogelijk op de begane grond. Voor het bezoekers fietsparkeren en de fietsparkeervraag van de commerciële en of maatschappelijke ruimtes zijn 39 fietsparkeerplekken benodigd (zie fig. 4.5 en fig. 4.6). Deze kunnen in de buitenruimte worden gepositioneerd.

36

Fig. 4.5 Parkeerbalans fietsparkeren

Fig. 4.6 Overzicht fietsparkeren (in fietsenstalling en in 62 bergingen)

Op pagina 12 van de mobiliteitsvisie wordt nog een mogelijke inrichting gegeven van de fietsenstalling. Wellicht wordt deze inrichting gekozen, mogelijk een andere: hoe dan ook wordt gezorgd voor voldoende parkeerplaatsen voor de fietsen. Conclusie Gelet op het bovenstaande kan gesteld worden dat met de realisatie van het bouwplan geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk op de directe omgeving.

37

4.2 4.2.1

Verkeer Verkeerseffecten van het plan Vanwege de toevoeging van wonen (en overige functies) is door Goudappel onderzoek uitgevoerd naar de verkeerseffecten van deze ontwikkeling aan de Rijnlandstraat Noord. Daarbij is ook de voorgenomen ontwikkeling aan de Damlaan 38 - 40 meegenomen. (Mobiliteitsstudie Damlaan 38 – 40 & Rijnlandstraat Noord Leidschendam, d.d. 20 mei 2024, zie bijlage III). De nieuwe woningen genereren extra verkeer. De hoeveelheid verkeer, bepaald met behulp van landelijk te hanteren kencijfers, is vastgelegd in CROW-publicatie 3812. In deze publicatie zijn voor verschillende functies kencijfers voor de verkeersgeneratie en het benodigd aantal parkeerplaatsen opgenomen. In de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en ligging ten opzichte van het centrum. De verkeersgeneratie van woonfuncties wordt bepaald door het CROW-kencijfer te vermenigvuldigen met het aantal te realiseren wooneenheden. Dit resulteert in een verkeersgeneratie per weekdagetmaal. Vervolgens kan dit vertaald worden naar werkdagetmaal en het aantal verplaatsingen per ochtend-/avondspits. Uit de mobiliteitsstudie blijkt dat ook na realisatie van de plannen sprake is van een goede doorstroming op de aansluitende Rijnlandstraat en de kruispunten Oude Trambaan – Rijnlandstraat en Damhoudersstraat – Nieuwstraat. Er is sprake van een acceptabele verkeerssituatie.

4.2.2

Relatie met een "Duurzaam Veilige" wegencategorisering Beleidsmatig wordt op rijks-, provinciaal - en gemeentelijk niveau gestreefd naar een Duurzaam Veilige inrichting van de wegenstructuur. Eén van de belangrijkste principes van Duurzaam Veilig is het categoriseren van wegen en afstemming van functie, vorm en gebruik. Alle wegen binnen het Damcentrum zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen met een maximale snelheid van 30 km/uur. Een belangrijk kenmerk van erftoegangswegen is de menging van verkeers- en verblijfsfuncties. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen aanwezig, automobilisten moeten door de inrichting van deze wegen het idee krijgen dat zij hier als het ware te gast zijn. Dit principe sluit aan bij de kernuitgangspunten voor de herinrichting van het Damcentrum. De weginrichting moet automobilisten ook stimuleren om hun snelheid aan te passen. De in- en uitrit van de binnenplaats, parkeerplaats op maaiveldniveau en de ondergrondse parkeergarage is gesitueerd aan de Rijnlandstraat. Het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord vraagt verder geen bijzondere inrichtingsmaatregelen of overige maatregelen. Vanuit dit oogpunt is verwezenlijking van het project dan ook aanvaardbaar.

38

5.

OMGEVINGS- EN MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk bevat een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Ook wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op de ecologische aspecten en consequenties van het bouwplan (gevolgen voor flora & fauna).

5.1

Geluid Voor de planologische inpassing van dit plan aan Rijnlandstraat Noord te Leidschendam dient te worden voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder. In dit geval is wegverkeerslawaai van belang. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Van Kooten Akoestisch Advies (Akoestisch onderzoek, Rijnlandstraat Noord in Leidschendam, d.d. 23 januari 2025, zie bijlage IV). Van Kooten Akoestisch Advies komt tot de volgende overwegingen en conclusies. §

De geluidsbelasting vanwege de gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 61 dB. Hiermee wordt wel de standaardwaarde van 53 dB, maar niet de grenswaarde van 70 dB overschreden.

