3337 Toelichting_Bijlage 9 Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
Bijlage: 8
RAAP-RAPPORT 3456
Plangebied Duivenvoordecorridor, locatie Cluster Zuid Gemeente Leidschendam-Voorburg Archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Colofon Titel: Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek Versie: 11-09-2018 Auteur: H.M. Molthof MA Projectcode: LVDC Bestandsnaam: RAAPrap_3456_LVDC_20180911 Autorisatie: drs. I.A. Schute
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2018 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[2]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Samenvatting In opdracht van Projectorganisatie Duivenvoordecorridor heeft RAAP van 27 maart 2017 tot en met 28 juli 2017 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project ‘Duivenvoordecorridor’ in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de vindplaatsen. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Zijn de archeologische vindplaatsen behoudenswaardig, en, zo ja, kunnen ze behouden blijven of dienen ze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied 26 proefsleuven aangelegd in meerdere vlakken met een totaaloppervlak van 10.505 m2. Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische resten aangetroffen die tot vijf vindplaatsen zijn gerekend. Het gaat om: Vindplaats 1 Vlaardingencultuur Vondstmateriaal (o.a. vuursteen, aardewerk en botmateriaal) in een cultuurlaag, met onder de cultuurlaag greppels, paalkuilen, kuilen op een uitloper van het duin / de strandwal. De vindplaats is afgedekt door een veenpakket.
Vindplaats 2 Vroege IJzertijd Een concentratie paalkuilen en kuilen op de overgang van zand naar veen (ingegraven vanuit het ven), waarvan twee kuilen opvallen door een rote hoeveelheid divers vondstmateriaal, waaronder briquetageaardewerk (zoutgootjes, ovenroosters en steunpootjes). Vindplaats 3 Midden- en Late IJzertijd en inheems-Romeinse periode Los vondstmateriaal uit deze periode in verschillende putten, vooral op de overgangszone van zand naar veen. Ook een met klei gevulde geul in het oosten van het plangebied is tot deze vindplaats gerekend. Vindplaats 4 Kanaal van Corbulo De met klei gevulde watergang van het kanaal van Corbulo, inclusief hieraan gerelateerde structuren zoals twee parallel aan het kanaal gelegen greppeltjes, houten beschoeiingen, en vondstmateriaal uit het kanaal. Vindplaats 5 Buitenplaats Oostbos e
Een meerfasig hoofdgebouw uit de Nieuwe tijd (waarschijnlijk aangelegd vanaf de 17 eeuw) met o.a. een houten vloer, funderingen/muren, een waterput en twee beerputten; enkele bijgebouwen in zowel steenbouw als houtbouw met o.a. een kelder met plavuizen; een vijver en verschillende grachten. De vindplaatsen 1, 2, 4 en 5 zijn aangemerkt als behoudenswaardig; vindplaats 3 is aangemerkt als niet-behoudenswaardig. Voor de overzichtelijkheid van dit rapport is steeds één hoofdstuk gewijd aan iedere vindplaats, waarin achtereenvolgens de sporen, vondsten, monsters, interpretatie en waardering aan bod komen. Het betreft de hoofdstukken 4 t/m 8. Voor een overzicht van de selectieadviezen wordt verwezen naar paragraaf 5 van elk van deze hoofdstukken en naar de conclusie en aanbevelingen In hoofdstuk 9.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[3]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 7 1.2 Voorgaand onderzoek .......................................................................................................................... 7 1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen ..................................................................................................... 8
2 Methoden ......................................................................................................................................... 9 2.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 9 2.2 Werkputten .......................................................................................................................................... 9 2.3 Documentatie en registratie .................................................................................................................11 2.4 Behandeling van sporen ......................................................................................................................11 2.5 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................15 2.6 Behandeling van profielen ...................................................................................................................15 2.7 Bemonstering .....................................................................................................................................16 2.8 Uitwerking ..........................................................................................................................................16 2.9 Waardestelling
....................................................................................................................................17 2.10 Afwijkingen en aanpassingen van de onderzoeksstrategie ...................................................................17
3 Landschap en stratigrafie ............................................................................................................... 18 3.1 Geologie en geomorfologie ..................................................................................................................18 3.2 Bodemopbouw van de vindplaats .........................................................................................................19 3.3 Beantwoording onderzoeksvragen bodemkunde ...................................................................................22
4 Vindplaats 1 Vlaardingencultuur ...................................................................................................... 25 4.1 Sporen en structuren ...........................................................................................................................25 4.2 Vondstmateriaal ..................................................................................................................................28 4.3 Monsters ............................................................................................................................................32 4.4 Interpretatie ........................................................................................................................................36 4.5 Waardering en selectieadvies ..............................................................................................................37 4.6 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................38
5 Vindplaats 2 Vroege IJzertijd .......................................................................................................... 43 5.1 Sporen en structuren ...........................................................................................................................43 5.2 Vondstmateriaal ..................................................................................................................................46 5.3 Monsters ............................................................................................................................................51 5.4 Interpretatie ........................................................................................................................................53 5.5 Waardering en selectieadvies ..............................................................................................................54 5.6 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................55
6 Vindplaats 3 Midden- en Late IJzertijd en inheems-Romeinse periode ............................................. 59 6.1 Sporen en structuren ...........................................................................................................................59 6.2 Vondstmateriaal ..................................................................................................................................64 6.3 Monsters ............................................................................................................................................66 6.4 Interpretatie ........................................................................................................................................68 6.5 Waardering en selectieadvies ..............................................................................................................69 6.6 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................70
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[4]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
7 Vindplaats 4 Kanaal van Corbulo .................................................................................................... 74 7.1 Sporen en structuren ...........................................................................................................................74 7.2 Vondstmateriaal ..................................................................................................................................82 7.3 Monsters ............................................................................................................................................83 7.4 Interpretatie ........................................................................................................................................88 7.5 Waardering en selectieadvies ..............................................................................................................90 7.6 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................91
8 Vindplaats 5 Buitenplaats Oostbos .................................................................................................. 96 8.1 Sporen en structuren ...........................................................................................................................96 8.2 Vondstmateriaal ................................................................................................................................ 104 8.3 Monsters .......................................................................................................................................... 114 8.4 Interpretatie ...................................................................................................................................... 117 8.5 Waardering en selectieadvies ............................................................................................................ 119 8.6 Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................................... 120
9 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 125 Literatuur ........................................................................................................................................ 128 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ................................................................... 130
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[5]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
1 Inleiding In opdracht van Projectorganisatie Duivenvoordecorridor heeft RAAP van 27 maart 2017 tot en met 28 juli 2017 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het kader van het project ‘Duivenvoordecorridor’ in de gemeente Leidschendam-Voorburg (figuur 1). Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten.
Figuur 1. De ligging van het plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).
