CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3337 Toelichting_Bijlage 9 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan Vlietvoorde West.30.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Indien de resten niet in situ behouden kunnen worden en de nederzetting wordt opgegraven, dient bij het opstellen van het PvE en de onderzoeksvragen te worden ingezet op specifieke kennislacunes die in deze grotere onderzoekskaders worden aangegeven. De verkregen informatie kan dan weer worden ingezet bij het opstellen van een Gemeentelijke Onderzoeksagenda. Onderzoeksvragen bij prehistorische resten: 34. In welke landschappelijke omgeving vond de bewoning plaats? Er is geen sprake van bewoning, maar de activiteit vond plaats op een veenpakket dat tegen de oostelijke flank van de strandwal is ontstaan. Waarschijnlijk was in die periode de bovenkant van het veen goed ontwaterd. 35. Welke aanwijzingen zijn er voor exploitatie van voedselbronnen en ander economisch gebruik ter plaatse van of in de directe omgeving van de vindplaats? De zoutwinning kan als exploitatie van een voedselbron worden gezien. Overige aanwijzingen voor exploitatie en economisch gebruik zijn schaars, al is hier wel sprake van het verzamelen van een afgeworpen gewei en het houden van dieren. 36. Veenwegen.

Wat is de opbouw van de veenweg? Welke aanwijzingen zijn er voor fasering in aanleg en gebruik van de weg? Welke aanwijzingen zijn er voor de wijze waarop de veenweg is aangelegd? Welke fenomenen die verband houden met de veenweg (huisplaats, kreek, aanlegsteiger, beschoeiing, vis fuik, boten) zijn er? Er is geen veenweg aangetroffen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[58]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

6 Vindplaats 3 Midden- en Late IJzertijd en inheems-Romeinse periode 6.1 Sporen en structuren Evenals de sporen uit de Vroege IJzertijd liggen ook de resten uit de Midden- en Late IJzertijd en de inheems-Romeinse periode vooral in de top van het veen, aan de rand van het Oud Duin. Het gaat met name om vondstmateriaal, dat lang niet overal in primaire context lijkt te liggen en gefragmenteerd materiaal betreft. Mogelijk betreft het nederzettingsafval dat van het hoger gelegen Oud Duin is geërodeerd en in de veenrand terecht is gekomen. Putten waarin dit materiaal in het veen is gevonden, zijn (het westen van) put 10, put 12, put 14, put 17 en mogelijk put 24 (datering van twee kleine scherfjes als “Neolithicum t/m IJzertijd”). Qua grondsporen is er geen sprake van paalkuilen, greppels e.d., maar wel zijn er een aantal fenomenen in het plangebied aanwezig die mogelijk tot deze periode behoren en die hieronder worden besproken.

6.1.1 Aangepunte houten paal In het westen van punt 10 werd een forse aangepunte houten paal gevonden die nog net tot in het zand was ingedreven (S269, zie ook paragraaf 6.3.1). Gezien de vondst van aardewerk uit de Midden of Late IJzertijd in het westen van put 10, wordt aangenomen dat de paal uit die periode dateert. Het is echter niet uitgesloten is dat de paal al uit de Vroege IJzertijd dateert, of na het begin van de jaartelling.

6.1.2 Kuil In put 17 lag er in het vlak in het zand een spoor met een diameter van ca. 50 cm en een humeuze rand (S538; figuur 30). Het spoor is gecoupeerd en bemonsterd en was nog ongeveer 18 cm diep; de humeuze rand liep komvormig door. Vanwege de vondst van scherven uit de Midden- of Late IJzertijd in put 17 wordt het spoor in dit hoofdstuk behandeld, maar er is geen vondstmateriaal geassocieerd met het spoor en het is niet duidelijk is of het om een antropogeen spoor gaat. Wel bestond de donkere bodem van het spoor uit een soort houten plak die is verzameld (zie 6.3.1).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[59]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 30. Kuil S538 in put 17.

6.1.3 Mogelijke akkerlagen In een aantal putten op de overgangszone tussen de strandwal en het veengebied zijn in het profiel twee mogelijke akkerlagen gezien. Met name in put 14 leek dit het geval te zijn: hier gaat het veen (S4000) naar boven toe over in een ca. 20 cm dikke laag humeus zand (S3008), donkerbruin met lichter zand erdoorheen gemengd (mogelijk door verploeging); zie figuur 31.

4

Figuur 31. Oostprofiel van put 14. De zes spoorkaartjes in het midden betreffen van boven naar beneden: S1000, S3006, S4000, S3007, S3008 en S4000.

4

Als gevolg van het nestelen van oeverzwaluwen in put 14 tijdens een onderbreking in het veldwerk, is de profieldocumentatie in deze put niet afgerond.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[60]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Boven S3008 ligt ca. 10 cm lichtgrijs zand (S3007), dat weer wordt afgedekt door ca. 20 cm veen (S4000). Het veen wordt weer afgedekt door een dik pakket duinzand met daarin veel dunne humeuze bandjes (S3006). Waarschijnlijk gaat het om stuifzand vanaf de naastgelegen strandwal. De genese van de bandjes is niet duidelijk, ze kunnen tijdens het stuiven zijn ontstaan (in korte perioden met vegetatie), maar ook kunnen ze na het ontstaan van het pakket zijn gevormd door fluctuerend grondwater. Op de grens tussen S3008 en S3007, en op de grens tussen S4000 en S3006, zijn onregelmatigheden te zien die een antropogene oorsprong lijken te hebben. In het eerste geval doen de onregelmatigheden meer aan ploegvoren denken, in het tweede geval zou het bijvoorbeeld ook om vertrappeling kunnen gaan. In put 7 en in het westen van put 10 is dit laatste fenomeen ook duidelijk gezien (figuur 32; met wat goede wil zijn er hier en daar pootafdrukken in te zien), en in put 16 en 17 minder duidelijk.

Figuur 32. Overgang top veen naar bovenliggende stuifzand zoals o.a. in het westen van put 10 is te zien.

Er is geen vondstmateriaal direct aan de mogelijke akkerlagen te relateren en er is geen daterend onderzoek uitgevoerd (zoals 14C-dateringen). Een datering in de Midden/Late IJzertijd en/of inheemsRomeinse tijd wordt echter het meest waarschijnlijk geacht, gezien het feit dat uit deze periode vondstmateriaal verspreid door het plangebied voorkomt, en het feit dat de lagen bovenin het veen voorkomen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[61]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

6.1.4 Kreek uit de Midden-/Late IJzertijd Op twee plaatsen in het plangebied loopt een met klei gevulde watergang. Zoals in het Programma van Eisen is aangegeven, was het Kanaal van Corbulo op basis van het vooronderzoek langs twee stroken te verwachten, waarbij werd verondersteld dat het meer westelijk gelegen tracé een kreek betrof en het oostelijke tracé het kanaal (zie PvE blz. 26 en afbeelding 4). Tijdens het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek zijn beide tracés onderzocht door middel van haaks hierop gelegen proefsleuven. Het oostelijke tracé is aangesneden in de putten 23, 9, 20 en 27 (maar in put 20 niet ingemeten i.v.m. het dichtgooien van deze put op last van het waterschap) en omvat de spoornummers S275, S276, S411 en S467. Het westelijke tracé is aangesneden in de putten 10 en 18 en omvat de spoornummers S268, S271, S272, S533 en S571, waarbij S268 en S271 smalle greppeltjes zijn aan weerszijden van het tracé. Het vondstmateriaal uit beide tracés is vergeleken.

