CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3551-03 Toelichting bestemmingsplan 'Landelijk - 2

Commissie Omgeving 26 juni 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Landelijk-237.249 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Beleid inzake sluitingstijden 2011 gemeente Leidschendam-Voorburg

De Horecanota 2011, zoals deze op 31 mei 2011 is vastgesteld door het college geeft de kaders aan van diverse onderwerpen, waaronder de sluitingstijden, terrassen, alsmede de ondersteunende horeca in detailhandel. In de horecanota is aangegeven dat in een afzonderlijke beleidsnotitie een en ander nader wordt uitgewerkt. Deze beleidsnotitie geeft de regels weer die gelden met betrekking tot de sluitingstijden van horecabedrijven en van de terrassen behorende bij horecabedrijven in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het beleidsdocument 'Beleid inzake sluitingstijden 2011' is vastgesteld op 31 mei 2011. 4.3.12.3

Beleidsregels terrassen gemeente Leidschendam-Voorburg 2015

De Horecanota 2011, zoals deze op 31 mei 2011 is vastgesteld door het college geeft de kaders aan van diverse onderwerpen, waaronder de sluitingstijden, terrassen, alsmede de ondersteunende horeca in detailhandel. In de horecanota is aangegeven dat in een afzonderlijke beleidsnotitie een en ander nader wordt uitgewerkt. Deze beleidsnotitie geeft de regels weer die gelden met betrekking tot het verlenen van vergunningen voor terrassen behorende bij horecabedrijven in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het beleidsdocument 'Beleidsregels Terrassen gemeente Leidschendam-Voorburg' is vastgesteld op 14 juli 2015.

Toetsing plan Voorliggend plan maakt geen nieuwe horecafuncties mogelijk. In het plan is één horecabestemming opgenomen. Verder is in dit plan ondergeschikte horeca mogelijk binnen de bestemming 'Recreatie Dagrecreatie'. Het realiseren van een terras bij ondergeschikte horeca is daar toegestaan indien er op de verbeelding de aanduiding 'terras' is vermeld. Verder is ondergeschikte horeca met een terras ook mogelijk binnen de bestemming 'Cultuur en ontspanning'. Het plan is in overeenstemming met het horecabeleid.

Toelichting (vastgesteld)

71

bestemmingsplan Landelijk - 2

4.3.13 Luchtkwaliteit 4.3.13.1

Actieplan luchtkwaliteit 2016-2020

De gemeente Leidschendam-Voorburg streeft naar een gezonde leefomgeving voor haar inwoners en bezoekers. Ze heeft daarom ten aanzien van de luchtkwaliteit de ambitie dat in 2030 geen enkele inwoner in de gemeente blootgesteld wordt aan een hogere concentratie dan de WHO-advieswaarde. Met dit actieplan wil de gemeente bijdragen aan het formuleren van beleid en een aanzet geven tot het uitvoeren van maatregelen in de komende vier jaar. De horizon van dit actieplan luchtkwaliteit reikt niet tot 2030. De bijdrage van dit actieplan is in het doel samengevat om te zorgen dat in 2020 de emissie van verontreinigde stoffen in de gemeente tenminste 10% lager is dan de autonome ontwikkeling nu aangeeft. Het beleidsdocument 'Actieplan luchtkwaliteit 2016-2020' is vastgesteld op 25 april 2016.

Toetsing plan Het plan is vrijwel geheel conserverend van aard, dat wil zeggen dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waardoor geen toename van verkeer wordt veroorzaakt en dus geen verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt.

4.3.14 Recreatie en toerisme 4.3.14.1

Visie recreatie en toerisme Leidschendam-Voorburg 2025

De toeristisch-recreatieve sector ontwikkelt zich zowel provinciaal als regionaal als een kansrijke groeisector. Recreatie en toerisme leveren ook binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg een belangrijk bijdrage aan het economisch klimaat. Daarnaast is er nog een groot potentieel aan bezoekers. Tot nu was er nog geen integraal beeld van de activiteiten en ingrediënten op het gebied van reactie en toerisme in de gemeente. Daarom is besloten om een visie op te stellen voor recreatie en toerisme, samen met de lokale partners in de toeristisch recreatieve sector. Het beleidsdocument 'Visie recreatie en toerisme Leidschendam-Voorburg 2025' is vastgesteld op 4 juli 2017. Toetsing plan De in het gebied voorkomende recreatieve doeleinden zijn opgenomen onder een recreatieve bestemming. Er wordt daarbij een verschil aangebracht in dagrecreatie, verblijfsrecreatie, recreatiewoningen en volkstuinen. Er worden in voorliggend plan geen nieuwe recreatieve bestemmingen mogelijk gemaakt. Het plan is in overeenstemming met het recreatieve beleid.

4.3.15 Sociaal beleid 4.3.15.1

Sociale structuurvisie - Ruimte voor mensen 2024

‘Leidschendam-Voorburg is een aantrekkelijke groen woonstad én een toekomstbestendige (financieel en sociaal) gezonde gemeente. Met dit duidelijke doel voor ogen bestuurt het college van burgemeester en wethouders de stad. Deze algemene visie is gedeeltelijk uitgewerkt in de Structuurvisie ‘Ruimte voor Wensen 2040’. Met de Structuurvisie geeft de gemeente richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van Leidschendam-Voorburg. Met deze Sociale Structuurvisie ‘Ruimte voor Mensen 2024’ geeft de gemeente richting aan de ontwikkeling van de stad op sociaal maatschappelijk gebied. De ruimtelijke en de sociale structuurvisie staan niet los van elkaar, maar vullen elkaar aan. Daar waar de visies worden uitgewerkt in concrete plannen op wijk en buurtniveau zullen de verbanden zichtbaar worden. Het beleidsdocument 'Sociale structuurvisie - Ruimte voor mensen 2024' is vastgesteld op 25

72

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 september 2012. 4.3.15.2

Speelruimteplan- beleidsplan 2016-2025 Buitengewoon spelen

Spelen is belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen. Om te kúnnen spelen is er naast voldoende vrij te besteden tijd, andere kinderen en volwassenen ook speelvoorzieningen en speelruimte nodig. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft als beheerder van de openbare ruimte de mogelijkheid hiervoor te zorgen en de juiste voorwaarden te scheppen. Om deze juiste voorwaarden te kunnen scheppen, en dus de kwaliteit en kwantiteit van de speelruimte te kunnen handhaven, is het belangrijk dat er een Speelruimteplan wordt vastgesteld. Het beleidsdocument 'Speelruimteplan Leidschendam-Vorburg 2016-202' is vastgesteld op 26 april 2016. Toetsing plan Voorliggend plan is gelegen in deelgebied 4 zoals opgenomen op de deelgebiedenkaart van het speelruimteplan. Dit deelgebied bestaat uit het buitengebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De mogelijkheden om hier in het groen te ravotten zijn beperkt. Binnen verschillende bestemmingen zijn echter speelvoorzieningen en speelvelden toegestaan. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard, maar biedt planologisch gezien de ruimte om speelvoorzieningen toe te staan. Het plan is derhalve in overeenstemming met het speelruimteplan. 4.3.16 Sport 4.3.16.1

