3339 Noorthey vg toelichting en regels
Tekst van het document
Groen- en waterstructuur
Met de voorgenomen ontwikkeling worden op diverse manieren de groenstructuren in het plan flink versterkt. Zo wordt gestreefd naar het wonen in een groene omgeving met een hoogwaardig landschap. De hoofdas van de voormalige tuin van Noorthey wordt zichtbaar gemaakt met de voorgenomen ontwikkeling. Deze as blijft onbebouwd en wordt tevens niet met bomen beplant. Daardoor is de as goed zichtbaar, ook vanaf de Veursestraatweg. In deze as wordt tevens een referentie naar de voormalige vijver gerealiseerd. Hier zal het maaiveld iets verlaagd worden, zodat deze terug te zien is in het landschap. Aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt een stuk bos aangelegd. Daartussen is een opening ten behoeve van de as van de voormalige tuin. Door het bos heen loopt een wandelpad, waarmee de beleving van het groen versterkt wordt. Aan de noordwestzijde wordt tussen de lintbebouwing en de sportvelden een bosstrook ingericht. Deze werkt als landschappelijk element om Noorthey af te schermen van de sportvelden. Langs de nieuw aan te leggen weg die door het plangebied loopt zullen bomenrijen worden aangeplant. In de carré wordt een hoftuin aangelegd. Hierin is veel aandacht voor bloemen en andere planten om een aantrekkelijke woonomgeving te creëren. Tevens wordt een boom in het midden van de tuin aangeplant.
De waterstructuren in het plangebied zal aangepast worden ten behoeve van de ontwikkeling. Enkele watergangen worden verplaatst. Daarnaast worden andere watergangen toegevoegd aan het plangebied.
4.2.4
Verkeersstructuur
4.2.4.1 Wegenstructuur Het plangebied wordt voor autoverkeer aan de zuidkant ontsloten via het naastgelegen Schakenbosch. De weg van Schakenbosch naar Noorthey wordt aangelegd gedurende de realisatie van het project Schakenbosch. Deze weg is nog niet aanwezig tijdens de ontwerpfase van het bestemmingsplan Noorthey, maar het bestemmingsplan staat deze weg toe. Door via het Schakenbosch te ontsluiten, blijft het karakter van de Noortheylaan behouden. De Noortheylaan wordt daarmee niet belast met extra verkeersbewegingen. In het plangebied wordt een voor autoverkeer doodlopende 30 km/u-weg aangelegd langs de lintbebouwing. Deze loopt van de zuidkant naar de noordkant van het perceel, waar deze een bocht maakt richting het oosten. De weg eindigt bij de carré. Daarnaast wordt het gebied nog ontsloten met fiets- en wandelpaden. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een wandelpad aangelegd door een stuk groen. Deze verbindt de Noortheylaan met het Schakenbosch. Ook wordt hiermee een verbinding gemaakt met het plan Buitenvoorde, welke naast het plangebied van Noorthey is gelegen. Een wandelpad dat om de carré heenloopt is hier tevens op aangesloten.
(vastgesteld)
31
bestemmingsplan Noorthey Het plangebied wordt voor fietsers en voetgangers verbonden met de Noortheylaan, welke in verbinding staat met de Veursestraatweg. De Noortheylaan blijft een doodlopende straat voor autoverkeer en wordt niet aangepast ten behoeve van onderhavig plan. Daarnaast wordt het plangebied voor fietsers en voetgangers verbonden naar de westzijde, richting de sportvelden. Deze verbinding is niet toegankelijk voor autoverkeer. De ontsluiting van de camping blijft plaatsvinden via de Noortheylaan. De verkeerssituatie op de Noortheylaan verandert daardoor niet.
4.2.4.2 Parkeren Het parkeren vindt gedeeltelijk plaats in een parkeergarage onder de carré. Deze parkeerplaatsen zijn met name bedoeld voor de bewoners en bezoekers van de woningen in de carré. Voor de overige woningen wordt op eigen terrein ruimte gereserveerd voor het realiseren van parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte wordt verder onderbouwd in paragraaf 5.12.
32
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de voor het plangebied relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Bij ieder onderdeel wordt ten eerste de wettelijke kaders beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie van het plangebied in relatie tot het milieu- of omgevingsaspect.
5.2
Water
5.2.1
Inleiding
De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk komen alle relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied. De gemeentelijke taken zijn onder andere het riool- en oeverbeheer. Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027 dat op 10 november 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld.
5.2.1.1 Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan.
5.2.1.2 Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkeningen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000m 3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
(vastgesteld)
33
bestemmingsplan Noorthey
5.2.1.3 Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtrijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
5.2.1.4 Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
5.2.1.5 Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 worden de provinciale opgaven beschreven in het kader van water. Het programma bevat de verplichte onderdelen om aan de Europese richtlijnen te voldoen. Dit zijn de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. Daarnaast bevat het programma onderwerpen als zoetwatervoorziening, wateroverlast en waterrecreatie. Door deze onderwerpen in één document te behandelen, kunnen deze in samenhang worden bekeken.
5.2.1.6 Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' Hoogheemraadschap Rijnland Het Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' is vastgesteld voor de periode 2022-2028. Hierin zijn de ambities van Rijnland beschreven, inclusief de richtinggevende uitgangspunten voor de planperiode. Ook de uitvoering van de opgaven wordt beschreven.
