4173 rapport 2023431 1_Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving d.d. 29-01-2025
Tekst van het document
Postbus 103 5300 AC Zaltbommel Gamerschestraat 34 5301 AS Zaltbommel Tel. 0418 577 580 info@legalexion.nl
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving ten behoeve van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het toevoegen van woningbouw aan de RIJNLANDSTRAAT NOORD TE LEIDSCHENDAM
Behoort bij ONTWERP besluit van B & W van Leidschendam-Voorburg Jan. 2025
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving t.b.v. het doorlopen van een vergunningprocedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor het realiseren van 62 woningen, met commerciële en / of maatschappelijke ruimten (circa 142 m2) en een parkeergarage aan de Rijnlandstraat (noordelijke deel) te Leidschendam-Centrum.
Opdrachtgever Opgesteld door Opsteller Datum Kenmerk
: WDevelop BV : Legalexion : mr. A.G. van Keulen : 29 januari 2025 : 202343/1
2
Inhoudsopgave 1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Vigerend planologisch regime 1.2.1 Algemeen 1.3 Planologische procedure 1.4 Plangebied 1.5 Leeswijzer
5 5 6 6 9 10 11
2. RUIMTELIJK BELEID 2.1 Nationaal 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 2.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving 2.2 Provinciaal 2.2.1 Algemeen 2.2.2 Provinciale Omgevingsvisie 2.2.3 Provinciale Omgevingsverordening 2.3 Regionaal 2.3.1 Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017 - 2021 2.3.2 Toetsing aan Woonvisie 2.4 Gemeentelijk 2.4.1 Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012) 2.4.2 Kompas voor de leefomgeving 2.4.3 Bouwstenen omgevingsvisie 2.4.4 Bodem 2.4.5 Duurzaamheid 2.4.6 Erfgoed 2.4.7 Welstandsnota Leidschendam-Voorburg 2.4.8 Wonen 2.4.9 Geluid 2.4.10 Groenstructuur 2.4.11 Luchtkwaliteit 2.4.12 Verkeer en parkeren 2.4.13 Water
12 12 12 12 13 13 14 15 16 16 16 17 17 18 19 20 20 21 21 21 22 23 23 24 24
3. STEDENBOUWKUNDIGE ANALYSE 3.1 Bestaande situatie 3.2.3 Welstand
26 26 33
4. VERKEERSKUNDIGE ASPECTEN 4.1 Parkeren 4.1.1 Inleiding 4.1.2 Toetsing parkeren 4.2 Verkeer 4.2.1 Verkeerseffecten van het plan 4.2.2 Relatie met een "Duurzaam Veilige" wegencategorisering
34 34 34 34 38 38 38
5. OMGEVINGS- EN MILIEUASPECTEN 5.1 Geluid 5.2 Milieuzonering 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Flora en fauna 5.4.1 Algemeen
39 39 40 41 42 42
3
5.4.2 Natuurtoets 5.4.3 Effectbeoordeling stikstofdepositie 5.5 Externe veiligheid 5.5.1 Inleiding 5.5.2 Relevante risicobronnen voor het projectgebied 5.5.2.1 Risicovolle inrichtingen en locaties 5.5.2.2 Route gevaarlijke stoffen 5.5.2.3 Transport gevaarlijke stoffen per spoor / water 5.5.2.4 Buisleidingen 5.5.3 Conclusie 5.6 Water 5.6.1 Inleiding 5.6.2 Wettelijk kader 5.6.3 Waterbeleid 5.6.4 Watertoets 5.6.5 Watersysteem 5.6.6 Riolering en afkoppeling 5.6.6.1 Afkoppeling en vervanging riolering 5.6.6.2 Riool- en baggerbeheer 5.6.7 Waterkeringen en waterveiligheid 5.6.8 Klimaatadaptatie 5.6.9 Grondwater 5.6.10 Conclusie 5.7 Bodem 5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.8.1 Inleiding 5.8.2 Conclusie
42 43 44 44 45 45 45 45 45 46 46 46 46 48 49 49 50 50 51 52 52 52 52 53 54 54 55
6 6.1 6.2 6.3 6.4
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE Algemeen Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Molenbiotoop Archeologie
56 56 56 56 57
7.
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
59
8.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
60
9.
PARTICIPATIE
61
BIJLAGEN:
62
4
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding Al vanaf beginjaren 2000 wordt er gewerkt aan de herontwikkeling van het centrum van de Leidschendam, Damcentrum. Het is de bedoeling dat er in Leidschendam Centrum onder meer 550 nieuwe koop- en huurwoningen worden gerealiseerd. Verouderde woningen maken plaats voor ruime eengezinswoningen, chique herenhuizen en kleinschalige en exclusieve appartementengebouwen, verspreid over twaalf deelgebieden. De herontwikkeling van Damcentrum is gebaseerd op het ‘Masterplan Damcentrum’ dat op 6 april 2004 door de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg is het vastgesteld. In dit masterplan worden de ambities beschreven en onderbouwd, die richting moeten geven aan de toekomstige ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het historische centrum van Leidschendam. De verwezenlijking van de in het masterplan geformuleerde doelstellingen moet leiden tot een revitalisatie van het centrum, waarmee de waarden en kwaliteiten van het Damcentrum ook voor de toekomst veilig kunnen worden gesteld. De feitelijke werkzaamheden voor de revitalisatie van het Damcentrum zijn al geruime tijd in uitvoering, de verwezenlijking van de in het masterplan omschreven doelen vordert gestaag.
De realisatie van de 62 woningen (8 maisonnettewoningen en 54 appartementen), met de commerciële en / of maatschappelijke ruimten (ongeveer 142 m2) en een overdekte parkeerplaats (zowel op maaiveld als verdiept) voor de Rijnlandstraat Noord 1 , vormt ook onderdeel van de ontwikkeling van Damcentrum. Vroeger stonden er op de ontwikkellocatie eveneens woningen (portiekwoningen) en een sportschool. De betreffende verouderde bebouwing is gesloopt. De locatie is nu hoofdzakelijk in gebruik als parkeerplaats. Het bouwplan is in strijd met het vigerende planologische regime. Dat betekent dat er voor dit nieuwbouwplan een planologische procedure noodzakelijk is. Dat betreft de procedure voor het doorlopen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Het college van burgemeester en wethouder heeft aan de initiatiefnemer laten weten mee te willen werken aan deze ontwikkeling. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Op grond van deze regels wordt een omgevingsvergunning slechts verleend: § met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) § als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl.
Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden (instructieregels voor omgevingsplannen)
1
Het plan wordt gerealiseerd aan de Rijnlandstraat. De benaming ‘Rijnlandstraat Noord’ is gekozen ter onderscheiding van het plan dat in 2015 / 2016 aan het zuidelijke deel van de Rijnlandstraat is gerealiseerd.