§

Uit een afweging van de mogelijkheden blijkt dat het niet goed mogelijk is de geluidsbelasting vanwege de maatgevende wegen Oude Trambaan, de JS Bachlaan of de Rijnlandstraat te reduceren middels maatregelen. Voor de inhoudelijke argumenten wordt kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek.

§

De nieuw te bouwen woningen kunnen voldoen aan het geluidbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Daartoe dienen wel maatregelen te worden toegepast.

§

In hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek is een maatregeladvies opgenomen, waarbij er voor een aantal woningtype meerdere opties mogelijk zijn.

§

Middels het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwplan Rijnlandstraat noord en toevoeging van dit rapport wordt aan de gemeente Leidschendam- Voorburg verzocht om af te wijken van de standaardwaarde van 48 van het Bkl. Door het toepassen van maatregelen aan de buitenruimten en in de geluidwering van de woningen wordt ondanks de verhoogde geluidsbelasting een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd.

§

De berekende afwijking van de standaardwaarde betreft: - 62 woningen, geluidsbelast vanwege gemeentelijke wegen tot maximaal 61 dB.

Conclusie Met het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwplan Rijnlandstraat noord wordt aan de gemeente tevens verzocht om af te wijken van de standaardwaarde van 48 van het Bkl. Door het toepassen van maatregelen aan de buitenruimten en in de geluidwering van de woningen (genoemd in hoofdstuk 4 van het akoestisch onderzoek) wordt ondanks de verhoogde geluidsbelasting een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd. Geluid is dan ook geen belemmering voor de realisatie van dit nieuwbouwplan.

39

5.2

Milieuzonering Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer, deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen).

Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en milieuzonering’). Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn diverse centrumfuncties aanwezig. Het betreft horecagelegenheden, winkels, dienstverlenende bedrijven en maatschappelijke functies. Dat betekent dat de directe omgeving van de ontwikkellocatie kan worden aangemerkt als een omgevingstype ‘gemend gebied’. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het omgevingstype 'gemengd gebied' zijn deze functies direct aangrenzend aan het plangebied toegestaan (ook ten aanzien van deze functies wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure). In dit kader is het van belang om stil te staan bij de afstand tot het aan de Damlaan, en de steeg naar de Damlaan, gelegen theater (Het Veur Theater). De VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geeft voor theaters een richtafstand van 30 meter. Vanwege de omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag deze afstand met één afstandsstap worden verkleind. Dat betekent dat er een richtafstand geldt van 10 meter. Daar wordt dan echter niet aan voldaan.

In de nieuwe situatie wordt echter tegen het theater aan gebouwd. Dat geldt voor de nieuwbouw voor wat betreft de begane grond (zijnde de parkeergarage). Er zal echter een zodanige bouwkundige afscheiding zijn ten opzichte van de woningen, dat ter plaatse van de woningen geen relevante overlast is te verwachten. Dit geldt eens te meer nu de nieuwbouw aansluit op het theater ter hoogte van de parkeergarage. Gelet op deze situering kan worden uitgegaan dat van het theater geen relevante overlast is te verwachten en dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal heersen. Hierbij kan nog opgemerkt worden dat de activiteiten in het theater hoofdzakelijk in de avond plaatsvinden. Overdag zijn de activiteiten beperkt. Mocht er al sprake zijn van overlast, dan is dat altijd beperkt.

40

Kortom: In de (directe) omgeving van het bouwplan zijn geen bedrijven en / of instellingen aanwezig die een onaanvaardbaar milieubelastend effect kunnen hebben op het bouwplan aan de Rijnlandstraat. Tevens zijn er geen negatieve en / of belemmerende milieu-effecten te verwachten vanuit het bouwplan op omliggende functies.

