2969 Bijlage 1 Toelichting Vastgesteld bestemmingsplan KPP Oosteinde 208 Voorburg
Tekst van het document
Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). 4.4.1 Beoordeling De beoogde woongebouwen betreffen een geluidgevoelige bestemming waarvoor mogelijk (deels) verkeers- en industrielawaai aan de orde kunnen zijn. Om die reden zijn beide geluidbronnen hierna afzonderlijk beschouwd. Verkeerslawaai Vanwege de ligging van het plangebied nabij de Vlietweg, Oosteinde – Voorburgseweg, Oosteinde – Oude Trambaan, N14 en 30 km/uur-wegen is een akoestisch onderzoek voor verkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: - Vlietweg en Noordelijke Verbindingsweg: de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. - Oosteinde – Voorburgseweg: de geluidbelasting is maximaal 49 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 1 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. - Oosteinde – Oude Trambaan: de geluidbelasting is maximaal 56 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 8 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. - N14: de geluidbelasting is maximaal 52 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 4 dB overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden.
- 30 km/uur-wegen: de geluidbelasting is maximaal 58 dB zonder toepassing van de aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder.
versie 08_001 | 24 maart 2023
61
Oosteinde – Voorburgseweg, Oosteinde – Oude Trambaan en N14: een hogere waarde moet worden vastgesteld door de gemeente Leidschendam-Voorburg. Daar zijn voorwaarden aan verbonden. De vast te stellen hogere waarden zijn per woning in bijlage V (bij het akoestisch onderzoek) gespecificeerd en betreffen allen het perceel dat kadastraal bekend is als gemeente Voorburg, sectie D, nummer 6928. - Er wordt voldaan aan de (doelstelling van de) gemeentelijke indelingseisen. Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Het volledige akoestisch onderzoek verkeerslawaai maakt als bijlage III onderdeel uit van deze toelichting. -
4.4.2 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan, met inachtneming van de aan te vragen hogere waarden voor verkeerslawaai. Het ontwerpbesluit hogere waarden wordt tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
versie 08_001 | 24 maart 2023
62
4.5
Bodemkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.5.1 Beoordeling In 2014 is een verkennende bodemonderzoek uitgevoerd, waarin het volgende is geconcludeerd: - Bij dit onderzoek zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan olieproducten in de bodem en het grondwater aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de brandstoftanks mogelijk niet geleid hebben tot een geval van ernstige bodemverontreiniging welke gesaneerd moet worden, of dat de brandstoftanks niet op de verwachtte locatie aanwezig zijn geweest. - Uit het vooronderzoek blijkt dat op het zuidwestelijke terreindeel aan de kopse zijde van het gebouw een verontreiniging in de (onder)grond aanwezig is als gevolg van huisvuilstortingen. Deze verontreiniging is gesaneerd middels het aanbrengen van een afdeklaag (klinkerbestrating) en is nog op de locatie aanwezig […].
- Op het zuidoostelijke deel van perceel 6929 is eveneens huisvuilstort en bodemverontreiniging ten gevolge hiervan aangetoond en gesaneerd door middel van ontgraven en afvoeren. - De verwachte verontreinigingen als gevolg van de aanwezigheid van huisvuil en slootdempingen in de ondergrond van de overige terreindelen zijn in onderhavig onderzoek niet aangetroffen. Hierbij moet opgemerkt worden dat het zeer lokale (lange, smalle en ondiepe) stroken met huisvuil betreft. Bij de gehanteerde onderzoekmethode wordt een beperkt aantal boorgaten met een doorsnede van circa 10 cm gemaakt; de kans om hierin huisvuil aan te treffen is klein. De verwachting is dat deze verontreiniging wel op de overige terreindelen aanwezig is. - Ter hoogte van peilbuis 1006 zijn in een puinhoudende laag van 0,9 tot 1,2 m –mv sterk verhoogde gehalten aan barium, koper en lood aangetoond. In een nabijgelegen boring (113) is op een diepte van 1,0 tot 1,5 m –mv in een puinhoudende laag een gehalte aan koper boven de interventiewaarde aangetoond. In de omliggende boringen zijn geen matig of sterk verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen aangetroffen. - Op de overige terreindelen zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen in zowel de bodem als het grondwater aangetoond.
Aan de hand van dit bodemonderzoek kon al worden vastgesteld dat voorafgaand aan de nieuwbouw een bodemsanering in (een deel van) het plangebied noodzakelijk is. Naar aanleiding van het vooronderzoek is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Ook wordt een saneringsplan opgesteld.
versie 08_001 | 24 maart 2023
63
Figuur 4.2 Ligging deellocaties actualiserend bodemonderzoek.
versie 08_001 | 24 maart 2023
64
In het actualiserend bodemonderzoek is het volgende geconcludeerd: - De bodemkwaliteit ter plaatse van de ontwikkellocatie is voldoende in beeld gebracht. De resultaten uit onderhavig onderzoek laten zien dat de verwachte stortvakken en huisvuilstroken niet overal op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. De stelling uit het vooronderzoek […], nl dat opvullingen met stortmateriaal en huisvuil in het verleden voornamelijk op de zuidwestelijke helft van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden wordt bevestigd door de onderzoeksresultaten. - De aanwezige verontreinigingen zijn heterogeen en divers. - Ter plaatse van deellocatie 1 (voormalige tanks) lijken voornamelijk naoorlogse puinopvullingen aanwezig. - Ter plaatse van deellocatie 2 betreft de verontreiniging huisvuilstroken gedateerd rond 1900 in combinatie met metselwerkpuin dat van latere oorsprong (naoorlogs) kan zijn. - Ter plaatse van deellocatie 3 wordt bevestigd dat de sanering uitgevoerd is en dat geen restverontreinigingen meer aanwezig zijn. - Op het overig terreindeel (deellocatie 4) kon de aanwezigheid van huisvuilstroken en stortvakken aan de zuidwestzijde niet aangetoond worden. Wel zijn sterke verontreinigingen aangetroffen die gerelateerd worden aan fundatie van voormalige opstallen en een voormalige boerderij.