Visie op sport en bewegen in Leidschendam-Voorburg

De gemeente Leidschendam-Voorburg beschikt over een goede sportinfrastructuur. De gemeente heeft tientallen sportverenigingen en prachtige sportaccommodaties die goed verspreid over de gemeente liggen. Maar de benutting en bezetting van deze accommodaties kan verder worden verbeterd. Uitgangspunt hierbij is het streven naar zoveel mogelijk multifunctioneel gebruik van deze accommodaties. De visie geeft richting voor de toekomst en het vertrouwen dat de gemeente de toekomst ingaat met gemeenschappelijke grond en een gedeeld begrip van wat er gebeuren moet. Het beleidsdocument 'Visie op sport en bewegen Leidschendam-Voorburg' is vastgesteld op 26 maart 2016. Toetsing plan Voorliggend plan is hoofdzakelijk conserverend van aard, bestaande sportvoorzieningen zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Het plan is in overeenstemming met het sportbeleid. 4.3.17 Verkeer en parkeren 4.3.17.1

Verkeers- en vervoerplan herijking 2014, met doorkijk naar 2040

Het herijkte Verkeers- en vervoersplan 2014 bestaat uit 4 delen. Onderdeel a geeft de visie en de opgaven van onze gemeente bij het verkeers- en vervoerbeleid in de periode 2014-2020, met een doorkijk naar 2040. De achterliggende analyses en oplossingsrichtingen kunt u in het uitgebreidere deel B lezen. Om de oplossingen uit te voeren zal een meerjaren uitvoeringsprogramma (deel C) worden opgesteld dat gekoppeld is aan het Investeringsprogramma Ruimtelijke Ontwikkeling (IRO) en jaarlijks wordt geactualiseerd. Het beleidsdocument is vastgesteld op 14 oktober 2014. Onderdeel A: Verkeers en vervoerplan, onderdeel A Onderdeel B: Verkeers en vervoerplan, onderdeel B Onderdeel C: Verkeers en vervoerplan, onderdeel C Onderdeel C: Verkeers en vervoerplan, onderdeel maatregelen

Toelichting (vastgesteld)

73

bestemmingsplan Landelijk - 2

4.3.17.2

Nota Parkeernormen 2023

In de Nota Parkeernormen 2023 staan de parkeernormen voor auto en fiets. Hieraan moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. De nota beschrijft de achterliggende rekenmethodiek en geeft aan onder welke voorwaarden van de norm mag worden afgeweken. Het beleidsdocument 'Nota Parkeernormen 2023' is vastgesteld op 26 september 2023.

4.3.17.3

Nota Parkeerbeleid 2021

De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de gemeentelijke openbare ruimte. Dit doet de gemeente aan de hand van parkeerbeleid. Een goed parkeerbeleid is belangrijk voor de vitaliteit van de stad en draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. In deze Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. De gemeente wil een duidelijk en eenduidig parkeerbeleid voeren, waarbij parkeerbeleid ook kan betekenen dat er juist geen parkeermaatregelen worden getroffen. Deze nota is tot stand gekomen op basis van een interactief proces met een klankbordgroep bestaande uit bewoners en ondernemers, twee gemeente-brede enquêtes over parkeren en objectieve parkeermetingen. Het beleidsdocument 'Nota Parkeerbeleid 2021' is vastgesteld op 6 april 2021. 4.3.17.4

Nota verkeersregelinstallaties

In de 'Nota Verkeersregelinstallaties' staan de uitgangspunten die de gemeente hanteert voor het realiseren, vervangen en ontwerpen van verkeersregelinstallaties. In het 'Beheer en onderhoudsplan' staat de aanpak van beheer en onderhoud voor 2018-2022. Toetsing plan Voorliggend plan is hoofdzakelijk conserverend van aard en is daarmee in overeenstemming met de geldende parkeernorm.

4.3.18 Water 4.3.18.1

Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021

De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft wettelijke taken op het gebied van afvalwater, regenwater en grondwater. Basisuitgangspunten zijn dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen wordt. Bovendien moet het water schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van klimaatverandering. Nieuwbouw dient klimaatadaptief gebouwd te worden. Het beleidsdocument 'Water en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021' is vastgesteld op 15 december 2015. Toetsing plan Voorliggend plan is hoofdzakelijk conserverend van aard en is daarmee in overeenstemming met het waterbeleid.

74

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Hoofdstuk 5

M ilieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk zijn de voor het plangebied relevante milieu-en omgevingsaspecten beschreven.

5.1

Bedrijven en milieuzonering

Om milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten te voorkomen worden grenzen gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. In de bestemmingsregels wordt bepaald welke bedrijfsactiviteiten worden toegelaten. Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van de categorie-indeling op basis van de VNG-brochure " Bedrijven en milieuzonering" uit 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven van functies op o.a. gevoelige bestemmingen. Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden en vormt het nieuwe beoordelingskader voor geurhinder uit de veehouderij. Volgens de Wgv moet er een 'ruimtelijke scheiding' (afstand) zijn tussen veehouderij en geurgevoelig object (omwonende). De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De normen in de Wgv zijn onder andere afhankelijk van het type geurgevoelig object en of het dieren betreft met of zonder een geuremissie. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft geen geurbeleid en dient zich in alle gevallen aan de Wgv te houden. Lichthinder De laatste tien jaar worden er steeds meer kassen verlicht door speciale verlichting, zogenaamde assimilatieverlichting.

Assimilatiebelichting is de kunstmatige belichting van gewassen om het groei- en bloeiproces te bevorderen. In het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld aan assimilatiebelichting. Deze moeten lichthinder voor omwonenden voorkomen en de duisternis en het donkere landschap beschermen. Beoordeling plangebied Voorliggend plan is nagenoeg conserverend van aard waardoor het aspect Bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt. Een uitzondering vormen de 2 ontwikkelingen. Hier is nader op ingegaan in paragraaf 2.2 .