5.2.1.7 Keur Rijnland 2020 De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in de Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (en een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen, is dit nader uitgewerkt.
34
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.2.1.8 Water- en rioleringsplan 2022-2027 Leidschendam-Voorburg In het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027, vastgesteld op 10 november 2021, is de toekomstvisie voor 2050 op de zorg voor riolering en grond- en oppervlaktewater beschreven. De volgende beleidsdoelen zijn als uitgangspunt aangehouden: Water- en rioleringszorg draagt bij aan een goede volksgezondheid; Leidschendam-Voorburg wordt duurzaam en klimaatbestendig gemaakt; Water- en rioleringszorg draagt bij aan een schone en prettige leefomgeving; De gemeente heeft een goede dienstverlening; De gemeente levert kwaliteit tegen een maatschappelijk verantwoord kostenniveau. Om de ambitieuze doelen van het Water- en rioleringsplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. Bij een ruimtelijk plan dient een initiatiefnemer in het kader van de watertoets in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
5.2.2
Beoordeling plangebied
In de oorspronkelijke situatie was het plangebied bebouwd met kassen. Door de de sloop van de kassen is ruimte ontstaan voor onderhavige ontwikkeling. Hierdoor is een grote hoeveelheid verharding verdwenen. De nieuwe hoeveelheid verharding zal minder zijn dan in de situatie toen de kassen nog in het plangebied aanwezig waren. Daarmee kan het regenwater beter infiltreren in de grond. In het plangebied zijn enkele waterkeringen aanwezig. Op en rond deze waterkeringen wordt een dubbelbestemming opgenomen om de waterkering te beschermen. Voor het plan zullen enkele kleine poldersloten verdwijnen. Het oppervlakte water dat verdwijnt door de ontwikkeling, wordt elders binnen het plangebied teruggebracht binnen de bestemming Groen. Dit kan door middel van nieuwe sloten of door middel van bijvoorbeeld boezemwater. De groenzone centraal in het plangebied komt lager te liggen dan de woonbebouwing om het gebied klimaatbestendig te maken tegen wateroverlast. Bij hevige regenval kan het water in dit deel van het plangebied worden opgevangen. Vanuit waterveiligheid worden de woningen op boezempeil gebouwd. Het hemelwater zal zoveel mogelijk worden opgevangen door het oppervlaktewater. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Watertoets uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in Bijlage 1. Hieruit blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt.
Het Hoogheemraadschap Rijnland heeft in een vooroverlegreactie aangegeven dat een watervergunning vereist is voor het uitvoeren van de benodigde werkzaamheden. Er wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het aspect water in het plangebied. Er zijn op dit punt geen belemmeringen te verwachten.
(vastgesteld)
35
bestemmingsplan Noorthey
5.3
Bodem
5.3.1
Inleiding
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Het is niet toegestaan om te bouwen op verontreinigde grond. Nader onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek geeft inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en bestemming. Het bodembeleid onderscheidt drie soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving: Sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden); Licht verontreinigde grond (boven AW2000-waarden); Schone bodems (beneden AW2000-waarden). Het Besluit bodemkwaliteit hanteert voor het toepassen van grond en bagger een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen. Tevens biedt het besluit mogelijkheden voor grondverzet.
5.3.2
Beoordeling plangebied
Ten behoeve van de ontwikkeling is door Adverbo in maart 2022 een milieukundig (water)bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 2. Uit dit onderzoek is gebleken dat er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging met asbest. Daardoor is de bodem nog niet geschikt voor de beoogde woonfunctie. De grond dient gesaneerd te worden, zodat de asbestverontreiniging wordt verwijderd. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, welke niet toestaat de gronden te gebruiken voor wonen totdat de bodemsanering heeft plaatsgevonden. Na deze sanering is de grond voldoende geschikt voor de beoogde woonfunctie.
36
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.4
Niet-gesprongen explosieven
5.4.1
Inleiding
Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen niet-gesprongen conventionele explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een antwoord te geven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven.
5.4.2
Beoordeling plangebied
De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in de periode 2013-2015 alle gemeentelijke dossiers met gegevens uit WO2, luchtfoto's en dossiers aanwezig bij het Nationaal Archief, de EOD en het NIMH bestudeerd en de oorlogshandelingen op een GIS-kaart weergegeven. Op basis van deze dossiers en luchtfoto's is een GIS-kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen etc. Het adviesbureau AVG heeft in september 2015, conform de landelijke norm, een explosievenonderzoek uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van de gemeentelijke gegevens, gegevens van de gemeente Voorschoten en diverse andere archieven. Het onderzoek van AVG is opgenomen in Bijlage 3.
Afbeelding 6: Oorlogshandelingen binnen het plangebied Op basis van het onderzoek is een risicokaart opgesteld. Door middel van gekleurde vlakken is aangegeven waar in de bodem mogelijk nog explosieven uit WO2 aanwezig zouden kunnen zijn. De opgestelde risicokaart wordt in onderstaande afbeelding weergegeven.
