CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3337 Toelichting_Bijlage 9 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan Vlietvoorde West.30.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 11. Enkele scherven neolithisch aardewerk van vindplaats 1. Links: Vlaardingen; rechts: Enkelgraf of TRB. Tekening: M. Leenders, BAAC.

V128 betreft drie scherven waarvan de datering niet verder gespecificeerd kon worden dan “MiddenNeolithicum B t/m IJzertijd”. Gezien de associatie met het materiaal van de Vlaardingencultuur worden deze scherven bij het neolithisch aardewerk gerekend. In V167 (zie figuur 11) is een randfragment gevonden van een dunwandige, versierde beker waarop met stokjes lijnen en driehoeken zijn aangebracht (tiefstich). In de groeven is witte pasta aangebracht en tevens is er zwart aankoeksel in achtergebleven. De witte pasta is mogelijk gemaakt van verpulverde schelpen of verbrand bot. Nader onderzoek van de pasta zou interessant kunnen zijn voor het verkrijgen van de samenstelling en/of voor een datering. De magering is onduidelijk, het lijkt om graniet te gaan. Qua datering behoort de scherf waarschijnlijk tot de Enkelgrafcultuur (of heel misschien de Trechterbekercultuur). Enkelgrafcultuur lijkt aannemelijker gezien de associatie met het materiaal van de Late Vlaardingencultuur. V168 zou wellicht bij V167 kunnen horen gezien de verschraling van fijn kwartsgruis. Het materiaal is goed geconserveerd en weinig gefragmenteerd. De kwaliteit van de fragmenten is volgens de specialist voldoende geschikt voor verder onderzoek en vergelijkingen met andere

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[29]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

vindplaatsen. Voor het waarderen van de vindplaats is dit echter niet noodzakelijk; dergelijke analyses passen doorgaans bij een definitief onderzoek. De waardering van de scherven (m.n. globale datering) heeft voldoende informatie opgeleverd om de vindplaats te kunnen waarderen.

4.2.2 Vuursteen en natuursteen Vuursteen Het vuursteen is gewaardeerd door P. van der Kroft (RAAP); zie bijlage 6. In totaal zijn er 21 stuks vuursteen afkomstig uit de putten 9 en 12. Eén hiervan (V188-1 uit put 12) betreft echter een musketflint uit de Nieuwe tijd; deze zal samen met een ander stuk vuursteen uit Nieuwe tijd-context worden behandeld bij het vondstmateriaal in hoofdstuk 8. In put 9 is sprake van een relatief hoge concentratie vuursteen (19 stuks); daarnaast zijn twee fragmenten prehistorische vuursteen gevonden in put 12, ca. 40 meter ten westen van put 9. Slechts een klein deel van het vuursteen is verbrand, en geen van de stukken is gepatineerd. Dit kan worden beschouwd als een hoge gaafheid en conserveringsgraad van het materiaal, waardoor het geschikt is voor verdere uitwerking. Enkele opvallende stukken zijn een schrabbertje uit V177, een bijlafslag met duidelijke polijstsporen uit V144, en een kern (V188-2) die eveneens is gemaakt van een fragment van een vuurstenen bijl (deze echter met minder duidelijke polijstsporen). Voordat het bijlfragment als kern is opgebruikt, is het eerst hergebruikt als klopsteen (figuur 12).

Figuur 12. Boven: bijlafslag en schrabber uit put 9. Onder: als klopsteen en kern hergebruikt fragment van een geslepen bijl. Het plus-symbool geeft aan of en waar een slagbult aanwezig is. Tekening: M. Koeweijden, RAAP.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[30]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Het vuursteen bevat weinig diagnostische stukken, maar gezien de associatie met het neolithische aardewerk in dezelfde vondstlaag, is het zeer aannemelijk dat het vuursteen uit de putten 9 en 12 eveneens uit het Neolithicum dateert. De aanwezigheid van (fragmenten van) gepolijste bijlen sluit hierbij aan. De waardering van het vuursteen heeft voldoende informatie opgeleverd om de vindplaats waarvan het afkomstig is, te kunnen waarderen en om de onderzoeksvragen 15 t/m 19 (en indirect 20 t/m 29) en 35 te kunnen beantwoorden op een wijze die volstaat voor een proefsleuvenonderzoek. Natuursteen Van het natuursteen zijn 28 stuks afkomstig uit een neolithische context (vondstlaag of spoor). Deze fragmenten zijn voor een groot deel ongemodificeerd (natuurlijk), maar er zijn ook enkele fragmenten gevonden die sporen van gebruik vertonen (bijv. als klopsteen). Enkele stukken zijn verbrand.

4.2.3 Dierlijk bot en schelp Uit de neolithische vondstlaag en neolithische sporen in put 9 en 12 zijn in totaal 47 botfragmenten en 6 schelpen afkomstig. De conservering is over het algemeen goed voor de onverbrande fragmenten en matig voor de verbrande (zeer kleine) fragmenten. Van de meeste vondstnummers zou 50 tot 100% tot op soort gedetermineerd kunnen worden, met uitzondering van de verbrande fragmenten. In zowel V119 als V128 is een beenplaat van een steur aanwezig (figuur 13). Steuren maakten vaak deel uit van het neolithisch menu en zullen gevangen zijn in kreken in de nabije omgeving van de vindplaats. Ze worden echter niet vaak zo goed geconserveerd teruggevonden als hier het geval is.

Figuur 13. Beenplaten van steur uit V119 en V128.

Een andere noemenswaardige vondst (V141) is een fragment van een geweistang van een afgeworpen edelhertgewei, uit de greppel met houten palen, S274. Het betreft het dikste deel net boven de

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[31]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

rozenkrans, dat vaak wordt gebruikt om werktuigen van te maken, maar bewerkingssporen zijn niet gezien. Uit S5000 in put 12 komt een deel van een doorboorde geweistang (V187; zie figuur 14). Hoewel het niet 100% zeker is dat deze bij de neolithische vindplaats hoort (gezien het feit dat in put 12 sporen vanuit verschillende niveaus zich insnijden, en in een van de sporen -weliswaar verweerdeijzertijdscherfjes voorkomen), is dit wel zeer aannemelijk door de ligging in dezelfde laag als de Vlaardingenvondsten in put 9 (overgang veen naar onderliggend zand).

Figuur 14. Fragment doorboorde geweistang; V187.

4.2.4 Zaden In de neolithische vondstlaag in put 9 zijn twee verkoolde fragmenten van een hazelnootdop gevonden (V152). De fragmenten zijn goed geconserveerd en geschikt voor 14C-datering. Hoewel dit een bijdrage zou leveren aan de absolute datering van de resten van deze vindplaats, en daarmee aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen 15 t/m 19 (en indirect 20 t/m 29), en 35, heeft de waardering van het aardewerk uit de neolithische vondstlaag ook al een datering van deze laag opgeleverd. In deze waarderende fase is daarom geen 14C-onderzoek uitgevoerd.

4.2.5 Houtskool Uit de zeef- en schaafvakken zijn 72 fragmenten houtskool afkomstig. Het grootste deel hiervan is niet op soort determineerbaar omdat het daarvoor te klein is. De wel determineerbare fragmenten zijn allemaal afkomstig van loofhout. D.m.v. analyse zou kunnen worden bepaald of fragmenten in aanmerking komen voor 14C-datering, maar dat is in dit waarderend onderzoek nog niet nodig.

