CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2969 Bijlage 1 Toelichting Vastgesteld bestemmingsplan KPP Oosteinde 208 Voorburg

Raadsvergadering 30 mei 2023, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Vaststellen bestemmingsplan "KPP Oosteinde 208 Voorburg".28.015 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Daarbij worden onder andere een decentrale hernieuwbare energievoorziening (zoals zonnepanelen) en aardgasloos bouwen als concrete maatregelen benoemd. Groenblauwe stedelijke structuur De door de provincie bedoelde groenblauwe structuur is een samenhangend stelsel van verschillende groene ruimtes en routes die stad en land met elkaar verbinden en omvat onder meer de grote parken en groenblauwe dooradering in de stad. De provincie ziet een opgave om deze structuur te behouden en waar nodig te versterken. In de toelichting hierop is onder andere het volgende aangegeven: Met de verdichtingsopgave van het bestaand stads- en dorpsgebied wordt de groenblauwe ruimte als tegenhanger van de stedelijke dynamiek nog belangrijker voor rust, ruimte en leefkwaliteit. De stedelijke groen- en waterstructuur kan met het oog op klimaatverandering dienen als klimaatbuffer bij hittestress, droogte en wateroverlast.

versie 08_001 | 24 maart 2023

35

Juiste kantoor op de juiste plek De beleidskeuze luidt hiervoor als volgt: Nieuwe kantorenontwikkelingen concentreren zich bij voorkeur op toplocaties (centrum Rotterdam en centrum Den Haag) en scienceparken. Daarnaast is er een opgave om kantoren te reduceren (zowel fysiek als qua plancapaciteit) op minder kansrijke locaties. Daarbij is onder andere aangegeven dat transformatie van incourante kantoorlocaties (zoals Klein Plaspoelpolder) naar bijvoorbeeld woningen gewenst is vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik, maar ook versterkend is voor de kantorenmarkt. Specifiek is hierbij voor kantoren op locaties met een gemeentegrens overschrijdend profiel, zoals Klein Plaspoelpolder, het volgende aangegeven: Deze locaties kenmerken zich momenteel veelal door bovengemiddelde leegstand, beperkte multifunctionaliteit en/of zijn terug te vinden in gemeenten met een beperkte kantorenvoorraad. Het onderscheidend vermogen van deze locaties is vaak beperkt. De provinciale strategie is hier gericht op ‘fors verdunnen’ van zowel het bestaande aanbod als het planaanbod van kantoren. Ruimtelijke kwaliteit Deze beleidskeuze wordt in de Omgevingsvisie als volgt beschreven: De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving.

Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Dit is verder uitgewerkt in specifieke regels in de Omgevingsverordening. Verwezen wordt naar de toets hieraan in paragraaf 3.2.2. Verstedelijking Qua verstedelijking is de volgende beleidskeuze in de Omgevingsvisie opgenomen: De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.

Daarbij worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen onder andere de volgende uitgangspunten gehanteerd: - Bouw naar behoefte; - Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; - Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid; - Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving.

versie 08_001 | 24 maart 2023

36

Toetsing De voorgenomen woningbouw en herinrichting van het plangebied geeft als volgt invulling aan de hiervoor toegelichte provinciale beleidskeuzes: - De voorgenomen woongebouwen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd en op de daken worden waar mogelijk zonnepanelen geplaatst. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie in de gebouwde omgeving. - In het plangebied ontstaat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ruimte voor een groenblauwe verbinding tussen de wijk Damsigt en de Vliet, waarmee de lokale groenblauwe structuur wordt versterkt. - Met de beoogde ontwikkeling wordt een bruto vloeroppervlakte van circa 19.000 m2 bestaande kantoorruimte, die leegstaat en gezien de omvang moeilijk opnieuw verhuurbaar is, aan het aanbod onttrokken. Daarmee wordt een aanzienlijke bijdrage aan de provinciale ‘verdunningsstrategie’ voor incourante kantoren geleverd. - In dit bestemmingsplan is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied, waaraan ook nadrukkelijk behoefte is (zie verder paragraaf 3.2.2.). Daar komt bij dat de voorgenomen woongebouwen in de nabijheid van de halte Oosteinde aan de Randstadrail tussen Delft en Leidschendam worden gerealiseerd.

Tot slot is nog van belang dat rekening is gehouden met klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving (zoals ook blijkt uit de beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten in hoofdstuk 4). Specifiek voor klimaatadaptie geldt daarbij nog dat ten opzichte van de huidige situatie een aanzienlijke afname van verharding in het plangebied wordt gerealiseerd, met name door de groene inrichting van het onbebouwde terrein en het toepassen van groene daken in de binnentuinen. - Ten opzichte van de huidige functie en inrichting van het plangebied wordt een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering gerealiseerd. Ook wordt nadrukkelijk voldaan aan de specifieke regels voor ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsverordening (zie verder paragraaf 3.2.2). Wanneer het voorgaande wordt vertaalt naar de eerdergenoemde zes provinciale ambities, blijkt dat het plan met name invulling geeft aan de gewenste ‘gezonde en aantrekkelijke leefomgeving’. Ook wordt, voor zover mogelijk op planniveau, invulling gegeven aan de ambities ‘naar een klimaatbestendige delta’ en ‘energievernieuwing’. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met en past binnen de provinciale omgevingsvisie.

versie 08_001 | 24 maart 2023

37

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening Zuid-Holland is samen met de Omgevingsvisie op 1 april 2019 in werking getreden. De verordening bevat juridische doorwerking van het visiedeel van het Omgevingsbeleid en bevat regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Na inwerkingtreding is de verordening regelmatig herzien, de laatste herziening dateert van 2 februari 2022 en vormt de basis voor de navolgende toetsing. Toetsing Op grond van de Omgevingsverordening zijn voor het onderhavige plan de volgende artikelen van toepassing: - Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit - Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen De toetsing aan deze twee artikelen is als volgt: Artikel 6.9 Voor wat betreft artikel 6.9 zijn met name de leden 1 tot en met 5 van belang: 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met […] het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals […] beschreven in de omgevingsvisie, beleidskeuze landschap. 3.

Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau.

Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening

versie 08_001 | 24 maart 2023

38

gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Wat betreft voorgenomen ontwikkeling is dus eerst de vraag aan de orde of er sprake is van inpassen, aanpassen of transformeren. Het initiatief kan worden beschouwd als een transformatie: een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat.. De beoogde gebouwen zorgen voor een verandering van de structuur, waarbij in het plangebied een nieuw stedelijk gebied ontstaat. Om die reden is voor de ontwikkeling in het plangebied artikel 6.9 lid 5 sublid c aan de orde. Om te beoordelen of aan het betreffende artikel wordt voldaan is allereerst de vraag of de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed wordt aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd. Hiervoor is van belang dat de voorgenomen ontwikkeling onderdeel is van het transformatiegebied Klein Plaspoelpolder, waarvoor de eerdergenoemde ontwikkelvisie en spelregels zijn opgesteld.