(vastgesteld)
37
bestemmingsplan Noorthey
Afbeelding 7: Verdachte gronden voor conventionele explosieven
Op basis van bovenstaande kaarten zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van explosieven in het plangebied. Er bestaat een kans dat niet-gesprongen explosieven in het plangebied aanwezig zijn, maar dit risico is niet hoger dan elders in Nederland. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
38
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Inleiding
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveloxide, stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs de wegen vooral de grenswaarden voor stikstofoxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofoxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5)
Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen de bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.
Besluit niet in betekenende mate In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m3). een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee
(vastgesteld)
39
bestemmingsplan Noorthey ontsluitingswegen. 5.5.2
Beoordeling plangebied
Langs de Veursestraatweg zijn meetpunten aanwezig voor de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5. In de NSL-monitoringstool zijn deze concentraties inzichtelijk gemaakt. De jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 zijn minder dan 35 µg/m3. Het aantal PM10 overschrijdingen is minder dan 35 dagen. De jaargemiddelde concentratie PM 2,5 is minder dan 20 µg/m3. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is en daarom geen belemmering vormt voor onderhavig planinitiatief. Daarnaast valt de ontwikkeling in een categorie welke niet in betekenende mate gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Ter controle is de nibm-tool ingevuld, waaruit blijkt dat de ontwikkeling ruim onder de grenswaarde blijft.
Afbeelding 8: nibm-tool
40
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.6
Geluid
5.6.1
Inleiding
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. In situaties waarbij de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld rond 30 km wegen of bij bedrijven niet gelegen op Wgh-gezoneerde bedrijventerreinen) al de bescherming tegen geluid via de invulling van een goede ruimtelijke ordening plaatsvinden. Wegverkeerslawaai Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere weg, met uitzondering van woonerven en 30-km/u gebieden. Voor alle woningen en geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van die weg liggen, moet de geluidsbelasting als gevolg van verkeerslawaai berekend worden. De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 Wgh wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven.
Railverkeerslawaai Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan 55 dB voor woningen en geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de spoorweg. Industrielawaai/bedrijfszonering Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers, woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gevestigd. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de lawaaimakers.
5.6.2
Beoordeling plangebied
Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt in de buurt van de Veursestraatweg. Deze weg ligt op ongeveer 460 meter van het plangebied af. Op basis van artikel 74 Wgh geldt voor de Veursestraatweg een zone van 250 meter. Omdat het plangebied ruim buiten deze zone ligt, zal er geen sprake zijn van geluidhinder van de Veursestraatweg in het plangebied. Daarnaast grenst het plangebied aan de Noortheylaan. Dit betreft een weg met een maximale snelheid van 30 km/u. De weg is doodlopend en wordt ter hoogte van het plangebied enkel gebruikt voor toegang tot de naastgelegen camping. Het aantal verkeersbewegingen op deze weg is dusdanig minimaal, dat er geen geluidhinder wordt verwacht van deze weg. Rondom het plangebied zijn geen andere wegen welke kunnen leiden tot geluidhinder voor het plangebied.
(vastgesteld)
41
bestemmingsplan Noorthey Railverkeerslawaai Het plangebied ligt op circa 280 meter afstand van de spoorweg Den Haag - Leiden. Om de gevolgen in het kader van geluid inzichtelijk te krijgen, is door Alcedo een onderzoek uitgevoerd naar railverkeerslawaai. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een geluidsbelasting van maximaal 57 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden. De geluidsbelasting overschrijdt de maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB niet. Bij 12 woningen is sprake van een geluidsbelasting van 57 dB en bij 5 woningen van 56 dB. Bij de overige woningen is geen overschrijding aanwezig. Daarom dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Industrielawaai/bedrijfszonering Op basis van de conclusies in paragraaf 5.11 wordt de richtafstand tot Camping Noorthey niet gehaald. Waar een minimale richtafstand geldt van 50 meter, bedraagt deze voor enkele woningen circa 10 tot 15 meter. Om de gevolgen van geluidhinder door de camping te onderzoeken, heeft Alcedo een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de verwachte geluidhinder. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 6. Uit dit onderzoek blijkt dat de camping beperkte geluidhinder met zich mee brengt. De geluidhinder is met name afkomstig van dichtslaande portieren. De geluidhinder valt binnen de grenzen van het activiteitenbesluit.
Daarme wordt voldaan aan een goed woonklimaat in de nieuw te bouwen woningen. In het bestemmingsplan wordt geregeld dat er geen verdere uitbreidingsmogelijkheden gelden voor de camping. Daarmee zal er geen sprake zijn van geluidhinder door de camping. Andersom is de camping geen gevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder, waardoor overlast door woningen op de camping niet getoetst hoeft te worden. Verder bevinden er zich nog ten westen van het plangebied sportvelden. In de planregels wordt de richtafstand van 50 meter uit de VNG-brochure gewaarborgd tot de gevels van de woningen in de lintbebouwing, door middel van een specifieke bouwaanduiding waarbinnen geen hoofgebouwen mogen worden gebouwd. Tijdens piekmomenten zal daarmee geen geluidsoverlast worden verwacht voor de woningen. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.7
Flora en Fauna
5.7.1
Inleiding
De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en de ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijnen) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel zonder vergunning niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (zoals ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (zoals door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk: het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
5.7.2
Beoordeling plangebied
5.7.2.1 Soortenbescherming Omdat voor de beoogde ontwikkeling bebouwing wordt gesloopt en beplanting wordt gerooid, is niet op voorhand uit te sluiten of er een overtreding plaatsvindt van de Wet natuurbescherming. Op 29 maart 2022 is daarom door Lycens B.V. een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op de houtopstanden en beschermd natuurgebied. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 4. Op basis van de Quickscan is geconstateerd dat vleermuizen mogelijk gebruik maken van de bestaande bebouwing. Daarnaast zijn er mogelijk nesten aanwezig van de huismus, ransuil en sperwer. Ook leven mogelijk marterachtigen en waterspitsmuizen in het plangebied. Op deze punten is daarom een vervolgonderzoek noodzakelijk. Indien tijdens de voortplantingsperiode werkzaamheden worden uitgevoerd, is tevens een broedvogelscan vereist.