5
Dit document bevat een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) van het te realiseren bouwplan. 1.2 1.2.1
Vigerend planologisch regime Algemeen Het vigerende juridisch-planologische regime, het Omgevingsplan gemeente Leidschendam – Voorburg, specifiek de ‘Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg’, (hierna: het Omgevingsplan), op grond waarvan inhoudelijk integraal het ‘oude’ bestemmingsplan ‘Damcentrum’ van toepassing is verklaard, legt op de gronden in het plangebied, waar herontwikkeling van bebouwing en functies is voorzien, globale bestemmingen met uitwerkingsverplichting. Deze uit te werken bestemmingen kennen overigens wel zeer gedetailleerde uitwerkingsregels, waarin zaken zijn geregeld zoals: § § § § § §
minimaal en maximaal te realiseren aantallen woningen; rooilijnen; maatvoering; bijzondere accenten; parkeren; et cetera.
Deze uitwerkingsregels zijn gebaseerd op een uitvoeringsprogramma, dat is ontworpen op basis van de ten tijde van de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan actuele inzichten over stedenbouwkundige inrichting, marktsituatie, en dergelijke. De actuele economische omstandigheden, maar ook gewijzigde inzichten over de meest optimale opbouw van het bouwprogramma, parkeren, en dergelijke, leiden er echter toe dat de mate van detaillering van de uitwerkingsregels belemmerend werkt op de verwezenlijking van de doelstellingen uit het masterplan. Artikel 22.26 van het Omgevingsplan bevat een vergunningplicht voor bouwactiviteiten. Dit is een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Een aanvraag voor deze vergunning wordt getoetst aan het omgevingsplan, inclusief de bestemmingsplannen die daarvan onderdeel uitmaken (artikel 22.29 van de Bruidsschat). Als een aanvraag voldoet aan het omgevingsplan, moet de vergunning worden verleend. De vergunning kan óók worden verleend als een bouwaanvraag niet past in het omgevingsplan, voldoet aan de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht (artikel 22.32 Bruidsschat). De realisatie van deze ontwikkeling past op een aantal onderdelen niet binnen de planregels van het bestemmingsplan ‘Damcentrum’ en eveneens niet binnen de uitwerkingsregels. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
Dat betekent dat niet een binnenplanse omgevingsplanactiviteit aan de orde is, maar een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
6
Fig. 1.1 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Damcentrum’ uit 2005 (projectlocatie: rode pijlen)
Ingevolge het Omgevingsplan, specifiek de ‘Beheersverordening 2017 LeidschendamVoorburg’, rusten op de percelen aan de Rijnlandstraat Noord de volgende bestemmingen: a. b. c. d.
Archeologisch waardevol gebied (artikel 21) Molenbiotoop (artikel 24) Uit te werken gebied voor woondoeleinden (UW 30-40) (artikel 25) Aanwijzing ex artikel 13 lid 1 WRO (artikel 28)
Hierna volgt een verdere bespreking van deze bestemmingen, toegepast op het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord. Ad a. Archeologisch waardevol gebied (art. 21) Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bouwwerken ten behoeve van andere bestemmingen zijn pas toelaatbaar na een binnenplanse vrijstelling van het college, op basis van een rapport waarmee de archeologische waarde van de betrokken gronden in voldoende mate is vastgesteld en de betreffende waarden door de verwezenlijking van het bouwplan niet worden geschaad. Wat betreft archeologisch onderzoek wordt verder verwezen naar paragraaf 6.2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Overigens dient ingevolge artikel 21 lid 7 van de planregels wel een zogenaamde aanlegvergunning (omgevingsvergunning) te worden aangevraagd. De omgevingsvergunning zal ook zien op deze activiteit. Ad b. Molenbiotoop (art. 24) Gronden gelegen binnen een op de plankaart aangegeven molenbiotoop zijn mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de vrije windvang en het zicht op de molen. Daartoe zijn in artikel 24 bouwvoorschriften opgenomen, die de maximale hoogte van nieuwe bebouwing beperken. Het projectgebied is slechts voor een klein deel gelegen binnen een molenbiotoop. Het bouwplan overschrijdt de binnen de molenbiotoop toegestane bouwhoogte niet.
7
Ad c. Uit te werken gebied voor woondoeleinden (art. 25) Hieronder een toelichting op de uitwerkingsregels die voor het ingediende bouwplan van kracht zijn, genummerd naar het desbetreffende sublid van artikel 25 (wanneer een sublid uit dit artikel hieronder niet wordt genoemd, betekent dat dat daaraan wordt voldaan of het hier niet van toepassing is): a. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt op de plankaart een minimum aantal woningen van 35 en een maximum van 45 woningen. Het bouwplan voldoet op dit onderdeel niet, omdat 64 woningen worden opgericht. d. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt op de plankaart een ‘voorgevellijn’ (hoek Oude Trambaan / Rijnlandstraat) en een ‘voorgevellijn met extra restrictie’ (verderop in Rijnlandstraat). Het bouwplan voldoet op dit onderdeel. e. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt een minimale hoogte van 9 meter en een maximale hoogte van 16,5 meter. Het bouwplan voldoet op dit onderdeel niet omdat de hoogte van het laagste deel 16,6 meter bedraagt. De hoogte van het hoge deel, op de hoek van de Rijnlandstraat en Oude Trambaan, bedraagt 22,60 meter. f. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt voor iets meer dan de helft van de eengezinswoningen een ‘voorgevellijn met extra restrictie’. f.1: Wordt niet aan voldaan.
Er is een kleine afwijking ter plaatse van de doorgang bij het recht van weg. f.2: Wordt niet aan voldaan. Ook hier is een kleine afwijking. Ongeveer de gehele dektuin valt buiten de 16 meter en is hoger dan 3 meter f.3: Wordt wel aan voldaan. Toegang parkeergarage is bovengronds. Parkeren is op maaiveld en ondergronds gesitueerd. k. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt een panddiepte van de woningen en/of woongebouwen van minimaal 10 meter. Het bouwplan voldoet op dit onderdeel omdat alle woningen / bebouwing dieper zijn dan 10 meter. m. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt dat indien de bouwhoogte meer dan 13,5 meter bedraagt de bovenste laag in kapvorm of teruggelegd dient te worden uitgevoerd. Het bouwplan voldoet niet op dit onderdeel. n. Voor de locatie waarin het bouwplan wordt gerealiseerd geldt een parkeereis van 2 pp / grondgebonden woning en 1,5 pp / gestapelde woning. Dit resulteert in een minimaal aantal parkeerplaatsen van: (5 x 2) + (59 x 1,5) = 98,5 pp. Hierna, in paragraaf 4.1, wordt nader onderbouwd op welke wijze in deze parkeerplaatsen wordt voorzien. In figuur 1.2 is een 3-tal tekeningen opgenomen waaruit blijkt hoe het bouwvolume dat ingevolge de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan mogelijk is, zich verhoudt met het beoogde plan.