5.2

Water

Oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewater van het buitengebied bestaat uit een stelsel van grote sloten en weteringen waarop de kleinere kavelslootjes afwateren. De grote sloten en weteringen op het waterpeil van de Vliet worden boezemwateren genoemd. Het verkavelingpatroon van de sloten in veenontginningsgebieden is zeer karakteristiek en een belangrijk landschapselement. Om het waterpeil te continueren, wordt door middel van gemalen het water uit de polders op de boezemwateren geloosd. Bij een tekort aan water in de polders wordt vanuit deze boezems water de polder ingelaten. Het waterpeil in het agrarisch gebied ligt dicht onder het maaiveld waarbij een balans gezocht wordt tussen bruikbaarheid (ontwatering) en een zo hoog mogelijk grondwaterstand om bodemdaling tegen te gaan. Het water in de Vliet, dat via de bodem van het oppervlaktewater weg zijgt, kwelt na enkele tientallen jaren weer op in de naburige dieper gelegen polders. Watergangen die van vitaal belang zijn voor de aan- en afvoer van water zijn de primaire watergangen. Dergelijke watergangen moeten zo veel mogelijk in stand worden gehouden. De overige watergangen hebben meer een waterbergings- en afwateringsfunctie op perceelsniveau. Dergelijke watergangen

Toelichting (vastgesteld)

75

bestemmingsplan Landelijk - 2 kunnen makkelijker aangepast worden (verbreed, verlegd) aan veranderende functies voor zover ze niet tevens van landschappelijk belang zijn. In de legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland is aangegeven wat primaire en overige watergangen zijn.

Waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW, 2000) schrijft voor dat in 2027 alle waterlichamen een “goede ecologische en chemische toestand”, en voor sterk veranderde/kunstmatige wateren een “goed ecologisch potentieel” moet worden bereikt. De volgende KRW-waterlichamen liggen geheel of gedeeltelijk in het bestemmingsplan Buitengebied: -

Vlietland;

-

Vogelplas Starrevaart;

-

de Vliet;

-

Meerburgerwatering;

-

Stompwijkse Vaart;

-

Nieuwe Vaart;

-

Ommedijkse Watering;

-

Meer- of Buurwatering.

De waterkwaliteit van de KRW-lichamen voldoet nog niet. Ontwikkelingen in het buitengebied dienen zo veel mogelijk een bijdrage te leveren aan het behalen van de KRW-doelen. Dat kan bijvoorbeeld door de aanleg van natuurvriendelijke oevers, ecologische zones en het tegengaan van emissies uit de landbouw (vermesting). De toepassing van uitloogbare bouwmetalen - zoals koper, zink en lood - voor dakbedekking, gevelbekleding, regenwaterafvoer, drinkwaterleidingen of straatmeubilair moet zo veel mogelijk worden voorkomen, zodat minder verontreinigde stoffen in het watersysteem terecht komen. Waterkwantiteit Als in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat het afkoppelen van verhard oppervlak vereist is. Hiermee wordt bereikt dat zuurstofrijk hemelwater ten goede komt aan de lokale waterhuishouding en wordt voorkomen dat hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hiervoor is drukriolering ook niet geschikt. Aansluiting leidt tot afvoerproblemen bij de (andere) woningen. Nieuwbouwlocaties worden waterrobuust en klimaatbestendig ontwikkeld. Bij nieuwbouw is het afkoppelen van hemelwater verplicht. De eigenaar van gebouwen en percelen verwerkt het regenwater zelf binnen de perceelgrens, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevraagd.

Voor het afkoppelen van verhard oppervlak geldt dat dakoppervlak en licht verontreinigd oppervlak altijd mag worden afgekoppeld, waarbij een bodempassage de voorkeur heeft. Dit kan een greppel zijn of een oppervlak dat tijdelijk onder water mag staan. Door naast of onder deze voorziening een drain aan te leggen worden langdurige hoge grondwaterstanden voorkomen. Deze bodempassage heeft als doel zoveel mogelijk water vast te houden in de bodem om bodemdaling tegen te gaan en om de verontreiniging af te vangen. Dit houdt in dat de bodempassage regelmatig gesaneerd moet worden, afhankelijk van de mate van verontreiniging en aangesloten verharding. Denk hierbij aan een frequentie van ongeveer 1 keer per 10 jaar. Verontreinigde oppervlakken kunnen worden afgekoppeld via een bodempassage, maar in geval de activiteiten vergunningsplichtig zijn, is aansluiting op de vuilwaterriolering of een bodempassage mogelijk verplicht ter beoordeling van de omgevingsdienst (in geval van lozing via de gescheiden riolering) of de

76

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 waterkwaliteitsbeheerder (in geval van rechtstreekse lozing). In het laatste geval is meestal ook een bergingsvoorziening noodzakelijk om de afvoersnelheid te begrenzen. Het kan zijn dat de saneringsfrequentie van een bodempassage hoger ligt. Het niet verslechteren van de waterhuishoudkundige situatie betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Waterkeringen en onderhoud Het reguleren van werkzaamheden in en rondom waterkeringen valt onder de bevoegdheid van het Hoogheemraadschap. In dit bestemmingsplan zijn daarom geen aanvullende eisen opgenomen. Grondwatersysteem In het plangebied zijn twee verschillende grondwatersystemen te vinden. Het zogenaamde Zoetermeerse systeem en het Haagse duinsysteem. Het Haagse duinsysteem is het water dat in de duinen en aanliggende strandwallen infiltreert en in de lage delen van de Duivenvoordecorridor en de droogmakerijen naar boven komt in de vorm van kwel. Het Zoetermeerse systeem wordt gevoed door de veenweidegebieden en is van oorsprong zoet. Op de rand van de twee systemen, onder meer in de Zoetermeerse Meerpolder, wordt het zoete water langzaam verdrongen door het zoute en ontstaat een brak milieu. Nog altijd is zoetwaterkwel merkbaar in de polders aan de binnenzijde van de vroegere strandwallen.

Nadat de waterleidingmaatschappijen van Den Haag, Wassenaar en Leiden drinkwater begonnen op te pompen uit de duinen, werd op den duur een ernstige verdroging van de duinen merkbaar. Om die tegen te gaan wordt door Dunea via een buis rivierwater aangevoerd uit de Maas. In het buitengebied staan vaak woningen op de overgang van de boezemwatergangen naar de diepere polders. Door bodemdaling en veroudering van de bebouwing kunnen soms vochtproblemen optreden in de bebouwing. Het is aan de pandeigenaren om te zorgen voor voldoende ontwatering en het waterdicht houden van de bebouwing tegen grondwater. Klimaatadaptatie Door klimaatverandering ontstaan meer intensieve regenbuien en langduriger droge perioden. Om overbelasting van het watersysteem/boezemstelsel tegen te gaan wordt de Nieuwe Driemanspolder heringericht tot een calamiteitenberging. In de polders zal regenwater zo goed mogelijk moeten worden vastgehouden om droogteschade en versnelde bodemdaling door veenafbraak tegen te gaan. Stedelijke opwarming moet voorkomen worden door zo veel mogelijk hittebestendig te bouwen, bijvoorbeeld met groene daken, gevels of warmte reflecterende materialen. Daarnaast vergroot het Hoogheemraadschap van Rijnland de inlaatcapaciteit.