(vastgesteld)
43
bestemmingsplan Noorthey
Nader onderzoek Flora & Fauna In de zomer en het najaar van 2022 is het plangebied onderzocht door Lycens B.V. op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen, nesten van (broed)vogels, en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van marterachtigen en waterspitsmuis. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het daarvoor geldende protocol, richtlijnen en met de expertise van de ecoloog. Tijdens het onderzoek is gebleken dat, volgens de Wet natuurbescherming, beschermd leefgebied en/of vaste rust- en voortplantingsplaatsen niet uitgesloten kunnen worden van vleermuizen (gewone dwergvleermuis), essentiële vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen en vaste nestplaats en essentieel leefgebied van de ransuil. Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke verleend moet zijn alvorens de bouw van de woningen kan aanvangen. Het volledige onderzoek is toegevoegd in Bijlage 5.
5.7.2.2 Gebiedsbescherming Ten behoeve van de ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd door Lodewijck Groep voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase. Deze stikstofberekening inclusief Aerius-uitdraaien zijn te vinden in Bijlage 7 , Bijlage 8 en Bijlage 9. Uit deze stikstofberekening is gebleken dat er in zowel de realisatie- als de gebruiksfase geen depositie op het dichtstbijzijnde natuurgebied, Meijendeel en Berkheide, optreedt. Dit heeft vooral te maken met de grote afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Een nadere beschouwing is daarom niet noodzakelijk.
44
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.8
Externe veiligheid
5.8.1
Inleiding
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse weg- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een risicobron bevindt, overlijdt door een ongeval met de risicobron. Het PR is daarmee de risicomaat om het beschermingsniveau voor de individuele burger uit te drukken. Het toetsingcriterium is in veel gevallen een PR van 10-6. PR wordt inzichtelijk gemaakt door vaste contouren rondom een risicobron.
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekeres, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waar opslag en/of verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het groepsrisico (GR) geeft aan wat de kans is op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde risicobron. Voor het GR geldt geen harde norm, maar een oriëntatiewaarde. De effecten van de ontwikkeling worden in een curve weergegeven en vergeleken met de curve van de oriëntatiewaarde. Bij overschrijding van de oriëntatiewaarde of een significante toename van het groepsrisico moet het bevoegd gezag het groepsrisico betrekken bij de vaststelling van het besluit (bijv. ruimtelijk besluit of milieuvergunningsbesluit). Voor deze groepsrisico verantwoording is de hoogte van het groepsrisico of de toename ervan onderdeel van de afweging. Daarnaast worden factoren meegenomen als mogelijkheden van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen. Daarvoor wordt door het bevoegd gezag advies gevraagd aan de brandweer. 5.8.2
Beoordeling plangebied
Afbeelding 9 is een uitsnede van de risicokaart. De risicokaart geeft inzicht in de risicobronnen in de omgeving van het plangebied.
(vastgesteld)
45
bestemmingsplan Noorthey
Afbeelding 9: Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd.
Transport van gevaarlijke stoffen over de weg De A4 is op circa 1,6 km van het plangebied af gelegen. Voor de A4 geldt op basis van de regeling Basisnet een plaatsgebonden risicocontour van 13 meter. Het plangebied ligt buiten deze contour en vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Het plangebied bevindt zich ook niet binnen de 200 meter zone waarin het groepsrisico verantwoord moet worden bij een bestemmingsplan en het ligt ook niet binnen de 355 meter zone inzake een incident met LPG-transport. Over de rijksweg A4 worden giftige vloeistoffen vervoerd. Het invloedsgebied als gevolg van het transport van giftige stoffen over de rijksweg A4 bedraagt meer dan 4000 meter. Het plangebied ligt in zijn geheel in het invloedsgebied van het vervoer van giftige stoffen. De kans op een incident is zeer klein.
Gelet op de ligging binnen het invloedsgebied wordt het volgende geadviseerd: Plaats bij gebouwen een voorziening zodat ventilatie met een eenvoudige handeling uitgeschakeld kan worden; Bereid personeel, de BHV-organisatie en/of de begeleiding van groepen personen en/of verminderd tot niet zelfredzame personen voor op calamiteiten op de rijksweg A4; Informeer bewoners en vaste gebruikers over de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A4; Het is belangrijk dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten en dat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen ondergrondse aardgastransportleidingen. De dichtstbijzijnde leidingen bevinden zich op circa 1,6 kilometer afstand van het plangebied. De maximale werkdruk van deze buisleidingen bedraagt 40 bar en de uitwendige diameter bedraagt 12,76 inch. Conform het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen 2016' bedraagt het invloedsgebied van de buisleidingen maximaal 140 meter. Het plangebied ligt ver buiten dit invloedsgebied.
