3337 Vlietvoorde West vg toelichting en regels
Tekst van het document
4.2
Visie op het gebied
Het convenant, ondertekend op 19 februari 2008 tussen het voormalig Ministerie van VROM, de provincie Zuid Holland en de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Voorschoten, heeft tot doel om een ruimtelijke invulling te geven voor de Duivenvoordecorridor. De ambitie is het realiseren van een duurzame landschappelijke structuur en het waarborgen van de aanwezigheid van de duurzame recreatiefunctie in een overwegend groen landschap. In paragraaf 2.3.1 zijn de doelstellingen van het convenant nader toegelicht. In onderhavige paragraaf wordt dieper ingegaan op de concretisering van de gemaakte afspraken.
4.2.1
Ruimtelijke kwaliteit binnen Vlietvoorde West
Binnen de Duivenvoordecorridor wordt door de gemeente Leidschendam-Voorburg en de provincie Zuid-Holland gestreefd naar herstel van ecologische en landschappelijke verbindingen tussen het Nederlandse kustgebied en het Groene Hart. Het verwijderen van de glastuinbouw in het gebied heeft plaats gemaakt voor een landschap waar ruimte is voor het ontwikkelen van een groen en natuurrijk landschap, met ruimte voor wonen en recreatie. Om tot de gewenste invulling van het plangebied te komen heeft de gemeente een ruimtelijke uitnodiging opgesteld voor ontwikkelaars. Binnen Vlietvoorde West staan landschap, ecologie, wonen, recreatie en duurzaamheid centraal. In paragraaf 2.4.2 is reeds benoemd hoe de doelen van de gemeente worden toegepast binnen het plangebied Vlietvoorde West. Al in het plan Vlietvoorde wordt de potentie van het landschap zichtbaar. Het biedt een uniek landschappelijk raamwerk als basis voor een eigentijds en onderscheidend woonmilieu. Binnen het plan Vlietvoorde zullen drie woongebieden worden gerealiseerd waarin natuur centraal staat. Binnen de ontwikkeling van Vlietvoorde West zal hier een vierde woongebied aan worden toegevoegd. Dit zal een bosrijk woongebied betreffen waarin woningen te midden van het bosrijke landschap zullen worden geplaatst.
28
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 8 Sfeerimpressie van de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied Vlietvoorde West
4.3
Feitelijke ontwikkelingen in het plangebied
Na het weghalen van de tuinbouwkassen in het gebied is een afgevlakt maaiveld achtergebleven dat nu gebruikt wordt als weiland/grasland. Met de ontwikkeling van het plan Vlietvoorde West wordt het oorspronkelijk hoogteverschil dat vanaf de duingronden richting het water van de Vliet loopt teruggebracht. Dit biedt de basis voor de ontwikkeling van een landschap met een natuurlijke afwisseling en dieptewerking. Het woongebied Het natuurlijk profiel van Vlietvoorde West vormt de basis voor een herkenbaar landschapstype: op de zandgronden en een lommerrijk woongebied in het bos. Het woongebied komt te liggen ten zuiden van de lintbebouwing van de Veursestraatweg, en in het westen van het plangebied 'Vlietvoorde', dat ook al een bosrijk deelgebied kent (woongebied 'bos'). In het bosrijke gebied van Vlietvoorde West komen informele paden en woningen te liggen die deel zullen uitmaken van het bosgebied. In het bos worden woningen in verschillende vormen en maten gerealiseerd. In de uiteindelijke uitwerking van het plan wordt de exacte situering van de woningen ten opzichte van elkaar en het omliggende boslandschap optimaal ingevuld. De boswoningen sluiten op elkaar aan en vormen gezamenlijk een eenheid. Eenheid wordt bereikt door een gedeelde (basis) architectuur zoals wordt opgenomen en vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan.
(vastgesteld)
29
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 9 Visie woongebied Vlietvoorde West
4.4
Gevolgen voor dit ruimtelijke plan
4.4.1
Bestemmingen
Het creëren en behouden van de hoofdstructuur, zoals initiatiefnemer en de gemeente Leidschendam-Voorburg voor ogen hebben, staat centraal in onderhavig bestemmingsplan en de daarin gekozen bestemmingen. De hoofdstructuur van het plangebied is in dit bestemmingsplan vastgelegd en direct herkenbaar. Voor het woongebied wordt een globale woonbestemming opgenomen. Om flexibiliteit te behouden in de uiteindelijke realisatie van het stedenbouwkundig plan is de bestemming tevens het bouwvlak waarbinnen woningen en bijbehorende voorzieningen gerealiseerd kunnen worden.
4.4.2
Beeldkwaliteitsplan
Voor het deelgebied Vlietvoorde-West wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld door de gemeente waarin de gewenste ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd.
30
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de voor het plangebied relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de waterhuishouding, het bodemsysteem, verkeer en parkeren, luchtkwaliteit, geluid, natuurbescherming, externe veiligheid, gezondheid, kabels en leidingen, duurzaamheid, m.e.r. beoordeling en tot slot stedenbouwkundige aspecten zoals privacy en schaduwwerking. Per onderdeel is achtereenvolgens ingegaan op de huidige situatie, de toekomstige situatie en de wijze waarop met dit ruimtelijk plan de toekomstige situatie juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt.
