3713 - Toelichting en regels 'TAM-omgevingsplan Vlietweg 3 & 8a'
Tekst van het document
De omvang van de matige tot sterke verontreiniging met zware metalen en PAK en de licht tot sterke verontreiniging met asbest in de bodem wordt geschat op circa 36 m3. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met asbest), hiervoor geldt een saneringsnoodzaak. Op de andere locatie (ter plaatse van de nieuwe parkeerplaatsen) is bij het nader onderzoek geen sterke verontreiniging aangetoond in de grond rondom de sport ter plaatse van boring 6. De sterke verontreiniging met lood en PCB ter plaatse van boring 6 is daarom van zeer beperkte omvang (<<25m3). Er is geen (aanvullend) nader onderzoek nodig. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het nader onderzoek wordt aanbevolen om de matige tot sterke verontreinigingen met zware metalen, PAK en asbest in de strook tussen de loods en de watergang, voorafgaande aan herontwikkeling, te verwijderen door middel van ontgraving en afvoer van de verontreinigde grond. Ook wordt geadviseerd om dan de spot met sterke verontreiniging met lood en PCB te verwijderen. Zodoende kan een kavel worden geleverd, dat vrij is van sterke verontreiniging. De omvang van de verontreiniging in horizontale richting is voorafgaand aan de sanering door middel van onderzoek vastgesteld.
Uit dit onderzoek blijkt dat de grondrug achter Nieuwstraat 2 is gerealiseerd tijdens een eerdere bodemsanering (periode 1998 – 2000). Uit de stukken van de uitgevoerde sanering blijkt dat deze grondrug bestaat uit kleiige grond van de saneringslocatie en dat deze grond in zekere mate verontreinigd kan zijn met zware metalen, PAK en minerale olie. Deze (verontreinigde) grond is afgedekt met bentonietmatten met daarop circa 20cm drainagezand en daarop circa 40cm teelaarde. Voor de strook grond waar parkeerplaatsen zijn voorzien, is een indicatieve keuring uitgevoerd van de verschillende grondstromen die mogelijk gaan vrijkomen bij de aanleg van de parkeerplaatsen (Buro S/L, Indicatieve keuring grondwal (incl. PFAS en cyanide), 17 november 2022, zie bijlage 9). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de grondrug niet sterk verontreinigd is. De kleiige grond onder de bentonietmatten is licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie, PCB en licht tot matig verontreinigd met PAK en cyanide(complex). Deze grond voldoet aan klasse Industrie. De teelaardelaag en zandlaag zijn maximaal licht verontreinigd en voldoen aan Klasse Wonen. De kleiige grond zonder bijmenging is in februari 2024 aanvullend onderzocht op PAK en cyanide om te bepalen of deze partij mogelijk sterk verontreinigd is. Het aanvullende onderzoek maakt als bijlage 10 deel uit van dit TAM-omgevingsplan.
50 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de kwaliteit enige heterogeniteit vertoont. De grond is over het algemeen licht verontreinigd en voldoet gemiddeld aan klasse Industrie. Alleen ter plaatse van boring 02 is in de bovenlaag sterke verontreiniging met cyanide en PAK aangetoond. De hoeveelheid sterk verontreinigde grond rond boring 02 wordt geschat op 50m³ (100m² x 0,5m). Deze grond zal apart worden ontgraven en afgevoerd naar een erkend verwerker. Algemeen geldt dat bij grondverzet op de locatie moet worden voldaan aan de instructieregels uit het aanvullingsspoor Bodem, zoals die zijn verwerkt in de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving. Graaf- en/of saneringswerkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen onder saneringscondities te worden uitgevoerd door een erkende aannemer (BRL 7000). Voorafgaande aan grondverzet en/of sanering dient een saneringsplan of BUS-melding te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Haaglanden). Daarnaast moet bij werkzaamheden in verontreinigde bodem tevens aandacht besteed worden aan de veiligheids- en gezondheidseffecten (volgens CROW-publicatie 400). Ten slotte dient er rekening mee gehouden te worden dat bij de realisatie van de parkeerplaatsen de bovenafdichting weer hersteld moet worden.
Uit onderzoek naar PFAS in de grond is gebleken dat in de zandige en kleiige grond ten hoogste licht verhoogde gehalten zijn vastgesteld. Er is geen verontreiniging met asbest vastgesteld. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8 Externe veiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingscriterium is in veel gevallen een PR van 10-6.
PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron. Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6contour van het PR rond inrichtingen waar opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. Op basis van de risicokaart (zie afbeelding 30) is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om de planlocatie. de planlocatie ligt niet binnen aandachtsgebieden.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
51
Afbeelding 30: Uitsnede van de risicokaart, plangebied met blauwe cirkel aangegeven Bron: www.atlasleefomgeving Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Uit de risicokaart dat over de N14 een Basisnet-route ligt. De N14 is deels ondertunneld. Vanwege de ondertunneling is de N14 in het Basisnet opgenomen, omdat hier het transport van gevaarlijke stoffen niet is toegestaan. Gelet hierop is als gevolg van de N14 geen sprake van externe veiligheidsrisico's voor de planlocatie. De A4 is op circa 400m van de planlocatie gelegen. Voor de A4 geldt op basis van de regeling Basisnet een plaatsgebonden risicocontour van 13 meter. de planlocatie ligt buiten deze contour en vormt daarmee geen belemmering voor de planlocatie. de planlocatie bevindt zich ook niet binnen de 200 meter zone waarin het groepsrisico verantwoord moet worden bij een ruimtelijk plan en het ligt ook niet binnen de 355 meter zone inzake een incident met LPG-transport. Over de rijksweg A4 worden giftige vloeistoffen vervoerd. Het invloedsgebied als gevolg van het transport van giftige stoffen over de rijksweg A4 bedraagt meer dan 4000 meter. de planlocatie ligt in zijn geheel in het invloedsgebied van het vervoer van giftige stoffen. De kans op een incident is zeer klein. Gelet op de ligging binnen het invloedsgebied wordt een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven.
Bestrijdbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd is. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol.
52 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Bereikbaarheid de planlocatie wordt ontsloten via de noordelijk gelegen rotonde Vlietweg - Nieuwstraat - Delftsekade. De Vlietweg is een doorgaande weg waarmee de planlocatie aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Daarnaast kan via de Vlietweg en Delftsekade over de brug Damhouderstraat van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van de planlocatie wordt woningbouw mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS), het luchtalarm. Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In de directe nabijheid van de planlocatie liggen geen ondergrondse aardgastransportleidingen. De dichtstbijzijnde leidingen bevinden zich op circa 500m afstand van de planlocatie. De maximale werkdruk van deze buisleidingen bedraagt 40 bar en de uitwendige diameter bedraagt 12,76 inch. Conform het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen 2016' bedraagt het invloedsgebied van de buisleidingen maximaal 140 meter. de planlocatie ligt ver buiten dit invloedsgebied. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan. 4.9 Geur, stof en gevaar In de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) worden richtafstanden voor bedrijven vermeld voor vier ruimtelijk relevante milieuaspecten, te weten geur, stof, geluid en gevaar. Deze milieuaspecten worden beschreven in relatie tot het bedrijf Vlietweg 8a. In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieuaspecten geur, stof en gevaar. In paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op het aspect geluid.
Geur In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 Bkl. Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Het eerste punt is niet van toepassing omdat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met een geuremissie en derhalve geen relevante invloed heeft op de geur in de omgeving. Door de beoogde ontwikkeling is wel sprake van de toevoeging van geurgevoelige functies. In dat kader zijn – ondanks dat de beoogde ontwikkeling hier geen effect op heeft - ook de mogelijke geurbronnen in de omgeving beschouwd. Hieruit volgt dat het nabijgelegen autobedrijf ‘W.
van den Berg’ (Vlietweg 8a) een spuitcabine kent met een relevante geuremissie.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
53
Er is onderzoek uitgevoerd naar de geur in de omgeving als gevolg van deze spuitcabine (Peutz, Woningbouw Vlietweg 3 te Leidschendam, Onderzoek naar de kans op geurhinder van autobedrijf W. van den Berg aan de Vlietweg 8a, 16 november 2023, zie bijlage 11). Op afbeelding 26 is de ligging van de geprojecteerde woningbouw, het autobedrijf en de bestaande woningen weergegeven. Tevens is het emissiepunt van de spuitcabine weergegeven.
Afbeelding 26: Situatie met autobedrijf (rood), dichtstbijzijnde bestaande woningbouw (groen) en geprojecteerde woningbouw (blauw) Bron: Peutz, Onderzoek naar de kans op geurhinder van autobedrijf W. van den Berg aan de Vlietweg 8a, 16 november 2023 Kwalitatieve beschouwing De afstand van het emissiepunt tot de dichtstbijzijnde bestaande woningen bedraagt circa 20m. De afstand van het emissiepunt tot de geprojecteerde woningbouw bedraagt circa 30m. Daarmee zijn de woningen ten noorden van het autobedrijf maatgevend voor de milieusituatie. Het beoogde woningbouwplan leidt niet tot aanvullende beperkingen voor het autobedrijf. Navraag bij de Omgevingsdienst Haaglanden leert dat er nu en in het verleden geen (terechte) geurklachten bekend zijn ten gevolge van het autobedrijf. Voorts is van belang dat in Nederland de overheersende windrichting zuidwestelijk is. Gelet op het feit dat het woningbouwplan ten zuidoosten van het autobedrijf is geprojecteerd, ligt het woningbouwplan gunstig ten opzichte van het emissiepunt (zie afbeelding 26). Voor zover aanwezig zullen geurdampen overwegend ten noorden van het woningbouwplan voorbij trekken.
54 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Gelet op het feit dat 1) de afstand van het nieuwbouwplan groter is dan de afstand tussen het autobedrijf en bestaande woningen, 2) in de huidige situatie geen (terechte) geurklachten bekend zijn vanuit de omgeving, en 3) eventuele geurdampen, gelet op de heersende windrichting, ten noorden van het geprojecteerde woningbouwplan voorbij zullen trekken, kan de conclusie worden getrokken dat de kans op geurhinder bij de geprojecteerde woningbouw te verwaarlozen is. Het autobedrijf wordt in zijn eventuele ontwikkelruimte met betrekking tot het aspect geur reeds beperkt door de bestaande woningen. De geprojecteerde woningbouw leidt niet tot extra of nieuwe beperkingen. Kwantitatieve beschouwing Uit de resultaten van de berekeningen volgt dat de geurbelasting ter hoogte van de bestaande woningen 2,6-2,8 ouE/m3 als 99,99 percentiel bedraagt. Ter hoogte van de geprojecteerde bebouwing bedraagt de geurbelasting 1,9-2,4 ouE/m3 als 99,99 percentiel. Uit de berekeningen volgt dat de geurbelasting ten gevolge van het autobedrijf ter hoogte van bestaande woningen hoger is dan ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw. Dat is gezien de afstand (20m bestaand versus 30m geprojecteerd ten opzichte van het emissiepunt) en de overheersende windrichting in Nederland (zuidwestelijk) ook te verwachten.