46
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en water De spoorbaan Den Haag - Leiden ligt op circa 270 meter ten noordwesten van het plangebied. Op deze spoorbaan vindt in principe geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Wanneer incidenteel transport van gevaarlijke stoffen over het spoor plaatsvindt zijn er geen risico's die van belang zijn om in het onderhavige plangebied op te nemen. Tevens geldt dat alleen binnen 200 meter vanaf de bron externe veiligheid een rol speelt. In de omgeving van het plangebied liggen dan ook geen andere spoorlijnen die gevolgen hebben voor de externe veiligheid in het plangebied. De Vliet ligt op circa 800 meter van het plangebied. Hierover vindt incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De Vliet is niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid. Opslag van gevaarlijke stoffen In de directe omgeving van het plangebied is geen opslag voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Risicovolle inrichtingen of bedrijven Het plangebied bevindt zich op ongeveer 200 meter afstand van een hoogspanningsleiding. Deze afstand is voldoende ruim, zodat er geen gevolgen zijn voor de externe veiligheid in het kader van onderhavig planinitiatief. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen of bedrijven. 5.8.3
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
(vastgesteld)
47
bestemmingsplan Noorthey
5.9
Kabels en leidingen
5.9.1
Inleiding
Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. 5.9.2
Beoordeling plangebied
Op circa 200 meter afstand van het plangebied ligt een hoogspanningsleiding. Deze ligt op een dusdanige afstand van het plangebied, dat er geen belemmering zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er komen in of nabij het plangebied geen andere planologisch relevante kabels en leidingen voor. Er is voor wat betreft dit aspect geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Nader aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
48
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.10
Duurzaamheid
5.10.1 Inleiding In paragraaf 2.4.8 wordt het beleid omtrent duurzaamheid omschreven. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de duurzaamheidsmaatregelen rondom onderhavig planinitiatief.
5.10.2 Beoordeling plangebied De woningen worden conform de wettelijke duurzaamheidseisen gebouwd. Daarnaast zijn veel voorzieningen goed bereikbaar per fiets, waardoor minder gebruik gemaakt hoeft te worden van de auto.
(vastgesteld)
49
bestemmingsplan Noorthey
5.11
Bedrijven- en milieuzonering
5.11.1 Inleiding De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven- en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven of milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de geval van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de bedrijvigheid in en rondom het plangebied problemen oplevert voor de milieugevoelige functies. In onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie uit de VNG-brochure Bedrijven- en Milieuzonering (2009) weergegeven. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 3: Richtafstanden milieuzonering 5.11.2 Beoordeling plangebied Het plangebied kan aangemerkt worden als een rustige woonwijk. Er dient daarom met de bijbehorende afstanden gemeten te worden. Rondom het plangebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig. Aangrenzend aan het plangebied is een minicamping gelegen. Een camping heeft een milieucategorie 3.1 en daarmee een minimale afstand van 50 meter in verband met mogelijke geluidsoverlast. Met de ontwikkeling worden woningen op ongeveer 10 tot 15 meter van de camping af gesitueerd, waardoor de minimale afstand niet wordt gehaald. In paragraaf 5.6 is onderbouwd wat de verwachte geluidsoverlast zal zijn van de camping op de nieuw te realiseren woningen. Daarnaast zijn op circa 40 meter van het plangebied sportvelden gesitueerd. Voor sportvelden geldt een minimale afstand van 50 meter. In het ontwerp is rekening gehouden met de aanwezigheid van de sportvelden, door de woningen op tenminste 50 meter van de sportvelden te situeren. Daarmee wordt de richtafstand naar de gevoelige objecten gehaald. De sportvelden vormen daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere milieubelastende functies aanwezig. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in een nieuwe milieubelastende functie.
De ontwikkeling heeft daarom geen gevolgen voor gevoelige objecten in de omgeving.
50
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.12
Verkeer en parkeren
5.12.1 Inleiding In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren. 5.12.2 Beoordeling plangebied 5.12.2.1
Verkeersgeneratie
De exacte invulling van het plangebied staat met de vaststelling van dit bestemmingsplan nog niet vast. Het programma waar nu grofweg aan gedacht wordt zal een tweekapper, 23 vrijstaande woningen, 4 goedkope woningen en 2 middeldure woningen betreffen. In de carré worden ongeveer 34 woningen gerealiseerd, al dan niet gestapeld. Op basis van een verkeersonderzoek, uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van het naastgelegen Schakenbosch, kan gesteld worden dat de gemeente Leidschendam-Voorburg een zeer sterk stedelijke gemeente is. Daarom kan met de bijbehorende verkeerscijfers worden gerekend. Daarnaast ligt het plangebied in 'rest bebouwde kom'. Er wordt gerekend met de maximale verkeersgeneratie. De daadwerkelijke verkeersgeneratie zal iets lager liggen dan hieronder is berekend. Voor vrijstaande woningen is de verwachte dagelijkse verkeersgeneratie 8,1 verkeersbewegingen per woning. Voor twee-onder-een-kap woningen is dit 7,7. Voor rijwoningen of dure appartementen geldt een verkeersgeneratie van 7,2 verkeersbewegingen per dag. In totaal komt dit neer op: Vrijstaande woningen: 186,3 verkeersbewegingen per dag; Twee-onder-een-kap woningen: 15,4 verkeersbewegingen per dag; Geschakelde woningen: 43,2 verkeersbewegingen per dag. Geschakelde woningen en gestapelde woning in de carré: 244,8 verkeersbewegingen per dag.