5.2
Water
5.2.1
Inleiding
De waterparagraaf is een vast onderdeel van het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk komen alle relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in het plangebied. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor de waterkwantiteit en -kwaliteit van de polder- en boezemwatergangen in en om het plangebied. De gemeentelijke taken zijn onder andere het riool- en oeverbeheer. Het plangebied valt binnen de reikwijdte van het Water- en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027 dat op 10 november 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. 5.2.1.1 Beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2016-2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op kort en lang termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen.
De mate waarin wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de NOVI en blijft als uitwerking van de NOVI bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
(vastgesteld)
31
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 en Provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 van de provincie Zuid-Holland worden de volgende kernopgaven benoemd: Waarborgen waterveiligheid Realiseren mooi en schoon water Ontwikkelen duurzame (zoet)watervoorziening Waterbeheerplan 2016 - 2021 Hoogheemraadschap van Rijnland Samen werken aan water staat centraal. Zodat nu en in de toekomst in dit unieke deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Water is een maatschappelijke opgave en Rijnland wil samen met haar omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, verzilting, zeespiegelstijging, en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon water en droge voeten.
Dit wordt bereikt door: beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit; zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied; optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater; zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik.
32
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West Keur Rijnland 2020 De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen, is dit nader uitgewerkt.
Waterplan Leidschendam-Voorburg 2016 - 2021 Het water- en rioleringsplan gaat ervan uit dat het watersysteem zo veel water kan bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kunnen worden. Bovendien moet het water dan schoon en ecologisch gezond zijn en bijdragen aan een prettige leefomgeving. Daarnaast dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met de effecten van klimaatverandering. Om de ambitieuze doelen van het Waterplan te realiseren moet water een integraal onderdeel zijn van alle strategische en ruimtelijke plannen. Het waterplan moet het waterbeheer inhoudelijk en procesmatig verbeteren, met voortdurende aandacht voor duurzaamheid. In tal van beleidsdocumenten wordt aandacht besteed aan het belang van 'water'. Centraal uitgangspunt in het beleid is dat water meer ruimte gegeven moet worden om te voorkomen dat de waterproblematiek in tijd of ruimte wordt afgewenteld. Er worden daarvoor twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten aangegeven: 1. ten aanzien van waterkwantiteit: Vasthouden - Bergen - Afvoeren; 2. ten aanzien van waterkwaliteit: Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren. Daarnaast zijn aspecten als beperken van bodemdaling en het vergroten van de ecologische potenties van het water inclusief de oeverzones van belang.
Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water en een relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied; verbetering van de waterkwaliteit; vergroting van de belevingswaarde van water; kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. 5.2.1.2 Huidige waterhuishoudkundige situatie Er is een waterhuishoudkundige analyse gemaakt voor het gehele gebied Vlietvoorde, waar het plangebied Vlietvoorde West deel van maakt. Derhalve zal de waterparagraaf ingaan op Vlietvoorde West als onderdeel van Vlietvoorde. Het plangebied is een gebied in transitie met landelijke en stedelijke doeleinden: op dit moment zijn de voormalige tuinbouwbedrijven en het tuincentrum gesloopt, waardoor het plangebied helemaal uit braakliggend land bestaat. Rondom het plangebied zijn boezemwatergangen aanwezig. Onderstaande figuur is een uitsnede uit de vigerende legger Rijnland:
(vastgesteld)
33
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 10 Legger Rijnland (plangebied in rood weergegeven) Het water heeft een beperkte waterrecreatieve functie, maar bovenal een belevingswaarde en een ecologische functie. Het water vormt de geleiding van groenstructuren langs de hoofdinfrastructuur. Het plangebied kent geen waterbezwaar in de vorm van een bergingstekort. In de nieuwe situatie is er geen sprake van een toename van het verharde oppervlak. Het verharde oppervlak zal eerder zijn afgenomen, omdat de voorheen dominant aanwezige kassen met daarbij behorende bedrijfsgebouwen en terreinverhardingen zijn verwijderd en natuur, woningen met ruime tuinen en verschillende vegetatievormen zijn gerealiseerd.
5.2.1.3 Wateropgave De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt vanuit het waterschap als absoluut minimum. Het plangebied kent geen waterbergingstekort. Vanuit het Water- en rioleringsplan dient bij herontwikkeling de bergingscapaciteit tenminste gelijk te blijven. Belangrijk bij het bepalen van een eventuele wateropgave is de vraag of de ruimtelijke ontwikkeling de hoeveelheid m2 verhard oppervlakte vergroot. In onderstaande tabel is de hoeveelheid bebouwing in de oude situatie vergeleken met de nieuwe situatie. Op basis van onderstaande tabel kan geconcludeerd worden dat de hoeveelheid bebouwing in de nieuwe situatie met circa 29.000 m 2 afneemt, derhalve is het verhard oppervlak in de vorm van bijvoorbeeld wegen buiten beschouwing gelaten. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een enorme kwaliteitswinst ten opzichte van de waterhuishouding in onderhavig plangebied, van een wateropgave is derhalve geen sprake.
