3551-03 Toelichting bestemmingsplan 'Landelijk - 2
Tekst van het document
Landelijk - 2
bestemmingsplan Landelijk - 2
2
(vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen en overige ruimtelijke plannen 1.4 Opbouw van het plan
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Doel van het bestemmingsplan 2.1 Actualisatie bestemmingsplan 2.2 Plaatsgebonden ontwikkelingen
11 11 14
Hoofdstuk 3 Ruimtelijke kwaliteit 3.1 Inleiding 3.2 Ruimtelijke kwaliteit in samenhang beschouwd 3.3 Deelgebieden met hun specifieke gebiedskenmerken 3.4 Zonering van deelactiviteiten
19 19 20 43 54
Hoofdstuk 4 Beleid 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid en visies
57 57 59 61
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Bedrijven en milieuzonering 5.2 Water 5.3 Bodem 5.4 Luchtkwaliteit 5.5 Geluid 5.6 Externe Veiligheid 5.7 Natuur 5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
75 75 75 79 83 83 84 93 95
Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving 6.1 Systematiek van het bestemmingsplan 6.2 Inleidende regels 6.3 Bestemmingsregels 6.4 Algemene regels, overgangs- en slotregels 6.5 Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan
97 97 97 98 105 107
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
109 109 109
Inhoudsopgave (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Landelijk - 2
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Toelichting
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Landelijk - 2
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De landelijke overheid werkt al enkele jaren aan de invoering van de Omgevingswet. Met de komst van deze wet worden de wetten voor de leefomgeving gebundeld en gemoderniseerd. Tientallen wetten, besluiten en regelingen worden vervangen door één wet, vier AMvB's en één regeling. De Omgevingswet staat voor een goed evenwicht tussen het benutten en beschermen van onze leefomgeving. De Omgevingswet heeft tot gevolg dat ook op gemeentelijk niveau het planologisch regime verandert. De bestemmingsplannen worden straks vervangen door één omgevingsplan. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft ter voorbereiding op de invoering van de Omgevingswet besloten om al haar huidige bestemmingsplan samen te voegen tot 2 bestemmingsplannen: één voor het stedelijk gebied en één voor het landelijk gebied. Bestemmingsplan "Landelijk - 2" omvat vrijwel het gehele buitengebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het doel van dit bestemmingsplan is het actualiseren van de bestaande situatie en het harmoniseren van zoveel mogelijk planregels uit alle oudere plannen om gelijke regelgeving in gelijke situaties te krijgen. De actualisering is hoofdzakelijk beleidsneutraal. De wijzigingen die doorgevoerd worden ten opzichte van onderliggende plannen zijn in Hoofdstuk 2, paragraaf 2.1.4 uiteengezet.
Landelijk - 2 Voor het landelijk gebied is in de zomer van 2021 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Uit een nadere inventarisatie en naar aanleiding van zienswijzen is gebleken dat er nog onvolkomenheden in het ontwerpbestemmingsplan zaten. Daarom is besloten om een tweede versie van het ontwerpbestemmingsplan op te stellen, genaamd Landelijk - 2. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van versie 1 zijn beschreven in Hoofdstuk 2, paragraaf 2.1.4.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het buitengebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg ligt tussen de gemeenten Leiden, Voorschoten, Den Haag en Zoetermeer en wordt doorkruist door de A4. Het plangebied omvat de Duivenvoordecorridor, Vlietland, het gebied rondom dorpskern Stompwijk, het gebied ten noordoosten van de woonwijk Leidschendam-Zuid genaamd Leidschendammerhout, de Nieuwe Driemanspolder en het huidige landelijk gebied. De dorpskern van Stompwijk maakt geen deel uit van het plangebied. Een aantal, veelal kleinere, deelgebieden worden buiten het plan gelaten. Het betreft ontwikkelgebieden waarvoor in het verleden al een overeenkomst is gesloten met een partij en waarin is afgesproken om een afzonderlijk, op de ontwikkeling toegespitst, ruimtelijk plan te ontwikkelen.
In onderstaand figuur is het plangebied aangegeven. Het plangebied beslaat ruim 200 hectare.
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 1: Plangebied Landelijk - 2
1.3
Vigerende bestemmingsplannen en overige ruimtelijke plannen
Het bestemmingsplan Landelijk - 2 vormt het planologisch-juridisch bindende kader voor het ruimtelijk gebruik van de gronden binnen het plangebied, dat is vastgelegd op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. Voor het plangebied gelden de volgende ruimtelijke plannen: Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg (m.u.v. BP Vlietland Noordoost 2005) Een aantal wijzigingsplannen: a. Wilsveen 4; b. Wilsveen 33; c. Stompwijkseweg 29; d. Doctor van Noortstraat 191; e. Meer- en Geerweg 3a. En een aantal afzonderlijke bestemmingsplannen: Landelijk Gebied; Landelijk Gebied II; Partiële herziening BP Landelijk Gebied (Westeinderweg 8a); Meer- en Geerweg 5; Bovenmeerweg 34 en 36; Landelijk gebied Leidschendam 1978; Stompwijk; Stompwijk Verbindingsweg; Buitenvoorde; Noortheylaan 1b; Veursestraatweg 215; Wijziging tracé Hogedruk Aardgasleiding W-514-19;
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 Nieuw Essesteijn; Wilsveen 8; Wilsveen 10-10a; Wilsveen 17; Oostvlietweg 39-39a; Westeinderweg 6 en 8 2011; Oosteinde 3 plattelandswoning. Met deze herziening wordt voor nagenoeg het gehele landelijk gebied één planologisch regime geschapen, behalve voor de plannen Vlietland, delen van de Duivenvoordecorridor (anders dan de hiervoor genoemde delen zoals Buitenvoorde of Veursestraatweg 215) en Meeslouwerpolder. Voor deze plannen geldt een apart planologisch regime. Wel met dien verstande dat het plan Meeslouwerpolder momenteel wel in werking is getreden, maar nog niet onherroepelijk is.
1.4
Opbouw van het plan
Het bestemmingsplan "Landelijk - 2" is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het doel van het bestemmingsplan; In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit en visie op het plangebied; In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk niveau; In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op milieu- en omgevingsaspecten; In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op nieuwe ontwikkelingen; In hoofdstuk 7 wordt de juridische vormgeving behandeld; In hoofdstuk 8 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Landelijk - 2
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Hoofdstuk 2 2.1
Doel van het bestemmingsplan
Actualisatie bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan heeft als doel het actualiseren van de bestaande situatie en het harmoniseren van zoveel mogelijk planregels uit alle oudere plannen om gelijke regelgeving in gelijke situaties te krijgen in heel het buitengebied van Leidschendam-Voorburg. De afgelopen jaren is er sprake geweest van nieuwe wetgeving en/of gewijzigd beleid. Ondanks dat voorliggend plan zoveel mogelijk conserverend van karakter is, is in dit bestemmingsplan wel het meest recente en relevante beleid opgenomen. Bijvoorbeeld het beleid voor woningsplitsing. In deze paragraaf worden de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de onderliggende bestemmingsplannen en de eerste versie van het ontwerpbestemmingsplan beschreven.
2.1.1
Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf
De beschrijving van de ruimtelijke kwaliteit is gebaseerd op de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf uit het voormalige bestemmingsplan Landelijk Gebied 2011 en uiteengezet in Hoofdstuk 3. Daarnaast is het als bijlage bij de regels opgenomen bij artikel 46.2 onder c.