In totaal leidt deze ontwikkeling daarmee tot een maximale verkeersgeneratie van 489,7, afgerond 490 verkeersbewegingen per dag. De wegen in het plangebied worden ingericht op de bijbehorende verkeersbewegingen. De nog aan te leggen toegangsweg door het Schakenbosch houdt tevens rekening met de ontwikkeling van Noorthey. Vanaf daar wordt aangesloten op een gebiedsontsluitingsweg in Leidschendam, welke voldoende capaciteit hebben om de extra verkeersbewegingen op te vangen. Belangrijk om te vermelden is dat er uit is gegaan van een worst-case scenario, met voornamelijk woningen uit het duurdere segment. Mogelijk wijzigt de verdeling van sociale huur/koopwoningen bij de nadere invulling van het woningbouwprogramma. Aangezien sociale huurwoningen zorgen voor een lagere verkeersgeneratie zal dit geen problemen opleveren. Als extra waarborg is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan dat bij een eventuele wijziging van het woningbouwprogramma (uitbreiding) door het bevoegd gezag dient te worden vastgesteld dat dit niet leidt tot negatieve gevolgen voor o.a. de verkeersgeneratie. Daarmee vormt het aspect verkeersgeneratie geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.12.2.2
Parkeren
Voor het parkeren wordt de Nota Parkeernormen van de gemeente Leidschendam-Voorburg als uitgangspunt genomen. Aangenomen wordt dat een gemiddelde parkeerbehoefte geldt in zeer sterk stedelijk gebied in de bebouwde kom. Per vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen. Per twee-onder-een-kap woning geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. Per tussenwoning/hoekwoning geldt een parkeernorm van 1,8 per woning. Per duur appartement geldt een parkeernorm van 1,9 per woning. De exacte verdeling van het aantal gestapelde en niet-gestapelde woningen in de carré is in dit stadium nog onduidelijk. Daarom wordt uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij de hoogste parkeernorm wordt gebruikt. Voor de carré geldt een totale parkeerbehoefte van 61 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden in een parkeergarage onder de carré gerealiseerd. Ten behoeve van de vrijstaande woningen is een parkeerbehoefte van 48,3. Per woning worden twee parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd.
(vastgesteld)
51
bestemmingsplan Noorthey Voor de tweekapper is het voldoende om 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren per woning. Voor de goedkope en middeldure woningen geldt een parkeerbehoefte van 10,8, afgerond 11. Deze dienen nabij deze woningen gerealiseerd te worden. Het aantal parkeerplaatsen dat benodigd is op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid wordt gerealiseerd. Dit is tevens gewaarborgd in de planregels. Daarmee zal geen sprake zijn van parkeeroverlast door onderhavige ontwikkeling.
52
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
5.13
Milieueffectrapportage
5.13.1 Inleiding Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen, waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r., maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt, dan is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling mogelijk. Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden. Bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal moeten worden. 5.13.2 Beoordeling plangebied De beoogde ontwikkeling past binnen bijlage D (categorie 11.2) van het Besluit m.e.r. Gezien de omvang van het plan worden de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D (categorie 11.2) niet gehaald en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Door de wijziging in de wetgeving per juli 2017 dient ook in deze gevallen door het bevoegd gezag een besluit te worden genomen dat geen volledige m.e.r.-procedure benodigd is. Hiervoor dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis van de toelichting van het bestemmingsplan en de uitgevoerde milieuonderzoeken en de cumulatie met overige ontwikkelingen. Deze aanmeldnotitie is toegevoegd als Bijlage 10 bij dit bestemmingsplan.
(vastgesteld)
53
bestemmingsplan Noorthey
Hoofdstuk 6 6.1
Cultureel erfgoed
Inleiding
Dit hoofdstuk gaat in op het cultureel erfgoed in en rondom het plangebied. Het gaat hierbij om de onderdelen archeologie, monumenten, beschermde stadsgezichten en waardevolle landschapselementen.
6.2
Archeologisch erfgoed
6.2.1
Huidige archeologische situatie
6.2.1.1 Inleiding Gemeenten zijn verplicht om in bestemmingsplannen rekening te houden met archeologische waarden. Dat is vastgelegd in de Erfgoedwet (hoofdstuk 9). De Erfgoedwet regelt samen met de toekomstige Omgevingswet de omgang met het cultureel erfgoed in Nederland, waaronder de archeologische waarden in de bodem. De zorgplicht voor het cultureel erfgoed wordt in de Erfgoedwet bij de gemeenten neergelegd. Het bestemmingsplan met het daaraan gekoppelde vergunningsstelsel is het instrument voor de uitvoering van deze zorgplicht. In deze paragraaf komen eerst het wettelijk kader en het gemeentelijke archeologiebeleid aan de orde. Daarna worden de resultaten van de uitgevoerde archeologische onderzoeken besproken, en vervolgens de maatregelen die worden genomen om de archeologische waarden te beschermen Alhoewel gemeentes in het kader van de Erfgoedwet de zorgplicht voor archeologisch waarden in de bodem hebben, zijn de archeologisch waardes binnen Noorthey ook van provinciaal belang. De gemeente Leidschendam - Voorburg heeft alle ontwikkelingen binnen het plangebied, dus ook ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie, afgestemd met de provincie Zuid-Holland.
