3337 Vlietvoorde West vg toelichting en regels
Tekst van het document
5.10
Kabels en leidingen
5.10.1 Huidige en toekomstige situatie plangebied Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten noodzakelijk zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken.
5.10.2 Gevolgen voor het plan Er komen in of nabij het gebied geen planologisch relevante kabels en leidingen voor. Er is voor wat betreft dit aspect geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Nader aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
54
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.11
Duurzaamheid
5.11.1 Huidige situatie plangebied In de huidige situatie bestaat het plangebied uit weiland/grasland met enkele woningen. Aangezien het plangebied momenteel grotendeels braak ligt zijn er geen noemenswaardige duurzaamheidsmaatregelen getroffen. Voor de sanering bestond het plangebied van heel Vlietvoorde o.i.d. voor circa 130.000 m2 uit tuinbouwkassen plus de daarbij behorende voorzieningen zoals bedrijfsgebouwen en een grootschalig tuincentrum met de daarbij behorende voorzieningen. Het is niet bekend in hoeverre duurzaamheid een rol speelde ten tijde van de bedrijfsvoering van de tuinbouwkassen.
5.11.2 Toekomstige situatie Wonen temidden van een bosrijk landschap is het uitgangspunt van Vlietvoorde West en daarbij is duurzaamheid één van de hoofdpunten. De ontwikkeling van Vlietvoorde West beoogt een integraal duurzame leefomgeving. Een ontwikkeling waar natuur en landschap voor flora, fauna en mens in een duurzaam en aantrekkelijk nalatenschap aan toekomstige generaties wordt doorgegeven. Met de ontwikkeling van Vlietvoorde West wordt ruimte geboden aan flora en fauna die door de glastuinbouw in de vorige eeuw uit het gebied zijn verdreven. Een belangrijk onderdeel van een duurzame toekomst in ons land is het terugbrengen en vergroten van de biodiversiteit. Met de afname van de hoeveelheid verharding en een grote hoeveelheid nieuwe natuur draagt Vlietvoorde West bij aan een landelijk belang. De doelstelling is om alle ontwikkelingen binnen Vlietvoorde West CO 2 neutraal te kunnen uitvoeren. Om het gehele gebied Vlietvoorde tot een duurzame ontwikkeling te maken is circulair denken van belang. Op individueel vlak wordt per woning ingezet op een circulaire samenleving, waarbij voor, tijdens en na het bouwproces zoveel mogelijk toekomstbestendige systemen zijn gebruikt of ingepast. Enkele voorbeelden zijn de waterzuivering die binnen het gebied Vlietvoorde plaatsvindt en het toepassen van duurzame bouwmaterialen.
De woningen worden conform de doelstellingen van de gemeente Leidschendam - Voorburg gasloos gebouwd en voorzien van een duurzame energievoorziening. De bewoners van Vlietvoorde West zullen gezamenlijk zorg dragen voor het beheer en het duurzame onderhoud van de leefomgeving. Door de zorg (onder begeleiding) over te dragen aan de inwoners van Vlietvoorde West wordt de collectieve verantwoordelijkheid voor de eigen duurzame leefomgeving aangewakkerd en versterkt.
5.11.3 Gevolgen voor het plan De ontwikkelingen binnen het plangebied sluiten aan op de duurzaamheidsdoelstellingen waar heel Nederland naar streeft. Nieuwe woningen mogen per 1 juli 2018 niet meer aangesloten worden op het gasnetwerk, maar dienen met een duurzamere en schonere energievoorzieningen gerealiseerd te worden. De realisatie van het project Vlietvoorde West draagt bij aan het verduurzamen van het vastgoed van de gemeente Leidschendam - Voorburg en helpt bij het terugdringen van de CO2 concentratie in de atmosfeer. Aanvullend versterkt het project Vlietvoorde West de natuurlijke ontwikkeling binnen de gemeente door ruimte te bieden aan verschillende soorten flora en fauna.
(vastgesteld)
55
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.12
Bedrijven- en milieuzonering
5.12.1 Huidige situatie plangebied De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of er in de omgeving belemmerende bedrijvigheid aanwezig is voor de beoogde milieugevoelige functies binnen het plangebied Vlietvoorde West. Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied Richtafstand rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 5 Richtafstanden VNG-brochure bedrijven en milieuzonering Het veranderen van de bestemming binnen het plangebied Vlietvoorde West kan invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende bedrijven. In de directe nabijheid van het plangebied heeft het perceel Veursestraatweg 199B de bestemming 'Bedrijf'. Het gaat om verhuurbedrijven in roerende goederen in de milieucategorie 2. De afstand van het bedrijf tot de rand van het plangebied is circa 100 meter. Daarmee is er voldoende afstand tussen woningen en het bedrijf om geen belemmering te zijn. Verder kent de omgeving van het plangebied geen bedrijven.
5.12.2 Gevolgen voor het plan Dit bestemmingsplan heeft geen beperkende werking op de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende bedrijven en de ontwikkeling van woningen in het plangebied. Er is voor het aspect bedrijven- en milieuzonering geen verdere onderzoek nodig om de beoogde woningen binnen Vlietvoorde West te ontwikkelen.
56
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.13
Verkeer en parkeren
De reikwijdte van het begrip 'goede ruimtelijke ordening' bestrijkt ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft besloten de maximumsnelheid op de Veursestraatweg te willen verlagen van 80 km/uur naar 50 km/uur, in combinatie met een herinrichting van de weg en het opschuiven van de grens van de bebouwde kom. Omdat deze gewenste snelheidsverlaging nog geen juridische status heeft is in onderhavig bestemmingsplan nog uitgegaan van een maximumsnelheid van 80 km/uur. Indien de snelheidsverlaging nog voor de definitieve vaststelling wordt doorgevoerd dan zal onderhavig bestemmingsplan daarop aangepast worden.