2.1.2
Besluit omgevingsrecht
Sinds 1 november 2014 gelden er andere regels met betrekking tot vergunningsvrij bouwen. De regels hiervoor zijn opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van artikel 2, van Bijlage II Bor blijft het bestemmingsplan buiten toepassing. In onderliggende bestemmingsplannen gold vaak nog een striktere regeling ten opzichte van het Bor. Om beter aan te sluiten bij het Bor zijn de volgende wijzigingen in de planregels aangebracht: De voormalige regels voor erfbebouwing zijn geschrapt en zijn vervangen door de regeling uit bijlage II van het Bor; Omdat in het Bor wordt gesproken over voor- en achtererfgebieden, vervalt de noodzaak van een aparte bestemming 'Tuin'. Daar waar een bestemming 'Tuin' gold in onderliggende bestemmingsplannen zijn de betreffende gronden toegevoegd aan de naastgelegen, bijbehorende bestemmingen; De oude terminologie van aan-, uit- en bijgebouwen is vervangen door de term bijbehorend bouwwerk. Alleen van de aanduiding 'bijgebouw' wordt vanwege geen update van de SVBP nog wel gebruik gemaakt. Voor beschermde dorpsgezichten is een dubbelbestemming opgenomen die de historische karakteristieken beschermd en de aanwezige historisch-ruimtelijke en/of cultuurhistorische waarden behoud. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Stads- en Dorpsgezicht' is het vergunningsvrij bouwen niet mogelijk. 2.1.3
Overige nieuwe regelingen
Afwijkingbevoegdheid dakterras Binnen de woonbestemmingen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het realiseren van dakterrassen welke is gekoppeld aan de beleidsnota 'Het dak op!'. Een nadere toelichting hierover is opgenomen in paragraaf 4.3.8.2.
Afwijkingbevoegdheid woningsplitsing en/ of kamerverhuur Binnen de woonbestemmingen en algemene gebruiksregels is een afwijkingsbevoegdheid voor woningsplitsing en/ of kamerverhuur opgenomen. Een nadere toelichting hierover is opgenomen in
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Landelijk - 2 paragraaf 4.3.8.3.
2.1.4
Overige wijzigingen
In het voorliggend plan zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van de eerste versie van het ontwerpbestemmingsplan.
Plangebied Het plangebied Vlietland Noordoost 2005 dat onderdeel uitmaakt van de Beheersverordening 2017 Leidschendam-Voorburg maakt geen deel meer uit van het plangebied. Binnen het plangebied Vlietland Noordoost 2005 spelen momenteel nog diverse ontwikkelingen, waaronder de inmiddels lopende planprocedure voor de doorontwikkeling van Vlietland Noord en discussie over de toekomstige planologische regeling voor de rest van het recreatiegebied. Dit behoeft dus een separate planologische procedure. Het doel van het bestemmingsplan Landelijk-2 is namelijk het zoveel mogelijk harmoniseren van de bestaande planregels, ter voorbereiding op de Omgevingswet.
Wijzigingsbevoegdheden De wijzigingsbevoegdheden zijn in de eerste versie van het ontwerpbestemmingsplan verwijderd. Dit was gedaan met het oog op de Omgevingswet, waarin de mogelijkheid tot het opstellen van een wijzigingsplan komt te vervallen. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn weer opgenomen. Alleen de (oude) provinciale Ruimte-voor-ruimte regeling is in bestemmingen Agrarisch en Agrarisch-Glastuinbouw niet meer teruggekomen. De provincie hanteert nu immers ook andere criteria om planologisch mee te werken aan het wijzigen van de agrarische bestemming naar wonen. Alhoewel de algemene mogelijkheid tot het opstellen van een wijzigingsplan vervalt onder de Omgevingswet en hiervoor een wijziging van het omgevingsplan benodigd is (bevoegdheid raad), kan de gemeenteraad een delegatiebesluit nemen waarin het college bevoegd is om het omgevingsplan te wijzigen op grond van een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in de bestemmingsplannen. Hiermee wordt hetzelfde bereikt qua procedure en is het niet benodigd om de wijzigingsbevoegdheden te schrappen. Bij het opstellen van het definitieve omgevingsplan dient wel bezien te worden op welke manier de wijzigingsbevoegdheden landen in het omgevingsplan.
Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf In de eerste versie van het ontwerpbestemmingsplan was heel specifiek de waarde per gebied bepaald, maar dit was geen beleidsneutrale overgang van de voorheen geldende bestemmingsplannen naar dit bestemmingsplan Landelijk-2. Dit is aangepast door alleen de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie' op te nemen om de binnen het plangebied cultuurhistorische kwaliteiten te borgen en te beschermen. Verder is in de algemene afwijkingsregels (artikel 46.2 onder c.) een verwijzing naar Bijlage 6 Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen. Dit is in lijn met de huidige praktijk om bij het toetsen van aanvragen omgevingsvergunningen in strijd met het huidig bestemmingsplan, getoetst wordt aan de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf.
Bouwvlakken en aanduidingen In de eerste versie waren niet alle bouwvlakken en (specifieke) bouw- en functieaanduidingen volledig overgenomen. In onderhavige versie is dit zoveel mogelijk op de verbeelding geregeld met bouwvlakken en de bewuste aanduidingen.
Cultuur en ontspanning
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
De bestemmingsomschrijving voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden is gewijzigd ten behoeve van een vlinderjungle, ondergeschikte horeca en daarbij behorende voorzieningen zoals een terras.
Bestemming Wonen en Groen In de eerste versie hadden de woonpercelen de bestemming 'Wonen-grondgebonden'. De naam van de bestemming is in onderhavige versie gewijzigd naar 'Wonen-grondgebonden-buitengebied'. Daarnaast is voor het perceel Wilsveen 17 een nieuwe bestemming opgenomen, genaamd 'Wonen- Grondgebonden buitengebied 2'. Dit perceel heeft in het geldende plan een specifieke regeling. Deze is daarom omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid als een aparte bestemming opgenomen. Volgens eenzelfde motivering is voor het perceel Doctor van Noortstraat 3 de bestemming 'Wonen-grondgebonden-buitengebied 3' in de planregels opgenomen. In onderhavige versie is tevens een een bestemming 'Groen- 1' opgenomen. Dit heeft te maken met de specifieke regeling die is overgenomen uit het bestemmingsplan Stompwijk - Verbindingsweg, waarover ten tijde van dat bestemmingsplan specifieke afspraken zijn gemaakt.
Plaatsgebonden ontwikkelingen waarvoor een wijziging naar omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking is verleend, zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Ten opzichte van de eerste ontwerpversie is aan de tweede ontwerpversie 'De Groene Horsten' toegevoegd. Verder zijn er aanpassingen doorgevoerd op de verbeelding wat betreft de woningbouw ontwikkeling 'De Coulissen', waarvoor het bestemmingsplan Buitenvoorde de planologische basis vormde.
De Groene Horsten De Groene Horsten is een woningbouwontwikkeling waarvoor een buitenplanse omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van 7 woningen. Het perceel is gelegen in de noordelijke hoek van de Noortheylaan en de Veursestraatweg achter de nummers 201 - 211. De ontwikkeling is ingetekend op de verbeelding conform de vergunde omgevingsvergunning.
Buitenvoorde / De Coulissen Tijdens het bestemmingsplan proces voor de woningbouw ontwikkeling de Coulissen is er wat ruimte ingebouwd in het bestemmingsplan Buitenvoorde om qua ontwikkel mogelijkheden nog wat kleine schuifruimte te hebben. Inmiddels zijn de woningen vergund en is het van belang om de gerealiseerde kwaliteiten te bewaken. Een van de belangrijkste kwaliteiten is gestrooide losse volumes in een groen bosveld. Het realiseren van bijbehorende bouwwerken doet daar afbreuk aan. Om de kwaliteit te borgen zijn de bouwvlakken in onderhavig bestemmingsplan aangepast en zijn de bouwvlakken ingetekend conform de verleende omgevingsvergunning.
Parkeerregeling Op grond van de op 29 november 2014 in werking getreden 'Reperatiewet BZK' zijn op 1 juli 2018 de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening vervallen. Een van de voorschriften betreft het realiseren van voldoende parkeer-, laad- en losmogelijkheden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bestemmingsplannen vastgesteld na 29 november 2014 dienen een parkeerregeling te bevatten. Veel van de onderliggende bestemmingsplannen zijn vastgesteld voor deze datum. Dit bestemmingsplan bevat in artikel 43.2 derhalve een dynamische verwijzing naar de vastgestelde Nota Parkeernormen.