Duidelijk is dat het bouwvolume dat ingevolge het bestemmingsplan mogelijk is (in roze weergegeven), breder is dan het beoogde plan. Het beoogde plan is op de hoek Rijnlandstraat / Halte Damhof tevens wat hoger dan het bestemmingsplan in de uitwerkingsregels toelaat. Figuur 1.3 bevat het bouwvlak zoals in het bestemmingsplan is opgenomen.
8
Fig. 1.2 Bouwvolume ingevolge Omgevingsplan (rood) versus beoogde plan
Fig. 1.3 Bouwvlak (rood) ingevolge Omgevingsplan versus beoogde plan (begane grond en 2e - 4e verdieping)
Conclusie Er is sprake van strijd met het Omgevingsplan. Tevens is er sprake van strijd met de uitwerkingsregels. Dat betekent dat er een planologische procedure moet worden doorlopen ter afwijking van het Omgevingsplan (zie nader paragraaf 1.3). 1.3
Planologische procedure Om het gewijzigde woningbouwplan planologisch te kunnen inpassen, is het noodzakelijk dat er een procedure wordt gevolgd ter afwijking van het Omgevingsplan. Dat betreft de procedure voor het doorlopen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet). Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Op grond van deze regels wordt een omgevingsvergunning slechts verleend: § met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) § als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden (instructieregels voor omgevingsplannen)
9
Dit document bevat een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) van het te realiseren bouwplan. 1.4
Plangebied Het projectgebied is gelegen in het centrum van Leidschendam en wordt globaal begrensd door: - aan de noordzijde: de Strandwal (korte parallelweg van de Oude Trambaan); - aan de zuidzijde: De nummercentrale / het steegje langs het theater (tussen de Damlaan en de Rijnlandstraat); - aan de westzijde: de Damlaan (achterzijdesituatie); - aan de oostzijde: de Rijnlandstraat. De Rijnlandstraat loopt parallel aan de Damlaan. De achterzijdesituaties van de woningen aan de Damlaan en de Rijnlandstraat grenzen aan elkaar. Midden op de Rijnlandstraat is een groenstrook aanwezig, die de rijrichtingen van de weg splitst. Aan de overzijde van de Rijnlandstraat zal op termijn ook nieuwbouw plaatsvinden (plan ‘De Leytsche Hof’).
Fig. 1.4 Luchtfoto met projectlocatie Rijnlandstraat Noord (globaal rood omkaderd)
bron: Google Earth
Het te bebouwen perceel aan de Rijnlandstraat Noord wordt op dit moment hoofdzakelijk gebruik als parkeerterrein. De projectlocatie staat bekend onder de kadastrale gemeente Veur, sectie B, nummers 6578 (ged.), 11020 (ged.), 11196, 12928 (ged.) en 11856 (ged.). Zie voor een overzicht van de bestaande kadastrale grenzen en de nieuwe, figuur 1.5.
10
Fig. 1.5 Overzicht bestaande en nieuwe kadastrale grenzen
1.5
Leeswijzer Allereerst volgt in hoofdstuk 2 een overzicht van het geldende ruimtelijke beleid. Daarin komt vooral het locatiespecifieke beleid aan bod. Vervolgens bevat hoofdstuk 3 een stedenbouwkundige analyse, waarbij het gebied gekarakteriseerd wordt en ook het bouwplan zelf aan de orde komt. Hoofdstuk 4 gaat in op de verkeerskundige aspecten van het project. De milieu- en omgevingsaspecten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Daarna een hoofdstuk over cultuurhistorie en archeologie. Hoofdstuk 7 gaat in op de afweging omtrent de ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Hoofdstuk 8 gaat over de uitvoerbaarheid van het plan en hoofdstuk 9 over participatie.
11
2.
RUIMTELIJK BELEID Dit hoofdstuk bevat het relevante ruimtelijke beleid en de relevante ruimtelijke regelgeving voor het projectgebied en nieuwbouwplan, dat door de verschillende overheden in verdragen, visies, beleidsnota’s en overige documenten is vastgelegd.
2.1 2.1.1
Nationaal Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld (NOVI). De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: § § § §
Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Bij dit plan zijn er geen nationale belangen in het geding. Conclusie Het initiatief heeft geen betrekking op één van de rijksbelangen die zijn opgenomen in de NOVI. Het initiatief past dan ook binnen het beleidskader van de NOVI. 2.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving Algemeen Ingevolge artikel 8.0b lid 1 sub a juncto artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dient, voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het
12
omgevingsplan rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (zo is bepaald in artikel 5.129g lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). In dit geval valt het plan binnen het stedelijk gebied. Toetsing Ten aanzien van de voorgenomen woningbouw wordt allereerst opgemerkt dat de provincie verantwoordelijk is voor de gedecentraliseerde woningbouwplanning en de (wettelijk vereiste) toepassing van de (nieuwe) Ladder van Duurzame Verstedelijking. Als sturingsfilosofie in de VRM (Visie Ruimte en Mobiliteit) is gekozen voor kwalitatieve afstemming en risicoduiding. Volgens het regionale convenant ‘Gaten dichten in Haaglanden 2017 – 2026’ heeft Leidschendam-Voorburg heeft LV een sociale woningbouwopgave van 750 woningen voor de periode 2017-2025. Deze opgave wordt gehandhaafd in nieuwe regionale woningmarktafspraken voor de periode 2019-2030. Deze afspraken gaan uit van een toename van de woningvoorraad met 65.900 woningen.