4.3 Monsters 4.3.1 Hout Uit put 9 zijn 16 houten objecten verzameld, waarvan het grootste deel afkomstig is uit sporen die zich vanuit de neolithische vondstlaag insneden in het onderliggende duinzand. Voor de waardering van het hout zijn acht houtmonsters bekeken door de houtspecialist (Kirsti Hänninen, BIAX). Zes hiervan betroffen tot palen bewerkte stammen van eikenhout, namelijk V86, V87, V88, V124, V127 en V134.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[32]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

De conservering is matig tot redelijk. De paalpunten zijn vrij stomp en er zijn korte, holle facetten op zichtbaar, kenmerkend voor het kappen met een bijl gemaakt van steen, been of gewei. De overige twee gewaardeerde houtmonsters zijn een redelijk geconserveerde paal van verspreidporig loofhout (V155 uit S359) en twaalf matig geconserveerde eikentakken (diameter 1,5-2,5 cm) die mogelijk tot vlechtwerk behoren (V179) en die voor 14C-datering geschikt zijn.

Figuur 15. Bekapte eikenhouten paal V87 uit S274.

Figuur 16. Bekapte eikenhouten paal V88 uit S274.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[33]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 17. Bekapte eikenhouten paal V124 uit S274.

Figuur 18. Bekapte eikenhouten paal V127 uit S274.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[34]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 19. Bekapte eikenhouten paal V55 uit S359.

4.3.2 Dendrochronologie Van de eikenhouten palen zijn V87, V127 en V134 ingestuurd voor dendrochronologisch onderzoek. Deze bevatten respectievelijk 129, 71 en 104 jaarringen, een ruim aantal. Helaas heeft het onderzoek geen absolute datering opgeleverd. De beperkte dekking van pre-Romeinse perioden door referentiecurven is hier debet aan. Onderlinge synchronisatie leverde voor de metingen van de drie houten palen echter goede resultaten op. Tussen V87 en V134 is sprake van 104 overlappende jaarringen, en tussen V87 en V127 van 70 overlappende jaarringen. Dit geeft aan dat de stammen op min of meer hetzelfde moment in één gebied zijn gekapt.

4.3.3 Macrobotanie Behalve de macrobotanische monsters M17 en M18 uit vakken 9311 en 9304, is er een monster uit de vondstlaag S5000 genomen uit het profiel (M29), en een monster uit greppel S365 met vermoedelijk vlechtwerk (M30). In het kader van de waardering van de vindplaats is monster M17 gewaardeerd. De conservering is slecht, de concentratie en diversiteit zijn beide laag; vermoedelijk heeft het bewoningsniveau lange tijd aan het oppervlak gelegen voordat dit werd afgedekt met veen. Wel zit er één opvallend object in het monster: een mogelijke verkoolde erwt. Dit zou dan de enige cultuurplant in het monster zijn; verder is het monster niet geschikt voor analyse.

4.3.4 Pollen In neolithische context is één pollenbak geslagen (M13; figuur 20). Hieruit is laag S5000 (de neolithische vondstlaag in de top van het duinzand) gewaardeerd. De conservering van de pollen in het monster is slecht, dit zal dezelfde oorzaak hebben als bij de macrobotanische resten (oxidatie voor afdekking). De concentratie pollen is laag, evenals de diversiteit. Er zijn geen cultuurplanten of mestschimmels waargenomen. Het monster is ongeschikt voor analyse.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[35]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 20. Pollenbak M13 in het noordprofiel van put 9.

4.3.5 OSL In put 7 is een OSL-monster genomen van het duinzand onder het veen (M3), maar dit is niet uitgewerkt a.g.v. de hoge kosten en lange doorlooptijd van dit type onderzoek (niet passend in een waarderend onderzoek) en het feit dat de vraagstelling al op een andere manier kon worden beantwoord (stratigrafie en aardewerk).

4.4 Interpretatie Put 9 doorsnijdt een neolithische nederzetting uit de late Vlaardingencultuur op een uitloper van het duin richting het veengebied. Hoewel er geen plattegronden van gebouwen (huizen, bijgebouwen, spiekers) zijn onderscheiden, wijst de hoge dichtheid aan sporen en het vele gebruik van hout en mogelijk ook vlechtwerk erop dat dit wel een bewoningslocatie is, en dat de huizen of in de smalle put niet herkenbaar waren, of net buiten de put hebben gelegen. De niet erg hoge concentratie vondstmateriaal doet het laatste vermoeden. De omvang en oppervlakte van de vindplaats zijn lastig vast te stellen omdat de vindplaats in alle richtingen doorloopt vanuit put 9, maar in de putten aan weerszijden (20 en 23) het betreffende niveau niet is bereikt (op 2 m -Mv lag nog veen). Er kan dus niet worden gezegd of de vindplaats op een dieper niveau doorloopt. Het ligt wel voor de hand dat de omliggende gebieden gezien de lagere ligging natter en minder geschikt waren voor bewoning dan de rug/flank in put 9. Vermoedelijk zal het dus niet om een grote nederzetting gaan, maar een terrein waar bijvoorbeeld één tot drie erven op lagen. De lagere sporenconcentratie in put 12 kan betekenen dat we hier richting de periferie van de nederzetting gaan, maar het is niet uitgesloten dat ten noordwesten

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[36]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

hiervan (hoger op het duin) meer erven hebben gelegen, en put 12 slechts een sporenarm tussengedeelte is. Het aantreffen van een steentijdvindplaats op de flank van de strandwal is niet geheel onverwacht; in de verwachting was gesteld dat de kans op steentijdvindplaatsen hoog was. De vindplaats past goed in het beeld van andere neolithische vindplaatsen in Leidschendam en Voorschoten, zoals die aan de Frekeweg en Prinsenhof in Leidschendam, en de vindplaatsen in de wijken Boschgeest en Dobbewijk in Voorschoten.

4.5 Waardering en selectieadvies Het duin is goed bewaard gebleven onder een afdekkend pakket veen. Hierdoor is zowel de top van het duin zélf, als een in de top liggend cultuurniveau bewaard. Dit betekent in de praktijk dat zowel een neolithisch sporenniveau als een vondstenniveau aanwezig is. De sporen tekenen zich duidelijk af in het onderliggende duinzand en zijn niet afgetopt of verstoord. De gaafheid van de vindplaats is dus hoog te noemen. Ook ligt de top van het duin net onder het huidige grondwaterniveau; er is dan ook bewerkt hout en onverbrand botmateriaal gevonden. Uit de waardering van een macrobotanisch en een pollenmonster is echter gebleken dat de conservering van zaden en pollen slecht is, vermoedelijk omdat het niveau een tijdlang aan het oppervlak heeft gelegen voordat het met veen werd bedekt. De conservering van de vindplaats wordt daarmee als gemiddeld beschouwd. Met deze score van 5 punten op fysieke kwaliteit is de vindplaats al als behoudenswaardig aan te merken. Dit wordt nog eens versterkt door de criteria met betrekking tot inhoudelijke kwaliteit. Zelden liggen sporenvlakken uit een Neolithische context in het westelijk kustgebied (zo goed bewaard) zo dicht aan de oppervlakte dat ze relatief makkelijk bestudeerd kunnen worden.

De informatiewaarde van deze vindplaats wordt als gemiddeld beschouwd omdat houten palen en botmateriaal informatie zullen opleveren over grondstofgebruik, bouwtechnieken en voedseleconomie, maar dit laatste onderwerp niet of nauwelijks kan worden aangevuld met informatie uit botanische en palynologische monsters. Ook de ensemblewaarde is gemiddeld; de vindplaats biedt een mooie gelegenheid tot vergelijking met andere vindplaatsen van de Vlaardingencultuur in het duingebied, en vormt tevens de start van de uitgebreide bewonings- en gebruiksgeschiedenis van het gehele plangebied. waarde

criteria

scores hoog

beleving

fysieke kwaliteit

schoonheid

wordt niet gescoord

herinneringswaarde

wordt niet gescoord

gaafheid

zeldzaamheid

laag

3

conservering inhoudelijke kwaliteit

midden

2 3

informatiewaarde

2

ensemblewaarde

2

representativiteit

n.v.t.