6.2.1.2 Wettelijk kader: Verdrag van Valletta en de Ergoedwet In 1993 heeft Nederland het Verdrag van Valletta, ook wel bekend onder de naam Verdrag van Malta, getekend, en in 1998 geratificeerd. Doel van het Verdrag van Valletta is een betere bescherming van het Europese cultureel erfgoed door een structurele inpassing hiervan in de ruimtelijke ordening. De bepalingen van het Verdrag van Valletta zijn in Nederland geïmplementeerd in de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed gebundeld. De Erfgoedwet regelt de bescherming van het archeologische erfgoed, de inpassing hiervan in ruimtelijke ontwikkelingen en de financiering van het archeologische onderzoek. Bij het ingaan van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de Monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing Archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht van de Erfgoedwet, waar ze van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Het betreft vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; en de bescherming van stads- en dorpsgezichten. De uitgangspunten voor de bescherming van het archeologisch erfgoed in de wetgeving zijn de volgende: Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk in de bodem, in situ, behouden en ontzien worden. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ, d.w.z. behoud van de archeologische waarden door middel van een archeologische opgraving. Het onderzoek naar archeologische waarden moet in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming plaatsvinden, zodat in de uitwerking en uitvoering van de plannen rekening gehouden kan worden met de aanwezige archeologische vindplaatsen.
54
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
De verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed ligt bij de gemeenten, die verplicht zijn tot het opstellen en uitvoeren van archeologiebeleid. De initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten moet de kosten dragen van het archeologische onderzoek en de eventuele inpassing van archeologische waarden in de planontwikkeling.
6.2.1.3 Gemeentelijk beleid De gemeente Leidschendam-Voorburg beschikt sinds 2009 over een archeologiebeleid, waarin wordt samengewerkt met de gemeenten Wassenaar en Voorschoten. In 2014 is het archeologiebeleid herzien en is de "Nota herijking archeologiebeleid 2013, gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten" vastgesteld. Op de beleidskaart behorende bij de Nota is het grondgebied van de gemeenten opgedeeld in vier categorieën archeologische gebieden: Waarde Archeologie 1 t/m Waarde Archeologie 4. Voor elke categorie gelden verschillende vrijstellingsgrenzen (oppervlakte- en dieptegrenzen) en verschillende beleidsregels, afhankelijk van de archeologische waarde of verwachting. Bij bodemingrepen die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, kan de gemeente voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. De voorwaarden kunnen bestaan uit de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en/of het treffen van maatregelen om de archeologische waarden in de bodem te behouden. De gemeente maakt daarbij een afweging tussen archeologische en andere, maatschappelijke belangen. Het is ook mogelijk dat een vergunning in het belang van het archeologische erfgoed niet wordt verleend.
Afbeelding 10: Gemeentelijke archeologische beleidskaart
Op de gemeentelijke beleidskaart ligt Noorthey in een gebied met Waarde Archeologie 3. Voor deze categorie gelden vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm beneden maaiveld.
(vastgesteld)
55
bestemmingsplan Noorthey 6.2.1.4 Archeologievriendelijk/archeologieduurzaam bouwen Waar mogelijk probeert de gemeente Leidschendam-Voorburg de archeologische waarden in de bodem zoveel mogelijk te behouden. Bij de ontwikkeling van Noorthey wordt daarom gekeken naar het gebruik van archeologievriendelijke of archeologieduurzame methoden. Hiervoor wordt enerzijds aansluiting gezocht bij de "Handreiking Archeologievriendelijk bouwen" van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze Handreiking doet geen uitspraken over de maximaal toelaatbare verstoringen op archeologische vindplaatsen, omdat dit een bevoegdheid is die aan de gemeenten toekomt. Wel biedt de Handreiking uitgangspunten waaraan een archeologievriendelijk bouwplan moet voldoen, beoordelingscriteria voor de toetsing van bouwplannen, en diverse oplossingen om een bouwplan archeologievriendelijk(er) te maken. Anderzijds wordt een specialist op het gebied van archeologieduurzaam bouwen ingeschakeld. Daar waar archeologieduurzaam bouwen niet mogelijk of wenselijk is, zal voorafgaand aan de ontwikkeling regulier archeologisch onderzoek plaatsvinden. 6.2.2
Toekomstige archeologische situatie
Met het bestemmingsplan Noorthey worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In het kader van deze bestemmingswijziging zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken hadden tot doel te onderzoeken of door de voorgenomen ontwikkeling archeologische waarden bedreigd worden. Ter plaatse van het bestemmingsplan Noorthey zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd. 6.2.2.1 Resultaten archeologisch onderzoek In opdracht van de gemeente Leidschendam - Voorburg heeft RAAP archeologisch Adviesbureau in maart 2013 een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het verifiëren (en eventueel aanvullen) van informatie over landschapsopbouw, bekende en te verwachte archeologische en cultuurhistorische waarden om een gespecificeerde verwachting op te stellen. Het doel van het veldonderzoek was het toetsen, aanscherpen en/of aanvullen van deze gespecificeerde archeologische verwachting. Het verkennend archeologisch booronderzoek heeft aangetoond dat er sprake is van een relatief intact landschap van Oude Duinen. In het noordwestelijke deel van deelgebied Noortheylaan 27 is dit landschap afgedekt met een pakket veen. In totaal zijn 54 verkennende boringen gezet in deelgebied Noortheylaan 27, in een grid van 30 bij 35 meter (zie afb 3).
