3551-03 Toelichting bestemmingsplan 'Landelijk - 2
Tekst van het document
Mogelijk liggen nog restanten van de molengangen in de bodem. Wensbeeld Molens behouden hun zichtbaarheid in het open landschap. Het is gewenst om de recreatieve routes ernaartoe versterken en de recreatie ondersteunende deeltijdfuncties nabij deze objecten te stimuleren. Verstorende ingrepen of bouwwerken aan de molendijk zijn niet gewenst. Wensbeeld is dat het landschap dat sinds de 17e eeuw onaangetast is, behouden blijft. Een straal van maximaal 400 meter om de molens is de molenbiotoop. Dit is een beplantings- en bebouwingsvrije zone rondom de molen zodat deze kan blijven functioneren. Deel Kniplaan tussen A4 en Stompwijkseweg De dijk van de Kniplaan was de begrenzing van de kniplaan polder. De waterstaatkundige betekenis is vervallen maar de dijk is nog waarneembaar. Het was lange tijd de belangrijkste verbinding van Stompwijk richting hoge gronden via het veer bij de Knip. De enige dijk in de wijde omtrek die nog het oorspronkelijke hoge, smalle en steile profiel heeft (deel tussen A4 en Stompwijkseweg). Kenmerkend voor dit lint is: Het panoramisch uitzicht over de omtrek vanaf het viaduct over de A4. Het authentieke hoge en smalle dijkprofiel met zeer steile taluds. Eindpunt aan de Vliet met aan de overzijde het oude veerhuis.
Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder Hoge ringdijk met zeer waardevol golvende patroon in de noordelijke dijk door oude aansluitingen op sloten die in de ringvaartoever door de moerasvegetatie kleine natuurgebiedjes vormen. Zoetermeersche Meerpolder Dijk om oorspronkelijk zoet meer die nodig was omdat de omgeving van het meer inklonk door veenontginning en turfwinning. Jan Coenensloot/Nieuwe vaart/Meerburgerwatering (weerskanten van de nieuwe vaart) Dit is de kering tussen de oude middeleeuwse veenontginning aan de oostkant (Geerpolder) en de jongere ontginningen aan de westkant (Gecombineerde Huiszitter en Meeslouwerpolder uit 1886). 3.2.2.3 Waterstructuren De waterstructuren in het plangebied hebben een grote cultuurhistorische waarde en maken onderdeel uit van het kenmerkende verkavelingspatroon van de weidegronden.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Landelijk - 2
Kwaliteiten en beleving De waterstructuren in het gebied hebben een grote invloed op de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteit. Bij veel waterlopen is er een duidelijke relatie tussen vorm, ontstaansperiode en functie waardoor ze een landschappelijke en cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. De oudste watergangen zijn ontstaan als ontginningsbasis en zijn meestal onderdeel van de boezem of tussenboezem; het hoofdafwateringsysteem. Binnen de ontginningsblokken werden volgens een kenmerkend patroon sloten gegraven; de zogenaamde slagenverkaveling. Hierbij zijn smalle langgerekte slagen ontgonnen: kavels van ca. 50 m breed en ca. 1000 m diep die worden omgeven door sloten met onbeschoeide oevers. Vaak liggen in de dwarsrichting nog een of meer doorgaande wat bredere watergangen (tochten). Naarmate de kavels langer waren zijn er meer tochten. Belangrijk is verder dat de waterlopen onbeschoeide oevers hebben en dat alleen bij hoge uitzondering beschoeiingen voorkomen bij bijzondere technische eisen zoals bij een gemaal of een bruggenhoofd. Beeldbepalend is ook dat de lijnen op hoofdlijn weliswaar recht zijn maar op detail veel variatie hebben door lichte golvingen, kleine knikken en verspringingen, afgeschuinde bochten etc. Daarnaast zijn sloten en vaarten met de daarbij horende oevers en bermen belangrijk voor flora en fauna.
Doordat de sloten een aaneengesloten fijnmazig netwerk vormen, zijn ze tevens van belang voor de ecologische infrastructuur.
Figuur 8: Kenmerkende kavelsloten Bedreigingen In toenemende mate worden de grenzen en de belijning van de waterlopen rechtgetrokken. Het (nodeloos) plaatsen van harde technische beschoeiingen is ook een oprukkende bedreiging van de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteit. Ook is sprake van nivellering van de slootkanten, door verwijdering van microreliëf. Wensbeeld Het is gewenst dat een aantal belangrijke waterlopen hun oorspronkelijke beeld terug krijgt. Dit dient gerealiseerd te worden als onderdeel van een groter, samenhangende reconstructie van weg, verkeersstructuur, ontsluiting etc. De plaatsing van extra dammen, zeker vanwege zichtbaarheid op
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 grotere afstand van de weg, moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In sommige gevallen is het raadzaam oude waterlopen die gedempt zijn te herstellen door deze open te graven. 3.2.2.4 Weidegronden Kwaliteiten en beleving Dominant in het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg zijn al honderden jaren de weidegronden. Kenmerkende structuur hiervan zijn de langgerekte smalle kavels, ook wel slagen genoemd. Onderscheid is te maken tussen oudere en jongere slagenverkaveling. De oude vaak wat onregelmatige verkavelingen zijn zichtbaar in de niet uitgeveende gebieden aan de kant van Zoeterwoude en langs de Vliet in de Duivenvoorde corridor. De jonge meer regelmatige verkavelingen liggen in de droogmakerijen. De weidegronden hebben een economische functie voor de agrariërs. Daarnaast zijn ze ook van belang voor de flora en fauna, vooral als broedgebied en foerageergebied voor weidevogels. Visueel ruimtelijk worden de graslanden verder gekenmerkt door het zwak golvende maaiveld als gevolg van verschillen in de ondergrond door veen- en kreekresten. De laatste zijn ook van aardkundige waarde.
Figuur 9: Weidegronden in de Zoetermeersche Meerpolder Bedreigingen Aantasting van het verkavelingpatroon kan een bedreiging vormen voor het authentieke karakter van de weidegronden, evenals nieuwe ophogingen en taluds. Verandering van de vegetatiestructuur, bijvoorbeeld ten behoeve van de begrazing door paarden, kan een bedreiging vormen voor de fauna in het gebied. Wensbeeld De functies landbouw en natuur dienen zoveel mogelijk verweven te worden. Het verkavelingpatroon dient behouden of versterkt te worden. Begrazing door koeien heeft de voorkeur om de variatie in de vegetatie en het microreliëf op de weidegronden in stand te houden. Zie hiervoor de spelregels voor het beheer van de graslanden in het paardenbeleid.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Landelijk - 2
3.2.2.5 Landpaden / Kerkepaden Kwaliteiten en beleving In het weidegebied bevond zich een aantal voetpaden, die vroegere bewoners gebruikten om snel bij een belangrijke plek te komen zoals een kerk. Dit zijn de landpaden of kerkepaden. Deze paden vormen een unieke mogelijkheid om het gebied te beleven vanaf routes middenin de groene ruimte. Bovendien hebben ze een functionele en een cultuurhistorische waarde.