Tabel 6. Scoretabel waardestelling van vindplaats 1 Vlaardingencultuur (tabel 5 uit de KNA).

Het selectieadvies luidt als volgt: vindplaats 1 Vlaardingencultuur wordt aangemerkt als behoudenswaardig. Omdat de begrenzingen van het duin en de bewoning niet konden worden

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[37]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

vastgesteld, betreft het nu een geschat oppervlak van ca. 7500 m2 over de delen waar het dekzand vermoedelijk binnen twee meter onder maaiveld ligt. Het is echter niet per se zo dat deze hele zone zou moeten worden opgegraven indien hier verstoringen plaatsvinden. Er zou gefaseerd kunnen worden gewerkt, waarbij eerst verspreid over deze zone enkele kleinere proefputten worden aangelegd.

4.6 Beantwoording onderzoeksvragen 12. Op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP zijn de archeologische indicatoren aangetroffen? In put 9: tussen 2,6 en 3,1 m -NAP (ca. 1,7 - 2,2 m -Mv) In put 12: tussen 2,8 en 3,1 m -NAP (ca. 1,9 - 2,2 m -Mv) 13. In hoeverre zijn de archeologische indicatoren in verband te brengen met aanwezige of verdwenen bodemhorizonten? De indicatoren bevinden zich in een nog intact aanwezige humeuze vondstlaag in de top van het duinzand, en in sporen die daaronder hangen. 14. Wat is de horizontale ruimtelijke spreiding van de archeologische indicatoren? Zijn er erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld van de aanwezige archeologische vindplaatsen? De horizontale ruimtelijke spreiding laat zien dat in put 9 de vondst- en sporenconcentratie het hoogst is, en dat in enkele andere putten (10 en 12) sporadisch ook neolithisch vondstmateriaal voorkomt. Het niet meer aanwezige hogere deel van de strandwal in het westen kan als een erosieve zone worden aangemerkt, hoewel het mogelijk is dat de vindplaats daar nooit heeft gelegen en alleen op de flank ligt. 15. Wat is de aard en ouderdom van de indicatoren? De grondsporen betreffen kuilen, paalkuilen, staken, greppels en een drenkkuil. Er lijkt ook vlechtwerk aanwezig zijn en er loopt een palissade door het oostelijke uiteinde van de put.

Van deze vindplaats is handgevormd aardewerk, vuursteen, natuursteen, verbrand en onverbrand dierlijk botmateriaal, zaden, hout en houtskool afkomstig. De ouderdom is met name gebaseerd op typologische kenmerken van het aardewerk (Vlaardingen VL2a of VL2b) en de aanwezigheid van fragmenten van gepolijste bijlen tussen het vuursteen. 16. Behoren de indicatoren tot een of meerdere vindplaatsen? Ja, tot één vindplaats (vindplaats 1). 17. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate? De categorieën zijn genoemd bij vraag 15. Voor alle categorieën geldt dat deze in gemiddelde mate aanwezig zijn, in ieder geval voldoende om diagnostisch materiaal op te leveren t.b.v. datering en interpretatie. Onderzoeksvragen per vindplaats: • Aard: sporen en vondsten uit het Neolithicum • Complextype(en): nederzetting • Omvang: vermoedelijk minimaal ca. 100 x 60 meter • Datering: vermoedelijk VL2a (ca. 2750 tot 2650 v.Chr.) of VL2b (ca. 2650 tot 2500 v.Chr.). • Gaafheid van de archeologische sporen: hoog

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[38]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

• Aanwezigheid van structuren: ja, maar contouren nog niet overal duidelijk herkenbaar • Aanwezigheid vondststrooiing? ja • Aard van de vondsten: zie vraag 15 • Vondstdichtheid per m2: gemiddeld ca. 3 tot 5 vondsten • Aard van de sporen: zie vraag 15 • Spoordichtheid in aantal per m2: ca. 1 spoor per 4 m2 • Aanwezigheid archeologische laag? ja, vondstlaag in de top van het duin • De mate van conservering van deze vindplaats (fysieke en inhoudelijke kwaliteit, voor het bepalen van de fysieke kwaliteit zie ook PS02): goed voor de sporen, het aardewerk, het steen en het hout, matig voor bot en slecht voor botanische resten. • Toelichting: zie paragraaf 4.5 18. Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen archeologische resten worden gedaan over de activiteiten die op de onderzoekslocatie plaatsvonden en de eventuele ontwikkelingen daarin? Omdat het een proefsleuvenonderzoek betreft en de uitwerking beperkt is gebleven, kunnen hier weinig onderbouwde uitspraken over worden gedaan, maar vooralsnog wordt uitgegaan van houtbewerking (gezien de vondst van zowel hout met kapsporen als fragmenten van bijlen), aardewerkproductie, vuursteenbewerking, en zowel jacht als het houden van gedomesticeerde dieren. Het ligt voor de hand dat er ook gewassen zijn geteeld, al zijn daar geen aanwijzingen voor gevonden.

Het onderzoek is te beperkt om iets te zeggen over ontwikkelingen, maar wel valt op dat vuursteen waarschijnlijk schaars was omdat een bijl is hergebruikt als klopsteen en daarna weer afgebouwd als kern. 19. Zijn absolute dateringen van afzettingen en bewoningssporen mogelijk? Deze zijn mogelijk door het uitvoeren van 14C-dateringen, maar dit is niet gebeurd in het kader van het huidige onderzoek. Dendrochronologisch onderzoek aan de houten palen heeft helaas geen datering opgeleverd. 20. Wat betekent de aanwezigheid van de vindplaats(en) voor de gespecificeerde archeologische verwachting zoals deze is geformuleerd in het bureau- en of booronderzoek? En in welk opzicht kan op basis hiervan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld? De gespecificeerde archeologische verwachting duidde op een hoge kans op vindplaatsen vanaf het Neolithicum (Jansen & Van Eijk, 2014). Deze verwachting blijkt uit te komen en hoeft niet te worden bijgesteld. 21. Wat is de waarde van de vindplaats(en)? Conform KNA-bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’? De score op fysieke kwaliteit is 5 punten. De score op inhoudelijke kwaliteit is 7 punten. De vindplaats is hiermee als behoudenswaardig aan te merken. 22.

Wat kunnen deze waarden bijdragen aan de kennis van de bewonings- en gebruiksgeschiedenis, bewonings-en gebruikscontinuïteit en locatiegebruik van het plangebied en zijn directe omgeving? Op basis van het proefsleuvenonderzoek valt al te stellen dat hier een waardevolle en informatieve vindplaats ligt die kan bijdragen aan de kennis over bewoning en gebruik van de strandwallen op de overgang naar het veengebied. Een eventuele opgraving (bij bedreiging van de resten) zou ook daadwerkelijk veel aanvullende kennis opleveren.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[39]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

23. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de reeds bekende gelijktijdige vindplaatsen/archeologische resten in de directe en wijde omgeving van de onderzoekslocatie? Met de ligging op de strandwal en de aard van de sporen en vondsten past de vindplaats goed in het beeld van reeds bekende gelijktijdige vindplaatsen in de omgeving, zoals die aan de Frekeweg en Prinsenhof in Leidschendam, en in de wijken Boschgeest en Dobbewijk in Voorschoten. 24. Hoe past de nieuwe vindplaats ten opzichte van oudere en jongere vindplaatsen/archeologische resten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in kwestie? De vindplaats heeft een ensemblewaarde met de andere vindplaatsen in het plangebied, in die zin dat er sprake is van een niet continue maar wel lang doorlopende bewoningsgeschiedenis. De Vlaardingenvindplaats zou wel eens de start van die geschiedenis kunnen vormen, die voortduurt tot vandaag de dag, zoals resten uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd uit ditzelfde proefsleuvenonderzoek aantonen. 25. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de bewoning en/of het landgebruik t.o.v.