- Op basis van onderhavig onderzoek dient de eerdere inschatting van te saneren volumes bijgesteld te worden naar beneden. Als ruwe schatting kan een te saneren volume van circa 750 m3 aangehouden worden. - Er zijn geen aanwijzingen dat op het terrein met verontreinigd materiaal gedempte sloten aanwezig zijn. - Voor de ontwikkeling van de locatie van kantoorpand naar woningbouw dient rekening gehouden te worden met een saneringstraject. Hierbij zijn meerdere saneringsvarianten mogelijk welke in een later stadium nader uitgewerkt zullen worden. Het volledige actualiserend bodemonderzoek maakt als bijlage IV onderdeel uit van deze toelichting. 4.5.2 Conclusie Met de uit te voeren sanering wordt geborgd dat de bodem in het plangebied conform de geldende wet- en regelgeving geschikt wordt gemaakt voor een woonfunctie. Uiteraard wordt daarbij ook de vervuilde grond conform de geldende wet- en regelgeving afgevoerd en verwerkt. Met inachtneming van de uit te voeren bodemsanering vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Het uitvoeren van de bodemsanering wordt middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan geborgd.
versie 08_001 | 24 maart 2023
65
4.6
Externe veiligheid
Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: 1. Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); 2. Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen); 3. Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen; 4. Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten. Onder andere woningen worden daarbij als kwetsbare objecten beschouwd. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen.
De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op de volgende begrippen: - Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. - Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording afleggen.
Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening (bijvoorbeeld door ventilatie uitschakelbaar te maken, voorlichting van bewoners en goede bereikbaarheid voor hulpdiensten).
versie 08_001 | 24 maart 2023
66
Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is moet ook aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: - Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen. - Hoogte van het groepsrisico. - Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte). - Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: - Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. - Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerstgenoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.1
Beoordeling
Ontwikkeling in relatie tot de omgeving In het onderhavige plan worden geen functies mogelijk gemaakt die tot een risicovolle inrichting behoren. Ook wordt er geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. De ontwikkeling heeft geen invloed op de veiligheid in het gebied. Risico objecten in de omgeving Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens.
versie 08_001 | 24 maart 2023
67
750 meter 660 meter
Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart met in paars plangebied en afstanden tot risicobronnen. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Dichtbij het plangebied ligt een Basisnet-route over de N14. Zoals hiervoor al is aangegeven is de N14 in de nabijheid van het plangebied ondertunneld. De N14 is vanwege de ondertunneling in het Basisnet opgenomen, omdat hier het transport van gevaarlijke stoffen niet is toegestaan. Dit blijkt ook uit de detailinformatie over deze route in de landelijke risicokaart, waarin 0 transporten per jaar zijn opgenomen. Gelet op het voorgaande is als gevolg van de N14 geen sprake van externe veiligheidsrisico’s voor het plangebied. Het plangebied ligt op circa 660 meter van de A4. De A4 is ook opgenomen in het Basisnet. Ter plaatse van het dichtstbijzijnde wegvak (wegvak Z7) is het PR-plafond 0 meter en het GR-plafond 13 meter. Er is geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) aanwezig (dit is een gebied waar rekening moet worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen). De vervoershoeveelheid is 4.000 tankauto’s per jaar. Het plangebied ligt ruim buiten het PR- en GR-plafond. Er is geen nadere beoordeling nodig. Het plangebied ligt tevens buiten de 200-meterzone waarvoor conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden.
Er is geen nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
versie 08_001 | 24 maart 2023
68
Volgens het Bevt geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A4 (maximaal 880 meter bij transport van toxische vloeistoffen (LT2)). Een beperkte verantwoording op het gebied van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is hiermee noodzakelijk. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A4 omvat maximaal 4.000 transporten per jaar en betreft verschillende stofcategorieën die ieder over een eigen maximale effectafstand (1%overlijdenskans) beschikken. Deze effectafstanden zijn opgenomen in de Handleiding Risicoanalyse Transport. De effectafstanden van de stofcategorieën die over de transportroute worden vervoerd en die tevens tot aan het plangebied reiken betreffen de effectafstanden voor toxische gassen en toxische en zeer toxische vloeistoffen. Voor het plangebied betekent dit dat met name rekening moet worden gehouden met een eventuele gifwolk.
Ten behoeve van de ontwikkeling worden danwel zijn al voorzieningen aanwezig om de risico’s te beperken en de zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor de hulpverlening te vergroten: - Ten aanzien van toxische scenario’s geldt dat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het gebied verbeterd kunnen worden door de aanwezige gebouwen geschikt te maken om enkele uren in te schuilen. Hiervoor moeten deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar te zijn. In de gebouwen moet eveneens het centrale afzuigsysteem of luchtverversingssysteem uitgeschakeld kunnen worden. Het ventilatieconcept voor de beoogde woningen gaat uit van een gebalanceerd systeem met mechanische toe- en afvoer middels een WTW-box. Per woning kan dit systeem handmatig worden afgeschakeld (in geval van een eventuele gifwolk). Uiteraard is het daarbij nodig dat dit specifieke handelingsperspectief onderdeel is van de risicocommunicatie richting toekomstige bewoners - Ten aanzien van de brandbare gassen geldt dat de gebouwen evenwijdig aan de transportroute staan worden waardoor is geborgd dat mensen vanuit de woning kunnen vluchten in een richting die haaks op de transportroute staat. Het plangebied is via verschillende wegen en vanuit verschillende richtingen bereikbaar. Hiermee is het plangebied tevens voldoende bereikbaar voor hulpdiensten.