Op basis van de toetsing aan dit ruimtelijk kader in met name de paragrafen 2.2.1 tot en met 2.2.3 kan worden vastgesteld dat de ruimtelijke kwaliteit van de in onderhavig bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling van deelgebied 3A van Klein Plaspoelpolder is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarbij is op basis van de spelregels en de welstandsbeoordeling in het ontwerp nadrukkelijk en uitvoerig aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving van het plangebied. Van een fasering en ruimte en tijd is daarbij met name sprake ten opzichte van de andere deelgebieden in Klein Plaspoelpolder, die deels al ontwikkeld zijn en deels later dan het in dit bestemmingsplan opgenomen deelgebied ontwikkeld worden. Daarnaast is op basis van artikel 6.9 lid 5 sublid c de vraag hoe voor de nieuwe ontwikkeling rekening is gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in de beleidskeuze ‘Landschap’ uit de provinciale omgevingsvisie. Op basis hiervan wordt het plangebied primair gerekend tot het stedelijk landschap. In algemene zin geldt daarbij dat het ontwerp voorziet in het toevoegen van bebouwing die zich zowel functioneel als ruimtelijk in de bestaande structuur voegt. Het plangebied ligt in Klein Plaspoelpolder, een stedelijk gebied waar nu in hoofdzaak kantoren, bedrijven en woningen aanwezig zijn.

Vanwege het vertrek van bedrijfsactiviteiten staan veel kantoor- en bedrijfspanden leeg. Het is de wens om het gebied de transformeren naar een woon- en werkgebied. Het bouwplan is één van de (deel)ontwikkelingen die invulling geeft aan die gewenste transformatie. De maatvoering wijkt niet wezenlijk af van de maatvoering van omliggende bebouwing, noch is sprake van een ingrijpende afwijking van de bouwmassa's die op basis van het geldende bestemmingsplan gerealiseerd kunnen worden. De ontwikkeling past daarom in de bestaande karakteristiek en versterkt de gebruikswaarde. In aanvulling hierop zijn met name de volgende specifieke richtpunten relevant: - Verstedelijking vindt vooral binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) en binnen invloedsgebied van hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) plaats. - Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de stedelijke groenblauwe structuur. Daarbij gaat het ook om de recreatieve kwaliteit en de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de biodiversiteit.

versie 08_001 | 24 maart 2023

39

Bij de voorgenomen woningbouw en herinrichting van het plangebied is als volgt rekening gehouden met deze richtpunten: - Het plangebied ligt binnen bestaand stads- en dorpsgebied en binnen de in de omgevingsverordening aangewezen stationsomgeving van een HOV-halte. - De voorgenomen ontwikkeling sluit vrijwel volledig aan bij de bestaande landschappelijke structuur (c.q. het omliggende stratenpatroon) en in het plangebied ontstaat, zoals hiervoor al aangegeven, nieuwe ruimte voor een groenblauwe verbinding tussen de wijk Damsigt en de Vliet (waarmee de lokale groenblauwe structuur wordt versterkt). Daarbij wordt tevens bijgedragen aan klimaatadaptatie, zoals onder andere is toegelicht in paragraaf 4.8.2.

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Voor wat betreft artikel 6.10 zijn voor stedelijke ontwikkelingen met name de leden 1, 3 en 4 van belang: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties […]. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of in dit geval sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Besluit ruimtelijke ordening is de volgende definitie opgenomen voor ‘stedelijke ontwikkeling’: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De realisatie van 295 woningen in een gemengd stedelijk woonmilieu kan op grond van bovenstaande definitie worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking uit het Besluit ruimtelijke ordening is daarom van toepassing op dit bestemmingsplan. Het plangebied is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening en het bestaande stads- en dorpsgebied zoals bedoeld door de provincie ZuidHolland. De nieuwe woongebouwen worden gerealiseerd door transformatie van een bestaand kantoorgebouw (sloop en nieuwbouw). In dit geval volstaat een beschrijving van de behoefte aan de voorziene nieuwe woningen.

versie 08_001 | 24 maart 2023

40

Als het gaat om woningbouw speelt de provincie een belangrijke rol. Woningbouwprogramma's worden regionaal afgestemd en komen samen in een regionale woonvisie en/of woningbouwprogramma, waar Gedeputeerde Staten mee moeten instemmen. Zodra is ingestemd, is de behoefte aan en de regionale afstemming van het woningbouwprogramma in de bestemmingsplannen verantwoord. Regionaal woningbouwprogramma Sinds 1 maart 2015 werkt de gemeente Leidschendam-Voorburg op het beleidsterrein wonen samen met de gemeenten Delft, Den Haag, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer in de woningmarktregio Haaglanden. Binnen dit samenwerkingsverband vindt overleg en afstemming plaats via zogenaamde ‘bestuurlijke tafels’. Het doel van de bestuurlijke tafel is om de regionale woningmarkt te versterken en voor woningzoekenden betere kansen te creëren op een passende woning. Jaarlijks wordt binnen de woningmarktregio Haaglanden een regionaal woningbouwprogramma opgesteld. Hierin wordt per jaar vooruitgeblikt op de geplande toevoegingen en onttrekkingen van woningen per gemeente. De plannen voor Klein Plaspoelpolder, waarbinnen het plangebied is gelegen, zijn opgenomen in de ‘Woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021’.

De meest recente versie van het regionaal woningbouwprogramma is door de woningmarktregio eind 2019 aan de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland voorgelegd. Op 17 maart 2020 is hierop gereageerd en is door Gedeputeerde Staten ingestemd met de behoefteonderbouwing van het woningbouwprogramma. Daarbij is aangegeven dat deze instemming geldt voor de kwantitatieve onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Specifiek voor de gemeente Leidschendam-Voorburg is in het genoemde regionaal woningbouwprogramma uitgegaan van bijna 2.500 woningen voor de periode tot en met 2025. De voorgenomen woningbouw in het plangebied past met een woningaantal van 295 ruimschoots in het totale gemeentelijke programma. Gelet op het voorgaande wordt voor de voorgenomen ontwikkeling op basis van lid 3 voldaan aan artikel 6.10 van de omgevingsverordening. Daar komt nog bij dat de aanzienlijke gemeentelijke woningbouwopgave ook nadrukkelijk naar voren komt uit het gemeentelijke beleid zoals beschreven in de paragrafen 3.3.1 tot en met 3.3.4. Daaruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling invulling geeft aan de voor het plangebied relevante kwantitatieve en kwalitatieve gemeentelijke ambities ten aanzien van wonen.

