3551-03 Toelichting bestemmingsplan 'Landelijk - 2
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
93
bestemmingsplan Landelijk - 2 mag optreden. In of nabij het plangebied liggen geen Natura 2000 gebieden. Nationale Parken Het Nationale Park Hollandse Duinen is nog in de laatste fase van definitieve aanwijzing door de nationale overheid. In toekomst zal blijken of dit tot het instellen leidt van gebieden met een bescherming. Dat zal dan alleen betrekking hebben op het gebied binnen de hoofdbegrenzing. In Leidschendam-Voorburg loopt de hoofdgrens gelijk met de Vliet en betreft het strandwallenlandschap. Binnen de gemeentegrens liggen hier al beschermde gebieden zoals in de Duivenvoordse Veenzijdse polder. Overige wetgeving; Houtopstanden buitengebied Er is wetgeving van toepassing voor houtopstanden (voorheen Boswet). Bij ingrepen moet worden nagegaan of dit van toepassing is. Als blijkt dat dit het geval is dan geldt een meldings- en herplantingsplicht.
5.7.2
Flora en fauna
Volgens de natuurwetgeving dient een initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen op de hoogte te zijn van de beschermde natuurwaarden. Nieuwe plannen moeten getoetst worden aan de Wet Natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden en van dier- en plantensoorten en kan mogelijk eisen stellen aan nieuwe inrichting zoals bij sloop- en nieuwbouw. De Wet Natuurbescherming beschermt een groot aantal in het wild levende planten- en diersoorten, ook buiten beschermde natuurgebieden. De regels gaan over het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde 'strenge' categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.
5.7.3
Stikstofdepositie
In het gebied kan nieuwe inrichting door de toename van stikstofdepositie invloed hebben op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in de nabije Natura2000-gebieden. Zowel bij de aanleg door machines en transportbewegingen als na de realisatie. Sinds november 2022 telt de bouwfase weer mee bij de berekening van de stikstofdepositie. Onderzocht dient te worden of er significante gevolgen zijn door de stikstoftoename en of er vergunningsplicht is op grond van de Wet Natuurbescherming. Beoordeling plangebied Voorliggend plan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, met uitzondering van een ontwikkeling die nader is beschreven in paragraaf 2.2. Geconcludeerd wordt dat het aspect Natuur geen belemmering vormt voor voorliggend plan en geen significante negatieve gevolgen op Natura 2000 gebieden tot gevolg kan hebben.
94
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijk eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten).
Figuur 29: Kolom D 9 van m.e.r.-plichtige activiteiten uit Wet Milieubeheer en Besluit m.e.r.
Voor de activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst, of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het planvoornemen valt onder de in D9 gestelde drempelwaarde. 5.8.2
Beoordeling en conclusie
Aangezien dit bestemmingsplan een beleidsneutrale herziening is van de vigerende bestemmingsplannen en beheersverordeningen in het buitengebied, geldt dat voor de getoetste milieuaspecten geen effecten optreden, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.
Toelichting (vastgesteld)
95
bestemmingsplan Landelijk - 2
96
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Hoofdstuk 6
Juridische vormgeving
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de systematiek van het bestemmingsplan en de daarin opgenomen regels en de bijbehorende verbeelding.
6.1
Systematiek van het bestemmingsplan
Op grond van het Bro dient een bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting langs elektronische weg te worden vastgelegd. Een bestemmingsplan wordt in die vorm ook vastgesteld, tegelijk met een volledige analoge verbeelding van het bestemmingsplan op papier. Indien de digitale en de analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend. In verband met het elektronisch vastleggen en vaststellen van bestemmingsplannen worden in het Bro eisen gesteld aan bestemmingsplannen. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Het bestemmingsplan Landelijk - 2 is overwegend conserverend van aard en daardoor in juridische zin op dusdanige wijze vormgegeven dat met name de bestaande situatie is vastgelegd en dat de in het plan opgenomen flexibiliteitsbepalingen met name gericht zijn op kleinschalige uitbreidingsmogelijkheden voor de bestaande functies dan wel ondergeschikte functiewijzigingen. Het bestemmingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen in het plangebied en vormt een bindend kader voor het gebruik van gronden en opstallen in het gebied.