de regionale en provinciale context uit onderhavige periode? Omdat de vindplaats alleen in de proefsleuf is aangesneden en het type vindplaats (permanente/tijdelijke nederzetting, wel/geen akkers, etc) nog niet goed duidelijk is, is het lastig hier gedetailleerde uitspraken over te doen, maar in het algemeen kan worden gesteld dat de vindplaats goed past in het beeld van reeds bekende Midden-/Laat-Neolithische bewoningsresten op de strandwallen van Zuid-Holland. 26. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot vergelijkbare complexen in de (wijde) omgeving (inhoudelijke kwaliteit)? Zie het antwoord bij vraag 23. 27. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden (gaafheid en conserveringsgraad)? Zie ook PS02. Zie onderzoeksvraag “Onderzoeksvragen per vindplaats” 28. Welke aanwijzingen zijn er dat de nieuwe vindplaats zich uitstrekt buiten het onderzochte terrein? Kan op basis van de resultaten van dit IVO–P worden aangegeven of de vindplaats centraal of perifeer is geraakt/doorsneden en zo ja, op grond waarvan? In welke richting(en) strekt de vindplaats zich vermoedelijk verder uit? De vindplaats strekt zich vermoedelijk uit tot buiten het onderzochte terrein, omdat de sporenconcentratie nog hoog is in het zuidoostelijke uiteinde van put 9. Vermoedelijk is de vindplaats in put 9 centraal geraakt en in put 12 perifeer (o.b.v.

sporendichtheid). De vindplaats strekt zich vermoedelijk uit richting het noordoosten, zuidoosten en zuidwesten, maar duikt daar onder de onderzoeksgrens van 2 m -Mv dus dit is lastig te zeggen. 29. In hoeverre komen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek overeen met het bureau- en booronderzoek? Bij het booronderzoek waren geen indicatoren aangetroffen die duidden op een steentijdvindplaats, dus in die zin wijken de resultaten van het proefsleuvenonderzoek af, maar de afwezigheid van indicatoren betekent niet per se dat er geen vindplaats aanwezig is. In de verwachting was wel gesteld dat de kans op steentijdvindplaatsen hoog was. 30. In hoeverre worden de archeologische waarden bedreigd door de toekomstige planontwikkeling?

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[40]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Indien de planontwikkeling niet dieper gaat dan 2 m -Mv, wordt slechts een beperkt deel van de vindplaats bedreigd door eventuele ingrepen. Dit is echter wel een deel met veel informatieve grondsporen, in de vermoedelijke kern van de vindplaats. 31. Welke mogelijkheden (denk ook aan bufferzone, grondwaterpeil, planologische inpassing) zijn er tot het behoud in situ van de vindplaats (Zie ook KNA-leidraad ‘Standaard Archeologische Monitoring’) Er is door de opdrachtgever voor gekozen om de planontwikkeling in te passen op het terrein, door alleen buiten de onderscheiden vindplaatscontouren te bouwen. Het is daarbij wel van belang dat de grondwaterstand niet wordt verlaagd. 32. Is vervolgonderzoek nodig en zo ja, zijn er voor vervolgonderzoek technische beperkingen te voorzien? Wanneer inpassing toch niet mogelijk is en er vervolgonderzoek plaatsvindt, dient vooral rekening gehouden te worden met opkomend grondwater. 33. Hoe kunnen de eventueel aan te treffen resten geplaatst worden in het grotere onderzoekskader (POA en NOaA) en hoe kunnen ze bijdragen tot een Gemeentelijke Onderzoeksagenda? De resten passen goed binnen het thema 11. De Vroege Prehistorie van de NOaA, met name de delen over landgebruik en nederzettingssystemen.

In de Provinciale Onderzoeksagenda van Zuid-Holland passen de resten goed bij thema’s als de spreiding en bewoningsgeschiedenis van het WestNederlands kustgebied en dan met name het inzicht in nederzettingsfactoren (waarom zijn samenlevingen op een bepaalde plek gaan zitten?). Indien de resten niet in situ behouden kunnen worden en de nederzetting wordt opgegraven, dient bij het opstellen van het PvE en de onderzoeksvragen te worden ingezet op specifieke kennislacunes die in deze grotere onderzoekskaders worden aangegeven. De verkregen informatie kan dan weer worden ingezet bij het opstellen van een Gemeentelijke Onderzoeksagenda. Onderzoeksvragen bij prehistorische resten: 34. In welke landschappelijke omgeving vond de bewoning plaats? De bewoning vond plaats op (een uitloper van) de oostelijke flank van de strandwal waarop nu Leidschendam en Voorschoten liggen. Ten zuidoosten en oosten van de bewoningslocatie lag een laagte waarin veengroei plaatsvond als gevolg van de stijgende zeespiegel. Hier kunnen kreekjes doorheen hebben gelopen die de neolithische bewoners gebruikten voor transport, drinkwater en jachtlocaties. In hoeverre het veen al tot vlakbij de bewoningslocatie was gegroeid, is niet duidelijk. Op de strandwal zelf zullen bomen en lagere vegetatie hebben gegroeid. 35.

Welke aanwijzingen zijn er voor exploitatie van voedselbronnen en ander economisch gebruik ter plaatse van of in de directe omgeving van de vindplaats? Het dierlijk botmateriaal wijst op het houden van gedomesticeerde dieren maar ook jacht en visvangst. Hazelnootdopjes geven aan dat deze noten werden verzameld en gegeten. Bomen werden gekapt om te gebruiken voor palen en stakenrijen. Een mogelijke erwt in een botanisch monster geeft aan dat, als het inderdaad een erwt is, deze soort werd verbouwd of verzameld. 36. Veenwegen. Wat is de opbouw van de veenweg? Welke aanwijzingen zijn er voor fasering in aanleg en gebruik van de weg? Welke aanwijzingen zijn er voor de wijze waarop de veenweg is aangelegd? Welke fenomenen die verband houden met de veenweg (huisplaats, kreek, aanlegsteiger, beschoeiing, vis fuik, boten) zijn er?

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[41]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Een veenweg zoals beschreven in het PvE is niet aangetroffen. Alleen ter plaatse van de Vlaardingenvindplaats is in het profiel sprake van een laag twijgen die mogelijk antropogeen is. Deze bevindt zich echter in het veen boven de Vlaardingen-vondstlaag, in een zone met veel hout en doorworteling. Het zou dus ook kunnen gaan om een natuurlijke twijgenlaag. Wel bevindt deze laag twijgen zich ongeveer op de plaats waar de palisssade in het zuidoostprofiel verdwijnt, het zou dus ook nog kunnen gaan om (omgezakt) vlechtwerk.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[42]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

5 Vindplaats 2 Vroege IJzertijd 5.1 Sporen en structuren Aan de rand van het veen, waar het overgaat in het zand van het Oud Duin, is op één plaats binnen het plangebied een sporenconcentratie met aardewerk uit de IJzertijd aangetroffen, namelijk een groep paalkuilen en kuilen in put 13. Een groot deel van het aardewerk kon specifiek in de Vroege IJzertijd worden gedateerd, het overige aardewerk in de “Late Bronstijd of Vroege IJzertijd” en de “Vroege of Midden IJzertijd”. Omdat in die laatste twee determinaties ook de Vroege IJzertijd voorkomt, en het erop lijkt dat beide kuilen gelijktijdig en in een korte periode of één moment zijn opgevuld, wordt in dit hoofdstuk als datering voor de sporen uitgegaan van de Vroege IJzertijd. De kuilen zijn ingegraven vanuit het veen. De bovenzijde van de ingraving ligt op 1,1 m –NAP en wordt daar oversneden door de bouwvoor; mogelijk lag het ingravingsniveau dus nog hoger. De onderkant van het veen ligt in put 13 op 1,6 m -NAP. Ter vergelijking: in put 9 en put 12, waar scherven uit de Vroege IJzertijd ónder het veen voorkomen, ligt de onderkant van het veen op 3,0 m -NAP. Het lijkt er dus op dat het veen in put 13 eerder is ontstaan (vóór of tijdens de Vroege IJzertijd) dan in put 9 en 12, ondanks de veel hogere ligging.

