CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

3337 Toelichting_Bijlage 9 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststelling bestemmingsplan Vlietvoorde West.30.279 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[88]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

maar wel twee ondiepe greppeltjes aan weerszijden, en in put 18 is sprake van een uitgebreide beschoeiing (met aan de westzijde twee enkele palenrijen en aan de oostzijde een dubbele palenrij). Uit andere onderzoeken in de omgeving is bekend dat het kanaal soms aan twee zijden was voorzien van beschoeiing, soms aan één zijde (meestal de oostzijde), en soms helemaal niet was beschoeid. Het is niet duidelijk waar deze variatie vandaan komt. Deels zou het kunnen gaan om latere reparaties, waarbij zwakke plekken in de oevers werden verstevigd, maar het lijkt erop dat ook een deel van de beschoeiingen al bij de aanleg van het kanaal is aangebracht (plaatsing van de palen valt precies samen met de -steile- insteek). Bij het onderhavig onderzoek zou het goed kunnen dat een van de twee parallelle enkele rijen een reparatie betreft, maar daar zijn geen concrete argumenten voor. De bodem van het kanaal is in ieder geval in beide putten opvallend vlak, wat bij de aanleg bewust zo zal zijn gegraven (tot net boven het veen). De interpretatie van de oversnijding in het kanaal die is te zien in het zuidprofiel van put 10, is al uitgebreid behandeld in paragraaf 7.1.2. Het wordt het meest waarschijnlijk geacht dat het gaat om een postdepositioneel fenomeen, dat is ontstaan ná dichtslibbing van het kanaal.

Bij toekomstige doorsnedes van het kanaal van Corbulo is het interessant om te kijken of op meer plaatsen een dergelijke oversnijding zichtbaar is, om meer te weten te komen over de oorsprong van dit fenomeen. Wat de loop van het kanaal betreft, past het aantreffen van het kanaal en de ijzertijdkreek op de locaties binnen het proefsleuvenonderzoek goed binnen het bestaande beeld (figuur 53 en figuur 54

Figuur 53. Vermoede loop kanaal (overzicht).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[89]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 54. Vermoede loop kanaal, eerdere waarnemingen en huidige waarnemingen.

Bij het onderzoek aan de Rietvinklaan, waar ook zowel het kanaal als de kreek werd aangetroffen (in veel onderzoeken is óf het kanaal, óf de kreek aangetroffen) liepen kanaal en kreek eveneens min of meer parallel, met het kanaal tussen de strandwal en de kreek in gelegen. Bij het onderhavige onderzoek is de afstand tussen het kanaal en de kreek ongeveer 115 meter; bij het onderzoek aan de Rietvinklaan was dit slechts 20 à 25 meter. De kreek was vermoedelijk al verland in de tijd dat het kanaal werd aangelegd.

7.5 Waardering en selectieadvies Het Kanaal van Corbulo is een lijnelement, dat in meerdere proefsleuven is opgetekend. Het kanaal is goed herkenbaar vanaf het punt waar deze insnijdt tot aan de onderzijde, inclusief houten beschoeiing. Hieruit blijkt dat zowel de aanlegfase-, de gebruiksfase als de verlandingsfase van het kanaal goed bewaard zijn gebleven. Het kanaal scoort dan ook hoog op het criterium ‘gaafheid’. Ook de conservering van het kanaal en onderdelen daarvan (denk aan de beschoeiing) als eventuele