Fig. 5.1 Begane grond (aansluiting op theater)

Fig. 5.2 Begane grond (aansluiting op theater)

Conclusie Gelet op het voorgaande bestaan er vanuit het oogpunt van ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan. 5.3

Luchtkwaliteit Algemeen Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels rondom lucht veranderd. De overheid toetst minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Dit hoeft niet als een project geen of weinig luchtverontreiniging veroorzaakt. Het project draagt

41

dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde is dan niet nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit artikel 5.54 onder b blijkt dat tot 1.500 woningen er sprake is van een standaardgeval ‘niet in betekenende mate’. Planspecifiek Het betreft hier de toevoeging van 62 woningen en 142 m2 commerciële en / of maatschappelijke ruimte. Dat betekent dat voldaan wordt aan de eisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) met betrekking tot luchtkwaliteit. Conclusie Er bestaan voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen. 5.4 5.4.1

Flora en fauna Algemeen Algemeen In de toelichting van een omgevingsplan, en van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Gelet op het feit dat het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling niet gewijzigd zijn, kunnen de conclusies uit het rapport als motivering aan dit plan ten grondslag worden gelegd.

5.4.2

Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet natuurbescherming Rijnlandstraat ong. te Leidschendam, Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming, d.d. 7 december 2023, bijlage V). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. § §

Ten aanzien van gebiedsbescherming en houtopstanden worden geen negatieve effecten verwacht. Ten aanzien van soortenbescherming is er potentie voor; gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek verschilt per soort, namelijk: -

Gierzwaluw: Aanvullend onderzoek naar gierzwaluwen bestaat uit 3 veldbezoeken uitgevoerd in de periode 15 mei – 15 juli.

-

Gebouwbewonende vleermuizen:

42

Aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen bestaat uit 7 veldbezoeken uitgevoerd in de periode 15 april – 1 oktober. Dit is inclusief onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen. §

Verder dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels.

Conclusie Uit het voorgaande blijkt er nader onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de gierzwaluw en de gebouwbewonende vleermuizen. Het is niet uitgesloten dat er een ontheffing nodig is. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag onder voorwaarden die ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (bijv. bij huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Uit het onderzoek van Blom Ecologie blijkt dat er vooralsnog geen redenen bestaan om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen niet verkregen zouden kunnen worden, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd. De uitvoerbaarheid is echter niet in het geding. In dit kader kan nog worden opgemerkt dat aan het gebouw voorzieningen worden aangebracht voor (gebouwbewonende) dieren (zie hieronder figuren 5.3 en 5.4).

Fig. 5.3 Maatregelen aan de voorgevel

Fig. 5.4 Maatregelen aan de achterzijde

5.4.3

Effectbeoordeling stikstofdepositie Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo onderzoek stikstofdepositie Rijnlandstraat Noord Leidschendam, 12 juni 2024, bijlage VI*). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen.

43

§

§ §

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden. In de aanlegfase dient dan wel een elektrische kraan te worden ingezet. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor het plan hoeft ingevolge artikel 2.8 Wnb geen passende beoordeling gemaakt te worden vanwege stikstofdepositie.

* Inmiddels is de landelijke berekeningsmethode (AERIUS) opnieuw geactualiseerd. Het onderzoek dient dus ook te worden geactualiseerd. Opgemerkt wordt dat ten tijde van het verlenen van de vergunning er een stikstofberekening zal liggen op basis van de dan geldende AERIUS-versie. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van stikstof geen belemmeringen zijn te verwachten. 5.5 5.5.1

Externe veiligheid Inleiding Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: § Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waar opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. § Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstandenrekenkundig te bepalen.

44

5.5.2

Relevante risicobronnen voor het projectgebied Om inzicht te verkrijgen in voor het projectgebied van het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord relevante risicobronnen is gebruik gemaakt van de provinciale risicokaart, GEO-Web Haaglanden en het bedrijvenbestand van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

5.5.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties Zowel binnen als direct buiten het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen resp. locaties gelegen (zie ook risicokaart hieronder, fig. 5.5). 5.5.2.2 Route gevaarlijke stoffen Door de gemeenteraad is geen route gevaarlijke stoffen vastgesteld. Wel zijn door het rijk binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg de rijksweg A4 (Rotterdam-Leiden) en A12 (Utrechtsebaan) aangewezen als routering voor gevaarlijke stoffen, conform het zogenaamde basisnet (Wet basisnet, staatsblad 2013-307). Uit bijlage I van de Regeling basisnet (in werking d.d. 1 april 2015) blijkt dat voor de A4 ter hoogte van Leidschendam een afstand van 13 meter geldt ten aanzien van het PR-risicoplafond (bij de zogenaamde 10-6 contour). Uit de Regeling basisnet blijkt dat voor de A12 ter hoogte van Leidschendam een afstand van 48 meter geldt ten aanzien van GR-risicoplafond (bij de zogenaamde 10-7 contour). De afstand van het projectgebied tot de A4 is bedraagt meer dan 500 meter en tot de A12 circa 3.000 meter. Aan die basisnetafstanden wordt dus ruimschoots voldaan. Men dient wel te bedenken dat bij een ongeval met giftige stoffen een invloedsgebied geldt van 4 km en zodoende het plangebied binnen de 4 km zone komt.