Op grond van de eisen in het Bouwbesluit 2012 is geborgd dat voldoende en geschikte blus- en koelwatervoorzieningen worden gerealiseerd. - Daarnaast is voor beide scenario’s goede risicocommunicatie vanuit het bevoegd gezag gewenst. Het bevoegd gezag draagt de zorg voor een goede voorlichting en instructie in de richting van de huidige en toekomstige bewoners en gebruikers van bestaande en nieuwbouwlocaties, zodat men weet welke risico’s aanwezig zijn en hoe bewoners en gebruikers moeten handelen in het geval van een optredend incident. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor De spoorbaan Den Haag - Leiden ligt op circa 1,65 kilometer ten noorden van het plangebied. In principe vindt er geen transport van gevaarlijke afvalstoffen plaats over deze spoorbaan. Echter, volgens Prorail kan incidenteel wel transport plaatsvinden en betreft het maximaal 50 wagonladingen. Deze spoorbaan is echter niet aangeduid als spoorweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid.
versie 08_001 | 24 maart 2023
69
Transport gevaarlijke stoffen over de Vliet Over de Vliet, gelegen ten zuiden en buiten het plangebied, vindt incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De Vliet is echter niet aangeduid als vaarweg waarmee specifiek rekening gehouden moet worden op het gebied van externe veiligheid. Buisleidingen Ten zuiden van de A4, op circa 750 meter van het plangebied, ligt het tracé van een hogedrukgasleiding. Uit de toelichting van het eerder ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Leidschendam Zuid’, blijkt dat het invloedsgebied van deze gasleiding tot maximaal 380 meter buiten het leidingtracé ligt. Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten het invloedsgebied, zodat voor deze gasleiding geen nadere beoordeling of verantwoording van het groepsrisico nodig is. Risicovolle bedrijven/inrichtingen Ter plaatse en in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Advies Veiligheidsregio Haaglanden In een breder kader is door de Veiligheidsregio Haaglanden al in 2018 geadviseerd over de ontwikkelingen in Klein Plaspoelpolder als geheel. Omdat de ontwikkeling van het plangebied ook toen al voorzien was, kan dit advies nog steeds als geldend worden beschouwd.
Uit het advies van de veiligheidsregio volgde, net als uit de voorgaande beoordeling, dat enkel de ligging van het plangebied in het invloedsgebied van de transportroute over de A4 relevant is. Op basis daarvan zijn door de veiligheidsregio de volgende maatregelen geadviseerd: 1. Afschakelbare ventilatie (Daarom is het van belang dat in het object met ventilatievoorziening, deze ventilatie met een eenvoudige handeling kan worden uitgeschakeld. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen in het object worden beperkt. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen. Het is daarbij van belang dat ook eventuele ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.); 2. Risicocommunicatie (Om de bewoners, het personeel en/of de vaste bezoekers binnen het invloedsgebied van de risicobronnen te informeren over deze risicobronnen, risico’s en gevaren, de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten, kan de gemeente ook voor dit plangebied gebruik maken van de middelen die door de Veiligheidsregio zijn ontwikkeld.). Deze geadviseerde maatregelen zijn in lijn met de hiervoor opgenomen beperkte verantwoording op het gebied van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot de A4.
4.6.2 Explosievenonderzoek Voor de gemeente Leidschendam-Voorburg is door AVG een gemeentebreed historisch vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven (CE) uitgevoerd (zie bijlage V) Uit de resultaten van dit vooronderzoek blijkt dat binnen Klein Plaspoelpolder geen CE-verdachte locaties aanwezig zijn. De grondroerende werkzaamheden kunnen hier onder reguliere condities worden uitgevoerd. Er kan worden volstaan met een ‘werkprotocol aantreffen conventionele explosieven’.
versie 08_001 | 24 maart 2023
70
4.6.3 Conclusie Uit de analyse van de landelijke risicokaart blijkt dat enkel de transportroute voor gevaarlijke stoffen over de A4 relevant is. De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting of buisleiding. Voor deze aspecten is er geen nadere beoordeling of verantwoording benodigd. De ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute over de A4. Onderdeel van deze paragraaf is daarom een beperkte verantwoording op het gebied van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het aspect externe veiligheid vormt op basis hiervan geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
versie 08_001 | 24 maart 2023
71
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Deze publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/ rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd.
In de navolgende figuur zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.4 Overzicht richtafstanden.
versie 08_001 | 24 maart 2023
72
4.7.1 Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling betreft een hindergevoelige functie. Beoordeeld moet worden of voor deze woningen geen hinder van omliggende functies valt te verwachten en of deze functies niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden door het initiatief. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen aanwezig, maar ook twee tankstations en nog enkele dienstverleningsfuncties en kantoren. Op dit moment is er nog sprake van een gemengd gebied maar de ambitie bestaat om het gebied te transformeren naar primair een woongebied. De locatie wordt daarom beoordeeld worden als rustige woonwijk. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de relevante functies in de omgeving van het plangebied. Total Tankstation (Oude Trambaan 141) Volgens het geldende bestemmingsplan heeft de locatie een bedrijfsfunctie met een maximale milieucategorie 2 en via een aanduiding is specifiek een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg toegestaan. Een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg behoort eveneens tot milieucategorie 2. Het tankstation aan de Oude Trambaan 141 staat op gemeentegrond. Met de exploitant van het tankstation is een gebruiksovereenkomst afgesloten, die naar verwachting afloopt als gestart wordt met de ontwikkeling van deelgebied 2. De huurovereenkomst is jaarlijks opzegbaar door gemeente.