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Landelijk - 2
2.2
Plaatsgebonden ontwikkelingen
Dit bestemmingsplan maakt een tweetal ontwikkelingen mogelijk. Voor deze ontwikkeling is al de nodige ruimtelijke onderzoeken verricht en is vanuit planologisch oogpunt beoordeeld dat de ruimtelijke ontwikkelingen toelaatbaar is. De eerste ontwikkeling betreft de realisatie van een weidevogelgebied in de Meerpolder tussen Stompwijk en Zoetermeer, een project van gemeente Leidschendam-Voorburg, gemeente Zoetermeer, het Hoogheemraadschap van Rijnland en provincie Zuid-Holland. De tweede ontwikkeling betreft het planologisch overnemen van de warmtetransportleiding uit het provinciaal Inpassingsplan WarmtelinQ Rijswijk-Leiden en aanlandlocatie in dit plan. Dit inpassingsplan is op 12 juni 2024 door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgesteld. In de eerdere ontwerpversie van het bestemmingsplan was ook een derde ontwikkeling opgenomen. Dit betrof de Stompwijkseweg 20c, waarbij een herinrichting van het erf en nieuwe voorzieningen voor mens en dier werden beoogd. Echter is deze ontwikkeling uit onderhavige versie gehaald vanwege het verzoek van initiatiefnemer om de aangevraagde planologische wijziging in te trekken. In de navolgende paragraaf wordt nader ingegaan op de ontwikkeling en de toetsing van de ontwikkeling aan relevante omgevingsaspecten.
2.2.1
Weidevogelgebied Meerpolder
In de Meerpolder tussen Stompwijk en Zoetermeer ligt Weidevogelgebied Meerpolder. Hoofddoel van het plan Weidevogelgebied Meerpolder is om de natuurwaarden te versterken en om tegelijkertijd de structurele wateroverlast op de weilanden op te lossen. Het is daarmee een win-win project voor zowel de natuur als de agrarische bedrijfsvoering:
14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Agrarische bedrijfsvoering behouden en verbeteren De dubbelfunctie van het weidevogelgebied als waterberging zorgt voor het drooghouden van de omliggende weilanden; Het weidevogelgebied zelf blijft in agrarisch beheer. Dit zal minder intensief zijn dan daarvoor waardoor de opbrengst zal verminderen maar dit wordt ruimschoots gecompenseerd door het beëindigen van de structurele wateroverlast in de omliggende weilanden. De landschapswaarden behouden en versterken De kenmerkende kavel- en slotenpatronen zijn verwerkt in het herinrichtingsplan waardoor het historische landschap beleefbaar blijft; Het historische hakhoutbosje ter plekke blijft behouden; De oorspronkelijke openheid van het landschap wordt hersteld door het kappen van later aangeplante bomen (aangeplant 2e helft 20e eeuw bij de aanleg van de oliewinningslocaties van de NAM). Eerste aanleiding om te kappen is dat deze bomen uitkijkposten zijn voor predatoren waardoor er geen overlevingskansen zijn voor de eieren, de jonge weidevogels en soms zelfs de oudervogels Natuurwaarden In het weidevogelgebied worden de natuurwaarden geoptimaliseerd voor weidevogels die op de Rode Lijst staan zoals de grutto. Onderdeel hiervan is het herstellen van de vroegere rijkdom aan kruiden om de hoeveelheid insecten te vergroten.
Het teruglopen van de insecten is, naast predatie, de belangrijkste oorzaak van het langzaam maar zeker uitsterven van de weidevogels.
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 2: Weidevogelgebied Meerpolder
De ontwikkeling is passend binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Voor onder andere het dempen van water, het wijzigen van de kruidlaag en het realiseren van de beoogde 'keverbanken' is een aanlegvergunning vereist (reguliere Wabo-procedure).
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
2.2.2
Inpassingplan WarmtelinQ Rijswijk-Leiden en aanlandlocatie
Provinciale Staten van Zuid-Holland (PS) hebben op 22 september 2021 besloten om voor de warmtetransportleiding tracé Rijswijk -Leiden een provinciaal inpassingsplan (PIP) op te gaan stellen inclusief een MER. In dat kader wordt het plan-m.e.r. voor het PIP gecombineerd uitgevoerd met een project-m.e.r.. De provincie heeft als beleidsbeslissing geformuleerd om zich in te zetten voor de realisatie van een bovenregionale warmte-infrastructuur. Daarmee is WarmtelinQ van provinciaal belang. Naast een PIP, zullen voor de aanleg van de leiding nog andere vergunningen en besluiten nodig zijn van andere bevoegde gezagen. Omdat het project om een regionaal warmtetransportnet te realiseren van provinciaal belang is, hebben PS voor het project de provinciale coördinatieregeling (PCR) uit de Wro van toepassing verklaard. Hierdoor wordt besluitvorming over het PIP samen met besluitvorming door overige bevoegde gezagen, voor bijvoorbeeld vergunningenprocedures, met elkaar gecoördineerd al dan niet in verschillende clusters van vergunningen. Op 10 mei 2023 is dit door Provinciale Staten van Zuid-Holland besloten. De Crisis- en herstelwet is van toepassing op WarmtelinQ Rijswijk – Leiden en de aanlandlocatie.
Die geldt namelijk voor alle besluiten die nodig zijn voor de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie en bovendien ook voor alle projecten waarvoor een provinciaal inpassingsplan wordt opgesteld. Daarbij gaat het om de besluiten over het inpassingsplan en de benodigde vergunningen (zie afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet). Het provinciaal inpassingsplan WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie zal de gemeentelijke bestemmingsplannen binnen het plangebied van het inpassingsplan vervangen bij enkelbestemmingen en aanvullen voor de dubbelbestemmingen. Daardoor kunnen de warmtetransportleidingen, het pompstation, de piek- en backup-installatie en het warmteoverdrachtstation op de aanlandlocatie en de andere technische voorzieningen worden gerealiseerd en wordt de leiding beschermd tegen onwenselijke ingrepen zoals activiteiten waarvoor ingrepen in de bodem nodig zijn (indrijven van objecten in de bodem, graafwerkzaamheden, het planten van diepwortelende bomen en dergelijke). Voor dit bestemmingsplan is een dubbelbestemming in de planregels en op de verbeelding toegevoegd.
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 3: topografische weergave gemeente Leidschendam-Voorburg, projectgebied globaal in rood weergegeven (bron: gemeentenatlas.nl)
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijke kwaliteit
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied die voorheen was opgenomen in de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf. Deze paragraaf gold als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied'. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.1 is de Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen als bijlage bij de regels en zijn de waarden beschreven in deze toelichting. Zie hiervoor artikel 46.2 onder c. De kwaliteit vormt mede de onderbouwing om al dan niet planologisch medewerking te verlenen aan het afwijken van dit bestemmingsplan. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit een beschrijving van de ruimtelijke kwaliteit op drie niveaus: structuren, bouwstenen en deelgebieden. Bij structuren wordt onderscheid gemaakt tussen nationaal en regionaal schaalniveau en lokaal schaalniveau. Op nationaal en regionaal schaalniveau wordt in paragraaf 3.2.1 de relatie tussen omliggende steden en het landelijk gebied aangehaald. Op lokaal schaalniveau wordt het landelijk gebied opgedeeld in zes hoofdtypen van structuren, dit zijn de dragers van het landelijk gebied, dit wordt nader beschreven in paragraaf 3.2.2. De hoofdtypen zijn: 1. Lintdorpen en lintwegen 2. Dijken en keringen 3. Waterstructuren 4. Weidegronden 5. Landpaden en kerkepaden 6. Markante punten, wegen en zichtlijnen Deze hoofdtypen worden verder uitgewerkt in kwaliteiten en beleving, bedreigingen en wensbeelden.