Figuur 10: Landpad richting de ringvaart Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaartpolder Bedreigingen De paden zijn nu niet meer toegankelijk, omdat ze door het vervallen van de oude functie zijn afgesloten. Wensbeeld Het is gewenst dat de historische paden weer in ere worden hersteld. Onder andere dient het pad langs de Molendriegang naar het Wilsveen doorgetrokken te worden. Vanuit de ambities van de gemeente is het wenselijk dat meer paden worden aangelegd voor een grotere toegankelijkheid en beleving van het landelijke gebied. In de Integrale gebiedsvisie voor Stompwijk (2007) wordt aan deze wensen invulling gegeven. 3.2.2.6 Markante punten, wegen en zichtlijnen Binnen het plangebied zijn een veelvoud van markante punten, wegen en zichtlijnen aanwezig. Een aantal markante punten zijn beschermd door een monumentale status. Kwaliteiten en beleving Binnen het landelijk gebied liggen markante zichtpunten, wegen en zichtlijnen, die samen een belangrijk onderdeel zijn van de identiteit en beleving van het gebied. Bovendien zijn ze een herkenningspunt voor
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 inwoners en bezoekers. In het gebied zijn de volgende markante punten waar te nemen: De molendriegang van Wilsveen, gelegen aan de Molenvaart. De molen langs de A4 in de Westeinderpolder. De molen van de Knip. De kerktoren van Stompwijk met kerktuin. De kerktoren van Zuidbuurt. De begraafplaats van Wilsveen, gelegen op een veenrestant van ongeveer 3 meter. De skischans bij Zoetermeer. De grote windmolens langs de A4 bij Zoeterwoude. Hoogbouw Den Haag en Zoetermeer. Daarnaast is een aantal wegen belangrijk in de beleving en identiteit van het gebied, zoals: Het lint van de Oostvlietweg langs de Vliet. De Middenweg door de open ruimte van de Zoetermeersche Meerpolder. Het lint van de Stompwijkseweg met de vele bruggen. Het Wilsveen met knikken, de hoogtesprong en uitzicht op het laatste gave deel van de landscheidingsdijk. De Meer- en Geerweg en de Bovenmeerweg op de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder. Het Westeinde (hellepad) met het laatste authentieke onverharde wegprofiel. De A4 met zijn oriëntatie naar het open veenweidegebied. De markante punten, maar vooral het open veenweidegebied zijn met name waarneembaar vanaf de linten en dan vooral vanaf de zone tussen de agrarische erven, opgaand groen en overige bebouwing. Deze open zones waren tot nu toe een logisch onderdeel van de openheid van het gebied als geheel.
Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om open zones expliciet te gaan beschermen, om daarmee verdichting van die zichtzones door nieuwe functies te verhinderen.
Figuur 11: Zicht op de kerktoren van Zuidbuurt
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Landelijk - 2
Bedreigingen De zichtbaarheid van de markante punten en het veenweidelandschap wordt verminderd door verdichtingen langs wegen en dijken; Niet goed ingepaste opgaande structuren dichtbij markante punten doen ook sterk afbreuk aan de beleefbaarheid; Bouwen in het groen beperkt en versnippert het zicht op het achterliggend landschap. Wensbeeld Het is gewenst om het zicht op de markante punten te handhaven en indien mogelijk te herstellen. Zichtlijnen en wegen waaraan of waarlangs zich zichtlijnen bevinden dienen behouden te blijven. Bij nieuwbouw op bestaande woon- en agrarische kavels en verbouwingen dient dit in acht te worden genomen.
3.2.3
Bouwstenen
De ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied is verder te vertalen in een aantal bouwstenen. Deze bouwstenen vormen de basis voor de opbouw van het gebied. Een onderscheid wordt gemaakt in archeologische, bouwkundige en beplantingbouwstenen.
3.2.3.1 Archeologische bouwstenen Archeologische waarden bevinden zich grotendeels in de bodem of onder water, waardoor ze niet makkelijk zichtbaar zijn. Omdat archeologische waarden steeds meer in de planvorming en in de uitvoering van projecten meegenomen worden, is deze onzichtbaarheid actueler dan ooit. Om toch grip te kunnen krijgen op de nog niet bekende archeologische vindplaatsen is geprobeerd een archeologische verwachting te formuleren op basis van de wel bekende gegevens. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft hiervoor in 2013 een analyse laten maken van de landschappelijke kenmerken van bekende nederzettingslocaties (RAAP-rapport 2636). Op basis van een uitgebreide studie van het landschap in relatie tot archeologische vondsten en vindplaatsen is vastgesteld dat binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig kunnen zijn vanaf ongeveer 5000 jaar geleden. In het plangebied kunnen allerlei sporen voorkomen van bewoners uit de prehistorie vanaf de Nieuwe-Steentijd, de Romeinse tijd, de Middeleeuwen, maar ook de verdwenen molenplaatsen en dijkrelicten zijn bronnen voor archeologisch onderzoek. Hieronder een overzicht van de tijdfases. Neolithicum Het Neolithicum markeert in Nederland de introductie van de eerste boeren en daarmee ook nederzettingen met een meer permanent karakter. Het Neolithicum strekt zich uit over de periode 8800 tot 5300 voor Christus.
Aan het begin van het Neolithicum bevond zich in de oostzijde van het onderzoeksgebied een wad- en kwelderlandschap, dat vrijwel continu te nat was voor (permanente) bewoning. Vanaf het Midden-Neolithicum was inmiddels zoveel klei en zand afgezet dat het gebied meer toegankelijk werd en mogelijk zelfs geschikt werd voor (tijdelijke) bewoning. Aan de oostzijde van het plangebied zijn uit het Neolithicum (nog) geen vindplaatsen bekend. Aan de westzijde van het plangebied ontstond in deze periode een strandwal waarop zich vrijwel direct duintjes vormden. Deze relatief hoog gelegen duintjes waren voor de eerste boeren een aantrekkelijke locatie. De hoger gelegen duinen waren uitermate geschikt voor bewoning en konden daarnaast gebruikt worden voor de eerste primitieve akkerbouw. In het nattere achterland kon het vee worden geweid, vis worden gevangen en op wild worden gejaagd. In het plangebied en in de directe omgeving zijn diverse vindplaatsen uit het Midden en Laat Neolithicum bekend, die vaak op de (lagergelegen delen van de) strandwallen zijn aangetroffen. Voorbeelden hiervan zijn de vindplaatsen Noorthey in de Veenzijdse Polder en de vindplaats Vlietvoorde in de Oostboschpolder. Vindplaatsen op de hogere delen van de strandwallen zijn
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 door afzanding vaak vernietigd of verstoord. In het plangebied en de directe omgeving zijn op verschillende locaties ook losse vondsten aangetroffen uit het Neolithicum. Deze vondsten kunnen duiden op nog niet ontdekte nederzettingsterrein in de omgeving, of ze kunnen samenhangen met off-site activiteiten op die locatie zoals jacht en houtkap. Bronstijd De Bronstijd strekt zich uit over de periode 2000 tot 800 voor Christus. Door de nog steeds stijgende zeespiegel en de vorming van nieuwe strandwallen ten westen van het plangebied steeg het grondwaterniveau. Hierdoor ontstond er veengroei. Grote gebieden werden hierdoor ongeschikt voor bewoning. Vermoed wordt dat de bewoning zich in deze periode daarom naar het westen verplaatste. Het aantal vindplaatsen lijkt in deze periode in het plangebied minder te zijn dan in het Neolithicum. Verspreid over het plangebied en directe omgeving zijn wel verschillende vondsten gedaan uit deze periode. Voorbeelden hiervan zijn een bronzen kokerbijl langs het spoor en een aantal veenpaden. Aan de oostzijde van de strandwal zijn een aantal akkertjes gevonden, maar de bijbehorende nederzettingen zijn nog niet aangetroffen. IJzertijd Ook in de IJzertijd werd het plangebied gewoond. De Ijzertijd strekt zich uit over de periode 800 tot 19 voor Christus.
