CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2851 GRO - a04. rapport 19316 versie 2.2_Ruimtelijke onderbouwing Herentuyn Voorburg

Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Herentuyn Voorburg (2851).32.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Impressie Vlietstraat 6 nieuwe situatie (Bron: rphs+, 12 april 2021).

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 51

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Voor wat betreft archeologie vindt na de sloop van de panden nog nader onderzoek plaats en wordt op dit moment een PvE opgesteld in overleg met de gemeentelijk archeoloog.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Centrum’, ‘Maatschappelijk’, ‘Nutsvoorziening’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen’, ‘Centrum’ en ‘Maatschappelijk’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van gemengd gebied. Vanwege het gemengde karakter zijn op de locaties met een bedrijfsbestemming bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Tot deze milieucategorie behoren bedrijven die gelet op hun aard en invloed op de omgeving toelaatbaar zijn tussen of onmiddellijk naast woonbebouwing

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 52

binnen een gemengd gebied. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd met een milieucategorie hoger dan 2. Met het nieuwbouwplan wordt de supermarkt verplaatst en de maatschappelijke functie van gemeentehuis vervangen door woningbouw. Op dit moment zijn er reeds al woningen boven de panden gelegen aan de Herenstraat. De nieuwe functies zijn derhalve goed mogelijk naast elkaar en belemmeren elkaar niet. Wel moet voldaan worden aan de eisen van het Activiteitenbesluit voor wat betreft de supermarkt en de nieuw te realiseren bovenwoningen. Hier wordt nader op ingegaan in de paragraaf geluid.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEZONNING Algemeen Er zijn geen wettelijke vastgestelde eisen voor de bezonning van openbare ruimten, woningen en dergelijke. In het Bouwbesluit zijn wel eisen opgenomen ten aanzien van het benodigde equivalente daglichtoppervlak. Hierbij wordt echter beoogd de toetreding van daglicht (en niet van direct zonlicht) te reguleren. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de invloed van belemmeringen en dergelijke welke zijn gelegen op andere percelen. De commissie woningwaardering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hanteert een beoordelingssysteem wat in grote lijnen neerkomt op:  De bezonning in een vertrek is als ‘matig’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren.  De bezonning in een vertrek is als ‘goed’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren. Voor zover van toepassing is voor deze periode van 11 maanden uitgegaan van de dagen tussen 5 januari en 5 december. Het is mogelijk dat gemeenten hieraan gerelateerde normen hanteren. In de gemeente Den Haag wordt bijvoorbeeld bij de beoordeling van de bestemming- en bouwplannen veelal gebruik gemaakt van een vergelijkbare norm.

Hierbij wordt uitgegaan van het criterium van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag voor de gevels van woningen gedurende de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (op 0.75 meter boven de vloer van de laagst gelegen verdieping van de woonfunctie). Hierbij is het toegestaan de bezonningsuren van de voor- en achtergevels bij elkaar op te tellen. De uren dat de zon minder dan 10° boven de horizon staat mogen hierbij niet worden meegerekend. Daarnaast geldt dat het aantal mogelijke bezonningsuren ten gevolge van de nieuwe bebouwing met maximaal de helft af mag nemen.

Relatie tot ontwikkeling In voorliggend plan wordt het bestaande kantoorgebouw en supermarkt gesloopt en vindt nieuwbouw plaats in de vorm van opnieuw een supermarkt en woningbouw. De bebouwing overschrijdt het huidige bouwvlak en gebouw qua hoogte en breedte. Dit kan gevolgen hebben voor het aantal bezonningsuren van de achterliggende woningen aan de Rozenboomlaan en Parkweg. In dit kader is door RPHS een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 5). Hieruit blijkt dat, gezien de ligging van de omliggende woningen en terrassen en de stand van de zon, ten opzichte van de huidige situatie er geen sprake is van een significante verslechtering van het aantal zonuren bij woningen in de omgeving.