Om bovengenoemde dragers van het landelijk gebied te behouden en te beschermen zijn deze met een dubbelbestemming cultuurhistorie aangeduid. De zes hoofdtypen van structuren zijn weer doorvertaald naar specifieke locaties waarbij per deellocatie een overzicht van de ruimtelijke kenmerken wordt gegeven. Bij bouwstenen in paragraaf 3.2.3 wordt een onderscheid gemaakt in archeologische, bouwkundige en beplantingsbouwstenen. Deze bouwstenen vormen de basis voor de opbouw van het gebied. Naast de waarneembare ruimtelijke kwaliteiten van het landschap zijn er ook de verborgen kwaliteiten uit het verleden. Deze komen naar voren in de archeologische bouwsteen in paragraaf 3.2.3.1. Ruimtelijke kwaliteit en archeologie zijn soms nauw verbonden, omdat de huidige structuur geleidelijk aan ontstaan is in de loop van de tijd. Om grip te kunnen krijgen op de vaak onzichtbare en nog niet bekende archeologische monumenten heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg in 2013 een analyse laten maken van de landschappelijke kenmerken van bekende nederzettingen (RAAP, 2013). Deze vindplaatsen en verwachtingen komen terug als archeologische bouwsteen. In de bouwkundige bouwsteen in paragraaf 3.2.3.2 wordt ingegaan op de kwaliteit van de aanwezige bebouwing in het gebied. In paragraaf 3.2.3.3 wordt nader ingegaan op de kwaliteit van de aanwezige beplanting in het gebied.
Ten slotte wordt in paragraaf 3.3 een verdeling gemaakt in negen deelgebieden. Met kenmerkende structuren en bouwstenen wordt de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied beschreven. De specifieke structuren en bouwstenen komen hier samen en vormen acht onderscheidende deelgebieden van het landelijk gebied. Naast de onderverdeling in structuren, bouwstenen en deelgebieden kan het plangebied worden onderverdeeld in verschillende zones waarin, afhankelijk van de locatie, verschillende deelactiviteiten of vervolgfuncties mogelijk zijn. De zonering van deelactiviteiten wordt beschreven in paragraaf 3.4.
Toelichting (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Landelijk - 2
3.2
Ruimtelijke kwaliteit in samenhang beschouwd
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke kwaliteiten van het landelijk gebied beschreven van groot naar klein: Nationaal en regionaal schaalniveau: open ruimten en kwaliteit van de horizon; Lokaal structuurniveau: linten, dijken en waterlopen; Bouwstenen: erven, dammen en beplantingen, maar ook ondergrondse bouwstenen. Deze aspecten zijn op zichzelf relevant. Echter kan het landelijk gebied pas echt goed begrepen worden als ze in samenhang worden bekeken. Op het hoogste niveau speelt de samenhang van open ruimten en de kwaliteit en zichtbaarheid van de horizon met de omringende stadsranden. Daarbinnen zijn de opvallende structuren van de linten, de dijken en watergangen. Deze structuren worden weer gekenmerkt door een verscheidenheid aan bebouwde en onbebouwde elementen. Sommige van deze elementen hebben een markante en beeldbepalende uitstraling, dat zijn de bouwstenen. Hiertoe behoren de bruggen aan de Stompwijkse Vaart en Doctor van Noortstraat, de meidoornhagen, de Laurentiuskerk met kerkbos, de Molendriegang en begraafplaats Wilsveen. 3.2.1
Nationaal en regionaal schaalniveau
Het landelijk gebied van Leidschendam-Voorburg heeft een bijzondere positie als kruispunt van twee op nationaal en regionaal niveau belangrijke landschappelijke gebieden: Het Groene Hart en de Duivenvoordecorridor. Het is de laatste vrijwel intacte landschappelijke verbinding van het veenweidegebied met de Noordzee. Daarnaast is een essentieel hoofdkenmerk dat de horizon voor een deel niet dominant verstedelijkt is waardoor het een opvallende groene enclave is in de Randstad. Er is sprake van een duidelijke hiërarchie in open ruimten: Duivenvoordecorridor: kleinschalige groene open ruimten tussen bebouwingen, bosschages, landgoederen en kassen. De open ruimten zijn tussen de 100 meter en 500 meter groot; Vlietzone: open agrarisch gebied aangevuld met open ruimten van plassen. De open ruimten zijn globaal tussen de 800 meter en 2 kilometer groot; Droogmakerijen en veenweidegebied: open agrarisch gebied van enkele kilometers groot. Het noordoostelijke agrarisch gebied sluit direct aan op het Groene Hart, waar open gebieden voorkomen met een lengte van 10 kilometer en meer. In deze gebieden zijn de verschillende fasen van het cultuurhistorische gebruik goed afleesbaar. Het grote, onbewoonde veengebied is rond de 11e eeuw ontgonnen. Vanuit de ontginningsbasis begon de verkaveling. Dit waren oorspronkelijk vaarten waar later ook wegen liepen.
Vanaf de 15e eeuw tot midden 19e eeuw zijn grote oppervlakten uitgegraven voor de turfwinning. Er ontstonden grote plassen. Deze werden drooggemalen tot de nog bestaande droogmakerijen. Dit had grote gevolgen voor de ruimtelijk structuur. Zo verdween een groot deel van het dominante dorp Wilsveen.
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 4: Hiërarchie open ruimten
Kwaliteit en beleving van de horizon Het gebied bevindt zich te midden van grootstedelijke kernen, onder andere Den Haag, Leiden en Zoetermeer. Deze randen hebben een grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de groene ruimte. Ze vormen een duidelijke begrenzing en geven aan de verschillende ruimten een eigen maat en identiteit. De horizon van het gehele plangebied is gevarieerd. Aan de west- en zuidzijde bestaat de horizon uit stedelijk gebied (Leidschendam, Leidschenveen, Waterland, Zoetermeer en Den Haag), aan de oostzijde ligt Zoeterwoude-Dorp en gaat het gebied over in het Groene Hart. Daarnaast bevinden zich bosschages en doorgaand open landschap aan de horizon. Op grotere afstand zijn hier en daar fragmenten van historische skylines waarneembaar, zoals die van Leiden en Delft. Van belang voor de beleving van de open ruimten is de textuur van de weiden. Bij slagenverkaveling worden de lange optrekkende percelen gescheiden door sloten. Het microreliëf in het plangebied is cultuurhistorisch waardevol en komt dus voort uit het ontginningsproces maar ook door veel oudere kreekruggen in de bodem. Van oudsher zijn weinig bosschages in het gebied aanwezig waardoor grote openheid een basiskenmerk is. Wel is op veel plekken de oorspronkelijke rijenbeplanting, die vanuit de linten langs de optrekkende kavelgrenzen tot ongeveer 100 meter de open ruimte in reikten, verdwenen.
Bedreigingen De openheid van het landschap staat onder druk door verdichting als gevolg van de bouw van huizen, kassen en bedrijven. Ook worden de oppervlakten van huiskavels steeds groter. De openheid wordt minder goed beleefbaar doordat bebouwing van de omliggende steden steeds hoger wordt. De authentieke horizon wordt steeds beperkter van omvang door stedelijke bouwactiviteiten. De skyline van de steden is op zich een waardevol contrast maar dit mag niet te dominant worden. Hoogbouw tot in Den Haag is zichtbaar vanuit het gebied. Nieuwe beplanting kan de openheid aantasten. Bosschages ten behoeve van recreatiegebieden verkleinen lokaal de doorzichten naar omringend en achterliggend landschap. Het aantal paarden in het landelijk gebied neemt sterk toe. De bijbehorende ophogingen en egaliseringen verminderen het microreliëf en het landschapsbeeld verandert door het graasgedrag. Beide processen hebben negatieve effecten voor de weidevogels. Wensbeeld Het is gewenst dat de kenmerkende grote openheid aanwezig blijft samen met een “open horizon”. In de
Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Landelijk - 2 richting van het Groene Hart is dit essentieel. Richting Leidschendam- Voorburg, Den Haag en Zoetermeer ontstaat een nieuwe stedelijke horizon. Het contrast in horizonten, dat de laatste decennia is ontstaan, kan ook als een kwaliteit onderkend worden. De open maten zijn een fraai contrast met het stedelijke gebied en bovendien een voorwaarde voor beleving van de cultuurhistorische betekenis. Toch kan het gebied niet op slot, omdat er ontwikkelruimte moet worden gezocht als onderdeel van een nieuw verdienmodel bij vrijkomende agrarische bedrijven (vab's). Een ander voorbeeld is de ontwikkelruimte die nodig is ten behoeve van het houden van paarden. Het is gewenst om bij de situering rekening te houden met de hiërarchie van open ruimten en derhalve de grote waarden van de openheid van de Zoetermeersche Meerpolder en het oostelijke poldergebied te behouden. De algehele wens voor het buitengebied is het behoud van streekeigen kwaliteiten; bebouwing en beplanting. Daarnaast is behoud van het authentieke landschap en daarmee het weidevogel microreliëf gewenst. Daarom moet worden voorkomen dat te grote grasland-arealen worden begraasd door paarden. Hiervoor zijn randvoorwaarden ten behoeve van weidegang opgenomen in het paardenbeleid "Schaken met paard en landschap".