Het oostelijke tracé bevatte de volgende vondsten (uit S276: V89 en V90; uit S411: V194 t/m V197): V89: IJZM - IJZL (1 scherf, handgevormd) V90: bot V194: IJZV - IJZM (7 scherven van één pot, handgevormd) V195: bot (edelhertgeweipunt) V196: mortel met dunne pleisterlaag (contaminatie) V197: bot Het westelijke tracé bevatte de volgende vondsten (uit S272: V79 t/m V83; uit S533: V206; uit S571: V214 t/m V216, V220 t/m V224): V79: ROMM (midden-Romeins): 2 scherven van pot Stuart 201a V80: ROMM (midden-Romeins): 8 scherven van standamfoor Haalebos 8052 V81: bot V82: IJZL – ROM, wrsch ROM (2 scherven, handgevormd) V83: houtskool V206: bot (deelskelet rund) V214: houtfragmentje + bot V215: hout (plankje en tweezijdig aangepunte tak) V216: bot V220: houtskool uit profiel V221: ROMM (midden-Romeins): 13 scherven Lowlands Ware I V222: hout (drie palen) V223: hout (bewerkte kerfstok) V224: IJZ (1 scherf handgevormd) + bot Op basis van het verschil in aard en datering van het vondstmateriaal, maar ook de aard van de insnijdingen en de aanwezigheid van de twee greppeltjes en een houten beschoeiing bij het westelijke tracé, is vastgesteld dat het westelijke tracé het kanaal van Corbulo betreft. Het kanaal zal worden behandeld in hoofdstuk 7. De spoorbeschrijving, vondsten en monsters van het oostelijke tracé van de kreek komen in het onderhavige hoofdstuk aan bod.

Het oostelijke tracé is aangesneden in de putten 9, 20, 23 en 27 en de aard van de waterloop verschilt per put. In put 23, de meest noordelijke put waar de kreek is waargenomen, is deze ongeveer 10 meter

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[62]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

breed. De oostelijke insteek is vrij verticaal en enigszins hakkelig, al kan niet worden gesproken van een duidelijk getrapte of antropogeen gegraven oever. De westelijke insteek is schuiner en de kleiige vulling blijft nog enkele meters naar het westen doorlopen als een dunne kleilaag. De bovenste vulling van de kreek bestaat uit veen (vulling 0), wat aangeeft dat er in deze periode geen stromend water meer door de kreek liep. In put 9, ca. 40 meter naar het zuidwesten, is de kreek opnieuw waargenomen (zie kaartbijlage 5). Hier is de opbouw meer symmetrisch en gaat het om een komvormige doorsnede van ca. 8,5 meter breed op het hoogste niveau (figuur 33).

Figuur 33. Kreek S276 in het noordprofiel van put 9. Het neolithische niveau eronder wordt net geraakt.

De onderzijde van de kleivulling ligt op 2,8 m -NAP, de bovenzijde op 1,6 m -NAP. In tegenstelling tot bij put 23 bestaat de bovenste vulling hier uit humeuze klei in plaats van veen. De geul heeft in put 9 5

de top van de strandwal geërodeerd tot ca. 10 cm onder het veen , waardoor een klein deel van de neolithische vondstlaag hier is verdwenen. Tijdens het aanleggen zijn in het vlak ter hoogte van de westelijke oever van de kreek enkele brokken humeuze klei gezien die bij couperen ca. 10 cm dik bleken te zijn (S336 t/m S338). Het lijkt om een soort plaggen te gaan, waarvan niet duidelijk is of ze bijvoorbeeld zijn losgekomen van de oever bij een hoge stroomsnelheid, of dat ze door menselijk handelen in de kreek zijn terechtgekomen. Ook werd hier in de buurt een paalkuil of wortelgang gezien (S341), die nog ver onder de kreek tot in het strandwalzand doorliep. De paalkuil of wortelgang is aan de onderkant erg smal en is opgevuld met klei met houtmolmrestjes. In put 20, ca. 50 meter ten zuidwesten van put 9, is de kreek zoals eerder gezegd niet ingemeten omdat de put op last van het waterschap direct weer moest worden dichtgegooid. Wel is de kreek d.m.v. foto’s vastgelegd, waarbij te zien is dat het niet om één geul gaat (figuur 34) maar er sprake is van meerdere aftakkingen (zowel haaks op de hoofdgeul als parallel daaraan) en aan de westzijde oeverwalachtige overstromingslagen afgewisseld met kleiige veenlaagjes. De totale breedte van de geul (waar deze zich echt insnijdt in het veen) is ca. 18 meter. In deze put wordt het meest duidelijk dat het gaat om een natuurlijke kreek.

5

Het feit dat de waterloop het veen doorsnijdt tot in het zand, is nog een argument voor het feit dat dit niet het kanaal van Corbulo betreft: bij de aanleg van het kanaal is men steeds net bóven het veen gebleven om erosie te voorkomen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[63]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 34. Westelijke oever van de kreek in put 20 (het spoor onderaan de foto is de gracht uit de Nieuwe tijd).

In put 27 ten slotte is de kreekvulling in het oostelijke uiteinde van de put aangetroffen en kon de totale breedte daarom niet worden vastgesteld (minimale breedte is 4 meter).

6.2 Vondstmateriaal 6.2.1 Keramiek De scherven uit deze periode zijn afkomstig uit de kreekvulling en uit verschillende losse vondstlocaties in het veen, op de overgangszone tussen veen en strandwal. V89 betreft twee goed geconserveerde scherven uit de kreekvulling in put 9, die zijn gemagerd met organisch materiaal en potgruis en in de Midden- of Late IJzertijd dateren. Ook in de kreekvulling zaten zeven verweerde scherven gemagerd met potgruis (V194) die al even zijn genoemd bij het materiaal van hoofdstuk 5, omdat zij uit de Vroege of Midden-IJzertijd dateren en dus ook afkomstig kunnen zijn van een verspoelde Vroege-Ijzertijdvindplaats. De overige scherven zijn losse vondsten uit het westen van put 10 (V64), put 12 (V191), put 14 (V151), put 17 (V209 t/m V213) en mogelijk put 24 (V264). Deze scherven zijn weinig gefragmenteerd maar niet allemaal goed geconserveerd: sommige scherven zijn verweerd en het originele oppervlak ontbreekt vaak (afgebladderd). De scherven zijn echter groot genoeg om wel nader te kunnen dateren. Het gaat om fragmenten die vanaf de tweede helft van de midden-ijzertijd maar waarschijnlijk in de late ijzertijd gedateerd kunnen worden. Dit vaatwerk is voorzien van een sterk drieledig profiel met korte hals en schouder, vingertopindrukken op de rand, een oortje en versiering bestaande uit krassen (figuur 35).

De scherf uit het westen van put 10 heeft nagelindrukken op de wand (eveneens afgebeeld in figuur 35). Het meest opvallend aan het aardewerk uit deze periode is de grote hoeveelheid organisch materiaal gecombineerd met potgruis dat gebruikt is als verschraling.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[64]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 35. Enkele scherven van aardewerk uit de Midden en/of Late IJzertijd. Tekening: M. Leenders, BAAC.

6.2.2 Dierlijk botmateriaal Omdat botmateriaal op zichzelf niet gedateerd kan worden (en er geen 14C-dateringen zijn uitgevoerd), en het aardewerk uit deze periode vooral losse vondsten betreft, is het lastig om botmateriaal specifiek aan deze vindplaats toe te wijzen. Dit is vooral op basis van associatie gebeurd, zoals bij het fragment botmateriaal uit het veen in het westen van put 10 (V63) dat op dezelfde diepte en vlakbij de Midden/Late IJzertijdscherf uit V64 werd gevonden. De conservering van dit fragment is is goed. Hetzelfde geldt voor negen botfragmenten uit de vondstnummers V209 t/m V213, waarin ook aardewerk uit de Midden- of Late IJzertijd voorkomt. Dit materiaal is goed geconserveerd maar wel redelijk gefragmenteerd. In V213 komt onder andere paard voor.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[65]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

6.2.3 Natuursteen Vlakbij de scherf van V64 werd in het veen een fragment van een natuurstenen artefact gevonden dat geslepen/gepolijste vlakken heeft. Vermoedelijk komt het dan ook uit de Midden- of Late IJzertijd. Het fragment is onverbrand en ongepatineerd en geschikt voor analyse.