34
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Bebouwd oppervlak in m2 Oude situatie
(circa) 35.000
Nieuwe situatie
6.000
Verschil (oud - nieuw)
(circa) 29.000
Tabel 3: Bebouwde oppervlakte in het plangebied
5.2.2
Toekomstig watersysteem
Binnen de realisatie van Vlietvoorde zullen de polders gelegen aan de Vliet niet langer bemaald worden. Deze gebieden die direct aan de Vliet grenzen zullen direct aansluiten op het boezemwater waardoor het oppervlaktewatersysteem ter plaatse wordt vergroot. Binnen het plan Vlietvoorde zullen enkele stukken grond binnen deze polders opgehoogd worden, waardoor er ruimte beschikbaar komt voor woningen en bijbehorende functies. Deze stukken grond zijn gelegen direct ten oosten van het plangebied Vlietvoorde West, waardoor de nieuwe waterhuishoudkundige situatie binnen deze gebieden indirect de waterhuishoudig binnen Vlietvoorde West zal beïnvloeden.
5.2.2.1 Waterveiligheid en waterkeringen In de bescherming tegen overstromingsgevaar zijn waterkeringen belangrijke waterstaatkundige elementen in het watersysteem. In het gebied ligt langs het Rijn-Schiekanaal en langs beide zijden van de opvaarten een kade als waterkering. Op deze keringen is de Keur van het Hoogheemraadschap van toepassing. In de legger worden respectievelijk een kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone onderscheiden. Voor elk van de zones gelden aparte verbods- en gebodsbepalingen op grond van de Keur van het hoogheemraadschap. De locatie waarbinnen de woningen gebouwd worden bevindt zich niet binnen de kern, bescherming of buitenbeschermingszone van de waterkering.
5.2.2.2 Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Voor hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Met de sloop van het kassencomplex neemt de verharding binnen het plangebied aanzienlijk af. In de plaats wordt een groen woonmilieu gecreëerd en wordt de hoeveelheid oppervlakte water vergroot. Hemelwater zal in de toekomstige situatie makkelijker kunnen infiltreren waardoor de kans op wateroverlast verkleind wordt. De afname van verharding heeft bovendien een positief effect op de hitte binnen het plangebied.
5.2.2.3 Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerende Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen, zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In het programma Vlietvoorde wordt er aan de rand van de opvaart met het Kanaal van Corbulo een waterzuiveringskas gerealiseerd.
(vastgesteld)
35
bestemmingsplan Vlietvoorde West 5.2.2.4 Hittebestrijding Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mensen. Het type oppervlak en de aanwezigheid van schaduw zijn bepalend voor de mate van hittestress. Aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl aanwezigheid van groen en water deze verlaagt. In het gebied Vlietvoorde wordt aanzienlijk veel ruimte gecreëerd voor de realisatie van water en groen waarmee hittestress het beste bestreden kan worden. De bebouwing in Vlietvoorde en Vlietvoorde West is inmiddels gesaneerd, wat de hittestress positief zal beïnvloeden. Vergeleken met onderstaande afbeelding zal de bebouwing licht toenemen, maar daarentegen zal de hoeveelheid oppervlakte water ook sterk toenemen. Geconcludeerd kan worden dat de hoeveelheid groen en water binnen Vlietvoorde een positief effect zullen hebben op mogelijke hittestress binnen Vlietvoorde en ook Vlietvoorde West.
Afbeelding 11 Hittestress binnen het plangebied Vlietvoorde (in rood weergegeven) en Vlietvoorde West (in geel weergegeven)
5.2.3
Gevolgen voor dit plan
Het verhard oppervlakte neemt in de nieuwe planologische situatie aanzienlijk af, zoals is weergegeven in de tabel in paragraaf 5.2.1.3. Ondanks dat er vanuit het hoogheemraadschap geen wateropgave is meegegeven, wordt de hoeveelheid oppervlakte water vergroot door de beëindiging van het bemalen van de drie polders gelegen direct naast het plangebied. De afname van verharding draagt bovendien bij aan een betere grondwaterinfiltratie en verkleint de kans op water - en hitteoverlast. De aanleg van natuurvriendelijk oevers leveren een bijdrage aan de opgaven voor de Kaderrichtlijn water. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
36
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.3
Bodem
5.3.1
Huidige bodemsysteem
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Het is niet toegestaan om te bouwen op verontreinigde grond. Nader onderzoek in de vorm van een historisch onderzoek of een verkennend bodemonderzoek heeft het inzicht of de bodem ter plaatse van een ontwikkeling geschikt is voor het beoogde gebruik en bestemming. Het bodembeleid onderscheidt drie soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving: Sterk verontreinigde grond (boven interventiewaarden); Licht verontreinigde grond (boven AW2000-waarden); Schone bodems (beneden AW2000-waarden). Het Besluit bodemkwaliteit hanteert voor het toepassen van grond en bagger, een toets op de ontvangende bodem en aan de gebruiksfunctie. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen. Tevens biedt het besluit mogelijkheden voor grondverzet.