5.13.1 Huidige verkeerssituatie In de huidige situatie zijn de woningen aan de Veursestraatweg direct op deze weg ontsloten. Tussen de Veursestraatweg (N447) en deze woonpercelen ligt een vrijliggend fietspad. Verkeer op de N-weg en het fietspad heeft daarbij voorrang. Vanuit de Veursestraatweg lopen twee ontsluitingswegen langs het plangebied naar de verspreid liggende woningen rondom het plangebied. De wegen hebben een informeel karakter en zijn ingericht als erftoegangswegen. Parkeren bij de woningen vindt op eigen perceel plaats. Er zijn geen openbare parkeerplaatsen in het gebied aanwezig.
5.13.2 Nieuwe verkeerssituatie In de nieuwe situatie wordt wordt het totale plangebied door middel van een ontsluitingsweg ontsloten op de Veursestraatweg. Deze nieuwe weg wordt gerealiseerd ter plaatse van de parkeerplaats van het voormalige tuincentrum aan de Veursestraatweg 292C, ten westen van het plangebied. De gebiedsontsluitingsweg loopt via het zuiden van het plangebied om het woongebied heen. De ontsluitingsweg wordt met een bomenrij begeleid en sluit aan op de doorgaande Veursestraatweg enerzijds en op de geplande wegen van het gebied Vlietvoorde anderzijds. In het woongebied komt de gebiedsontsluitingsweg uit op verscheidene parkeerplaatsen aan de rand van het plangebied.
Fietsers en voetgangers In Vlietvoorde wordt één compleet netwerk voor gemotoriseerd en langzaam verkeer aangelegd. In Vlietvoorde West zal het gemotoriseerd verkeer om het woongebied heen worden geleid, en kan het gebied inrijden tot aan de gemeenschappelijke parkeerplaatsen die gerealiseerd zullen worden aan de rand van het gebied. Individuele woonpercelen kunnen lopend worden bereikt. Een fiets- en voetpad zal komen aan de rand van Vlietvoorde West, te midden van Vlietvoorde, welke hun eigen ontsluitingen hebben op de Veursestraatweg.
Openbaar vervoer Nabij het plangebied wordt in beide richtingen een bushalte gerealiseerd. De buslijn vormt de verbinding tussen het plangebied en Leidschendam/Voorburg enerzijds en Voorschoten/Leiden anderzijds.
Parkeren
(vastgesteld)
57
bestemmingsplan Vlietvoorde West In het plangebied is de parkeernota 'Nota Parkeernormen 2012' van de gemeente Leidschendam Voorburg van toepassing. Het parkeren bij de beoogde functies dient te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in de parkeernormennota. Voor wat betreft het parkeren bij de woningen worden er in de nabijheid van woningen centrale parkeervoorzieningen gerealiseerd. Deze parkeervoorzieningen zullen grotendeels onder het maaiveld (onder het bos) worden gerealiseerd om zo het groene karakter van het plangebied te waarborgen. De parkeerplaatsen boven het maaiveld zullen zo veel mogelijk uit het zicht worden onttrokken. In onderstaande tabellen is de parkeerbehoefte voor Vlietvoorde West in kaart gebracht. Er is uitgegaan van een worst-case scenario, waarin de woningen in de categorie 'duur' zullen vallen. Er zal in de doorberekening van de parkeerbehoefte uit worden gegaan van de gemiddelde parkeernorm van zeer sterk stedelijk- en buitengebied voor tussen- en hoekwoningen gegeven vanuit de 'Nota Parkeernormen' van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Er wordt gerekend met 0,3 parkeerplaatsen per woning openbaar toegankelijk voor bezoekers.
Type woningen
aantal
parkeernorm gemiddeld (inclusief 0,3 bezoekersparkeren)
parkeerbehoefte
Woning, vier- en zes-onder-een-kap woningen
58
2,0
116
Tabel 4 Parkeerbalans Vlietvoorde West De parkeerbehoefte van Vlietvoorde West bedraagt afgerond 116 parkeerplaatsen. Om hierin te voorzien worden er 94 parkeerplaatsen gerealiseerd onder het maaiveld (voor de bewoners) en 22 op het maaiveld (voor bezoekers). Op basis van de bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden om in de totale parkeerbehoefte van de bewoners en bezoekers van Vlietvoorde West te voorzien. De parkeerbehoefte is conform de gemeentelijke parkeernota "Nota Parkeernormen 2012' berekend.
Verkeersgeneratie De gemeente Leidschendam - Voorburg is voornemens meerdere woningbouwontwikkelingen binnen de Duivenvoordecorridor en nabije omgeving te realiseren. Het gaat dan om ontwikkelingen binnen zowel de Duivenvoordecorridor als binnen direct aangrenzende gebieden, zoals de gebieden Schakenbosch en Vliethaven). Ten behoeve van een veilige en gewenste verkeersontsluiting voor al deze woongebieden, dus ook buiten de Duivenvoordecorridor, is een verkeersstudie uitgevoerd. De uitgevoerde verkeersstudie is toegevoegd als Bijlage 8. De ontwikkelingen die binnen onderhavig bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt zijn meegenomen in deze verkeersstudie. De Veursestraatweg zal op basis van de uitgevoerde studie door de gemeente Leidschendam - Voorburg ter hoogte van het plangebied heringericht worden. In deze verkeersstudie is het gehele gebied Vlietvoorde (alle 4 de woongebieden) meegenomen in de analyse van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie. In de berekening van de verkeerssituatie is uitgegaan van 9,5 ritten per woning/per dag. Voor deelgebied Vlietvoorde West betekent dit een verkeersgeneratie van (9,5 * 58 =) 551 per dag. In paragraaf 5.6.3 is reeds aangetoond dat deze toename in verkeersgeneratie geen negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit ter plaatse.