Het proefsleuvenonderzoek is een vervolg op het waarderend/karterend booronderzoek, waaruit is gebleken dat de kans groot is dat in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn (Jansen & van Eijk, 2014). De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[6]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
provincie Zuid-Holland. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA een Programma van Eisen (PvE) opgesteld (Jongste, 2017). Dit PvE diende als uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, 4004 Opgraven (landbodems) en 4006 Specialistisch onderzoek. Zie figuur 2 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
1.1 Administratieve gegevens Plangebied
Duivenvoordecorridor, locatie Cluster Zuid
Opdrachtgever
Projectorganisatie Duivenvoordecorridor
Contactpersoon opdrachtgever
P.F.B. Jongste (directievoerder)
Bevoegde overheid
Gemeente Leidschendam-Voorburg
Contactpersoon bevoegde overheid
A.A. Roeloffs
Plaats
Leidschendam
Gemeente
Leidschendam-Voorburg
Provincie
Zuid-Holland
Coördinaten
88.899 / 457.503
Toponiem
Veursestraatweg 292
Periode veldwerk
27 maart tot en met 28 juli 2017
Projectleider
H.M. Molthof MA
Projectmedewerkers
drs. A. Hakvoort, drs. M. Jordanov, drs. I.A. Schute
Onderzoeksmeldingsnummer
4037212100
Bewaarplaats vondsten
RAAP West
Bewaarplaats documentatie
RAAP West
Tabel 1. Administratieve gegevens.
1.2 Voorgaand onderzoek Soort onderzoek
Uitvoerder
Uitvoeringsperiode
Rapportage
Opstellen verwachtingskaart
RAAP
2007
Rietkerk, 2007
Bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)
RAAP
2014
Jansen & Van Eijk, 2014
Bureauonderzoek
P.F.B. Jongste
juli 2016
Jongste, 2016.
Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken.
Op basis van het voorgaande onderzoek is duidelijk geworden dat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een daadwerkelijke vindplaats is echter nog niet aangetoond.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[7]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen Omdat de aanwezigheid en aard van eventuele vindplaatsen binnen het plangebied niet duidelijk is geworden uit het vooronderzoek is aanbevolen om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is inzicht te krijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van eventuele archeologische resten, en te bepalen of het gaat om behoudenswaardige vindplaatsen. In het Programma van Eisen zijn hiervoor onderzoeksvragen geformuleerd (Jongste 2017). Bovendien dient duidelijk gemaakt te worden wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied.
Figuur 2. Tijdschaal.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[8]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2 Methoden 2.1 Algemeen Zoals uit het vooronderzoek is gebleken, is de kans groot dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Omdat met behulp van booronderzoek geen inzicht kan worden verkregen in de precieze aard en herkomst van de vondsten is verder booronderzoek weinig zinvol. Om inzicht te krijgen in de aard van de vindplaats en om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische sporen binnen het plangebied aanwezig zijn, is proefsleuvenonderzoek een meer geschikte methode.
2.2 Werkputten Een overzicht van de ligging van de 26 werkputten is afgebeeld in figuur 3. Op deze figuur zijn de werkputten geprojecteerd over de verspreiding van het duinzand en het veen in het eerste vlak. In tabel 3 is een overzicht van de aangelegde vierkante meters van alle putten en vlakken opgenomen. Tijdens het veldwerk bleek het niet mogelijk om alle werkputten aan te leggen zoals was voorgeschreven in het PvE. In overleg met de bevoegde overheid is op een aantal punten afgeweken van het puttenplan. Voor een overzicht van alle afwijkingen, zie de Nota van Wijzigingen (Jordanov & Molthof, 2017) bij het Programma van Eisen.
Put/vlak
m2
P1V1
755
Opmerking
Vlak ligt in
P1V2
412
Hoofdzakelijk Oud Duin
P2V1
283
Nieuwe tijd met muurwerk
Overgang Oud Duin naar veen
P2V1A
5
Detail vlak kelder
Nieuwe tijd met muurwerk
P2V2
29
2 kijkgaten
Overgang Oud Duin naar veen 2 m -Mv
P3V1
367
Oud Duin
P3V2
205
Oud Duin 2m -Mv
P4
NIET AANGELEGD
P5V1
304
Nieuwe tijd
P6V1
291
Nieuwe tijd met muurwerk
P6V2
39
4 kijkgaten
Oud Duin 2m -Mv
P7V1
316
Veenwinningskuilen
top veen
P7V2
149
P8
Overgang Oud Duin naar veen 2 m -Mv NIET AANGELEGD
P9V1
321
P9V15
6
top veen
P9V2
246
top Oud Duin met cultuurlaag
P10V1
465
top veen
P10V2
299
P10V3
60
Kanaal van Corbulo dieper vlak
Oud Duin 2m -Mv
P11V1
236
Veenwinningskuilen
top veen
Detail vlak rand geul
S276
Overgang Oud Duin naar veen 2 m -Mv
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[9]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Put/vlak
m2
Opmerking
P11V2
18
Detail vlak greppels
P11V3
134
Overgang Oud Duin naar veen 2 m -Mv
P12V1
201
top veen
P12V2
132
top Oud Duin met cultuurlaag
P13V1
291
Overgang Oud Duin naar veen
P13V1,5
84
P13V2
194
Oud Duin 2m -Mv
P14V1
340
top veen
P14V2
198
Oud Duin 2m -Mv
P15V1
196
Overgang Oud Duin naar veen
P15V2
98
Oud Duin 2m -Mv
P16V1
212
Overgang Oud Duin naar veen
P16V2
133
Oud Duin 2m -Mv
P17V1
128
Overgang Oud Duin naar veen
P17V2
86
Oud Duin 2m -Mv
P18V1
222
Nieuwe Tijd ophogingslaag
P18V2,5
17
P18V3
172
Kanaal van Corbulo in veen
P19V1
138
Veen
P19V2
138
Veen
P20V1
197
top veen met geul
P20V2
136
P21
Detail vlak veen met sporen
Vlak ligt in
Detail vlak met houten palen
Overgang Oud Duin naar veen
Kanaal van Corbulo
veen 2m -Mv NIET AANGELEGD
P22V1
277
top veen
P22V2
181
veen
P22V3
94
Overgang Oud Duin naar veen 2m -Mv
P23V1
200
Geul in veen
P23V2
136
Geul in veen 2m -Mv
P24V1
197
Overgang Oud Duin naar veen
P24V2
129
Oud Duin 2m -Mv
P25
NIET AANGELEGD
P26V1
179
Oud Duin
P26V2
4
P27V1
208
Geul in veen
P27V2
133
Geul in veen 2m -Mv
P28V1
178
Nieuwe tijd in Oud Duin
P29V1
147
Overgang Oud Duin naar veen
P30V1
189
Hoofdzakelijk Oud Duin
Totaal
10505
2 kijkgaten
Oud Duin 2m -Mv
Tabel 3. Overzicht van werkputten en vlakken.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[10]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2.3 Documentatie en registratie In alle werkputten m.u.v. werkput 5, 28, 29 en 30 zijn minimaal twee vlakken aangelegd. De optelsom van alle gedocumenteerde vlakken in deze zone bedraagt iets meer dan 1 ha. Het eerste vlak is in het westen van het plangebied over het algemeen aangelegd in de top van het duinzand net onder de bouwvoor; het tweede vlak is aangelegd op een dieper gelegen niveau in het duinzand. In het oosten van het plangebied is het eerste vlak aangelegd in de top van het veen en het tweede vlak in de top van het duinzand onder het veen. Soms zijn tussenvlakken of kijkgaten aangelegd om de bodemopbouw en/of specifieke structuren beter in beeld te brengen. De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een maximale afwijking van 1 x 1 x 1 cm. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPSbestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. De sporen zijn in een doorlopende reeks over de hele opgraving genummerd en worden aangeduid met een S (bijv. S12). Spoor- en vondstgegevens zijn in het veld ingevoerd in de Odile database. In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.