versie 08_001 | 24 maart 2023

41

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040 (Herijking 2012) De structuurvisie ‘Ruimte voor Wensen 2040’ is vastgesteld op 25 september 2012 door de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg. De herijkte visie geeft een integraal toekomstbeeld van de gemeente tot 2040. De uitgangspunten van de visie zijn vertaald naar drie pijlers: 1. versterken van de groene woon stad (wonen en maatschappelijke voorzieningen, groen, water en openbare ruimte, cultuurhistorie en duurzaamheid en leefbaarheid). 2. verbeteren van de economische kansen en voorzieningenstructuur. 3. beter benutten en verbeteren van de (regionale) bereikbaarheid (mobiliteit en bereikbaarheid). In de structuurvisie wordt onderscheid gemaakt tussen drie zones: het stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Het plangebied is gelegen in zowel het stedelijk gebied als de Vlietzone. Stedelijk gebied Voor het stedelijk gebied zijn er een aantal kwantitatieve en een aantal kwalitatieve ambities geformuleerd: Kwantitatief - Realisatie van 80% van de woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied. - Faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040. Kwalitatief - Behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de kwaliteit van de bestaande woonmilieus, toevoegen van nieuwe woonmilieus.

- Verbetering van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk en de identiteitsdragers (structuurbepalende identiteitsdragers zijn bijvoorbeeld de Vlietzone, de Loo-zone en het historisch lint Parkweg-Veursestraatweg). - Duurzame stedelijke ontwikkeling, onder meer door meervoudig ruimtegebruik, het beter benutten van de openbaar vervoerscapaciteit en verbetering van fietsverbindingen. - Versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen, versterken van de complementariteit en het kwaliteitsniveau van de winkelcentra. - Nieuwe economische kansen creëren door functieverandering, herstructurering en transformatie van gebieden, passend bij de positionering als groene woonwerkstad. In aanvulling daarop zijn voor het stedelijk gebied een aantal opgaven benoemd die bijdragen aan de drie pijlers voor de ontwikkeling van de stad. De opgave voor Klein Plaspoelpolder is als volgt geformuleerd: In Klein Plaspoelpolder heeft de gemeente te maken met structurele leegstand van een aantal omvangrijke kantoorpanden. Voor het gebied blijft een transformatieopgave staan, waarbij de gemeente streeft naar gemengde woon- en werkmilieus, passend bij de positionering Leidschendam-Voorburg. Binnen Klein Plaspoelpolder kan een aanzienlijk deel van het gewenste ruimtelijke programma voor wonen op de lange termijn (2025-2040) worden opgevangen.

versie 08_001 | 24 maart 2023

42

Vlietzone Voor de Vlietzone zijn de onderstaande opgaven geformuleerd. - Benutten en verder versterken van de groen-blauwe kwaliteiten en de recreatieve potentie van de Vlietzone. - Grote ruimtelijke dynamiek creëren op de middellange en lange termijn in samenhang met verbetering van de bereikbaarheid (MIRT-opgaven Haaglanden). - Versterken van de identiteit van de kernen en benutten van de ligging van de oude kernen en cultuurhistorische kwaliteiten aan de Vliet. - Excellente woonmilieus creëren aan de Vlietoevers. Toetsing De geplande woningbouw in het plangebied draagt bij aan de woningbouwopgave uit de structuurvisie ‘Ruimte voor Wensen 2040’. Klein Plaspoelpolder, waar het plangebied onderdeel van is, wordt expliciet genoemd als geschikte locatie voor woningbouw. Daarnaast draagt het plan ook bij aan de specifieke transformatieopgave voor leegstaande, omvangrijke kantoorpanden in Klein Plaspoelpolder die in de structuurvisie is benoemd.

versie 08_001 | 24 maart 2023

43

3.3.2 Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder 'Ruimte voor Ideeën' De ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder 'Ruimte voor Ideeën' is vastgesteld op 21 oktober 2014. Het doel van de visie is om richting te geven aan de transformatie van het gebied. Het is nadrukkelijk de wens van de gemeente om Klein Plaspoelpolder te transformeren naar een gemengd woonwerkgebied, dat goed toegankelijk is en prettig aansluit op zijn groenstedelijke omgeving. Voor het plangebied geldt dat de nadruk ligt op de woonfunctie, overige functies dienen zich te conformeren naar het verblijfskarakter.

Figuur 3.1 Uitsnede visiekaart Klein Plaspoelpolder In de visie zijn een aantal opgaven geformuleerd: - Versterken van de Vlietoever door verbetering en realisatie verbindingen langs de Vliet. - Verbeteren herkenbaarheid historisch lint en zicht op de Vliet. - Versterken ruimtelijke kwaliteit van de entrees naar omliggende gebieden toe. - Nieuwe functies dienen complementair te zijn aan de voorzieningen-as van Leidschendam Centrum. - Realisatie gemengd woon-werkmilieu. Zie voor een aanvullende beschrijving van de ontwikkelvisie ook paragraaf 2.2.1.

versie 08_001 | 24 maart 2023

44

Toetsing Het plangebied ligt binnen één van de te ontwikkelen deelgebieden. Uitgangspunten voor het plan zijn onder andere een mix van verschillende woningtypologieën en het ‘doorwaadbaar’ maken van het gebied. Ook komt het historisch lint in aangepaste vorm terug in het ontwerp als groenzone. Daarbij is echter vooral van belang dat de Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder verder is uitgewerkt in de spelregelkaarten waaraan in paragraaf 2.2 (uitgebreid) getoetst is. Voor de toetsing aan de ontwikkelvisie wordt daarom kortheidshalve verwezen naar paragraaf 2.2. Daaruit blijkt dat met het bouwplan c.q. de ontwikkeling van het plangebied nadrukkelijk invulling wordt gegeven aan de Ontwikkelvisie Klein Plaspoelpolder.

versie 08_001 | 24 maart 2023

45

3.3.3 Woonvisie 2016- 2020 De Woonvisie is opgesteld omdat er behoefte was om vanuit een brede optiek een toekomstbeeld te schetsen van het wonen in Leidschendam-Voorburg. Het karakter van de gemeente en de kwaliteit van het wonen en leven in de buurten en wijken, vormen daarbij het belangrijkste kader. Wat goed is en past bij wat de mensen in die wijken willen, moet zoveel mogelijk behouden blijven. Maar daar waar mensen eigenlijk niet langer meer willen of kunnen wonen zullen veranderingen doelgericht ter hand genomen moeten worden. De Woonvisie heeft een belangrijke relatie met de Regionale woonvisie Haaglanden, de Strategische Visie Leidschendam-Voorburg en de Structuurvisie. De Regionale woonvisie Haaglanden geldt als belangrijkste kader voor de Woonvisie: regionale ambities worden in deze Woonvisie uitgewerkt op lokaal niveau. De hoofddoelstelling van de Woonvisie 2020 is het streven naar een aantrekkelijke (leefbare), groene woongemeente binnen Haaglanden met een evenwichtige bevolkingsopbouw en het creëren van keuzemogelijkheden voor elke inwoner van Leidschendam-Voorburg. De Woonvisie fungeert als leidraad voor ander gemeentelijk beleid dat het wonen raakt en is het toetsingskader bij plannen en ontwikkelingen waarbij het wonen een belangrijke rol speelt.