5.13.3 Gevolgen voor dit plan Parkeren Op basis van de uitgevoerde berekening dienen er voor de bewoners en bezoekers van het nieuwe woongebied 116 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Deze 116 parkeerplaatsen zijn opgenomen in het ontwerp van Vlietvoorde West. Met zekerheid kan gesteld worden dat het plangebied voldoende ruimte biedt om de parkeerbehoefte op te vangen.
58
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.14
Milieueffectrapportage
Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen, waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt (kolom 2), dan is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.-vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken.
Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal moeten worden.
5.14.1 Gevolgen voor dit plan De beoogde ontwikkeling past binnen bijlage D (categorie 11.2) van het Besluit m.e.r. Gezien de omvang van het plan worden de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D (categorie 11.2) niet gehaald en kan worden volstaan met een zogenoemde 'vormvrij m.e.r.-beoordeling'. Door de wijziging in de wetgeving per juli 2017, dient ook in deze gevallen door het bevoegd gezag een besluit te worden genomen dat geen volledige m.e.r.-procedure benodigd is. Hiervoor dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis van de toelichting van het bestemmingsplan en de uitgevoerde milieuonderzoeken en de cumulatie met overige ontwikkelingen. Deze aanmeldnotitie is toegevoegd als Bijlage 10 bij dit bestemmingsplan.
(vastgesteld)
59
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Hoofdstuk 6 6.1
Cultureel erfgoed
Inleiding
Dit hoofdstuk gaat in op het cultureel erfgoed in en rondom het plangebied. Het gaat hierbij om de onderdelen archeologie, monumenten, beschermde stadsgezichten en waardevolle landschapselementen.
6.2
Archeologisch erfgoed
6.2.1
Huidige archeologische situatie
6.2.1.1 Inleiding Gemeenten zijn verplicht om in bestemmingsplannen rekening te houden met archeologische waarden. Dat is vastgelegd in de Erfgoedwet (hoofdstuk 9). De Erfgoedwet regelt samen met de toekomstige Omgevingswet de omgang met het cultureel erfgoed in Nederland, waaronder de archeologische waarden in de bodem. De zorgplicht voor het cultureel erfgoed wordt in de Erfgoedwet bij de gemeenten neergelegd. Het bestemmingsplan met het daaraan gekoppelde vergunningsstelsel is het instrument voor de uitvoering van deze zorgplicht. In deze paragraaf komen eerst het wettelijk kader en het gemeentelijke archeologiebeleid aan de orde. Daarna worden de resultaten van de uitgevoerde archeologische onderzoeken besproken, en vervolgens de maatregelen die worden genomen om de archeologische waarden te beschermen Alhoewel gemeentes in het kader van de Erfgoedwet de zorgplicht voor archeologisch waarden in de bodem hebben, zijn de archeologisch waardes binnen Vlietvoorde West ook van provinciaal belang. De gemeente Leidschendam - Voorburg heeft alle ontwikkelingen binnen het plangebied, dus ook ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie, afgestemd met de provincie Zuid - Holland.
6.2.1.2 Wettelijk kader: Verdrag van Valletta en de Erfgoedwet In 1993 heeft Nederland het Verdrag van Valletta, ook wel bekend onder de naam Verdrag van Malta, getekend, en in 1998 geratificeerd. Doel van het Verdrag van Valletta is een betere bescherming van het Europese cultureel erfgoed door een structurele inpassing hiervan in de ruimtelijke ordening. De bepalingen van het Verdrag van Valletta zijn in Nederland geïmplementeerd in de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed gebundeld. De Erfgoedwet regelt de bescherming van het archeologische erfgoed, de inpassing hiervan in ruimtelijke ontwikkelingen en de financiering van het archeologische onderzoek. Bij het ingaan van de Erfgoedwet op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de Monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing Archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht van de Erfgoedwet, waar ze van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Het betreft vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; en de bescherming van stads- en dorpsgezichten. De uitgangspunten voor de bescherming van het archeologisch erfgoed in de wetgeving zijn de volgende: Archeologische waarden moeten zoveel mogelijk in de bodem, in situ, behouden en ontzien worden. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud ex situ, d.w.z. behoud van informatie door het verrichten van opgravingen en het opslaan van gegevens en vondsten;
60
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Het onderzoek naar archeologische waarden moet in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming plaatsvinden, zodat in de uitwerking en uitvoering van de plannen rekening gehouden kan worden met de aanwezige archeologische vindplaatsen; De verantwoordelijkheid voor het archeologische erfgoed ligt bij de gemeenten, die verplicht zijn tot het opstellen en uitvoeren van archeologiebeleid; De initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten moet het archeologische onderzoek en de eventuele inpassing van archeologische waarden in de planontwikkeling en -uitvoering zelf regelen en ook zelf betalen (principe 'de verstoorder betaalt').
6.2.1.3 Gemeentelijk beleid De gemeente gemeente Leidschendam-Voorburg beschikt sinds 2009 over een archeologiebeleid, waarin wordt samengewerkt met de gemeenten Wassenaar en Voorschoten. In 2014 is het archeologiebeleid herzien en is de "Nota herijking archeologiebeleid 2013, gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten" vastgesteld. Op de beleidskaart behorende bij de Nota is het grondgebied van de gemeenten opgedeeld in vier categorieën archeologische gebieden: Waarde Archeologie 1 t/m Waarde Archeologie 4. Voor elke categorie gelden verschillende vrijstellingsgrenzen (oppervlakte- en dieptegrenzen) en verschillende beleidsregels, afhankelijk van de archeologische waarde of verwachting. Bij bodemingrepen die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, kan de gemeente voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. De voorwaarden kunnen bestaan uit de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en/of het treffen van maatregelen om de archeologische waarden in de bodem te behouden. De gemeente maakt daarbij een afweging tussen archeologische en andere, maatschappelijke belangen. Het is ook mogelijk dat een vergunning in het belang van het archeologische erfgoed niet wordt verleend. Op de gemeentelijke beleidskaart ligt Vlietvoorde West in een gebied met Waarde Archeologie 3.