Nieuwe ontwikkelingen in de randen houden rekening met de belevingswaarde van de integrale landschappelijke kwaliteit. Dit betekent een zorgvuldige inpassing naar locatie en uitvoering met aandacht voor achtergronden en verbindingen tussen de open ruimten. Verdichtende ontwikkelingen in het westelijke poldergebied kunnen gesitueerd worden als coulissen voor de randen met dynamische stedelijke bouwintensiteiten.
Figuur 5: Horizonkwaliteitskaart 3.2.2
Lokaal structuurniveau
Voor de aantrekkingskracht van het gebied is de situering en verschijningsvorm van de landschappelijke structuren cruciaal. Hierin is ook het “geraamte” van de cultuurhistorische identiteit vastgelegd. Dit blijkt onder meer uit de historische structuren van het cultuurlandschap met haar gevarieerde lijnvoering van wegen en watergangen. Deze historische detaillering is medebepalend voor de authentieke uitstraling van het gebied. Op lokaal niveau worden zes hoofdtypen van structuren onderscheiden. Navolgend wordt hier op ingegaan.
22
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2
3.2.2.1 Lintdorpen en lintwegen Kwaliteiten en beleving De oude bewoningslinten zijn de middeleeuwse ontginningsbases die werden aangelegd vanaf de 11e eeuw. Deze oude lijnen bepalen nog steeds de hoofdindeling van het landschap. Ze begonnen meestal als een brede vaart met bebouwing in wisselende dichtheid. Oorspronkelijk was deze bebouwing veel dichter dan tegenwoordig. Later werden langs de vaarten wegen aangelegd. Bebouwing buiten deze linten komt in het gebied nauwelijks voor. De oude wegen zijn vrij smal (3 tot 4,5 m) en hebben soms knikken of scherpe hoeken (zogenaamde ´bajonetten´). Door de lage dichtheid van het wegennet zijn grote gebieden niet ontsloten en hebben hierdoor een grote mate van rust. De traditionele bebouwing bestaat uit boerderijclusters en wat kleinere woonhuizen, oorspronkelijk bedoeld voor landarbeiders of boeren in ruste. De boerderijen hebben langgerekte agrarische opstallen met een oriëntatie loodrecht op de weg. Uitzondering hierop zijn erven die niet aan de weg liggen maar aan de overzijde van een vaart op de dijk waardoor een uitbreiding in de breedte op de dijk mogelijk was. Langs de linten is sprake van een enkelzijdige oriëntatie, op de weg of de vaart en niet (zoals bij erven) op het landschap. De woningen verspringen qua rooilijn en zijn hier en daar gedraaid, zodat het afwisselende beeld wordt versterkt.
De woningen hebben relatief diepe achtertuinen. Deze diepte is gerelateerd aan de diepte van het dijktalud. De lokale term Stompwijks bouwen staat voor de traditionele, kleinschalige gebouwen met één laag en een schuine kap. Deze krachtige kapvormen en landschappelijk materiaalgebruik karakteriseren de bebouwing in het buitengebied. Karakteristiek voor de linten is verder dat tussen de verspreide bebouwing veel doorkijkjes zijn naar het weidse landschap. De linten zijn door de opgaande erfbeplantingen groene lijnen in het landschap en zorgen voor het opdelen van dit landschap in verschillende ruimtes. Vooral de laatste vijftig jaar is aan de linten afwijkende bebouwing toegevoegd voor wonen en bedrijven zoals glastuinbouw of transport. Maar het traditionele beeld is nog in hoofdzaak dominant. Op een beperkt aantal plaatsen liggen nog kassen. Het beleid is gericht op het saneren van de verspreide glaslocaties zodat alleen het concentratiegebied bij de kern van Stompwijk overblijft. De trend van de laatste jaren is wel een groeiende behoefte om oude bebouwing te moderniseren door afbraak en herbouw. Het karakter van linten kan in dit geval alleen behouden blijven als uitgegaan wordt van het 'Stompwijkse bouwen' waarbij het traditionele en streekeigen karakter leidraad en inspiratiebron is.
In het plangebied zijn de Stompwijkseweg, het Wilsveen, de Ondermeerweg en het Oosteinde de belangrijkste lintwegen. Vooral waar de weg op een dijk ligt zijn panoramische uitzichten mogelijk op het landschap. Tussen de wat dichte bebouwing zijn veel karakteristieke doorkijkjes. Op een aantal plaatsen is een zicht mogelijk op de zij- en achterkanten van de erven, die vaak een rafelige uitstraling hebben. Uniek kenmerk van het gebied zijn de zeldzame geschoren meidoornhagen langs een aantal linten. Deze waren bedoeld om vee tegen te houden en staan daarom uitsluitend langs de dijkwegen aan de zijde waar geen watergang (dus geen natte veekering) lag. Het profiel en materiaalgebruik van de meeste lintwegen is in de loop van de tijd aangepast aan veranderd gebruik en vervoer. De oorspronkelijk onverharde wegen werden eerst halfverhard, kregen vervolgens een middenstrookje van klinkers tegen de erosie van paardenhoeven en werden toen volledig verhard met gebakken klinkers. Dit laatste authentieke beeld is alleen nog intact in de kern van Stompwijk. Nog authentieker is het doodlopende Oosteinde dat als enige weg in de omtrek nog het originele profiel heeft met een halfverharding. Vanwege de afgelegen locatie noemen de omwonenden het de Hel.
Ander opvallend authentiek relict is de zeer gave onverharde toegangsweg naar een verdwenen boerderij-erf vanaf de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder (Meer en Geerweg). Alle overige wegen hebben een moderne verharding met betonklinkers of asfalt. Behalve het Wilsveen en het recente Oosteinde zijn bijna alle wegen te smal geworden voor landbouwvoertuigen en/of inhaalmanoeuvres.
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 6: Het lint Stompwijkseweg Bedreigingen De trend van de laatste jaren is een groeiende behoefte om oude bebouwing te moderniseren door afbraak en herbouw. Het karakter van linten kan in dit geval alleen behouden blijven als uitgegaan wordt van het 'Stompwijkse bouwen' waarbij het traditionele en streekeigen karakter leidraad en inspiratiebron is. Er zijn veel kleinschalige woningen die niet monumentwaardig zijn maar samen wel beeldondersteunend. Deze worden steeds vaker vervangen door nieuwbouw, waarmee de oorspronkelijk identiteit van het gebied verloren dreigt te gaan. Bij nieuwbouw en herinrichting van erven wordt vaak niet streekeigen ontworpen waardoor het karakteristieke landschapsbeeld gaandeweg veranderd. Streekeigen bruggen verdwijnen. Nieuwe leuningen krijgen een stedelijke uitstraling. Kenmerkende ophaalbruggen worden vervangen door bruggen zonder opbouw. Aanterpen. Onder aanterpen wordt verstaan dat (bij de bouw van nieuwe woningen) een zodanige grote hoeveelheid grond tegen het dijktalud wordt aangebracht dat daarmee het kenmerkende profiel van de dijk wordt aangetast. Dichtbouwen van doorzichten. Met een verdere verdichting wordt het steeds moeilijker het afwisselende beeld naar het open landelijke gebied te ervaren. Niet-passende architectuur of schaal van nieuwbouw. Authentieke beplanting verdwijnt.