Afbeelding 12 Ontgravingskaart Leidschendam-Voorburg (plangebied in rood weergegeven) De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft een Ontgravingskaart opgesteld om voor één ieder de kwaliteit en bruikbaarheid van de ondergrond in kaart te brengen. Op basis van de Ontgravingenkaart
(vastgesteld)
37
bestemmingsplan Vlietvoorde West kan bijvoorbeeld besloten worden op welke manier afgegraven grond binnen het plangebied hergebruikt kan worden dan wel gesaneerd dient te worden. Afbeelding 12 is een uitsnede van de ontgravingskaart en laat de kwaliteit van de bovengrond van de bodem (0 - 0,5 m -mv) ter plaatse van het plangebied zien. Het plangebied is met een rood kader op de afbeelding aangeduid. De bovengrond is getypeerd als 'Klasse Wonen' en daarmee geschikt voor het beoogde gebruik (functie wonen). De dieper liggende bodem (0,5 - 2,0 -mv) van het plangebied heeft het niveau 'achtergrondwaarde'. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan het niveau 'achtergrondwaarde' is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.
5.3.1.1 Uitgevoerde onderzoeken De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft binnen onderhavig plangebied meerdere bodemonderzoeken en bodemsaneringen uitgevoerd. Ter plaatse van het plangebied stonden voor 2012 diverse tuinbouwkassen en een detailhandelbedrijf in de vorm van een tuincentrum met bijbehorende voorzieningen. Wegens de bedrijfsmatige activiteiten was de kans aanwezig dat de bodem plaatselijk verontreinigd zou zijn. In 2013 is gestart met de sanering van het plangebied, in 2019 is de sanering van alle voormalige tuinbouwkassen afgerond. In verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten, grondtransacties en voorgenomen herinrichting zijn in de periode 1990 t/m 2019 in totaal 49 milieukundige onderzoeken verricht en zijn diverse bodemsaneringen uitgevoerd om het plangebied gereed te maken voor nieuwe ontwikkelingen.
Afbeelding 13 Uitgevoerde bodemonderzoeken (groene kaders; plangebied in rood weergegeven)
38
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 14 Uitgevoerde bodemsanering tussen (groene kaders; plangebied in rood weergegeven) Ter plaatse van het plangebied zijn geen terreinen meer aanwezig waarbij in de toekomst mogelijk aanvullend onderzoek of sanering noodzakelijk is. Bij graafwerkzaamheden zal er in de toekomst rekening gehouden moeten worden met plaatselijk verhoogde gehalten aan olie in het grondwater. De locaties waarbij de grond matig tot sterk vervuild is en puinlagen met asbesthoudend materiaal bevatten zijn op afbeelding 15 weergegeven.
5.3.1.2 Conclusie bodemonderzoeken en saneringen Voor het plangebied 'Vlietvoorde' is reeds een bodemonderzoek naar vervuiling van de grond uitgevoerd. In afbeelding 15 is de huidige situatie van Vlietvoorde weergegeven, ter hoogte van de cijfers zijn nog bestaande beperkingen aanwezig. De voor onderhavig plan 'Vlietvoorde West' relevante locaties worden nader besproken: 1. Grondwater met hoog nikkel. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en derhalve ook geen saneringsnoodzaak. In 2018-2019 is het gehalte aan nikkel in het grondwater verlaagd d.m.v. langdurige grondwaterbemaling. Bij het oppompen van grondwater dient men rekening te houden met verhoogde gehalten aan nikkel. In de toekomst zal het gehalte aan nikkel in het grondwater wegens het herstel van het bodemevenwicht afnemen. 2. Asfalt met puinfundering. Onder het asfalt ligt een puinlaag met asbesthoudend materiaal. Bij herinrichting en verwijdering van de weg zal de puinlaag met asbesthoudend materiaal worden verwijderd. Dit asfalt valt buiten het plangebied Vlietvoorde West. 9. Oliespot. De grond bevat verhoogde gehalten aan olie, sanering is niet noodzakelijk.
(vastgesteld)
39
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 15 Aanwezige bodemverontreiniging (paarse kaders; plangebied in rood weergegeven)
5.3.2
Gevolgen voor dit plan
De meest recente onderzoeken dateren uit 2014 en 2016. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat er geen aanleiding is om te vermoeden dat er sprake is van een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging, een aanvullend onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Bij de toekomstige werkzaamheden en herinrichting van het plangebied dient rekening gehouden te worden met de in paragraaf 5.3.1.2 genoemde gebruiksbeperkingen. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning dient op basis van de uitgevoerde onderzoeken beoordeeld te worden of saneringsmaatregelen nog noodzakelijk zijn. Op voorhand kan wel geconcludeerd worden dat de gronden ter plaatse van de nieuwe woningen van voldoende kwaliteit zijn. Op basis van de onderzoeken gelden geen gebruiksbeperkingen ter plaatse van de nieuwe woongebieden.