6.3 Monsters 6.3.1 Hout In het westelijke uiteinde van put 10 werd een bekapte houten paal gevonden die vanuit het veen is ingeslagen tot de punt net op het zand kwam (V84; S269). Vanwege deze stratigrafie en vanwege de ligging niet ver van V64 (scherf uit Midden-/Late IJzertijd) wordt vermoed dat de paal ook uit deze periode dateert. De houtwaardering heeft uitgewezen dat het gaat om een eikenhouten paal van 20 cm diameter. Tevens is het houtachtige materiaal op de bodem van kuil S538 gewaardeerd (figuur 36). De houtspecialist kon hier echter niet meer van zeggen dan dat het gaat om een plak organisch materiaal. Er is niets te zeggen over de houtsoort of de aard van de plak.

Figuur 36. Plak organisch materiaal uit S538 in put 17.

6.3.2 Dendrochronologie Vondstnummer V84, de aangepunte paal in het westen van put 10, is ingestuurd voor dendrochronologisch onderzoek. De paal bevatte 129 jaarringen, maar helaas heeft het onderzoek geen datering opgeleverd. Evenals bij vindplaats 1 Vlaardingencultuur komt dit door de beperkte dekking van pre-Romeinse perioden door referentiecurven.

6.3.3 Macrobotanie Er is een monster genomen van de houtmolmrestjes in de paalkuil of wortelgang S341 onder de kleiige waterloop S276 in put 9 (M12). Omdat niet duidelijk is of de paalkuil/wortelgang natuurlijk of antropogeen is, het niet duidelijk is of deze van onder de geul of vanuit de geul komt, en alles erop wijst dat deze waterloop een kreek uit de IJzertijd is en het kanaal van Corbulo meer naar het westen

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[66]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

ligt, is het monster in het kader van dit proefsleuvenonderzoek niet gewaardeerd omdat dat dat geen bijdrage leverde aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Om in het kader van de waardering wel een oordeel te kunnen vellen over de conservering van materiaal uit de kreek, is een macrobotanisch monster genomen uit vulling 0 (de humeuze laatste fase van opvulling) van S411 (M31). De conservering van het macrobotanisch materiaal is goed, de concentratie is laag, de diversiteit is redelijk. Het monster bevatte geen houtskool of cultuurplanten, wel materiaal dat geschikt is voor 14C-datering.

6.3.4 Pollen In de ijzertijdkreek zijn meerdere pollenbakken geslagen. In put 9 is een sequentie van drie pollenbakken geslagen (M14 t/m M16) door de hele vulling. Deze zijn niet gewaardeerd omdat M14 (bovenste pollenbak) in een gescheurd en doorworteld deel van het profiel zat (niet betrouwbaar) en M15 en M16 de stromende fasen vertegenwoordigen (het is dan onduidelijk waar de pollen vandaan komen). In put 23 is één pollenbak geslagen in het bovenste deel van de ijzertijdkreek (M31; S411 vulling 0). Hieruit is vulling 0 (de laatste fase, veen) gewaardeerd (figuur 37). De conservering van de pollen in het monster is redelijk tot goed, vermoedelijk is dit te danken aan de humeuze, vochtige veengrond. De concentratie pollen is hoog en de diversiteit is redelijk. Er zijn geen cultuurplanten waargenomen maar wel mestschimmels. Het monster is geschikt voor analyse.

Figuur 37. Locatie pollenbak M31 in de kreek in put 23. De bovenste venige laag (vulling 0) is gewaardeerd.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[67]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

6.3.5 OSL In put 7 is een OSL-monster genomen van het duinzand boven het veen (M4), maar dit is niet uitgewerkt a.g.v. de hoge kosten en lange doorlooptijd van dit type onderzoek (niet passend in een waarderend onderzoek) en het feit dat de vraagstelling al op een andere manier kon worden beantwoord (stratigrafie en aardewerk).

6.4 Interpretatie Er is niet echt sprake van één vindplaats, maar van verschillende vondsten uit de Midden-IJzertijd t/m inheems-Romeinse tijd binnen het plangebied, en enkele fenomenen waarvan óf onduidelijk is of ze antropogeen zijn (kuil met humeuze rand, mogelijke akkerlagen) óf onduidelijk is of ze bij deze periode horen (aangepunte houten paal). De verspreiding van vondsten uit deze periode duidt er in ieder geval op dat er in de omgeving bewoning of activiteit plaatsvond (bijvoorbeeld op de nu afgetopte strandwal; waarbij het veen werd gebruikt als dumpzone voor afval), maar over de aard valt verder niets te zeggen. Behalve deze vondsten is er de kreekin het oostelijke deel van het plangebied. Het betreft een natuurlijke kreek, die vermoedelijk open lag in de Midden en/of Late IJzertijd. Hoewel er enkele dingen opvallen (een soort humeuze plaggen in de vulling bij de westelijke oever in put 9, een paalkuil of wortelgang onder de kreek in put 9, een hakkelige en redelijk verticale insteek bij de oostelijke oever in put 23, en de vondst van ijzertijdscherven in de vulling van de kreek), zijn er geen concrete aanwijzingen voor menselijk ingrijpen aan of bij de kreek. De datering van de kreek (en daarmee deels ook de interpretatie) is niet absoluut vastgesteld d.m.v. dendro- of 14C-dateringen, maar is gebaseerd op een combinatie van factoren.

Ten eerste wijst het vondstmateriaal in de vulling van de kreek op een datering in de IJzertijd. Zeven scherven dateren in de Vroege of Midden IJzertijd, deze zijn echter sterk verweerd en kunnen afkomstig zijn van een geërodeerde vindplaats. Een andere, niet verweerde scherf dateert in de Midden- of Late IJzertijd. Ook de edelhertgeweipunt wijst in de richting van een prehistorische periode, hoewel ook in latere perioden nog wel op edelhert werd gejaagd. Romeins materiaal is niet aangetroffen in de vullling. Ten tweede is bij een begeleiding ter hoogte van de Kniplaan, ca. een kilometer naar het noordoosten, ook een overigens meerfasige- kreek gedocumenteerd, die vondstmateriaal uit specifiek de Midden-IJzertijd bevatte (Mulder, 1998). Bij een onderzoek bij de Rietvinklaan, ca. 2 kilometer ten zuidwesten van de onderhavige locatie, is eveneens een kreek aangetroffen (De Kort & Raczynski-Henk 2008; bij dit onderzoek is ook het Kanaal van Corbulo aangetroffen, zie hoofdstuk 7). Op basis van twee 14Cdateringen is deze kreek ná 400 v.Chr. ontstaan en vóór 126 n.Chr. verland, wat aansluit bij de aardewerkdateringen uit het onderhavig onderzoek en het onderzoek aan de Kniplaan. Bij onderzoek aan de Zaagmolenstraat, weer een halve kilometer verder naar het zuidwesten, werd een kreek met twee fasen aangetroffen (Briels & Jansen 2014).