Nog steeds vormde het hoog en droog gelegen oude duinlandschap een aantrekkelijke locatie voor bewoning. Maar vanaf het begin van de IJzertijd werd ook bewoning langs zogenaamde veenontwateringsstroompjes in het veengebied mogelijk. Mogelijk werd het veengebied eerst alleen nog seizoensgebonden gebruikt, bijvoorbeeld voor het weiden van vee, het produceren van zout, voor de jacht en het verzamelen van voedsel. Bewoning op het veen in deze periode is direct ten noorden van het plangebied vastgesteld in de Starrenburgpolder in Voorschoten. Hier werd tijdens de aanleg van de rivierwatertransportleiding een woonplaats uit de Vroege IJzertijd aangetroffen. Binnen het plangebied zijn op de locatie Vlietvoorde in de Oostboschpolder vondsten gedaan die wijzen op zoutwinning. Een opvallende vondst is verder die van een complete pot uit de ijzertijd in het veen in de Geer- en kleine Blankaartspolder. Romeinse tijd In de Romeinse tijd is het Zuid-Hollandse kustgebied tamelijk dichtbevolkt geweest. De Romeinse tijd strekt zich uit over de periode 19 voor Christus tot 450 na Christus. Het grootste deel van de nederzettingen bestond net als in de IJzertijd uit een aantal woonstalboerderijen bij elkaar. Langs de zuidelijke oevers van de Oude Rijn lag vanaf het midden van de eerste eeuw de Romeinse rijksgrens (limes). Rond 47 na Chr.
liet de Romeinse veldheer Gnaeus Domitius Corbulo volgens historische bronnen een kanaal graven tussen de Rijn en de Maas. Dit kanaal is vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw op meerdere plaatsen in het plangebied aangetoond en loopt grotendeels parallel aan het Rijn-Schiekanaal. Hoewel het kanaal van locaties tot locatie varieert, kan worden gesteld dat het kanaal ongeveer 8 tot 14 m breed en ongeveer 2 m diep was. Uit onderzoek blijkt dat alle opgegraven delen van het kanaal daadwerkelijk zijn uitgegraven, veelal in veen. Bij de aanleg van de wijk Rietvink is een 13 m brede en 3 m diepe, in het veen uitgegraven gracht aangetroffen. Tijdens onderzoek op de locatie Vlietvoorde in de Oostboschpolder zijn er aanwijzingen dat er mogelijk zelfs twee kanalen gelegen hebben. Hoe het zuidelijke deel van het Kanaal van Corbulo in de richting van de Maas verliep, is nog niet duidelijk. Mogelijk maakte het daar gebruik van het Gantelsysteem om uiteindelijk in de Maas uit te komen. Een andere mogelijkheid is dat het kanaal langs Forum Hadriani in de richting van Naaldwijk liep. Hoewel er verschillende romeinse vondsten bekend zijn ontbreken vaak grondsporen. Dit heeft vermoedelijk te maken met de grootschalige zandwinning uit de middeleeuwen en Nieuwe Tijd, waardoor deze vindplaatsen vaak vernietigd zijn.
Het kanaal van Corbulo is door de provincie Zuid-Holland aangewezen als terrein van provinciaal belang. Verschillende delen van het kanaal en een bufferzone zijn in 2021 toegekend als Unesco Wereld Erfgoed Romeinse Limes. De kerngebieden Vlietvoorde, Rozenrust en Romeinse pad zijn aangewezen als beschermd archeologisch Rijksmonument. Vroege Middeleeuwen In de vroege Middeleeuwen (van 450 tot 1050 na Christus) lijkt de bewoning in de regio sterk af te nemen. Wat hiervan precies de oorzaak is geweest, blijft onduidelijk. Mogelijk heeft het te maken gehad
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Landelijk - 2 met de politieke chaos in de Laat Romeinse tijd, de economische instabiliteit, uitputting van de landbouwgronden en epidemieën. Ook kan een combinatie van deze factoren hebben geleid tot afname van de bevolkingsaantallen. In ieder geval leidde de afname van bewoning tot een toename van de bebossing van het duin- en strandwallenlandschap. Aangenomen wordt dat het gebied niet geheel verlaten was in de Vroege Middeleeuwen. Dit blijkt onder meer uit enkele archeologische vondsten en uit de overlevering van toponiemen van plaats- en waternamen met een prehistorische en Romeinse oorsprong. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het beperkte aantal bekende vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen mogelijk niet alleen wordt veroorzaakt door de lage bevolkingsdichtheid, maar ook door een lacune in het onderzoek. Aangenomen wordt dat de leefwijze in deze periode zich het beste laat vergelijken met die van de Late IJzertijd. De woningen waren weer van vergankelijk materiaal en het aardewerk werd met de hand gemaakt. Dit lokaal gemaakte aardewerk is slecht te herkennen en te dateren. Er moet dus rekening mee worden gehouden dat sporen en vondsten die ooit als inheems-Romeins zijn geïnterpreteerd mogelijk van latere datum kunnen zijn. Ook kan zijn dat de belangrijkste woongebieden in latere eeuwen deels zijn opgeruimd door later afgravingen of grondbewerkingen.
Late Middeleeuwen In de loop van de Middeleeuwen werden steeds meer duinen ten behoeve van de zandwinning afgegraven en op de strandwallen werden (opnieuw) bouwlanden ontgonnen. Deze relatief hoge en droge bouwlanden worden aangeduid met de term 'geestgronden'. Aan de randen van de geestgronden, dus aan de randen van de strandwallen, lagen de wegen waarlangs ook de boerderijen, en later ook de dorpen, kwamen te liggen. De lage, drassige gronden buiten de strandwal, de zogenaamde 'broeklanden', werden gebruikt als weiland. Meestal ontstonden dorpen op de plaats waar twee wegen bij elkaar kwamen. Tot de 9de eeuw bestond het veengebied nog uit woeste en onbegaanbare gronden. De nederzettingen concentreerden zich nog steeds op de strandwallen. In de 11e eeuw kwam hierin verandering toen het veengebied in een relatief korte periode ontgonnen werd. De eerste ontginningen begonnen aan de randen van het veen. Vanaf de oevers van de rivieren en de strandwallen werden blokken, verdeeld in smalle evenwijdige stroken uitgezet. Op de kop van de percelen kwam de boerderij te staan. Aan de achterzijde van het blok werd vaak een kade aangelegd om toestroom van water vanuit het hoger gelegen onontgonnen veenkussen te voorkomen. In eerste instantie werd alleen het gebied direct achter de boerderij ontgonnen en bleef het gebied achter de kade in collectief gebruik.
Wanneer er behoefte was aan nieuwe landbouwgrond werd de ontginning aan de achterzijde verlengd en de kade naar achteren verlegd. Zo ontstond een karakteristiek verkavelingspatroon van lange en smalle percelen. Door de verbeterde afwatering oxideerde het veen en kwam het maaiveld al snel steeds lager te liggen. De kavels werden verlengd wanneer dat nog mogelijk was en de boerderijen verplaatst indien de afstand naar het nieuwe bouwland te groot werd. Doordat de afwateringsmogelijkheden steeds meer verslechterden was landbouw op het veen uiteindelijk niet meer mogelijk en moest er gezocht worden naar andere inkomstenbronnen. Deze werd gevonden in de turfwinning. Dit gebeurde al eeuwen op kleine schaal, maar werd vanaf de 14de eeuw op commerciële wijze ter hand genomen. Het afgegraven veen vond een goede afzetmarkt in opkomende steden in de omgeving. Nieuwe tijd Door de gegraven sloten en de daardoor verbeterde afwatering daalde het maaiveld in het veengebied. Het oostelijk deel van het plangebied werd kwetsbaar voor overstromingen. Vanaf de 15de eeuw verschenen de eerste windmolens in het Hollandse landschap. De eerste molens verschenen aan de oevers van de Oude Rijn, waar het veenpakket het dunst was en maaivelddaling het eerst problemen opleverden. Vanaf de eerste helft van de 16de eeuw werden ook molens geïntroduceerd in de venige polders tussen de strandwallen.
De bemaling zorgde voor een kettingreactie: door bemaling op de ene plaats ontstonden problemen in niet bemalen veengebieden, die vervolgens ook tot bemaling moesten overgaan. In de 16de eeuw stegen de turfprijzen en lagen de lonen laag waardoor een meer arbeidsintensieve vorm van turfwinning lucratief werd: slagturven, waarbij metersdiepe veenlagen werden opgebaggerd. Voor kleine boerenbedrijven was dit een gunstige tijd. Zij verveenden hun slechtste veengrond en behielden hun beste land en verbeterden dit door het opbrengen van grond.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
De 'verslagturfde' gebieden lagen vooral rond de Zoetermeersche Meerpolder. Hier was al een groot deel van het veen verwijderd. Op grote diepte was echter nog veen over wat door de aanleg van een zogenaamde 'Generale Bepoldering' kon worden gewonnen. Na de bepoldering werd het resterende veen gewonnen en de plas die overbleef drooggemaakt. In 1668 ontstond zo de Driemanspolder en in 1771 de Drooggemaakte Grote Polder. Ook andere polders verdwenen in grote plassen die later werden drooggemaakt. De Starrevaartsepolder en Damhouderspolder werden in 1759 drooggemaakt, de Gecombineerde Huiszitters en Meeslouwerpolder in 1850, de Kleine Blankaardpolder in 1867 en de Kleine Westeindse Droogmakerij in 1883. De oorspronkelijk verkaveling uit de tijd van de eerste ontginning werd hierbij veelal vervangen door een geheel nieuwe verkaveling. Alleen de Rietpolder en Westeinderpolder hebben nog de oorspronkelijke verkaveling.