De plandocumenten omvatten de bindende planonderdelen, te weten de regels (inclusief bijlagen) en de verbeelding, en de onderbouwende of toelichtende planonderdelen (de toelichting inclusief bijlagen). De regels en de verbeelding bevatten een juridische vertaling van de beleidsvoorwaarden vanuit de diverse overheden enerzijds en van het beoogde ruimtelijk toekomstperspectief anderzijds. De bindende planonderdelen worden nader onderbouwd met: de toelichting op de verbeelding en regels; nadere onderzoeken t.b.v. diverse specifieke beleidsaspecten. Op het renvooi (verklaring van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding) is te zien dat onderscheid wordt gemaakt in bestemmingen en aanduidingen. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Alle gronden op de verbeelding hebben een bestemming, die zichtbaar wordt gemaakt door middel van een kleur, al dan niet in combinatie met letter om de bestemming aan te duiden. Elke op de verbeelding aangegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsartikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze de gronden mogen worden gebruikt en al dan niet worden bebouwd. Daarbij wordt ook weer terugverwezen naar de aanduidingen op de verbeelding. De verbeelding en de regels zijn ingericht met inachtneming van de wettelijk voorschreven standaarden.
De regels van het bestemmingsplan zijn onderverdeeld in: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
6.2
Inleidende regels
Om eenduidigheid te bevorderen en misverstanden over de toepassing en interpretatie te minimaliseren zijn inleidende regels opgenomen in hoofdstuk 1 van de regels, welke bestaan uit: Artikel 1: Begrippen; hierin worden de in het plan relevante begrippen omschreven; Artikel 2: Wijze van meten; hierin wordt aangegeven hoe bepaalde maten gemeten dienen te worden. De artikelen 1 en 2 omvatten alle gebruikelijke bepalingen en definities, die van belang zijn voor de toepassing van zowel de bestemmingsregels als de dubbelbestemmingen en algemene regels.
Toelichting (vastgesteld)
97
bestemmingsplan Landelijk - 2
6.3
Bestemmingsregels
Een bestemmingsartikel is, conform de eerdergenoemde standaard, volgens een vaste indeling opgebouwd, te weten: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; wijzigingsbevoegdheid; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. Het een en ander voor zover van toepassing. Niet alle onderdelen komen in dit plan in iedere bestemming terug. Onderstaand wordt per bestemming een beschrijving gegeven. Voor een aantal veelvoorkomende bestemmingen, te weten Agrarisch, Bedrijf, Maatschappelijk, Recreatie en Wonen wordt dieper ingegaan op de gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen deze bestemming. Voor de overige bestemmingen wordt volstaan met een korte beschrijving. 6.3.1
Agrarisch
In het plangebied komen de volgende agrarische bestemmingen voor: Agrarisch: de bestemming ten behoeve van alle bestaande agrarische bedrijven; Agrarisch - Glastuinbouw: de bestemming ten behoeve van alle bestaande glastuinbouwbedrijven; Agrarisch - Paardenhouderij: de bestemming ten behoeve van alle bestaande bedrijfscentra van (legale) paardenhouderijen, niet zijnde een paardenfokkerij; Agrarisch met waarden: de bestemming voor zowel het gebruik van de als zodanig aangewezen gronden voor de agrarische bedrijfsvoering, als de bescherming, versterking en/of het herstel van de waarden van die gronden. 6.3.1.1 Agrarisch De voor agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. Bij grondgebonden agrarische bedrijven is de productie hoofdzakelijk afhankelijk van de bij het bedrijf behorende gronden. In het plangebied gaat het met name om melkveehouderijen. De bestemming 'Agrarisch' valt grotendeels samen met het bouwvlak, waarbinnen de bedrijfswoning en de bij het bedrijf behorende bebouwing en voorzieningen mogen worden gesitueerd. Binnen de bestemming worden verschillende deelactiviteiten mogelijk gemaakt, waaronder intensieve agrarische bedrijvigheid.