Op basis van het vondstmateriaal kon worden bepaald dat beide fasen in ieder geval in de IJzertijd hebben opengelegen, en door middel van een 14Cdatering is vastgesteld dat de jongste kreek in de Late IJzertijd is verland. Het zou goed kunnen dat de kreken in deze vier waarnemingen tot hetzelfde systeem behoorden, dat hier in de Midden- (en Late) IJzertijd stroomde, maar het is ook mogelijk dat er sprake is van een systeem met meerdere geulen die al dan niet tegelijk open lagen. Bij een onderzoek aan het Damplein, nog enkele honderden meters ten zuidwesten van de Zaagmolenstraat, werd volgens de auteurs het kanaal van Corbulo aangetroffen als onderdeel van een

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[68]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

natuurlijke restgeul (Griffioen & Hoogendijk, 2011). Het lijkt er echter op dat dit niet het geval is (zie hoofdstuk 7) en het ook in dit geval gaat om een kreek uit de IJzertijd, die mogelijk in de Vroege Middeleeuwen opnieuw in gebruik is genomen als watergang. Weer iets naar het zuidwesten ligt de waarneming Plaspoelkade-Zuid (Briels 2009), een booronderzoek waarbij een met klei gevulde waterloop in het veenpakket is aangetroffen. Er waren geen indicatoren en er is geen gravend onderzoek uitgevoerd, maar gezien de ligging tussen het Damplein en de Verlengde Landscheidingsweg, gaat het om een kreek. Bij het onderzoek aan de Verlengde Landscheidingsweg werd namelijk ook een waterloop gevonden waarbij hout uit de vulling een datering in de Late IJzertijd opleverde (Van Heeringen 1997).

6.5 Waardering en selectieadvies De resten uit de Midden- en Late IJzertijd en/of inheems-Romeinse periode kenmerken zich door vondstmateriaal dat ogenschijnlijk ‘los’ in de top van het veen gevonden wordt, zonder duidelijke context (kuil/greppel). Alle vondsten uit deze periode zijn gevonden op de flank van het Oud Duin, waar deze over gaat in het afdekkende veen. Het feit dát het losliggend vondstmateriaal zonder context is, maakt dat op het criterium gaafheid laag gescoord wordt. Het criterium conservering scoort middelhoog. Het is gebleken dat naast anorganisch vondstmateriaal als aardewerk ook organisch vondstmateriaal (dierlijk bot) in dezelfde laag wordt aangetroffen. Met een score van 3 punten is de fysieke kwaliteit beneden gemiddeld en is vindplaats 3 niet behoudenswaardig. De inhoudelijke kwaliteit van deze vindplaats kan ook als laag bestempeld worden. Los vondstmateriaal uit deze periode binnen de archeoregio is niet uitzonderlijk. Ook betreft het relatief sterk gefragmenteerd materiaal, waardoor de informatiewaarde ook laag is. Van een ensemble is geen sprake. waarde

criteria

scores hoog

beleving

fysieke kwaliteit

schoonheid

wordt niet gescoord

herinneringswaarde

wordt niet gescoord

gaafheid

laag

1

conservering inhoudelijke kwaliteit

midden

2

zeldzaamheid

1

informatiewaarde

1

ensemblewaarde

1

representativiteit

n.v.t.

Tabel 8. Scoretabel waardestelling van vindplaats 3 Midden-/Late IJzertijd en/of inheems-Romeinse tijd (tabel 5 uit de KNA).

Selectieadvies: vindplaats 3 is als niet behoudenswaardig beoordeeld. Hier is geen nadere omgang voor vereist. Wél zou het de aanbeveling hebben de relevante zone, te weten de overgangszone van veen naar zand, extensief te laten begeleiden door bijvoorbeeld amateurarcheologen, die op die manier nog vondsten kunnen verzamelen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[69]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

6.6 Beantwoording onderzoeksvragen 12. Op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP zijn de archeologische indicatoren aangetroffen? Op een diepte van ca. 1,5 tot 2 m -NAP (ca. 0,6 tot 1,1 m -Mv). 13. In hoeverre zijn de archeologische indicatoren in verband te brengen met aanwezige of verdwenen bodemhorizonten? De indicatoren zijn niet in verband te brengen met een bodemhorizont, maar liggen in het veen op de flank van de strandwal (er is dus wel sprake van een verband met de flankzone). De kreek ligt verder naar het oosten, in het veengebied. 14. Wat is de horizontale ruimtelijke spreiding van de archeologische indicatoren? Zijn er erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld van de aanwezige archeologische vindplaatsen? De vondsten lijken gerelateerd te zijn aan specifiek de flankzone van de strandwal. Er zijn geen erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld, maar het betreft dan ook verspreide losse vondsten. 15. Wat is de aard en ouderdom van de indicatoren? Het betreft los vondstmateriaal uit de Midden-/Late IJzertijd en de inheems-Romeinse tijd, en een kreek uit de Midden-/Late IJzertijd. Ook is een aangepunte houten paal gevonden, een kuil met een humeuze rand, en mogelijke akkerlagen. Mogelijk horen deze bij dezelfde periode, maar dat is niet zeker. 16. Behoren de indicatoren tot een of meerdere vindplaatsen? Ja, tot één vindplaats (vindplaats 3).

17. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate? Alleen aardewerk kan met zekerheid aan deze periode worden toegeschreven en is in beperkte mate aanwezig. Wel wordt op basis van de ligging in de nabijheid van aardewerk uit deze periode, in dezelfde laag, ook een klein deel van het botmateriaal en het natuursteen tot deze periode gerekend. Onderzoeksvragen per vindplaats: • Aard: losse vondsten, mogelijk enkele sporen, en een kreek uit de Midden-/Late IJzertijd • Complextype(en): onbekend, dumpzone? • Omvang: niet in m2 uit te drukken; flankzone strandwal • Datering van ca. 500 v.Chr. tot ca. 150 n.Chr. • Gaafheid van de archeologische sporen: n.v.t. • Aanwezigheid van structuren: nee • Aanwezigheid vondststrooiing? ja, maar zeer beperkt • Aard van de vondsten: zie vraag 17 • Vondstdichtheid per m2: laag, niet in m2 uit te drukken • Aard van de sporen: mogelijke akkerlagen, mogelijke kuil, mogelijke houten paal, natuurlijke kreek • Spoordichtheid in aantal per m2: laag, niet in m2 uit te drukken • Aanwezigheid archeologische laag? nee

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[70]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

• De mate van conservering van deze vindplaats (fysieke en inhoudelijke kwaliteit, voor het bepalen van de fysieke kwaliteit zie ook PS02): middelhoog • Toelichting: zie paragraaf 4.5 18. Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen archeologische resten worden gedaan over de activiteiten die op de onderzoekslocatie plaatsvonden en de eventuele ontwikkelingen daarin? Er zijn te weinig resten gevonden en de uitwerking is te beperkt om hier zinvolle uitspraken over te kunnen doen. 19. Zijn absolute dateringen van afzettingen en bewoningssporen mogelijk? Deze zijn mogelijk door het uitvoeren van 14C-dateringen, maar dit is niet gebeurd in het kader van het huidige onderzoek. 20. Wat betekent de aanwezigheid van de vindplaats(en) voor de gespecificeerde archeologische verwachting zoals deze is geformuleerd in het bureau- en of booronderzoek? En in welk opzicht kan op basis hiervan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld? De gespecificeerde archeologische verwachting duidde op een lage kans op vindplaatsen in het veenlandschap (Jansen & Van Eijk, 2014). Wel werd gesteld dat er kleine activiteitsplekken in het veen aanwezig konden zijn. Het lijkt voor deze vooral te gaan om losse vondsten (geen activiteitsplekken, mogelijk een dumpzone). De verwachting hoeft niet te worden bijgesteld. 21.

Wat is de waarde van de vindplaats(en)? Conform KNA-bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’? De score op fysieke kwaliteit is 3 punten. De score op inhoudelijke kwaliteit is 3 punten. De vindplaats is hiermee als niet behoudenswaardig aan te merken. 22. Wat kunnen deze waarden bijdragen aan de kennis van de bewonings- en gebruiksgeschiedenis, bewonings-en gebruikscontinuïteit en locatiegebruik van het plangebied en zijn directe omgeving? De resten zijn te beperkt om hier iets over te kunnen zeggen. Wel is de kreek uit de Midden-/Late IJzertijd interessant omdat deze belangrijk kan zijn geweest voor mensen uit die periode (voor transport, drinkwater, lokaal misschien bewoning of activiteiten op de oevers). 23. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de reeds bekende gelijktijdige vindplaatsen/archeologische resten in de directe en wijde omgeving van de onderzoekslocatie? De resten zijn te beperkt om hier iets over te kunnen zeggen, afgezien van het feit dat de afgelopen jaren al in verschillende onderzoeken een kreek is aangetroffen, zowel ten noordoosten als ten zuidwesten van het plangebied, en dat in deze archeoregio vaker losse vondsten uit deze periode voorkomen.