Voor deze categorie gelden vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm beneden maaiveld.
Afbeelding 19 Plangebied (in het rood) op de gemeentelijke beleidskaart archeologie
(vastgesteld)
61
bestemmingsplan Vlietvoorde West
6.2.1.4 UNESCO Werelderfgoed Aan de rand van het programma Vlietvoorde, net buiten het plangebied Vlietvoorde West bevinden zich goed bewaarde resten van het Romeinse Kanaal (de Limes) van Corbulo, dat omstreeks 50 na Christus door de Romeinen is gegraven om de monding van de Maas en de Rijn met elkaar te verbinden. Het deel van dit kanaal dat door Vlietvoorde loopt, is recentelijk op de UNESCO Werelderfgoedlijst geplaatst. Aan de Limes wordt het hoogst mogelijke niveau van bescherming in Nederland opgelegd en is aangewezen ans archeologisch Rijksmonument. Het Kanaal valt niet langer onder het gemeentelijk beleid, maar onder de bevoegdheid van het Rijk (art. 3.1 Erfgoedwet). In principe zijn bodemingrepen ter plaatse van het kanaal niet meer toegestaan. In het bestemmingsplan 'Vlietvoorde' is rekening gehouden met de status van het Kanaal van Corbulo als archeologisch Rijksmonument. De ligging van dit Rijksmonument heeft geen invloed op de ontwikkeling van het plangebied Vlietvoorde West.
62
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West Afbeelding 20 Ligging van een gedeelte van het kanaal van Corbulo binnen Vlietvoorde (plangebied Vlietvoorde West in rood)
6.2.1.5 Archeologievriendelijk bouwen Vanwege de grote archeologische rijkdom van Vlietvoorde heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg voor dit plangebied in aanvulling op het gemeentelijke archeologiebeleid expliciet tot doel gesteld de archeologische waarden in de bodem zoveel mogelijk te behouden. Bij de ontwikkeling van Vlietvoorde West moet worden uitgegaan van archeologievriendelijke of archeologie sparende methoden. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de "Handreiking Archeologievriendelijk bouwen" van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze Handreiking doet geen uitspraken over de maximaal toelaatbare verstoringen op archeologische vindplaatsen, omdat dit een bevoegdheid is die aan de gemeenten toekomt. Daarom is een locatiespecifieke notitie opgesteld (Groenendijk, 2020) waarin is vastgelegd waaraan een archeologievriendelijk bouwplan moet voldoen, beoordelingscriteria worden gegeven voor de toetsing van bouwplannen, en diverse oplossingen worden aangedragen om een bouwplan archeologievriendelijk(er) te maken.
6.2.2
Toekomstige archeologische situatie
6.2.2.1 Archeologisch onderzoek De voorgenomen ontwikkelingen in Vlietvoorde West overschrijden de gemeentelijke vrijstellingsgrenzen. Daarom zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van archeologisch waarden. Voor het bestemmingsplan 'Vlietvoorde' zijn reeds een verkennend booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek, uitgevoerd in 2014, zijn diverse boringen gezet binnen het plangebied Vlietvoorde-West, zie afbeelding 21 (overgenomen uit RAAP rapport 2651). Alle boringen binnen het plangebied tonen een verstoorde top van het duinzand.
Afbeelding 21: booronderzoek RAAP 2014 (plangebied in rood aangegeven) Het proefsleuvenonderzoek heeft resultaten opgeleverd voor het poldergebied van Vlietvoorde, waarin de deelgebieden 'plas' en 'kreek' zich bevinden. Omdat dit onderzoek niet van toepassing is op Vlietvoorde West zal het in dit bestemmingsplan niet verder besproken worden.
(vastgesteld)
63
bestemmingsplan Vlietvoorde West Het proefsleuvenonderzoek van Raap Archeologisch Adviesbureau (2017) is ook voor het gehele plangebied uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9 bij dit bestemmingsplan. Dit onderzoek heeft geresulteerd in vijf archeologische vindplaatsen in Vlietvoorde. Voor de ontwikkeling van Vlietvoorde West is alleen vindplaats 3 relevant; de overige vindplaatsen vallen buiten het plangebied van Vlietvoorde West. Deze vindplaats wordt door RAAP als volgt beschreven en gewaardeerd: Vindplaats 3: Midden en Late IJzertijd en inheems-Romeinse periode: los vondstmateriaal in verschillende putten, vooral op de overgangszone van zand naar veen. De vondsten en sporen zijn aangetroffen op dieptes tussen 1,50 en 2,00 m -NAP (0,6 tot 1,10 m -mv). Deze vindplaats wordt niet als behoudenswaardig aangemerkt, aangezien deze put volledig is afgetopt. Het rapport stelt expliciet dat “in de in de noordwestelijke strook van het plangebied de strandwal (is) afgetopt. Eventuele prehistorische vindplaatsen die hierop hebben gelegen zullen dan ook verdwenen zijn. (Molthoff 2018, p23”). Vervolgstappen bestaande uit vervolgonderzoek of beschermende maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Wel wordt aanbevolen om eventuele graafwerkzaamheden in de overgangszone van veen naar zand extensief te laten begeleiden, bijvoorbeeld door amateurarcheologen, die op die manier nog vondsten kunnen verzamelen en waarnemingen kunnen doen.
64
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 22 De archeologische vindplaatsen aangetroffen bij het proefsleuvenonderzoek van Raap (Molthof 2018) Op basis van de waarderingscriteria van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie zijn vindplaatsen 1, 4 en 5 aangemerkt als waardevol en behoudenswaardig, en vindplaats 3, relevant voor Vlietvoorde West, als niet behoudenswaardig. Met de kennis die is opgedaan met de uitgevoerde archeologische onderzoeken kan geconcludeerd worden dat er in de planvorming geen rekening gehouden dient te worden met vindplaats 3 ter plaatse van de ontwikkeling van Vlietvoorde West.