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[90]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

archeologische resten in de opvullingslagen van het kanaal is goed, met als enige uitzondering de pollen, die redelijk geconserveerd zijn. Hiermee scoort de fysieke kwaliteit van de vindplaats Kanaal van Corbulo bovengemiddeld en is de vindplaats behoudenswaardig. Met deze score van 5 punten op fysieke kwaliteit is de vindplaats al als behoudenswaardig aan te merken. Dit wordt nog eens versterkt door de criteria met betrekking tot inhoudelijke kwaliteit. In Romeinse bronnen worden slechts twee kanalen in Nederland genoemd (Fossa Drusiana en Fossa Corbulonis), maar van de Fossa Drusiana is niet bekend waar deze precies heeft gelopen. Het kanaal van Corbulo is daarmee een uniek overblijfsel van Romeinse infrastructuur in Nederland en op het criterium zeldzaamheid scoort de vindplaats daarom hoog. Ook de informatiewaarde wordt als hoog gewaardeerd: hoewel het kanaal al op meerdere plaatsen in en rond Leidschendam is aangesneden en onderzocht, blijkt tot nu toe dat ieder onderzoek weer nieuwe kennis (en nieuwe vragen) oplevert over de ligging, de constructie (incl. eventuele meerfasigheid en het gebruik van natuurlijke waterlopen), de datering, de wijze van opvulling, de voorwerpen in het kanaal, en postdepositionele processen.

Ten slotte scoort het kanaal middelhoog op de ensemblewaarde en dit geldt zowel binnen het plangebied (de relatie met de resten uit de late IJzertijd en de inheems-Romeinse tijd) als daarbuiten (relatie met natuurlijke waterlopen in het gebied, en tevens het gebruik, dichtslibbing en/of hergebruik van het kanaal zelf in latere perioden). waarde

criteria

scores hoog

beleving

fysieke kwaliteit

inhoudelijke kwaliteit

midden

schoonheid

wordt niet gescoord

herinneringswaarde

wordt niet gescoord

gaafheid

3

conservering

3

zeldzaamheid

3

informatiewaarde

3

ensemblewaarde representativiteit

laag

2 n.v.t.

Tabel 9. Scoretabel waardestelling van vindplaats 4 Kanaal van Corbulo en oostelijke geul (tabel 5 uit de KNA).

Selectieadvies: het Kanaal van Corbulo is als behoudenswaardig aangemerkt. Rekening houdend met een bescheiden marge aan weerszijde van circa 6 m van het kanaal gaat het om een zone van ca. 500 meter lang en ca. 30 meter breed, waarmee de behoudenswaardige vindplaats een oppervlakte beslaat van ca. 1,5 ha. Deze marge wordt in acht genomen in verband met kleine afwijkingen in de voorspelde loop van het kanaal, en in verband met de aanwezigheid van mogelijke oeverstructuren zoals paden, greppels, vlonders of aanlegsteigers.

7.6 Beantwoording onderzoeksvragen 12. Op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP zijn de archeologische indicatoren aangetroffen? Bovenzijde opvulling kanaal: ca. 1,1 m -NAP (ca. 0,6 m -Mv) Onderzijde insnijding kanaal: ca. 2,9 m -NAP (ca. 2,4 m -Mv) 13. In hoeverre zijn de archeologische indicatoren in verband te brengen met aanwezige of verdwenen bodemhorizonten?

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[91]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Het kanaal snijdt zich in vanuit het veen. Vondstmateriaal behorend bij deze vindplaats is niet in verband te brengen met een bodemhorizont, maar is aangetroffen in de vulling van het kanaal. 14. Wat is de horizontale ruimtelijke spreiding van de archeologische indicatoren? Zijn er erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld van de aanwezige archeologische vindplaatsen? Het kanaal loopt van het zuidwesten naar het noordoosten door het plangebied en ligt tussen de strandwal en een ijzertijdkreek. Over de horizontale spreiding van vondstmateriaal is geen zinnige uitspraak te doen (het is afkomstig van de twee plaatsen in put 10 en 18 waar het kanaal is aangesneden in de proefsleuf). Er zijn geen erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld, 15. Wat is de aard en ouderdom van de indicatoren? Het betreft een kanaal dat in de Romeinse tijd is gegraven onder leiding van de Romeinse legeraanvoerder Corbulo, en heeft gediend als waterweg. Het is aangelegd in de jaren na 47 na Christus; het aardewerk in de vulling bevestigt dit (Romeins en inheems-Romeins). 16. Behoren de indicatoren tot een of meerdere vindplaatsen? Ja, tot één vindplaats (vindplaats 4). 17. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate? Gedraaid en handgevormd aardewerk en botmateriaal zijn in beperkte mate aanwezig (materiaal dat sporadisch in het kanaal is gevallen of gegooid).