Er is geboord tot maximaal 5 m -Mv met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. In de boringen 52, 53 en 54 is sprake van veel puin in de bovengrond dat kan duiden op de aanwezigheid van uitbraaksleuven of fundamentresten behorende tot het voormalige hoofdgebouw van de buitenplaats. In de boringen 24, 25, 31, 33 en 34 is sprake van een verstoord veenpakket. Het profiel bestaat boven het oude duinzand uit een humeus pakket met klei en veenbrokken. Dit doet vermoeden dat hier sprake is van een dichtgeworpen vijverpartij of van dichtgeworpen sloten. Buiten de indicaties voor elementen van de voormalige buitenplaats heeft het onderzoek geen relevante indicatoren opgeleverd die duiden op archeologische resten ter plaatsen. Het gehanteerde boorgrid was echter te grofmazig en het gehanteerde boorvolume te gering om over de aanwezigheid van archeologische resten uitspraken te kunnen doen.
56
(vastgesteld)
bestemmingsplan Noorthey
Afbeelding 11: boringen gezet in Noorthey
6.2.3
Conclusie
Binnen het gebied Noortheylaan zijn resten van de buitenplaats Noorthey aangetroffen. In de boringen zijn aanwijzingen voor de aanwezigheid van uitbraaksleuven of fundamentresten van het hoofdgebouw en de vulling van de vijverpartijen aangetroffen. Voor het oude duinlandschap geldt dat er sprake kan zijn van intacte en waardevolle archeologische resten. Op basis van de verkennende boringen kan niet worden vastgesteld of in (delen van) het plangebied geen archeologische resten meer te verwachten zijn. De kans op intacte, grotere nederzettingsterreinen uit de periode Romeinse tijd t/m Late Middeleeuwen wordt echter klein geacht. Voor de laagbouw aan de noordwest en noordrand van het plangebied is het op basis van de voorlopige plannen naar verwachting goed mogelijk om op archeologieduurzame wijze te ontwikkelen, waardoor de verstoring van de bodem minimaal is. Op zichzelf geven de beschikbare archeologische boringen voor deze zone van de laagbouw al voldoende informatie over de diepteligging van eventuele archeologische lagen om een goed archeologieduurzaam plan te kunnen schrijven. Vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven is daar dus niet persé noodzakelijk en vanuit een behoud in situ-perspectief eigenlijk zelfs ongewenst: de verstoringen van de proefsleuven zullen veel groter zijn dan de verstoring van een archeologieduurzaam bouwplan.
(vastgesteld)
57
bestemmingsplan Noorthey Voor het binnenterrein (eventuele te graven waterpartijen) en het hoofdgebouw is archeologieduurzaam bouwen naar verwachting geen reële optie: de verstoring is daar vermoedelijk te groot. Hier zal een archeologisch proefsleuvenonderzoek noodzakelijk zijn. Afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek kan ook een aanvullend archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk zijn. In de planregels is het aspect archeologie voldoende gewaarborgd middels een dubbelbestemming Archeologie.
6.3
Cultuurhistorisch erfgoed
6.3.1
Geschiedenis
Het exemplarische strandwallenlandschap is kenmerkend voor dit gebied. Het is een coulisselandschap met een aaneenschakeling van landschappelijke kamers die zijn gevormd tussen bosvolumes en lanen. De doorzichten en zichtlijnen, samen met het ecologische-, cultuur-, historische- en recreatieve netwerk maken dit landschap zeer waardevol voor de regio. Dit landschap werd grofweg 3000 jaar geleden gevormd. Het bestond uit hoger gelegen strandwallen, met daartussen lager gelegen strandvlakten. Loodrecht op de strandwallen werden ontginningssloten aangelegd, om het veengebied dat op de lager gelegen strandvlakte was gelegen in cultuur te brengen en als weidegebied te gebruiken. Weteringen, zoals de Dobbewetering, waren verantwoordelijk voor de afwatering van de strandvlakten. Op de randen van de strandwallen (de grens tussen de strandwal en de standvlakten) werden boerderijen gebouwd. Veel boerderijen in Leidschendam-Voorburg werden in de 17e eeuw uitgebreid of vervangen door een buitenplaats. Het buiten van de Noorthey, dat pas later zo genoemd werd naar een eigenaar, lag op dezelfde strandwal als het naastgelegen Duivenvoorde.