4173 rapport 2023431 1_Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving d.d. 29-01-2025
Tekst van het document
§
§
Ter plaatse van het met gras begroeide terreindeel is bij het boren en graven van de gaten puinhoudend zand aangetroffen. Ook zijn hier verhardingslagen aanwezig. Mogelijk zijn dit restanten van het flatgebouw dat op deze locatie heeft gestaan. In het puinhoudende zand is geen asbest aangetroffen. In het puinhoudende zand zijn maximaal lichte overschrijdingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. Na een indicatieve toetsing aan de waarden genoemd in het Besluit bodemkwaliteit valt de puinhoudende grond in de klasse industrie. In de grond ter plaatse van het parkeerterrein zijn tot 1,50 m-mv maximaal licht verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. De grond valt indicatief in de klassen altijd toepasbaar, wonen en niet toepasbaar. Dit laatste geldt voor de laag 1,00 tot 1,50 m-mv. In deze laag is voor hergebruik een (te) hoog gehalte aan minerale olie aangetroffen. Op 4 plaatsen is bij het graven van de gaten ter plaatse van het parkeerterrein in de toplaag wat grof puin (>2cm) aangetroffen. Vermoedelijk zijn dit restanten van de sloop van de voormalige panden en/of oude bestrating. Asbestverdacht materiaal is visueel niet aangetroffen. Omdat alleen grof puin en geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is besloten om de grond niet op asbest te analyseren.
Een asbestanalyse zou geen representatief beeld opleveren voor het gehele parkeerterrein. Opgemerkt wordt dat bij het boren met de Edelmanboor op deze plaatsen geen puin is geconstateerd.
53
§ § §
Van 1,50 tot 3,50 m-mv zijn in de grond geen verhoogde gehaltes ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. De grond valt indicatief in de klasse altijd toepasbaar. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie xylenen (totaal) aangetoond. Verder zijn geen verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde aangetoond. De resultaten van het nu uitgevoerde onderzoek komen in grote lijnen overeen met het door BK uitgevoerde onderzoek (voor asbest ook het door UDM uitgevoerde onderzoek). Geconcludeerd kan worden dat de gemiddelde bodemkwaliteit (grond en grondwater) in de periode 2015 tot heden niet is verslechterd.
Voorts doet WEBO BEHEER BV de volgende aanbevelingen: §
§
§
§
In de toekomst wordt nog een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij zullen machinaal sleuven worden gegraven. Het is aan te bevelen om tegelijk met het archeologische onderzoek het koolas ter hoogte van de boringen 760 en 761 (onderzoek BK) weg te nemen. Het is aan te bevelen om tijdens deze werkzaamheden milieukundige begeleiding aan te stellen. Ter plaatse van het met gras begroeide terreindeel zal in het kader van het archeologische onderzoek ook (minimaal) één sleuf worden gegraven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met funderingsresten. Het is aan te bevelen om tijdens het graven van deze sleuf/sleuven milieukundige begeleiding aan te stellen. Ondanks het feit dat in het onderzoek geen asbesthoudend materiaal is aangetroffen, is het niet uit te sluiten dat bij het graven van sleuven toch asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen. Ter plaatse van enkele gaten op het parkeerterrein is (grof) puin aangetroffen. Het is vrijwel zeker dat op het parkeerterrein op meerdere plaatsen puin aanwezig is. Een representatief asbestonderzoek ter plaatse van het met klinkers en tegels verharde terreindeel kan eigenlijk alleen worden uitgevoerd door middel van het graven van sleuven. Een goede maaiveldinspectie was immers ook niet mogelijk.
Het is aan te bevelen om hier tegelijk met het archeologische onderzoek een asbestonderzoek uit te voeren door middel van het graven van sleuven. Wanneer in de toekomst de parkeergarage wordt gegraven is het aan te bevelen 2 separate partijen te onderzoeken, namelijk een partij van 0,00 tot 1,50 m-mv (vermoedelijk klasse wonen) en een partij van 1,50 tot 3,50 m-mv (vermoedelijk klasse altijd toepasbaar).