40
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.4
Niet-gesproken explosieven
Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen niet - gesprongen conventionele explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om antwoord te geven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven. 5.4.1
Huidige situatie plangebied
De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in de periode 2013-2015 alle gemeentelijke dossiers met gegevens uit de Tweede Wereldoorlog, luchtfoto's en dossiers aanwezig bij het Nationaal Archief, EOD en het NIMH bestudeerd en de oorlogshandelingen op een GIS-kaart weergegeven. Op basis van deze dossiers en luchtfoto's is een GIS-kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen, etc. Het adviesbureau AVG heeft in september 2015, conform de landelijke norm, een explosievenonderzoek uitgevoerd voor de hele gemeente Leidschendam-Voorburg. Hiervoor is gebruik gemaakt van de gemeentelijke gegevens, gegevens van gemeente Voorschoten en diverse andere archieven. Het onderzoek van AVG is opgenomen in Bijlage 2.
Afbeelding 16 Oorlogshandelingen in en rondom Vlietvoorde West (plangebied in geel weergegeven) Op basis van het onderzoek is vervolgens een risicokaart opgesteld. Door middel van gekleurde vlakken is aangeven waar in de bodem mogelijk nog explosieven uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zouden kunnen zijn. De opgestelde risicokaart wordt in onderstaande afbeelding 17 weergegeven.
(vastgesteld)
41
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 17 Verdachte gronden voor conventionele explosieven (plangebied in oranje weergegeven)
5.4.2
Gevolgen voor dit plan
Uit archiefonderzoek alsmede uit een interview met een tuinder wonend in het plangebied is het volgende gebleken: In de periode 1940 - 1945 zijn ter plaatse van het gehele gebied Vlietvoorde geen (voor zover bekend) vliegtuigbommen neer gekomen. Aan de overkant van de Vliet is in 1945 wel een bom neergekomen en wegens de luchtdruk zijn toen veel ruiten van de aanwezige kassen in Vlietvoorde gesneuveld. Het is onbekend of er een vliegtuigbom is neergekomen die niet is ontploft (een zogenaamde blindganger). Als er een blindganger aanwezig is zal die wegens de aanwezig veen/kleilagen beneden de 2 a 3 meter- m.v. liggen. Ter plaatse van Haagwijk en in het weiland ten oosten van Haagwijk in de gemeente Voorschoten zijn wel enkele vliegtuigbommen gevallen. De exacte locaties hiervan zijn op luchtfoto's niet te achterhalen, met uitzondering van de bomkrater in het weiland ten oosten van Haagwijk. Er zijn geen loopgraven geweest, wel enkele schuttersputjes langs de Veursestraatweg. Bij graafwerkzaamheden in verband met het verwijderen van verontreinigde grond in 2014 en 2019 en ook bij het graven van diverse archeologische proefsleuven in 2017 en 2019 zijn in de bodem geen aanwijzingen gevonden dat ergens nog een vliegtuigbom ligt.
Ter plaatse van de contour die tegen het plangebied aanligt is in april 2019 een bodemsanering uitgevoerd en in de grond, na sanering zijn geen sporen aangetroffen die kunnen wijzen op een blindganger Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen concrete aanleiding dat er binnen Vlietvoorde, en daarmee ook het plangebied Vlietvoorde West, vergeleken met de rest van Nederland, een
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West verhoogde kans bestaat op de aanwezigheid van niet - gesprongen explosieven. Er zal hoogstens plaatselijk een klein kaliber munitie (patronen/hulzen) aanwezig zijn, maar deze vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Het aspect niet - gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
5.5
Stikstofemissies
Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen. Sinds de vernieuwing van de Aerius-Calculator in 2020 kan berekend worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de realisatiefase als de gebruiksfase doorgerekend te worden. Sinds 13 januari 2022 dienen de stikstofdeposities berekend te worden aan de hand van de nieuwste versie van de Aerius-Calculator (versie 2021), welke een grotere rekenafstand voor alle typen emissiebronnen hanteert (25 km).
5.5.1
Gevolgen voor dit plan
Het dichtstbijzijnde Natura - 2000 'Meijendel en Berkheide' ligt op circa 5,5 kilometer van het plangebied. Dit Natura - 2000 gebied is aangewezen als stikstofgevoelig gebied en er dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op dit Natura - 2000 gebied. Om negatieve gevolgen te kunnen uitsluiten is een Aerius berekening uitgevoerd en toegevoegd als Bijlage 3. De Aerius-uitdraaien zijn toegevoegd als Bijlage 4 en Bijlage 5.
In het kader van Goede Ruimtelijke Ordening is ervoor gekozen om zowel de realisatie- als de gebruiksfase te berekenen. Uit deze berekening volgt dat er voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase geen stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied groter dan 0,00 mol/ha/jaar ontstaat. Op grond van deze berekening is aangetoond dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.
(vastgesteld)
43
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Huidige situatie plangebied
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Deze wet wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde
40 µg/m³
Vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
Vanaf 11 juni 2011
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Vanaf 1 januari 2015
Fijnstof (PM2,5)
Tabel 4 Grenswaarden NO2 en PM10 Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.