De kwaliteit van de lintwegen staat onder druk door meer en zwaarder verkeer. Het wegprofiel wordt steeds breder met allerlei verkeersmaatregelen zoals drempels, belijningen en bebakening, waardoor de verkeerstechnische uitstraling toeneemt en de cultuurhistorische en landschappelijke betekenis wordt ondermijnd. Vooral op kruisingen groeit een woud van borden. Ook de uitstraling van de verharding speelt belangrijke rol. De beleving wordt verminderd door de opzet en architectuur van nieuwe bebouwingen en bedrijven, die in een aantal gevallen een rommelige voorzijde hebben. Verharding en meer stedelijk georiënteerde erfinrichting contrasteren met de agrarische oorsprong van de gebouwde omgeving. Bruggen en houtwerk van boerderijen 'vergroenen'. Terwijl tot in de 19e eeuw maar een paar kleuren werden gebruikt: loodwit, blauwgrijs, ossenbloedrood en lichtgroen, wordt Oudhollands groen steeds
24
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 meer toegepast. Dat dateert echter uit het begin van de 19e eeuw. Wensbeeld linten Richten op de versterking van het cultuurhistorische karakter van de polderlinten door uit te gaan van het 'Stompwijkse bouwen' en door herinrichting van de wegen. Het tegengaan van de verrommeling, onder andere door het saneren van de verspreide glaslocaties, is eveneens van belang. Bouwwerken moeten zich voegen in het bestaande ruimtebeeld. Dat betekent bijvoorbeeld dat bij woningen aan een dijk, indien zij niet in de “eerste lijn” zijn gebouwd, het profiel van de dijk moet worden gerespecteerd. Een perceel voor nieuwbouw op zodanige afstand van de dijk dat het pand deel is van het open landschap wordt dus niet verhoogd. Bouwwerken als onderdeel van een bebouwingscluster (a dienen zich te voegen naar het groepsbeeld van dat cluster. Bijbehorende bouwwerken en extra woningen bij agrarische erven worden binnen het bestaande erf gerealiseerd waarbij de nieuwbouw de maat en schaal moet hebben van agrarische bebouwing. Volumeopbouw respecteert het onderscheid van voorhuis, achterhuis, schuren en dergelijke. Zorgvuldige detaillering is gewenst en van duurzame kwaliteit. Een op zichzelf staande architectuur is mogelijk mits in verhouding tot het weefsel van het lint. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost (Ontwikkelvisie Stompwijk).
De ophaalbruggen worden behouden of zelfs teruggebracht. Dijk(profiel)en blijven bewaard. Het behouden en terugplaatsen van meidoornhagen, populieren, geriefhout/hakhoutbosjes en andere kenmerkende beplanting van de linten. Wensbeeld randen en 'achterkanten' van de linten Bestaande doorzichten over erven blijven behouden. Oriëntatie en situering. Er is sprake van een dubbele oriëntatie, op het erf en het landschap. De woningen (schuren) zijn losse gestrooide objecten in de ruimte en zijn overwegend in de lengte gesitueerd in de richting van het slagenlandschap. Het karakter van het landschap wordt medebepaald door de boerenerfbebouwing, die de rafelrand naar het polderlandschap vormt. Deze bebouwing heeft forse eenduidige bouwvolumes, een herkenbare architectuur, herkenbaar materiaalgebruik en heldere situering. Daarnaast heeft de bebouwing een oriëntatie op het erf met zichten op de polders. Het is belangrijk om het karakter van boerenerven te versterken door de relatie met het omliggende landschap centraal te stellen. De kwaliteit en beleving vanaf de lintwegen en door de inrichting van de weg zelf is een cruciale factor in de realisatie van het wensbeeld van de gemeente om het authentieke karakter in stand te houden en de bereikbaarheid voor langzaam verkeer te bevorderen.
De unieke meidoornhagen zijn hier een strategisch onderdeel van en worden opgeknapt en herplant waar deze verdwenen zijn. Dit wensbeeld dient te worden vertaald in een goed plan voor de verkeerscirculatie met bijbehorende low-profile verkeerstechnische uitwerking. Daardoor ontstaat een basis om de huidige ruimtelijke kwaliteiten te behouden en het cultuurhistorische karakter te versterken. Door toepassing van streekeigen wegprofielen, bouwvolumes en materialen kan de cultuurhistorische kwaliteit worden versterkt. Ook erfbeplanting draagt hieraan bij. Leibomen, solitairen en/of hagen aan de voorzijde van het erf en singels, bomenrijen of boomgaarden aan zij- en achterzijden complementeren het afwisselende dorpse en agrarische beeld. Voor niet-agrarische bebouwing is behoud van oorspronkelijk karakter van burgerwoningen in maat en detaillering wenselijk. Niet-agrarische bedrijven en verspreid liggende kassen zoveel mogelijk weren en kansen voor verplaatsing naar bedrijventerreinen benutten en stimuleren. De Ruimtelijke kwaliteitsparagraaf bestemmingsplan Landelijk gebied is als een dynamische verwijzing opgenomen in artikel 46.2 onder c als een algemene afwijkingsregels. Bij een aanvraag die afwijkt van het bestemmingsplan, wordt de bescherming en het behoud van de aanwezige cultuurhistorische linten binnen het plangebied geborgd.
Elk lint heeft zijn eigen kenmerkende waarden en behoudenswaardigheden. Met de dubbelbestemming zijn de aanwezige waarden en
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Landelijk - 2 behoudenswaardigheden per lint in één algemene dubbelbestemming opgenomen. Per lint zijn de volgende waarden kenmerkend en behoudswaardig: Stompwijkseweg De Stompwijkseweg doorsnijdt het gebied in de lengterichting. Het is tegenwoordig het meest dominante lint in het gebied met een lengte van 7 km tussen Leidschendam en Zoeterwoude. Kenmerkend voor dit lint is: De kilometerslange structuur met de vele (ophaal)bruggen en de steile kade aan de wegzijde. De entree onder het viaduct van de A4 (opeens zicht op openheid, daarna beslotenheid van buurtschap met rommelig voorkomen). Nagenoeg aaneengesloten eenvoudige, individuele bebouwing met hier en daar 19e-eeuwse boerderijen en vroeg 20e-eeuwse huizen in Neo Renaissance (sierbanden, sluitstenen) of Expressionisme (grote kappen, golvend metselwerk). Met name bebouwing aan de noordkant van de Stompwijkse Vaart is kenmerkend voor dit veenontginningslint. De zuidkant is meer aaneengesloten met eenvoudige dijkwoningen en voornamere panden zoals de kerk en de herberg. Doorzichten naar het dieperliggende open landschap. Het zicht op de molendriegang. De authentieke gebakken klinkers in de kern van Stompwijk. De nog vrij grote lengtes met de cultuurhistorisch waardevolle meidoornhagen. De knik in de weg (bajonet). De entree van Stompwijk met aangrenzende kassenlocatie.
Het Wilsveen Het Wilsveen, ooit het dominerende lintdorp, is door de veenwinning sterk gekrompen en heeft daardoor in verhouding een wat minder structurerende betekenis. Het ligt in een hoek van het gebied en wordt begrenst door de Nieuwe Driemanspolder. Cultuurhistorisch gezien is het een zeer waardevol dorpslint. Kenmerkend voor dit lint is: Het beginpunt bij de hoogtesprong in de Veenweg die hoog op de Landsscheiding ligt en het eindpunt in het open landschap met een lichte knik bij de gemeentegrens met Zoetermeer waarna de historische bebouwing weer begint. De hoogteverspringing in de weg bij de molenboezem. De knikken in de weg richting Zoetermeer (bajonet). De passage nabij de Kostverlorenweg over de oude molentocht van de verdwenen molendriegang. Karakteristieke Ligusterhagen bij de hoogtesprong. Zicht op de molendriegang en het laatste gave deel van de landscheidingsdijk. Ondermeerweg Het opvallende lint in de zeer gave droogemaakte Geer- en Kleine Blankaardpolder onderscheidt zich door de afwijkende oriëntatie van de bebouwing die grotendeels boven op de dijk ligt. De woningen zijn niet op de rondlopende Ondermeerweg georiënteerd, maar naar buiten op de ringvaart. Oorzaak is zeker bij de zuidelijke bebouwing dat deze dateert van voor de vervening en de droogmaking eind 19e eeuw.