Archeologische waarden Voor het opstellen van een archeologische verwachtingskaart is het essentieel om een goed beeld te krijgen van de geologische ontwikkeling van het onderzoeksgebied. Dit komt doordat men in het verleden voornamelijk woonde op geologisch (landschappelijk) aantrekkelijke locaties, maar ook doordat de trefkans op archeologische resten in grote mate wordt bepaald door het feit dat een oorspronkelijke loopvlak uit bepaalde perioden wel of niet aanwezig is. Zo kunnen latere geologische processen en menselijk ingrijpen in het landschap, hebben geleid tot verstoring van archeologische sporen en vondsten. Op basis van deze analyse en door gebruik te maken van archeologische expertise van de landschappelijke ligging van (pre-)historische nederzettingen, zijn gebieden begrenst waarvan archeologische informatie nog ontbreekt, maar waar wel vindplaatsen worden verwacht. Binnen het huidige archeologische bestel wordt zoveel mogelijk gestreefd naar het behoud van archeologische waarden in de bodem, dit wordt ook wel 'in situ behoud' genoemd. Op deze manier wordt het bodemarchief zo compleet mogelijk in de grond behouden. Dit streven wordt vooral ingegeven door de grote kwetsbaarheid van de hierin aanwezige archeologische waarden, hun sterke achteruitgang en het besef dat ze niet oneindig in de bodem aanwezig zijn.
Bovendien wordt aangenomen dat er in de toekomst nieuwe (archeologische) onderzoeksmethoden ontwikkeld zullen worden die nieuwe inzichten verschaffen in het verleden, mits er dan nog archeologische waarden zijn om te onderzoeken. In het geval in situ behoud niet mogelijk is kan er besloten worden dat de archeologische waarden opgegraven moeten worden. De sporen en vondsten moeten dan gedocumenteerd en indien nodig geconserveerd worden. De resultaten van het onderzoek dienen vastgelegd te worden in een rapportage.
Bestemmingsomschrijving dubbelbestemming Waarde Archeologie Ter bescherming van de in het gebied aanwezige en/of te verwachten archeologische waarden zijn op de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan gebieden aangemerkt met de 'dubbelbestemming archeologie' en een daarbij behorende Waarde - Archeologie. Conform het gemeentelijk archeologiebeleid zijn er vier verschillende Waarden - Archeologie (waarvan 3 waarden gelden voor dit bestemmingsplan), met verschillende regels en vrijstellingsgrenzen (zie figuur 11). Voor bouwwerken of bodem ingrepen groter dan de in de regels aangegeven uitzondering (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de archeologische dubbelbestemmingen.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 12: Waarderingsgebieden Archeologie
3.2.3.2 Bouwkundige bouwstenen Op bouwkundig gebied heeft het plangebied een groot aantal kenmerken en waardevolle gebouwen: Molens en gemalen Niet-agrarische bebouwing Boerenerven en boerderijen Bruggen en dammen Afscheidingen
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 13: De Molendriegang van Wilsveen De her- en nieuwbouw van boerderijen vond vooral in de periode 1870-1930 plaats. De meest waardevolle gebouwen zijn als volgt beschermd: Rijksmonumenten (zie bijlage Monumentenlijst BP Landelijk). Deze staan niet (allemaal) op de verbeelding of in de regels omdat ze beschermd zijn via de Erfgoedwet. Indien bijbehorende erven ook waardevol zijn staan de monumenten vaak wel samen met de ervan - met een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie - op de verbeelding omdat de erven geen monumentstatus hebben; Gemeentelijke monumenten (zie bijlage Monumentenlijst BP Landelijk). Deze staan ook niet (allemaal) op de verbeelding/regels omdat ze beschermd zijn via de Erfgoedverordening gemeente Leidschendam-Voorburg 2010. Net als voor de rijksmonumenten geldt dat indien bijbehorende erven tevens waardevol zijn, maar geen monumentstatus hebben, de bijbehorende monumenten vaak wel samen met de erven - met een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie - op de verbeelding staan; Dubbelbestemming "Waarde - beschermd stads- en dorpsgezicht". Dit is een rijksbeschermd dorpsgezicht (landgoederenzone), welke staat op de kaart en in de regels. Het dorpsgezicht bestaat uit een samenspel van de stedenbouwkundige structuur, de bebouwing en (de geschiedenis) van het gebruik van grond en gebouwen.
De bedoeling van de aanwijzing is de historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in de toekomstige ontwikkelingen. Het gezicht is aangewezen op basis van de Erfgoedwet. Dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie". Voor deze waardevolle gebieden zijn specifieke regels opgesteld in dit bestemmingsplan om de cultuurhistorische kwaliteiten te behouden en te versterken. Afscheidingen, zoals hekwerken en palen met draad, komen overal in het gebied voor. De dominante traditionele erfafscheiding en veekering zijn sloten. Alleen waar geen natte kering mogelijk was werden afscheidingen toegepast. Oorspronkelijk met beplanting zoals meidoornhagen en houten hekken. Vanaf de 19e eeuw komen steeds meer eenvoudige metalen hekken voor. Als kavelscheiding, erfafscheiding, maar ook als toegangshekken. Vanaf eind 19e eeuw zijn ook
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Landelijk - 2 draadafscheidingen geïntroduceerd. Smeedijzeren toegangshekken kwamen alleen bij landgoederen voor. Bedreigingen Niet streekeigen hekken rukken op met name in relatie tot burgerbebouwing. Hierdoor verrommelt het landschapsbeeld. Ook afscheidingen van palen met draad/ linten i.p.v. sloten verstoren het streekeigen landschapsbeeld. Wensbeeld Stimuleren van streekeigen vormen en materialen. Bij erfafscheidingen kan ook gekozen worden voor gebiedseigen hagen (zie beplanting). Gezien het weidebeheer met betrekking tot paarden zijn sloten niet voldoende. In de weilanden verstoren opvallende afscheidingen zoals hekken en hagen het landschapsbeeld. Hier dient gekozen te worden voor palen met draad of palen met linten.
3.2.3.3 Beplantings bouwstenen Kwaliteit en beleving Voor beplanting is, net als voor bebouwing, de grote mate van openheid van het gebied karakteristiek en in sterke mate bepalend voor de cultuurhistorische betekenis. Opgaande beplanting staat vrijwel uitsluitend op huiskavels of in de directe nabijheid daarvan. Slechts enkele hakhoutbosjes, knotbomen en solitairbomen staan in de open ruimte. Uniek voor het gebied en van de hoogste waarde zijn de meidoornhagen langs de dijkwegen op plaatsen waar geen natte veekering ligt. Elders in Nederland komt dit in veenweidegebieden niet (meer) voor. De boerenerven met hun opgaande beplanting in de lintbebouwing zijn landschappelijk zeer bepalend omdat ze als doorgaande groene lijnen de randen van de open ruimtes bepalen. Voor flora en fauna is de beplanting van levensbelang ook door de grote variatie in aanplant en beheer. Het huidige beeld met zeer weinig beplanting buiten de huiskavels wordt door oude kaarten in grote lijnen bevestigd. Wel was er per saldo wat meer beplanting dan tegenwoordig. De oudste betrouwbare kaart (Cruqius 1714) laat een vrijwel open landschap zien. Net zoals de overzichtskaart van het kadaster uit 1812. Wel komen er enkele forse bossen voor in de gecombineerde Starrevaart en Damhouderpolder van 1 tot 4 kavels breed.