Er kan uiteraard sprake zijn van een lokale waterhuishouding die ervoor zorgt dat de veenvorming niet overal gelijkmatig plaatsvindt, maar een verschil van 1,4 meter is vrij veel. Hier is geen sluitende verklaring voor gevonden. De kuilen concentreren zich op de plaats waar het veen tegen het duin opkruipt, oftewel de flank van het duin. Een aangelegde sleuf dwars op de aangetroffen kuilen heeft aangetoond dat er geen kuilen meer aanwezig zijn ‘dieper het veen in’, maar evenmin op de plaats waar het duin niet meer afgedekt wordt door veen. Het lijkt dus te gaan om een kleine vindplaats met een omvang van ca. 6 bij 30 meter binnen de proefsleuf, en vermoedelijk niet veel daarbuiten. Negentien van de sporen zijn gecoupeerd, sommige zijn na het couperen vervallen omdat het om natuurlijke verstoringen bleek te gaan. Zes sporen zijn echter als goede paalkuilen geïnterpreteerd en zeven sporen als antropogene kuilen. Enkele van deze kuilen (zoals S535 en S536) betreffen ondiepe houtskoolconcentraties, misschien onderkanten van haardkuilen of oppervlaktehaardjes. Verschillende gecoupeerde sporen bevatten hout, dat soms natuurlijk hout bleek te zijn (kronkelend en wortelachtig) maar bij S522 en S523 bleek het wel degelijk om aangepunte palen te gaan. Twee kuilen, S510 en S518, vallen op door hun bijzondere inhoud.

In beide kuilen was namelijk veel dierlijk bot en aardewerk aanwezig, zowel kookpotten als zogenaamd zout-aardewerk of briquetageaardewerk. In S510 was onder het aardewerk tevens een zeldzaam ovenrooster en een slingerkogel of balletje. Ook lagen in deze kuil meerdere fragmenten natuursteen, en enkele houten palen en voorwerpen (zie figuur 21 en paragraaf 5.2 en 5.3). Onder het dierlijk bot in S510 waren grote objecten als een compleet schouderblad van een rund, een van kapsporen voorzien afgeworpen gewei van een edelhert, en een afgezaagde hoornpit van een rund.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[43]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 21. Vondstmateriaal in kuil S510 in put 13.

Over het algemeen waren de sporen in put 13 opgevuld met humeus, zandig veen, donkerder van kleur dan het zandig veen waarin zij zich insnijden. In S510 en S518 bestond een deel van de vulling uit lichtgijze klei. In S518 betrof dat de bovenste vulling, maar in S510 is de helft van de kuil hiermee opgevuld (verticaal gezien). Het runderschouderblad ligt bijvoorbeeld half in de klei en half in de venige opvulling en het lijkt er dan ook op dat het gedeeltelijk opvullen van de kuil met klei een doelbewuste actie is geweest. In deze periode zal er nog weinig klei in de omgeving te vinden zijn geweest, dus die moet van elders zijn aangevoerd (bijv. voor het maken van aardewerk). Waarom deze klei in de kuil is gegooid, is niet duidelijk.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[44]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 22. Kleivulling die zichtbaar wordt tijdens het couperen van S510.

De kuil S510 was maar liefst 90 cm diep (figuur 23); S518 was 26 cm diep. De diepte van de overige sporen varieerde sterk, van enkele centimeters tot 40 of 50 cm vanaf het vlak.

Figuur 23. Coupe van S510 in het profiel; waarbij goed zichtbaar is dat de kuil zich insnijdt vanaf het veen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[45]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

5.2 Vondstmateriaal 5.2.1 Keramiek Het aardewerk van vindplaats 2 is goed voor 83% van al het aardewerk uit het proefsleuvenonderzoek, ondanks dat het om een activiteitszone met een klein oppervlak gaat. Het aardewerk uit deze periode (561 stuks) is voor het overgrote deel afkomstig uit S510 en S518. Het materiaal uit de kuilen is goed geconserveerd en weinig gefragmenteerd en bestaat naast (kook)potten uit bijzondere vondsten zoals briquetage-aardewerk of zoutaardewerk (gootjes en massieve staven; figuur 24), een slingerkogel of balletje en een groot, dik ovenrooster of bakplaat, voorzien van ronde gaten (figuur 25 en figuur 26). De zoutwinning is hier gerelateerd aan het voorkomen van veen. Het zout kan uit het veen zélf gewonnen zijn, als de saliniteit van het zout hoog genoeg was, of het veen werd puur als brandstof gebruikt om zout uit een ander materiaal te stoken. Gewonnen zout werd opgeslagen in zogenaamde zoutgootjes, waarvan er ook diverse in de kuil aanwezig waren. De massieve staven werden waarschijnlijk gebruikt als ondersteuning voor de roosters.

Figuur 24. Fragmenten van staven en gootjes van briquetage-aardewerk. Foto: M. Leenders, BAAC.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[46]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 25. Een selectie van het aardewerk uit S510. Van linksboven met de klok mee: fragment ovenrooster, uiteinde staaf, randscherf kookpot, twee fragmenten van zoutgootjes.

Uit V225 komen, naast 61 fragmenten van gootjes, ook 154 kleine wandscherven die behoren tot minimaal twee potten. V253 bevat behalve fragmenten van het ovenrooster, rand-, wand- en bodemscherven van een archeologisch complete pot met een magering van kwarts en potgruis (figuur 26). In V256 is briquetage-aardewerk aanwezig, wandscherven met granietverschraling, en fragmenten van een soort vuurbok. Op de rand van enkele potten is door middel van nagelindrukken een versiering aangebracht.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[47]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 26. Fragmenten van ovenroosters en randscherf van een met nagelindrukken versierde pot.

Behalve het aardewerk uit de kuilen in put 13 zijn op enkele andere plaatsen scherven uit de Vroege IJzertijd gevonden. • Zoals al eerder genoemd, zijn in put 9 (waar de steentijdvindplaats in ligt) vier scherven uit de Vroege (of Midden-)IJzertijd gevonden (V168 en V175). Drie hiervan zijn echter gerold en liggen misschien niet in situ. • Ook in put 12 zijn scherven uit de IJzertijd gevonden: V185 betreft twee verweerde scherven uit S381 (zie ook hoofdstuk 4) die niet nader dan “IJzertijd” konden worden gedateerd, en V190 betreft tien scherven uit laag S5000 die specifiek in de Vroege IJzertijd dateren.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[48]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