De Woonvisie: - Geeft richting aan de keuze voor bepaalde woonmilieus, de structuurvisie vertaalt dit in een ruimtelijk beeld. - Geeft een beschrijving van de wijken, de gewenste woonmilieus en de benodigde strategie daarvoor. Daarbij is ervan uitgegaan dat alle wijken een woonkarakter behouden. Het inzetten van de strategie is dan ook bedoeld voor het versterken van dat woonkarakter. - Geeft geen richting aan mogelijke bouwlocaties. Dit wordt nader uitgewerkt in het woningbouwprogramma dat jaarlijks wordt geactualiseerd. Toetsing De gemeente is primair zelf aan zet om de doelstellingen uit de Woonvisie 2020 te kunnen bereiken. Zo bevordert de gemeente de doorstroming naar passende woonruimte en houdt ze regelmatig contact met woningcorporaties, marktpartijen en particuliere verhuurders. De gemeente realiseert zelf geen woningen maar schept hiervoor de voorwaarden. Bijvoorbeeld door het vaststellen van bestemmingsplannen. Zo bepaalt de gemeente, mede op basis van de Woonvisie 2020, wat en waar er gebouwd wordt. De herontwikkeling van het plangebied past daarmee binnen de uitgangspunten zoals opgenomen in de Woonvisie 2020.

versie 08_001 | 24 maart 2023

46

3.3.4 Verordening sociale en middeldure woningbouw Leidschendam-Voorburg 2020 In de Woonvisie 2016-2020 is, in aanvulling op wat hiervoor is beschreven, ook opgenomen dat de gemeente zich richt op een substantieel aandeel nieuwbouw in de sociale sector en het bouwen van woningen in de middeldure sector om doorstroming uit de sociale woningvoorraad te stimuleren. Onder andere om die reden achtte de gemeente het gewenst om een juridisch kader vast te stellen met randvoorwaarden voor met name het aandeel sociale en middeldure woningen bij woningbouwinitiatieven. De verordening sociale en middeldure woningbouw LeidschendamVoorburg 2020 voorziet in dit juridisch kader. De belangrijkste regel uit deze verordening is dat initiatiefnemers bij een bouwplan met 10 of meer woningen in beginsel minimaal 30% sociale huurwoningen en 20% middeldure huur- of koopwoningen dienen te realiseren. Toetsing Van belang is in dit geval echter dat de regels in de verordening niet van toepassing zijn voor het bouwplan c.q. de ontwikkeling van het plangebied.

De reden hiervoor is dat in de verordening is bepaald dat deze (onder andere) niet van toepassing is als: door de raad of het college bindende ruimtelijke en/of programmatische randvoorwaarden of uitgangspunten ten behoeve van het bouwplan zijn vastgesteld in de vorm van een ruimtelijk kader, spelregelkaarten, een ruimtelijke uitnodiging, een ontwikkelvisie, randvoorwaarden voor een aanbesteding/tender of enig andere daarmee naar aard, doel en/of inhoud vergelijkbare besluit en/of document. Hiervan is voor het bouwplan c.q. de ontwikkeling van het plangebied sprake, omdat de gemeenteraad al op 19 september 2017 heeft besloten om binnen Klein Plaspoelpolder ruimte te maken voor 15% sociale woningbouw en 15% woningen in het middeldure segment. In het woningbouwprogramma voor het plangebied zijn 15% sociale en 15% middeldure huurwoningen opgenomen, waarmee voldaan wordt aan de in dit geval geldende eis.

versie 08_001 | 24 maart 2023

47

3.3.5 Welstandsnota Leidschendam-Voorburg De Welstandsnota Leidschendam-Voorburg is vastgesteld op 14 juni 2004 en sindsdien een aantal keer gewijzigd. De laatste gewijzigde versie is vastgesteld op 13 september 2011. De nota vormt het toetsingskader voor bouwplannen, waarbij wordt getoetst aan de ‘redelijke eisen van welstand’. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de leefomgeving als algemene waarde. De welstandsnota bevat zowel algemene als gebiedsgerichte welstandscriteria. Het plangebied is gelegen in gebied 58 Klein Plaspoel, onderdeel van het gebiedstype ‘Instituten en kantoren’. De waardering van het gebied wordt als volgt beschreven: De gebieden met instituten en kantoren in Voorburg en Leidschendam zijn in de meeste gevallen nogal fragmentarisch in hun ruimtelijke opbouw en nogal sober in architectonische uitwerking. De toegenomen aandacht in de afgelopen decennia voor kwaliteit van werkplekken, gevels met een actievere klimaatbeheersing, duurzame gevelmaterialen e.d. kunnen een toekomstige kwaliteitsverbetering brengen in de uitstraling van deze gebieden. Naast de gebiedscriteria is ook van belang dat de Oosteinde en de Oude Trambaan ten noorden van het plangebied tot de stedelijke ‘bedrading’ worden gerekend.