2.4 Behandeling van sporen Om sporen te traceren en sporenclusters zo goed mogelijk te kunnen begrenzen, is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgeschaafd. Met het oog op het doel van het onderzoek (zoveel mogelijk gegevens verzamelen, maar zo min mogelijk archeologische resten beschadigen), zijn sporen slechts spaarzaam gecoupeerd. Indien mogelijk viel de coupelijn hierbij samen met de profielwand, zodat de stratigrafische positie van het spoor kon worden vastgelegd. Tijdens het verdiepen is zoveel mogelijk geprobeerd om het stratigrafische ingravingsniveau van de sporen vast te leggen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de laagbeschrijvingen in de verschillende werkputten. Van sporen met een diepte van meer dan 9 cm is een coupetekening (schaal 1:20) en veelal tevens een foto gemaakt; van minder diepe sporen is alleen de diepte en vorm in doorsnede vastgelegd in de database. De sporen zijn in een doorlopende reeks genummerd en worden in dit rapport aangeduid met een één- tot viercijferig nummer, voorafgegaan door een S (bijv. S2). Tijdens het onderzoek zijn in de opgravingsvlakken en profielen 588 archeologische grondsporen gedocumenteerd. 50 daarvan zijn uiteindelijk vervallen en 23 zijn recente of natuurlijke verstoringen. Daarmee blijven nog 515 ‘archeologische’ sporen over.
Een samenvattend overzicht van de aantallen aangetroffen sporen is weergegeven in tabel 4. De complete sporencatalogus is opgenomen in de velddocumentatie (de pakbon) die te vinden is bij het depot/e-depot. De sporen worden hieronder per spoorcategorie beschreven.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[11]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Spoorcategorie
Aantal
paal(kuil)
136
kuil
112
hout
87
greppel
75
vervallen
50
laag
42
muur
24
verstoring
23
fundering
12
plantbed
12
beschoeiing
3
steenconcentratie
3
vloer
2
beerput
2
bekisting
1
vlechtwerk
1
waterput
1
kanaal van Corbulo
1
geul
1
Totaal
588
Tabel 4. Aantal sporen per spoorcategorie.
Een sporenlijst is opgenomen in bijlage 1. De aangetroffen sporen zijn afkomstig van vijf vindplaatsen (zie figuur 3 en de allesporenkaarten in kaartbijlagen 1 t/m 4), die in hoofdstuk 4 t/m 8 worden behandeld: Vindplaats 1 Vlaardingencultuur Een neolithische cultuurlaag met daaronderhangende sporen, die op basis van het daarin aanwezige vondstmateriaal (vuursteen/aardewerk/dierlijk bot/houtskool) aan de Vlaardingen-cultuur kan worden toegeschreven. De cultuurlaag ligt op de flank van een kleine uitstulping van het Oud Duin. Vindplaats 2 Vroege IJzertijd Een kleine concentratie kuilen met daarin vondstmateriaal dat in de Vroege (en/of Midden)-IJzertijd lijkt te dateren. Opmerkelijk is de relatief grote hoeveelheid fragmenten van zogenaamd ‘briquetageaardewerk’, dat als kenmerkend voor zoutproductie en -transport kan worden gezien. Vindplaats 3 (IJzertijd en) inheems-Romeinse tijd Diverse vondstlocaties van handgevormd aardewerk uit de Late IJzertijd en de (inheems-)Romeinse periode. Deze vondsten zijn alle gedaan op de overgang tussen veen en duinzand. Ook de met klei opgevulde watergang in het oosten van het terrein dateert waarschijnljik uit de Midden- of Late IJzertijd en wordt tot deze vindplaats gerekend.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[12]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Vindplaats 4 Kanaal van Corbulo Het kanaal van Corbulo, dat rond 50 na Chr. is gegraven. Het kanaal wordt in put 10 geflankeerd door twee greppeltjes en in put 18 door houten palen die langs de randen zijn ingedreven. Vindplaats 5 Buitenplaats Oostbos De laatmiddeleeuwse en Nieuwe-tijds resten van de buitenplaats Oostbos.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[13]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 3. Overzicht vindplaatsen.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[14]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2.5 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg en bij het couperen van sporen zijn vondsten zo veel mogelijk per spoorvulling verzameld. Vondsten die niet aan antropogene sporen konden worden gekoppeld, zijn per laag in vakken van 5 x 5 m verzameld of ingemeten met een GPS. Bijzondere vondsten, zoals metaalvondsten en vondstconcentraties, zijn als puntvondst ingemeten. Voor het verzamelen van metaalvondsten is tijdens het aanleggen van de vlakken gebruik gemaakt van een metaaldetector. De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14). Het archeologisch onderzoek heeft 2209 vondsten opgeleverd. Een overzicht van de aantallen van de verschillende vondstcategorieën wordt weergegeven in tabel 5. De complete vondstencatalogus is opgenomen in de velddocumentatie (de pakbon) die te vinden is bij het depot/e-depot. In het onderstaande wordt per vondstcategorie ingegaan op de algemene kenmerken, eventuele noemenswaardige vondsten, de datering en de mate van conservering. Vondstcategorie
Aantal
Aardewerk gedraaid
480
Aardewerk handgevormd
676
Bouwkeramiek
76
Pijpaardewerk
27
Glas
112
Metaal
72
Natuursteen
42
Vuursteen
22
Dierlijk bot
534
Leer
7
Schelp
2
Houtskool
77
Hout
79
Zaden
3
Tabel 5. Aantal vondsten per vondstcategorie.