• Uit de geul S411 in put 23 die in de Midden- of Late IJzertijd dateert, komen zeven scherven (V194) die Vroeg- of Midden-IJzertijd als datering hebben (zie ook hoofdstuk 6). De scherven zijn verweerd en kunnen dus ook meegespoeld zijn. • In put 18 is een aardewerkconcentratie gevonden (ingemeten als S586) met daarin 64 scherven uit de Vroege of Midden-IJzertijd, dit betreft echter vooral gruis. • Ten slotte komt uit het profiel in put 11 (bij Oostbos) één scherf handgevormd aardewerk met dikke kwartsmagering, die uit de Late Bronstijd of Vroege IJzertijd dateert. Het materiaal (met name het complex uit put 13) is goed vergelijkbaar met andere vindplaatsen uit het Westelijk Kustgebied, vooral die uit Den Haag en Leiden. De specialist geeft aan dat meer onderzoek (o.a. een vergelijkend slijpplatenonderzoek) wellicht inzicht kan verschaffen in de productiecentra van het briquetage-aardewerk en een meerwaarde voor het onderzoek in de regio zou opleveren. Hoewel het volgens de specialist gaat om een bijzonder complex en het aan te bevelen is om het aardewerk nader te onderzoeken, passen dergelijke analyses doorgaans bij een definitief onderzoek en is dit voor een waarderend proefsleuvenonderzoek niet nodig. De waardering van de scherven (m.n.

globale datering) heeft voldoende informatie opgeleverd om de vindplaats te kunnen waarderen en om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden op een wijze die volstaat voor een proefsleuvenonderzoek.

5.2.2 Natuursteen Uit de kuil S510 zijn zes stukken natuursteen afkomstig. De stukken zijn alle ongemodificeerd en onverbrand, hoewel één van de stukken mogelijk gebruikt is. De stukken zijn geschikt voor analyse (zo kan de steensoort bijvoorbeeld informatie over de herkomst opleveren), en de associatie met de andere vondsten in de kuil geeft ze ensemblewaarde, maar omdat het geen werktuigen betreft, zal de informatiewaarde gering zijn.

5.2.3 Dierlijk botmateriaal Het botmateriaal dat -op basis van associatie met aardewerk- aan de Vroege IJzertijd wordt toegewezen, is afkomstig uit drie verschillende contexten. De eerste context betreft de twee bijzondere kuilen in put 13 die in paragraaf 5.1 zijn behandeld, S510 en S518. In S510 zaten negen botfragmenten, van in ieder geval rund, schaap/geit, vogel en edelhert (V225, V253, V262 en V263). Dit is een opmerkelijke soortenrijkdom voor één kuil. Het edelhert betreft zoals eerder genoemd een afgeworpen gewei met kapsporen (figuur 27 en figuur 28). S518 bevatte zes botragmenten, voornamelijk vogelbotjes (V256 en V257). De tweede context is de met klei gevulde geul die door het oosten van het plangebied loopt, hieruit zijn zes botfragmenten afkomstig, waaronder een edelhertgeweipunt (V90, V195 en V225). Ten slotte is één botfragment afkomstig uit het veen S4000 in put 13 (V252). De conservering van het botmateriaal uit de Vroege IJzertijd is zonder uitzondering goed te noemen. Het meeste zou tot op soort en element kunnen worden gedetermineerd.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[49]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 27. Afgeworpen gewei met kapsporen (V263) uit kuil S510.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[50]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 28. Details kapsporen.

5.3 Monsters 5.3.1 Hout Zoals genoemd, zijn uit kuil S510 drie stukken hout afkomstig (figuur 29). Het gaat om drie dunne stammetjes van ca. 15 centimeter lengte en een diameter van enkele centimeters. Een van de stammetjes heeft een opvallend glad afgeronde punt. Een ander stammetje is schuin afgekapt. Deze beide zijn van loofhout en goed geconserveerd. De derde (slechts 3 cm diameter) is matig geconserveerd eikenhout en vertoont ook enkele kapsporen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[51]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 29. Drie houten objecten uit S510 (V263).

5.3.2 Macrobotanie 3 Uit kuil S510 zijn twee monsters genomen, M34 uit vulling 1 en M35 uit vulling 2. Hiervan is M34 gewaardeerd omdat deze vulling humeuzer is en de grootste vondstconcentratie bevatte. Uit de waardering is gebleken dat de conservering van macrobotanische resten goed is, maar dat de concentratie en diversiteit laag zijn. Er zijn geen cultuurplanten gezien, wel bevatte het monster houtskoolfragmenten die geschikt zijn voor 14C-analyse. Het monster is verder niet geschikt voor analyse, maar de goede conservering geeft aan dat monsters uit eventuele andere sporen of contexten uit deze periode wel kans hebben om een hogere soortendiversiteit te bevatten.

3

Op vindplaats 2 Vroege IJzertijd zijn geen pollenmonsters genomen.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[52]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

5.3.3 Saliniteit In put 13 is uit het veen S4000 ter hoogte van de kuil S510 een monster genomen om eventueel de saliniteit van het veen te kunnen vaststellen (M51). Indien het veen een hoog zoutgehalte heeft, kan dit erop duiden dat het is gebruikt voor lokale zoutwinning (associatie met de gevonden zoutgootjes). Het monster is in het kader van dit waarderend proefsleuvenonderzoek niet uitgewerkt, maar wordt wel aan het depot aangeleverd voor eventueel later onderzoek.

5.4 Interpretatie Vindplaats 2 Vroege IJzertijd bestaat uit enkele losse vondsten in verschillende putten (9, 11, 12, 18 en 23), maar het belangrijkste onderdeel van deze vindplaats zijn twee kuilen die op basis van vondstmateriaal zeker uit deze periode dateren. Ook een aantal sporen in dezelfde put worden op basis van uiterlijk en stratigrafie tot deze vindplaats gerekend. In de omliggende putten zijn geen sporen met zekerheid aan deze periode toe te wijzen, het gaat dan ook om een op zichzelf staand cluster dat bovendien een uitzonderlijk karakter lijkt te hebben. Van een nederzetting is geen sprake, en die lijkt ook niet binnen enkele tientallen meters van put 13 te liggen. Een mogelijkheid is dat het gaat om een activiteitszone die hoorde bij een op grotere afstand gelegen nederzetting. Deze nederzetting kan hebben gelegen op de strandwal (de nederzetting is dan inmiddels verdwenen door aftopping van de strandwal), maar het is ook goed mogelijk dat de resten behoren bij die uit een begeleiding ter hoogte van de Kniplaan (Mulder, 1998). Daar werden in het veen ónder een kreek uit de Midden-/Late IJzertijd houten palen, vlechtwerkwanden, en veel aardewerk uit de Vroege IJzertijd gevonden, waaronder halve cilinders van zoutaardewerk. Een link met de vondsten en sporen uit put 13 is, gezien het zoutaardewerk, makkelijk gelegd.

Een scenario is bijvoorbeeld dat de het vele briquetage-aardewerk en de bakplaten erop wijzen dat in deze activiteitszone het veen werd gestoken en vervolgens verbrand ten behoeve van zoutwinning (selnering of zelnering), waarna het gewonnen zout werd meegenomen naar de nederzetting. De zoutwinning vond buiten de nederzetting plaats zodat het veen ter plaatse kon worden verwerkt (niet eerst vervoerd hoefde te worden naar de nederzetting) en ook zal men misschien liever de rook en brandlucht een eindje van de nederzetting hebben willen houden. Er zijn enkele locaties met aanwijzingen voor zoutproductie en zouthandel bekend in het kustgebied van West-Nederland, met Monster- ’t Geestje als de meest bekende. De grote variatie aan voorwerpen in kuil S510 is echter lastig te verklaren in een dergelijke puur praktische context. De combinatie van de opvallende aardewerkvormen met de botten van minimaal vier verschillende diersoorten (waaronder het bekapte edelhertgewei), een slingerkogel/balletje van klei, de grote brokken natuursteen en de houten paaltjes, wekt de indruk dat al deze voorwerpen doelbewust, bijvoorbeeld als offer, in de kuil zijn gedeponeerd. Dat kan overigens nog steeds betekenen dat het gaat om een offer in het kader van de zoutproductie op deze locatie.