Bij de begeleiding eind jaren ’90 (Mulder, 1998) betreffen de vindplaatsen 4 en 5 bijvoorbeeld verspreide fragmenten handgevormd aardewerk (Late IJzertijd / inheems-Romeins) over een afstand van meer dan 100 m lengte en breedte. 24. Hoe past de nieuwe vindplaats ten opzichte van oudere en jongere vindplaatsen/archeologische resten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in kwestie? De vindplaats geeft aan dat er, tussen de aanwijzingen voor bewoning/activiteit in de Vroege IJzertijd, en de aanleg van het Kanaal van Corbulo in de Romeinse tijd, regelmatig vondsten in het veen terechtkwamen maar dat er geen aanwijzingen zijn voor bewoning in deze periode. 25. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de bewoning en/of het landgebruik t.o.v. de regionale en provinciale context uit onderhavige periode?

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[71]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Omdat het een vindplaats betreft die bestaat uit enkele verspreide vondsten en mogelijk antropogene sporen, gaat het wat ver om uitspraken te doen over bewoning en landgebruik in provinciale context, anders dan dat de resten passen binnen het bestaande beeld. 26. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot vergelijkbare complexen in de (wijde) omgeving (inhoudelijke kwaliteit)? Zie het antwoord bij vraag 23. 27. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden (gaafheid en conserveringsgraad)? Zie ook PS02. Zie onderzoeksvraag “Onderzoeksvragen per vindplaats”. 28. Welke aanwijzingen zijn er dat de nieuwe vindplaats zich uitstrekt buiten het onderzochte terrein? Kan op basis van de resultaten van dit IVO–P worden aangegeven of de vindplaats centraal of perifeer is geraakt/doorsneden en zo ja, op grond waarvan? In welke richting(en) strekt de vindplaats zich vermoedelijk verder uit? De kreek strekt zich uit buiten het plangebied. Gezien het vaker voorkomen van vondstmateriaal uit deze periode op de flank van de strandwal, is de verwachting dat ook dit aspect van de vindplaats zich uitstrekt buiten het onderzochte terrein. Er kan echter door de aard van de resten niet gesteld worden dat een vlakdekkende vindplaats zich uitstrekt buiten het terrein, of dat die op een bepaalde plaats is aangesneden. 29.

In hoeverre komen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek overeen met het bureau- en booronderzoek? Bij het booronderzoek waren geen indicatoren aangetroffen die duidden op een ijzertijdvindplaats, dus in die zin wijken de resultaten van het proefsleuvenonderzoek af, maar de afwezigheid van indicatoren betekent niet per se dat er geen vindplaats aanwezig is. In de verwachting was wel gesteld dat er kleinere en/of vondstarme vindplaatstypen in het veen konden voorkomen. 30. In hoeverre worden de archeologische waarden bedreigd door de toekomstige planontwikkeling? Indien bij de planontwikkeling wordt gegraven tot 2 m -Mv, wordt de gehele vindplaats bedreigd; dit heeft echter geen gevolgen voor de planontwikkeling omdat het om een niet-behoudenswaardige vindplaats gaat. 31. Welke mogelijkheden (denk ook aan bufferzone, grondwaterpeil, planologische inpassing) zijn er tot het behoud in situ van de vindplaats (Zie ook KNA-leidraad ‘Standaard Archeologische Monitoring’) Behoud in situ is niet nodig. 32. Is vervolgonderzoek nodig en zo ja, zijn er voor vervolgonderzoek technische beperkingen te voorzien? Nee. 33. Hoe kunnen de eventueel aan te treffen resten geplaatst worden in het grotere onderzoekskader (POA en NOaA) en hoe kunnen ze bijdragen tot een Gemeentelijke Onderzoeksagenda? De resten passen binnen het thema 14. De Late Prehistorie in West-Nederland van de NOaA.

In de POA sluiten de resten aan bij onderzoek naar de spreiding en bewoningsgeschiedenis van het WestNederlands kustgebied. Door de beperkte, niet-behoudenswaardige aard van de resten kunnen ze geen relevante bijdrage leveren aan een Gemeentelijke Onderzoeksagenda, anders dan dat de kans op deze resten bestaat in de randzone tussen strandwal en veen. RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[72]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Onderzoeksvragen bij prehistorische resten: 34. In welke landschappelijke omgeving vond de bewoning plaats? De resten zijn te beperkt om te spreken van bewoning. Vermoedelijk vond bewoning plaats op de strandwal en werd de lager gelegen veenzone als een dumpzone gebruikt. 35. Welke aanwijzingen zijn er voor exploitatie van voedselbronnen en ander economisch gebruik ter plaatse van of in de directe omgeving van de vindplaats? Dergelijke aanwijzingen zijn bij deze vindplaats niet aangetroffen. 36. Veenwegen. Wat is de opbouw van de veenweg? Welke aanwijzingen zijn er voor fasering in aanleg en gebruik van de weg? Welke aanwijzingen zijn er voor de wijze waarop de veenweg is aangelegd? Welke fenomenen die verband houden met de veenweg (huisplaats, kreek, aanlegsteiger, beschoeiing, vis fuik, boten) zijn er? Er is geen veenweg aangetroffen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[73]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

7 Vindplaats 4 Kanaal van Corbulo 7.1 Sporen en structuren 7.1.1 Inleiding Het Kanaal van Corbulo is een kanaal dat rond 50 na Chr. is gegraven in opdracht van de Romeinse generaal Gnaius Domitius Corbulo. Het kanaal verbindt de monding van de Rijn met die van de Maas. Het is gelegen tussen Naaldwijk in het zuiden en Leiden in het noorden. Het kanaal is al op verschillende plaatsen in dat traject archeologisch onderzocht. Op twee plaatsen in het plangebied loopt een met klei gevulde watergang. Zoals in paragraaf 6.1 reeds is aangegeven, was het Kanaal van Corbulo op basis van het vooronderzoek langs twee stroken te verwachten, waarbij in het PvE werd verondersteld dat het meer westelijk gelegen tracé een kreek betrof en het oostelijke tracé het kanaal (zie PvE blz. 26 en afbeelding 4). Tijdens het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek zijn beide tracés onderzocht door middel van haaks hierop gelegen proefsleuven. Het oostelijke tracé is aangesneden in de putten 23, 9, 20 en 27 en het westelijke tracé is aangesneden in de putten 10 en 18. Op basis van het verschil in aard en datering van het vondstmateriaal (zie 6.1), maar ook de aanwezigheid van de twee greppeltjes en een houten beschoeiing bij het westelijke tracé, is vastgesteld dat het westelijke tracé het kanaal van Corbulo betreft. De aard en opbouw van het kanaal zal hieronder worden behandeld.

De natuurlijke kreek (de oostelijke watergang) is reeds aan bod gekomen in paragraaf 6.1.