Wanneer de optredende geurbelasting ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw wordt beoordeeld volgens het toepasselijke kader, namelijk het geurbeleid van de provincie Zuid-Holland (Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019), dan volgt daaruit dat sprake is van een acceptabel geurhinderniveau. Het geurbeleid kent een drietal beleidsregels. Onderstaand worden deze per regel, inclusief wat dit betekent voor de beoogde ontwikkeling, toegelicht. 1. Volgens beleidsregel 1 is het algemene uitgangspunt het voorkomen van (nieuwe) hinder en verder dat geur-emitterende inrichtingen de BBT inzetten om geurhinder voor de omgeving te voorkomen dan wel te beperken. Op basis van voorliggend onderzoek is beoordeeld of sprake is van een acceptabele situatie. 2. Middels deze beleidsregel is de hindergrens en ernstige hindergrens bepaald. In voorliggende situatie is de hindergrens bij 2,5 ouE/m3 als 99,99 percentiel. Hier wordt aan voldaan, hetgeen betekent dat zonder nadere afweging sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. 3. In beleidsregel 3 wordt een niet-limitatieve lijst van geurgevoelige objecten, die beschermd dienen te worden tegen niet aanvaardbare geurhinder, opgenomen. De beoogde ontwikkeling betreft woningen welke als meest geurgevoelig kunnen worden gezien. Conclusie Uit de resultaten van de kwalitatieve en kwantitatieve beschouwing volgt het volgende.
Ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw is de kans op geurhinder ten gevolge van het autobedrijf te verwaarlozen. Dit volgt uit het feit dat de afstand van het emissiepunt tot de bestaande woningen veel kleiner is dan de afstand van het emissiepunt tot de geprojecteerde woningbouw en dat in Nederland de overheersende windrichting zuidwestelijk is. In de huidige situatie en in het verleden is geen sprake van terechte geurklachten. Uit de verrichte berekeningen volgt dat de geurbelasting ter hoogte van de bestaande woningen hoger is dan ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw. Het autobedrijf wordt in zijn eventuele ontwikkelruimte beperkt door de bestaande woningen en niet door de geprojecteerde woningbouw. De optredende geurbelasting ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw leidt tot een aanvaardbaar geurhinderniveau volgens het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland. De hindergrens wordt namelijk niet overschreden. Daarmee is zonder nadere afweging sprake van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Stof Voor het milieuaspect 'stof' geldt een richtafstand van 10m vanwege de spuitcabine. De spuitcabine is gesitueerd in de bestaande loods. De loods ligt op grotere afstand dan 10m van de nieuwe woonbebouwing. Bovendien ligt het niet voor de hand dat de spuitcabine binnen de loods verplaatst zal (kunnen) worden.
De locatie van de spuitcabine is op de verbeelding vastgelegd. Hierdoor is de feitelijke afstand tussen de spuitcabine en de nieuwe woonbebouwing nog groter.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
55
Hierdoor vormt het aspect 'stof' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Gevaar Voor het milieuaspect 'gevaar' geldt een richtafstand van 10m vanwege de spuitcabine. De spuitcabine is gesitueerd in de bestaande loods. De loods ligt op grotere afstand dan 10m van de nieuwe woonbebouwing. Bovendien ligt het niet voor de hand dat de spuitcabine binnen de loods verplaatst zal (kunnen) worden. De locatie van de spuitcabine is op de verbeelding vastgelegd. Hierdoor is de feitelijke afstand tussen de spuitcabine en de nieuwe woonbebouwing nog groter. In paragraaf 4.8 is nader ingegaan op het milieuaspect externe veiligheid. Hieruit blijkt dat het bedrijf op het perceel Vlietweg 8a geen risicobron betreft. Hierdoor vormt het aspect 'gevaar' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.10 Trillingen Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl.
Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.11 Water In de waterparagraaf komen de relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in de planlocatie. de planlocatie ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer in de planlocatie. Tevens is het hoogheemraadschap in het kader van het vooroverleg betrokken bij het tot stand komen van ruimtelijke plannen. Op 28 september 2023 zijn de concept toelichting van het ontwerpbestemmingsplan en de memo 'Bepalen compensatiemogelijkheden Vlietweg 3 te Leidschendam' aan het Hoogheemraadschap van Delfland in het kader van de Watertoets toegestuurd. Het Hoogheemraadschap heeft op 17 oktober 2023 gereageerd. De adviezen van het Hoogheemraadschap zijn in het omgevingsplan verwerkt. Wettelijk kader Europa Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.
Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Nationaal Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan.
56 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Provinciaal Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 worden de provinciale opgaven beschreven in het kader van water. Het programma bevat de verplichte onderdelen om aan de Europese richtlijnen te voldoen. Dit zijn de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast bevat het programma onderwerpen als zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie.