Conclusie Met in achtneming van het voorgaande wordt niet verwacht dat het aspect bodem milieuhygiënisch een belemmering vormt voor dit plan. 5.8 5.8.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Inleiding De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
54
Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 62 appartementen. Daarnaast wordt voorzien in 142 m2 aan commerciële en / of maatschappelijke ruimten. Het bouwplan voor de Rijnlandstraat kan worden geschaard onder J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Dit plan van 62 woningen en een beperkt aantal m2 commerciële en of maatschappelijke ruimten wordt (in beginsel) niet gezien als een m.e.r.-plichtige activiteit. Voor onderhavig plan is een zogenaamde m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.beoordeling ten behoeve van bouwplan Rijnlandstraat Noord te Leidschendam, Legalexion, d.d. 23 januari 2025), waarin onderzocht wordt in hoeverre van het plan belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten (zie bijlage IX). Uit voornoemde m.e.r.-aanmeldnotitie blijkt dat er, gelet op de kenmerken van het project, met name de aard en de omvang geen belangrijke milieugevolgen zijn te verwachten. 5.8.2
Conclusie Mede gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling voor de Rijnlandstraat Noord in voldoende mate is afgewogen, en dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Een m.e.r.(-beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.
55
6
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
6.1
Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
6.2
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.
6.3
Molenbiotoop In de provincie Zuid-Holland is een groot aantal cultuurhistorische waarden aanwezig, die beschreven zijn in de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur. Het behoud van deze cultuurhistorische hoofdstructuur is van provinciaal belang. Het beschermen of versterken van de molenbiotoop van traditionele windmolens is een daarvan afgeleid deelbelang. Artikel 13 van de provinciale Verordening Ruimte beoogt daaraan uitvoering te geven. Een aanzienlijk deel van het Damcentrum ligt binnen de molenbiotoop van de traditionele windmolen ‘De Salamander’ die zich ten noorden van het centrumgebied bevindt. Het projectgebied van het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord ligt voor een zeer klein deel binnen de invloedssfeer van deze molenbiotoop. Op grond van de bij de molenbiotoop behorende bepalingen uit het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van de Rijnlandstraat bebouwing toegestaan tot een maximale
56
hoogte van 1/30 x de afstand van de bebouwing tot de onderste punt van de staande wiek van de molen. Het bouwplan aan de Rijnlandstraat Noord is maximaal 22,1 meter hoog (dat is het hoge deel op de hoek van de Rijnlandstraat / Oude Trambaan). Het deel van het plan dat het meest nabij de molen ligt, bevindt zich op ca. 400 meter afstand van de betrokken molen, daaruit resulteert bij recht een maximaal toegelaten bouwhoogte van 13,3 m. De onderste punt van de verticaal staande wiek ligt op een hoogte van 9,50 m. De maximaal toegelaten bouwhoogte op de projectlocatie bedraagt dus 13,3 m. + 9,50 m. = 22,80 m. Het voorliggende bouwplan overschrijdt deze hoogte niet aangezien de te realiseren bebouwing binnen de molenbiotoop een maximale hoogte heeft van ca. 22,1 m. De molenbiotoop vormt daarom géén belemmering voor het verwezenlijken van het voorliggende bouwplan. Overigens kan aanvullend nog worden opgemerkt dat de omliggende bebouwing in het Damcentrum al zodanig veel hoger is dan in dit bouwplan wordt voorzien, dat de vrije windvang e.d. als gevolg van dit bouwplan hoe dan ook niet (extra) negatief wordt beïnvloed. 6.4