De vondsten van de vijf vindplaatsen worden in hoofdstuk 4 t/m 8 per vindplaats beschreven. Een vondstenlijst is opgenomen in bijlage 2. Afbeeldingen van vondsten zijn gemaakt door E. van der Zwet (RAAP), tenzij anders vermeld.
2.6 Behandeling van profielen De natuurlijke gelaagdheid en de verschillende archeologische niveaus zijn in kaart gebracht door middel van een aantal lange, doorlopende hoofdprofielen, die zijn opgeschaafd, gefotografeerd, getekend en beschreven vanaf het maaiveld. In de meeste proefsleuven is het volledige lengteprofiel gedocumenteerd. De profielen zijn opgeschaafd middels fotogrammetrie gedocumenteerd, waarna ze zijn gedigitaliseerd. Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is ernaar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putten direct aan elkaar te koppelen. De lagen zijn hierbij in een stratigrafische reeks genummerd, waarbij een hoofdindeling is
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[15]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
aangehouden. De 1000-reeks is de bouwvoor, 2000-reeks subrecente bouwvoren of ophogingslagen, de 3000-reeks is voor strand-/duinzand t.h.v. de strandwal waar geen veen voorkomt, de 4000-reeks betreft het veen, de 5000-reeks is voor strand-/duinzand onder een veenlaag. Om lagen aan te duiden, zal in de tekst naar de laagnummers verwezen worden.
2.7 Bemonstering Kansrijke sporen (sporen met zichtbaar verkoold materiaal of sporen met een humeuze vulling) zijn tijdens het onderzoek bemonsterd. Monsternummers worden in dit rapport aangeduid met een cijfer voorafgegaan door een M (bijv. M4). Ten behoeve van dendrochronologie, houtsoortbepaling en eventueel 14C-datering zijn houten palen (en/of balken en planken) bemonsterd. Van sommige vindplaatsen zijn naast houten palen ook andere houten voorwerpen (artefacten) afkomstig. Voor een eenduidige opbouw van dit rapport, is in hoofdstuk 4 t/m 8 steeds al het hout bij de monsters ingedeeld, ondanks dat voorwerpen als bijvoorbeeld een houten balletje eerder als vondst zouden worden beschouwd. De uitwerking van de monsters wordt per vindplaats behandeld. In bijlage 9 is een monsterlijst opgenomen. Alle foto’s van houten objecten zijn gemaakt door K. Hänninen (BIAX).
2.8 Uitwerking Documentatie van het onderzoek is na afloop van het onderzoek gecontroleerd. Na afloop van het veldwerk is een laatste controle uitgevoerd en zijn de analoge profiel- en coupetekeningen gedigitaliseerd en de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. Aan de hand van deze gegevens en het PvE is een evaluatie- en selectierapport opgesteld dat is voorgelegd aan de bevoegde overheid, de depothouder en de opdrachtgever. Hierin is tevens een voorstel gedaan voor de conservering van kwetsbare vondsten. Gedetailleerde spoor- en vondstinformatie zal t.z.t zijn te raadplegen in het e-depot. Het specialistisch onderzoek (waarderingen en dateringen) is uitgevoerd door de volgende specialisten: Paul van der Kroft (RAAP) – vuursteen en natuursteen Johan van Gent (RAAP) – dierlijk botmateriaal en schelp Michel Hendriksen (ArcheoMetaal) – metaal Simone Bloo (BAAC) – handgevormd aardewerk Kristin Bosma (RAAP) – gedraaid aardewerk, glas en bouwkeramiek Kirsti Hänninen (BIAX) – hout Jasmijn van der Veen (RAAP) – zaden en houtskool Marloes Rijkelijkhuizen (Elpenbeen) – leer Sjoerd van Daalen (Van Daalen Dendrochronologie) – dendrochronologisch onderzoek
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[16]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
2.9 Waardestelling Voor de waardering is de KNA-systematiek ‘Waarderen van vindplaatsen’ gevolgd (KNA versie 4.0, specificatie VS06; www.sikb.nl). Daarbij worden numerieke waarden toegekend aan de verschillende waarderingsaspecten. Afhankelijk van de score is een vindplaats wel of niet behoudenswaardig. De vindplaatsen worden eerst op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Ze worden op basis van hun fysieke kwaliteit als behoudenswaardig (opgraven of beschermen) aangemerkt indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (5 of 6 punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (4 punten of minder) wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of het terrein toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats in principe ook behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, buiten de beoordeling vallen. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden eveneens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Een afweging vindt plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde.
Belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) is slechts van belang voor zichtbare archeologische monumenten en is derhalve voor onderhavig onderzoek niet relevant. Bij een bovengemiddelde score van 7 punten of meer voor de eerste drie criteria, wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt.
2.10 Afwijkingen en aanpassingen van de onderzoeksstrategie Tijdens het veldonderzoek is op een aantal punten afgeweken van de onderzoeksstrategie zoals die in het PvE is omschreven. Voor een overzicht van alle afwijkingen, zie de Nota van Wijzigingen (Jordanov & Molthof, 2017) bij het Programma van Eisen.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[17]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
3 Landschap en stratigrafie 3.1 Geologie en geomorfologie 1 Landschappelijk gezien bevindt de onderzoekslocatie zich in het kustgebied, dat in oostelijke richting overgaat in het West-Nederlandse veengebied: van kustbarrière met strandwallen naar strandvlakte. De landschappelijke vorming van de Hollandse kustbarrière is sterk gekoppeld aan de zeespiegelstijging in het Holoceen, circa 10.000 jaar geleden. De vorming van de strandwallen hangt samen met de kustuitbreiding die vanaf ongeveer 4000 voor Chr. plaatsvond. Het onderzoeksgebied bevindt zich tegen de zuidoostelijke flank van de strandwal waarop het centrum van Leidschendam en van Voorschoten ligt. Voor zover bekend is dit de meest oostelijke en daarmee de oudste strandwal in West-Nederland. Circa 3700 voor Chr. is deze strandwal gevormd als gevolg van een afname van de snelheid van zeespiegelstijging in combinatie met heersende processen van golf- en getijdenwerking en een toenemende zandaanvoer langs de kust. Vóór deze strandwal - ten westen van het onderzoeksgebied - vormde zich een strandvlakte, waarop later een tweede strandwal tot ontwikkeling kwam (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort). Een strandvlakte vormt zich onder invloed van schommelingen in de afname van de zeespiegelstijging: wanneer de snelheid van kustafbouw toeneemt, vormen zich strandvlakten en geen strandwallen.