Door deze onderwerpen in één document te behandelen, kunnen deze in samenhang worden bekeken. In paragraaf 3.3.2 is de Waterschapsverordening beschreven, in paragraaf 3.3.3 is het Waterbeheerprogramma van het Hoogheemraadschap van Delfland beschreven en in paragraaf 3.4.13 is het Water- en rioleringsplan van de gemeente Leidschendam-Voorburg beschreven. Huidige situatie Op het perceel Vlietweg 3 staan in de huidige situatie twee bedrijfsgebouwen. Deze gebouwen zijn in vervallen staat en niet meer in gebruik. Oorspronkelijk was dit een timmerfabriek met een opslagloods. Ten noorden van de bebouwing ligt een weg naar het naastgelegen terrein, Vlietweg 8a, waar de functie van Autohandelsbedrijf is toegekend. Tussen deze percelen ligt een watergang. In de groenstrook tussen Vlietweg 3 en de rotonde staan in de huidige situatie enkele bomen. Daarnaast bestaat de planlocatie uit de strook grond achter het perceel Nieuwstraat 2.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
57
Afbeelding 27: Waterkeringen Bron: Legger Delfland de planlocatie ligt nabij twee waterkeringen (zie afbeelding 27). Ten noorden van de planlocatie ligt een boezemkade (de Vliet). In het omgevingsplan is de grond aangewezen voor 'Waterstaat Waterkering' voor de Vliet en zone langs de Vliet. Een klein gedeelte van de groenstrook valt binnen dit aangeduide gebied. Ten zuiden van de planlocatie ligt een polderkade. In het omgevingsplan is hiervoor geen aanduiding opgenomen. Omdat deze waterkering wel op de legger is opgenomen, wordt deze in dit TAMomgevingsplan opgenomen als 'Waterstaat - Waterkering'. In de planlocatie liggen enkele waterleidingen. Deze hebben de functie 'Leiding - Water'. Toekomstige situatie Het Hoogheemraadschap van Delfland let bij de Watertoets op de volgende thema's: Stevige dijken: veiligheid, waterkeringen; Voldoende water: voorkomen van wateroverlast, grondwater en voorkomen van (zoet)watertekort, onderhoud en bagger; Schoon water: watersysteemkwaliteit, ecologie en biodiversiteit; Gezuiverd water: afvalwaterketen; Klimaatadaptatie. Voor het thema 'Veiligheid en waterkeringen' is van belang dat initiatieven tot medegebruik van waterkeringen voldoen aan de criteria die het Hoogheemraadschap hier aan stelt. de planlocatie ligt binnen de functie 'Waterstaat - Waterkering'. Voor deze gronden gelden aanvullende regels.
Voor het thema 'Grondwater en voorkomen (zoet)watertekort is van belang dat in het ontwerp van het gebouw en bij de inrichting van de buitenruimte rekening is gehouden met de huidige grondwatersituatie. 58 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Het thema 'Onderhoud en bagger' is niet relevant omdat geen sprake is van werkzaamheden in de (beschermingszone van de) waterkering. Voor het thema 'Watersysteemkwaliteit en ecologie' is van belang dat het plan niet leidt tot een achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem. Een bedrijvenlocatie wordt gewijzigd in een woonlocatie. Een woonfunctie conflicteert niet met de kwaliteitsdoelstellingen van het watersysteem. Met het plan wordt tevens een bijdrage geleverd aan de biodiversiteit, doordat de buitenruimte groen wordt ingericht. In het kader van klimaatadaptatie en het voorkomen van waterlast dient (conform de regels van het Hoogheemraadschap van Delfland) een toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd door de realisatie van extra waterberging. Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert het stand still beginsel. Dit houdt in dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. Een toename van verhard oppervlak kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het stand still beginsel. Tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. De gronden ter plaatse van de planlocatie zijn reeds in zijn geheel verhard, aangezien sprake is van een bedrijfsbebouwing en bestrating.
Er is een onderzoek uitgevoerd naar watercompensatie (MUG Ingenieursbureau, Bepalen compensatiemogelijkheden Vlietweg 3 te Leidschendam, 16 november 2023, zie bijlage 12). Voor de ontwikkeling is een waterbalans opgesteld: Onderdeel bestaande situatie (m2) toekomstige situatie (m2) verschil (m2) Bebouwing 1.060 1.398 +338 Verharding 662 1.415 +753 Onverhard 2.437 1.344 -1.093 Water 125 127 +2 Tabel 4: Waterbalans Bron: MUG Ingenieursbureau, Bepalen compensatiemogelijkheden Vlietweg 3 te Leidschendam, 9 november 2023 Vanuit het Hoogheemraadschap van Delfland is voor ruimtelijke plannen de watersleutel ontwikkeld, om inzicht te geven in de compensatieopgave. In deze watersleutel wordt reeds een extra compensatie voor de klimaatveranderingen meegenomen. Op basis van de watersleutel dient een hoeveelheid van 223m2 extra oppervlaktewater te worden gerealiseerd of dient een waterberging van 134m3 te worden gerealiseerd bij de ontwikkeling. Gezien de beperkte toename aan oppervlaktewater in het plan (+2m2) is deze hoeveelheid buiten beschouwing gelaten bij het verkennen van de mogelijkheden om te voldoen aan de watercompensatie uit de watersleutel. In de planlocatie is geen ruimte om open water te graven. Om te voldoen aan de compensatie-eisen is onderzocht of het mogelijk is om de compensatie in zogenoemde vasthoudmaatregelen te realiseren binnen het plan.