Archeologie Bij de voorbereiding van het vigerende bestemmingsplan ‘Damcentrum’, maar ook bij de voorbereiding van diverse andere ruimtelijke besluiten die zijn genomen om de revitalisatie van het centrumgebied te kunnen verwezenlijken, zijn archeologische onderzoeken verricht. Op basis van een aantal van deze onderzoeken is in 2005 een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Aangezien op de archeologische verwachtings- en advieskaart een bouwblok soms verschillende bodemtypen en daarmee verschillende adviezen voor vervolgonderzoek omvat, heeft RAAP op verzoek van de gemeente een adviesdocument opgesteld waarbij per bouwblok advies over de omgang met de eventueel aanwezige archeologische waarden wordt gegeven (adviesdocument 1 juni 2005). Dat adviesdocument is mede gebaseerd op de inhoud van RAAP-Rapport 955 uit 2005. Vervolgens is voor deze locatie in 2016 door IDDS Archeologie een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd d.m.v. proefsleuven (Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, Rijnlandstraat, Leidschendam Gemeente Leidschendam-Voorburg, maart 2016, rapport 1862, zie bijlage X). In dit onderzoek wordt een overzicht gegeven van de voor deze locatie en de omgeving uitgevoerde vooronderzoeken, waarnaar verder zij verwezen. IDDS Archeologie komt tot de volgende bevindingen: •
•
Er werden drie proefsleuven aangelegd waarin veel verstoringen werden aangetroffen als gevolg van de voormalige aanwezigheid van een flat en bijbehorende infrastructuur en kabels en leidingen. In de minst verstoorde werkput werden twee moderne paaltjes en enkele plantbedden uit de 18e eeuw of later aangetroffen. De plantbedden maken mogelijk deel uit van de achtererven van de ten zuiden gelegen 19e-eeuwse bebouwing of van een landbouwgebied uit de 19e eeuw of later. De vindplaats wordt niet als behoudenswaardig beschouwd. Er wordt daarom aanbevolen geen nader onderzoek uit te voeren en het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven.
Het bevoegd gezag (de gemeente Leidschendam-Voorburg) heeft inmiddels aangegeven het advies van IDDS Archeologie gedeeltelijk te kunnen overnemen t.a.v. archeologie. Nu onder het bouwplan een extra parkeerkelder wordt aangelegd dient, voordat tot uitvoering van het bouwplan kan worden overgegaan, de archeologische waarde van het projectgebied nader te worden aangetoond.
57
Met de initiatiefnemer zijn al afspraken gemaakt over de wijze waarop dit voor het projectgebied dient te gebeuren. In het Programma van Eisen voor het archeologisch onderzoek op het naastgelegen terrein (bouwplan Leytsche Hof) is opgenomen dat er in het projectgebied Rijnlandstraat Noord een proefsleuf zal worden aangelegd om de archeologische waarde nader te onderzoeken. Omdat op het projectgebied nu nog in gebruik is als parkeervoorziening, is deze proefsleuf nog niet uitgevoerd. Conclusie Gelet op voornoemde en om het archeologisch belang veilig te stellen dient aan de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit dan ook de volgende voorwaarden te worden verbonden: • Voordat het bouwplan wordt uitgevoerd dient de archeologische waarde van het terrein adequaat te zijn vastgesteld. • Eventueel aanwezige behoudenswaardige archeologische resten dienen bij voorkeur in situ (al dan niet middels planaanpassing) of, wanneer dat aantoonbaar redelijkerwijs niet mogelijk is ex situ (middels opgraven) te worden veiliggesteld. Overigens wordt ervan uitgegaan dat het uit te voeren vervolgonderzoek geen belemmering zal vormen voor de uitvoerbaarheid van het plan. 6.3.3
Toevalsvondst Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, bestaat de verplichting om deze vondsten te melden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort en de archeologisch adviseur van de Gemeente Leidschendam-Voorburg. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen aan Rijnlandstraat Noord te Leidschendam.
58
7.