Op dit moment zijn meerdere plannen in ontwikkeling voor het centrum van Leidschendam, zoals aan de Rijnlandstraat en Leytsche hof. De interesse voor deze plannen overvraagt veruit het aanbod. Verwacht wordt dat ook voor dit plan aan de Rijnlandstraat Noord zich vele geïnteresseerden zullen melden als potentiële kopers van de woningen. Deze verwachting onderschrijft de actuele behoefte aan de betreffende woningen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voor de Rijnlandstraat Noord voorziet in een behoefte. Voorts wordt hier opgemerkt dat het plan wordt gerealiseerd binnen het stedelijk gebied. Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan aan de Rijnlandstraat Noord voldoende rekening houdt met de belangen van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. 2.2 2.2.1
Provinciaal Algemeen Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande
13
beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Zowel de Omgevingsvisie Zuid-Holland als de Provinciale omgevingsverordening zijn op 1 april 2023 geconsolideerd. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. 2.2.2
Provinciale Omgevingsvisie De Omgevingsvisie benoemt voor de provincie de visie, ambities en opgaven voor de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvisie bevat zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: • • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Naast de zes ambities stelt de provincie in de omgevingsvisie 12 provinciale opgaven voor de omgevingskwaliteit vast. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale opgaven omgevingskwaliteit zijn: Landschap en cultuurhistorie, Gezondheid en veiligheid, Natuur en recreatie, Ruimte en verstedelijking (de bebouwde ruimte beter benutten), Wonen, Bodem en ondergrond, Cultuurparticipatie en bibliotheken, Klimaatadaptie, Zoetwater en drinkwater, Bereikbaarheid, Regionale economie en Energievoorziening. Ook het programma Ruimte en de Kwaliteitskaart zijn onderdeel van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid - Holland. Het programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het om locatie specifieke of de programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Om aan te geven wat de provincie verstaat onder gebiedskwaliteit is een integrale Kwaliteitskaart opgenomen in de Omgevingsvisie. De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Een plan dat de kwaliteiten van een gebied versterkt is in ieders belang. Planspecifiek De realisatie van de 62 woningen (8 maisonnettewoningen en 54 appartementen), met de commerciële en / of maatschappelijke ruimten (ongeveer 142 m2) en een overdekte parkeerplaats (zowel op maaiveld als verdiept) aan de Rijnlandstraat Noord, vormt onderdeel van de ontwikkeling van Damcentrum. Vroeger stonden er op de ontwikkellocatie eveneens woningen (portiekwoningen) en een sportschool. De betreffende verouderde bebouwing is gesloopt. De locatie is nu hoofdzakelijk in gebruik als parkeerplaats. Dat betekent dat er sprake is van efficiënt en zuinig ruimtegebruik binnen het bestaand stedelijk gebied. Voorts draagt het plan bij aan het voldoen aan de belangrijke woonopgave, om de groei van de bevolking op te kunnen vangen. Gelet op het voorgaande sluit het plan aan op de doelstellingen van de Omgevingsvisie.
14
2.2.3
Provinciale Omgevingsverordening Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. De Omgevingsverordening Zuid Holland stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. De inhoud is van toepassing op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, waarbij een provinciaal belang speelt. De provincie heeft in de Omgevingsverordening Zuid - Holland daarom onder meer regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bodemsanering en flora- en fauna activiteiten, de leefomgevingskwaliteit en instructieregels aangaande gemeentelijke bestemmingsplannen. Zo worden er bijvoorbeeld voorwaarden gesteld aan bestemmingsplannen welke de ontwikkeling van bedrijven of kantoren mogelijk maken of welke betrekking hebben op gebieden met een provinciaal belang, zoals langs provinciale vaarwegen of nabij landgoederen en kastelen. Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ('AMvB Ruimte/ Barro') van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan Provinciale Omgevingsverordeningen moeten voldoen.
Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit de AMvB Ruimte, zoals regels over de Ecologische Hoofdstructuur en de Romeinse Limes. Het volledige juridisch instrumentarium vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening. Het gaat daarbij om de provinciale omgevingsvisie, het provinciaal inpassingsplan en de (proactieve en reactieve) aanwijzing. De provincie kan deze instrumenten inzetten als er sprake is van provinciaal belang. De provincie beschouwt in ieder geval van provinciaal belang de in de visie opgenomen doelen en de uitwerking daarvan in het programma Ruimte. In de verordening staan de regels die de provincie stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is, wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging (artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit). - Gebiedsidentiteit De projectlocatie is gelegen binnen het stedelijk gebied.
Vroeger stonden er op de ontwikkellocatie eveneens woningen (portiekwoningen) en een sportschool. De betreffende verouderde bebouwing is gesloopt. De locatie is nu hoofdzakelijk in gebruik als tijdelijke parkeerplaats. Doordat er in wezen sprake is van vervanging van bebouwing en in de directe omgeving de functie van ‘wonen’ reeds nadrukkelijk aanwezig is, wijzigt er nauwelijks iets wat betreft de identiteit van het gebied. - Structuur De structuur van het gebied c.q. de locatie is reeds bepaald door de huidige bebouwing en infrastructuur. De realisatie van deze ontwikkeling brengt geen verandering in. Kortom: aan de structuur verandert dit plan niets.
15
- Kavel De kavel betreft een perceel dat in gebruik is ten behoeve van parkeren. Dat is echter een tijdelijke situatie, nadat de op de kavel aanwezige woningen (portiekwoningen) en sportschool zijn gesloopt. De vorm van de kavel volgt het verlengde van de bestaande (nieuwe) bebouwing aan de Rijnlandstraat. In dit geval kan worden geconcludeerd dat er sprake is van inpassing van het plan. De ontwikkeling sluit aan op de bestaande identiteit en structuur van het gebied. Voorts valt de planlocatie niet binnen een gebied met een bijzondere (kwaliteits)aanduiding van de Omgevingsverordening. Ook voor het overige bevat de Omgevingsverordening geen bepalingen die een belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling. Conclusie Kortom: het plan voor de Rijnlandstraat Noord is niet strijdig met de Provinciale Omgevingsverordening. 2.3 2.3.1
Regionaal Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017 - 2021 De Haaglandengemeenten vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. De regionale samenwerking op het gebied van ‘wonen’ is na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen met de negen haaglandengemeenten. Aan de hand van een gezamenlijk woningbouwprogramma willen de gemeente zo goed en efficient mogelijk inspelen op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbehoeften van de regio Haaglanden. Een vast uitgangspunt daarbij is het zoveel mogelijk realiseren van de woonopgaven binnen bestaande stedelijke gebieden. Dit omwille van het in stand kunnen houden van de specifieke groene en blauwe kwaliteiten van de regio, die in belangrijke mate bijdragen aan het prettige woonklimaat van Haaglanden. Qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad streven de gemeente er gezamenlijk naar om te voldoen aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Gemeenten kijken daartoe met name ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en leegstand op oude bedrijventerreinen biedt om nieuwe woningen toe te voegen. Daarnaast zal uiteraard ook nieuwbouw van woningen plaatsvinden.
2.3.2
Toetsing aan Woonvisie Een van de uitgangspunten vanuit de regionale woonvisie is het realiseren van de woonopgave binnen bestaande stedelijke gebieden. De gemeente streven ernaar om aan de provinciale vraag van ruim 50.000 woningen tot 2025 te voldoen. Dit is een grote opgave en met het onderhavige plan wordt een kleine bijdrage geleverd door een woongebied te realiseren met 325 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie De ontwikkeling voor de Rijnlandstraat woningbouwprogramma Haaglanden.
Noord
past
binnen
het
regionaal
16
2.4 2.4.1
Gemeentelijk Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012) Het gemeentelijke ruimtelijke beleid is geformuleerd in de structuurvisie Ruimte voor Wensen. Op 25 september 2012 is de structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (herijking 2012) vastgesteld. De herijkte structuurvisie vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woonwerkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers: • • •
versterken van de groene woonstad; verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur; beter benutten en verbeteren van bereikbaarheid.