Er is verkend welke oppervlakte van het dak beschikbaar is voor waterberging. Een deel van het dak wordt gebruikt als buitenruimte van de bovenste appartementen. Het deel van het dak dat beschikbaar is voor waterberging, bedraagt 600m2. Bij een bergingscapaciteit van 120mm bedraagt de waterberging 72m3. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat een blauw-groen dak met regelbare stuw mogelijk is binnen de richtlijn vasthoudmaatregelen. Dit dient nog wel verder uitgewerkt te worden. Bovendien dient in de regels van het plan een voorwaardelijke verplichting voor aanleg en instandhouding van de voorziening te worden opgenomen. Bij de uitwerking van het bouwplan zal het blauw-groene dak verder uitgewerkt te worden. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Het gebied achter Vlietweg 2 wordt gesaneerd. Omdat dit gebied wordt gesaneerd kan het mogelijk zijn om hier waterbergende systemen in aan te leggen. Afhankelijk van de grondwaterstand kunnen dit infiltratiekratten zijn of een waterbergende functie. Voor de waterberging in de buitenruimte van de ontwikkeling wordt uitgegaan van een systeem van betonnen infiltratiekratten (bijvoorbeeld bufferblock) met een berging van 62m3.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
59
Indien het niet mogelijk is om infiltratiekratten aan te brengen na het saneren van de verontreinigingen, of dat het niet mogelijk is om de verontreinigingen zodanig te verwijderen dat het hemelwater mag infiltreren, kan in overleg met het Hoogheemraadschap worden gezocht naar een locatie in een lager peilvak waar de tekortkomende compensatie aangelegd kan worden. Dit kan worden gedaan in de vorm van het creëren van extra oppervlaktewater. Deze maatregel is ook relevant voor het thema 'Afvalwaterketen', waarbij het van belang is een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.12
Cultuurhistorie en archeologie
4.12.1 Archeologisch erfgoed De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in archeologische functies en cultuurhistorische functies opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeente brede omgevingsplan. In paragraaf 3.4.6 is de Nota Archeologie beschreven.
Archeologisch onderzoek Met het voorliggende TAM-omgevingsplan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In het kader hiervan is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd (Vestigia, Archeologisch vooronderzoek in het kader van sloop en nieuwbouw aan de Vlietweg 3 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, 10 maart 2022, zie bijlage 13). Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ligt de planlocatie binnen een terrein van zeer hoge archeologische waarde. Deze vastgestelde waarde heeft betrekking op het Kanaal van Corbulo. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek dient het Kanaal echter verder noordelijk gezocht te worden, maar had de planlocatie desalniettemin een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten vanaf de IJzertijd/Romeinse tijd. Tevens gold voor het gehele plangebied een middelhoge verwachting voor resten uit het Neolithicum/Bronstijd en een (middel) hoge archeologische verwachting voor resten vanaf de Late Middeleeuwen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van de planlocatie aan de in de middeleeuwen gekanaliseerde loop van de Vliet, met het historisch bebouwingslint aan de oevers. Er zijn geen cartografische aanwijzingen voor historische bebouwing uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd, maar dit kan ook niet geheel worden uitgesloten.
Om de archeologische verwachting te toetsen is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw heeft de planlocatie nog steeds een hoge archeologische verwachting. Bij ingrepen die dieper reiken dan 1,26 meter beneden NAP (70 centimeter beneden maaiveld met een bufferzone van 30 centimeter) worden mogelijk archeologische waarden bedreigd.
60 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
In zijn algemeenheid geldt dat bij toekomstige ontwikkelingen zoveel mogelijk de richtlijnen gevolgd moeten worden voor archeologievriendelijk bouwen, zoals weergegeven in de handreiking van de RCE. De toekomstige ingrepen bestaan naar verwachting uit het uitgraven van een bouwkuip en het plaatsen van heipalen. Op dit moment is echter nog niet duidelijk of het mogelijk is om archeologievriendelijk te bouwen, gezien de aanwezige fundatie en toekomstige fundatie en het feit dat het VO/DO nog niet gereed is. Daardoor is op dit moment nog niet aan te geven of er wel of geen karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd. In de regels van het plan is via de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' geborgd dat voorafgaand aan bodemingrepen dieper dan 30cm archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien de bodemingrepen een grotere oppervlakte beslaan dan 100m² tenzij kan worden aangetoond dat mogelijk aanwezige archeologische waarden niet zullen worden verstoord of aangetast. 4.12.2 Cultuurhistorisch erfgoed Binnen de planlocatie liggen geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. de planlocatie valt ook buiten het beschermde stads- en dorpsgezicht 'Sluisplein met sluiscomplex'. Op de Cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland zijn binnen de planlocatie aanvullende cultuur- of bouwhistorische waarden geïnventariseerd.
de planlocatie valt binnen de volgende erfgoedlijnen: Landgoederenzone: De Landgoederenzone is een langgerekte, min of meer aaneengesloten verzameling landgoederen, die loopt over de oude duinenrij van Monster naar Haarlem. Welgestelde regenten en kooplieden wilden in de zomer graag de stad uit en legden buitenverblijven aan op de zandgrond van de oude duinenrij langs de kust. De Herenweg (o.a. de Veursestraatweg) en de buitenplaatsen spelen hier een centrale rol. Trekvaarten: De trekvaarten zijn de door de mens gegraven waterverbindingen tussen de opkomende Hollandse steden in de Gouden Eeuw. Het is het verhaal van het massapersonenvervoer over water vóór de komst van de trein. Nu zijn de vaarten aantrekkelijk voor de waterrecreatie. De Limes: Ondanks dat de Limes op de Cultuurhistorische atlas verder oostwaarts van de planlocatie geprojecteerd is, dient men rekening te houden met de loop van het Kanaal van Corbulo. In de Cultuurhistorische Analyse Vlietoevers (vastgesteld d.d. 11-10-2016) is aangegeven dat de gemeente Leidschendam-Voorburg wordt gescheiden en verbonden door de Vliet. De scheiding ontstaat enerzijds doordat het grondgebied van Leidschendam-Voorburg aan weerszijden van de Vliet ligt. Anderzijds is er sprake van een verbinding omdat de Vliet de hele gemeente van noord naar zuid doorloopt.