Het karakter van deze lijnen speelt mee bij de beoordeling van bouwplannen aan deze lijn. Toetsing In de welstandsnota wordt het plangebied nog aangemerkt als locatie voor instituten en kantoren. Met onderhavig plan verandert deze gebiedskarakteristiek naar een woongebied. De ontwikkeling draagt bij aan een kwaliteitsverbetering in de uitstraling van het gebied. De architectonische uitwerking zorgt voor een verbeterde uitstraling ten opzichte van de huidige verouderde kantoorbebouwing. Tevens sluiten de beoogde woongebouwen qua ontwerp bij elkaar aan. Dit zorgt voor een minder fragmentarische ruimtelijke opbouw dan nu het geval is. Daarnaast is met name de architectonische uitwerking van de gevels aan de noordzijde van het plangebied nog van belang. De formele toetsing aan de welstandsnota vindt uiteraard plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwplan, waarbij aanvullend ook toetsing aan de spelregelkaarten plaatsvindt.

versie 08_001 | 24 maart 2023

48

3.3.6 Nota Parkeerbeleid 2021 In de Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. De gemeente wil een duidelijk en eenduidig parkeerbeleid voeren, waarbij parkeerbeleid ook kan betekenen dat er juist geen parkeermaatregelen worden getroffen. De algemene visie op parkeren luidt daarbij als volgt: Parkeerbeleid staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de integrale ruimtelijke opgave en actuele ontwikkelingen in de gemeente en de maatschappij. De gemeente streeft daarom naar een parkeerbeleid dat onderdeel is van deze opgave en meebeweegt met deze ontwikkelingen. Op de korte termijn is de inzet van de gemeente om parkeren te faciliteren voor een goede bereikbaarheid en een prettige woonomgeving. Ter verbetering van de duurzaamheid en leefbaarheid zet de gemeente in op een transitie naar andere vormen van mobiliteit. Zodra de alternatieve vormen van vervoer voldoende op orde zijn, zal het parkeerbeleid mede gericht worden op het stimuleren van deze alternatieven ten behoeve van een bewuster autogebruik, een lagere parkeerdruk en een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.

Specifiek ten aanzien van parkeernormen is in de nota onder andere het volgende aangegeven: Om binnen de bandbreedte een lagere parkeernorm te kunnen hanteren, dient daarom bij elk bouwplan een solide onderbouwing geleverd te worden hoe dat in die specifieke situatie verantwoord is. In de volgende herziening van de nota Parkeernormen wordt nader uitgewerkt onder welke voorwaarden toepassing van deelauto’s kan leiden tot een reductie van de parkeernormen. Hierbij wordt rekening gehouden met de locatie, de doelgroep en het aanbod van aanvullende faciliteiten (zoals bijvoorbeeld excellente fietsenstallingen, aanbod van deelbakfietsen of deelscooters). Deze herziening van de nota parkeernormen moet nog plaatsvinden, waardoor in dit geval nog de in paragraaf 3.3.7 beschreven nota geldt. Toetsing Op basis van paragraaf 4.2.2 en het onderliggende onderzoek van Goudappel kan worden vastgesteld dat de voor onderhavig plan toegepaste parkeernormen al in lijn met het bovenstaande beleidsuitgangspunt zijn bepaald. De herontwikkeling van het plangebied past daarmee binnen de uitgangspunten zoals opgenomen in de Nota Parkeerbeleid 2021.

versie 08_001 | 24 maart 2023

49

3.3.7

Nota parkeernormen voor nieuwe ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam - Voorburg (2012) De Nota Parkeernomen van de gemeente Leidschendam-Voorburg bevat de parkeernomen voor de gemeente. Doel is om de toepassing en de rekenmethodiek van de parkeernormen duidelijker te maken voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars. Hierbij zijn onder andere de volgende uitgangspunten gehanteerd: - De parkeernormen moeten een positieve invloed hebben op de leefbaarheid en bereikbaarheid van de gemeente Leidschendam-Voorburg; - Elke initiatiefnemer van (bouw)plannen dient zorg te dragen voor het realiseren van de eigen parkeeroplossing; - Een bouwinitiatief of wijziging van functie van een locatie mag geen parkeerproblemen in de openbare ruimte veroorzaken of vergroten. Toetsing De toepassing van de Nota parkeernormen voor onderhavig plan is uitgewerkt en toegelicht in paragraaf 4.2.2. 3.3.8 Groenstructuurplan Buitengewoon groen Het groenstructuurplan buitengewoon groen is vastgesteld op 2 februari 2010 en geeft op grote lijnen invulling aan de gemeentelijke ambitie om een ‘buitengewoon groene gemeente’ te zijn. In vergelijking met andere (rand)stedelijke gebieden is Leidschendam-Voorburg een groene gemeente. Er speelt echter ook een verdichtingsopgave binnen de gemeente, die soms op gespannen voet staat met de groene woonstadgedachte.

Uitgangspunt is dat verdichting mogelijk is op voorwaarde dat de hoofdgroenstructuur wordt versterkt. Het groenstructuurplan geeft op hoofdlijnen aan welk groen van belang is, en waar het groen versterkt kan worden. Hierbij worden de ambities en opgaven voor verschillende onderdelen van de groenstructuur beschreven, waarbij het plangebied geen onderdeel is van de belangrijke structuurelementen. Wel ligt het plangebied tussen de structuurelementen Vlietzone en de groene lijn over de Oosteinde. Toetsing Het plangebied ligt nabij de oude trambaan over de Cornelis Voorhoevelaan. De gemeente hanteert de doelstelling om een groenzone aan te houden van 20 meter tussen de oude trambaan en nieuwbouw. Hieraan wordt ruim voldaan, de afstand tussen de nieuwbouw en het openbare gebied aan de Cornelis Voorhoevelaan is circa 38 meter. Verder wordt nog opgemerkt dat er tussen de nieuwbouw en de Cornelis Voorhoevelaan reeds bebouwing aanwezig is. Verder is het plangebied geen onderdeel is van belangrijke structuurelementen uit het groenstructuurplan en omdat de voorgenomen herinrichting voorziet in een aanzienlijke toename van groen in het plangebied, is geen sprake van strijdigheden met het groenstructuurplan.

versie 08_001 | 24 maart 2023

50

3.3.9 Klimaatplan 2009-2020 en beleidsnota Duurzaam bouwen De ambities en afspraken op het gebied van duurzaam bouwen zijn vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam bouwen (Dubo) van de gemeente, geactualiseerd op het onderdeel energie door het Klimaatplan 2009-2020. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft in het Klimaatplan 2009-2020 vastgesteld te streven naar een drastische afname van fossiel energiegebruik en een toename van hernieuwbare energiebronnen als zon, geothermie (aardwarmte), wind en wellicht biomassa, door een energietransitie. Het streven is om in 2050 samen met de (voormalige) regio Haaglanden klimaatneutraal te zijn. Nieuwe ontwikkelingen kunnen hieraan bijdragen door in de vergunningaanvraag te voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). In de nota Duurzaam bouwen zijn drie onderdelen als eis opgenomen voor gemeentelijke initiatieven. De drie verplichte maatregelen zijn: 1. Indien hout wordt toegepast, pas dan duurzaam geproduceerd hout toe. Dit is met name hout met het FSC-keurmerk (Forest Stewardship Council), conform FSC-convenant met Haaglanden; 2. Vermijd consequent het gebruik van zink, lood en koper voor zover blootgesteld aan de buitenlucht en gebruik geen koper voor waterleidingen; 3. Beperk zoveel mogelijk het gebruik van PVC in alle bouwdelen.