In put 18 was het kanaal beschoeid met veel houten palen, en bleken enkele voorwerpen van hout in de kanaalvulling aanwezig te zijn, waaronder een bijzondere kerfstok. Onderzoeksvragen per vindplaats: • Aard: kanaal van Corbulo • Complextype(en): infrastructuur (kunstmatige waterweg) • Omvang: breedte ca. 18 meter inclusief flankerende structuren (greppels en/of beschoeiing); lengte binnen het plangebied ca. 450 meter (buiten het plangebied is het kanaal nog kilometers lang). • Datering rond 50 na Chr. • Gaafheid van de archeologische sporen: hoog • Aanwezigheid van structuren: de vindplaats betreft één structuur, het kanaal zelf • Aanwezigheid vondststrooiing? nee • Aard van de vondsten: zie vraag 17 • Vondstdichtheid per m2: niet relevant omdat er geen vondststrooiing is, maar alleen maar vondstmateriaal in één grondspoor • Aard van de sporen: watergang, houten palen • Spoordichtheid in aantal per m2: niet relevant in dit geval, het beteft een lijnelement • Aanwezigheid archeologische laag? nee • De mate van conservering van deze vindplaats (fysieke en inhoudelijke kwaliteit, voor het bepalen van de fysieke kwaliteit zie ook PS02): goed voor vrijwel alle elementen van de vindplaats (het

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[92]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

kanaal zelf, het aardewerk, het bot, en het hout en de macrobotanische resten in de vulling van het kanaal), redelijk voor de pollen in de vulling van het kanaal. • Toelichting: zie paragraaf 4.5 18. Welke uitspraken kunnen op basis van de aangetroffen archeologische resten worden gedaan over de activiteiten die op de onderzoekslocatie plaatsvonden en de eventuele ontwikkelingen daarin? De enige activiteiten die met zekerheid op deze vindplaats hebben plaatsgevonden, zijn het uitgraven van een kanaal (en twee parallel hieraan lopende greppeltjes) en het aanbrengen van een beschoeiing. Vermoedelijk is het hout voor de beschoeiing ook op of nabij de onderzoekslocatie gekapt en tot palen bewerkt. 19. Zijn absolute dateringen van afzettingen en bewoningssporen mogelijk? Deze zijn mogelijk door het uitvoeren van 14C-dateringen, maar dit is niet gebeurd in het kader van het huidige onderzoek. De gewaardeerde houten palen zijn niet geschikt voor dendrochronologisch onderzoek, maar bij een eventuele uitbreiding van het onderzoek kan al tijdens het veldwerk door een houtspecialist worden geselecteerd op palen van een geschikte houtsoort met voldoende jaarringen. 20.

Wat betekent de aanwezigheid van de vindplaats(en) voor de gespecificeerde archeologische verwachting zoals deze is geformuleerd in het bureau- en of booronderzoek? En in welk opzicht kan op basis hiervan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld? De gespecificeerde archeologische verwachting gaf aan dat het Kanaal van Corbulo werd verwacht tussen de Vliet en het dagzomende deel van de strandwal. Deze verwachting blijkt te kloppen en hoeft niet te worden bijgesteld. 21. Wat is de waarde van de vindplaats(en)? Conform KNA-bijlage IV ‘Waarderen van vindplaatsen’? De score op fysieke kwaliteit is 6 punten. De score op inhoudelijke kwaliteit is 8 punten. De vindplaats is hiermee als behoudenswaardig aan te merken. 22. Wat kunnen deze waarden bijdragen aan de kennis van de bewonings- en gebruiksgeschiedenis, bewonings-en gebruikscontinuïteit en locatiegebruik van het plangebied en zijn directe omgeving? Hoewel er al op meerdere plaatsen onderzoek is gedaan naar het Kanaal van Corbulo, levert iedere nieuwe doorsnijding weer aanvullende informatie op over de datering, de constructie en de loop van het kanaal.