Juist dat opvallende kenmerk maakt de Vliet tot een belangrijke structuur binnen de gemeentegrenzen. In de cultuurhistorische analyse wordt aangegeven dat het belangrijk is dat wandvorming langs de oevers van de Vliet moet worden voorkomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling staat het nieuwe gebouw haaks op de Vliet, waardoor hieraan wordt voldaan. Daarnaast is aangegeven dat bedrijventerreinen langs de Vlietoevers breken met de groene kwaliteit en met de van oudsher architectonische verfijning. Het versterken van het industriële thema is een ongewenste ontwikkeling. Door de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijvenfunctie ingeruild voor een woonfunctie. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de cultuurhistorische analyse. 4.13 Ecologie In de toelichting van een omgevingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de wet- en regelgeving op het gebied van natuur.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
61
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Gelet op het feit dat het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling niet gewijzigd zijn, kunnen de conclusies uit het rapport als motivering aan dit plan ten grondslag worden gelegd. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijnen) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel zonder vergunning niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of inpassingsplan is niet toegestaan, wanneer het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (zoals door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming is het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Soortenbescherming Soortenbescherming is onderdeel van de Omgevingswet. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Toets Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden de planlocatie ligt niet binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Meijendel & Berkheide, bevindt zich op 5,3 kilometer afstand (zie afbeelding 28). Doordat de planlocatie buiten de begrenzing van Natura 2000gebieden ligt kunnen directe negatieve effecten, zoals oppervlakteverlies, op voorhand uitgesloten worden. Verstorende effecten door bijvoorbeeld licht of geluid tijdens de werkzaamheden zijn ook uitgesloten, vanwege de ruime afstand en de tussenliggende bebouwing en infrastructuur.
62 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Afbeelding 28: Ligging ten opzichte van Natura 2000 Bron: Quickscan Wet natuurbescherming Vlietweg 3 Leidschendam In aanvulling op het voorgaande is van belang dat de bouw en het gebruik van het appartementengebouw uitstoot van stikstof tot gevolg hebben, met name vanwege de inzet van bouwmaterieel en de extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase. Een relevante toename van stikstofdepositie c.q. negatief effect op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden is daarom niet op voorhand uit te sluiten. Om hier inzicht in te krijgen is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Peutz, Woningbouw Vlietweg 3 te Leidschendam, Stikstofdepositie, 10 november 2023, zie bijlage 14). Uit het onderzoek blijkt verder dat de aanlegfase en gebruiksfase van het plan niet leiden tot een toename van stikstofdepositie van > 0,00 Mol/ha/jaar op stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen met een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde in omliggende Natura 2000-gebieden. Significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland de planlocatie ligt niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich 1,6 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie afbeelding 29).
Adviesbureau Haver Droeze BNT
63
Afbeelding 29: Ligging ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland Bron: Quickscan Wet natuurbescherming Vlietweg 3 Leidschendam Gelet op artikel 6.24 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland worden beperkingen opgelegd vanuit het kader van het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gelegen zijn in het Natuurnetwerk Nederland, of deel uitmaken van de strategische reservering van natuur. Beide vereisten zijn niet van toepassing op de onderhavige onderzoekslocatie. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Er is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van het plan voor beschermde soorten (Econsultancy, Quickscan Wet natuurbescherming Vlietweg 3 Leidschendam, 6 juli 2021, zie bijlage 2 van bijlage 15). Uit het onderzoek blijkt dat verschillende soorten in de planlocatie (kunnen) voorkomen. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de nestgelegenheden buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind september worden aangehouden.
Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Voor vleermuizen geldt dat nader onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen noodzakelijk wordt geacht voor alle gebouwen op de onderzoeklocatie. De gebouwen zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Tevens wordt er geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken, zo worden foerageergebieden en verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn niet hoger dan de open stootvoegen, kozijnen en dakrand, de armaturen zijn weggericht van dezelfde openingen en de verlichting is zo min mogelijk diffuus.
64 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen, vanwege een provinciale vrijstelling en/of de aard van de ingreep, niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aantoonbaar werken conform de zorgplicht kan gebeuren door te handelen middels een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. De onderzoekslocatie kan tijdens graafwerkzaamheden tijdelijk interessanter worden voor voornamelijk rugstreeppad. Daarom wordt aangeraden de graafwerkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode van deze soorten (actieve periode loopt globaal van april tot september), of te werken met een amfibieënscherm. Naar aanleiding van de quickscan is een nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (Van Dijk geotechniek en advies, Rapportage nader ecologisch onderzoek (vleermuizen en gierzwaluw), 3 november 2022, zie bijlage 3 van bijlage 15). Uit het onderzoek blijkt dat door de toekomstige werkzaamheden twee zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zullen worden vernietigd.