Nieuwe Driemanspolder: In de Nieuwe Driemanspolder is een compleet (nat) natuurgebied aangelegd die tevens als calamiteitenberging en in de verdere toekomst wellicht als zoetwaterbuffer fungeren zal. Voor de aanleg is ook een aantal toevoerende watergangen verbreed. De wijzigingen hebben gevolgen voor de ligging van watergangen en waterkeringen.

Toelichting (vastgesteld)

77

bestemmingsplan Landelijk - 2

Figuur 20: plankaart Nieuwe Driemanspolder

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de opgaven/plannen voor het toekomstige watersysteem. Waterrecreatie - sloepenroute In geval wat watergangen die deel uitmaken van het sloepennetwerk geldt voor bruggen een minimale doorvaarthoogte van 1,5 meter. Voor watergangen die hiermee in verbinding staan is dit een wens of in ieder geval van (toekomstig) gebruik als waterweg voor sloepen een eis. Dit laatste geldt voor de: Meerburgerwatering; Nieuwe Vaart; Bakkersloot; zijtakken van de Vliet waarin ligplaatsen zijn vergund en/of havens aanwezig zijn.

78

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Figuur 21: Sloepennetwerk

5.3

Bodem

Bodemverontreiniging Er wordt gesproken over bodemverontreiniging als door toedoen van de mens stoffen of materialen in de bodem of het grondwater terecht zijn gekomen die schadelijk zijn voor het ecosysteem, het milieu of de mens. Verontreinigingen kunnen in de bodem terecht komen door calamiteiten, morsen, lekkage van vaten en leidingen, storten van puin, afval en lozingen. Het is wettelijk geregeld via de Wet bodembeheer (Wbb) en de bouwverordening dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bodeminformatie Alle bodemonderzoeken, voor zover bekend bij de gemeente en bij de provincie, zijn in een gemeentelijk databestand opgenomen. De milieukundige gegevens zijn gekoppeld aan een GIS (Geografisch Informatiesysteem) en kunnen worden weergegeven op een kaart.

Op de volgende sites staat ook bodemgegevens die van belang zijn om te bepalen of een terrein verdacht is op verhoogde gehalten en waar dus een bodemonderzoek noodzakelijk is: Bodemloket; Provinciale Bodematlas De bodemonderzoeklocaties in het betreffende plangebied zijn op onderstaande kaart weergegeven.

Toelichting (vastgesteld)

79

bestemmingsplan Landelijk - 2

Figuur 22: bodemonderzoekslocaties

Gemeentelijke bodemkwaliteitskaart Op basis van diverse bodemonderzoeksgegevens heeft de gemeenteraad op 1 oktober 2013 de Bodemkwaliteitskaart alsmede het Bodembeheersplan vastgesteld. In deze beleidsnota's staat o.a. het volgende aangegeven: globale gemiddelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in bepaalde zones; hoe omgegaan moet worden met vrijkomende grond en het hergebruik van deze gronden; hoe omgegaan wordt met hergebruik en verwerking van baggerspecie. In oktober 2018 is door het college van B&W de geldigheid van de bodemkwaliteitskaart verlengd met 5 jaar. De Nota Bodembeheer is geldig tot 2024. De bodemkwaliteitskaart zal in 2023 worden herzien. De verlenging is gebaseerd op een evaluatie van de diverse bodemonderzoeken die in de periode 2013 t/m 2018 zijn uitgevoerd, waaruit gebleken is dat er geen significantie verschillen zijn in de bodemkwaliteitgegevens ten opzichte van voor 2013. Na 2023 zal de Bodemkwaliteitskaart alsmede de nota Bodembeheer volledig vernieuwd moeten worden, of worden geïntegreerd in het omgevingsplan overeenkomstig de Omgevingswet. Bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart wordt de gemiddelde kwaliteit van de grond weergegeven waarbij geen rekening wordt gehouden met lokale verontreinigingen bij bijvoorbeeld pompstations, olietanks, puinlagen, toemaakdek, gedempte sloten, etc.

PFAS In 2018 heeft men geconstateerd dat de bodem in Nederland verhoogde gehalten aan PFAS bevat. Plaatselijk zijn in Nederland zeer sterk verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond met name bij bepaalde fabrieken, vliegvelden en brandweeroefenplaatsen.

80

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

PFAS betreft een verzameling chemische componenten met poly en perfuoralkyl verbindingen waarvan PFOA en PFOS de bekendste stoffen zijn. De stoffen van de PFAS-groep zoals PFOA en PFOS breken niet af en stapelen zich op in het milieu. De risicogrenzen in grond en water zijn laag, echter de stoffen behoren echter niet in de natuur thuis en als ze in het drinkwater komen is er een potentieel humaan risico aanwezig. Deze stoffen zijn in heel veel producten gebruikt zoals brandblusschuim, teflon, coatings, waterafstotendheid van kleding, etc. Eind 2022 heeft het college van B&W op basis van diverse chemische analyses van grond op PFAS de zogenaamde PFAS kaart vastgesteld waarna deze kaart is toegevoegd aan de Bodemkwaliteitskaart uit 2013. De gemeenteraad heeft in februari 2023 ingestemd met de PFAS-kaart Bij de gemeente zijn geen bronnen bekend waardoor de grond verontreinigd is geraakt met PFAS. Voor PFAS geldt het volgende: Grond van 0,0 tot 0,5 meter - maaiveld voldoet aan toepassingswaarden wonen/industrie. Grond van 0,5 tot 2,0 meter - maaiveld voldoet aan de achtergrondwaarden. Beoordeling bodemkwaliteit plangebied Voor het onderhavige plangebied gelden de volgende zones met bijbehorende klasse: kleur

zone

klasse 0 – 0,5 m – m.v.

klasse 0,5 – 2 m – m.v.

rood

1

industrie

industrie

geel

2

wonen

wonen

groen

3

achtergrondwaarde

achtergrondwaarde

De verschillende bodemkwaliteitsklassen van de bovengrond van 0,0-0,5 m – m.v. staan in onderstaande kaart weergegeven waarbij het plangebied met een blauwe lijn op is weergegeven.

Figuur 23: Bodemkwaliteitsk aart

De bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt voor het toepassen grond in een bepaalde zone. Wanneer men een partij grond of baggerspecie in het plangebied wil verwerken is het van belang dat de

Toelichting (vastgesteld)

81

bestemmingsplan Landelijk - 2 milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem bepalend is. De toe te passen partij grond/baggerspecie voor een ontvangende landbodem, en de landbodem zelf worden in drie klassen verdeeld die de mate van vervuiling weergeven, te weten Achtergrondwaarde (AW), wonen en industrie. De klasse van de toe te passen partij moet hetzelfde of schoner zijn als de ontvangende landbodem. Een schematisch overzicht voor het toepassen van grond is in onderstaand figuur weergegeven.