De structuurvisie daarbij gaat uit van een indeling voor de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Onderhavig plangebied valt binnen het stedelijke gebied (met een ‘gemengd programma’, zie onderstaande uitsnede van de structuurvisiekaart). Binnen het stedelijk gebied van Leidschendam-Voorburg ligt het realiseren van 80 % van de woningbouwopgave en het faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040. Er wordt ingezet op het behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de kwaliteit van de bestaande woonmilieus. Tevens wordt aandacht gegeven aan de verbetering van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk en de identiteitsdragers. Tenslotte wordt duurzame stedelijke ontwikkeling nagestreefd met aandacht voor versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen. Daarnaast worden nieuwe economische kansen gecreëerd door functieverandering, herstructurering en transformatie van gebieden.
Fig. 2.1 Uitsnede Structuurvisie Ruimte voor Wensen (projectlocatie: zie blauwe pijl)
In de Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar doelstellingen en ambities beschreven. Deze kunnen alleen gehaald worden als instrumenten, (ruimtelijke) programma’s en projecten in onderlinge samenhang worden uitgevoerd. Om dat te bereiken heeft de gemeente een uitvoeringsprogramma vastgesteld
17
(d.d. 25 september 2012). Dit uitvoeringsprogramma beschrijft de hoofdlijnen van de planning van de ruimtelijke ontwikkeling voor de periode tot 2040, zoals die zijn beschreven in de structuurvisie. Het plan voor de Rijnlandstraat Noord behoort tot Leidschendam-Zuidzone. Het gebied ‘Leidschendam-Zuidzone’, waar deze nieuwbouwlocatie binnen valt, wordt in het uitvoeringsprogramma genoemd als toekomstige ‘centrumontwikkeling en transformatie’. Het voorliggende bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord sluit aan op de doelstellingen van de structuurvisie. Met de voorgenomen planontwikkeling wordt immers een bijdrage geleverd aan het behalen van de doelstelling om de woningbouwopgave te realiseren binnen het stedelijk gebied. Het voorziet immers in een aanbod van nieuwe woningtypen die aansluiten bij de vraag vanuit de woningmarkt. De algemene doelstelling van het masterplan is het versterken centrumgebied, het benutten van het centrumgebied als goede woonlocatie en woningvraag op te lossen. Het masterplan gaat uit van een weefsel van doorlopende en aan elkaar verbonden straten c.q. wijken, waarbij ook ‘groen’ een belangrijke rol speelt. Van de 62 te realiseren woningen zullen er 12 geschikt zijn voor starters. 16 appartementen vallen in de categorie ‘duur’. Ook de 8 maisonnettewoningen vallen binnen de categorie ‘duur’.
De rest van de appartementen (34 stuks) vallen in de categorie ‘midden-duur’. Met het plan wordt direct voorzien in de behoefte aan woningen voor jongeren en starters. De toevoeging van de wat grotere appartementen en maisonnettewoningen voorzien eveneens direct in de behoefte aan woningen voor gezinnen (met kinderen), dus veelal voor de doorstromers, en indirect in de behoefte aan woningen voor jongeren en starters (via die doorstroming). Met een sterke positionering binnen de regio wil de gemeente Leidschendam-Voorburg gezinnen met kinderen en hoogopgeleide kenniswerkers aantrekken. De nieuwe instroom is gewenst voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van de gemeente. Er was een groot aandeel in goedkope woningen huur en koop in Leidschendam-Centrum. Er is met dit plan gezocht naar een gevarieerd aanbod met kansen voor gezinnen, alleenstaanden en senioren om zo de samenstelling van inwoners meer in balans te brengen. Conclusie Het plan voor de Rijnlandstraat Noord sluit aan op de doelstellingen van de structuurvisie. Het bouwplan is onderdeel van de integrale revitalisatie van het Damcentrum, die noodzakelijk is voor het behouden en versterken van de in de structuurvisie beschreven (kern)waarden en ruimtelijke (kern)kwaliteiten van het centrumgebied. 2.4.2
Kompas voor de leefomgeving De samenleving roert zich. Er is veel maatschappelijk initiatief. De mondiger wordende inwoner heeft ertoe bijgedragen dat de Omgevingswet is opgesteld. Een van de veranderingen uit die Omgevingswet is meer ruimte geven aan maatschappelijk initiatief. In het najaar van 2017 is het ‘Toekomstbeeld–LV op de kaart’ vastgesteld. De kern van het Toekomstbeeld is de groene aantrekkelijke woongemeente met drie karakteristiek verschillende kernen. Dit vormt bij het opstellen van de omgevingsvisie dan ook een belangrijk uitgangspunt. De omgevingsvisie gaat dienen als integraal afwegingskader voor diverse projecten en initiatieven van bewoners, bedrijven en gemeente. De uitwerking wordt vertaald in programma, projecten en plannen. De gemeente stelt haar omgevingsvisie stap voor stap op. In 2019 is het Kompas van de Leefomgeving vastgesteld. Dit document geeft de eerste richting aan die de gemeente op wil. Het kompas bevat doelstellingen, agendapunten en hoofdkeuzes.
18
In het Kompas voor de leefomgeving zijn onder andere de volgende doelen opgenomen: § Aantrekkelijke groene woongemeente met drie karakteristieke kernen; § Een gevarieerd en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen. Er is aangegeven dat de gemeente op zoek moet naar nieuwe woonconcepten. In een goede en prettige woon- en leefomgeving blijkt behoefte aan rustig stedelijke en hoogwaardige woonmilieus met een mix van woningen, bedrijvigheid en voorziening zodanig dat er sprake is van een goede balans tussen verschillende functies. Een deel van de regionale woningbehoefte wordt opgevangen: 4.000 woningen tot 2040. Alle nieuwbouw is toegankelijk en levensloopbestendig. Er wordt ingezet op binnenstedelijke verdichting passend bij woonmilieu met focus op gestapelde bouw. Alle nieuwbouw is gasloos en energiezuinige woningen worden gestimuleerd. Er is ruimte voor bijzondere woonvormen. § Vitale economie passend bij de woongemeente. Behoud van en kansen bieden aan ruimte voor (kleinschalige) bedrijvigheid en ZZP-ers. De geplande woningbouw draagt bij aan een gevarieerd en betaalbaar woningaanbod voor jongeren. Er is sprake van een mix van wonen, werken en voorzieningen. 2.4.3
Bouwstenen omgevingsvisie Als belangrijke tussenstap tussen het Kompas voor de leefomgeving en de omgevingsvisie zijn een aantal bouwstenen opgesteld. De bouwstenen zijn een uitwerking van het kompas en vormen de agenda voor de omgevingsvisie. De keuzes in het kompas worden in de bouwstenen verder uitgewerkt. De bouwstenen zijn samen het complete verhaal die de toekomst van Leidschendam-Voorburg schetst. De 4 bouwstenen zijn: § Groene woongemeente; § Mobiliteit en bereikbaarheid; § Economie en bedrijvigheid; § Lokale energiestrategie en Transitievisie Warmte. In de bouwstenen wordt beschreven hoe we de kwaliteiten van de gemeente kunnen behouden en tegelijkertijd de keuzes voor de toekomst kunnen inpassen. Groene woongemeente De bouwsteen Groene Woongemeente stuurt op het uitbreiden van het woningaanbod, terwijl het aanwezige groen wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Dit is mogelijk door met name op binnenstedelijke locaties te bouwen. Daarnaast is aangegeven dat de behoefte aan een goedkope woning het grootst is onder starters en jongeren op de woningmarkt. Bij invulling van de woonopgave gaat Leidschendam-Voorburg uit van de woningbehoefte van inwoners en zet zich in voor groepen waar de woningnood het hoogst is en blijft. Wonen is namelijk één van de basisbehoeften van mensen. Iedereen moet prettig kunnen wonen, passend bij zijn of haar portemonnee.