Ook opvallend is dat er langs de kavelgrenzen bomenrijen voorkwamen, vooral in het gebied richting Nootdorp (Nieuwe Driemanspolder). Deze rijen sluiten op een enkele uitzondering na, aan op de huiskavels en strekten ca. 100 a 200 m de open ruimte in. De beplantingen hadden vroeger meestal een gebruiksfunctie zoals beschutting of voor productie (bouwen, vlechten, brandhout, veekering en fruit) en waren een integraal onderdeel van de exploitatie van het gebied wat de cultuurhistorische betekenis versterkt. Sierbeplanting werd tot in de 19e eeuw maar beperkt toegepast en vaak in relatie met een rijker erf of een buitenplaats. Daarna is de sierfunctie steeds belangrijker geworden tot de overheersende rol van tegenwoordig. Bedreigingen Door het verdwijnen van de diversiteit in plantvormen verandert het streekeigen en karakteristieke beeld van erven en landschap. Bij nieuwbouw en herinrichting van erven wordt vaak niet streekeigen aangeplant waardoor het karakteristieke landschapsbeeld stukje bij beetje veranderd. De historische beplantingen hebben veelal hun functie verloren waardoor het oorspronkelijke en meestal periodieke onderhoud is vervallen. Veel soorten zijn hiervan afhankelijk om afsterven te voorkomen zoals de hagen, knotbomen, fruitbomen en hakhout.
Door het wegvallen van de functie worden veekeringen –sloten en/of hekken- die de beplanting moeten beschermen tegen vee verwaarloosd zodat ze worden aangevreten of vertrapt en vervolgens afsterven. Vooral paarden en pony's veroorzaken dit. Beplanting die afsterft, wordt niet meer vervangen of als dit wel gebeurd dan is de vervangende beplanting vaak niet streekeigen qua soort en beplantingspatronen.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 Kennis van het juiste onderhoud is niet bij elke eigenaar en beheerder in voldoende mate aanwezig. Omdat ruim 90% van alle landschappelijke beplanting op particulier terrein gaat het om zeer veel eigenaren waardoor het verbeteren hiervan gecompliceerd is. Wensbeeld Zodanig toepassen van de cultuurhistorische streekeigen beplantingspatronen en streekeigen soorten (waar mogelijk van regionaal genetische oorsprong), dat het streekeigen en karakteristieke beeld van erven en landschap wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Toepassen van streekeigen soorten waar mogelijk van regionaal genetische oorsprong. Meer uitgebreide informatie over streekeigen inrichting is opgenomen in de gemeentelijke handleiding 'Maak uw erf goed' Het weer toe passen van boomgaarden; voor het landschappelijk beeld is zorg en nieuwe aanplant van kleine boomgaarden met hoogstamfruitbomen als onderdeel van het agrarisch erf wenselijk. Door gebruik van streekeigen beplanting kan de ruimtelijke structuur geaccentueerd worden. Onderscheid verschillende typen beplanting: Hagen. Door intensivering van de landbouw verdwenen de laatste 50 jaar een groot aantal heggen uit het plangebied. Recentelijk is er weer aandacht voor deze streekeigen, natuurvriendelijke afscheiding. Hakhoutbosjes/Geriefhoutbosjes Houtsingels Bomenrijen Knotbomen Boomgaarden Leibomen Solitaire bomen Boerentuin
3.3
Deelgebieden met hun specifieke gebiedskenmerken
Ook op korte afstand binnen het gebied zijn verschillende kenmerken waarneembaar. Om deze redenen wordt in deze paragraaf een beschrijving gegeven van de te onderkennen deelgebieden binnen dit bestemmingsplan. Op basis van specifieke kenmerken is de indeling voor deze deelgebieden tot stand gekomen. De deelgebieden zijn: Leidschendammerhout en Vlietland Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder en Meeslouwerpolder Drooggemaakte Grote Polder Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaardpolder Zoetermeersche Meerpolder Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder Duivenvoordecorridor Nieuwe Driemanspolder De Vliet en vlietoevers
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 14: Deelgebieden bestemmingsplan Landelijk - 2
3.3.1
Leidschendammerhout en Vlietland
Dit deelgebied omvat de Leidschendammerhout met onder andere Vogelplas Starrevaart en het recreatieve plassengebied Vlietland. Ruimtelijk wordt het aan de westzijde begrensd door de hooggelegen Vliet met de Oostvlietweg en aan de zuidoostkant de laaggelegen rijksweg A4. Vanuit de A4 is het gebied onderdeel van het Nationaal snelwegpanorama Wijk en Wouden, één van de negen in ons land. Wat het waterbeheer betreft valt het deel ten zuiden van de Kniplaan onder de gecombineerde Starrevaart en Damhouderpolder. Ten noorden van de Kniplaan zijn de oorspronkelijke polders verdwenen en is het gebied onderdeel van de hoofdboezem. Tegenwoordig is het deel van de Vliet tussen Delft en Leiden, waar het oorspronkelijke landschapsbeeld nog beleefbaar is, uniek. Op alle andere plekken is de Vliet inmiddels ingekapseld in stedelijke structuren. Het meest gave en daardoor landschappelijk het meest waardevolle deel, is de Leidschendammerhout tussen Leidschendam en de Kniplaan. Hier is ter hoogte van de Duivenvoordecorridor het oorspronkelijke landschap zelfs aan beide zijden beleefbaar. Het profiel kenmerkt zich hier door een markante hoogtesprong met de Vliet hoog boven het landschap omdat het veen ten oosten langs de Vliet diep is uitgegraven. Hierdoor ontstond een plas die begin 19e eeuw weer is drooggemaakt.
Er zijn maar enkele 19e-eeuwse boerderijen die vanwege hun grote erven onderaan de dijk liggen, terwijl de kleinschalige burgerwoningen hoog op de dijk aan het jaagpad grenzen. Verder beeldbepalend zijn de unieke meidoornhagen langs de weg die hier zeer gaaf zijn en soms gecombineerd zijn met opgaande bomen. Bij de Kniplaan ligt een buurtschapachtige verdichting met kleinschalige burgerwoningen. Hier is een recente ophaalbrug die het oorspronkelijke voetveer vervangt. Het tweede deel tussen de Kniplaan en Leiden heeft geen markante hoogtesprong omdat het rond de zandwinplassen is opgehoogd met de afgegraven onbruikbare bovengrond. Het karakter is hierdoor sterk getransformeerd met alleen het jaagpad en wat oorspronkelijke bebouwing als restant. Hier ligt wat burgerbebouwing en een voormalige boerderij (het Pannenhuis) die in afwijking van de andere boerderijen van voor de 19e eeuw dateert. Richting Leiden ligt aan de overzijde de bebouwing van Voorschoten waarvan het recente deel dominant
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 direct aan de Vliet grenst met een sterk stedelijk karakter door o.a. appartementen met een parkeergarage. De oudere bebouwing van Voorschoten houdt meer afstand en heeft een groene rand die aansluit op de kwaliteit van de Vliet. Vlietland en de Leidschendammerhout zijn een uitvloeisel van de aanleg van de A4 in het midden van de 20e eeuw en het recreatieve beleid van de hogere overheid. Door de versnipperende werking ontstond een soort tussengebied dat vanaf ca. 1960 is ontwikkeld als een recreatieve zone voor de stedeling met een uitgebreid netwerk van voet- en wandelpaden. Hierin is een sterke compartimentering in 5 hoofdgebieden zichtbaar. De grootste transformatie is bij hoofdgebied 1, Vlietland, waar door zandwinning twee geschakelde recreatieve plassen ontstonden, omsloten door opgaande beplantingen. Daarbinnen is de interne inrichting typisch voor de jaren 60 en 70 van de 20e eeuw met een modernistische en wat eenvormige inrichting met weinig variatie in biotopen. Vanaf Leiden is een zonering zichtbaar van intensief naar extensief met eerst zwemstranden, een camping en jachthavens richting een meer natuurlijk deel grenzend aan de Kniplaan. Deze grens valt op als hoge dijk met wandelpad parallel aan de Kniplaan. Het oorspronkelijke maaiveld ligt aan de kant van Leiden ongeveer gelijk met het maaiveld rondom de recreatieplassen.