(vastgesteld)
65
bestemmingsplan Vlietvoorde West 6.2.3
Gevolgen voor het plan
6.2.3.1 Bescherming archeologische waarden Voor dit bestemmingsplan hebben de beleidsregels en voorschriften van de huidige archeologienota (2013) als uitgangspunt gediend. Het plangebied Vlietvoorde West is afdoende onderzocht en kent alleen vindplaats 3, welke niet als behoudenswaardig wordt aangemerkt. Het plangebied krijgt daarom geen dubbelbestemming archeologie. Eventuele archeologische resten in de gebieden zonder dubbelbestemming archeologie worden beschermd door de wettelijke meldingsplicht voor archeologische (toevals)vondsten van art. 5.10 van de Erfgoedwet: degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet of moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, is verplicht deze vondst te melden bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, provincie Zuid-Holland of de gemeente Leidschendam-Voorburg) en gedurende zes maanden ter beschikking te houden voor onderzoek.
6.2.3.2 Conlusie Op basis van deze twee onderzoeken stelt de gemeente dat de resultaten uit de proefsleuven een bevestiging zijn van de resultaten uit het booronderzoek, en dat er zo voldoende informatie is om te concluderen dat de strandwal onder plangebied Vlietvoorde West volledig is afgetopt. Binnen het plangebied zijn er op de strandwal dus geen archeologische resten meer te verwachten.
6.3
Cultuurhistorisch erfgoed
6.3.1
Huidige cultuurhistorische situatie
Er zijn in de bestaande situatie nog geen planologisch verankerde Rijksmonumenten in het plangebied aanwezig. Wel ligt aan de zuidwestzijde, op korte afstand van het plangebied, het Rijksmonument Veursestraatweg 288 (boerderij). Ook de Rijksbeschermde Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam (ten noorden van de Veursestraatweg, ten oosten van Schakenbosch en aan weerskanten van de Noortheylaan) ligt op korte afstand van het plangebied.
6.3.2
Toekomstige cultuurhistorische situatie
Met de sloop van de voormalige tuinbouwkassen ontstonden er kansen om de oude landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied te herstellen. Binnen het plangebied Vlietvoorde West zijn geen oude cultuurhistorische waarden te vinden. In het plan Vlietvoorde zal ruimte worden geboden voor het herstellen van het landgoed Oostbos en van het Romeinse kanaal van Corbulo, welke deel uitmaakt van de UNESCO werelderfgoedlijst. Kijkend naar afbeelding 20 is te zien dat het plangebied van Vlietvoorde-West buiten de UNESCO- bufferzone van Corbulo ligt.
6.3.3
Gevolgen voor dit plan
De ontwikkeling van het plan Vlietvoorde West heeft geen directe invloed op de in het plan aanwezige en aangrenzende monumenten. In de planopzet van Vlietvoorde, waar Vlietvoorde West bij aansluit, is rekening gehouden met de oorspronkelijke typologie van het landschap door zichtlijnen op te nemen.
66
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische vormgeving
Systematiek van de bestemmingsregels
Dit bestemmingsplan is opgesteld voor een specifieke ontwikkeling, namelijk de realisatie van een uniek woonmilieu Vlietvoorde West, binnen het gebied Vlietvoorde, aan de Veursestraatweg. Met voorliggend plan wordt het voormalige glastuingebied herbestemd tot woongebied. De juridisch-planologische regeling van dit bestemmingsplan is opgesteld conform de gangbare en actuele bestemmingsplannormen en standaarden voor digitaal uitwisselbare ruimtelijke plannen. De plandocumenten omvatten de bindende planstukken, te weten de regels en de verbeelding, en de onderbouwende of toelichtende planstukken (de toelichting en andere onderzoeken). De regels en de verbeelding bevatten een juridische vertaling van de beleidsvoorwaarden vanuit de diverse overheden enerzijds (hoofdstuk 2) en van het beoogde ruimtelijk toekomstperspectief anderzijds (hoofdstuk 4). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met: de toelichting op de verbeelding en regels; nadere onderzoeken t.b.v. diverse specifieke beleidsaspecten.
7.2
Inleidende regels
De artikelen 1 en 2 omvatten alle gebruikelijke bepalingen en definities, die van belang zijn voor de toepassing van zowel de bestemmingsregels als de algemene regels. Zodoende hebben zij een zekere betekenis voor de handhaving van de regels en de hierin bepaalde eisen ten behoeve van bijvoorbeeld de stedenbouwkundige karakteristiek en/of cultuurhistorische waarde.
7.3
Bestemmingsregels
Woongebied De gronden met de enkelbestemming 'Woongebied' zijn bestemd voor de het bosrijke woongebied dat beschreven is in onderhavig bestemmingsplan. Binnen het woongebied is wonen toegestaan in twee-onder-een-kap, aangebouwde, vrijstaande en gestapelde woningen.
7.4
Algemene regels, overgangs- en slotregels
In het bestemmingsplan is een aantal algemene regels opgenomen, zoals algemene bouw- en gebruiksregels. Ook is een vergunningsplicht opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, met name ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden in het gebied. Tenslotte zijn de wettelijk verplichte bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het bestemmingsplan.
7.5
Toepassing en handhaving van het bestemmingsplan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. De wettelijke basis hiervoor is gelegd in artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met de afdelingen 5.3 en 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:
(vastgesteld)
67
bestemmingsplan Vlietvoorde West 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Het bestemmingsplan is immers aan eenieder kenbaar gemaakt zodat wordt aangenomen dat belanghebbenden in het plangebied op de hoogte (kunnen) zijn van de regels; 2. Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring wordt ondersteund door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk; 3. Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is; 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
De afdeling die belast is met handhaving heeft jaarlijkse handhavingsplannen en een handhavingsprogramma voor meerdere jaren. Daarin zijn prioriteiten gesteld ten aanzien van de te handhaven zaken. In het algemeen geldt op grond van vaststaande jurisprudentie een beginselplicht tot handhaving. Dat neemt natuurlijk niet weg dat per geval moet worden onderzocht of handhaving (nog) mogelijk of proportioneel is. Een uitzondering is bijvoorbeeld concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Bij handhaving van de regels wordt onder meer aandacht besteed aan de normen met betrekking tot brandveiligheid en constructieve veiligheid, monumentenstatus, toezicht op de naleving en uitvoering van omgevingsvergunningen en de handhaving op milieuovertredingen.