Het onderhavige onderzoek vult deze informatie aan (parallelle greppels, meervoudige beschoeiing, vondstmateriaal in de vulling, de vondst van een kerfstok) maar leidt ook tot nieuwe vraagstukken, zoals het vermoedelijk postdepositionele verschijnsel waarbij afzettingen over elkaar zijn geschoven. 23. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de reeds bekende gelijktijdige vindplaatsen/archeologische resten in de directe en wijde omgeving van de onderzoekslocatie? De vindplaats past goed binnen het beeld van de omliggende onderzoeken waarbij het Kanaal van Corbulo werd aangetroffen, en sluit hierbij aan wat betreft de opbouw van het kanaal (vlakke bodem boven veenrest, beschoeiing), de diepte, en de verwachte ligging tussen strandwal en kreek. 24. Hoe past de nieuwe vindplaats ten opzichte van oudere en jongere vindplaatsen/archeologische resten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in kwestie? De vindplaats heeft een ensemblewaarde met de andere vindplaatsen in het plangebied; hij doorsnijdt het veen en daarmee zijn mogelijk ook vondsten en sporen uit de IJzertijd vergraven, maar dat is slechts een plaatselijke verstoring. De kreek ten oosten van het kanaal was vermoedelijk al verland in de tijd dat het kanaal werd aangelegd. RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[93]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

25. Hoe past de nieuwe vindplaats in het beeld van de bewoning en/of het landgebruik t.o.v. de regionale en provinciale context uit onderhavige periode? Omdat deze vindplaats alleen een lang lijnelement betreft, is het antwoord op deze vraag hetzelfde als bij vraag 23. 26. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot vergelijkbare complexen in de (wijde) omgeving (inhoudelijke kwaliteit)? Omdat deze vindplaats alleen een lang lijnelement betreft, is het antwoord op deze vraag hetzelfde als bij vraag 23. 27. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen archeologische waarden (gaafheid en conserveringsgraad)? Zie ook PS02. Zie onderzoeksvraag “Onderzoeksvragen per vindplaats”. 28. Welke aanwijzingen zijn er dat de nieuwe vindplaats zich uitstrekt buiten het onderzochte terrein? Kan op basis van de resultaten van dit IVO–P worden aangegeven of de vindplaats centraal of perifeer is geraakt/doorsneden en zo ja, op grond waarvan? In welke richting(en) strekt de vindplaats zich vermoedelijk verder uit? De vindplaats strekt zich met zekerheid uit tot buiten het onderzochte terrein, naar het noordoosten en het zuidwesten (zie het vindplaatsenoverzicht). Het gedeelte dat binnen het plangebied ligt, is ongeveer 450 meter lang en ca. 18 meter breed. 29.

In hoeverre komen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek overeen met het bureau- en booronderzoek? Bij het booronderzoek waren twee in het veen ingesneden geulen aangetroffen, die beide het kanaal konden betreffen, waarbij op basis van verschillende details (afdekking met veen van de oostelijke geul, ontbreken van oeverafzettingen bij de westelijke geul) het vermoeden werd geuit dat de westelijke geul het kanaal betrof. Dit blijkt inderdaad te kloppen. 30. In hoeverre worden de archeologische waarden bedreigd door de toekomstige planontwikkeling? Indien bij de planontwikkeling wordt gegraven tot 2 m -Mv, wordt de gehele vindplaats bedreigd. 31. Welke mogelijkheden (denk ook aan bufferzone, grondwaterpeil, planologische inpassing) zijn er tot het behoud in situ van de vindplaats (Zie ook KNA-leidraad ‘Standaard Archeologische Monitoring’) Er is door de opdrachtgever voor gekozen om de planontwikkeling in te passen op het terrein, door alleen buiten de onderscheiden vindplaatscontouren te bouwen. Het is daarbij wel van belang dat de grondwaterstand niet wordt verlaagd. 32. Is vervolgonderzoek nodig en zo ja, zijn er voor vervolgonderzoek technische beperkingen te voorzien? Wanneer inpassing toch niet mogelijk is en er vervolgonderzoek plaatsvindt, dient vooral rekening gehouden te worden met opkomend grondwater. 33.