Besluit Niet in Betekenede Mate (NIBM) In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
44
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
Afbeelding 18 Uitsnede NSL-monitoringstool Er is inzicht gegeven in de luchtkwaliteit in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit wordt gedaan aan de hand van de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Bovenstaande afbeelding geeft het resultaat weer van de huidige luchtkwaliteit ter plaatse (2020 en 2030). De jaarconcentratie NO2 langs de Veursestraatweg is lager dan 35 µg/m³ . Deze concentratie voldoet aan de grenswaarde.
5.6.2
Toekomstige situatie plangebied
In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht met circa 58 woningen inclusief bijbehorende voorzieningen in een bosrijk landschap. De maximale hoeveelheid woningen die gerealiseerd worden binnen het plangebied ligt ver beneden de drempelwaardes alvorens een project in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De huidige luchtkwaliteit voldoet aan de grenswaarde, zoals is weergegeven in afbeelding 18.
(vastgesteld)
45
bestemmingsplan Vlietvoorde West De realisatie van 58 woningen valt binnen de categorie dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en hoeft niet verder te worden getoetst aan de grenswaarden. De rijksoverheid heeft een rekentool ontwikkeld waamee onderzicht kan worden of een project inderdaad 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze tool wordt het verwacht aantal verkeersbewegingen ingevoerd die de ruimtelijke ontwikkeling genereert. Op basis van de in paragraaf 5.13.2 berekende verkeersgeneratie is de NIBM-tool ingevuld (zie onderstaande afbeelding). Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding 19 Uitsnede NIBM-tool De woningen worden bovendien met de meest duurzame methoden gebouwd, verwarmd en geïsoleerd.
5.6.3
Gevolgen voor dit plan
Het plan draagt niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit blijkt uit de monitoringstool behorend bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma en uit de NIBM-tool. De huidige en toekomstige luchtkwaliteit voldoet aan de grenswaarden en vormt daarmee geen belemmering voor realisatie van dit plan. Er is geen verder onderzoek nodig om de woningen met bijbehorende voorzieningen te realiseren.
46
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.7
Geluid
5.7.1
Huidige situatie plangebied
Wegverkeer De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt de wettelijke grenswaarden van de toelaatbare geluidsbelasting. Het bevoegd gezag moet deze in acht nemen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er moet getoetst worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Dit vindt plaats per weg. 30 km/h wegen zijn vrijgesteld van onderzoek in de Wgh. Het geluidsniveau door het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Dit is van toepassing bij nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt voorkeursgrenswaarde genoemd. Deze bedraagt 48 dB. De gemeente kan een hoger geluidsniveau toestaan als deze wordt overschreden. Dit heet de zogenaamde "Hogere waarde". Hogere waarden mogen alleen verleend worden als geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn om de gevelgeluidsbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder.
5.7.1.1 Beleidsregels hogere waarden Wet geluidhinder gemeente Leidschendam-Voorburg Indien niet voldaan kan worden aan de wettelijke grenswaarden voor geluidshinder kan het bevoegd gezag besluiten een hogere waarde toestaan. Het uitgangspunt is dat nieuwe geluidgevoelige bestemmingen voldoen aan de wettelijke voorkeurs-grenswaarden. Het vaststellen van hogere waarden dient dan ook geen regel maar een uitzondering te zijn. Hogere waarden worden alleen verleend indien is aangetoond, dat het niet mogelijk is te voldoen aan de wettelijke voorkeursgrenswaarden (voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai). De hogere waarden worden alleen verleend als aangetoond kan worden dat mitigerende maatregelen niet voldoende zijn en/of om stedenbouwkunstige of financiële redenen geen mitigerende maatregelen genomen kunnen worden. Deze maximale grenswaarden zijn: Wegverkeerslawaai in binnenstedelijk gebied: maximaal 63 dB Wegverkeerslawaai in buitenstedelijk gebied: maximaal 53 dB Industrielawaai: maximaal 55 dB Spoorweglawaai: maximaal 68 dB 5.7.2
Toekomstige situatie plangebied
In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen binnen het plangebied toe. Dit bestemmingsplan voorziet in de wijziging van enkele bestemmingen in het gebied om woningbouw mogelijk te maken.
5.7.2.1 Wegverkeerslawaai De in en rondom het plangebied aan te leggen gebiedsontsluiting en woonstraten hebben een snelheidsregime van 30 km/h. Daarom zijn ze volgens de Wgh vrijgesteld van onderzoek. Akoestisch onderzoek is echter noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Veursestraatweg. Door adviesgroep K+ is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 6 opgenomen.
(vastgesteld)
47
bestemmingsplan Vlietvoorde West Voor de woningen binnen het plan Vlietvoorde West zijn ter plaatse van de noordwestgevel optredende gevelbelastingen bepaald die hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrens waarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard. De wens van de gemeente is om de snelheid op de Veursestraatweg te verlagen van 80 km/h naar 50 km/h. In het akoestisch onderzoek is beargumenteerd dat de gevelbelasting als gevolg van deze mogelijke toekomstige verlaging met maximaal 4 dB zou afnemen, hetgeen niet voldoende is om de gevelbelastingt terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Er dient een vaststelling voor een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend. Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s).