De locatie van het tankstation wordt uiteindelijk ook herontwikkeld en vormt daarom geen belemmering voor de nieuwe woningen in het plangebied. Voormalige betoncentrale, afvalbrengstation en gemeentewerf Ten zuiden en zuidoosten van het plangebied liggen de eerdergenoemde voormalige bedrijfslocaties van een betoncentrale, een afvalbrengstation en de gemeentewerf. In het geldende bestemmingsplan hebben deze locaties nog een bedrijfsfunctie met een maximale milieucategorie 2. In de huidige situatie zijn er echter geen bedrijven meer aanwezig, zowel de betoncentrale als het afvalbrengstation en de gemeentewerf zijn verhuisd: - Op 20 december 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met een beëindigingsovereenkomst met MEBIN. Vervolgens is de huurovereenkomst met MEBIN per 1 april 2017 beëindigt. In 2019 is de betoncentrale gesloopt. Op dit moment ligt het terrein braak en vinden er geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. - Ook het afvalbrengstation en de gemeentewerf zijn gesloten en verhuisd, waarna ook de bijbehorende bedrijfsbebouwing inmiddels gesloopt is. Op dit moment ligt het terrein braak en vinden er geen bedrijfsactiviteiten meer plaats.
Bij het voorgaande is nog nadrukkelijk van belang dat de gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ eigendom zijn van de gemeente, waardoor is gewaarborgd dat zich in de toekomst geen nieuwe bedrijven op de betreffende locaties kunnen vestigen. Omdat deze bedrijven inmiddels niet meer op deze locatie aanwezig zijn, alle bedrijfsbebouwing is gesloopt en de gronden in eigendom zijn van de gemeente is het niet noodzakelijk om rekeningen te houden met deze (voormalige) bedrijfslocaties.
versie 08_001 | 24 maart 2023
73
Tankstation Berkman (Oosteinde 214) Volgens het geldende bestemmingsplan heeft de locatie een bedrijfsfunctie met een maximale milieucategorie 2 en via een aanduiding is specifiek een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg toegestaan. Een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg behoort eveneens tot milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 activiteiten geldt in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter vanaf de inrichtingsgrens tot de gevel van een woning. Meer specifiek geldt er bij een tankstation voor de milieuaspecten geur en geluid een afstand van 30 meter en voor gevaar 10 meter.
Figuur 4.5 Bestemmingsvlak Berkman (paars) met zone 30 meter (rode arcering) en projectie woongebouwen met kortste afstand. De dichtstbij gelegen, geprojecteerde woningen binnen het plangebied bevinden zich op circa 23 meter van de inrichtingsgrens (perceelsgrens) van het tankstation. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter voor geluid en geur. Aan de richtafstand van 10 meter voor gevaar wordt wel voldaan. Het voorgaande betekent dat er niet zonder meer gesteld kan worden dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. Een nadere afweging is noodzakelijk.
versie 08_001 | 24 maart 2023
74
Figuur 4.6 Overkapping ter plaatse van afleverzuilen Berkman (roze) met kortste afstand tot geprojecteerde woongebouw. De hinder vanwege geur wordt veroorzaakt door de afleverzuilen van de benzine en diesel. Het is daarom gerechtvaardigd de geurcontour te rekenen vanaf de dichtstbij gelegen afleverzuil. Deze afstand bedraagt circa 30 meter. De rand van de overkapping waaronder de afleverzuilen staan bevindt zich namelijk al op circa 28 meter afstand van de beoogde woningen. Het is aannemelijk, dat er bij de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat vanwege het aspect geur en dat het tankstation niet belemmerd wordt in haar bedrijfsvoering (zie ook figuur 4.5). Geluidhinder vanwege het tankstation ontstaat door het aankomende en vertrekkende auto- en vrachtverkeer en de wasstraatactiviteiten. De in- en uitrit van het tankstation zijn op circa 23 meter van de beoogde woningen gelegen en de wasbox/wasstraat bevindt zich op circa 26 meter (zie ook figuur 4.6).
versie 08_001 | 24 maart 2023
75
Figuur 4.7 Bestemmingsvlak met ligging inrit Berkman (paars, rechter figuur) en wasbox Berkman (roze, linker figuur) met kortste afstanden tot geprojecteerde woongebouw. Op een geringere afstand dan hiervoor genoemd is in de huidige situatie al een woning gelegen. Het betreft de woning gelegen aan de Voorburgseweg 89. De uitrit van het tankstation aan de zijde van de Oude Trambaan ligt op circa 11 meter van deze woning en de wasbox/wasstraat ligt op circa 20 meter (zie ook figuur 4.7).