Hierdoor gaan beide zijdes van de A4 een ruimtelijke relatie met elkaar aan waarbij het landschap van de polders tot over de A4 doorloopt. Vanaf Vlietland is het open polderlandschap van de overzijde van de A4 waarneembaar. Verder richting Leidschendam “duikt' het oorspronkelijke maaiveld en komen de plassen van Vlietland achter een dijk te liggen. Hier is de relatie tussen Vlietland en de polders van Stompwijk moeilijk waarneembaar. De relatie met het resterende open veenweidegebied aan de overzijde van de A4 is een belangrijke landschappelijke factor. Binnen de randzone is er een relatie met het achtergelegen open veenweidegebied. Deze relatie bestaat uit de verschillende doorzichten met de onbeplante zone voor en achter de A4. De snelweg vormt een van de belangrijkste ruimtelijke, landschappelijke en ecologische barrière in het landelijk gebied. De snelweg is op enige afstand gelegen van het opgaand groen van Vlietland waardoor de snelweg voor het grootste deel onderdeel uitmaakt van het open veenweidegebied. De snelweg manifesteert zich binnen het landelijk gebied door de portalen, lichtmasten en verkeersgeleiderails. Vooral deze laatste hebben een belangrijke negatieve rol wanneer het gaat om de visuele barrièrewerking van de snelweg.
De begrenzing van Vlietland is vanuit de snelweg waarneembaar als een groene en sterk variërende bosstrook met daarachter een onbeplante open zone (het water). Door deze variërende begrenzing (in afstand, grootte, dichtheid, plantsoort en doorzicht) is het duidelijk dat het gebied van Vlietland behoort tot een recreatief cultuur- en natuurlandschap en onderdeel is van het landelijk gebied. Een bedreiging voor Vlietland en de randzone is het versterken van de begrenzing tussen de A4 met het achterliggend open veenweidegebied en het recreatiegebied. Hierdoor zal het gebied niet meer als een geheel waarneembaar zijn. Tussen de Kniplaan en Leidschendam ligt de Leidschendammerhout, een natuur- en recreatiegebied gecombineerd met delen van het oorspronkelijke landschap. Bij de Kniplaan ligt hoofdgebied 2, de Starrevaartplas met vogelkijkhut, een natuurplas omsloten door lage dijken waar veel zeldzame vogelsoorten voorkomen. Dan volgt hoofdgebied 3, een dicht bebost recreatief tussengebied met nieuwe bossen en paden. Dit nieuwe bos ligt deels op een locatie met een zeer slappe en vochtige kleibodem waar oorspronkelijk tot eind 19e eeuw een vrijwel even groot hakhoutbos lag.
Hierop aansluitend hoofdgebied 4, een open agrarisch weidegebied met enkele boerderij erven en een manege en ten slotte het 5e hoofdgebied; een recreatief open graslandschap met een mix van weiland en wat volkstuinen tegen het bedrijventerrein aan de Star. Langs de A4 ligt over de hele lengte van de Leidschendammerhout een natuurstrook met enkele bosjes en kleine vogelplassen en middendoor in de lengte een grote watertransportleiding in een opvallend dijkje met bovenop een voetpad.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Landelijk - 2 Gebiedskenmerken: Strategische schakel in de laatste doorgaande groene verbinding Groene Hart met de kust. Laatste wijde uitzichten langs de Vliet als laatste locatie waar de Vliet nog beleefbaar aan het oorspronkelijke landschap grenst (traject Leidschendam- Kniplaan) waarbij ter hoogte van de Duivenvoordecorridor het oorspronkelijke landschap zelfs aan beide zijden waarneembaar is. Cultuurhistorische zichtlijn kasteel Duivenvoorde over de Vogelplas Starrevaart richting Stompwijk. Panoramische vergezichten vanaf de hier hooggelegen Vliet richting veenweidegebied over de A4 met zichtlijnen naar de 3 molens, Stompwijk en Zoetermeer en in de andere richting naar het dichte strandwallenlandschap aan de overkant van de Vliet. Panoramische vergezichten vanaf de randzone van de meren van Vlietland over het veenweidegebied richting Stompwijk. De rijksweg A4 als onderdeel van het veenweidegebied en randzone van Vlietland; Opgaand groen van Vlietland. Variërende begrenzing van dit opgaand groen (variërende afstanden opgaand groen tot snelweg. De transparantie van opgaand groen (met name zichtlijnen bij de sloten). Binnenin het gebied door compartimentering een grote diversiteit in ruimtebeleving met 5 hoofdgebieden.
Vanaf Leidschendam zijn dat respectievelijk recreatief graslandschap -agrarisch weidegebied - recreatief bosgebied - omdijkte Vogelplas Starrevaart - recreatieplassen Vlietland omsloten door transparante beplanting. Het jaagpad met karakteristieke doorgaande Meidoornhagen op de dijk langs de Vliet met doorkijkjes bij de toegangen tot de weilanden. Door het hele gebied van Leidschendam tot de Kniplaan loopt in de lengte een opvallende lage dijk met bovenop een voetpad, ontstaan door de watertransportleiding die daar loopt. Ontwikkelingen In en aan de rand van het gebied spelen een aantal grotere ontwikkelingen. Allereerst zorgt de aanleg van de Rijnlandroute voor een majeure ingreep in het gebied. De gevolgen van die ingreep, inclusief de grote aarden wallen t.b.v. de afscherming van Vlietland zullen zich in de loop der jaren aftekenen. Ook overige afschermende voorzieningen zullen een grote impact hebben in het toekomstig ruimtelijk functioneren van het gebied. De verbreding van de A4 zal het bestaansrecht voor een aantal functies bemoeilijken. Voorbeeld hiervan is de Meerburgerlaan, welke verplaatst dient te worden in verband met de verbreding. Aan de rand van de Leidschendammerhout wordt een woonbuurt ontwikkeld. Met deze ontwikkeling wordt de stadsrandzone voor dit deel van de grens van het bestaand stedelijk gebied gedefinieerd.
3.3.2
Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder en Meeslouwerpolder
Dit deelgebied omvat de Meeslouwerpolder en een deel van de Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder. Vanuit de A4 is het gebied onderdeel van het Nationaal snelwegpanorama Wijk en Wouden, één van de negen in het landelijk gebied. Qua waterbeheer valt het samen met recreatiegebied Leidschendammerhout. Aan de zuidzijde vormt het hooggelegen dijklint van de Stompwijkseweg een opvallende grens met de vele groene erven en in het oosten ligt de hoge dijk van de Nieuwe Vaart. Beide polders zijn onderdeel van het grote veenweidegebied van het Groene Hart dat doorloopt tot de hoge zandgronden bij Utrecht. Het zijn gave diepgelegen droogmakerijen uit de 19e eeuw met een vrij strakke slagenverkaveling loodrecht op de Stompwijkseweg. Loodrecht hierop liggen de middentochten die het meest opvallen in de Meeslouwerpolder waar de brede Meerburgerwetering begint. Deze is nog steeds een vaarverbinding naar de oude Rijn. Een extra middentocht ligt in het deel van Meeslouwerpolder waar de kavels langer worden. Hier stond aan de Nieuwe Vaart de windwatermolen van de voormalige Kleine Westeindsche Veen- en Droogmakerij. Van grote betekenis is dat via het deelgebied de landschappelijke eenheid tussen het Groene Hart en kust nog goed beleefbaar is.