Bij nieuwbouw is het niet mogelijk om maatregelen te treffen aan de risicobronnen, maar het beheersen en verminderen van het effect op een incident is wel mogelijk. Te denken valt aan het goed sluiten van ramen en deuren en het uitzetten van mechanische ventilatie, wanneer een ongeval plaatsvindt. Het aspect Externe Veiligheid bij transport van gevaarlijke stoffen is geen belemmering voor het bouwplan. Toekomstige bewoners zullen zich echter bewust moeten zijn van bovenstaande risico’s. 5.5.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water In de omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de Vliet / Zuidvliet vindt alleen zeer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is echter niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van de externe veiligheid. De Vliet / Zuidvliet is van lokale dan wel regionale betekenis maar vervult voornamelijk een toeristische functie en minder een goederentransportfunctie. Ook voor de toekomst worden met betrekking tot de externe veiligheid in relatie tot vervoer van gevaarlijke stoffen in de binnenvaart binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg, en dus voor het projectgebied, geen knelpunten verwacht. 5.5.2.4 Buisleidingen Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat binnen resp.

in de directe omgeving van het projectgebied geen hogedruk-aardgasleidingen aanwezig zijn. Ook andere leidingen die voor de externe veiligheid relevant zijn, zijn niet in of nabij het projectgebied aanwezig.

45

Fig. 5.5 Uitsnede risicokaart (blauwe pijl: projectlocatie)

5.5.3

Conclusie Externe veiligheid is voor de in het projectgebied voorziene nieuwe ontwikkeling geen relevant thema. Het plaatsgebonden risico resp. het groepsrisico zal niet worden gewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie, noch van de situatie zoals die in het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’ in juridisch-planologische zin is voorzien.

5.6 5.6.1

Water Inleiding In de waterparagraaf komen de relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in de planlocatie. De planlocatie ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer in de planlocatie. Tevens is het hoogheemraadschap in het kader van het vooroverleg betrokken bij het tot stand komen van ruimtelijke plannen.

5.6.2

Wettelijk kader Europa Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

46

Nationaal Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar.

Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Provinciaal Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 worden de provinciale opgaven beschreven in het kader van water. Het programma bevat de verplichte onderdelen om aan de Europese richtlijnen te voldoen. Dit zijn de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast bevat het programma onderwerpen als zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie. Door deze onderwerpen in één document te behandelen, kunnen deze in samenhang worden bekeken.

47

Lokaal Waterbeheerprogramma Hoogheemraadschap Rijnland Op 30 maart 2022 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland het nieuwe Waterbeheerprogramma ‘Water wijs de Weg’ (WBP6) vastgesteld. In het WBP6 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2022-2028. De kerntaak van het Hoogheemraadschap van Rijnland is van oudsher het gebied nu en in de toekomst beschermen tegen overstromingen en wateroverlast, en het realiseren en behouden van een goede waterkwaliteit. Daarnaast richt Rijnland zich op het (op een duurzame wijze) zuiveren van het afvalwater. Evenals in het WBP5 staat in het WBP6 samenwerken met de omgeving aan water (ook) centraal. Het WBP6 beschrijft de veranderingen in de omgeving die invloed hebben op het waterbeheer, waarbij in meer algemene zin de klimaatverandering uitdagingen met zich mee brengt. Vanuit de kerntaak werkt Rijnland aan een toekomstbestendige en duurzame leefomgeving. Goed waterbeheer speelt een belangrijke rol ten aanzien van de stijgende zeespiegel, overstromingsgevaar, waterschaarste, bodemdaling, afnemende biodiversiteit, te hoge stikstofuitstoot, woningbouw(vraag) en circulaire economie. Waterschapsverordening (‘de Keur’) en uitvoeringsregels Het Hoogheemraadschap van Rijnland is als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Waterschapsverordening, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.