Figuur 24: Schema grond toepasbaar in ontvangende landbodem

Beoordeling plangebied Op basis van de bodemonderzoeksrapporten kan men voor het plangebied globaal de volgende milieuhygiënische bodemkwaliteit verwachten: De grond ter plaatse van de Stompwijkseweg en de Doctor van Noortstraat is sterk verontreinigd met zware metalen en PAK. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreinigingen. Graafwerkzaamheden ter plaatse van deze weg en de bermen mag alleen met toestemming van de overheid (gemeente of omgevingsdienst Haaglanden). De bodem ter plaatse van dijklichamen (Oostvlietweg, Wilsveen, Oosteinde, Meer- en Geerweg, Middelweg, Kniplaan, etc) is verdacht wegens de aanwezigheid van ophooglagen met puin en afval. Derhalve een grote kans op (sterk) verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en asbest. De bovengrond van 0,0-5 m – m.v. ter plaatse van weilanden bevat over het algemeen geen of licht verhoogde gehalten aan stoffen. De bodemlaag beneden de 0,5 m – m.v. bevat over het algemeen geen verhoogde gehalten. De grond ter plaatse van voormalige sloten (dempingen), puinpaden, dammetjes, (voormalige) erfverhardingen, erven van boerderijen, lintbebouwing, kassen met ketelhuizen en opslagloodsen en (voormalige) bedrijven bevat over het algemeen verhoogde gehalten waarbij soms sanering noodzakelijk is.

Alle woningen die vanaf 1987 zijn gebouwd is de grond waar nodig geschikt gemaakt voor de bestemming “wonen met tuin” Voorliggend plan is conserverend van aard, waardoor het aspect bodem geen belemmering vormt. Een uitzondering wordt gevormd door de 2 ontwikkelingen. Hier is nader op ingegaan in paragraaf 2.2.

82

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

5.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit is opgenomen in paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De paragraaf staat bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen door luchtverontreiniging terug te dringen. De wet bevat grenswaarden voor bepaalde luchtverontreinigde stoffen. Voor de luchtkwaliteit zijn met name de concentraties stikstofdioxide en fijnstof van belang. De concentraties van overige stoffen voldoen in Nederland ruimschoots aan de normen. De belangrijkste grenswaarden voor de luchtkwaliteit zijn: Stof

Norm

Grenswaarde

Advieswaarde (WHO)

Stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde

40 µg/m3

10 µg/m3

uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)

200 µg/m3

jaargemiddelde

40 µg/m3

Fijn stof (PM10)

15 µg/m3

24-uursgemiddelde; 50 µg/m3 overschrijding is toegestaan op niet meer dan 35 dagen per jaar Fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde

25 µg/m3

5 µg/m3

Figuur 25: Grenswaarden luchtkwaliteit Bij nieuwbouwprojecten wordt in de Wet luchtkwaliteit onderscheid gemaakt tussen 'grote' en 'kleine' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Zeer grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij moet vooral gedacht worden aan omvangrijke grote nieuwbouwwoonwijken, bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Samengevat komt de regelgeving erop neer dat als de huidige en toekomstige luchtkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de grenswaarden en/of het plan maakt geen nieuwe projecten of slechts kleine, NIBM-projecten mogelijk, dan is geen toetsing aan de grenswaarden nodig. Beoordeling plangebied Het plan is vrijwel geheel conserverend van aard, dat wil zeggen dat er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waardoor geen toename van verkeer wordt veroorzaakt en dus geen verslechtering van de luchtkwaliteit. Een uitzondering vormen de 2 ontwikkelingen. Hier is nader op ingegaan in paragraaf 2.2.

5.5

Geluid

Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening relevant zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en industrie. Leidschendam-Voorburg ligt buiten een geluidszone vanwege luchtvaart. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet

Toelichting (vastgesteld)

83

bestemmingsplan Landelijk - 2 ruimtelijke ordening (Wro) en bijbehorende jurisprudentie zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Beoordeling plangebied Dit bestemmingsplan is grotendeels conserverend van aard. Voor zover het plan toevoeging van nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk maakt binnen een geluidszone, is toetsing aan de Wgh door middel van akoestisch onderzoek vereist. In dit plan worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt.

5.6

Externe Veiligheid

Externe veiligheid (EV) gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In deze paragraaf wordt tevens kort ingegaan op stoffen die risicovol zijn, maar niet onder de Externe Veiligheid vallen, zoals transport van benzine en opslag van consumentenvuurwerk. 5.6.1

Toetsingskader

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het bestemmingsplan betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, vastgesteld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het PR geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6-contour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour gerealiseerd worden.

Conform de bepalingen van het Bouwbesluit (Dit wordt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onder de Omgevingswet) hoeft men bij de aanvraag van een omgevingsvergunning alleen op externe veiligheid te toetsen wanneer het plan valt binnen de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico of binnen plasbrandaandachtsgebieden van vaar- of spoorwegen (Basisnetroute). Voor de overige risicobronnen of situaties is toetsing nodig als het bestemmingsplan nadere regels bevat (zoals een nadere eis of afwijkingsbevoegdheid). Op basis van artikel 2.12 van de Wabo moet de gemeente deze regels dan in de omgevingsvergunning uitwerken en opnemen. Wanneer er sprake is van een afwijking of wijziging van een bestemmingsplan in het kader van een omgevingsvergunning, dan is het gebruikelijk om de aspecten inzake EV opnieuw in ogenschouw te nemen. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft geen eigen beleid ten aanzien van EV. Sinds 1 april 2019 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland van kracht (Provinciaal blad nr. 2349 van 29 maart

84

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 2019). Hoofddoel van het beleid is de kans dat grote groepen mensen slachtoffer worden van ongevallen met gevaarlijke stoffen te minimaliseren. Daarbij staan maatregelen aan de bron voorop. Gelijktijdig zijn de Omgevingsverordening Zuid-Holland en de bijbehorende programma's in werking getreden. Het groepsrisico staat in de Omgevingsvisie Zuid-Holland genoemd als onderdeel van het provinciaal ruimtelijk belang. Om het ontstaan van nieuwe knelpunten rond de risicobronnen te voorkomen, vraagt de provincie de gemeenten om aannemelijk te maken dat op termijn aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan, wanneer het groepsrisico als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt en het berekende groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt. In Leidschendam-Voorburg zijn er geen bestaande overschrijdingen van de oriëntatiewaarde.