5.7.3
Gevolgen voor dit plan
Voor het aspect wegverkeerslawaai blijkt uit nader akoestisch onderzoek dat in sommige gevallen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar in elk geval wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Voor deze enkele locaties dient een vaststelling voor hogere waarde te worden ingediend. Plaatselijk kunnen er zwaardere eisen worden gesteld aan geluidwering van de gevel(s). Rekening houdend met het bovenstaande kan in het kader van de Wet geluidshinder een goed woonen leefklimaat worden gegarandeerd.
48
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.8
Flora en Fauna
5.8.1
Huidige situatie plangebied
Het plangebied is op dit moment in gebruik als weiland/grasland. Rondom het plangebied zijn enkele waterlopen aanwezig die met elkaar in verbinding staan. Deze waterlopen zijn ten zuidoosten van het plangebied aangesloten op de Vliet. De aanwezige flora & fauna binnen het plangebied wordt nader toegelicht in paragraaf. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora & faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora & fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden.
Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.
5.8.2
Toekomstige situatie plangebied
5.8.2.1 Quickscan flora & fauna Op 9 december 2021 is er door onderzoeksbureau Taharo een verkennend veldonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied en de directe omgeving hiervan. Dit is een update van de uitgevoerde quickscan Flora & Fauna in 2019 ten behoeve van het bestemmingsplan Vlietvoorde.Het huidige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7.De resultaten zullen kort worden besproken. Verantwoording soortenbescherming Vogels Tijdens het veldbezoek zijn rond het plangebied enkele algemeen voorkomende vogels waargenomen waaronder een paar wilde eenden en meerdere foeragenrende houtduiven. In de nabije omgeving (op 0-1 km afstand van het plangebied) zijn waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals boomvalk, sperwer, buizerd, en gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoalsgierzwaluw en huismus. Wegens het ontbreken van bebouwing is de aanwezigheid van gebouwbewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw uitgesloten. Er zijn geen hoge bomen met grote takkennesten, of holtes aanwezig binnen het plangebied. Binnen het plangebied zijn voor overige vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals genoemde roofvogels, om die reden geen geschikte nestplaatsen aangetroffen. Het plangebied is momenteel mogelijk wel geschikt als foerageergebied voor roofvogels als buizerd, sperwer, boomvalk et cetera.
Vleermuizen
(vastgesteld)
49
bestemmingsplan Vlietvoorde West Uit het plangebied en/of nabije omgeving (0-1 km) zijn waarnemingen bekend van diverse soorten vleermuizen, o.a. gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis, baard/Brandts vleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis en boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Alle soorten vleermuizen zijn Europees beschermde soorten, hiervoor geldt geen provinciale vrijstelling. E zijn geen gebouwen of bomen op het onderzoeksgebied aanwezig, waarmee verblijfplaatsen van alle soorten vleermuizen bij voorbaar kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen lijnvormige elementen die kunnen dienen als vliegroute, en het gebied is te open en kaal om te kunnen dienen als foerageergebied. Gezien het ontbreken van geschikt habitat zijn rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen binnen het onderzoeksgebied uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt weinig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, bunzing, hermelijn, haas, konijn en veldmuis kunnen gebruik maken van het onderzoeksgebied. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten voor de provincie Zuid-Holland een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijk gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
Reptielen Volgens verspreidingsgevens van RAVON komen in de directe omgeving (0-1 km) van het plangebied geen beschermde reptielen voor. Beschermde soorten reptielen zijn, gezien het ontbreden van geschikt habitat, niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten voor reptielen zijn dan ook op voorhand uit te sluiten.
Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort, waaronder de rugstreeppad veroorzaken. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Het is echter wel mogelijk dat tijdens de werkzaamheden de juiste omstandigheden worden gecreëerd voor de rugstreeppad. Deze soort staat bekend om zijn vermogen om nieuw leefgebied te koloniseren. Om dit te voorkomen wordt geadviseerd tijdens de werkzaamheden de langdurige opslag van los zand en langdurige (met name in het voorjaar) aanwezigheid van ondiepe plassen te vermijden.
Vissen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Om die reden is de aanwezigheid van beschermde vissen op voorhand uitgesloten.
Beschermde ongewervelde diersoorten Volgens verspreidingsgegevens van de Vlinderstichting en de NDDF zijn in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde vlinders of libellen. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor overige strenger beschermde ongewervelde soorten vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten en/of habitat. Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.
50
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West Vaatplanten Het plangebied bestaat uit een grasvegetatie die eerste- en tweedejaars pionierskruiden bevat. Voor drie jaar geleden bestond dit gebied uit een bedrijfsgebouw met een grote parkeerplaats. Het gaat hier om zeer jonge vegetatie. Uit de omgeving (0-1 km) zijn eveneens geen beschermde planten bekend. Beschermde soorten vaatplanten zijn gezien de ongeschikte standplaats binnen het plangebied niet te verwachten. Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten zijn op voorhand uit te sluiten.