68
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Hoofdstuk 8
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid
8.1.1
Financieel-economische uitvoerbaarheid
Het vereiste van economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan dwingt tot economische planvorming: bij de ontwikkeling van het ruimtelijk plan dienen voortdurend de lasten die zijn verbonden aan het realiseren van de doelstellingen van het plan te worden afgezet tegen de baten daarvan. Bij de economische verantwoording in de plantoelichting zal vooral aandacht moeten worden besteed aan de cijfermatige verklaring van de bij de planontwikkeling gemaakte keuzes. Daarbij moeten ook de feitelijk te verwachten exploitatiekosten worden beschouwd in relatie tot de materiële en immateriële 'nuttigheid' van de met het desbetreffende bestemmingsplan mogelijk gemaakte voorzieningen. Van de verantwoording van de uitkomsten van het verplichte onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan zal meestal een verantwoording van de berekeningen over de grondexploitatie deel uitmaken, maar dat is daarvan slechts één aspect. De verantwoordingsplicht gaat niet zover dat in het (openbare) bestemmingsplan gedetailleerde cijfers moeten worden opgenomen over bijvoorbeeld vertrouwelijke bedrijfsinformatie, kostenramingen voor aanbestedingen of vertrouwelijke informatie over de financiële positie van particuliere participanten.
In de jurisprudentie is geaccepteerd dat in het bestemmingsplan kan worden volstaan met het opnemen van de op basis van deze gegevens getrokken conclusies. Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om op de locatie 'Vlietvoorde West' nieuwbouw te realiseren. Er wordt geen exploitatieplan opgesteld. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Leidschendam-Voorburg en de initiatiefnemer, waarmee het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
8.1.2
Grondexploitatiewet
Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden, waarop de verwezenlijking van een bouwplan als genoemd in artikel 6.2.1 Bro is voorgenomen. Met deze dwingende wettelijke regeling heeft de wetgever beoogd een transparante en rechtvaardige regeling vast te leggen op basis waarvan door de gemeente gemaakte grondexploitatiekosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied kunnen worden verhaald. Het voorliggende bestemmingsplan 'Vlietvoorde West' beoogt een juridisch-planologische regeling vast te leggen, die het verwezenlijken van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zoals gezegd voor de in het Bro genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. De gemeenteraad kan echter bij het besluit tot de vaststelling van een bestemmingsplan tevens besluiten van de gelijktijdige vaststelling van een exploitatieplan af te zien, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in dat bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen anderszins is verzekerd. Onder 'anderszins verzekerd zijn' kan in het bijzonder worden verstaan verhaal van deze grondexploitatiekosten via het privaatrechtelijke spoor, zoals door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer / grondeigenaar.
(vastgesteld)
69
bestemmingsplan Vlietvoorde West
8.1.3
Gevolgen voorliggend bestemmingsplan
Bij de vaststelling van voorliggende bestemmingsplan dient het onderliggende plankostenverhaal gedekt te zijn. De wet schrijft voor dat op het moment dat de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt, er zekerheid moet bestaan over de dekking van door de gemeente te maken plankosten. Indien het kostenverhaal op het moment van vaststelling van het plan (nog) niet anderszins verzekerd is, dan is de gemeenteraad op grond van de Wet ruimtelijke ordening verplicht om tegelijkertijd met het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Ten behoeve van het voorliggende plan heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg een zogenoemde koop- en realisatieovereenkomst gesloten met de ontwikkelende partij. In deze overeenkomst, die als een anterieure overeenkomst kan worden aangemerkt, zijn partijen overeengekomen dat het plankostenverhaal verdisconteerd is in de prijs, waarvoor de gemeente de in het plan begrepen gronden verkoopt aan de ontwikkelende partij. Daarmee is het plankostenverhaal anderszins verzekerd en kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan. Voor de economische uitvoerbaarheid van het voorliggende plan is voorts nog het volgende van belang. Voor het project Duivenvoordecorridor / Vlietvoorde heeft de gemeente een grondexploitatie geopend.
Indien deze grondexploitatie een negatief resultaat laat zien, is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan slechts aannemelijk wanneer de gemeente ofwel het tekort op de grondexploitatie afboekt ofwel een voorziening voor dit tekort opneemt in de gemeentelijke begroting. De grondexploitatie voor Duivenvoordecorridor / Vlietvoorde kent ten tijde van het in procedure brengen van het voorliggende bestemmingsplan een negatief resultaat. De gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg heeft in het kader van dit negatief resultaat op de grondexploitatie een voorziening opgenomen in de begroting. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling (in elk geval vanuit gemeentelijk perspectief) economisch uitvoerbaar is.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het opstellen van een bestemmingsplan dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat er vooroverleg met betrokken instanties, burgers en maatschappelijke organisaties plaatsvindt, zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting tot het voeren van vooroverleg vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond hiervan is de gemeente verplicht bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Het bestemmingsplan wordt niet aan inspraak onderworpen op grond van de Inspraakverordening gemeente Leidschendam-Voorburg. Door het volgen van de procedure als bedoeld in artikel 3:4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) wordt eenieder immers actief betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Naast de wettelijke verplichting om de mogelijkheid te bieden om door eenieder zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen, zal er tevens vooroverleg met betrokken instanties, maatschappelijke organisaties, ingezetenen en belanghebbenden plaatsvinden.