5.6.2

Risicovolle inrichtingen

Voor de opslag van gevaarlijke stoffen van een zekere omvang geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast gelden voor kleinere opslagvoorzieningen en bepaalde installaties (bijvoorbeeld CNG-tankstations) aan te houden veiligheidsafstanden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Lpg en lng-tankstations Lpg en lng-tankstations vallen onder Externe Veiligheid. Voor zowel lpg- als lng-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires. In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten (als kantoren, sporthallen, zwembaden, kampeerterreinen, speeltuinen, restaurant of verspreid liggende woningen met een dichtheid van 2 per ha) en zeer kwetsbare objecten (als verzorgingstehuizen en een kindercrèches). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijfsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een lng- of lpg-installatie aangehouden worden tenzij aanvullende maatregelen aan de gebouwen worden getroffen. Waterstof- en CNG-tankstations Tot risicovolle inrichtingen behoren ook waterstof- en CNG-tankstations. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (nog) niet van toepassing. Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen.

Hierbij worden vergelijkbare grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Windturbines Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is niet van toepassing. Tot 1 januari 2011 waren windturbineparken vergunningsplichtig. Hoewel strikt genomen niet van toepassing – het Bevi is als gezegd beperkt tot activiteiten met gevaarlijke stoffen – werd in rechte geaccepteerd dat voor de beoordeling van veiligheidsrisico's bij windturbines aangesloten mocht worden bij de methodiek van het Bevi en worden derhalve ook vergelijkbare grenswaarden (PF 10-6) gehanteerd. Een windturbine wordt dus beschouwd als een risicobron. Pompstations voor benzine en diesel De pompstations waar men benzine en diesel kan afnemen en soms ook verkoop van kleine propaantanks vallen onder de Wet Milieubeheer. Er zijn regels opgesteld ter bescherming van het milieu en de directe omgeving. Het Besluit Externe Veiligheid is hier niet van toepassing. Binnen het plangebied bevinden zich geen benzine pompstations. Opslag van explosieven Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening worden veiligheidszones aangewezen. Ook hier geldt dat het Besluit Externe Veiligheid niet van toepassing is.

Er bevinden zich geen opslagplaatsen in dan wel nabij het plangebied. Opslag van propaan-butaan in tanks groter dan: Opslagtanks groter dan 13 m3 vallen onder Bevi. In het plangebied zijn 7 bovengrondse propaantanks aanwezig van ca. 3 m3 die onder de Wet Milieubeheer vallen. Het betreft de volgende adressen: -Rietpolderweg 1

Toelichting (vastgesteld)

85

bestemmingsplan Landelijk - 2 -Rietpolderweg 6 -Rietpolderweg 11 -Oostvlietweg 26 -Oostvlietweg 63 -Meerburgerlaan 7 -Veursestraatweg 288-290 Grotere opslagtanks zijn niet aanwezig. Tijdelijke opslag van consumenten vuurwerk Opslag van consumenten vuurwerk minder dan 1000 kg valt onder de Wet Milieubeheer en is vergunningsplichtig. Opslag van meer dan 1000 kg valt onder Bevi. Wegens de strenge veiligheidsvoorschriften is de kans klein dat grootschalige opslag zal plaatsvinden. Opslag energie in batterijen (Overtollige) energie afkomstig van zonnepanelen of windturbines kan worden opgeslagen in lithium-ion batterijen. Deze elektriciteitsopslagsystemen zitten vaak in zeecontainers. Bij evenementen worden tegenwoordig ook gebruik gemaakt van accu containers in plaats van een aggregaat. Het is bekend dat als er ooit iets mis gaat (kans is zeer gering) en de batterij vliegt in brand dan komen er zeer giftige gassen vrij en zal de brand uiterst moeilijk te blussen zijn. Energieopslag bij particuliere woningen tot 20 kW is vrijgesteld. Op 1 juli 2020 is in de Staatscourant de circulaire “Risicobeheersing lithium-ion energiedragers" gepubliceerd. Deze circulaire is adviserend. Wanneer de adviezen worden omgezet in voorschriften of regels in een bestemmingsplan of in een omgevingsvergunning dan zijn er wel afdwingbare maatregelen.

Huidige situatie inrichtingen Er zijn geen lpg-tankstations in of nabij het plangebied aanwezig; Er zijn geen lng, cng en Waterstofopslagen in of nabij het plangebied; Er zijn geen windturbines in of nabij het plangebied; Er geen inrichtingen aanwezig die onder BEVI vallen; Er is geen opslag van explosieven in en nabij het plangebied aanwezig Opslag van consumentenvuurwerk aan de Stompwijksweg 44, minder dan 10.000 kg. Er zijn 7 bovengrondse propaantanks in het plangebied aanwezig met elk een opslagcapaciteit kleiner dan 3 m3. Er is geen opslag van energie elektriciteitssystemen met lithium-ion batterijen in en nabij het plangebied (zogenaamde buurtbatterijen). Er zijn geen benzine-pompstations aanwezig in het plangebied, wel enkele bedrijfspompen.

Regels/voorschriften bij het nieuwe BP of omgevingsplan Mogelijkheid creëren lpg, lng, cng en waterstof -tankstations in of nabij het plangebied Toestemming of verbod windturbines in of nabij het plangebied (invloedsgebied); Wel of geen BEVI-inrichtingen toestaan; Geen nieuwe bovengrondse propaantanks in het plangebied toestaan. Wel of geen buurtbatterijen of tijdelijk energieopslag bij evenementen. Wel of geen cat. 3 bedrijven toestaan zoals benzine-pompstations.

5.6.3

Vervoer gevaarlijke stoffen

Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit

86

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2 bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Delft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012 (Dit wordt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onder de Omgevingswet). Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.

Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 meter van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet het groepsrisico worden verantwoord.

Voor het plangebied geldt het volgende: Gemeente Leidschendam-Voorburg heeft geen routeringsbesluit vastgesteld, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Voor de bevoorrading van enkele bovengrondse of ondergrondse brandstoftanks voor benzine, diesel of propaan zal incidenteel transport plaatsvinden over o.a. Wilsveen, de Stompwijkseweg en de Doctor van Noortstraat. Als basisregel geldt dat degene die met een voertuig over de weg gevaarlijke stoffen vervoert, verplicht is de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen van gemeenten te vermijden, tenzij dit voor het bevoorraden noodzakelijk is. De risico-contouren van 30, 80 en 200 meter liggen voor het grootste gedeelte over weilanden/openbaar groen. Plaatselijk gaat deze contour over enkele woningen.

Toelichting (vastgesteld)

87

bestemmingsplan Landelijk - 2

Figuur 26: Risico-contouren vervoer gevaarlijke stoffen Legenda Gele lijn Blauwe lijn Groene lijn Bruin vlak Groen vlak

lijnglobale ligging plangebied gemeente grens midden van de snelweg 80 meter RGS-lijn (100% letaliteit, waarbinnen slachtoffers vallen bij explosie van LPG of propaan) 200 meter zone voor verantwoording in Bestemmingsplan

Plaatsgebonden risico Uit de regionale informatie blijkt dat de plaatsgebonden 10-6 contour binnen de grenzen van de rijksweg ligt. Er liggen geen kwetsbare - en/of beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour. Groepsrisico Het huidige groepsrisico wordt door de invulling van het plangebied niet gewijzigd. Het groepsrisico is berekend met het RBMII-rekenprogramma. Met behulp van kentallen is het aantal personen in de bestemmingsvlakken bepaald. Daardoor is bij de berekening een hoger aantal personen genomen dan in werkelijkheid aanwezig zullen zijn. Uit de berekening komt naar voren dat het groepsrisico ver onder de oriënterende waarde ligt.