7.1.2 Profiel put 10, opbouw kanaal De doorsnede van het kanaal kon alleen in put 10 worden gedocumenteerd in het profiel, omdat in put 18 sprake was van grote wateroverlast en omdat hier is ingezet op het documenteren van de vele houten palen in het vlak en in profielen in de lengterichting van het kanaal. In het noordoostprofiel van put 10 is het kanaal duidelijk zichtbaar (kaartbijlage 5). Hier bestaat het uit een noordoost-zuidwest georiënteerde, 14,6 meter brede vulling van klei (S272) die zich insnijdt in het veen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[74]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 38. Kanaal van Corbulo in noordprofiel put 10 (S272). 6

Aan de noordwestkant snijdt het kanaal zich eerst tot 70 cm diepte verticaal in en buigt dan schuin af naar een ongeveer 7,2 meter lange vlakke bodem, om daarna weer schuin omhoog te lopen naar de oostelijke insteek (die geen verticale insnijding heeft). Op het vlakke deel ligt de bodem op 2,9 m -NAP en de bovenzijde op 1,1 m -NAP (resp. 2,4 en 0,6 m -Mv). Het kanaal heeft in het midden dus een diepte gehad van minimaal 1,8 meter. Het valt op dat men bij het aanleggen van het kanaal goed heeft gelet op het overblijven van een laagje veen tussen de bodem van het kanaal en het onderliggende strandwalzand: over de hele lengte van 7,2 meter ligt er netjes een 8 à 10 cm dikke veenrest onder het kanaal. Er is geen beschoeiing aanwezig, maar wel loopt aan weerszijden van het kanaal een smalle greppel. De greppel aan de noordwestzijde (S271) ligt ongeveer 60 cm naast de insteek van het kanaal en is ca. 50 cm breed en 30 cm diep. De greppel aan de zuidoostzijde (S268) ligt ongeveer 130 cm naast de insteek van het kanaal en is ca. 75 cm breed en 40 cm diep (figuur 39). Vermoedelijk zijn dit ontwateringsgreppeltjes om het veen direct naast het kanaal te ontwateren zodat dit minder snel afbrokkelde en misschien ook om de oever steviger te maken om overheen te lopen.

Er zijn geen aanwijzingen (plaggen, afwijkende lagen) gevonden voor de aanwezigheid van een pad naast het kanaal of de greppeltjes.

6

Overigens ligt op deze plaats een donkergrijs-lichtgrijs gevlekte verstoring (vulling 5 genoemd), maar het kanaal zelf moet ook verticaal omhoog lopen omdat het na deze verstoring niet doorloopt.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[75]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 39. Overzichtsfoto van put 10 vlak 1 richting het zuiden. Op de voorgrond is greppel S268 te zien.

Binnen het kanaal zijn meerdere vullingen onderscheiden (zie kaartbijlage 5). Wat direct opvalt, zijn de omhoog komende donkergrijze humeuze vullingen ongeveer in het midden van het kanaal (vulling 4, 7 en 8); zie ook figuur 40. Dit is niet de bodem van het kanaal; onder de humeuze lagen ligt nog één dunne kleilaag (vulling 9) die de bodem vormt en die (in ieder geval op deze plaats) niet mee omhoog is gekomen. Aan weerszijden van de donkere vulling is het kanaal opgevuld met lichtgrijze klei met zandlaagjes (vulling 0, 1, 6, 10), die in detail van elkaar verschillen. Vulling 0 is meer homogeen van aard, vulling 1 is plaatselijk meer ‘woelig’ dan gelaagd, vulling 6 bevat relatief veel humeuze laagjes en brokken, en vulling 10 is wat lichter van kleur dan de overige lagen. De oriëntatie van de zandlaagjes varieert eveneens en het lijkt daarmee om meerdere fasen van dichtslibbing te gaan, waarbij sommige fasen eerdere weer gedeeltelijk hebben geërodeerd. Een van de latere fasen van opvulling (vulling 2) bevat ook zandlagen en zandbrokken, waarna het water tot stilstand moet zijn gekomen en de opvulling steeds humeuzer wordt en ten slotte overgaat in veen (vulling 3) in het midden en een dun laagje humeuze klei (vulling 11) richting de zuidoostelijke oever.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[76]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 40. Detail van S272 in het noordprofiel van put 10, met omhoogkomende venige vulling..

De aard van de donkergrijze vulling in het midden is een lastig vraagstuk. Bij het documenteren van het profiel werd het idee geopperd dat het omhoog komen van dit humeuze sediment is veroorzaakt door het meetrekken van slib door varende schepen, misschien zelfs door het vastlopen en weer losgetrokken worden van een schip. Hoewel het niet ondenkbaar is (door de loop door een veengebied zal het kanaal vermoedelijk redelijk snel een bodem met slib hebben vergaard), hadden Romeinse vrachtschepen voor zover tot nu toe bekend een platte bodem. Een dergelijke omhoogtrekking van slib zou eerder verwacht worden bij schepen met een uitstekende kiel. Bij wijze van een ‘second opinion’ is de tegenoverliggende zijde van het profiel opgeschaafd om het fenomeen ook daar te kunnen bekijken. De afstand tussen beide profielen is 5,5 m (de sleufbreedte op dit niveau). Dit leverde een verrassend resultaat op: in het zuidwestprofiel is duidelijk een oversnijding zichtbaar, waarbij de afzettingen van het noordwestelijke deel van het kanaal door de afzettingen van het zuidoostelijke deel snijden. Hoewel dit in eerste instantie doet vermoeden dat het gaat om twee fasen van het kanaal (zoals bij het onderzoek aan de Rietvinklaan geopperd door De Kort & RaczynskiHenk, 2008), leert een nadere inspectie van het fenomeen dat dit niet waarschijnlijk is.

De gelaagdheid in beide delen is namelijk vrijwel exact vergelijkbaar (figuur 41). De opeenvolging (van onder naar boven) van ca. 7 cm grijze klei (met daarbinnen een lichtgrijs bandje dat in beide delen is te zien), dan 15 cm fijn gelaagde humeuze donkergrijze klei, daarboven 10 cm donkere klei met lichte zandbandjes, en daarboven lichtgrijze en grijze grillig vermengde klei, is zo identiek dat het onmogelijk is dat dit door toeval is ontstaan en een tweede fase van het kanaal jaren later op precies dezelfde wijze is dichtgeslibt als de eerste, met dezelfde afwisseling van humus, zandlagen en klei. Andere argumenten tegen het bestaan van twee fasen zijn het feit dat het onlogisch is dat het nieuwe kanaal dan in het sediment van het oude werd ingegraven in plaats van net daarnaast in het veen, en dat men het nieuwe kanaal dan pas zou hebben uitgegraven nadat het oude helemaal was dichtgeslibd. Ook zou in het onderhavig plangebied de oudste van de twee fasen in dat geval maar 4 à 6 meter breed zou zijn, wat te smal is bij een scheepsbreedte van 2,7 tot 4,7 meter (o.b.v. verschillende Romeinse vrachtschepen die in Nederland zijn gevonden in De Meern, Zwammerdam en Woerden).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[77]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 41. Detail van S272 in het zuidprofiel van put 10. De gespiegelde lagen zijn duidelijk zichtbaar.

Al met al betekent dit dat er een andere verklaring gezocht moet worden voor dit opvallende fenomeen. Gezien de vrijwel identieke sedimentatie moet het gaan om een verandering die pas ná dichtslibbing is opgetreden. Een vergelijkbare scherpe postdepositionele verschuiving is door de auteur wel eens waargenomen bij een onderzoek in Haarlem (figuur 42); dit was echter in het duinzand.

Figuur 42. Voorbeeld van postdepositionele verschuiving/verzakking (Dreef, Haarlem)..

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[78]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

De meest waarschijnlijke verklaring lijkt, op basis van de nu bekende informatie, dat na de dichtslibbing van het kanaal door zijwaartse en/of opwaartse druk de wanden van het kanaal naar het midden zijn gestuwd en de bodem naar boven, waardoor de bodem is gescheurd en de kleivullingen tegen elkaar aan en over elkaar heen zijn geschoven. Een vergelijkbaar beeld (naar boven afbuigen van vrijwel identieke lagen) is gezien bij het proefsleuvenonderzoek in de Starrenburgpolder (Jansen, in prep). Het is goed mogelijk dat het bij de Rietvinklaan eveneens om postdepositionele verschuiving gaat en dat er geen sprake is van twee fasen. Bij toekomstig onderzoek in of nabij die locatie, en ook bij andere doorsnijdingen van het kanaal waarbij dit fenomeen optreedt, dient er dan ook specifiek aandacht te worden geschonken aan de laagopbouw.