Het gaat onder meer om regels voor handelingen in of nabij: - Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); - Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); - Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); - De bodem van kwelgevoelige gebieden. Tevens zijn er regels voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur in werking getreden met de daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat voor handelingen met een klein risico uit van een ‘ja, tenzij’ benadering; deze handelingen vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een vergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. 5.6.3

Waterbeleid In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van 'water'. Centraal uitgangspunt van het waterbeleid is, dat water meer ruimte moet worden gegeven om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Daartoe worden twee drietrapsstrategieën als doelstelling gegeven: • ten aanzien van de waterkwantiteit: vasthouden - bergen - afvoeren; • ten aanzien van de waterkwaliteit: schoonhouden - scheiden - zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als het beperken van bodemdalingen en het vergroten van de ecologische potenties van water inclusief de oeverzones van belang. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als:

48

• • • • • •

meer ruimte voor water; meer ruimte voor een relatie tussen het stedelijk water en water in het omliggende gebied; vergroting van het waterbergend vermogen, met name in de stadsranden; verbetering van de waterkwaliteit; vergroting van de belevingswaarde van water; kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water.

De opties voor uitbreiding van de bergingscapaciteit in en rond het projectgebied zijn beperkt, omdat het bestaand stedelijk gebied betreft dat van oudsher vrijwel geheel verhard is. 5.6.4

Watertoets Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord wijkt op de in paragraaf 1.2 van deze onderbouwing beschreven onderdelen af van het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’ uit 2005. Deze afwijkingen zijn echter niet zodanig, dat als gevolg daarvan beïnvloeding van de in het vigerende bestemmingsplan beschreven waterkwaliteit en -kwantiteit verwacht kan worden. Het aantal m2 verhard oppervlak dat in het bouwplan concreet wordt gerealiseerd, is ongeveer gelijk aan de maximale bouwmogelijkheden die in het vigerende bestemmingsplan zijn vastgelegd. Het huidige bestemmingsplan biedt binnen de uitwerkingsregels immers de mogelijkheid om het gehele plangebied te bebouwen en dus te verharden. Onderhavig van het bestemmingsplan afwijkende plan is voor een nieuwe watertoets aan het Hoogheemraadschap van Rijnland voorgelegd. Door het Hoogheemraadschap is aangegeven dat er zij geen belangen heeft ter plaatse van de projectlocatie en dat de toename van verharding beperkt is.

Bij e-mailbericht van 20 januari 2025 (zie bijlage VII) heeft het Hoogheemraadschap Rijnland aangegeven positief te kunnen instemmen met het plan.

5.6.5

Watersysteem Het plan is gelegen binnen het boezemgebied (zomerpeil NAP min 0,61 m, winterpeil NAP min 0,64 m). Aan de westzijde van het plangebied ligt de landscheiding en de Klein Plaspoelpolder in het beheersgebied van Rijnland met een waterpeil van NAP – 1,0 m.

49

Fig. 5.6

Legger Hoogheemraadschap Rijnland

Zoals uit bovenstaande uitsnede van de legger blijkt, ligt het plan niet in de invloedzone van waterkeringen of persleidingen.

Fig. 5.7 Toekomstige ligging watersysteem nabij plangebied

5.6.6 Riolering en afkoppeling 5.6.6.1 Afkoppeling en vervanging riolering In het gehele Damcentrum wordt gestreefd naar het maximaal afkoppelen van de schone verharde oppervlakte en het deels vasthouden van het water binnen het verharde gebied. De schone verharde oppervlakte wordt zo min mogelijk aangesloten op de riolering.

50

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in-)filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de Strandwal ligt een gescheiden stelsel waarop aangesloten moet worden. Dit hemelwaterriool zal in de toekomst worden aangesloten op de nieuwe boezemwatergang (zie ook fig. 5.6 en 5.7) langs de Schoorlaan. Voorts wordt in dit kader opgemerkt dat er sprake is van een klein hoogteverschil tussen de toegangswegweg van de garage en de achtertuinen van de woningen aan de Damlaan. Om te voorkomen dat er hemelwater afstroomt naar die achtertuinen of water in de parkeergarage terecht komt, worden speciale maatregelen genomen, zoals dat het achterterrein wordt voorzien van een aantal straatkolken (zie figuur 5.8). Voorts wordt een waterafvoer/lijngoot opgenomen in de vloer (zie eveneens figuur 5.8). Dit wordt nader uitgewerkt in het rioolplan (met inrichting gebied).