Het bovengenoemde proces herhaalde zich in westelijke richting tot aan het begin van de jaartelling. In feite kan gesteld worden dat de zone met strandwallen is opgebouwd door tegen elkaar aan gevleide reeksen van smalle strandwallen met tussenliggende strandvlakten. Op de strandwallen vormden zich lage duinen (zgn. Oude Duinen: Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl), terwijl in de afgesloten strandvlakten veen tot ontwikkeling kwam. Het onderzoeksgebied bevindt zich aan de landinwaartse zijde van de oudste strandwal en is dus al vrij snel buiten de directe mariene invloed komen te liggen. Mede onder invloed van de stijgende zeespiegel en de daarmee stijgende grondwaterspiegel vond veengroei plaats in lager gelegen gebieden (aan de oostzijde van het onderzoeksgebied). Het metersdikke pakket veen heeft zich ontwikkeld tot op de flanken van de strandwal. Alleen de hogere, met Oude Duinen afgedekte delen van de strandwal zijn niet met veen overdekt geraakt. In het eerste millennium voor Chr. brak een periode aan waarin als gevolg van stormvloeden de zee toegang kreeg tot het achterland. Hierdoor werd een gedeelte van het uitgestrekte veengebied achter de strandwallen weggeslagen.
De ontwatering van het veengebied verbeterde en dit leidde vervolgens tot een toenemende mariene invloed, waardoor op het veen een laag klei werd afgezet (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren). Zowel vanuit de Rijnmonding als vanuit de Maasmonding ontstonden in deze periode getijdenkreken die zich tot ver in het achterland ontwikkelden. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek was niet duidelijk of dergelijke kreken in het onderzoeksgebied voorkwamen en zo ja, vanuit welke richting deze zijn ontstaan. Ten zuiden van het onderzoeksgebied, ter hoogte van de voormalige gemeentewerf aan de Rietvinklaan te Leidschendam, is wel een smalle getijdenkreek aangetroffen die onderdeel vormt van het Gantelsysteem, een krekenstelsel dat vanuit de
1
Deze tekst is met enkele kleine aanpassingen overgenomen uit het vooronderzoek (Jansen & van Eijk, 2017).
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[18]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Maasmonding is ontstaan (Kort & Raczynski-Henk, 2008). Ten noorden van het onderzoeksgebied is eveneens een getijdenkreek aangetroffen; deze is echter vanuit de Oude Rijnmonding ontstaan (Jansen, 2011).
3.2 Bodemopbouw van de vindplaats Omdat de bodemopbouw in veel putten sterk overeenkomt (westelijke deel: bouwvoor op afgetopt duinzand; oostelijke deel: bouwvoor op [zand op] veen op zand), is in het evaluatierapport beargumenteerd dat het niet zinvol is om alle lengteprofielen volledig af te beelden in dit rapport. Gezien de ligging van het onderzoeksgebied op de oostelijke flank van een strandwal, is met name de oost-westelijke doorsnede van het plangebied informatief en relevant voor de interpretatie van de bodemopbouw op deze locatie. Daarom wordt in deze paragraaf de bodemopbouw behandeld aan de hand van een selectie van profielen, die zijn afgebeeld in kaartbijlage 5. De volledige lengteprofielen van de putten 1, 9 en 10 vormen samen een min of meer complete oost-west georiënteerde doorsnede door het plangebied van ruim op de strandwal tot ver in de met veen opgevulde strandvlakte. Bovendien lenen put 1, 9 en 10 zich goed voor deze representatieve doorsnede omdat hierin zowel veenwinningskuilen, een neolithische cultuurlaag, het kanaal van Corbulo als een geul van een ijzertijdkreek voorkomen.
Behalve deze drie putten is ervoor gekozen om het lengteprofiel van de haaks hierop gelegen put 13 af te beelden, omdat op deze locatie sporen en vondsten uit de Vroege IJzertijd zijn gevonden en het profiel van deze put een goed inzicht geeft in de overgang van Oud Duin naar veen (in aanvulling op put 9 en 10). Zoals al aangegeven, wordt de bodem binnen het plangebied gevormd door twee hoofdelementen: het Oud Duin en het voorkomen van veen. Het Oud Duin was geschikt voor bewoning vanaf het laatPaleolithicum tot aan de Bronstijd. Hierna vond veenvorming plaats dat tegen het duin opkroop en dit bedekte. Wanneer het veen voldoende compact en ontwaterd was, kon ook op de top van het veen gewoond worden. Het Oud Duin (strandwal- en/of duinzand) bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand (S3000). Het vertoont gelaagdheid, die op sommige delen zeer goed zichtbaar is (S3001). Plaatselijk komen humusbandjes (S3002) en/of ijzervlekken voor (S3003) Uit de profieldocumentatie is gebleken dat het Oud in het westen van het plangebied is afgetopt, zoals werd vermoed. De oostelijke flank van het duin heeft grofweg een noordoost-zuidwestelijke oriëntatie, maar binnen het plangebied komt veel microreliëf voor.
Dit is te zien op figuur 4 en figuur 5 (verbreiding zand/veen in de sleuven, geëxtrapoleerd naar het gehele terrein), waarbij opvalt dat in het noordoosten van het plangebied verschillende uitlopers van het duin zich uitstrekken naar het oosten (op één hiervan is vindplaats 1 uit de Vlaardingencultuur aangetroffen). Ook meer naar het zuiden, ter hoogte van de putten 14, 24, 30, 13 en 29 is een zandrug aanwezig, waarop archeologische resten zijn aangetroffen.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[19]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 4. Verspreiding van zand en veen in vlak 1.
Figuur 5. Verspreiding van zand en veen in vlak 2.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[20]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
In de tussenliggende gebieden is veen aangetroffen tot 2 m -Mv; hier ligt het zand dus dieper dan de ondergrens van het onderzoek. Het veen bestaat uit (soms kleiig) rietveen (S4000), waarin plaatselijk dunne zandlaagjes (S4002) of zandbrokjes (S4004) voorkomen. Meer naar het oosten, vooral ter hoogte van put 9, bevatten sommige lagen in het veen veel takken en/of wortels en gaat het vermoedelijk om bosveen (S4005 en S4006). Op de flanken van de strandwal, waar het veen schuin tegen de strandwal oploopt, heeft bodemvorming plaatsgevonden (figuur 6).
Figuur 6. Coupe door S124 in put 2, waarin de bodemvorming onder het veen goed zichtbaar is.