7.1.3 Put 18, houten beschoeiing Behalve in put 10 is het kanaal van Corbulo aangetroffen in put 18. In tegenstelling tot in put 10 bleek het kanaal hier geflankeerd te zijn door meerdere rijen met houten beschoeiingspalen, die tot aanzienlijke diepte zijn ingeslagen in het veen onder het kanaal. In totaal zijn drie rijen palen aangetroffen (figuur 43):

Figuur 43. Detail beschoeiingen in put 18.

•

De meest westelijke palenrij, aan de westoever van het kanaal, bestond -binnen de grenzen van de proefsleuf- uit negen rechtop geplaatste ronde palen (figuur 44). De palen zijn vervaardigd uit een zachte houtsoort, die in het kader van de waardering (met het blote oog) niet nader kon worden vastgesteld dan ‘loofhout’ en voor één paal met zekerheid op essenhout. Voor de palen zijn natuurlijke stammetjes gebruikt, gezien de krommingen die hier en daar in het hout aanwezig zijn. De onderzijdes van de houten palen zijn niet bereikt, ondanks gericht nagraven met de schep tot dieptes van ca. 1,5 meter beneden vlakniveau.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[79]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

•

Een tweede rij palen werd op 2,7 meter oostelijk van de eerste aangetroffen. Ook deze rij palen staat aan de westoever van het kanaal. Deze rij bestaat uit zeventien waargenomen paaltjes van een zachte houtsoort, eveneens loofhout. Sommige zijn rond, sommige zijn gekliefd tot hoekige palen (een daarvan is tot op soort gedetermineerd en betreft een iep). Ook hier is de onderzijde niet bereikt.

•

Aan de oostoever van het kanaal is een derde beschoeiing aangetroffen, 13,5 meter ten oosten van de vorige (de totale breedte tussen de beide buitenste beschoeiingen is dus 16,2 meter). Hier is de rij opgebouwd uit een dubbelgestelde rij palen (figuur 45). Er zijn zowel complete als gekliefde stammetjes gebruikt. Twee van de palen zijn tot op soort gedetermineerd en betreffen eikenhout. Deze twee bevatten respectievelijk 30 en 42 jaarringen, dit is te weinig voor betrouwbaar dendrochronologisch onderzoek.

De beschoeiingspalen van de drie rijen beschoeiing zijn bemonsterd voor dateringsdoeleinden (dendrochronologie) en voor houtsoortbepaling.

Figuur 44. Beschoeiing van kanaal van Corbulo in put 18; meest westelijke rij.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[80]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 45. Beschoeiing van kanaal van Corbulo in put 18; meest oostelijke rij.

Door de extreme wateroverlast en het feit dat is ingezet op het documenteren van het hout, is er geen complete dwarsdoorsnede van het kanaal van Corbulo verkregen in put 18 (el zijn delen gedocumenteerd en zijn monsters genomen). Het is dan ook niet geheel duidelijk geworden waarom er aan de westzijde twee rijen palen staan, met daartussen een afstand van 2,7 meter. De palen van de ‘binnenste’ rij staan een stuk dieper en ook de kanaalvulling ligt hier dieper (deze loopt schuin omhoog richting de buitenste rij palen). Een mogelijkheid is dat de binnenste rij ouder is, en het kanaal op een gegeven moment toch breder uitsleet en opnieuw beschoeid is. Ook is het mogelijk dat het juist andersom is, namelijk dat eerst de buitenste rij werd aangebracht en later een nieuwe voor de oude is geplaatst (dit gebeurt ook nu nog regelmatig). Ook valt natuurlijk niet uit te sluiten dat beide gelijktijdig

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[81]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

zijn aangebracht voor extra bescherming van deze oever. Dendrodatering van palen uit de verschillende rijen zou deze vraag kunnen beantwoorden, maar helaas bleken de meeste stammetjes daar (gezien de geringe diameter en aantal jaarringen) niet geschikt voor te zijn. Wat in put 18 verder opvalt, is dat de kleivulling buiten de oostelijke beschoeiing nog enkele meters ondiep (ca. 50 cm) doorloopt, alvorens naar boven toe weg te lopen. Qua opvulling van het kanaal is evenals in put 10 sprake van een opvulling van lichtgrijze klei met dunne zandlagen, met in het midden bovenin een komvormige, humeuze/venige bovenste vulling. Hieroverheen ligt een kleilaag die ook buiten het kanaal van Corbulo doorloopt over het veen. Deze afzettingen zouden dan afkomstig moeten zijn van een nabijgelegen latere kreek of watergang (de Vliet?).

7.2 Vondstmateriaal 7.2.1 Keramiek Op verschillende plaatsen in zowel put 10 als put 18 is aardewerk gevonden in de vulling van het kanaal. Het gaat om zowel gedraaid als handgevormd aardewerk. V79 bevatte twee aan elkaar passende randscherven van een gedraaide ruwwandige pot van het type Stuart 201a (figuur 46). De pot had een korte/lage hals met een licht verdikte en puntig afgestreken uitstaande rand. Het baksel is vrij zacht en geoxideerd met een magering van zand en chamotte. De datering is Midden-Romeins (70 n.Chr. tot 270 n.Chr.)

Figuur 46. V79; rand van een ruwwandige pot van type Stuart 201a.

In V80 zaten acht scherven van een middelgrote gedraaide standamfoor (type Haalebos 8052). Er zijn alleen wandfragmenten gevonden, die deels aan elkaar passen. De amfoor heeft een crèmekleurig hard baksel met duidelijke rillen aan de buitenzijde (figuur 47). Ook deze scherven dateren in de MiddenRomeinse tijd.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[82]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 47. V80; enkele van de wandscherven van een standamfoor (type Haalebos 8052).

V82 bevatte twee handgevormde scherven met een magering van potgruis en organisch materiaal. Zij zijn gedateerd als “Late IJzertijd/Romeinse tijd, waarschijnlijk Romeins”. In S571 (kanaal in put 18) komen 13 scherven van Lowlands Ware I (grijsbakkend, gedraaid aardewerk), dat vanaf het eind van de 1e eeuw na Christus werd geproduceerd (V221). Ook komt uit V224 één scherf handgevormd aardewerk met potgruismagering die niet nader gedetermineerd kon worden dan “IJzertijd”. Gezien de goede conservering lijkt het er niet op dat de scherf is meegespoeld van een andere vindplaats, het is dan het meest waarschijnlijk dat de scherf uit de Late IJzertijd/inheems-Romeinse periode dateert. Het aardewerk is zonder uitzondering goed geconserveerd en geschikt voor analyse.

7.2.2 Dierlijk botmateriaal In put 10 werd slechts één botfragment gevonden in de kanaalvulling (V81) maar dit was goed geconserveerd en niet gefragmenteerd en daarmee geschikt voor analyse. Hetzelfde geldt voor de botfragmenten uit de kanaalvulling in put 18 (V206, V214, V216 en V224), met uitzondering van V224. V224 bevatte een fragmentje verbrand bot dat niet tot op soort gedetermineerd zou kunnen worden, de overige fragmenten wel. V206 bevatte o.a. een deelskelet van een rund.