Via de open delen van de Leidschendammerhout is hier contact tussen het uitgestrekte veenweidegebied van het Groene Hart en het strandwallenlandschap van de Duivenvoordecorridor. Belangrijk cultuurhistorisch element is de zichtlijn van Kasteel Duivenvoorde over de Vogelplas in het plangebied.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Binnen het deelgebied zelf overheerst de open ruimte van de Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder met een zicht in de lengterichting van ruim 3,5 km. Ter hoogte van de drie molens is plaatselijk een sterk verrommeld en verdicht gebied waardoor de molendriegang vanaf de A4 minder zichtbaar is. Hier ligt ook in het lint het voormalige stoom- en later dieselgemaal van deze polder 'de Antagonist'. Sinds eind 20e eeuw maalt deze polder rechtstreeks uit op de Vliet. De smalle hoge dijk van de Kniplaan en Knipvaart vormt de scheiding met de Meeslouwerpolder. Sinds eind 19e eeuw werd alleen nog in de bebouwingslinten beplant nadat enkele zeer grote hakhoutbossen waren ontgonnen. In de Meeslouwerpolder is er een tweedeling met eerst het gesloten Stompwijkse kassengebied uit midden 20e eeuw en daarna een vrij gaaf open weidegebied met daarin loodrecht op de kavelrichting het laat 19e-eeuwse bebouwingslint van de Westeinderweg. Vanaf de A4 wordt het zicht op het lint van Stompwijk met de kerk door de kassen wat belemmerd. Opvallend zijn verder langs de A4 de afgeknotte voormalige poldermolen de Meerenburger met jachthaventje en camping en de Zustersdijk; een laag dijkje tussen deze molen en de Doctor van Noortstraat dat ooit de grens vormde tussen de Meeslouwerpolder en de voormalige Kleine Westeindsche Veen en Droogmakerij. Naast de molen ligt onder de A4 een ecotunnel.
De oostzijde van de Meeslouwerpolder grenst via de Nieuwe Vaart aan de Groote Westeindsche polder met een opvallende hoogtesprong van ruim 3,5 m omdat deze polder niet uitgeveend is. Langs deze dijk zijn op de kop van de Westeinderweg recent enkele grotere erven met dominante bebouwing ontstaan (loonwerker en melkveehouderij).
Gebiedskenmerken: In de dwarsrichting laatste schakel tussen het uitgestrekte veenweidegebied van het Groene Hart en het strandwallenlandschap van de Duivenvoordecorridor beleefbaar via open delen in de Leidschendammerhout. Lange zichtlijn in de lengterichting van de Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder. Diepgelegen droogmakerijen uit de 19e eeuw met vrij strakke slagenverkaveling. Verrommeling ter hoogte van de drie molens beperkt het zicht vanaf de Vliet en vooral de A4. Zicht op lint Stompwijk is vanaf A4 door kassengebied wat beperkt. Ecotunnel onder de A4 naast de Meerburg (tegenwoordig Meerenburger). Ontwikkelingen Om het dorp Stompwijk te ontlasten van zwaar verkeer is er een verbindingsweg aangelegd. De weg zelf en de kunstwerken hebben een grote ruimtelijke impact welke vraagt om een zorgvuldige inpassing ondergeschikt aan het polderlandschap.
3.3.3
Drooggemaakte Grote Polder
Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de dijk met de Stompwijkseweg en Vaart, in het zuiden respectievelijk door het Wilsveen, het dijkje met de Scheisloot op de grens met Zoetermeer en ten slotte de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder. De oostzijde eindigt bij de kern Stompwijk en in het westen is de grens de dijk van de markante molendriegang van Wilsveen. Het gebied hierachter lijkt erbij te horen maar is onderdeel van de Nieuwe Driemanspolder. Zeer gave droogmakerij met markante molendriegang en de grootste aaneengesloten open ruimte van de regio. Opvallend is het zicht op de heuvels met skischans van het recreatiegebied Buijtenpark. Verder vallen de hooggelegen linten op met hun opgaande beplanting met als markant punt de kerk van Stompwijk met het kerkebos. Aan de westzijde bevindt zich een belangrijk knooppunt in de regionale waterafvoer met als grote blikvanger de molendriegang van de Nieuwe Driemanspolder met daarnaast het markante brede water van de boezem voor de waterafvoer van Zoetermeer, voorheen ook een belangrijke vaarweg. Daarom ligt op de kop van deze boezem met de Stompwijkse Vaart een schutsluis (nu verborgen onder de grond) met daarnaast een voormalige herberg en botenverhuur. De opvallend schuin lopend kavel in de hoek met de Stompwijkse weg was vroeger ook onderdeel van de boezem.
Door het zeer grote aaneengesloten gebied zijn er meerdere tochten in de lengterichting en in het breedste deel ook nog 2
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Landelijk - 2 dwarstochten. Het eigen gemaal ligt ter hoogte van de Kniplaan en vervangt hier vanaf eind 19e eeuw de gesloopte molendriegang. De verkaveling is vrij strak waarbij opvalt dat richting Stompwijk de kavelbreedte iets regelmatiger is. In de uitloper aan de zuidzijde ligt een blok waarvan de kavelrichting loodrecht staat op het dominante patroon omdat dit zich richt op de knik in het lint van Wilsveen. De grens van het blok volgt grofweg het door de vervening verdwenen lint van Wilsveen dat oorspronkelijk recht doorliep naar de Zoetermeersche Meer. Vanuit de diverse linten lopen bij enkele actieve boerenerven lange moderne bedrijfswegen de open ruimte in. Tussen de Meer- en de Geerweg loopt de enige openbare ontsluiting in de grote open ruimte; een recent fietspad. Over de dijk langs de drie molens liep het kerkenpad naar de verdwenen kerk van Wilsveen. De beplanting beperkt zich tegenwoordig tot de erven in de linten maar had vroeger wat beplanting langs de kavels en veel beplanting onderlangs de dijken langs de kwelsloot. Een vreemde eend in de bijt is een blokkavel met rondom wat beplanting, tegen de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder, een restant van een oliewinningterrein van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM).
Opvallend is ook de extra brede dam in de Groote Tocht in het laatste kavel tegen de kern van Stompwijk aangelegd voor de drafbaan van de Stompwijkse paardendagen. Gebiedskenmerken: Grootste aaneengesloten open ruimte in de regio. Zeer lange zichtlijnen tot 4 km. Regionaal waterknooppunt bij de drie molens waar meerdere afvoer- en voormalige vaarwegen samenkomen. Vrij strakke slagenverkaveling met in de breedte wat regelmatiger kavels richting kern Stompwijk. Veel tochten en dwarstochten met extra brede dam in de Groote Tocht voor de Stompwijkse paardendagen. Aardolielocatie van de NAM bij de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder met enige beplanting. Het nog aanwezig NAM-terrein alsmede de weg door de polders naar Zoetermeer is in 2021 opgeheven, waarna het weer weiland is. Kerkepad over de dijk van de molendriegang. 3.3.4
Groote Westeindsche Polder en Zwet- en Groote Blankaardpolder
De rijksweg A4 vormt de noordgrens van dit deelgebied, in het zuiden wordt deze gevormd door de Ommedijksche Watering. Aan westzijde is de Nieuwe Vaart gelegen en in het oosten wordt het gebied begrensd door de rand van het dorp Zoeterwoude. De gemeentegrens loopt midden door het gebied. Dit is cultuurhistorisch gezien een zeer waardevol gebied, want het is zonder meer het meest gave slagenlandschap in het plangebied. Omdat het veen niet uitgegraven is voor turfwinning omdat de turf hier door afzettingen van de Oude Rijn van te slechte kwaliteit was. Daardoor is het oorspronkelijke middeleeuwse maaiveld en slotenpatroon nog intact. Daarnaast is vooral de Groote Westeindsche polder uitzonderlijk gaaf gebleven met een rijkdom aan kleine cultuurhistorische details in de inrichting. Ten eerste vanwege de geïsoleerde ligging alleen ontsloten door een doodlopende weg en ten tweede door het zeer natte maaiveld dat alleen extensief beheer toelaat. Het niet uitgeveende maaiveld ligt vrij hoog (ca. - 1,5m NAP) waardoor langs de Nieuwe Vaart een sterke hoogtesprong is naar de diep gelegen aangrenzende droogmakerij (ca. - 4,5 NAP). De bebouwing beperkt zich tot enkele korte linten zodat de open ruimten nog grotendeels aaneengesloten zijn. Het omvat een langgerekt gebied van ca. 2500x650m. De waterstand is hoog omdat bij teveel drooglegging het maaiveld teveel in zou klinken.