Figuur 4.8 Wasbox met ligging inrit Berkman (roze, rechter figuur) en bestemmingsvlak met globale ligging inrit Berkman (paars, linker figuur) met kortste afstanden tot bestemmingsvlakken reeds bestaande woningen.
versie 08_001 | 24 maart 2023
76
Ook nabij de in- en uitritten van het tankstation aan de zijde van de Oosteinde zijn al bestaande woningen gelegen op geringere afstand, te weten circa 19 meter (zie ook figuur 4.7). Hierdoor wordt de hindercontour en uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf al bepaald door diverse normen op de gevels van de bestaande woningen. Het is niet aannemelijk dat als gevolg van het bouwplan het functioneren van het bedrijf in gevaar wordt gebracht of dat het woon- en leefklimaat door dit tankstation wordt aangetast. 4.7.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. In het plangebied valt geen hinder van de omliggende functies te verwachten en ook valt niet te verwachten dat de omliggende functies in hun bedrijfsvoering beperkt worden door de voorgenomen ontwikkeling.
versie 08_001 | 24 maart 2023
77
4.8
Water
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. 4.8.1 Beleidskader Hierna wordt een beknopte beschrijving gegeven van het relevante beleid met betrekking tot water. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten.
De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
versie 08_001 | 24 maart 2023
78
Waterbeheerplan Hoogheemraadschap Delfland Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan maakt deel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan 5 (WBP) van het Hoogheemraadschap van Delfland van toepassing. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap van Delfland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, klimaatadaptatie en gezond water. Het waterbeheerplan is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het waterbeheerplan staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop; de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Water- en rioleringplan Leidschendam-Voorburg 2016-2021 Het water- en rioleringsplan (WRP) is in december 2015 vastgesteld en bestrijkt een periode van 6 jaar, van 2016 tot en met 2021.
Het plan een is een gezamenlijk product van de gemeente Leidschendam-Voorburg, het Hoogheemraadschap van Delfland en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het WRP geeft aan hoe het beheer van de riolering, het watersysteem en andere watervoorzieningen de komende jaren wordt vormgegeven. In het WRP zijn drie hoofddoelen geformuleerd die liggen op de gebieden kwantiteit, kwaliteit en ruimtelijke potentie: 1. het watersysteem is duurzaam en robuust; Het watersysteem kan zo veel water bergen dat wateroverlast en verdroging voorkomen kan worden. Het rioolsysteem is betrouwbaar en wordt toekomstbestendig ingezet; 2. het water is schoon; Ecologisch gezond water stroomt, ruikt fris, is helder, diep genoeg en kent een rijke flora en fauna. Schoon water ontstaat dankzij een watersysteem dat biologisch goed functioneert; 3. het water is aansprekend; Door water te zien als integraal onderdeel in alle ruimtelijke plannen en de potenties van water te benutten, kunnen we de leefomgeving aantrekkelijker maken.
versie 08_001 | 24 maart 2023
79
4.8.2 Beoordeling Hierna wordt de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld aan de hand van de relevante waterthema’s. Stevige dijken: Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied is geen waterkering of beschermingszone van een waterkering aanwezig. Langs de Vliet, die op circa 60 meter van het plangebied ligt, is aan de zijde van het plangebied geen waterkering aanwezig. Waterkwantiteit: Voorkomen van wateroverlast De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 15.000 m2. In de huidige situatie is deze oppervlakte grotendeels verhard met bebouwing en parkeerplaatsen. Verspreid over het terrein zijn onverharde groenstroken (met name langs de buitengrenzen en tussen de parkeerplaatsen) en relatief kleine, onverharde groenelementen aanwezig. Naar schatting is in totaal circa 15% c.q. 2.250 m2 van het plangebied onverhard. In de toekomstige situatie zijn twee bouwvolumes met een totale, maximale oppervlakte van circa 10.000 m2 beoogd. Omdat parkeren grotendeels inpandig wordt opgelost, is binnen de rest van het plangebied relatief veel ruimte beschikbaar voor een groene c.q. onverharde inrichting. Dit onbebouwde deel van het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.000 m2, waarvan maximaal 35% c.q. 1.750 m2 verhard wordt. Dit houdt in dat in de toekomstige situatie binnen het plangebied circa 3.250 m2 groen c.q.
onverhard wordt ingericht, waarmee de verharde oppervlakte dus met circa 1.000 m2 afneemt. Daar komt nog bij dat binnen de bouwvolumes tussen de 3.000 en 4.000 m2 als binnentuin wordt ingericht. Van deze oppervlakte wordt naar verwachting minimaal 50% als groen dak ingericht (zie ook figuur 2.9). Op basis van het voorgaande is medio 2020 in afstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland de watersleutel ingevuld, waarbij de binnentuin nog buiten beschouwing is gelaten. Uit deze ingevulde watersleutel volgt vanwege de voorgenomen ontwikkeling geen opgave qua waterberging. Gelet op de aanzienlijke afname van de verharde oppervlakte en de toepassing van een aanzienlijke oppervlakte groen dak, kan zelfs gesteld worden dat met de ontwikkeling een toename van het waterbergend vermogen binnen het plangebied wordt gerealiseerd. Grondwater en voorkomen van (zoet)watertekort De gemiddelde hoogte van het maaiveld ligt in het plangebied op 0,60 meter boven NAP. Bij het actualiserend bodemonderzoek is in het plangebied een hoogste grondwaterstand van circa 1 meter beneden maaiveld gemeten. Aangezien het plan niet voorziet in de aanleg van bouwlagen die geheel of gedeeltelijk beneden maaiveld liggen, zijn effecten op het grondwater niet te verwachten.