Omdat zomerverblijfplaatsen doorgaans ook worden gebruikt als winterverblijfplaats, kan eveneens niet worden uitgesloten dat er tevens een tweetal tijdelijke winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zullen worden vernietigd. Door het aanbieden van tijdelijke voorzieningen (mitigerende maatregelen) in de directe omgeving en het realiseren van permanente voorzieningen (compenserende maatregelen) in de toekomstige nieuwbouw, blijven er zowel in de sloop-, nieuwbouw- en realisatiefase als in de gebruiksfase (toekomstige situatie) voldoende alternatieve verblijfplaatsen beschikbaar voor gewone dwergvleermuis. Dergelijke maatregelen zijn noodzakelijk om een significant negatief effect op genoemde soort zoveel mogelijk te beperken Het uitvoeren van de werkzaamheden leidt daardoor tot een overtreding van de verbodsbepalingen. Om de geplande werkzaamheden uit te kunnen voeren dient daarom een ontheffing te worden aangevraagd. Voor de aanvraag van de ontheffing is een Activiteitenplan opgesteld (Van Dijk geotechniek en milieu, Activiteitenplan ten behoeve van aanvraag ontheffing Wnb, herontwikkeling, Vlietweg 3 te Leidschendam, 8 juni 2023, zie bijlage 15). De ontheffingsaanvraag is ingediend bij de provincie Zuid-Holland.
Omdat op de perceel grond achter Nieuwstraat 2 - 2a een parkeerterrein is voorzien, is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Van Dijk geotechniek en advies, Quickscan Wet natuurbescherming, herontwikkeling, terrein ten zuidoosten van Nieuwstraat 2-2a te Leidschendam, 4 september 2023, zie bijlage 16). Uit het onderzoek blijkt dat er binnen de locatie geen sprake is van vaste verblijfplaatsen, jaarrond beschermde nesten of essentieel leefgebied van beschermde soorten. Wel dient voorafgaand aan en tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met vleermuizen (foerageren en vliegroutes) en broedvogels in het algemeen. Ten alle tijde dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wil voorkomende dieren en planten in hun leefomgeving. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.14 Bezonning Door middel van een bezonningsstudie is onderzoek gedaan naar de invloed van de woningbouwontwikkeling op de bezonning van de omliggende percelen (Faro, Bezonningsstudie Vlietweg 3 Leidschendam, 6 september 2023, zie bijlage 17). Op vier momenten in het jaar is het aantal zonne-uren weergegeven, zowel in de huidige als in de toekomstige situatie. Het betreft de langste dag van het jaar, de kortste dag van het jaar en de beide tussenliggende dagen.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
65
Uit de bezonningsstudie blijkt dat de invloed van de nieuwbouw op de bezonningssituatie van de omliggende woonbebouwing in voorjaar, zomer en najaar nihil is. Van de vier meetmomenten heeft de nieuwbouw alleen invloed op de bezonning in de wintersituatie, wanneer de zon relatief laag staat en kort schijnt. In deze bezonningsstudie is getoetst aan de lichte TNO-norm. De lichte TNO-norm is een gebruikelijke methode om de bezonning van woningen in een stedelijk gebied te beoordelen. In een stedelijke omgeving kunnen minder hoge eisen aan de bezonning worden gesteld en moet er rekening mee worden gehouden dat bebouwing van invloed kan zijn op de bezonning. Om die reden kan de lichte TNO-norm worden toegepast. Bij de lichte TNO-norm is sprake van voldoende bezonning wanneer er op zon beschenen gevels in de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 van de 12 maanden van het jaar) tenminste van 2 uur zon valt. Om vast te stellen of dit het geval is wordt voor de beide meest kritische dagen uit de beoordelingsperiode inzichtelijk gemaakt welke vlakken en gevels gedurende de dag twee uur of minder zon ontvangen. Op afbeelding 32 is de situatie van 21 oktober in beeld gebracht. De gebieden met twee uur of minder zon zijn paars gekleurd. De overige gebieden ontvangen dus meer zon.
Hieruit blijkt dat het TAM-omgevingsplan en het ontwerp voldoen voor de omliggende gebouwen aan de lichte TNO-norm voor bezonning. Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Afbeelding 32: Minder dan 2 uur zon Bron: Bezonningsstudie Vlietweg 3 Leidschendam 4.15 Toegankelijkheid openbare ruimte In artikel 5.162 Bkl is bepaald dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. In het plan zit openbare buitenruimte in de vorm van parkeerplaatsen en groen. Voor het stallen van fietsen wordt een gedeelte van de begane grond van het gebouw ingericht. Dit voorkomt dat fietsen in de openbare buitenruimte worden gestald. Bij de verdere uitwerking van het inrichtingsplan zal rekening worden gehouden met de toegankelijkheid van de openbare ruimte, bijvoorbeeld door het zo min mogelijk plaatsen van hekken. 66 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
4.16 Bedrijven en milieuzonering Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen).
Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" (2009) een handreiking gedaan ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de grond die is aangewezen voor de functie bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-publicatie hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht.