Indien gebruik wordt gemaakt van PVC, gebruik dan gerecycled PVC en PVC waarvoor een retoursysteem bestaat. De drie genoemde maatregelen worden waar mogelijk vastgelegd in intentie- of samenwerkingsovereenkomsten met andere ontwikkelende partijen In het Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd, de doelgroep die met name ook van belang is binnen dit bestemmingsplan. Daarbij luidt de overkoepelende strategie als volgt: Leidschendam-Voorburg streeft naar een drastische afname van fossiel energiegebruik en een toename van de toepassing van hernieuwbare energiebronnen als wind, zon, geothermie (energietransitie) en wellicht biomassa. Deze strategie is uitgewerkt op basis van verschillende thema’s, waarbij voor de voorgenomen ontwikkeling met name ‘Duurzame energieproductie’, ‘Energiezuinige gebouwde omgeving’ en ‘Klimaatbestendige leefomgeving’ van belang zijn. Voor deze thema’s zijn respectievelijk onder andere de volgende uitgangspunten in het klimaatplan opgenomen: - Op basis van ‘vele kleintjes maken één grote’ stimuleert de gemeente actief de kleinschalige opwekking van duurzame energie door gebruik te maken van zonnepanelen, zonneboilers en gebouwgebonden windturbines. - De gemeente kiest voor een integrale woonkwaliteit.

Naast energiebesparing betekent dit bijvoorbeeld ook meer comfort in de woningen en een gezond binnenklimaat. Energiebesparing mag nooit ten koste gaan van de gezondheid van bewoners en de gemeente blijft daarom het belang van goede ventilatie benadrukken. Voor de grotere projecten vindt toetsing plaats met het instrument GPR Gebouw waarmee de duurzaamheidskwaliteit kan worden bepaald. - Bij alle nieuwbouwwoningen wordt gestreefd naar 10% verlaging van de EPC-norm, zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. Woningen worden flexibel gebouwd met het idee dat deze op termijn energieneutraal moeten worden. Zo kan worden besloten om woningen geschikt te maken voor latere toepassing van zonne-energie of lage temperatuur verwarming;

versie 08_001 | 24 maart 2023

51

-

-

De gemeente drukt de CO2-reductie bij nieuwbouw vanaf 200 woningen en herstructurering uit in de Energie Prestatie op Locatie (EPL). Bouwen volgens de minimumeisen levert bij nieuwbouw een EPL van 6,6 op, een energieneutrale locatie levert een EPL van 10 op. Voor alle nieuwbouwwoningen met meer dan 200 woningen wordt, afhankelijk van de locatie en het type bouwproject, een minimale EPL gerealiseerd van 7,0 tot 8,0. De gemeente Leidschendam-Voorburg wil een groene woongemeente zijn. Uitgangspunt is het bestaande groen zoveel mogelijk te behouden en realisatie van nieuw groen waar mogelijk. Groen zorgt voor een prettige leefomgeving en biedt kansen voor recreatie. Daarnaast heeft groen een positieve invloed op de gezondheid van de omwonenden, de leefbaarheid in de wijk en het milieu.

Energie algemeen (landelijk beleid) Per 1 juli 2018 is landelijk de aansluitplicht op aardgas vervallen. Dat betekent dat nieuwbouw in Leidschendam-Voorburg niet meer wordt aangesloten op het aardgasnet. Gebouwen moeten op een duurzame manier verwarmd en (soms) gekoeld worden en voorzien van warm tapwater. Grosso modo is het alternatief voor aardgas gebaseerd op elektriciteit (o.a. een warmtepomp, zonneboiler, etc.) of een aansluiting op een warmtenet. Vanaf 1 januari 2021 geldt wettelijk voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, dat de vergunningaanvragen moeten voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie uitgedrukt met drie indicatoren: de energiebehoefte van het gebouw, het primair fossiele energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie. In het kader van het klimaatbeleid wordt gestreefd naar het opnemen van collectieve duurzame energieopties in bestemmingsplannen en bouwplannen. Een energievisie geeft voor grotere bouwprojecten de mogelijkheden aan voor duurzame energiemogelijkheden binnen Leidschendam-Voorburg. Toetsing Met de toepassing van zonnepanelen, bouwen zonder gasaansluiting en het toevoegen van groen in het plangebied geeft de voorgenomen ontwikkeling nadrukkelijk invulling aan de relevante thema’s uit het klimaatplan.

versie 08_001 | 24 maart 2023

52

3.3.10 Archeologienota herijking 2013 gemeenten Leidschendam-Voorburg, Wassenaar en Voorschoten Deze herijkte nota is samen met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar opgesteld en heeft het volgende doel: Het vereenvoudigen van bestaande regelgeving en de daaruit voortvloeiende regeldruk. Met deze herijking wordt de effectiviteit van het archeologiebeleid verbeterd. Tevens wordt het beleid aangepast op sinds 2008 veranderde wet en regelgevingen. Daarbij is in dit geval met name de beleidskaart bij deze nota relevant.

Figuur 3.2 Uitsnede beleidskaart bij archeologienota met globale ligging plangebied (in geel). Toetsing Uit de beleidskaart volgt dat voor het plangebied sprake is van een hoge archeologische waarde of verwachting. Hiervoor geldt in beginsel dat voor alle bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld een archeologisch onderzoek nodig is. Om die reden is voor de voorgenomen ontwikkeling ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie voor een verdere toelichting paragraaf 4.10. Ook is in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen die uitgaat van de hiervoor genoemde oppervlakte- en dieptegrens.

versie 08_001 | 24 maart 2023

53

4

Milieu- en omgevingsaspecten

In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages zijn in dit geval als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.