Fig. 5.8 Overzicht maatregelen voor hemelwaterafvoer

Voor de bouw worden overigens duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's- houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. 5.6.6.2 Riool- en baggerbeheer Het riool- en baggerbeheer heeft een belangrijke invloed op de waterkwaliteit. Het baggerplan is sinds 2003 operationeel, waardoor is voorzien in regelmatig baggeren. Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2027 is inmiddels vastgesteld en is een gedeeltelijk verbreed GRP.

51

5.6.7

Waterkeringen en waterveiligheid De gronden in het projectgebied van het voorliggende plan zijn op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Damcentrum" niet (mede) bestemd voor "Primair waterkeringsdoeleinden". Wel ligt vlak langs het plangebied de landscheiding tussen Delfland en Rijnland. Deze heeft wel de status van waterkering maar in dit gebied geen feitelijke waterkerende functie. Dat betekent dat voor de verwezenlijking van onderhavig geen watervergunning nodig is voor activiteiten in, op of nabij waterkeringen. Het belang van de bescherming van waterkeringen staat dus aan het verwezenlijken van dit project niet in de weg.

5.6.8

Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Voorbeelden hiervan zijn: ontharden / vergroenen van het achterterrein, toepassen van doorlatende verharding, infiltratie van regenwater in de bodem, platte of flauw hellende daken vergroenen. De ontwikkeling wordt gerealiseerd conform de laatste technische bouweisen. Dat betekent ook dat de woningen wordt geïsoleerd conform die eisen (EPC-norm). Voorts worden de woningen voorzien van een gasloze energievoorziening. Bij de bouw wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van duurzame (bouw)materialen. Het is aan de eindgebruiker van de woningen om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het aanleggen en gebruiken van zonne-energie en/of het toepassen van LED-verlichting. Voorts wordt al het water dat op de daken vertraagd afgevoerd en opgevangen in een waterberging / waterbassin.

Het is een zogenaamd slim systeem: als er bergingscapaciteit nodig is door forse regenval dan zal het systeem vooraf bergingscapaciteit vrijmaken door de waterberging te lozen op de normale hemelwaterafvoer. In droge periode wordt het water gebruikt om het aangelegde groen op de daken te bewateren. Om het systeem te waarborgen wordt de tuin ook bij oplevering geheel ingericht om deze waterbergingscapaciteit te garanderen. De tuin wordt daarom ook voor een periode van 3 jaar onderhouden en op de tuin heerst een instandhoudingspicht

5.6.9

Grondwater Het advies van de gemeente is om de bouwpeilen te kiezen zodat minimaal een hoogteverschil van 0,20 – 0,30 m tussen de weghoogte (kruin) en het vloerpeil wordt gerealiseerd. Dit hoogteverschil is nodig om de riolering zonder problemen te laten afvoeren naar het straatriool tijdens hevige neerslag. Het wegpeil ligt op circa NAP 0,10 m. Het gebied kent volgens een recent grondwatermeetpunt Voorburgseweg (5) een grondwaterstand van NAP -0,60. Dit is onvoldoende om grondwateroverlast tegen te gaan. Het aanlegpeil dient daarom rond NAP +0,40m. in overleg met de riool- en waterbeheerder te worden vastgesteld. Eventuele kelders moeten voldoende (grond)waterdicht zijn uitgevoerd.

5.6.10 Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er uit het oogpunt van het aspect ‘water’ geen belemmeringen zijn voor realisatie van het plan aan de Rijnlandstraat Noord. En

52

zoals opgemerkt, heeft het Hoogheemraadschap Rijnland bij e-mailbericht van ……………. (zie bijlage VII) aangegeven in te kunnen instemmen met bovenstaande waterparagraaf. 5.7

Bodem Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet bodembescherming vervallen. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels voor bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: § §

§

Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Een onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en activiteiten. Het bodemonderzoek is uitgevoerd binnen de kaders van de Wet bodembescherming. Gelet op het feit dat het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling niet gewijzigd zijn, kunnen de conclusies uit het rapport als motivering aan dit plan ten grondslag worden gelegd. Planspecifiek Op de locatie aan de Rijnlandstraat Noord te Leidschendam is door WEBO BEHEER BV in augustus 2022 een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (Milieukundig bodemonderzoek Rijnlandstraat te Leidschendam, d.d. 4 oktober 2022, zie bijlage VIII). Uit dit onderzoek blijkt het volgende. §

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=f9f6949a-bf3a-4a42-a0a8-1614cddb315e