Omdat er verder in put 13 weinig sporen en geen vondsten voorkwamen, en ook bij de rest van het proefsleuvenonderzoek geen aanwijzingen voor andere bewoningssporen uit de Vroege IJzertijd voorkomen, is het niet mogelijk om de aard van de sporen nader te duiden dan hierboven beschreven. Daarvoor zou nader onderzoek nodig zijn, zowel in het veld (uitbreiding parallel aan en in het verlengde van put 13) als van het materiaal en de monsters. Mocht de vindplaats niet in situ behouden kunnen worden, dan dienen hiervoor specifieke onderzoeksvragen te worden geformuleerd.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[53]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

5.5 Waardering en selectieadvies De vindplaats uit de Vroege IJzertijd ligt op de overgangszone van veen naar duinzand. Deze randzone van veen naar zand (duin) is gevoelig voor erosie, zeker met de huidige agrarische bedrijfsvoering, waarbij steeds dieper geploegd wordt, en waar het grondwaterpeil kunstmatig beïnvloed (lees: verlaagd) wordt. Het is dan ook mogelijk dat niet de hele vindplaats (buiten de put) een hoge gaafheid heeft. Toch is in ieder geval van de sporen in put 13 vastgesteld dat de gaafheid goed is, en dat de conserveringsomstandigheden van de archeologische resten in de kuilen zeer goed is. Dit geldt ook voor het macrobotanisch materiaal, al waren de soortenrijkdom en het aantal botanische resten laag. De aanwezigheid van kwetsbare vogelbotjes laat zien dat het dierlijk bot vrijwel niet is aangetast. Op fysieke kwaliteit scoort de vindplaats uit de Vroege IJzertijd dan ook bovengemiddeld (5 punten). Met deze score op fysieke kwaliteit is de vindplaats al als behoudenswaardig aan te merken. De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, of ten minste van de nú aangetroffen kuilen uit deze periode, is eveneens hoog. Hoewel relatief vaak resten van zoutwinningsaardewerk of briquetage-aardewerk worden aangetroffen, komt dit vaak uit nederzettingscontext en is het ‘los’ materiaal.

In het geval van deze context bevindt zich een concentratie van het briquetage-materiaal in de kuil, waarbij diverse elementen uit het zoutwinningsproces (staven ter ondersteuning van eveneens aanwezige ovenroosters, zoutgootjes en wellicht zelfs het ‘normale’ gebruiksaardewerk) tezamen in de kuil liggen. Dit duidt erop dat men op deze plaats of in de nabije omgeving zout heeft gewonnen; in die zin is sprake van een ensemblewaarde met de vroege-ijzertijdnederzetting uit het onderzoek aan de Kniplaan (Mulder, 1998). Een ensemblewaarde kan ook worden toegekend aan het vondstmateriaal dat in de kuil is gevonden: veel verschillende soorten aardewerk, maar ook andere materiaalcategorieën, waaronder het vele dierlijk bot van diverse soorten. Niet uit te sluiten valt dat dit een rituele betekenis heeft, bijvoorbeeld als offer voor voorspoed bij de zoutwinning. waarde

criteria

scores hoog

beleving

fysieke kwaliteit

inhoudelijke kwaliteit

midden

schoonheid

wordt niet gescoord

herinneringswaarde

wordt niet gescoord

gaafheid

2

conservering

3

zeldzaamheid

3

informatiewaarde

3

ensemblewaarde representativiteit

laag

2 n.v.t.

Tabel 7. Scoretabel waardestelling van vindplaats 2 Vroege IJzertijd (tabel 5 uit de KNA).

Het selectieadvies luidt als volgt: vindplaats 2 Vroege IJzertijd wordt aangemerkt als behoudenswaardig. Het betreft dan specifiek de sporen en vondsten in put 13; de losse vondsten in de overige putten zijn te gering en verspreid om deze tot de behoudenswaardige vindplaats te rekenen (vergelijk hoofdstuk 6). De begrenzingen van de vindplaats zijn lastig te bepalen. De nu aangetroffen kuilen zijn volledig opgegraven en onderzocht. Het is onduidelijk of er meer kuilen liggen. Een dwars aangelegde sleuf heeft geen extra sporen opgeleverd. Dit wil echter niet zeggen dat zich niet meer van dergelijke kuilen in een vergelijkbare landschappelijke setting, te weten de overgang van veen naar zand (duin) bevinden. Om al deze mogelijke kuilen op te sporen is echter een opgraving nodig over een

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[54]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

groot gebied (de gehele flank van de strandwal op de overgang naar het veen); het ontbreekt aan andere middelen om dergelijke zeer lokale fenomenen op een goede manier te begrenzen. Er is een vijf meter brede strook ten oosten en noordoosten van de nu aangelegde proefsleuf 13 als aandachtsgebied aangemerkt. Deze strook heeft een oppervlak van ca. 250 m2.

5.6 Beantwoording onderzoeksvragen 12. Op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP zijn de archeologische indicatoren aangetroffen? Bovenzijde sporen: ca. 1,5 m -NAP (ca. 0,6 m -Mv) Onderzijde sporen: maximaal ca. 2,5 m -NAP (ca. 1,6 m -Mv) 13. In hoeverre zijn de archeologische indicatoren in verband te brengen met aanwezige of verdwenen bodemhorizonten? De indicatoren zijn niet in verband te brengen met een bodemhorizont, maar liggen op de overvang van strandwal naar veen, en komen niet voor op de plaats waar het veen de strandwal niet bedekt (er is dus wel sprake van een verband met de flankzone). 14. Wat is de horizontale ruimtelijke spreiding van de archeologische indicatoren? Zijn er erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld van de aanwezige archeologische vindplaatsen? De sporen komen alleen voor in put 13 en lijken gerelateerd te zijn aan de flankzone van de strandwal. Er zijn geen erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld, maar het betreft dan ook een erg kleine vindplaats. 15. Wat is de aard en ouderdom van de indicatoren? De grondsporen betreffen kuilen en paalkuilen, waarvan de ouderdom is gebaseerd op de datering van aardewerk in twee van de kuilen (Vroege IJzertijd). 16. Behoren de indicatoren tot een of meerdere vindplaatsen? Ja, tot één vindplaats (vindplaats 2). 17.

Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate? Veel dierlijk botmateriaal en aardewerk: kookpotten, ovenroosters, een slingerkogel/balletje, en briquetageaardewerk (zoutgootjes en staven). Daarnaast is in mindere mate natuursteen en hout aanwezig. Onderzoeksvragen per vindplaats: • Aard: sporen en vondsten uit de Vroege IJzertijd • Complextype(en): activiteitszone (zoutwinning) en/of rituele depositie • Omvang: vermoedelijk minimaal ca. 7 x 20 meter • Datering van 800 tot 500 v.Chr. • Gaafheid van de archeologische sporen: hoog • Aanwezigheid van structuren: nee • Aanwezigheid vondststrooiing? nee • Aard van de vondsten: zie vraag 17

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[55]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

• Vondstdichtheid per m2: niet relevant omdat er geen vondststrooiing is, maar alleen maar vondstmateriaal in twee grondsporen • Aard van de sporen: paalkuilen en kuilen, waarvan twee met een bijzondere inhoud (zie vraag 18) • Spoordichtheid in aantal per m2: ca. 1 spoor per 10 m2 • Aanwezigheid archeologische laag? nee • De mate van conservering van deze vindplaats (fysieke en inhoudelijke kwaliteit, voor het bepalen van de fysieke kwaliteit zie ook PS02): goed voor alle elementen van de vindplaats (de sporen, het aardewerk, het natuursteen, het bot, het hout en de macrobotanische resten). • Toelichting: zie paragraaf 4.5 18. Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen archeologische resten worden gedaan over de activiteiten die op de onderzoekslocatie plaatsvonden en de eventuele ontwikkelingen daarin? Omdat het een proefsleuvenonderzoek betreft en de uitwerking beperkt is gebleven, kunnen hier weinig onderbouwde uitspraken over worden gedaan, maar vooralsnog wordt uitgegaan van een activiteitszone voor zoutwinning (gezien het vele briquetage-aardewerk en ovenroosters in twee kuilen) en/of een rituele depositie (gezien de bijzondere overige inhoud van de kuilen) die met deze activiteit verband houdt en erop duidt dat in de nabije omgeving zout werd. Over een ontwikkeling hierin is niets te zeggen. 19.