Conclusie Bezonning vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het nieuwbouwplan.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 53

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De gemeente Leidschendam - Voorburg heeft in 2013 de Nota bodembeheer vastgesteld waarin de regels ten aanzien van het toepassen van grond en baggerspecie te vinden zijn. De gemeente is het bevoegd gezag voor het toepassen van grond op of in de landbodem. Het wettelijk kader vormt hiervoor het Besluit bodemkwaliteit. In de Nota bodembeheer zijn middels diverse kaarten over onder andere de huidige bodemklasse, bodemkwaliteit en toepassing aangegeven. Figuur 24. Uitsnede bodemfunctieklassenkaart Nota bodembeheer.

Op de functieklassenkaart is af te lezen dat de planlocatie onder de bodemfunctieklasse Wonen valt. De toe te passen grond moet hier minimaal de kwaliteitsklasse Wonen hebben. Figuur 25. Uitsnede bodemkwaliteitskaart Nota bodembeheer.

Op de bodemkwaliteitskaart is af te lezen dat het plangebied valt binnen zone 1. Dit betekent dat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodem hier gelijk is aan de klasse Industrie. Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 54

De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Herenstraat 40 en 42 en Raadhuisstraat 47A Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau IDDS voor Herenstraat 42-52 te Voorburg. De rapportage d.d. 23 januari 2019 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Resultaten en conclusies onderzoek Gelijktijdig met het archeologisch booronderzoek is de opgeboorde grond milieuhygiënisch beoordeeld op eventuele afwijkingen welke kunnen duiden op een verontreiniging van de bodem. Door integrale expertise van IDDS bij ruimtelijke ontwikkelingen is een notitie inzake de milieuhygiënische bodemkwaliteit opgesteld. In de notitie wordt aangegeven dat bekend is dat ter plaatse van de herontwikkelingslocatie in de bodem sprake is van een sterke verontreiniging met minerale olie. De verontreiniging maakt deel uit van een grotere verontreinigingsvlek en betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wbb. De boring ter plaatse van de verontreinigingsvlek is afgewerkt met een peilbuis.

De boorstaten, waarin de bevindingen van de milieu hygiënische beoordeling zijn verwerkt, zijn als bijlage bijgevoegd in de notitie. Op basis van de boorstaten blijkt dat aan de grond ter plaatse van de bekende verontreinigingsvlek (boorpunt 7) minerale olie is waar te nemen in de bodemlaag van circa 1,5 m-mv (niveau grondwaterspiegel) tot een diepte van circa 2,5 m-mv. Boven en onder voornoemde bodemlaag is geen minerale olie waargenomen. De sterkste waarnemingen zijn gedaan ter hoogte van de grondwaterspiegel in de bodemlaag van 1,5-2,0 m-mv. Ter plaatse van de overige boringen, buiten de bekende verontreinigingsvlek, zijn geen aan minerale olie te relateren afwijkingen waargenomen. Wel kan plaatselijk sprake zijn van bodemvreemde bijmengingen. In de opgeboorde grond zijn aardewerk en baksteen (boring 04) en metselpuin (boring 07 boven olieverontreiniging) aangetroffen. In het kader van de herontwikkeling zal een bodemsanering prioritair worden. Ter voorbereiding op een saneringsoperatie wordt geadviseerd een saneringsonderzoek en saneringsplan op te stellen welke aansluit op de voorgenomen ontwikkeling, zijnde de realisatie van nieuwbouw met een ondergrondse parkeergarage. In het kader van de grondaankoop zijn de saneringskosten inzichtelijk gemaakt en vormen een onderdeel van de koop-aanneemovereenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar.