Huidige situatie transport over de A4 - De PR ligt op de autoweg; - De 30 meter zone; in het plangebied staan geen kwetsbare objecten in deze zone - De 80 meter zone (invloedsgebied transport gevaarlijke stoffen). Betreft de woningen aan Meeslouwerweg 1, 1a, 3 en Stompwijkseweg 3 en 6-12. - De 200 meter zone treft de woningen aan Stompwijkseweg 12a-18c en 5B en Tuinbouwweg 1,2 , 2a en 4 - De 355 meter zone (invloed lpg-transport)

88

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Nieuwe ontwikkelingen - Bouw van nieuwe woningen (kwetsbare objecten) binnen de 30 meter niet toestaan. - Binnen de 200 meter zone geen ontwikkelingen waarbij sprake is van zeer kwetsbare objecten maar ook geen inrichtingen waar gedurende een bepaalde tijd een grote groep mensen aanwezig is, zoals een paardenmanege of camping. - Binnen de 200 meter zone kleinschalige bouw van woningen toestaan mits uit een QRA blijkt dat er geen overschrijding is de oriëntatiewaarde

5.6.4

Buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar, voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen, waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN-voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatie-afstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van oktober 2016. De ligging van de ondergrondse hogedruk aardgasleiding in het landelijk gebied is op onderstaand plaatje weergegeven. Voor de leesbaarheid wordt het gebied van de 1% letaliteit niet weergegeven. Voor gedetailleerder informatie wordt verwezen naar de verbeelding en de website van Relevant.

Figuur 27: Buisleidingen Legenda: Blauwe lijn = gemeentegrens Groene lijn = hogedruk aardgasleiding Rood gebied = PR 10-6 zone Geel gebied = 100 % letaliteitszone

Toelichting (vastgesteld)

89

bestemmingsplan Landelijk - 2

De kenmerken van de aardgas trasportleidingen zijn in onderstaande tabel weergegeven. nummer

diameter

druk 1%-letaliteit

100%-letaliteit

Beschermingszone

Ligging gasleiding

W-514-01-R

13

40

140

70

4

Langs A4, zuidkant

W-514-06

7

40

75

40

Van A4 naar de kassen aan de Huyssitterweg

W-514-19

9

40

95

50

Van A4 naar Zoetermeer langs Wilsveen

A-517

30

66

405

160

Grotendeels ten N van de A4

Bij het vervoer van deze gevaarlijke stoffen door buisleidingen is de systematiek voor de toepassing van de risicobenadering wezenlijk anders dan die voor de andere vormen van vervoer. De systematiek bij deze buisleidingen is in belangrijke mate vergelijkbaar met die voor categoriale inrichtingen. Door middel van vaste veiligheidsafstanden (die gekoppeld zijn aan de soort leiding) en de type maatregelen is direct af te leiden welke scheiding tussen risicobron en kwetsbare objecten gewenst is. Deze veiligheidsafstanden zijn weer onderverdeeld in bebouwings- en toetsingsafstanden. Voor de begripsvorming omtrent de bebouwings- en toetsingsafstand kan worden gesteld dat de bebouwingsafstand vergeleken kan worden met de PR 10-6 contour. De toetsingsafstand kan worden vergeleken met de PR 10-8 contour. Bij ligging van kwetsbare- of beperkt kwetsbare objecten binnen de toetsingsafstand moet de toetsingsafstand worden meegenomen bij de bepaling van het groepsrisico. De vrijwaringzone van 30 meter aan beide zijden van de leiding wordt vrijgehouden van bebouwing. Daarnaast moet de bebouwingsafstand van 80 meter in acht worden genomen. Enkele verspreid liggende woningen in het plangebied voldoen niet aan deze afstanden.

Binnen 100% afstand is de invloed van de leidingen zodanig groot dat toename van bebouwing of personen binnen deze afstanden sterk bijdraagt aan de verhoging van het groepsrisico. Binnen het plangebied liggen enkele woningen op een korte afstand van de hoogdruk aardgasleidingen. De ene aardgasleiding heeft een druk van 66 bar, een diameter van 30", een diepteligging van ongeveer 1,5 meter en de andere heeft een druk van 40 bar, een diameter van 20" en een diepteligging van ongeveer 1,7 meter. Bij deze woningen kan, als gevolg van een calamiteit in relatie tot de afstand van de woningen tot de risicobronnen, het volgende effect optreden: Een hoogdruk aardgasleiding kan falen als gevolg van schade door derden. Door een beschadiging van de aardgasleiding kan gas vrijkomen dat vervolgens ontsteekt en een fakkelbrand vormt. Falen als gevolg van corrosie is uitgesloten door de veiligheidsmaatregelen die door de Gasunie zijn genomen (inherente veiligheid). Plaatsgebonden risico aardgasleiding Uit de risicokaart voor buisleidingen blijkt dat het plaatsgebonden 10-6 contour op de leiding ligt en dat op 4 plaatsen de 10-6 contour buiten de leidingen ligt. Binnen de 10-6 contour is alleen camping en jachthaven “De Merenburger” aan Meerburgerlaan 7 aanwezig. Nieuwe gevoelige functies buiten de bebouwingsvrije afstand, zoals woningen, kunnen wel worden toegestaan.

Voor zover deze zich wel binnen de toetsingsafstand bevinden, mag worden gesteld dat het aantal nieuwe woningen dat zich eventueel voordoet niet leidt tot overschrijding van het plaatsgebonden risico. Datzelfde geldt voor het groepsgebonden risico. De bebouwing in het plangebied valt onder de categorie incidentele bebouwing en bijzondere objecten categorie II. Voor hoofdaardgastransportleidingen in het plangebied geldt een bebouwingsvrije afstand van 5 meter aan weerszijde van de hartlijn. Voor regionale transportleidingen in het plangebied geldt een bebouwingsvrije afstand van 4 meter aan weerszijde van de hartlijn.