De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). De richtafstanden van de VNG-brochure zijn indicatief. Van die richtafstanden kan, mits voldoende onderbouwd, worden afgeweken. Dit is alleen toegestaan indien ondanks de afwijking alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gemengd gebied Voor de planlocatie wordt uitgegaan van gemengd gebied, omdat naast woningen zich in de directe omgeving ook de functies 'Kantoor', 'Bedrijf' en 'Gemengd-1' bevinden. Hierdoor zijn de richtafstanden die horen bij gemengd gebied van toepassing. In onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie uit de VNG-brochure weergegeven. Milieucategorie Gemengd gebied 1 0 meter 2 10 meter 3.1 30 meter 3.2 50 meter Tabel 5: Richtafstanden milieuzonering Bron: VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) Aan de hand van de richtafstanden in de VNG-brochure is beoordeeld of de bedrijvigheid in en rondom de planlocatie belemmeringen oplevert voor de milieugevoelige functies.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
67
Automobielbedrijf Vlietweg 8a Op circa 6 meter van de gevel van het nieuw te realiseren gebouw ligt de erfgrens van het perceel Vlietweg 8a. Volgens het omgevingsplan is op deze locatie een bedrijf in categorie 3.2 toegestaan. De richtafstand die hierbij hoort in gemengd gebied is 50 meter. Er wordt niet voldaan aan deze richtafstand van 50 meter. Feitelijke activiteiten Op het perceel is automobielbedrijf 'W. van den Berg' gevestigd. Dit is een herstelinrichting van motorvoertuigen en verfspuitinrichting. Hierbij horen de volgende sbi-codes, richtafstanden en milieucategorieën: Sbi-code 451, 452, 454: Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven (richtafstand gemengd: geur: 0m, stof 0m, geluid 10m, gevaar 0m, grootste afstand 10m)/milieucategorie 2; Sbi-code 45204: Autospuitinrichtingen (richtafstand gemengd: geur 30m, stof 10m, geluid 10m, gevaar 10m, grootste afstand 30m)/milieucategorie 3.1. Voor de herstelinrichting geldt aldus een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De autospuiterij geeft (op papier) de grootste richtafstand, namelijk een afstand van 30 meter voor het aspect geur. Hierbij is echter geen bandbreedte gegeven van de omvang van de spuitinrichting. Milieuaspecten Geluid Het milieuaspect 'geluid' speelt zowel voor de herstelinrichting als de spuitinrichting; in beide gevallen geldt een richtafstand van 10m.
Het is mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de richtafstanden, namelijk om door middel van een akoestisch onderzoek aan te tonen dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen voldoet aan de geluidswaarden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling voor wat betreft het aspect geluid inpasbaar is, mits voor wat betreft de activiteiten van de herstelinrichting de schuifdeur van de werkplaats tijdens de uitvoering van luidruchtige werkzaamheden zoals bij het gebruik van pneumatisch en elektrisch gereedschap (tijdelijk) gesloten wordt. Aan deze voorwaarde zal redelijkerwijs kunnen worden voldaan door het vaststellen van een maatwerkvoorschrift (zie paragraaf 4.6). Geur Het milieuaspect 'geur' speelt alleen voor de spuitinrichting. Er is onderzocht of als gevolg van de activiteiten in de spuitcabine (onaanvaardbare) geurhinder kan worden verwacht (Peutz, Woningbouw Vlietweg 3 te Leidschendam, Onderzoek naar de kans op geurhinder van autobedrijf W. van den Berg aan de Vlietweg 8a, 16 november 2023, zie bijlage 11). Uit het onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Op basis van de bekende gegevens over de activiteiten in de spuitcabine (bekend verfgebruik en ervaringscijfers/metingen) is berekend wat de geuremissie/-immissie bedraagt en wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de normen in het geurbeleid van de provincie Zuid-Holland.
Zie hierover verder paragraaf 4.9. Deze conclusie spoort met het gegeven dat in het kader van toezicht (onder meer in 2001 en 2006) is vastgesteld dat geen geurhinder is waargenomen of geurklachten bekend zijn. Uit latere controles kan worden afgeleid dat de bedrijfsactiviteiten de laatste jaren zijn afgenomen . In dit kader wordt verder aanvullend opgemerkt dat de afzuiging van de spuitcabine op het dak op (ongeveer) 30 meter van de beoogde woonbebouwing is gelegen, waarmee al (ongeveer) aan de richtafstand wordt voldaan. Deze afstand is in ieder geval groter dan de afstand tussen de deze afzuiging en de bestaande woonbebouwing aan de noordwestzijde van het automobielbedrijf. Er behoeft daarom niet te worden gevreesd dat een zodanig uitbreiding van de activiteiten in de spuitcabine kan plaatsvinden, dat ter plaatse van de beoogde woonbebouwing geen sprake meer zou zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
68 en 8a (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Vlietweg 3
Afbeelding 25: Buffer 10m rondom nieuwe bebouwing Bron: Peutz, Woningbouwontwikkeling Vlietweg 3 te Leidschendam, Akoestisch onderzoek, 8 november 2023 Binnen 10 meter van de beoogde bebouwing zal echter - ook in de toekomstige situatie - naar alle verwachting geen sprake (kunnen) zijn van 'met de beoogde woningbouw onverenigbare' bedrijfsactiviteiten. Dit deel van het terrein heeft geen bouwvlak en verwacht mag worden dat de toekomstige bedrijfsactiviteiten in de bebouwing ter plaatse van het naastgelegen perceel zullen (blijven) plaatsvinden. Deze is op een grotere afstand dan 10 meter gesitueerd. Bovendien zal tussen de beoogde woonbebouwing en het ten westen gelegen perceel een groenstrook worden gesitueerd. Er is hiermee sprake van een grotere afstand tot bedrijfsactiviteiten dan 10 meter ten opzichte van de gevels van de beoogde woningen. De beoogde woningen kunnen hiermee in de toekomstige situatie ook inpasbaar worden geacht ten opzichte van de nabijgelegen bedrijvigheid. Een situering nabij parkeergelegenheid is overigens niet ongebruikelijk in stedelijke locaties, en kan tevens aanvaardbaar worden geacht. Naast het automobielbedrijf liggen in de omgeving bedrijven met een maximale milieucategorie 2. Hierbij geldt een richtafstand van 10 meter. de planlocatie ligt niet binnen de richtafstand van deze bedrijven.