Een aantal groepen verdient daarbij specifiek aandacht en inspanning van de gemeente. Het gaat hierbij onder andere om jongeren en starters. Er is ruimte voor woningbouw van 4.500 tot 5.000 woningen tot 2040. In de periode tot 2030 worden in Leidschendam-Voorburg 750 sociale huurwoningen gebouwd. Er wordt niet gebouwd in het groen. Ook is van belang dat de geplande woningbouw waar nodig en mogelijk een mix is van wonen, werken (combi wonen – werken) en voorzieningen (142 m2 commerciële en / of maatschappelijke ruimten). De Rijnlandstraat betreft een binnenstedelijke locatie waarbij ook gebouwd wordt voor starters en eenpersoonshuishoudens. Ook is sprake van een combinatie van functies, doordat in het gebouw ook werkplekken worden gerealiseerd. Met het plan wordt aangesloten op de ambities van deze bouwsteen.
19
Mobiliteit en bereikbaarheid De bouwsteen Mobiliteit en bereikbaarheid stuurt op het benutten van de bestaande infrastructuur en het stimuleren van andere vervoerswijzen dan de auto, zoals de fiets of het openbaar vervoer. De planlocatie wordt goed ontsloten voor fietsers. Het parkeren kan worden opgevangen in de planlocatie, waarmee onderhavig planinitiatief aansluit op deze bouwsteen. Daarnaast is de planlocatie goed bereikbaar per openbaar vervoer, immers midden in het centrum. Economie en bedrijvigheid De bouwsteen Economie en bedrijvigheid zet in op een aantrekkelijke groene woongemeente met een uitstekend voorzieningenniveau. Daarnaast wordt gestuurd op een werkgelegenheidsgroei en een buitengebied met een economisch verdienmodel. Het planinitiatief voorziet in de realisatie van de combinatie wonen – werken. Verder voorziet het plan in 142 m2 commerciële en / of maatschappelijke ruimten. Daarmee sluit het planinitiatief aan op deze bouwsteen. Lokale energiestrategie en Transitievisie Warmte De bouwstenen voor de Lokale energiestrategie en Transitievisie Warmte zetten in op de verduurzaming van de gemeente. Onderhavig planinitiatief sluit daarop aan doordat de woningen voldoen aan de wettelijke eisen voor nieuwbouwwoningen. 2.4.4
Bodem Bodemkwaliteitskaart Leidschendam-Voorburg De gemeente Leidschendam-Voorburg beschikt over een bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart is een belangrijk instrument voor hergebruik van grond en bagger. In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in één of meer zones met een vergelijkbare milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het gaat hierbij om de ‘gemiddelde’ kwaliteit van deze gebieden, afgezien van lokale verontreinigingen. In de Nota Bodembeheer is beleidsmatig vastgesteld binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is en welke voorwaarden hierbij gelden. Het beleidsdocument 'Bodemkwaliteitskaart Leidschendam-Voorburg' is vastgesteld op 3 november 2013. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 30 oktober 2018 besloten om de geldigheid van de Bodemkwaliteitskaart met 5 jaar te verlengen. In paragraaf 5.7 wordt nader ingegaan op het aspect bodem. Bodemkwaliteitskaart Leidschendam-Voorburg PFAS Van gemeenten wordt verwacht dat ze bodemkwaliteitskaarten opstellen met specifiek beleid voor PFAS. Als dit er niet is moet voor ieder los ruimtelijk project aanvullend onderzoek worden gedaan. Om dit te voorkomen heeft de gemeente onderzoek gedaan naar de gehaltes PFAS in de bodem. De bodemkwaliteitskaart met beleidsregels PFAS is op 14 februari 2023 door de gemeenteraad vastgesteld.
De grond in de gemeente Leidschendam-Voorburg bevat over het algemeen geen verhoogde concentraties. Dit is opgenomen op de bodemkwaliteitskaart. Door deze vast te stellen kan hiernaar worden verwezen en hoeft er bij ontwikkelingen geen extra onderzoek gedaan te worden. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de planlocatie geen verdachte locatie of aandachtsgebied is. Zie verder paragraaf 5.7.
2.4.5
Duurzaamheid Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2023-2026 Om te zorgen dat ook voor de toekomstige generaties onze planeet een goede plek is om te leven, moeten we veranderen in hoe we werken, wonen en leven. Ook in de gemeente
20
Leidschendam-Voorburg. Het college van burgemeester en wethouders wil grote stappen zetten op het gebied van duurzaamheid en milieu. De ambitie is een CO2-neutrale gemeente met een circulaire economie in 2050. De gemeente werkt aan een toekomstbestendige stad met een gezond woon- en leefklimaat. De gemeente is trots op Leidschendam-Voorburg als groene en duurzame woonstad en wil dit samen met de bewoners blijvend versterken. Sinds 2016 is op basis van de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 en het daaropvolgende Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2019-2022 programmatisch aan verduurzaming gewerkt. De doelen in het gemeentelijk Coalitieakkoord 2022-2026, de wettelijke kaders en het vastgesteld beleid zijn in het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2023-2026 vertaald naar activiteiten en mijlpalen. De 6 thema’s van het uitvoeringsprogramma zijn: participatie, samenleving en educatie, energie, klimaatadaptatie, vergroening en biodiversiteit, circulariteit, lucht- en waterkwaliteit en duurzaamheid van de gemeentelijke organisatie. In paragraaf 5.6.8 wordt hier verder op ingegaan. 2.4.6
Erfgoed Nota Archeologie - herijking 2013 Gemeenten moeten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten. Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologiebeleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009. In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt (archeologienota herijking 2013). In de Nota archeologie wordt een overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart geeft hierbij de archeologische waarde en verwachting per gebied aan met de daarbij behorende beleidsregels. Het aspect archeologie in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling wordt verder beschreven in paragraaf 6.3.