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Op grond van artikel 5.21 lid 2 onder b van de Omgevingswet moet een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het ruimtelijke beleid van de diverse overheden, alsook op de diverse milieu- en omgevingsaspecten. In deze paragraaf zijn de conclusies uit de genoemde hoofdstukken opgenomen in het kader van de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie beleid De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het herontwikkelen van een binnenstedelijke locatie ten behoeve van woningen. Voorheen heeft op de betreffende locatie bebouwing gestaan. Deze bebouwing is al even geleden gesloopt. Met dit plan wordt de ruimtelijke kwaliteit in het gebied verhoogd. De woonfunctie past bij de aard van het gebied waar al woningen aanwezig zijn (Rijnlandstraat, het midden en zuidelijke deel). Voor het wonen wordt eveneens gebouwd voor de doelgroep waar de woningnood het hoogst is: werkende jongeren of jongeren die in het laatste jaar van hun studie zitten. Het plan levert een bijdrage aan een gevarieerd en betaalbaar (sociaal) woningaanbod voor jongeren.
De voorgenomen ontwikkeling valt in binnenstedelijk gebied. Steden krijgen te maken met een toename van hittestress en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering en verdichting. Het uitvallen van stedelijke functies en hoge kosten op lange termijn kunnen voorkomen worden door beperking van wateroverlast en hitte als ontwerpuitgangspunt op te nemen bij de (her)inrichting van de stad. Er wordt een klimaatbestendig gebouw gerealiseerd waarbij rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. Er wordt zowel in de buitenruimte als op het dak van het gebouw waterberging gerealiseerd. Ook is aandacht voor hittestress door het aanplanten van groen en bomen. Het realiseren van de wooneenheden voor de doelgroep jongeren, in combinatie met wonenwerken draagt bij aan de ambities van de provincie Zuid-Holland en gemeente LeidschendamVoorburg om een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving te creëren. Conclusie omgevingsaspecten De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op. Ook omwonenden worden door het beoogde woningbouwplan niet op onaanvaardbare wijze benadeeld voor wat betreft het woon- en leefklimaat. Tevens wordt de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet beperkt door de bouw van de woning.
Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat hier sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
59
8.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Als op voorhand duidelijk is dat het toegedachte bouwplan om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, hoort de het plan niet mogelijk gemaakt te worden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een behoefte waar in de markt vraag naar is. Het voorliggende plan maakt onderdeel uit van het grotere geheel van de herontwikkeling en herinrichting van Damcentrum. De ruimtelijke inrichting van het plangebied voorziet in het realiseren van een nieuwe juridisch-planologische - en feitelijke situatie, waaruit aanzienlijke kosten (kunnen) voortvloeien op het gebied van de grondexploitatie, planschaderisico's, enzovoorts. De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en of het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen.
Met betrekking tot de dekking van de door de gemeente te maken kosten kan worden vastgesteld dat alle kosten die de gemeente mogelijkerwijs maakt of zou kunnen maken door middel van de overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelende partij, op deze ontwikkelende partij zijn afgewenteld, inclusief planschade. Voorts kan worden opgemerkt dat er daadwerkelijk behoefte bestaat aan de betreffende woningen en het dus zeer aannemelijk is dat het plan ook uitgevoerd wordt. De behoefte blijkt uit het volgende. Op dit moment zijn meerdere plannen in ontwikkeling voor het centrum van Leidschendam, zoals aan de Rijnlandstraat (het midden en zuidelijke deel) en Leytsche hof. De interesse voor deze plannen overvraagt veruit het aanbod. Verwacht wordt dat ook voor dit plan aan de Rijnlandstraat Noord zich vele geïnteresseerden zullen melden als potentiële kopers van de woningen. Deze verwachting onderschrijft de actuele behoefte aan de betreffende woningen. Dat betekent dat er redelijkerwijs van uit kan worden gegaan dat niet wordt gebouwd voor de leegstand en dat het plan ook realiseerbaar en uitvoerbaar is ingeval de herontwikkeling onverhoopt wordt overgenomen door andere (markt)partijen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voor de Rijnlandstraat Noord voorziet in een behoefte.