Gedurende het opstellen van onderhavig bestemmingsplan heeft reeds afstemming plaatsgevonden met verschillende instanties en organisaties.
8.2.1
Resultaten Zienswijzen
Wordt aangevuld naar aanleiding van de mogelijk ingediende zienswijzen.
70
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlagen bij toelichting
(vastgesteld)
71
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 1
72
Woonvisie woningmarktregio Haaglanden
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 2
(vastgesteld)
Vooronderzoek niet-gesprongen explosieven
73
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 3
74
Aerius-berekening Vlietvoorde-West
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 4
(vastgesteld)
Aerius-uitdraai Realisatiefase
75
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 5
76
Aerius-uitdraai Gebruiksfase
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 6
(vastgesteld)
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
77
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 7
78
Quickscan Flora & Fauna Vlietvoorde-West
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 8
(vastgesteld)
Verkeersstudie Veursestraatweg
79
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 9
80
Archeologisch proefsleuvenonderzoek
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bijlage 10
(vastgesteld)
Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie
81
bestemmingsplan Vlietvoorde West
82
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Regels
(vastgesteld)
83
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan 'Vlietvoorde-West' met identificatienummerNL.IMRO.1916.VlietvoordeWest-VG01 van de gemeente Leidschendam-Voorburg. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan huis verbonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken door een bewoner van die desbetreffende woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefeningen geen ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. 1.4
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6
aangrenzende woning
een woning, die zich bevindt op een aangrenzend bouwperceel. 1.7
achtergevel
De van de weg afgekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg afgekeerde gevel, niet zijnde de voor- of zijgevel. 1.8
algemene leefbaarheidstoets
Toets bij een vergunningaanvraag voor woningsplitsing en kamerverhuur waarbij de leefbaarheid in de directe omgeving van het betreffende gebouw in kaart wordt gebracht zoals opgenomen in de 'Beleidsnota Woningsplitsing en kamerverhuur Leidschendam-Voorburg 2021' 1.9
archeologisch advies
een advies, opgesteld door de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag, waarin de kaders voor een uit te voeren archeologisch onderzoek zijn aangegeven en aan de hand waarvan opdrachtverstrekking kan plaatsvinden aan de instantie die het archeologisch onderzoek verricht. 1.10
archeologisch adviseur van het bevoegd gezag
een door de gemeente aangewezen adviseur die het bevoegd gezag adviseert op archeologisch gebied. 1.11
archeologische begeleiding
begeleiding van de graafwerkzaamheden door een archeoloog. 1.12
archeologievriendelijk bouwen
het treffen van technische en andere maatregelen om archeologische waarden in de bodem te ontzien.
84
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
1.13
archeologisch onderzoek
onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische relicten door een gecertificeerde instantie werkend conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Dit onderzoek kan bestaan uit bureauonderzoek, booronderzoek, begeleiden, proefsleuvenonderzoek, opgravingen of een combinatie daarvan. 1.14
archeologisch peil
diepte waaronder archeologisch waardevolle resten aanwezig zijn of kunnen zijn, inclusief marge van 30 cm ter bescherming van de archeologische waarden. 1.15
archeologisch rapport
rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 1.16
archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het in dat gebied voorkomen van archeologische relicten. 1.17
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.18
bebouwingsgebied
achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw. 1.19
begane grond
de onderste bouwlaag van een gebouw. 1.20
bestaand
bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. 1.21
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.22
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.23
bevoegd gezag
het bestuursorgaan dat bevoegd is omtrent die zaak besluiten te nemen of beschikkingen af te geven. 1.24
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 1.25
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.26
bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
(vastgesteld)
85
bestemmingsplan Vlietvoorde West
1.27
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van de zolder. 1.28
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.29
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.30
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarop ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.31
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.32
cultuurhistorie
historische (stede)bouwkunde / bovengrondse monumentenzorg archeologie, en cultuurlandschap / historische geografie. 1.33 cultuurhistorische waarde de aan een gebied en/of bouwwerk toegekende waarde in verband met ouderdom of gaafheid, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 1.34
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw of -indien en voor zover daarbij sprake is van een bovenbeëindiging van enige relevante omvang- een bouwwerk. 1.35
dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de goot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van deze constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.36
dienstverlening
het aanbieden, verkopen en/of leveren van commerciële, economische en/of maatschappelijke diensten aan derden. 1.37
erf
a. achtererf: de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan; b. voorerf: de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn vóór de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw of voor een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan; c. zij-erf: gedeelte van het erf, dat is gelegen buiten de oorspronkelijke zijgevel; d. voor percelen waarin een bouwvlak is aangegeven: het gedeelte van een perceel dat is gelegen buiten het bouwvlak en dat in feitelijk opzicht is bestemd ten dienste van het gebruik van het - in het bouwvlak gesitueerde - hoofdgebouw; e. voor percelen waarin geen bouwvlak is aangegeven: het gedeelte van een perceel dat is gelegen buiten de hoofdmassa van het hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is bestemd ten dienste van het gebruik van het - op het perceel gesitueerde - hoofdgebouw. 1.38 erfafscheiding
86
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West een afscheiding op en rond een erf, waarmee de gronden worden begrensd die in ruimtelijk opzicht direct bij, in functioneel opzicht ten dienste staan van en/of in feitelijk opzicht direct aansluiten op het (hoofd)gebouw op dat erf; de eigendomsgrenzen zijn hierbij niet van doorslaggevende betekenis. 1.39
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.40
gecerfiticeerde instantie
instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in art. 5.1 van de Erfgoedwet. 1.41
gestapelde woning
een woning waarboven en/of waaronder een andere woning is gebouwd of andere woningen zijn gebouwd, dan wel waaronder voorzieningen ten behoeve van bijvoorbeeld detailhandel of dienstverlening zijn gebouwd. 1.42
hogere grenswaarde
een maximale waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld binnen zones rond industrieterreinen, wegen en spoorwegen op grond van de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder. 1.43
hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.44
horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van voedsel en/of dranken, overwegend voor gebruik ter plaatse, en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander gepaard gaande met dienstverlening en al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie (met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie). 1.45
huishouding
een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voeren. 1.46
kap
een gesloten en (gedeeltelijk) hellende bovenbeëindiging van een bouwwerk. 1.47
maatschappelijke voorzieningen
voorzieningen van educatieve, sociale, culturele, medische en levensbeschouwelijke aard al dan niet in combinatie met daaraan ondergeschikte voorzieningen ten behoeve van dienstverlening en/of sport alsmede ondergeschikte detailhandel en/of horeca ten dienste van deze voorzieningen. Binnen deze bestemming zijn alle vormen van kinderopvang toegestaan. 1.48
mantelzorg
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. 1.49
meetverschil
een door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van lijnen in het veld en een op de kaart aangegeven bestemmings- of bouwgrens.