2.4.7
Welstandsnota Leidschendam-Voorburg Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. Voor de gemeente Leidschendam-Voorburg zijn de welstandsregels opgenomen in de Welstandsnota. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de leefomgeving als algemene waarde. Het beleidsdocument 'Welstandsnota Leidschendam-Voorburg' is vastgesteld op 14 juni 2004, laatst gewijzigd op 13 september 2011. In de nota zijn algemene welstandscriteria en gebiedsgericht criteria opgenomen.
2.4.8
Wonen - Bouwsteen groene woongemeente Leidschendam-Voorburg 2023 In de Bouwsteen groene woongemeente Leidschendam-Voorburg 2021 en de Woonzorgvisie 2022-2030 zijn de actuele thema's op het gebied van huisvesting (met eventueel daarbij behorende knelpunten) binnen de gemeente in kaart gebracht. De gemeente stelt in de Bouwsteen de volgende doelen om specifieke opgaven te behalen: § Ruimte voor woningbouw van 4.500 tot 5.000 woningen tot 2040; § Niet bouwen in het groen (uitwerking kompas: kwaliteit boven kwantiteit); § Functies parkeren, economie en zorg gaan niet ten koste van groen of woningen;
21
Gezien de bevolkingsgroei wordt rekening gehouden met extra ontwikkeling van jongerenvoorzieningen, culturele voorzieningen, zorg en onderwijs. § Uitgangspunt is een rustig stedelijk en hoogwaardig woonmilieu. Een aanvullende woonopgave volgens regionale afspraken is om minimaal 750 goedkope woningen voor 2030 toe te voegen aan de voorraad. Bij de invulling van de woonopgave gaat Leidschendam-Voorburg uit van de woningbehoefte van inwoners en zet zich in voor groepen waar de woningnood het hoogst is en blijft: jongeren, studenten, starters, senioren, kwetsbare inwoners, statushouders en spoedzoekers. Leidschendam-Voorburg stuurt waar mogelijk op de nieuwbouw van een substantieel aantal betaalbare woningen binnen bestaande woningbouwlocaties. In de Woonzorgvisie Leidschendam-Voorburg 2022-2030 heeft de gemeente op het gebied van huisvesting als ambitie vastgesteld: "het realiseren van voldoende en kwalitatief geschikte woningen voor de verschillende doelgroepen." De opgaven die de gemeente stelt zijn: § Het realiseren en ontwikkelen van geschikte zelfstandige woonruimtes; § Het faciliteren en sturen op het realiseren van woonzorginitiatieven Met de voorgenomen ontwikkeling wordt tevens ingezet op de doelgroepen waar de woningnood het hoogst is: werkende jongeren of jongeren die in het laatste jaar van hun studie zitten. §
- Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2022 Om een aantrekkelijk en breed toegankelijk woonaanbod te creëren, voldoende sociale woningbouw en aanbod voor kleinere huishoudens, jong en oud en voldoende variatie in woonmilieus, is de Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2022 op 1 juli 2022 in werking getreden. Deze verordening is van toepassing als een initiatiefnemer voornemens is een bouwplan te realiseren met 10 of meer zelfstandige woningen in afwijking van het vigerende bestemmingsplan. Daar is hier sprake van. Artikel 4 van de verordening bepaalt dat bij een bouwplan met 10 of meer woningen de initiatiefnemer minimaal 30% sociale huurwoningen en 20% middeldure huur- of koopwoningen in het geplande woningbouwprogramma dient te realiseren. Het woonprogramma is in een samenwerkingsovereenkomst met de gemeente vastgelegd. Conclusie Het woonprogramma is afgestemd met de gemeente en is in de anterieure overeenkomst vastgelegd. 2.4.9
Geluid Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg In Leidschendam-Voorburg speelt geluidhinder bij het realiseren van nieuwe ruimtelijke plannen vrijwel altijd een rol. Een belangrijke reden hiervan is dat veel nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied en dus op reeds geluidbelaste locaties. Veelal gaat het om plannen voor nieuwbouw van geluidsgevoelige functies zoals woningen, scholen e.d. Bij toetsing van de geluidhinderaspecten bij dit soort van plannen was, voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Wet geluidhinder van toepassing. De beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder Leidschendam-Voorburg had betrekking op het verlenen van ontheffing van de voorkeursgrenswaarden. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze beleidsregel achterhaald.
22
Het aspect geluid in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling wordt verder beschreven in paragraaf 5.1. 2.4.10 Groenstructuur Bomennota In de gemeente Leidschendam-Voorburg staan in totaal 31.000 bomen. Een deel daarvan staat in de hoofdboomstructuur. De bestaande situatie van de bomen in Leidschendam-Voorburg is te vinden op de kaarten in het groenbeheersysteem. Leidschendam-Voorburg is een groene gemeente met een grotendeels verstedelijkt karakter dat ten oosten van De Vliet overgaat in het open veenweidegebied. De gemeente Leidschendam-Voorburg streeft naar het behoud en versterking van het aanwezige groenbestand. Uitbreiding en verdichting van het stedelijk gebied mogen in principe niet ten koste gaan van de totale kwaliteit van het groen in de gemeente. De Bomennota (vastgesteld februari 2017) dient als toetsingskader voor het nemen van besluiten voor de uitvoering van verordeningen (onder andere kapvergunningen en andere delen van de omgevingsvergunningen) voor bomen. Groenstructuurplan 'Buitengewoon groen' Het gemeentelijk groenstructuurplan geeft op hoofdlijnen aan welk groen van belang is op gemeentelijk niveau en waar het groen versterkt kan worden. Het plan garandeert het groene karakter van de gemeente in de toekomst door de hoofdgroenstructuur duidelijk te benoemen, verbindingen te maken en de ligging aan het buitengebied te versterken.