Onderhoud en bagger Aan de noordoostzijde grenst het plangebied aan de oeverstrook van een watergang die als secundair water in de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland is opgenomen. De afstand tussen de grens van het plangebied en deze watergang bedraagt circa 7,5 meter. Gezien deze onderlinge afstand en de (minimaal) benodigde onderhoudsstrook van 1 meter vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het onderhoud van deze watergang.
versie 08_001 | 24 maart 2023
80
Schoon water: Watersysteemkwaliteit en ecologie Vanwege de afstanden tot de omliggende watergangen en de in het plangebied beoogde woonfunctie zijn effecten op de waterkwaliteit niet aan de orde. Gezuiverd afvalwater: Afvalwaterketen In de huidige situatie worden afval- en hemelwater niet gescheiden afgevoerd (er is een gemengd rioolstelsel aanwezig). In de nieuwe situatie wordt afval- en hemelwater gescheiden afgevoerd, waarbij de afvoer van hemelwater kan worden afgekoppeld en vertraagd afgevoerd. Te verwachten valt dat de hoeveelheid afvalwater in enige mate toeneemt vanwege de ‘vervanging’ van een kantoor met een bruto vloeroppervlakte van 19.000 m2 door 295 appartementen, maar dat dit geen relevante ruimtelijke gevolgen heeft. Ten aanzien van afvalwater is verder nog vermeldenswaardig dat ten oosten van het plangebied een rioolpersleiding ligt. Deze heeft aan weerszijden een beschermingszone van 5 meter. Uit het geldende bestemmingsplan ‘Stedelijk’ kan worden afgeleid dat de betreffende beschermingszone niet over het plangebied ligt, omdat deze in de groen- en verkeersbestemmingen ten oosten en noorden van het plangebied ligt. Deze bestemmingen zijn geen onderdeel van het plangebied, zoals kan worden afgeleid uit de navolgende figuur.
Figuur 4.9 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Stedelijk’ met deel plangebied (geel omlijnd) en beschermingszone rioolpersleiding (rood gearceerd).
versie 08_001 | 24 maart 2023
81
Klimaatadaptatie In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met klimaatadaptatie, met name door de groene inrichting van het onbebouwde terrein en het toepassen van groene daken in de binnentuinen. Daarbij geldt ook, zoals hiervoor al aangegeven, dat de verharding in de nieuwe situatie aanzienlijk afneemt. In de nieuwe situatie kan daarmee meer water infiltreren en/of gebufferd worden, waarmee piekbuien beter opgevangen kunnen worden. Daar komt bij dat de aanmerkelijk groenere inrichting van het plangebied ook een dempend effect heeft op eventuele hittestress. Watertoets In het kader van de watertoets is de voorgaande beoordeling c.q. waterparagraaf in juli en augustus 2020 inhoudelijk afgestemd met het Hoogheemraadschap van Delfland. De relevante adviezen van het waterschap zijn verwerkt in de voorgaande beoordeling. Daarbij is door het Hoogheemraadschap ook bevestigd dat een opgave qua waterberging in dit geval niet van toepassing is, omdat de verharde oppervlakte overduidelijk afneemt. 4.8.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
versie 08_001 | 24 maart 2023
82
4.9
Ecologie
De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebied- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De NNN is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.
versie 08_001 | 24 maart 2023
83
4.9.1
Beoordeling
Soortenbescherming In het kader van soortenbescherming is in 2017 door adviesbureau van der Helm een ecologische quickscan uitgevoerd naar het volledige plangebied van Klein Plaspoelpolder (zie verder bijlage VI) Vervolgens is er in 2018 een soortgericht onderzoek naar vleermuizen en vogels uitgevoerd, waarvan de conclusies als volgt luiden (zie verder bijlage VI): - Er zijn geen voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig in het plangebied. Er zijn voor vleermuizen geen vervolgstappen nodig. - Er zijn geen nesten of rustplaatsen van de slechtvalk aanwezig in het plangebied. Hiervoor zijn geen vervolgstappen nodig. - Er zijn geen nesten of rustplaatsen van de zwarte roodstaart aanwezig in het plangebied. Hiervoor zijn geen vervolgstappen nodig. - Op het dak van Damsigt is een nestplaats van een zilvermeeuw aanwezig. De grote hoeveelheid bomen en struiken in het plangebied en het platte dak zijn ideale broedlocaties voor algemene broedvogels. Op basis van deze conclusies zijn vanuit het oogpunt van de (algemene) zorgplicht voor de uitvoering van het project de volgende vervolgstappen geadviseerd: een broedvogelinspectie (als in de broedperiode wordt gewerkt), verlichting zodanig aanbrengen dat langsvliegende en foeragerende vleermuizen niet verstoord worden en eventueel aanwezige licht beschermde dieren en niet beschermde dieren laten vluchten of verplaatsen.
Met inachtneming van het voorgaande worden negatieve effecten op beschermde soorten niet verwacht. Omdat het nader onderzoek al meer dan twee jaar oud was, is in 2021 een actualisatie van dit onderzoek uitgevoerd door het adviesbureau ECOquickscan (zie verder bijlage VI). De conclusie van dit actualiserend onderzoek luidt als volgt: De conclusie in het nader onderzoek van 2018 blijft ongewijzigd. Er worden geen ontheffingsplichtige beschermde planten- en/of diersoorten verwacht. Nader onderzoek naar eventueel binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten is dan ook niet nodig. Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is allereerst van belang dat de dichtstbijzijnde beschermde natuurgebieden buiten het plangebied en buiten de bebouwde kom van Voorburg liggen, op minimaal 1,7 kilometer afstand. Het betreffen gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 5 kilometer afstand van het plangebied. Het project betreft een plangebied dat in de huidige situatie al deels is bebouwd, vrijwel volledig is verhard en dat intensief is en kan worden gebruikt ten behoeve van een kantoorfunctie. Vanwege deze bestaande situatie en de onderlinge afstand is een relatie met de aangewezen soorten en habitats in het NNN en Natura 2000-gebieden afwezig.