Intensieve agrarische bedrijvigheid als nevenactiviteit bij een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf is binnen deze bestemming uitsluitend toegestaan indien deze bestaat (en legaal is) op het moment dat het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie is gelegd. Deze intensieve veehouderijen kunnen hun bedrijfsvoering blijven uitoefenen en beperkt uitbreiden, zolang deze activiteiten ondergeschikt blijven aan de grondgebonden agrarische activiteiten. Nieuwe intensieve agrarische bedrijven zijn niet toegestaan. Een doorgroei van een intensieve nevenactiviteit naar een hoofdactiviteit, is ook niet mogelijk.
6.3.1.2 Agrarisch - Glastuinbouw Binnen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' zijn glastuinbouwbedrijven toegestaan. Deze bestemming komt (nog) voor in de Meeslouwerpolder en op één locatie aan de Ondermeerweg. De meeste verspreid liggende glastuinbouwbedrijven zijn inmiddels gesaneerd.
98
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
6.3.1.3 Agrarisch - Paardenhouderij De bestemming 'Agrarisch – Paardenhouderij' is toegekend aan alle bestaande bedrijfscentra van (legale) paardenhouderijen, niet zijnde een paardenfokkerij. Het betreft gebruiksgerichte paardenhouderijen en stoeterijen. De bestemming 'Agrarisch - Paardenhouderij' valt grotendeels samen met het bouwvlak, waarbinnen de bedrijfswoning en de bij het bedrijf behorende bebouwing en voorzieningen dienen te worden gesitueerd. In tegenstelling tot paardenfokkerijen, richten gebruiksgerichte paardenhouderijen zich op de recreatieve beleving van de paardensport. In de Nota 'Schaken met paard en landschap' is het buitengebied gezoneerd in twee deelgebieden, de zogenaamde 'Randgebieden' en 'Agrarische gebieden'. Per gebied is aangegeven in welke vorm paardenactiviteiten toegestaan zijn. Deze deelgebieden zijn in het bestemmingsplan opgenomen onder twee gebiedsaanduidingen: 'overige zone- paardenbeleid randgebieden' en 'overige zone-paardenbeleid agrarische gebieden'. Niet alle bestaande paardenhouderijen zijn gevestigd op een locatie, die in overeenstemming is met de gebiedsindeling van de Nota 'Schaken met paard en landschap'. Voor deze gevallen geldt dat de bestaande bedrijfsvoering, mits legaal gevestigd, op basis van de daarvoor geldende rechten mag worden voortgezet.
Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch, productiegericht of gebruiksgericht ' in de regels en op de verbeelding is aangegeven welk type paardenhouderij, al dan niet in combinatie met een andere bedrijfstak is toegestaan. Een ondergeschikte paardenhouderij bij een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf is in beide deelgebieden toegestaan. Nieuwe, op zichzelf staande paardenhouderijen (geen paardenfokkerijen zijnde), zijn niet direct bij recht toegestaan in de als 'paardenbeleid agrarische gebieden' aangeduide gebieden. Op deze manier wordt ongewenste concurrentie met de agrarische bedrijven en het doorbreken van de eenheid van het agrarisch gebied voorkomen, hetgeen schaalvergroting van melkveehouderijbedrijven in de weg zou kunnen staan. Eventuele vestiging van nieuwe, zelfstandige paardenhouderijen is daarom alleen direct bij recht mogelijk in de gebieden aangeduid als 'overige zone - paardenbeleid randgebieden'. In deze gebieden zijn in principe alle vormen van paardenhouderij toegestaan.
6.3.1.4 Agrarisch met waarden De bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Agrarisch met Waarden - Natuuren landschapswaarden' betreffen zowel het gebruik van de als zodanig aangewezen gronden voor de agrarische bedrijfsvoering, als de bescherming, versterking en/of het herstel van de waarden van die gronden. Deze bestemmingen worden in het gehele buitengebied toegepast. Het zijn gebieden die hoge landschappelijke en/of natuurwaarden herbergen. Hier wordt agrarische bedrijvigheid wel toegestaan, maar de landschapswaarden worden daarbij zoveel mogelijk beschermd.