Voorts wordt hier opgemerkt dat het plan wordt gerealiseerd binnen het stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande is het voldoende aannemelijk dat het project ook daadwerkelijk tot uitvoering zal komen, waarmee de economische uitvoerbaarheid afdoende is aangetoond.
60
9.
PARTICIPATIE Het doorlopen van een procedure voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader is het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. Participatietraject Voor de herontwikkeling van de locatie aan de Rijnlandstraat in Leidschendam heeft ontwikkelaar Ontwikkelingscombinatie Damcentrum CV in 2021 een plan gemaakt. Begin 2022 is het plan ter besluitvorming ingediend bij de gemeenteraad. De raad vond dat de omwonenden te weinig betrokken waren bij de planvorming en heeft daarover op 22 februari 2022 een motie ingediend. Het college van B&W heeft de ontwikkelaar daarop opdracht gegeven om samen met de omwonenden te komen tot een nieuw plan en knelpunten daar waar mogelijk weg te nemen. De ontwikkelende partij heeft vanaf maart 2022 namens BPD / SDJ de participatiegesprekken gevoerd. Allereerst door aparte bijeenkomsten met de drie groepen belanghebbenden, bewoners/eigenaren Damlaan 46 t/m 56, Bewoners/eigenaren Halte Damhof en ondernemers van de Halte Damhof. Deze waren bedoeld om alle wensen en bezwaren helder te krijgen.
In grote lijnen ging het om het behoud van het recht van weg voor de bewoners Damlaan, het vergroten van de afstand tussen het plan en de woningen Halte Damhof, verplaatsen entree van de garage. Daarbij is er vanuit de raad de wens bijgekomen om meer betaalbare woningen te realiseren. Bureau Beaumont Communicatie & Management is ingeschakeld als (onafhankelijk) gespreksleider voor de bewonersgesprekken met het Bestuur van VVE Halte Damhof en de bewoners Damlaan 46-58. Alle bewonersgesprekken hebben plaatsvonden in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de gemeente. Gedurende het proces is tussentijds terugkoppeling gegeven aan de gemeente over de voortgang en de stand van zaken van het participatieproces. Voor de participatie is een eigen website gemaakt, zodat naast de omwonenden ook overige buurtbewoners eenvoudig op de hoogte blijven van nieuws rondom de voorgenomen ontwikkeling. Op deze site zijn de presentaties en verslagen terug te zien en is er de mogelijkheid om reacties, vragen en suggesties digitaal door te geven.
61
BIJLAGEN: I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X.
Bezonningsstudie Rijnlandstraat Noord, Groosman Architecten d.d. 2 mei 2024 Mobiliteitsvisie Damlaan en Rijnlandstraat te Leidschendam, Future Mobility, 23 juli 2024 Mobiliteitsstudie Damlaan 38 – 40 & Rijnlandstraat Noord Leidschendam, Goudappel, d.d. 20 mei 2024 Akoestisch onderzoek, Rijnlandstraat Noord in Leidschendam, Van Kooten Akoestisch Advies, d.d. 23 januari 2025 Quickscan Wet natuurbescherming Rijnlandstraat ong. te Leidschendam, Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming, Blom Ecologie BV, d.d. 7 december 2023 Memo onderzoek stikstofdepositie Rijnlandstraat Noord Leidschendam, Langelaar Milieuadvies, 12 juni 2024 Akkoord Hoogheemraadschap Rijnland d.d. 20 januari 2025 Milieukundig bodemonderzoek Rijnlandstraat te Leidschendam, WEBO BEHEER BV, d.d. 4 oktober 2022 Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling ten behoeve van bouwplan Rijnlandstraat Noord te Leidschendam, Legalexion, d.d. 23 januari 2025 Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven Rijnlandstraat Leidschendam, Gemeente Leidschendam-Voorburg, IDDS Archeologie, 8 maart 2016
62