Herenstraat 42 In opdracht van de gemeente heeft Milieu adviesbureau Adverbo in april 2020 een nader en actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Herenstraat 42 te Voorburg en de omgeving hiervan. De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen sloop van het voormalig gemeentehuis en de voorgenomen bouw van een supermarkt met parkeerkelder en bovenwoningen. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt:  In de bodem zijn enkele bodemvreemde bijmengingen in de vorm van metselpuin, plastic en/of bakstenen aangetroffen. De mate van bijmenging varieert van sporen tot sterk. Ook zijn zintuiglijke waarnemingen in de vorm van een zwakke tot matige brandstofgeur en/of een zwak tot matige olie/water-reactie waargenomen.  Uit de getoetste analyseresultaten blijkt dat contour van de verontreiniging in grond grotendeels overeenkomt met de verontreinigingscontour zoals vastgesteld in de jaren ’90 van de vorige eeuw. Enkel ter plaatse van boring 03 is gedurende onderhavig onderzoek ook een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten. Plaatselijk zijn ook licht verhoogde gehalten aan PAK en/of vluchtige aromaten gemeten. Daarnaast zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 55

 

  

De sterk verhoogde gehalten aan minerale olie komen over het algemeen tot een diepte van circa 2,2m -mv. voor. In mengmonster MMOG_03 (boringen 05, 08, 09 en 12) is op een diepte van 2,2 tot 3,0m -mv. ten hoogste een licht verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten. Ter plaatse van de kern van de verontreiniging (mengmonster MMOG_05; boring 16 en boring 17) is het sterk verhoogde gehalte aan minerale olie tot een diepte van 3,5 m-mv. gemeten. De sterk verhoogde gehalten komen over een oppervlakte van 850 m2 voor. Het volume van de sterke verontreiniging met minerale olie wordt derhalve ingeschat op 1.870 m3. De gemeten gehalten aan minerale olie tonen een geringe afname ten opzichte van de gedurende voorgaande onderzoeken gemeten gehalten. Daar waar in 1993 nog gehalten van maximaal 21.000 mg/kg werden gemeten, zijn gedurende voorliggend onderzoek gehalten minerale olie van ten hoogste 13.000 mg/kg aangetoond. De sterk metselpuin- en baksteenhoudende grond buiten de verontreinigingscontour wordt op basis van de indicatieve toetsing aan het Bbk ingedeeld in de klasse ‘Wonen’. De zintuiglijk schone ondergrond buiten de verontreinigingscontour wordt op basis van de indicatieve toetsing aan de Bbk ingedeeld in de klasse ‘Altijd Toepasbaar’. Deze resultaten voldoen aan de klasse welke op basis van de Bodemkwaliteitskaart verwacht worden.

In het grondwater zijn enkel matig tot sterk verhoogde concentraties aan minerale olie binnen de verontreinigingscontour gemeten. Buiten de contour zijn in het grondwater ten hoogste licht verhoogde concentraties aan vluchtige aromaten gemeten. De omvang van de sterk verhoogde concentraties aan minerale olie in grondwater is overeenkomstig met de contour van sterk verhoogde gehalten aan minerale olie in grond. Ingeschat wordt dat het sterk met minerale olie verontreinigde grondwater in een volume van 1.870 m3 voorkomt. In de metselpuin- en baksteenhoudende zandlaag (0,00 - 1,00m -mv.) is analytisch geen asbest aangetoond. De vrijkomende grond kan op basis van PFAS en GenX worden toegepast/hergebruikt op landbodem, boven grondwaterniveau, waarop de functieklasse landbouw/natuur van toepassing is. Het gehalte nitraat is vooralsnog te laag voor gestimuleerde biologische afbraak van de verontreiniging met minerale olie. Wel blijkt in de bodem voldoende fosfaat aanwezig te zijn. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging aan olie in de grond en in het grondwater. Aangezien nagenoeg de gehele verontreiniging is afgedekt met een betonvloer ter plaatse van het gemeentehuis en betonvloeren van naastgelegen panden is geen sprake van een humaan risico.

Gedurende de diverse onderzoeken is geen (significante) verspreiding van de verontreiniging in het grondwater waargenomen. Daarom wordt voor de huidige situatie ook geen verspreidingsrisico verwacht. Bij herontwikkeling van het voormalige gemeentehuis is sanering van de olieverontreiniging in de grond en het grondwater noodzakelijk en zal ook aandacht besteed moeten worden aan de olieverontreiniging naast de nieuwbouw.