Zijn absolute dateringen van afzettingen en bewoningssporen mogelijk? Deze zijn mogelijk door het uitvoeren van 14C-dateringen, maar dit is niet gebeurd in het kader van het huidige onderzoek. 20. Wat betekent de aanwezigheid van de vindplaats(en) voor de gespecificeerde archeologische verwachting zoals deze is geformuleerd in het bureau- en of booronderzoek? En in welk opzicht kan op basis hiervan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld? De gespecificeerde archeologische verwachting duidde op een lage kans op vindplaatsen in het veenlandschap (Jansen & Van Eijk, 2014). Wel werd gesteld dat er kleine activiteitsplekken in het veen aanwezig konden zijn, dit blijkt inderdaad het geval te zijn. Aangezien ook bij onderzoek aan de Kniplaan al resten uit de Vroege IJzertijd zijn gevonden en het dus niet zomaar een losse vondst betreft, kan de verwachting voor resten uit de IJzertijd in dit gebied worden bijgesteld naar middelhoog. 21. Wat is de waarde van de vindplaats(en)? Conform KNA-bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’? De score op fysieke kwaliteit is 5 punten. De score op inhoudelijke kwaliteit is 8 punten. De vindplaats is hiermee als behoudenswaardig aan te merken. 22.

Wat kunnen deze waarden bijdragen aan de kennis van de bewonings- en gebruiksgeschiedenis, bewonings-en gebruikscontinuïteit en locatiegebruik van het plangebied en zijn directe omgeving? Op basis van het proefsleuvenonderzoek valt al te stellen dat hier een kleine, maar waardevolle en informatieve vindplaats ligt die kan bijdragen aan de kennis over zoutwinning in het veengebied in de IJzertijd. Het feit dat briquetage-aardewerk in een specifieke context is aangetroffen, en niet los in een nederzetting, kan veel nieuwe kennis opleveren. 23. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de reeds bekende gelijktijdige vindplaatsen/archeologische resten in de directe en wijde omgeving van de onderzoekslocatie?

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[56]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Er zijn enkele locaties met aanwijzingen voor zoutproductie en zouthandel bekend in het kustgebied van West-Nederland, met Monster- ’t Geestje als de meest bekende. In de meer directe nabijheid sluit de vindplaats aan bij de vermoedelijk gelijktijdige resten die bij de Kniplaan werden gevonden (Mulder, 1998). 24. Hoe past de nieuwe vindplaats ten opzichte van oudere en jongere vindplaatsen/archeologische resten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in kwestie? De vindplaats heeft een ensemblewaarde met de andere vindplaatsen in het plangebied, in die zin dat er sprake is van een niet continue maar wel lang doorlopende bewoningsgeschiedenis. Vermoedelijk is deze activiteitszone de eerste gebruiksfase nadat het gebied een tijdlang onbewoonbaar was geweest tijdens de periode van veenvorming. 25. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de bewoning en/of het landgebruik t.o.v. de regionale en provinciale context uit onderhavige periode? Omdat het om een kleine en op zichzelf staande activiteitszone of rituele depositie gaat, gaat het wat ver om uitspraken te doen over bewoning en landgebruik in provinciale context, anders dan dat de resten passen binnen het bestaande beeld. 26. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot vergelijkbare complexen in de (wijde) omgeving (inhoudelijke kwaliteit)? Zie het antwoord bij vraag 23. 27.

Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden (gaafheid en conserveringsgraad)? Zie ook PS02. Zie onderzoeksvraag “Onderzoeksvragen per vindplaats”. 28. Welke aanwijzingen zijn er dat de nieuwe vindplaats zich uitstrekt buiten het onderzochte terrein? Kan op basis van de resultaten van dit IVO–P worden aangegeven of de vindplaats centraal of perifeer is geraakt/doorsneden en zo ja, op grond waarvan? In welke richting(en) strekt de vindplaats zich vermoedelijk verder uit? De vindplaats strekt zich waarschijnlijk niet uit buiten het onderzochte terrein: het lijkt om een lokaal fenomeen te gaan, terwijl de afstand tot de grens van het plangebied nog zo’n 60 à 70 meter is. Wel zullen de sporen vermoedelijk nog een eindje buiten de put doorlopen. Het is onduidelijk of de vindplaats centraal of perifeer is aangesneden, omdat het om weinig sporen gaat, maar de haaks op put 13 gelegen put 29 geen nieuwe sporen heeft opgeleverd. Indien de vindplaats zich verder uitstrekt, dan is dat het meest waarschijnlijk richting het noordoosten en zuidwesten, de overgangszone van de strandwal naar het veengebied volgend. 29.

In hoeverre komen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek overeen met het bureau- en booronderzoek? Bij het booronderzoek waren geen indicatoren aangetroffen die duidden op een ijzertijdvindplaats, dus in die zin wijken de resultaten van het proefsleuvenonderzoek af, maar de afwezigheid van indicatoren betekent niet per se dat er geen vindplaats aanwezig is. In de verwachting was wel gesteld dat er kleinere en/of vondstarme vindplaatstypen in het veen konden voorkomen. 30. In hoeverre worden de archeologische waarden bedreigd door de toekomstige planontwikkeling? Indien bij de planontwikkeling wordt gegraven tot 2 m -Mv, wordt de gehele vindplaats bedreigd.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[57]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

31. Welke mogelijkheden (denk ook aan bufferzone, grondwaterpeil, planologische inpassing) zijn er tot het behoud in situ van de vindplaats (Zie ook KNA-leidraad ‘Standaard Archeologische Monitoring’) Er is door de opdrachtgever voor gekozen om de planontwikkeling in te passen op het terrein, door alleen buiten de onderscheiden vindplaatscontouren te bouwen. Het is daarbij wel van belang dat de grondwaterstand niet wordt verlaagd. 32. Is vervolgonderzoek nodig en zo ja, zijn er voor vervolgonderzoek technische beperkingen te voorzien? Wanneer inpassing toch niet mogelijk is en er vervolgonderzoek plaatsvindt, dient vooral rekening gehouden te worden met opkomend grondwater. 33. Hoe kunnen de eventueel aan te treffen resten geplaatst worden in het grotere onderzoekskader (POA en NOaA) en hoe kunnen ze bijdragen tot een Gemeentelijke Onderzoeksagenda? De resten passen goed binnen het thema 14. De Late Prehistorie in West-Nederland van de NOaA, met name delen over exploitatie van het landschap en sociale relaties en contacten. In de Provinciale Onderzoeksagenda van Zuid-Holland passen de resten goed bij thema’s als de spreiding en bewoningsgeschiedenis van het West-Nederlands kustgebied en dan met name het inzicht in nederzettingsfactoren (waarom zijn samenlevingen op een bepaalde plek gaan zitten?).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=55de77ab-3699-4fb2-82bf-aeba18f8d6d4