Door de afdekking met veen in plaats van een drogere bosgrond, en door de geringe breedte van slechts enkele meters, is de bodemvorming niet helemaal vergelijkbaar met een klassieke podzolbodem. Toch is in voldoende mate sprake van uitspoelings- en inspoelingshorizonten dat de bodemlagen in het veld zijn beschreven als een A-, E-, B-, BC- en C-horizont (respectievelijk S5000, S5006, S5001, S5003 en S5002). Meer naar het oosten (bijv. in put 9) gaat deze podzolachtige bodem over in een dunne “menglaag” (zandig veen, naar beneden toe overgaand in humeus zand) tussen de onderkant van het veen en de top van het zand. In deze laag komen de vondsten van vindplaats 1 Vlaardingencultuur voor. In put 7, het noordwesten van put 10, put 14, put 16 en put 24, is boven het veen een laag (stuif)zand zichtbaar (S3006). Op veel plaatsen lijkt de overgang tussen die stuifzandlaag en het veen vertrapt of verploegd te zijn, waardoor de laag zich in het vlak aftekent als een gevlekte vermenging van veen en lichtgeel duinzand (zie ook 6.1.3). Verspreid door het gehele plangebied zijn plaatselijk tussen de bouwvoor en de strandwal enkele Nieuwetijds-ophogingslagen aanwezig (S2000, S2001, S2002), soms met ploegsporen aan de
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[21]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
onderzijde (bijv. in put 1). Ook zijn er kuilen en greppels vanuit deze laag ingegraven. Een scherpere datering van deze laag is niet te geven, en kan ook verschillen door het plangebied. De verstoringen binnen het terrein worden gevormd door: • Veenwinningskuilen. Met name in het noordelijke deel van het plangebied, ter hoogte van buitenplaats Oostbos, is op grote schaal veen gewonnen, waarbij de bodem tot op grote diepte vergraven is. • Kassenbouw. Binnen het plangebied hebben enkele kassen gestaan. Het gebruik hiervan heeft zijn sporen nagelaten, echter tot minder grote diepte dan de veenwinningskuilen. Het zuidelijk deel van het plangebied heeft hier het meest van te lijden gehad. • Agrarisch gebruik. Hoewel de verstoring als gevolg van agrarisch gebruik mee lijkt te vallen, zijn op enkele plaatsen de archeologische niveaus wel geraakt, met name op de iets hogere delen van het Oud Duin. Wanneer hier veen op gelegen heeft, zal dit zijn verdwenen. Ook lijkt de top van het Oud Duin te zijn geërodeerd: op de flanken naar het veen zijn wél vondsten uit bijvoorbeeld de IJzertijd aanwezig, maar in de top van het Oud Duin zijn geen sporen gevonden. • Natuurlijke en antropogene waterlopen. Hoewel de grachten van Oostbos en het Kanaal van Corbulo zelf tot vindplaatsen behoren, vormen zij tegelijkertijd een verstoring van oudere niveaus en/of vindplaatsen.
Hetzelfde geldt voor de geul uit de IJzertijd in het oosten van het plangebied, die tot net in de Vlaardingen-vindplaats reikt.
3.3 Beantwoording onderzoeksvragen bodemkunde Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek kunnen de onderzoeksvragen uit het PvE als volgt beantwoord worden. 1.
Wat is de geo(morfo)logische en stratigrafische opbouw van de ondergrond in de verschillende delen van het onderzoeksgebied?
Zoals op figuur 4 en figuur 5 en in kaartbijlage 5 is te zien, is in het westen van het plangebied sprake van een afgetopte strandwal, in het oosten van het plangebied van veen op een strandvlakte, en in de overgangszone daartussen is sprake van een veenlaag die via een soort podzolbodem overgaat in de ondergelegen strandwal, en die plaatselijk weer is afgedekt door stuifzand (afkomstig van de strandwal). 2.
Bevinden zich in het onderzoeksgebied afzettingen die in verband kunnen worden gebracht met antropogene aanwezigheid?
Ja, verschillende afzettingen. De top van de strandwal -waar deze door veen is afgedekt- kan in verband worden gebracht met antropogene aanwezigheid in de Steentijd. De top van het veen kan in verband worden gebracht met gebruik en mogelijk ook bewoning in de IJzertijd. Ook het kanaal van Corbulo is vanaf dit niveau ingegraven. Ten slotte kunnen de ophogingslagen onder de bouwvoor in verband worden gebracht met de buitenplaats Oostbos en andere antropogene aanwezigheid in de Nieuwe tijd. 3.
Zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en NAP bevinden deze zich?
Steentijdresten top strandwal: tussen 2,6 en 3,1 m -NAP (ca. 1,7 tot 2,2 m -Mv) Ijzertijdresten: tussen ca. 1,5 m en 2,5 m -NAP (ca. 0,6 tot 1,6 m -Mv) Kanaal van Corbulo: tussen ca. 1,1 m en 2,9 m -NAP (ca. 0,6 tot 2,4 m -Mv)
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[22]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Oostbos/Nieuwe tijd: tussen ca. 0,3 m en 1,8 -NAP (ca. 0,1 tot 1,6 m -Mv) 4.
In hoeverre is de bodemopbouw nog intact? Beschrijf de aard en mate van verstoring en het verwachte effect hiervan op een eventuele vindplaats.
De bodemopbouw is nog grotendeels intact. Wel is in de noordwestelijke strook van het plangebied de strandwal afgetopt. Eventuele prehistorische vindplaatsen die hierop hebben gelegen zullen dan ook verdwenen zijn. Andere verstoringen betreffen veenwinningskuilen (vergravingen door vindplaatsen op het veen, die echter niet binnen het plangebied zijn aangetoond met uitzondering van het kanaal van Corbulo en verspreids vondstmateriaal), kassenbouw en agrarisch gebruik (geringe verstoring van de bovenste lagen in het plangebied en dus de vindplaatsen in de top van het veen en de bovenliggende stuif- en ophooglagen). De geul die door het oosten van het plangebied loopt, raakt plaatselijk net de vondstlaag van de steentijdvindplaats, maar de ondergelegen sporen zijn bewaard gebleven. 5.
Onder welke omstandighedenheden en condities zijn de natuurlijke en antropogene bodemhorizonten gevormd?
De strandwal is gevormd onder invloed van de zee, tijdens de kustuitbreiding die vanaf ca. 4000 v.Chr. plaatsvond. In de millennia hierna is het zand verstoven en vormden zich duinen op en rond de strandwal. Het veenpakket op de flank van de strandwal ontstond onder invloed van de stijgende zeespiegel en de daarmee stijgende grondwaterspiegel. Door inspoeling van regenwater van bovenaf, door het veenpakket naar de onderliggende strandwal, is bodemvorming opgetreden die doet denken aan podzolvorming in dekzandgebieden. De zandlagen bovenop het veen zijn gevormd onder invloed van wind (verstuiving van de strandwal richting het oosten). De hierboven gelegen ophooglagen zijn vermoedelijk deels ontstaan door het opbrengen van grond (plaggen) en deels door nog steeds doorgaande verstuiving. De huidige bouwvoor is ontstaan door agrarisch gebruik en gebruik voor kassenbouw. 6.
Indien er sedimentatie heeft plaatsgevonden, wat is hiervan het verwachte effect op een eventuele vindplaats. (Bijvoorbeeld afdekking door overstuiving, veengroei, etc.)