90

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

Binnen deze afstand mogen geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Deze zone is op de verbeelding opgenomen waarbinnen geen bouwwerken mogen worden gebouwd (behoudens na vrijstelling) dan wel bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden worden verricht (uitgezonderd bepaalde werken met een aanlegvergunning) in het belang van de betreffende leiding. Groepsrisico Door verspreid liggend bedrijfswoningen ligt het huidige groepsrisico in verband met de aardgasleiding ver onder de oriëntatiewaarde. Binnen het plangebied blijft het groepsrisico op gelijk niveau; rekenkundig heeft het plan dus nauwelijks invloed op de hoogte van het groepsrisico. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico In het plangebied bestaan voldoende mogelijkheden om de nadelige gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico te beperken. Deze maatregelen zijn hieronder opgesomd: In het plangebied worden geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan binnen het invloedsgebied van de gasleidingen; In het plangebied worden in geen specifieke bestemmingen opgenomen waar verminderd zelfredzame personen zouden kunnen verblijven; Bereikbaarheid van de aardgasleiding. Binnen het plangebied worden geen specifieke bestemmingen opgenomen waar verminderd zelfredzame personen zouden kunnen verblijven.

Gelet op de diverse gebruiksfuncties binnen het plangebied moet echter wel rekening worden gehouden met aanwezigheid van personen met een verminderde mobiliteit, zoals ouderen. Huidige situatie Buisleidingen Op een vijftal plaatsen is een overschrijding van de PR 10-6. Er is geen bebouwing aanwezig binnen deze contour, op termijn is saneren te overwegen. De 100% letaliteitscontour ligt plaatselijk over bebouwing, waaronder de Stompwijkseweg. Er zijn geen kwetsbare objecten binnen de 100 % letaliteitscontour. Verantwoording groepsrisico (algemeen) Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico maken zowel het Besluit externe veiligheid buisleidingen als het Besluit externe veiligheid transportroutes onderscheid in situaties waarin een (volledige) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of; 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

In geval geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van een stationaire risicobron zijn gelegen, is altijd sprake van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico Het groepsrisico is in het verleden berekend. Aangezien in de periode 2012 tot heden geen of summiere wijzigingen zijn opgetreden met betrekking tot het aantal gebouwen en het aantal personen binnen het invloedsgebied, wordt ervan uitgegaan dat de toenmalige berekeningen nog accuraat zijn. Voor de berekeningen wordt verwezen naar de onderstaande onderzoeken. 1. Technische rapportage GR-berekening Recreatief Knooppunt Driemanspolder

Toelichting (vastgesteld)

91

bestemmingsplan Landelijk - 2 AVIV d.d. 25 oktober 2012; kenmerk: 122347; 2. Verantwoording GR externe Veiligheid Recreatief knooppunt Driemanspolder AVIV d.d. 2 november 2012; kenmerk: 122347; 3. Rapportage Externe Veiligheid, inpassingsplan en Tracébesluit RijnlandRoute Tauw d.d. 15 januari 2014; kenmerk: 4817796; 4. Onderzoek Externe Veiligheid BP Meeslouwerpolder AVIV d.d. 6 april 2018; kenmerk: 183572; De hoogte van het groepsrisico is kleiner dan 0.1 x de oriëntatiewaarde. De kansen op een zwaar ongeval blijven voldoende klein om ze in relatie tot de oriëntatiewaarde acceptabel te achten.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijk hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. In onderhavig geval is dit een fakkelbrand. In het geval van een fakkelbrand bij een aardgasleiding is er geen tijd om te vluchten en zullen de personen in een gebied, afhankelijk van de gasleiding over een gebied van 40 tot 160 meter (de 100% letaliteit) slachtoffer worden. Buiten de 100% letaliteitcontour is bij geval van een fakkelbrand, schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Er worden geen gebouwen of instellingen binnen het invloedsgebied van de leiding gerealiseerd waarvan naar verwachting de personen die zich daarin bevinden in mindere mate zelfredzaam zijn. Mocht evacuatie toch nodig blijken: Het plangebied wordt ontsloten door voldoende wegen die van de aardgasleiding af zijn gericht en die gebruikt kunnen worden als vluchtroutes of aanrijroute voor de hulpdiensten in geval van calamiteiten.

Bestrijding Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken is het van belang dat op het moment dat er iets misgaat de hulpverlening niet wordt belemmerd bij de uitvoering van haar taken. De inrichting van de ruimte kan de bestrijding echter negatief of positief beïnvloeden. Het is dus van belang knelpunten voor de hulpverlening in de ruimtelijke inrichting te voorkomen dan wel op te lossen. Veel van dit soort aspecten zullen in een rampbestrijdingsplan vastgelegd zijn of in het geval deze niet aanwezig is nog moeten worden vastgelegd. Opstelmogelijkheden voor materieel; is er voldoende ruimte bij de bron en in de belaste omgeving om het materieel te stallen. Inzetbaarheid van middelen en personele capaciteit; zijn voldoende (blus)middelen aanwezig. De beheersbaarheid wordt bepaald door de mogelijkheden van de hulpdiensten om hun taken goed uit te oefenen. Diverse aspecten zijn vastgelegd in het regionaal crisisplan. Dit plan wordt regelmatig geactualiseerd. Bereikbaarheid oppervlaktewater Naast de standaard brandkranen kan het bij een calamiteit nodig zijn om meer bluswater beschikbaar te hebben. Dit bluswater kan verkregen worden uit oppervlaktewater (Stompwijksevaart, Molenvaart, Nieuwe vaart en de Vlietlanden). Dit oppervlaktewater moet wel voldoende bereikbaar zijn.

Aardgasleiding opnemen in gebruik smeldingen Voor gebouwen waar meer dan 50 personen kunnen verblijven is een gebruiksmelding verplicht. Deze meldingen worden beoordeeld door de brandweer. Voor de gebruiksmeldingen voor de gebouwen in het plangebied zal de brandweer erop toezien dat de aardgasleiding in gebruiksmelding wordt meegenomen.

92

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Landelijk - 2

5.7

Natuur

5.7.1

Natuur

Gebiedsbescherming Bij gebiedsbescherming wordt ingegaan op de beschermingswaardige natuurgebieden in het kader van de Wet natuurbescherming. Deze beschermt een aantal gebieden: Het Natuur Netwerk Nederland; Bijzondere provinciale natuurgebieden; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden. Hieronder worden alleen de gebieden toegelicht die van toepassing zijn op het plangebied:

Figuur 28 Natuur Netwerk Nederland PZH

NatuurNetwerkNederland, onderdeel ecologische hoofdstructuur Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het NatuurNetwerkNedereland. Delen van het plangebied vallen binnen het NatuurNetwerkNederland De bestaande en gewenste ecologische structuur is nader onderzocht in het kader van het Meerjarenprogramma van het Regiopark Duin, Horst & Weide: Stapstenen en verbindingen in Duin, Horst & Weide, verkenning van ecologische knelpunten. Bureau Waardenburg, september 2016. Natura 2000 Binnen de Europese Unie wordt beoogd een samenhangend netwerk van leefgebieden en soorten te realiseren Natura 2000 genaamd. De Vogel- en Habitatrichtlijngebieden maken hiervan deel uit. Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat er door projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=b52a21b9-6c0e-45fe-b31c-adb1c4329234