7.3 Monsters 7.3.1 Hout Het grootste deel van het hout bestaat uit palen die zijn bemonsterd uit de drie rijen beschoeiing van het kanaal van Corbulo, maar er is ook ander hout afkomstig uit of bij het kanaal gewaardeerd. Een kort

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[83]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

overzicht van de waardering staat hieronder; voor een meer uitgebreid overzicht wordt verwezen naar BIAX-notitie 408 (Hänninen, 2017). Uit de buitenste westelijke beschoeiing zijn vijf rondhouten palen gewaardeerd. Alle waren goed geconserveerd. Eén hiervan is een es (Fraxinus excelsior). Deze had te weinig jaarringen voor dendrochronologisch onderzoek. De overige palen zijn van verspreidporig loofhout. Dat hout is niet geschikt voor conservering of dendrochronologisch onderzoek. Uit de binnenste westelijke beschoeiing zijn dertien goed geconserveerde palen onderzocht. Ook hier is rondhout gebruikt. Vondstnummer 237 is van iepenhout (Ulmus) en niet geschikt voor dendrochronologisch onderzoek omdat het aantal jaarringen te klein is. De overige stukken zijn verspreidporig loofhout. Geen van de stukken komt in aanmerking voor dendrochronologisch onderzoek. Uit de oostelijke (dubbele) beschoeiing zijn drie goed geconserveerde stukken onderzocht, twee eiken en een stuk verspreidporig loofhout. De eiken waren gemaakt van een kwart stam. Ze hebben te weinig ringen voor dendrochronologisch onderzoek (respectievelijk 30 en 42 jaarringen). Behalve het hout uit de beschoeiingen is een losse rondhouten paal uit put 18 gewaardeerd (V269; S585), die ongeveer 15 meter ten oosten van de oostelijke beschoeiing stond. De conservering is goed.

Het gaat om een eik met circa 60 jaarringen, die in aanmerking komt voor dendrochronologisch onderzoek. Andere vondsten van constructiehout uit het kanaal van Corbulo zijn, drie palen (V222; 1x es, 2x verspreidporig loofhout) en een deel van een gespleten essenhouten plank uit V215 (figuur 48). Eveneens uit V215 afkomstig is een tak van verspreidporig loofhout met een diameter van 1,1 cm, die aan beide uiteinden is aangepunt (figuur 48). De functie van het object is onduidelijk. Ditzelfde geldt voor V218, een bewerkt blokje essenhout met vele afgeplatte vlakken in verschillende hoeken tot elkaar (figuur 49).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[84]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 48. Fragment van essenhouten plank (boven) en tweezijdig aangepunte tak van loofhout (V215).

Figuur 49. Bewerkt blokje van essenhout, V218.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[85]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Ten slotte is een bijzonder voorwerp afkomstig uit het kanaal (V223), namelijk een essenhouten tak met een lengte van 72 cm en een diameter die oploopt van 1,3 cm aan de punt tot 4 cm aan het andere uiteinde, dat een soort handvat zou kunnen zijn (figuur 50). Beide uiteinden zijn bewerkt en een deel van de vele uitstekende zijtakken en knoesten is afgekapt. Op de tak zijn talrijke parallelle snijsporen aanwezig (figuur 51) en het voorwerp is daarom geïnterpreteerd als een kerfstok, waar een telling op werd bijgehouden door streepjes in het hout te kerven. Een vaak genoemde toepassing is het tellen van schapen door herders, maar er zijn natuurlijk ook allerlei andere mogelijkheden denkbaar. De kerfstok is goed geconserveerd maar wel op twee plaatsen beschadigd en iets geknakt.

Figuur 50. Kerfstok van essenhout, V223.

Figuur 51. Detail kerfstok V223.

7.3.2 Dendrochronologie Met de specialist dendrochronologie (S. van Daalen) is overlegd over de mogelijkheid van dendrochronologisch onderzoek voor de eikenhouten paal V269. Met ca. 60 ringen zit deze paal op de grens van betrouwbaarheid voor dendrochronologisch onderzoek, en de specialist heeft aanbevolen om in dit geval geen datering uit te voeren. Bij palen met 60 ringen die uit een context komen met meerdere palen, is dendrodatering nog verantwoord omdat de sequentie wat langer kan worden

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[86]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

gemaakt door overlap met andere palen uit dezlfde context. In dit geval gaat het echter om één losstaande paal (15 meter buiten het kanaal van Corbulo) en is dendrodatering van alleen deze paal niet voldoende betrouwbaar.

7.3.3 Macrobotanie In totaal zijn in het veld drie macrobotanische monsters genomen uit de vullingen van het kanaal. M8 is genomen uit S272 vulling 9 (het kleilaagje op de bodem van het kanaal) maar dit monster is niet gewaardeerd omdat het kanaal in de tijd van afzetting van het kleilaagje nog stroomde en eventuele botanische resten dus evengoed van elders afkomstig kunnen zijn. M9 en M10 zijn genomen uit de beide greppeltjes aan weerszijden van het kanaal (resp. S268 en S271), maar ook deze zijn niet gewaardeerd. Waardering van botanisch materiaal uit de greppeltjes beantwoordt geen onderzoeksvragen en was niet nodig voor een waardering van deze vindplaats. Wel is ervoor gekozen om een macrobotanische waardering uit te voeren voor S272 vulling 3 (veen) uit de pollenbak M7, om uitspraken te kunnen doen over de conservering van botanisch materiaal in deze laatste fase van opvulling van het kanaal. De conservering van het macrobotanisch materiaal is goed, de concentratie is laag, de diversiteit is laag. Het monster bevatte geen houtskool of cultuurplanten, wel materiaal dat geschikt is voor 14C-datering.

7.3.4 Pollen In de opvulling van het kanaal van Corbulo zijn op meerdere plaatsen pollenbakken geslagen, ten behoeve van onderzoek van zowel pollen als botanische macroresten. In werkput 10 zijn de bakken zodanig geslagen dat de gehele opbouw van het kanaal bemonsterd kon worden, d.w.z. van boven naar onder (M5, M6, M7). In werkput 18 zijn de pollenbakken op enkele verschillende plekken geslagen (V241, V242, V243). Ten behoeve van de waardering van pollen uit het kanaal van Corbulo is stuifmeel uit vulling 3 uit pollenbak M7 gewaardeerd (figuur 52). De conservering van de pollen in het monster is redelijk. De concentratie pollen is laag en de diversiteit is laag. Er zijn zowel cultuurplanten als mestschimmels waargenomen, maar vanwege de matige conservering, en lage concentratie en diversiteit, komt het monster volgens de specialist niet in aanmerking voor analyse.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[87]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 52. Locatie pollenbak M7 in laatste fase opvulling kanaal van Corbulo.

7.3.5 OSL In put 10 is een OSL-monster genomen van zandbrokken in het kanaal van Corbulo (M11), maar dit is niet uitgewerkt a.g.v. de hoge kosten en lange doorlooptijd van dit type onderzoek (niet passend in een waarderend onderzoek) en het feit dat de vraagstelling al op een andere manier kon worden beantwoord (stratigrafie en aardewerk).

7.4 Interpretatie Vindplaats 4 betreft één specifieke structuur, namelijk het kanaal van Corbulo met de bijbehorende zijgreppels en houten beschoeiingen. Er is in de omgeving al veel onderzoek gedaan, waardoor er al redelijk veel bekend is over de datering, de constructiewijze en de loop van het kanaal. Wat de datering betreft, heeft het onderhavig onderzoek geen afwijkende of nieuwe inzichten opgeleverd. De dateringen op basis van het aardewerk in de vulling zijn daarvoor niet scherp genoeg, en er zijn geen dendrodateringen verkregen van houten palen uit de beschoeiing. Voor de waardering en de interpretatie is dit echter niet van groot belang, aangezien reeds bekend is dat het kanaal in de jaren na 47 na Christus is aangelegd. Er is geen aanleiding om van deze datering af te wijken voor het onderhavig onderzoek. De constructiewijze van het kanaal is wat meer een onderwerp van discussie, aangezien zelfs binnen het plangebied al verschillende constructiewijzen voorkomen. In put 10 is geen beschoeiing aanwezig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=55de77ab-3699-4fb2-82bf-aeba18f8d6d4