De bebouwing is nog altijd schaars en ligt vrijwel geheel langs de boezemkaden zodat de centrale open ruimte nog een aaneengesloten geheel is. Pas in de loop van de 20e eeuw zijn de boerenerven uitgebreid naar de overzijde van de weg, waaronder een klein kassencomplex en enkele woningen, met als gevolg een plaatselijk wat verrommeld beeld. Kenmerkend voor dit lint is: Het weidse uitzicht bij binnenkomst (vanaf de ringdijk) van de polder. Afwijkende oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing met de gevel naar de ringvaart. Een markant stoomgemaal uit 1865 op de ringdijk; Ondermeerweg 4 en 6. De gedempte aanzetten van sloten van de Ommedijkse Watering (nu een dijk langs de watergang)
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 die vanaf de 18e eeuw zo gerealiseerd zijn. De grenspaal uit 1784 met de woorden 'Stompwyk' en 'Soeterwoude' (bij huisnummer 10). Oosteinde/Jan Koenenweg/Middenweg Het Oosteinde vormt een belangrijke ontsluiting in de richting van Zoeterwoude. De omgeving is veel natter omdat hier geen turfwinning is geweest. Vanaf Stompwijk tot aan de gemeentegrens bevindt zich lintbebouwing. Opvallend is het afwijkende asymmetrische profiel; ontstaan toen in de jaren 50 van de vorige eeuw een nieuwe provinciale weg werd aangelegd parallel aan het oorspronkelijke weggetje op de dijk. De oude weg is nu een fietspad. Een asymmetrisch profiel is ook in de bebouwing te zien met aan de noordkant enkele historische boerderijen aan de overzijde van de vaart. Deze hebben een voor de omgeving opvallend zware erfbeplanting met hakhoutbosjes op eilandjes. Aan de oostzijde ligt een vrij gesloten cluster van recente bebouwing met enkele complexen kassen en bedrijven. Daardoor is het zicht voor de automobilist op de laaggelegen weg sterk beperkt tot aan de gemeentegrens waar de bebouwing eindigt en het landschap zich weer opent. Richting Zoetermeer is het Oosteinde via een nieuwe doorsteek, de Jan Koenenweg, verbonden met de oorspronkelijke Middenweg in de Zoetermeerse Meerpolder.
Opvallend is hier de hoge ligging via het viaduct over de Jan Koenensloot met een zware Populierenbeplanting waarna de weg via een nieuwe hoogtesprong afdaalt in de Zoetermeerse Meerpolder. De lijnbeplanting van de Middenweg met Populieren werkt als een referentiepunt waardoor de karakteristieke ronding van de Zoetermeerse Meerpolder zichtbaar wordt die door zijn grootschaligheid moeilijk te ervaren is. Kenmerkend voor dit lint is: Het asymmetrische profiel met het fietspad hoog op het oude dijkweggetje en parallel de recente laaggelegen provinciale weg. Het natte veenlandschap met enkele zwaar beplante authentieke boerenerven. Hoogtesprong bij de ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder. De lijnbeplanting van de Middenweg met Populieren die de karakteristieke ronding van de Zoetermeersche Meerpolder zichtbaar maakt; Veelheid aan monumentale gebouwen. Boven Meerweg/Meer en Geerweg De Boven Meerweg/Meer en Geerweg ligt op de markante ringdijk van de Zoetermeersche Meerpolder. Deze oudste droogmakerij van Zuid-Holland dateert uit 1614. Door de beperkte bebouwing en de uitgestrekte open ruimtes zijn er weidse panorama's. De voornamelijk agrarische bebouwing ligt beneden aan de dijk. De doorsnijding door de provinciale weg doorbreekt tegenwoordig de doorgaande weg.
Kenmerkend voor dit lint is: Maximale ervaring van de karakteristieke ronding van het voormalige natuurlijke veenmeer. Weidse panorama's op de wijde omtrek met onder andere zicht op de markante kerk met kerktuin van Stompwijk. De gevarieerde en kronkelende oevers van de oude ringvaart. Zicht op een gaaf oud weggetje met eenzijdige singelbeplanting naar verdwenen boerderij en enkele zeldzame grote hakhoutbossen. Geriefhout en groene terreinafscheiding uit allerlei periodes. Behoudswaardige knotwilgen. Nieuwe Vaartlaan en Van Kampenlaan (Voormalig Doctor van Noortstraat 137 - 199 alias "Laantje van Kampen") Deze doodlopende zeer smalle weg is ongeveer drie meter breed en ligt parallel aan de brede Nieuwe Vaart die Stompwijk verbindt met de Vliet en eindigt bij de middentocht van de Westeinderpolder. De bebouwing ligt in een vrij smalle zone; een structuur die in hoofdlijn overeenkomt met veel oude bebouwingslinten in het gebied. De weg en bebouwing zijn echter een recente ontwikkeling uit het midden van de 20e eeuw, ontstaan achter een oudere huiskavel aan de Doctor van Noortstraat langs de Stompwijkse Vaart. Daarom maakt de weg vanaf de Stompwijkse Vaart eerst een slinger om het oude erf heen. Over de hele lengte tussen de vaart en de weg liggen hoofdzakelijk recreatiewoningen. Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Landelijk - 2 Vanaf halverwege tot het eind liggen aan de andere zijde enkele voormalige (agrarische) bedrijven die op het eind in een vrij dicht cluster liggen. Kenmerkend voor dit lint is: De bebouwing met beplanting heeft een vrij gesloten karakter, waardoor er weinig zicht is op de vaart en weilanden. Opvallend en daardoor karakteristiek zijn de Liguster en Elzenhagen langs diverse percelen die de smalle weg inkaderen vanaf de Doctor van Noortstraat. De polderlandschappen aan weerszijden van het lint zijn nog vrij gaaf bewaard gebleven. Hoge ligging langs een hoogtesprong in het landschap. De Meeslouwerpolder aan de overzijde van de Nieuwe Vaart ligt heel herkenbaar ruim 3 meter dieper omdat deze is uitgeveend en vervolgens weer drooggemaakt. Het Laantje ligt daardoor als het ware op een podium langs de Meeslouwerpolder waarbij het dijktalud van de Nieuwe Vaart een steile rand vormt. Zicht op de bebouwingslinten van Stompwijk, het Oosteinde en het Westeinde. Westeinderweg Doodlopend lint langs een brede tocht loodrecht op de Nieuwe vaart. Ontstaan na de droogmaking van de diepgelegen Westeindsche polder (nu Meeslouwerpolder) eind 19e eeuw. Bebouwing komt alleen aan de noordzijde voor en bestaat uit enkele (voormalige) boerderijen. Vooral langs de Nieuwe Vaart zijn in de 2e helft van de vorige eeuw enkele erven sterk uitgebreid.
Hierdoor is het oorspronkelijke karakter wat verrommeld, maar nog wel herkenbaar. Zeker daar waar de oorspronkelijke oude panden nog op de kop van de kavel liggen. De toerit, ook Westeinderweg genaamd, vanaf de Doctor van Noortstraat heeft geen bebouwing. Kenmerkend voor dit lint is: De opvallende ligging in de open ruimte tussen het lint van de Doctor van Noortstraat en de A4. Het zicht op de markante hoge dijk van de Nieuwe Vaart. Het einde van de Westeinderweg komt uit op de Zustersdijk, één van de meest markante dijken nabij de kern Stompwijk. Meeslouwerweg Dit lint loopt langs een oude wetering die vanaf de Kniplaan doorliep tot de Merenburgermolen. Het lint werd doorsneden door de aanleg van de A4. Van de molen resteert alleen de molenromp die wordt gebruikt als woning bij het jachthaventje met camping. Behalve de molen komt alleen recente bebouwing vanaf ongeveer 1900 voor met enkele burgerwoningen en een voormalige boerderij. Deze woningen liggen geïsoleerd aan de inmiddels doodlopende weg. Kenmerkend voor dit lint is: De A4 die de weg heeft doorsneden. De oudste woning aan de Kniplaan waar de oude weg met een knikje omheen ligt. Oostvlietweg De Oostvlietweg ligt op de grens van twee landschappen, zeer markant langs de Vliet. De hooggelegen strandwallen gaan hier in het veenweidegebied over van het Groene hart dat zich uitstrekt tot Utrecht.