6.3.2
Bedrijf
In het plangebied komen de volgende bedrijfsbestemmingen voor: Bedrijf: de bestemming ten behoeve van de bestaande, legale niet agrarische bedrijven; Bedrijf - Nutsvoorziening: opgenomen ten behoeve van de nutsvoorzieningen. 6.3.2.1 Bedrijf Naast agrarische bedrijven, komen er slechts een beperkt aantal en soort bedrijven voor. Nieuwe niet-agrarische bedrijven zijn in beginsel niet toegestaan en voor de meeste niet-agrarische, landelijke bedrijven is een gering ontwikkelingsperspectief. Dit zijn bedrijven die qua aard en omvang thuishoren in of een functionele binding hebben met het landelijk gebied en geen grootschalig of industrieel karakter dragen, zoals een hoveniersbedrijf en een dierenpension. Een uitzondering op het verbod een nieuw bedrijf te vestigen is het wijzigen in een passende bedrijfsbestemming ten behoeve van een landelijk bedrijf. Mede afhankelijk van het type landelijk bedrijf en de verkeersaantrekkende werking wordt in overeenstemming met de zonering opgenomen in hoofdstuk 3.4 van de Toelichting bepaald of toepassing kan worden gegeven aan het verzoek.
Toelichting (vastgesteld)
99
bestemmingsplan Landelijk - 2
6.3.2.2 Bedrijf - Nutsvoorziening Nutsvoorzieningen en gemalen in het gebied zijn onder de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' ondergebracht.
6.3.3
Bergruimten
Voor het perceel aan de Oostvlietweg 45a is de bestemming 'Bergruimten' opgenomen. Dit betreft een locatie waar zelfstandige privé bergruimten zijn toegestaan. Voor deze opstallen zijn specifieke bouwregels opgenomen. Tevens is ook een uitsterfregeling van toepassing. Er is gekozen om de regels uit het voorliggende bestemmingsplan over te nemen in een eigen bestemming, hierdoor wordt gelijk duidelijk wat toegestaan is op deze locatie.
6.3.4
Bos
De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor bos en bebossing en de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen natuur- en landschapswaarden.
6.3.5
Cultuur en ontspanning
De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor een vlinderjungle, ondergeschikte horeca en daarbij behorende voorzieningen zoals een terras.
6.3.6
Groen en Groen - 1
Deze bestemming omvat de gronden die bestemd zijn voor de groenstructuur binnen het plangebied, inclusief kleinschalige groen- en waterelementen, paden, bermen, etc. Voor de bestemming 'Groen' langs de Stompwijkse verbindingsweg is gekozen om de bestemming uit het voorliggende bestemmingsplan 'Stompwijkse verbindingsweg' over te nemen. In dit plan is de bestemming 'Groen' aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid om de bestemming 'Groen -1' onder andere te kunnen wijzigen in de bestemming 'Tuin' in aansluiting op aangrenzende tuinen. Om deze bevoegdheid goed over te nemen is gekozen om deze bestemming in zijn geheel over te nemen in voorliggend plan.
6.3.7
Horeca
De bestemming 'Horeca' wordt gebruikt voor locaties waar uitsluitend sprake is van horeca. Dit betreft enkel het adres Stompwijkseweg 30.
6.3.8
Maatschappelijk
In dit bestemmingsplan is de bestemming 'Maarschappelijk' bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen, zoals beheerstations en opslag en/of werkplaatsen ten behoeve van de provincie of het rijk. Met de aanduiding 'begraafplaats' vallen ook begraafplaatsen onder deze bestemming, waaronder de begraafplaats Wilsveen.
6.3.9
Natuur
In het bestemmingsplan zijn de volgende natuur- en landschapsbestemmingen opgenomen: Natuur: deze bestemming is van toepassing op alle gebieden waar de natuurwaarden prioriteit
100
Toelichting (vastgesteld)