4.1

Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport (m.e.r.) of m.e.r.beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die (aanzienlijke) nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit betekent dat de plannen of activiteiten ook een bepaalde omvang moeten hebben om m.e.r.-(beoordelings)plichtig te zijn. Aan de hand van de in het Besluit milieueffectrapportage omschreven m.e.r.-plichtige activiteiten met de bijbehorende drempelwaarden, kan worden bepaald of een project m.e.r.-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) is. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang ook belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

Om te voorkomen dat er bij projecten met een kleinere omvang belangrijke milieugevolgen over het hoofd worden gezien is het voor alle projecten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen verplicht om vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of wanneer het gaat om een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.

versie 08_001 | 24 maart 2023

54

4.1.1

Beoordeling

De voorgenomen ontwikkeling ligt ruim onder de drempelwaarde waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande is echter wel een m.e.r.-beoordeling aan de orde. Om die reden is door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opgesteld, die is ingediend bij de gemeente Leidschendam - Voorburg. De conclusie van deze notitie is dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten, waardoor een m.e.r. niet noodzakelijk is. Op grond van het Besluit m.e.r. is de conclusie van deze notitie door het bevoegd gezag, te weten burgemeester en wethouders van Leidschendam Voorburg, overgenomen en in een collegebesluit vastgelegd. De aanmeldingsnotitie maakt als bijlage I onderdeel uit van deze toelichting. 4.1.2 Conclusie Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en dat daarom geen milieueffectrapport (m.e.r.) nodig is.

versie 08_001 | 24 maart 2023

55

4.2

Verkeer en parkeren

Omdat de beoogde ontwikkeling aan de Oosteinde gevolgen kan hebben voor de verkeer- en parkeersituatie zijn beide in onderstaande paragrafen inzichtelijk gemaakt. 4.2.1 Verkeer De verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is bepaald met behulp van de rekentool van het CROW. Om de toename van verkeersbewegingen te berekenen is een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie. Huidige situatie Voor de huidige situatie wordt, in lijn met de gemeentelijke Nota Parkeernormen, uitgegaan van de gemiddelde verkeersgeneratie voor een locatie in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘zeer sterk stedelijk’ gebied. Op basis hiervan genereert de huidige, bestemde kantoorfunctie in het plangebied circa 1.024 verkeersbewegingen per werkdag (uitgaande van een kantoor zonder baliefunctie met een bruto vloeroppervlakte van 19.000 m2, een verkeersgeneratie van 4,05 bewegingen per 100 m2 en een vermenigvuldigingsfactor van 1,33). Toekomstige situatie Voor de toekomstige situatie wordt, net zoals in de rapportage over parkeren van Goudappel (zie verder 4.2.2), uitgegaan van een (iets) lager dan gemiddelde verkeersgeneratie voor een locatie in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘zeer sterk stedelijk’ gebied.

Op basis hiervan genereert de beoogde woonfunctie in het plangebied circa 1.440 verkeersbewegingen per werkdag (uitgaande van 206 dure en 89 middeldure/goedkope huurappartementen, met verkeersgeneraties van respectievelijk 5 en 3 bewegingen per woning en een vermenigvuldigingsfactor van 1,11). Per saldo leidt de voorgenomen ontwikkeling daarmee naar verwachting tot circa 416 extra verkeersbewegingen per werkdag. Omliggend verkeersnetwerk De woongebouwen worden ontsloten via de Nieuwe Havenstraat en de Johan Zocherstraat. Deze ontsluitingswegen kennen in de huidige situatie een dusdanig lage intensiteit dat de extra verkeersbewegingen hier zonder meer kunnen worden opgevangen, waarbij mede van belang is dat de verkeersbewegingen zich over beide wegen verdelen. Beide wegen kunnen worden beschouwd als erftoegangsweg, waarvoor Goudappel een maximale intensiteit van 3.500 motorvoertuigen c.q. verkeersbewegingen per etmaal aanhoudt. De invalsweg voor deze twee ontsluitingswegen is de Oosteinde/Oude Trambaan. Deze weg maakt onderdeel uit van de primaire verkeersstructuur van de gemeente Leidschendam - Voorburg en kan daarom als gebiedsontsluitingsweg worden aangemerkt.

Voor de Oosteinde/Oude Trambaan geldt een maximumsnelheid van 50 km/u en uit de rekentool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) volgt dat de huidige verkeersintensiteit op deze weg circa 8.500 verkeersbewegingen bedraagt (ruim 4.000 in oostelijke en iets minder dan 4.500 in westelijke richting). Aangenomen wordt dat de 416 verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zich ongeveer fifty-fifty over beide (rij)richtingen verdelen, wat voor beide richtingen een relatief beperkte verkeerstoename van circa 5% inhoudt. Gelet op het profiel van de Oosteinde/Oude Trambaan kan deze weg worden getypeerd als een gebiedsontsluitingsweg met aanliggend fietspad, waarvoor Goudappel een maximale intensiteit van 15.000 motorvoertuigen c.q. verkeersbewegingen per etmaal aanhoudt. Inclusief de voorgenomen ontwikkeling wordt de

versie 08_001 | 24 maart 2023

56

verwachte intensiteit op de Oosteinde/Oude Trambaan circa 9.000 verkeersbewegingen, waarmee nog ruimschoots binnen de maximale capaciteit wordt gebleven (ook wanneer niet gesaldeerd wordt met de huidige situatie). Tot slot is aanvullend nog van belang dat in de huidige situatie, voor zover bekend, op de genoemde wegen geen sprake is van een capaciteitsprobleem. Vanwege het voorgaande wordt daarom gesteld dat de ontsluitingswegen en invalsweg voldoende capaciteit hebben om de bestaande verkeersbewegingen en ruim 400 extra bewegingen te verwerken. 4.2.2 Parkeren Door adviesbureau Goudappel is bepaald hoeveel parkeerplaatsen bij de ontwikkeling van de woningen gerealiseerd moeten worden. Dit met de inzet van een goed en duurzaam mobiliteitsaanbod, waarbij de bereikbaarheid gewaarborgd blijft, de ambitie op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit verwezenlijkt wordt en geen afwenteling plaatsvindt op de omgeving. In de toekomst zou de omgeving mogelijk kunnen aansluiten bij het deelmobiliteitsconcept van de ontwikkeling. In plaats van overlast te ondervinden, kan de omgeving dan juist de vruchten plukken van deze deelmobiliteitsoplossing. De ontwikkeling bestaat uit 295 appartementen (geen grondgebonden woningen) die in de huursector worden aangeboden. De appartementen zijn compact en hebben een beperkt aantal slaapkamers.

Onder de geplande woonblokken worden op de begane grond parkeerplaatsen gerealiseerd die bestemd zijn voor de bewoners en bezoekers van de bovengelegen woonblokken. Door het realiseren van een laagdrempelig systeem (bijvoorbeeld voor bewoners met een pasje of kentekenherkenning en voor de bezoekers via de intercom of ook kentekenherkenning) voor het toegang verlenen in de garage voor zowel bewoners als de bezoekers in combinatie met korte en droge looproutes naar de opgangen maakt dat deze plekken aantrekkelijker zijn om de auto te parkeren dan de parkeerplekken op maaiveld. Het streven is om in de openbare ruimte zo min mogelijk parkeerplaatsen te realiseren, zodat er zoveel mogelijk ruimte beschikbaar blijft voor groen. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeren is verwoord in de Nota Parkeernormen (zie ook paragraaf 3.3.7). Uit de rapportage van Goudappel blijkt dat op basis van de gemeentelijke parkeernormen er op het maatgevende moment 402 parkeerplaatsen benodigd zijn. Vanwege de specifieke eigenschappen van Damsigt heeft Goudappel beargumenteerd dat het hanteren van de gemiddelde parkeerkencijfers voor Damsigt leidt tot een overschatting van de parkeervraag en niet aansluit bij het woningtype en de ambities voor een duurzame en groene omgeving.