(vastgesteld)
87
bestemmingsplan Vlietvoorde West 1.50
nieuwe ontwikkeling
ruimtelijke ontwikkeling, herontwikkeling en/of functieverandering van een perceel en/of pand niet passend binnen de vigerende bestemming, geldend op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan ‘NL.IMRO.1916.VlietvoordeWest-ON01 1.51
nota parkeernormen
de actuele nota parkeernormen Leidschendam-Voorburg geldend op het moment van de aanvraag van een omgevingsvergunning. 1.52
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals onder meer transformatorhuisjes, gas reduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, filterhuisjes, apparatuur voor telecommunicatie en daarmee gelijk te stellen voorzieningen. 1.53
omgevingsvergunning
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.54
onderbouw
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven peil is gelegen. 1.55
ondersteunende horeca
het qua aard en omvang beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte activiteiten in direct in verband met andere ter plaatse toegestane hoofdactiviteiten (niet zijnde horeca). 1.56
ontsluitende weg
weg en/of langzaam verkeersroute waaraan de hoofdtoegang tot het bouwperceel is gesitueerd: bij bouwpercelen welke (de mogelijkheid tot) twee hoofdtoegangen hebben wordt, voor het bepalen van wat de ontsluitende weg is, aansluiting gezocht bij aangrenzende bouwpercelen. 1.57
opgraving
de ontsluiting van een archeologische vindplaats door een gecertificeerde instantie met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. 1.58
opslag
het bedrijfsmatig of in aard en omvang alsof zij bedrijfsmatig is opslaan van partijen goederen. 1.59
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.60
peil
Voor het peil gelden de navolgende regels tenzij in de bestemmingsregels anders is bepaald: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang met dien verstande dat indien een terrein is gelegen aan meerdere wegen de laagste weg bepalend is; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang van de woning niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van de hoofdtoegang van de woning bij voltooiing van de bouw;
88
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West c.
voor een bouwwerk op een perceel dat geplaatst is in een talud van een dijklichaam: de hoogte van het bestaande aansluitende, afgewerkte maaiveld ter plaatse van de naar het dijklichaam gekeerde gevel, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen anders dan noodzakelijk voor de bouw, buiten beschouwing blijven; d. het peil - afgemeten aan het waterpeil - is alleen van toepassing op woningen die geheel in het water staan. 1.61
Programma van Eisen (PvE)
document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven of een opgraving staan geformuleerd. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd. 1.62
speeltoestel
een inrichting, bedoeld voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt. 1.63
steigers
constructie langs een oever of over water die dient voor aanlegplaats voor vaartuigen, wandelpad voor bezoekers of toegang tot wonen in of op het water. 1.64
tuin
tuin, behorende bij en ten dienste van de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. 1.65
verbeelding
de verbeelding van het bestemmingsplan (NL.IMRO.1916.VlietvoordeWest-ON01). 1.66
voorgevel
de naar de weg en/of water gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of water gekeerde gevel, de meest beeldbepalende gevel van dat gebouw, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven. 1.67
voorgevelrooilijn
een denkbeeldige grens van het bouwvlak en het verlengde hiervan die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd, die loopt tot aan de perceelsgrenzen. 1.68
wonen
het gehuisvest zijn in een woning zoals omschreven in onderhavige begripsbepalingen. 1.69
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen. 1.70
zijgevel
de zijdelingse gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de weg of water afgekeerde gevel, niet zijnde de voor- of achtergevel.
(vastgesteld)
89
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Artikel 2 2.1
Wijze van meten
afstanden
de kortste afstand tussen bouwwerken onderling alsmede van bouwwerken tot de perceelsgrens, gemeenten vanaf elk deel van het bouwwerk. 2.2
bebouwingspercentage
Een percentage, dat de grootte van het deel van een bestemmingsvlak, bouwvlak respectievelijk (gedeelte van een) bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. Ondergronds bouwen wordt hier niet meegerekend. 2.3
bedrijfsvloeroppervlak
De totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor de uitoefening van een bedrijf of dienstverlenende instelling, met inbegrip van de daartoe behorende opslag- en administratieruimten, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren. 2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen, antennes, technische installaties en naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren. 2.6
brutovloeroppervlak (bvo)
a. algemeen: binnen de gevels van het bouwwerk inclusief kolommen, trappenhuizen, gangen, liften en toiletten, waarbij de oppervlaktes van de diverse bouwlagen bij elkaar opgeteld moeten worden; b. detailhandel ondersteunende horeca: het voor publiek toegankelijke gedeelte binnen de gevels van het pand waarin de detailhandel is gevestigd inclusief de ruimte achter de kassa, maar exclusief opslagruimten en personeelsruimten. 2.7 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.8
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.9
overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,75 meter bedraagt. 2.10
de (bouw)hoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.11
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
90
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
2.12
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren op de begane grond, verticaal geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. M.u.v. architectonische gevelelementen zoals bijvoorbeeld bloemkozijnen, luifels of architectonische overstekken van dakranden en/of kapconstructies. 2.13