Hoe kunnen de eventueel aan te treffen resten geplaatst worden in het grotere onderzoekskader (POA en NOaA) en hoe kunnen ze bijdragen tot een Gemeentelijke Onderzoeksagenda? De resten passen goed binnen het thema 3. Gebruik van het water en thema 15. De limes: inrichting en interactie. In de Provinciale Onderzoeksagenda van Zuid-Holland passen de resten vooral bij thema 3, Leven en wonen rond de Limes, en dan specifiek bij vraag 3E (Welke rol speelde de Romeinse marine in ons waterrijke gebied?). Er dient met name aandacht te worden besteed aan hoe lang het kanaal van RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[94]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Corbulo als zodanig gefunctioneerd heeft, en of er steunpunten van de vloot (Classis Germania) langs het kanaal hebben gelegen. Indien de resten niet in situ behouden kunnen worden en grotere delen van het kanaal binnen het plangebied worden opgegraven, dan dient hier bij het opstellen van het PvE en de onderzoeksvragen duidelijk op te worden ingezet (bijvoorbeeld door het opstellen van een dateringsprogramma voor het beantwoorden van de eerste vraag). De verkregen informatie kan dan weer worden ingezet bij het opstellen van een Gemeentelijke Onderzoeksagenda.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[95]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

8 Vindplaats 5 Buitenplaats Oostbos 8.1 Sporen en structuren Op basis van historisch kaartmateriaal werd in het noorden van het plangebied de buitenplaats Oostbos verwacht. De buitenplaats is met zijn stenen bebouwing aangegeven op meerdere historische kaarten. Op een kaart van Dou uit 1649 is een groot rechthoekig gebouw zichtbaar, evenals een gracht (zie de uitsnede van deze kaart in figuur 55).

Figuur 55. Afbeelding Oostbos op de kaart van Dou uit 1649.

Een kaart uit 1779 laat min of meer hetzelfde beeld zien (figuur 56).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[96]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 56. Afbeelding Oostbos op een kaart uit 1779. e

De buitenplaats is gedurende de 18 eeuw voorzien van tuinen, vijverpartijen, een koetshuis, paviljoens en speelhuizen. Op de kadastrale minuut uit 1811-1832 liggen er dan ook meerdere gebouwen binnen het plangebied (figuur 57), namelijk een rechthoekig gebouw waaronder “Oostbosch” staat geschreven, een langwerpig gebouw ten noordwesten hiervan, en een langwerpig gebouw ten noordoosten (orangerie). Ten zuiden van de orangerie ligt een vijver. Ten zuiden van het hoofdgebouw loopt een gracht richting de Vliet. Ook is ten noorden hiervan een grotere, min of meer vierkante gracht afgebeeld op het perceel langs de Vliet.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[97]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 57. Uitsnede kadastrale minuut (1811-1832) met de buitenplaats Oostbos.