Hierdoor is al een badkuipeffect ontstaan omdat de boezemvaarten nog op de oude hoogte liggen (resp. Meerburgerwetering en ringvaart Drooggemaakte Kleine Geer- en Blankaardpolder). Het is alsof er een dijk is aangelegd terwijl het om het oorspronkelijke maaiveld gaat. In deze “dijken'' is een zeer bijzonder patroon ontstaan op de plaatsen waar de kavelsloten vroeger rechtstreeks op de vaart aansloten maar vanwege het inklinken gedempt moesten worden. Dit patroon kenmerkt zich door vele golvende inhammen waarin kleine natuurgebiedjes zijn ontstaan met oevervegetatie met ook in het 48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 talud een sterke golving. Dit patroon is in de ringvaart van de Drooggemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder het duidelijkst en getuigt van de effecten van de sterke inklinking. Bovendien is dit microreliëf ook verrijkend voor flora en fauna. Bij de waterstructuren valt ook een klein petgat op met legakker; restanten van een beginnende turfwinning die in de regio zeldzaam zijn. De kavelsloten zijn meestal breder dan in de droogmakerijen. Er zijn geen tochten dwars op de kavelrichting maar alleen her en der dwarssloten of restanten daarvan, waarvan een aantal schuin liggen. Verder veel meer greppels dan elders in het gebied zowel in de lengte van de kavels als opvallend dwars daarop om de lengte greppels af te wateren. Het maaiveld heeft hierdoor veel microreliëf wat nog wordt versterkt door een aantal opvallende kreekresten. De beplanting heeft als bijzondere elementen zes kleine vierkante bosjes in het midden van een kavel; wellicht oude pestbosjes waar besmet vee is begraven. Ook kenmerkend is dat op veel damhoofden wilgen staan. Bij de oorspronkelijke erven komen wat meer hakhoutbosjes voor dan elders in het plangebied. Het Oosteinde, de hoofdontsluitingsweg met vaart, loopt dwars door het deelgebied als grens tussen beide polders. Weg en vaart heetten oorspronkelijk Stompwijkse weg resp.
Vaart en zijn de voortzetting hiervan tot aan Zoeterwoude. Langs deze weg ligt vanuit Stompwijk tot aan de gemeentegrens een vrij dicht bebouwingslint. De oneven zijde in de Groote Westeindsche polder heeft goed herkenbare historisch bebouwing met hoofdzakelijk vrij gave monumentale boerderijen en groene erven waarvan veel nog met het oorspronkelijke agrarische gebruik, namelijk melkveehouderij. Aan de even zijde in de Zweten Groote Blankaardpolder zijn de oude erven doorontwikkeld met overheersende grote bedrijfspercelen, grote bedrijfsgebouwen en twee kassencomplexen die diep in de open ruimte doorsteken. De ruimtelijke impact hiervan is des te groter omdat door de smalle langgerekte vorm van de polder deze erven ca. de helft van de kaveldiepte beslaan. Hierdoor zijn vooral vanuit Stompwijk nauwelijks diepe zichtlijnen mogelijk zodat vanuit de linten de openheid vanuit veel standpunten niet wordt ervaren. De omgeving van beide polders heeft ook veel van het oorspronkelijk karakter behouden. Waar dit niet het geval is, heeft dit doorgaans visueel een beperkte invloed. Gebiedskenmerken: De polder is voor Leidschendam-Voorburg bijzonder omdat deze nooit is uitgeveend. Het middeleeuwse slagenlandschap is hier nog behouden met een rijkdom aan kleine variaties in kavelgrenzen en het slotenpatroon.
De overige polders in het plangebied zijn allemaal jongere uitgeveende droogmakerijen die vanaf 1614 tot eind 19e eeuw zijn drooggelegd; diep gelegen en met een kleibodem. Sloten langs opstrekkende kavels zijn vaak breder en grilliger dan in de latere droogmakerijen die meer planmatig in vrij korte tijd zijn heringericht. Grote langgerekte open ruimten aan weerszijden van het Oosteinde. Lintbebouwing langs wegen (deels historische bebouwing). Veel microreliëf met greppels en kreekresten. De waterstand is hoog omdat bij teveel drooglegging het maaiveld teveel in zou klinken waardoor de waarde voor weidevogels zeer hoog is; De doodlopende weg midden in de Groote Westeindsche polder (Westeinde) heeft het authentieke profiel behouden wat in de regio bijna nergens meer voorkomt. Deze is zeer smal (ongeveer 3 meter) en het laatste deel is nog onverhard; De dammen aan het Westeinde met beplanting op de hoofden en meerdere kleine (pest)bosjes.
Toelichting (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Landelijk - 2
3.3.5
Zoetermeersche Meerpolder
De Zoetermeersche Meerpolder wordt begrensd door de Ommedijk met Ringsloot. De gemeentegrens met Zoetermeer loopt midden door het gebied. Deze polder heeft een bijzondere geschiedenis vanwege de oorsprong als veenmeer. Dit is te herkennen aan de karakteristieke eivorm, die vooral te vinden is in Noord-Holland waar veel meer veenmeren lagen. Al in 1614 is deze polder drooggemaakt, toen in de omgeving de turfafgravingen nog in volle gang waren. Het is daardoor de oudste droogmakerij van Zuid-Holland. De regelmatige verkaveling is door de grotere ouderdom wat grilliger dan de jongere droogmakerijen, te zien aan de meer afgeronde koppen van kavels en breedtevariatie in de tochten. Bijzonder is de karakteristieke 90 graden verdraaiing aan de beide uiteinden om in de ronding te passen. Opvallend is verder het gevarieerde en golvende patroon van de ringdijk en de oevers van de ringvaart. De interne afwatering loopt via drie tochten naar een gemaal in de Noordoosthoek net over de gemeentegrens. De oorspronkelijke molendriegang voor deze polder is nu af geknot en valt weg in de open ruimte. De eivorm wordt vanuit de polder nauwelijks ervaren door de zeer grote open ruimte van bijna vier kilometer in doorsnede. Dit is wel zichtbaar op de wegen op de ringdijk en door de boombeplanting langs de rechte Middelweg die door het contrast de ronde vorm benadrukt.
De Middelweg loopt precies door het midden, heeft nog een vrij bescheiden profiel dat daardoor landschappelijk goed past. De weg maakt bij binnenkomst over de ringdijk met vaart een karakteristieke hoogtesprong (oorspronkelijk lagen hier ophaalbruggen). De weg is midden 20e eeuw bij het kortsluiten met het Oosteinde gemoderniseerd en op dezelfde hoogte doorgetrokken over de Jan Koenensloot. Op de taluds zijn Populieren geplant, wat nu een zeer markant element is. Opvallend is ook de weg van Nederlandse Aardolie Maatschappij langs de Middeltocht beplant met zware Abelen, nu in gebruik als agrarische bedrijfsweg na het saneren van de Ja- knikker. De vier wegen op de ringdijk vertrekken vanaf de Middelweg en lopen oorspronkelijk dood maar zijn nu deels doorgetrokken als recreatief fietspad. Vanuit enkele actieve boerenerven lopen moderne bedrijfswegen de open ruimte in. De schaarse bebouwing dateert van na de droogmaking, is nog grotendeels agrarisch van oorsprong en heeft veel van het karakter behouden. Pas in de 2e helft van de 20e eeuw zijn drie woningen midden in de open ruimte gebouwd nabij de Middelweg. Deze vallen niet zo op in de grote openheid. De oorspronkelijke beplanting is schaars. In open ruimte groeien maar enkele kleine verspreide bosjes en er was heel plaatselijk wat beplanting langs de kavelgrenzen vanuit het lint. De meeste beplanting staat op de erven.