Het gemeentelijke beleid biedt de mogelijkheid om binnen de bandbreedte uit te gaan van andere parkeerkencijfers dan het standaard gemiddelde parkeerkencijfer om de parkeervraag te berekenen.

versie 08_001 | 24 maart 2023

57

Zo heeft het type huishouden veel invloed op het autobezit, waarmee het zeer relevant is voor de verwachte parkeervraag. Door te werken met de gegevens van het autobezit per type huishouden is het mogelijk om de parkeervraag van de nieuwe woningen zo reëel mogelijk te bepalen met als resultaat een gebalanceerde totale parkeervoorziening van de juiste omvang. Om in een deel van de automobiliteitsbehoefte van bewoners te voorzien en mee te gaan met de huidige wens van voornamelijk starters op de woningmarkt is de initiatiefnemer voornemens om deelauto’s bij de ontwikkeling te stallen. Autodelen is het principe dat meerdere mensen gebruik maken van dezelfde auto. Het voordeel van autodelen is dat bewoners wel gebruik kunnen maken van een auto, maar deze niet hoeven te bezitten. Uitgaande van dubbelgebruik, een parkeernorm welke valt tussen minimale en gemiddelde parkeernorm van de gemeente en gebruik van deelauto’s hoeven er naast de in totaal 268 parkeerplaatsen in de parkeergarages op het maaiveld nog maar 58 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden om te voorzien in de gehele parkeerbehoefte van de ontwikkeling (inclusief compensatie van 19 parkeerplaatsen voor de Sijtwendeflats). In totaal worden daarmee 326 parkeerplaatsen gerealiseerd, 268 op eigen terrein en 58 in de openbare ruimte (39 ten behoeve van de ontwikkeling plus 19 als compensatie).

Kortom: Voor het bouwplan is op basis van het woningtype en met de inzet van deelmobiliteit een zo realistisch mogelijke parkeerbehoefte berekend. Een belangrijk uitgangspunt van het gemeentelijk parkeerbeleid is daarbij dat er geen overlast mag ontstaan voor de omgeving. Om dit te waarborgen is in het bouwplan tevens ruimte gereserveerd om op maaiveld nog extra parkeerplaatsen te realiseren. Als in praktijk toch overlast ontstaat door een tekort aan parkeerplaatsen, kan deze extra ruimte ingezet worden voor een uitbreiding van de parkeercapaciteit. Opgemerkt wordt dat dit de laatst mogelijke optie is als andere oplossingen niet het gewenste effect hebben. Als eerste kan bijvoorbeeld overwogen worden om het gebruik van deelauto’s extra te promoten of de tarieven te verlagen. Op basis van het voorgaande heeft het college van burgemeester en wethouders op 12 juli 2022 besloten om op basis van de Nota Parkeerbeleid 2021 (zie ook paragraaf 3.3.6), vooruitlopend op herziening van de Nota Parkeernormen die wordt voorzien, in te stemmen met toepassing van een reductie op de opgelegde parkeernorm door inzet van deelauto’s op voorwaarde van een monitoringsplan en daarmee af te wijken van de vigerende Nota Parkeernormen uit 2012. De volledige rapportage van Goudappel maakt als bijlage II onderdeel uit van deze toelichting.

4.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor het onderhavige bestemmingsplan.

versie 08_001 | 24 maart 2023

58

4.3

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen onderzoek inzake luchtkwaliteit hoeft te worden uitgevoerd en dat in dit geval het plan doorgang kan vinden. Het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is in artikel 5 een zogenaamde anticumulatiebepaling opgenomen. Hiermee wordt de verplichting opgelegd om nieuwe plannen die van dezelfde ontsluitingswegen gebruikmaken en individueel als NIBM aan te merken zijn, ook als één geheel te beschouwen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot plan met een grote invloed op de luchtkwaliteit opgedeeld wordt in kleinere deelplannen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen. 4.3.1 Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn een aantal activiteiten opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Hieronder vallen woningbouwlocaties die, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woongebouw met 295 wooneenheden. Hiermee blijft het initiatief ruimschoots onder de grens voor niet in betekenende mate. Daar komt nog bij dat het initiatief naar verwachting een relatief beperkt aantal van circa 416 extra verkeersbewegingen per werkdag tot gevolg heeft (zie verder paragraaf 4.2.1), waarbij het aandeel vrachtverkeer 0% is. Deze gegevens zijn ingevoerd in de NIBM-tool van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2023

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

416

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m

3

0,24

PM10 in μg/m

3

0,06

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.1 Uitkomst NIBM-tool.

versie 08_001 | 24 maart 2023

59

Op grond van het voorgaande valt geen negatief effect op de luchtkwaliteit c.q. een toename van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) ter plaatse te verwachten. Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in het plangebied, in relatie tot de geldende grenswaarden. Via de dichtst bij het plangebied gelegen rekenpunten op de kaart van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn hierover de volgende data verkregen: - De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) neemt naar verwachting af van circa 20 µg/m3 in 2020 naar circa 14,5 µg/m3 in 2030. - De jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) neemt naar verwachting af van circa 17 µg/m3 in 2020 naar circa 15 µg/m3 in 2030. - De jaargemiddelde concentratie zeer fijnstof (PM2,5) neemt naar verwachting af van circa 9 µg/m3 in 2020 naar circa 7,5 µg/m3 in 2030. Voor stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijnstof zijn voor het jaargemiddelde respectievelijk de volgende grenswaarden van toepassing: 40 μg/m3 (NO2), 40 μg/m3 (PM10) en 25 μg/m3 (PM2,5). Aan deze grenswaarden wordt in het plangebied voldaan. 4.3.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan het NIBM-criterium, geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige bestemmingsplan.

versie 08_001 | 24 maart 2023

60

4.4

Geluid

Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet geluidgevoelige bestemmingen, zoals wonen, zorg en onderwijs. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan: - bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen een zone; - bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe gezoneerde (spoor) wegen (niet zijnde rijkswegen of hoofdspoorwegen vallend onder de Wet milieubeheer); - reconstructie van gezoneerde wegen (niet zijnde rijkswegen); - bestemmen van gronden voor gezoneerde industrieterreinen; - wijzigen van de grenzen van gezoneerde industrieterreinen of bijbehorende zones. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=d9bdd5ec-8616-40ce-b5cf-c744bf78be52