Hoewel veengroei niet echt kan worden gezien als sedimentatie, heeft de vorming van het veenpakket de onderliggende steentijdvindplaats goed beschermd, zowel qua gaafheid (afdekking) als qua conservering (waterrijke en humeuze condities). De hieropvolgende overstuiving heeft, waar deze voorkomt, de top van het veen afgedekt. Deze stuiflaag is echter relatief dun en vindplaatsen in de top van het veen zijn beperkt aanwezig, dus de beschermende werking is minder relevant dan bij het veen. 7.
In hoeverre en waar is er sprake van hiaten in de stratigrafie van het duin- en strandwalpakket?
Het meest opvallende hiaat is het ontbreken van de top van de strandwal in het oostelijke deel van het plangebied. Het is goed mogelijk dat hier bijvoorbeeld een ijzertijdnederzetting op heeft gelegen waarvan afval is terechtgekomen in de randzone met het veen, maar deze is in dat geval verdwenen. Overige hiaten zijn niet duidelijk aanwezig, hoewel de scherpe en grillige bovengrens van het veen in een deel van de putten doet vermoeden dat de top van het veen ontbreekt (afgegraven danwel opgenomen in bovenliggende lagen). 8.
Zijn er erosieve zones aan te merken in het ruimtelijke beeld van het duin- en strandwallandschap? En zo ja, tot welke diepte reiken deze erosieve zones?
De geërodeerde top van de strandwal (put 1, put 3, put 15, put 26, put 28) reikt tot een diepte van ca. 50 cm -Mv (0,8 m -NAP).
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[23]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
9.
In hoeverre komen de resultaten van het vooronderzoek overeen/verschillen deze met de resultaten van onderhavig onderzoek?
Wanneer de zanddieptekaart uit het vooronderzoek (figuur 8 in Jansen & Van Eijk, 2014) wordt vergeleken met figuur 4 en figuur 5 uit het onderhavige rapport, dan valt op dat het beeld grotendeels overeenkomt, maar iets is aangescherpt. De zandige uitloper ter hoogte van put 14, 24, 30, 13 en 29 is bij het vooronderzoek minder duidelijk naar voren gekomen omdat in dit deel van het terrein relatief weinig boringen zijn gezet, maar het proefsleuvenonderzoek heeft deze uitloper duidelijker in kaart gebracht. Ook op het noordelijke terrein was de uitloper richting put 9 (steentijdvindplaats) al wel vaag zichtbaar op de zanddieptekaart, maar bij het proefsleuvenonderzoek is het microreliëf beter zichtbaar, en vooral de grilligheid en de variatie in diepte ter hoogte van het terrein waarop Oostbos is gelegen. 10. Wat betekenen de resultaten van het veldonderzoek voor de gespecificeerde archeologische verwachting zoals deze is geformuleerd in het bureau- en of booronderzoek? En in welk opzicht kan op basis hiervan de gespecificeerde archeologische verwachting worden bijgesteld? In de gespecificeerde archeologische verwachting werd aangegeven dat op de afgedekte delen van de strandwal een hoge archeologische verwachting gold voor vindplaatsen vanaf het Neolithicum. Dit niveau bleek nog intact te zijn en hierin is een vindplaats aangetroffen.
Wat dit aspect betreft, hoeft de archeologische verwachting dus niet te worden bijgesteld. Voor het veenlandschap gold een lage verwachting voor nederzettingsterreinen uit alle perioden, wel zouden activiteitsplekken van een geringe omvang kunnen voorkomen. Uit de Midden-/Late IJzertijd lijkt dit inderdaad te kloppen, maar uit de Vroege IJzertijd is een activiteitsplek aangetroffen die erop duidt dat er een nederzetting in de nabijheid kan liggen. Aangezien vindplaatsen uit deze periode regelmatig voorkomen in de omgeving en het veen (m.u.v. een zone met veenwinningskuilen) nog grotendeels intact lijkt, is het advies om de verwachting voor resten uit de Vroege IJzertijd in dit gebied bij te stellen naar middelhoog. Voor vindplaatsen uit de Midden- en Late IJzertijd en inheems-Romeinse periode kan deze laag blijven. De verwachting voor het aantreffen van het Kanaal van Corbulo en de buitenplaats Oostbos was hoog en dit kan worden gehandhaafd; beide zijn aangetroffen. 11. In hoeverre komen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek overeen met het bureau- en booronderzoek? Deze vraag is hetzelfde als vraag 9, maar omgekeerd gesteld.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[24]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
4 Vindplaats 1 Vlaardingencultuur 4.1 Sporen en structuren De aanwezigheid van archeologische resten uit deze periode is vastgesteld in put 9 en put 12. De meeste vondsten en sporen liggen in put 9, maar ook in put 12 zijn nog twee vuurstenen artefacten 2
gevonden , waaronder een als klopsteen en kern hergebruikte geslepen bijl. Ook enkele grondsporen in put 12 kunnen bij deze vindplaats horen (dit is zo geïnterpreteerd op de allesporenkaart), maar er is geen dateerbaar materiaal ín de sporen aangetroffen. Het aardewerk in put 12 dateert uit de IJzertijd (zie hoofdstuk 5) dus de sporen kunnen daar ook bij horen. Het is goed mogelijk dat ook in de rest van het plangebied vindplaatsen uit het Neolithicum aanwezig zijn of geweest zijn, maar deze liggen dan ofwel te diep t.o.v. maaiveld om aan te treffen, ofwel ze zijn verdwenen. Ze kunnen bijvoorbeeld zijn geërodeerd doordat ze geen afdekking met veen (meer) hebben, of zijn vergraven bij het egaliseren van de hogere delen van de strandwal in het westen van het plangebied. De kern van de vindplaats ligt in put 9, op de flank van een kleine uitloper van het Oud Duin naar het oosten. Deze uitloper is na de bewoningsperiode afgedekt door een pakket veen en ligt bijna twee meter onder het huidige maaiveld. De vindplaats kenmerkt zich door een ca. 15 cm dikke, humeuze, donkergrijze vondstlaag in de top van het zand van het Oud Duin. In de laag is o.a. handgevormd aardewerk, vuursteen, dierlijk bot en houtskool aangetroffen, dat op basis van het aardewerk en enkele vuursteenfragmenten aan de Vlaardingencultuur is toegewezen (zie paragraaf 4.2.1).
Onder de vondstlaag is een sporenniveau aanwezig. De latere geul die zich, vermoedelijk in de IJzertijd, heeft ingesneden door het veen, reikt tot in de vondstlaag maar heeft gelukkig het onderliggende sporenniveau net niet aangetast. De sporen zijn opgevuld met grond die er hetzelfde uitziet als de vondstlaag. De meeste sporen tekenen zich dan ook duidelijk en donker af in het onderliggende duinzand, hoewel verstoring door op sporen gelijkende boomwortelgangen de interpretatie van het sporenvlak soms bemoeilijkte. In put 9 is sprake van greppels, kuilen, paalkuilen (soms met houtresten), stakenrijen (soms met houtresten), en een mogelijke drenkkuil (S282; zie figuur 7)). Ook is in het westen van de put een greppel aangetroffen met vermoedelijk vlechtwerkrestanten (S365).