De nadruk van het groenstructuurplan ligt op het stedelijk gebied. Het groenstructuurplan hanteert een indeling van het gemeentelijk groen in drie niveaus, te weten: o Groene zones: de groene zones zorgen, naast het huisvesten van groene stedelijke functies zoals sportvelden, parken, volks- en schooltuinen, kinderboerderijen e.d., ook voor aantrekkelijke routes vanuit het stedelijk gebied naar het buitengebied; o Groene lijnen: de groene lijnen ondersteunen de stedelijke structuur. Dit groen heeft een belangrijke belevingswaarde omdat veel mensen in aanraking komen met dit groen; o Groene wijken: de groene wijken zorgen voor een aantrekkelijke groene woonomgeving en dit groen geeft identiteit aan de wijk. 2.4.11 Luchtkwaliteit Actieplan luchtkwaliteit 2016-2020 De gemeente Leidschendam-Voorburg streeft naar een gezonde leefomgeving voor haar inwoners en bezoekers. Ze heeft daarom ten aanzien van de luchtkwaliteit de ambitie dat in 2030 geen enkele inwoner in de gemeente blootgesteld wordt aan een hogere concentratie dan de WHO-advieswaarde. Met het Actieplan luchtkwaliteit 2016-2020 (vastgesteld d.d. 2504-16) wil de gemeente bijdragen aan het formuleren van beleid en een aanzet geven tot het uitvoeren van maatregelen in de komende vier jaar. De horizon van dit actieplan luchtkwaliteit reikt niet tot 2030.
De bijdrage van dit actieplan is in het doel samengevat om te zorgen dat in 2020 de emissie van verontreinigende stoffen in de gemeente tenminste 10% lager is dan de autonome ontwikkeling nu aangeeft. Het aspect luchtkwaliteit in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling wordt verder beschreven in paragraaf 5.3. Schone lucht akkoord Leidschendam-Voorburg werkt sinds 2007 aan verbetering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit houdt zich niet aan grenzen en vele bronnen liggen buiten de directe beïnvloedingsmogelijkheden van de gemeente. Rijk, provincies en gemeenten werken sinds
23
2009 samen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het doel van het NSL - de luchtkwaliteit voldoet overal in Nederland aan de EU-grenswaarden - is bereikt, maar de Gezondheidsraad stelt dat er geen ‘veilig niveau’ van luchtverontreiniging is. Daarom zetten de gezamenlijke overheden via het Schone Lucht Akkoord (SLA) in op een verdere verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland om gezondheidswinst te realiseren. Daarbij wordt toegewerkt naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit voor fijnstof en stikstofdioxide. Het gezamenlijk doel van de afspraken in het SLA is om in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst uit binnenlandse bronnen te realiseren ten opzichte van 2016. 2.4.12 Verkeer en parkeren - Verkeers- en vervoersplan herijking 2014, met doorkijk naar 2040 Het herijkte Verkeer- en Vervoersplan 2014 is vastgesteld op 14 oktober 2014 en bestaat uit drie delen. Onderdeel A geeft de visie en de opgaven van de gemeente LeidschendamVoorburg bij het verkeers- en vervoerbeleid in de periode 2014-2020, met een doorkijk naar 2040. In het uitgebreidere deel B worden de achterliggende analyses en oplossingsrichtingen beschreven.
Om de oplossingen uit te voeren zal een meerjaren uitvoeringsprogramma (deel C) worden opgesteld dat gekoppeld is aan het Investeringsprogramma Ruimtelijke Ontwikkeling en jaarlijks wordt geactualiseerd. Onderdeel van het uitvoeringsprogramma is een maatregelenlijst. - Nota Parkeerbeleid 2021 De Nota Parkeerbeleid 2021 is vastgesteld op 6 april 2021. In de Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. De gemeente wil een duidelijk en eenduidig parkeerbeleid voeren, waarbij parkeerbeleid ook kan betekenen dat er juist geen parkeermaatregelen worden getroffen. Deze nota is tot stand gekomen op basis van twee gemeentebrede enquêtes over parkeren, objectieve parkeermetingen en een interactief proces met een klankbordgroep bestaande uit bewoners en ondernemers. - Nota Parkeernormen 2023 De Nota Parkeernormen is vastgesteld op 26 september 2023 en beschrijft de parkeernormen voor fiets en auto binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. Hieraan moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de norm mag worden afgeweken. De auto is en blijft een belangrijk vervoersmiddel in de gemeente Leidschendam-Voorburg.
Grote delen van Leidschendam-Voorburg zijn vaak uitstekend bereikbaar per auto. Tijdens piekmomenten kan het voorkomen dat de wegcapaciteit onvoldoende blijkt voor het aantal verkeersbewegingen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening gehouden worden met de gevolgen op de bereikbaarheid en mobiliteit van de gemeente als geheel. In paragraaf 4.1 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt verder ingegaan op de toetsing van dit bouwplan aan de parkeernormen. De Nota Parkeernormen is het uitgangspunt bij het bepalen van de parkeerbehoefte van deze ontwikkeling. 2.4.13 Water - Water- en rioleringsplan In het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027, vastgesteld op 10 november 2021, is de toekomstvisie voor 2050 op de zorg voor riolering en grond- en oppervlaktewater beschreven. De volgende beleidsdoelen zijn als uitgangspunt aangehouden: § Water- en rioleringszorg draagt bij aan een goede volksgezondheid;
24
§ § § §
Leidschendam-Voorburg wordt duurzaam en klimaatbestendig gemaakt; Water- en rioleringszorg draagt bij aan een schone en prettige leefomgeving; De gemeente heeft een goede dienstverlening; De gemeente levert kwaliteit tegen een maatschappelijk verantwoord kostenniveau.
Om de ambitieuze doelen van het Water- en rioleringsplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het aspect water in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling wordt verder beschreven in paragraaf 5.6.
25
3.
STEDENBOUWKUNDIGE ANALYSE Het nieuwe voorliggende plan wijkt af van de vigerende bestemmingsregeling voor deze gronden. De stedenbouwkundige en kwalitatief-ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan zal daarom nader moeten worden beoordeeld en onderbouwd. Hierna wordt eerst nader ingegaan op de strijdigheden met het bestemmingsplan. Vervolgens zal een stedenbouwkundige onderbouwing worden gegeven van het bouwplan.
3.1
Bestaande situatie In paragraaf 1.1 is het ‘Masterplan Damcentrum’ al genoemd als onderdeel van het relevante beleidskader voor de beoordeling van het voorliggende bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord. Het Masterplan beschrijft hoe het historische centrum van Leidschendam zich, mede op basis van eerder geformuleerde stedenbouwkundige uitgangspunten, naar de toekomst toe ruimtelijk en functioneel zou moeten ontwikkelen om van dit gebied een kwalitatief aantrekkelijk verblijfsgebied te maken. Deze globale basis is in eerste instantie naar een meer concreet niveau vertaald in het bestemmingsplan ‘Damcentrum’, waarin de objectieve randvoorwaarden zijn vastgelegd waaraan de verdere verwezenlijking van de verschillende deelgebieden zal moeten voldoen. Zoals hierboven beschreven, wijkt het nu voorliggende bouwplan voor de Rijnlandstraat Noord af van de vigerende bestemmingsregeling voor deze gronden. Hierna zal worden ingegaan op de stedenbouwkundige, kwalitatief-ruimtelijke en welstandstechnische aanvaardbaarheid van het bouwplan.