Gezien de in de sloop- en bouwfase verwachte inzet van mobiele werktuigen en vervoersmiddelen en de in de gebruiksfase verwachte verkeersbewegingen per etmaal (1.440 / 1,11 is afgerond 1.300) is een mogelijk effect vanwege de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Om die reden is een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage VII), waarvan de resultaten en conclusies als volgt luiden: - De totale stikstofemissie van de sloopfase bedraagt 64,9 kg NOx en 12,2 kg NH3 per jaar, voor de bouwfase 163,6 kg NOx en 4,3 kg NH3 en voor de gebruiksfase 146,4 kg NOx en 9,2 kg
versie 08_001 | 24 maart 2023
84
-
NH3. Alle drie de modellen [zie verder bijlage VII] zijn doorgerekend met als uitkomst dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor zijn […] op voorhand significant negatieve gevolgen ten aanzien van vermesting en verzuring van stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten. Dit betekent tevens dat een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is.
4.9.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de aspecten gebieds- en soortenbescherming geen belemmering vormen voor het onderhavige bestemmingsplan. In aanvulling hierop is nog vermeldenswaardig dat voor de gebouwen en de buitenruimte in het plangebied waar mogelijk is gestreefd naar een natuurinclusief ontwerp, met inachtneming van de gemeentelijke handleiding ‘Natuur in de Stad’.
versie 08_001 | 24 maart 2023
85
4.10
Cultuurhistorie en Archeologie
4.10.1 Inleiding Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Uitgangspunt is het behoud van archeologische resten in de bodem. Als op basis van een belangenafweging blijkt dat behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden.
versie 08_001 | 24 maart 2023
86
4.10.2 Beoordeling Archeologie Inzake archeologie is allereerst het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek van belang (zie bijlage VIII), waarin onder andere de volgende conclusies en adviezen zijn opgenomen: - Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Eventuele archeologische waarden kunnen worden verstoord met de voorgenomen ingrepen. - Dit betekent dat aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een verkennend booronderzoek, dat als doel heeft om de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem vast te stellen. Op basis hiervan is een aanvullend archeologisch onderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: - Gezien de mate van intactheid van het strandwallenlandschap en de aanwezigheid van een vegetatieniveau in de top van het duinzand is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit de periode Neolithicum – Bronstijd. Voor het noorden van het plangebied geldt een verwachting voor het aantreffen van het kanaal van Corbulo, al is de aanwezigheid niet geheel zeker. - Het archeologisch relevante niveau bestaat uit de top van het duinzand en bevindt zich tussen 130 en 285 cm -Mv (0,7 á 2,3 m -NAP).
Gezien de diepte van het duinzand wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren op die plaatsen waar dieper ontgraven wordt dan 130 cm -Mv. Op basis van de huidig bekende ontgravingsdiepten heeft dit advies betrekking op de bouwvlakken van de nieuwbouw (circa 10100 m2), voor zover hier dieper wordt ontgraven dan 130 cm -Mv. - Het vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een karterend en eventueel waarderend onderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P). Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen nodig, waarin de randvoorwaarden van dit onderzoek zijn vastgelegd. Dit PvE moet voor de start van de werkzaamheden zijn beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid, in deze de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het volledige verkennend booronderzoek maakt als bijlage IX onderdeel uit van deze toelichting. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden in het plangebied wordt het geadviseerde proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het hiervoor benodigde Programma van Eisen (PvE) is reeds afgestemd met en beoordeeld en goedgekeurd door de gemeente (als bevoegd gezag). Tevens wordt in dit bestemmingsplan op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid een archeologische dubbelbestemming opgenomen (zie verder paragraaf 3.3.9).
versie 08_001 | 24 maart 2023
87
Cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie blijkt uit het al genoemde archeologische bureauonderzoek en de toelichting van het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Nieuw Damsigt’ dat ter plaatse van het plangebied vroeger de buitenplaats ‘Damzigt’ aanwezig was. Deze buitenplaats is verdwenen en in het plangebied liggen geen elementen die onderdeel waren van de historische structuur van de buitenplaats. Wel ligt de eerdergenoemde watergang aan de noordoostzijde in het verlengde van een als historisch aangewezen waterweg die als kavelsloot onderdeel was van de buitenplaats. Het project laat de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische elementen daarmee ongemoeid Daar komt bij dat in het plangebied geen sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en/of beschermde, monumentale panden. Van significante negatieve effecten inzake cultuurhistorie is daarom geen sprake. 4.10.3 Conclusie Met inachtneming van het nog uit te voeren archeologisch proefsleuvenonderzoek vormen de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Met het proefsleuvenonderzoek wordt in de (bouw)planning rekening gehouden.
versie 08_001 | 24 maart 2023
88
4.11
Bezonning
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden op het gebied van bezonning en beschaduwing geen wettelijke of publiekrechtelijke eisen gesteld. Wel mag de bezonningsituatie geen afbreuk doen aan een goede ruimtelijke situatie. Voor woningen wordt veelal gekeken naar de zogenaamde lichte TNO-norm: Een woning krijgt de waardering voldoende wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (acht maanden). Als beoordelingspunt geldt het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer. De twee uur zon hoeven niet aansluitend plaats te vinden en de bezonning op de voor- en achtergevel mag bij elkaar opgeteld worden. 4.11.1 Beoordeling In het kader van het bestemmingsplan is een bezonningsstudie uitgevoerd. De conclusie van deze studie is als volgt: Op basis van de […] resultaten kan worden vastgesteld dat als gevolg van de nieuwbouw bij de woningen gelegen aan de Johan David Zochterstraat wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Op 21 maart en een 21 juni neemt de bezonningsduur voor met name de 2 in het midden gelegen woongebouwen af. Voor het noordelijkst gelegen woongebouw neemt op deze dagen de bezonningsduur toe. Op 21 december blijft voor alle gebouwen de situatie ongewijzigd. De volledige bezonningsstudie maakt als bijlage X onderdeel uit van deze toelichting.