Verantwoording gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde wettelijke beschermde natuurgebied is Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide op circa 5,5 kilometer afstand. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN licht op circa 450 meter ten noordoosten van het plangebied. Door de voorgenomen ontwikkeling van nieuwbouw woningen kan een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet geheel worden uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, in de vorm van een Aeriusbetekening wordt dan ook noodzakelijk geacht. De conclusies van dit onderzoek zijn nader besproken in paragraaf 5.5.1. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig, waardoor toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming niet aan de orde is bij dit plan.
5.8.3
Gevolgen voor het plan
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten in act te worden genomen: Met betrekking tot de rugstreeppad dient, om kolonisatie tijdens de werkzaamheden te voorkomen, de opslag van zand voor langere tijd, en het ontstaan van ondiepe plassen (met name in het voorjaar) te worden voorkomen; Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidentieel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. De stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is middels een Aerius-berekening uitgesloten (zie paragraaf 5.5.1). Overig vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000, het NNN en/of toetsing aan houtopstanden (voormalige Bos-wet) is bij dit plan verder niet aan de orde.
(vastgesteld)
51
bestemmingsplan Vlietvoorde West
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Huidige situatie plangebied
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: Besluit externe veiligheid inrichtingen 2004 (Bevi), staatsblad 2004 nr. 250; Besluit externe veiligheid buisleidingen 2011 (Bevb), staatsblad 2010 nr. 636; Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (Crnvgs) voor transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of het water, juli 2012. Tevens is rekening gehouden met het beleid Externe Veiligheid van stadsgewest Haaglanden d.d. december 2012. Risicovolle objecten zijn o.a.: ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen; transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen; bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemische stoffen; grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15); LPG-tankstations. Plaatsgebonden risico Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen op de betreffende locatie. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico ligt voor het transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen echter een factor 10 lager dan voor inrichtingen. Het groepsrisico moet worden verantwoord. In de verantwoording worden onderwerpen behandeld over het risico en de ruimtelijke situatie. Het risico moet worden afgewogen. Het groepsrisico wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding. Bij een bestemmingsplan moet beoordeeld worden of de wettelijke grenswaarde tot het plaatsgebonden risico niet wordt overschreven. Ook moet beoordeeld worden of de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Met de toepassing van de wet- en regelgeving kan het beoordeeld worden.
Er moet naar verschillende aspecten over externe veiligheid worden gekeken bij ruimtelijke plannen. Dit is van toepassing bij het opstellen of wijzigen van ruimtelijke plannen. De aspecten zijn: bedrijven waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water; vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen externe risicobronnen aanwezig die invloed hebben op het plangebied en de daarin aanwezige functies. De dichtstbijzijnde risicocontour van een hogedruk aardgasleiding ligt op circa 1 kilometer.
52
(vastgesteld)
bestemmingsplan Vlietvoorde West 5.9.1.1 Ondergrondse aardgasleiding In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse aardgas-transportleidingen. De dichtstbijzijnde leiding bevindt zich ten zuiden van het plangebied, vlak achter de Vogelplas Starrevaart en naast de A4, op circa 1 kilometer afstand.
5.9.1.2 Transport gevaarlijke stoffen over de weg Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. In Leidschendam-Voorburg zijn voor de A4, tussen het Prins Clausplein en Zoeterwoude-dorp (wegvak Z7), zowel een basisnetafstand (13 m) als een plasbrandaandachtsgebied vastgesteld. Voor de rijksweg A4 geldt op basis van de regeling Basisnet een plaatsgebonden risicocontour met een kans van 10-6 per jaar (PR-10-6-contour) van 13 meter. Dit vormt daarmee geen belemmering voor dit plangebied.
Over de rijksweg A4 worden naast brandbare vloeistoffen en brandbare gassen ook giftige vloeistoffen vervoerd. Het invloedsgebied als gevolg van het transport van giftige over de rijksweg A4 bedraagt meer dan 4000 meter. Het plangebied ligt in zijn geheel in het invloedsgebied van het vervoer van giftige vloeistoffen. Gezien de afstand van deze risicobron tot het plangebied wordt er geen toename van het groepsrisico verwacht. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 200 meter zone waarin het Groepsrisico verantwoord moet worden bij een bestemmingsplan en het ligt ook niet binnen de 355 meter zone inzake een incident met LPG-transport. Op basis van bovenstaande is en EV-verantwoording inzake transport van gevaarlijke stoffen niet relevant voor het plangebied.
5.9.1.3 Opslag van gevaarlijke stoffen De dichtsbijzijnde locatie waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen bevindt zich bij de paardenstal aan de Veursestraatweg 288. Hier bevindt zich een propaanopslagtank met een inhoud van 3m 2 waar het Activiteitenbesluit van toepassing is. De effectafstand van de tank is 105 meter en het invloedsgebied bedraagt 190 meter. Het invloedsgebied van de tank is niet van toepassing op het plangebied aangezien het plangebied zich op circa 250m afstand begeeft ten opzichte van de propaanopslagtank.
5.9.2
Gevolgen voor dit plan
Er kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet binnen specifieke risicocontouren ligt. Dit gaat zowel om een plaatsgebonden risico als een groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan. Er is geen aanvullend onderzoek nodig.
(vastgesteld)
53
bestemmingsplan Vlietvoorde West