2
Eigenlijk drie, maar één daarvan betreft een musketflint die daarom wordt behandeld in hoofdstuk 8.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[25]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Figuur 7. Vlak 2 in het oosten van put 9. Linksonder de drenkkuil S282; door het midden loopt greppel S274.
Een van de greppels, S274, kon over een lengte van 20 meter worden gevolgd maar is langer: de greppel loopt in het noorden en zuidoosten van de put tegen het profiel aan. De greppel valt op doordat er veel stevige eikenhouten aangepunte palen in voorkomen, niet op heel regelmatige afstand van elkaar maar wel veel en behoorlijk dicht op elkaar (zie figuur 8).
Figuur 8. Deel van S274, een greppel met daarin aangepunte houten palen.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[26]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
Het zou om een wandgreppel van een huis kunnen gaan, maar vooralsnog lijkt het eerder om een palissade te gaan. Dit gezien de relatief ondiepe fundering, de iets geknikte aard van de greppel en het feit dat er een drenkkuil en slechts enkele paalkuilen aan de ‘binnenzijde’ van de greppel liggen. Haaks op de greppel liggen nog twee greppels en een stakenrijtje. Waar de greppel/palissade in het zuidoostprofiel verdwijnt, is een concentratie twijgen te zien (figuur 9). Gezien de doorworteling van het veen kan het om natuurlijke twijgen/wortels gaan, maar het is niet uit te sluiten dat het om (omgezakt?) vlechtwerk gaat.
Figuur 9. Greppel S274 in het zuidoostprofiel van put 9, met daarnaast een laag sterk doorworteld veen, mogelijk vlechtwerk.
Meer naar het noordwesten in put 9 liggen enkele paalkuilen (S301 t/m S310) die, gezien de geringe breedte van de put, niet aan een structuur konden worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor een groep paalkuilen en staken in het noordwestelijke uiteinde van put 9. S322 t/m S325 liggen op een rij haaks op de put, en ook de stakenrij S363 tekent zich duidelijk af. In put 12, ongeveer dertig meter ten noordwesten van put 9, zijn een greppel en enkele paalkuilen en staken aanwezig. De greppel (S381) bevatte twee kleine en zeer verweerde en afgeronde scherfjes uit de IJzertijd. In de buurt van de greppel ligt een spoor dat zich vanuit een hoger niveau insnijdt en uit de IJzertijd zou kunnen dateren (S375), maar S381 zelf lijkt op basis van de kleur, de opvulling en het niveau van insnijding eerder bij de neolithische sporen te horen. S381 wordt daarom vooralsnog als neolithisch geïnterpreteerd. Hetzelfde geldt voor de paalkuilen S386, S391, S392 en S395. De overige mogelijke paalsporen in deze put zijn na couperen als natuurlijk geïnterpreteerd. In put 12 zijn een afslag en een neolithische kern van vuursteen gevonden; put 12 wordt op basis daarvan en op basis van de aanwezigheid van de vondstlaag en het voorkomen van de grondsporen tot de periferie van de vindplaats in put 9 worden gerekend.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[27]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
4.2 Vondstmateriaal Een deel van de vondsten is handmatig schavend verzameld tijdens het aanleggen van het vlak. Hierbij viel het op dat er vondstmateriaal voorkwam in de zandige, grijze top van de strandwal (cultuurlaag), maar ook in de daarboven gelegen zandige onderkant van het veenpakket. Om ook de fijnere fractie te kunnen onderzoeken en mogelijk meer diagnostische artefacten te verzamelen, is een aanvullende onderzoeksstrategie opgesteld (“Proefsleuvenonderzoek Duivenvoordecorridor, voorstel strategie steentijdvindplaats put 9”) door H. Molthof op 04-05-2017. Conform deze strategie zijn vier vakken van 1 x 1 m nauwkeurig uitgeschaafd in vijf lagen van 4 cm, waarbij vondsten zijn verzameld (figuur 10). Ter controle van de nauwkeurigheid van de schaafmethode is uit twee vakken (9101 en 9108) een segment van 50 x 50 cm en 20 cm dik als bulkmonster gezeefd over 3 mm. Van de twee andere vakken (9311 en 9304) is een botanisch monster genomen van de vondstlaag, voorafgaand aan het uitschaven van de vakken (respectievelijk M17 en M18).
Figuur 10. Overzicht uitgeschaafde (en deels gezeefde) vakken in put 9.
De zeef- en schaafmethode heeft meer vondstmateriaal uit het Neolithicum opgeleverd (houtskool, aardewerk,verbrand bot, vuursteen en natuursteen), hoewel de vondstdichtheid niet erg hoog bleek te zijn. Op basis van dit (beperkte) schaaf- en zeefonderzoek lijkt het erop dat het zeven van de grond wel wat meer houtskool en verbrand botfragmentjes oplevert dan het schaven, maar dat dit de relatief arbeidsintensieve methode niet waard is omdat het verbrand bot te klein is om te determineren en de vele kleine houtskoolfragmentjes voor het grootste deel ook. W.b. het meer diagnostische vuursteen, natuursteen en aardewerk levert de schaafmethode nauwelijks minder vondsten op dan de zeefmethode.
RAAP-rapport 3456 / versie 11-09-2018
[28]
Duivenvoordecorridor, Locatie Cluster Zuid, gemeente Leidschendam-Voorburg, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
4.2.1 Keramiek Het handgevormd aardewerk uit het Neolithicum is gewaardeerd door S. Bloo (BAAC); zie bijlage 4 en 5. Het gaat in totaal om 16 scherven en 13 fragmenten gruis, die o.b.v. magering en gelijkenis met de grotere scherven wel aan het Neolithicum konden worden toegewezen. De 29 stuks aardewerk zijn alle afkomstig uit put 9, uit de vondstlaag S5000 (V128, V145, V147, V167, V168, V170, V172, V279) en uit de neolithische greppel S274 (V120 en V121). De scherven vertonen steengruismagering, kwartsmagering, of een combinatie van kwartsmagering en organische magering. Met uitzondering van V128 en V167 dateren alle scherven in de periode Midden-Neolithicum B t/m Laat Neolithicum. Ze worden toegeschreven aan de (late) Vlaardingencultuur, vermoedelijk periode VL2a (ca. 2750 tot 2650 v.Chr.) of zelfs VL2b (ca. 2650 tot 2500 v.Chr.). Sommige scherven vertoonden gaatjes onder de rand, wat vaker voorkomt bij Vlaardingen-aardewerk (zie figuur 11).