4.11.2 Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
versie 08_001 | 24 maart 2023
89
4.12
Windhinder
De normstelling betreffende het windklimaat in de openbare ruimte vindt haar oorsprong in NEN 8100: 2006. De norm NEN 8100 geeft eisen en bepalingsmethoden voor de toetsing van het lokale windklimaat, op loopniveau, in de gebouwde omgeving. In de norm NEN 8100 is een beslismodel opgezet om de noodzaak van toetsing van een bouwplan in te schatten. Uit dit beslismodel volgt dat de noodzaak van toetsing bepaald wordt door de ligging van het bouwplan (beschut of onbeschut) en de hoogte: - voor beschut liggende gebouwen tot een hoogte van 15 meter is geen nader onderzoek noodzakelijk; - voor beschut liggende gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter en voor onbeschut liggende gebouwen tot een hoogte van 30 meter is de hulp van een windhinderdeskundige noodzakelijk om te beoordelen of er wel of niet CFD- of windtunnelonderzoek noodzakelijk is; - voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter is nader onderzoek met CFD of een windtunnel noodzakelijk. 4.12.1 Beoordeling Eén gebouw (het U-vormige bouwvolumne) heeft een bouwhoogte van circa 13 meter. De overige vijf gebouwen hebben een bouwhoogte van circa 19 meter. Dit betekent dat er in beginsel geen directe aanleiding is om nader onderzoek naar windhinder uit te voeren. Wel is het wenselijk om te beoordelen of een onderzoek noodzakelijk is. Rondom om de nieuwbouw is bebouwing met verschillende bouwhoogtes aanwezig.
Ten zuid westen bevinden zich woongebouwen met een bouwhoogte van circa 27 meter. Ten noorden van de locatie bevinden zich ééngezinswoningen met een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Ten noordoosten bevindt zich eveneens bebouwing met een bouwhoogte van circa 10 meter. Direct ten oosten bevinden zich enkele bedrijfsgebouwen met eveneens een bouwhoogte van 10 meter. Op grotere afstand (ruim 100 meter) is aan de oostzijde een flatgebouw met een bouwhoogte van 31 meter gelegen. Aan de zuidzijde bevindt zich in de directe nabijheid geen bebouwing. Het bouwplan sluit qua bouwhoogte aan bij de bestaande bebouwing in de omgeving. Voor de kritische en meest maatgevende windrichtingen (uit het zuidwesten) geldt dat in de huidige situatie, door het ontstaan van een hoog drukgebied aan de zuidwestzijde van de vier woontorens gelegen aan de Johan David Zocherstraat en een laag drukgebied aan de noordoostzijde (van het plangebied), de wind rondom de bestaande bebouwing versnelt. Dit resulteert in de huidige situatie in een matig windklimaat rondom de vier woontorens en het plangebied. Door het realiseren van de nieuwbouw ontstaat een egalere winddruk, waardoor de wind minder versnelt rondom de bestaande gebouwen en de nieuwbouw. Hierdoor ontstaat er een egalere verdeling in windsnelheden rondom de bestaande gebouwen en nieuwbouw.
Voor wind vanuit de zuidoostelijke richting ligt het plangebied veel opener. Wat betreft de toekomstige invulling van het plangebied liggen de gebouwen in elkaars luwte, waardoor het risico op windhinder voldoende is beperkt. Wat betreft de omgeving van het plangebied veranderen de stromingen naar verwachting wel. De mate waarin deze situatie zich voordoet is echter beperkt, vanwege de beperkte aanwezigheid van wind uit deze windrichting.
versie 08_001 | 24 maart 2023
90
Omdat de nieuwbouw qua bouwhoogte aansluit bij de omgeving resulteert dit lokaal in een egalere winddruk. Naar verwachting verbetert het windklimaat in het plangebied en de omgeving. 4.12.2 Conclusie Gelet op de norm NEN 8100 en het voorgenomen bouwplan in relatie tot de omliggende bebouwing, vormt het aspect windhinder geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
versie 08_001 | 24 maart 2023
91
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Systematiek van de bestemmingsregels
Het bestemmingsplan ‘KPP Oosteinde 208 Voorburg’ is een ontwikkelingsgericht plan, dat bedoeld is om een specifieke ruimtelijke ontwikkeling in juridisch-planologisch opzicht mogelijk te maken. De juridische vormgeving van het voorliggende bestemmingsplan is zodanig dat de voorziene herontwikkeling van het leegstaande Damsigt-kantoor wordt gefaciliteerd. Het bestemmingsplan fungeert als toetsingskader voor bouwplannen in het plangebied en legt tevens bindend de randvoorwaarden vast voor het gebruik van in het plan begrepen gronden en bebouwing. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch-technische opbouw van het bestemmingsplan. Het hoofdstuk is te beschouwen als een leeswijzer voor de regels en de verbeelding. Deze eerste paragraaf geeft de vorm van het bestemmingsplan weer. De twee volgende paragrafen gaan meer gedetailleerd in op de verschillende bestemmingen en overige regelingen zoals die zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding van dit plan. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Voor zover relevant hebben het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, een juridische vertaling gekregen in de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen, regels en aanduidingen. De ontwikkeling van het plangebied past binnen de verschillende beschreven beleidskaders.