De weg is hierdoor het podium voor een weids panorama. Aangelegd als jaagpad voor de trekvaart over de Vliet in de Gouden Eeuw tussen Leiden en Den Haag. Kenmerkend voor dit lint is: De ligging op de drempel van het hoge strandwallenlandschap en het uitgestrekte veenweidegebied. De laatste locatie langs de Vliet tussen Leiden en Delft waar nog het oorspronkelijke landschapsbeeld ervaren kan worden. De historische functie als jaagpad langs de Vliet als trekvaart. Het kronkelend tracé langs de Vliet met telkens wisselende zichtlijnen over het water. De weidse panorama's richting Stompwijk, Zoetermeer en de molendriegang. De zichtlijnen richting de Duivenvoordecorridor met kasteel Duivenvoorde en de Knipmolen. De nog zeer gave grote lengtes met de authentieke meidoornhagen plaatselijk gecombineerd met markante opgaande bomen. De boerderijen diepgelegen in de droogmakerij en de kleinschaliger woningen op de dijk.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 De kruising met de Kniplaan met over de Vliet het oude veerhuis. De authentieke meidoornhagen. Kilometerpaal bij Oostvlietweg 35 uit 1894. Doctor van Noortstraat De Doctor van Noortstraat is een polderlint, waarvan de bebouwing voornamelijk van voor 1850 dateert, in een dicht tot half open structuur. De structuur van dit lint is nog intact, evenals de relatie met het landschap. Als historisch-landschappelijke lijn is het lint hoog gewaardeerd. Kenmerkend voor dit lint is het gemaal en omgeving bij Doctor van Noortstraat 2 uit 1882 (gemeentelijk monument).
3.2.2.2 Dijken en keringen Het plangebied kent niet veel dijken die voldoen aan de definitie: 'door de mens opgehoogd stuk grond om het achterland te beschermen tegen water'. Veel dijken in het landelijk gebied zijn ontstaan doordat de omgeving is weggegraven in de 17e en 18e eeuw voor turfwinning, waardoor een richel oorspronkelijk maaiveld bleef liggen. Deze 'dijken' zijn dus juist niet door ophoging ontstaan en zijn daarom keringen (of kades).
Kwaliteiten en beleving Het gebied kent een groot aantal grote en kleinere polders, die alle door dijken zijn begrensd. Deze dijken bepalen de ruimtelijk hoofdstructuur van het buitengebied. Bovendien zijn de dijken de basis van waaruit de ontginningen plaats vonden en zijn ze door hun ligging en onderlinge afstanden een zichtbare weerslag van deze occupatiegeschiedenis. De oorspronkelijke profielen hebben vrij steile taluds met veel variatie in reliëf. Door noodzakelijke dijkverbetering zijn deze variaties grotendeels verdwenen. De Zoetermeersche Meerpolder is zoals de naam al zegt een vreemde eend in de bijt. Anders dan de andere droogmakerijen is de oorsprong een reusachtig natuurlijk meer. Rond het jaar 1000 vestigden mensen zich in de omgeving van het meer en begonnen het gebied te ontginnen door sloten te graven. Zo stroomde de veenbodem langzaam leeg en klonk deze door oxidatie in. Het water in het meer kwam zo hoger te liggen dan de ontgonnen gronden eromheen. Een stevige dijk was nodig om een overstroming te voorkomen. Deze dreiging zal de reden zijn geweest dat het meer al in 1614 werd drooggemalen. Het werd daarmee de eerste droogmakerij in Zuid-Holland. Hier werden de nieuwe inpolderingtechnieken het eerst toegepast. De dijk rondom deze polder heeft een ovale vorm doordat de wind doorgaans vanuit zuidwestelijke hoek waaide en de oevers in die richting afkalfde.
Dit is daardoor de oervorm van de Hollandse droogmakerij en is goed waarneembaar vanaf de dijkweg. De ovale vorm is vanuit de omgeving en vanuit de polder zelf moeilijk te ervaren, vanwege de grote maat van de polder.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Landelijk - 2
Figuur 7: Ringdijk Zoetermeersche Meerpolder met de lager gelegen Drooggemaakte Grote Polder Bedreigingen Toename van nieuwe bebouwing en verbouwingen die door omvang en materiaalgebruik de kenmerkende verhouding tussen dijk en woning, aantasten. Dijkverzwaringen, waarin het authentieke steile, reliëfrijke en bochtige profiel plaats maakt voor strakke flauwe taluds en flauwe bochten. Egaliseren van oude dijk relicten in het ontginningslandschap. Wensbeeld Het is gewenst dat de meest waardevolle dijken beschermd worden in hun uitstraling en cultuurhistorische profiel; Op dijken zijn meidoorn en hoogstamfruitbomen toegestaan in combinatie met bebouwing. Veel van de oude dijken zijn nu dorpslinten en zijn daarom beschreven in paragraaf 3.2.2.1 De overige (maar zeer waardevolle) oude dijken zijn: Zustersdijk Deze cultuurhistorisch waardevolle waterkering is een veendijk tussen A4 en Doctor van Noortstraat. Het is een restant van de vroegste, middeleeuwse veenontginning. Het vormde de grens tussen de Meeslouwerpolder en de voormalige Kleine Westeindsche Veen en Droogmakerij. De waterstaatkundige betekenis van de dijk is komen te vervallen. Landsscheiding(sdijk) De Landscheiding is een eeuwenoude scheidslijn tussen de beheersgebieden van de Hoogheemraadschappen van Rijnland en Delfland.
De dijk (ook wel Sijtwende als kering in het ontginningslandschap) loopt door verschillende gemeentes, maar hier in het buitengebied is een van de laatste plekken waar deze nog zo goed herkenbaar is als dijk langs de Kostverlorenweg. Het hele tracé loopt vanaf het Noordzeestrand tot de hogere gronden achter Bleiswijk. Dat ligt niet toevallig hier want
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Landelijk - 2 het volgt de natuurlijke waterscheiding -het hoogste punt- tussen het IJ bij Amsterdam en de Maas bij Rotterdam. In een charter uit 1285 wordt de Landscheiding het eerst vermeld. Graaf Floris de Vijfde van Holland wees deze grens aan vanwege de hoogoplopende ruzies tussen Rijnland en Delfland. Oorzaak hiervan was dat de monding van de Oude Rijn bij Katwijk door duinzand was dicht gestoven zodat veel water van Rijnland richting het lagergelegen Delfland liep. Molendijk van de molendriegang Deze dijk maakt deel uit van de 17e-eeuwse molendriegang en heeft een zeer hoge (belevings)waarde. Dit ensemble bestaat ruim 350 jaar en vanwege de iconische positie in de Haagse regio is aantasting ongewenst. Het molenlandschap is een wijd en zijd bekende icoon voor de hele Haagse Regio en een zeer waardevolle (toeristische) attractie als laatst overgebleven molendriegang in de omgeving van de Vliet. Op deze plek is de ontwikkeling te zien van waterstaatswerken sinds de 13e eeuw, want naast de molens ligt er een in onbruik geraakte sluis en een inlaatconstructie. Overigens lagen in het plangebied nog drie molendriegangen, één ten westen van de nog bestaande driegang aan de Stompwijkseweg, één ten zuiden van de Doctor van Noortstraat waar het gemaal nu staat, en één ten noorden van de A4 op aan de Oostvlietweg ten westen van de Vogelplas Starrevaart.