Bij het proefsleuvenonderzoek zijn verschillende structuren behorend bij de buitenplaats Oostbos gevonden, zoals funderingen, putten, grachten/greppels en houten palen. De meeste hiervan liggen in de putten op het meest noordwestelijke perceel (put 1, 2, 5, 6, 7, 11, 26 en 28) maar ook is in put 20 een grote gracht aangetroffen (S342), die minimaal twee meter diep was vanaf het maaiveld (de onderzijde is niet bereikt). Dit betreft waarschijnlijk een deel van de vierkante gracht langs de Vliet. Resten van gebouwen komen met name voor in put 2, put 5 en put 6. Hieronder worden de structuren beschreven; zie figuur 83 voor de projectie over de kadastrale minuut en een interpretatie (voor zover mogelijk; de muren lopen door buiten de proefsleuven dus met name bij het hoofdgebouw is niet duidelijk geworden wat de vorm en fasering van het gebouw is). In het zuidelijke deel van put 2 werd een rij van noordoost-zuidwest georiënteerde bakstenen stiepen gevonden (S136 t/m S139 en S161), met parallel daaraan een rij paalkuilen, soms nog met resten hout erin (S104 t/m S118). De bakstenen stiepen waren nog ca. 70 cm hoog en opgebouwd uit oranjerode bakstenen met een formaat van 18x9x4 cm, nog tien tot dertien lagen dik (figuur 58).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[98]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 58. Coupe langs twee van de stiepen van het gebouw in put 2.

Vermoedelijk behoorden de stiepen en de palen tot één gebouw, dat net ten noorden stond van de gracht die ook in deze put is aangetroffen (S140). De zuidzijde van de gracht lag buiten de put, maar de noordzijde werd geflankeerd door een kademuur (S144), aan de grachtzijde beschoeid met houten planken en palen. De kademuur was nog 21 lagen hoog (94 cm; 10-lagenmaat 44 cm) en bestond uit oranjegele bakstenen (twee rijen strek, aan weerszijden geflankeerd door een rij dwarsgelegde stenen). In het midden van put 2 lag een bakstenen keldertje (S194/S145/S199) met een vloer van zwarte en grijze plavuizen (figuur 59). De bovenzijde van de keldermuren ligt slechts 10 à 20 cm onder het huidige maaiveld. Enkele meters ten noorden hiervan liggen nog een kleine bakstenen structuur (S77 t/m S80) en een uitbraaksleuf met o.a. dakpannen (S70), maar omdat middenin put 2 een dam is blijven liggen i.v.m. een kabel, is het verband tussen deze drie (m.n. of ze tot dezelfde structuur behoren of tot verschillende) helaas niet duidelijk geworden.

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[99]

Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek

Figuur 59. Kelder in het noordwesten van het zuidelijke deel van put 2 (S194/S145/S199).

De kademuur werd opnieuw aangetroffen in de ca. 10 meter naar het zuidoosten gelegen put 7, maar ten noorden hiervan is de put grotendeels vergraven door veenwinningskuilen. De ouderdom van de veenwinningskuilen is niet duidelijk, maar de kademuur loopt over de kuilen heen (en ook in put 5 is te zien dat de sporen van Oostbos jonger dan de veenwinning zijn). Het is dus niet zo dat de veenwinning de sporen van Oostbos heeft verstoord, maar vermoedelijk was dit een relatief lege zone van de buitenplaats (een veld bijvoorbeeld). Er zijn in ieder geval geen sporen gezien ten noorde van de kademuur. Het is overigens goed te zien dat het op deze plaats de westelijke grens van de veenwinning betreft (ten westen hiervan liggen geen winningskuilen meer en in het westelijke profiel van put 7 is het veen nog grotendeels intact). In put 2, tien meter ten westen hiervan, wigt het veen dan ook uit tegen de strandwal, net voorbij S124. Put 6 heeft veruit de meeste funderingen en houten structuren opgeleverd en dit betreft vermoedelijk het/een hoofdgebouw. In het noorden van de put loopt een noordoost-zuidwestelijke fundering (S216; baksteenformaat 19x9x3,5 cm, nog 7 lagen dik), gelegen op een houten plankfundering (S217). S216 loopt in de putwand tegen een noordwest-zuidoostelijke fundering aan (S223).

S223 bestaat uit meerdere haaks op elkaar staande funderingen (waaronder twee die een kleine ruimte vormen) die één spoornummer hebben gekregen omdat zij tot hetzelfde complex behoren (met identieke bakstenen van 19x9x4 cm).

RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018

[100]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=55de77ab-3699-4fb2-82bf-aeba18f8d6d4