De verontreiniging is door IDDS (2019) en Adverbo (2020) in kaart gebracht. Het volume sterk verontreinigde grond en grondwater wordt respectievelijk op 1.780 m3 en 1870 m3 geschat. Bij de herontwikkeling dient rekening te worden gehouden met het saneren van de verontreiniging. In juni 2021 is vanwege een geval van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie door Groundwater Technology het ‘Saneringsplan voormalig gemeentehuis Herenstraat 42 te Voorburg’ opgesteld. Doel van de sanering is het geschikt maken van deze locatie (Herenstraat 42) voor nieuwbouw en het vaststellen van een stabiele eindsituatie voor de percelen Herenstraat 24 t/m 38 en Sionsstraat 1 t/m 19. De sanering zal als volgt plaats (moeten) vinden:  Ter plaatse van het perceel Herenstraat 42 zal de verontreiniging door middel van ontgraving worden verwijderd. De verontreinigingen zullen tot beneden de tussenwaarde worden gesaneerd. Na uitvoering van de sanering zal er geen noemenswaardige restverontreiniging achterblijven.  Ter plaatse van de percelen Herenstraat 24 t/m 38 en Sionsstraat 1 t/m 9 zal de grondwaterverontreiniging middels een in-situ-variant worden gesaneerd. Als terugsaneerwaarde zal de interventiewaarde worden gehanteerd en zo mogelijk de tussenwaarde. Aangezien er op deze

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 56

percelen geen grond wordt ontgraven, zal er zeer waarschijnlijk een sterke restverontreiniging met minerale olie achterblijven. Aangetoond zal moeten worden dat deze restverontreiniging stabiel is. Het ter zake bevoegd gezag, de Omgevingsdienst Haaglanden, heeft op 8 november 2021 met dit saneringsplan ingestemd op voorwaarde dat dient te worden aangetoond dat er na sanering sprake is van een stabiele eindsituatie. Herenstraat achter nr. 50-54 en Vlietstraat IDDS heeft in april 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de huidige Hoogvliet locatie. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld:  In de grond is sprake van bodemvreemde bijmengingen. Het betreffen zwakke tot sterke bijmengingen met baksteen en zwakke tot matige bijmengingen met metselpuin. De bijmengingen zijn vanaf het maaiveld tot een diepte van 2,3 m-mv aangetroffen.  Ter plaatse van boring 04 is een zwak slibhoudende zandlaag aangetroffen op het traject 1,0 – 1,5 m-mv. Betreffende laag is licht verontreinigd met enkele zware metalen.  Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.  De grond met bijmengingen is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, PAK en PCB. Ter plaatse van boring 01 is een sterke verontreiniging met lood aangetoond. Het betreft een incidentele gemeten verhoging.

 In de zintuiglijk schone grond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond met de onderzochte parameters.  In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond met de onderzochte parameters. Doordat een incidentele sterke verhoging met lood is aangetoond, is het niet aannemelijk dat er zich in de bodem van de onderzoekslocatie een aaneengesloten bodemvolume van meer den 25 m3 bevindt, waarin lood gemiddeld de betreffende interventiewaarde overschrijdt. Er is volgens IDDS derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Middels onderhavig onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater in afdoende mate vastgelegd. In de grond komen enkele verhoogde parameters voor. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen voorzien met betrekking tot de voorgenomen herontwikkeling. Aanbeveling Geadviseerd wordt om een tweeledig werkplan op te stellen. Met betreffend plan dient de spot met lood te worden verwijderd en kan tevens een keuringsstrategie worden bedacht op basis van het Besluit Bodemkwaliteit ten behoeve van de, bij de bouw van de parkeerkelder, vrijkomende grond. In deze keuring zal tevens onderzoek naar asbest en PFAS plaatsvinden.

Aanvullende onderzoeken, zoals deze keuring, kunnen enkel uitgevoerd worden na verwijdering van de huidige opstallen en maaiveldverhardingen. Aan de volgende voorwaarden moet voldaan worden:  Ter plaatse van de Hoogvliet is tijdens het verkennend onderzoek van april 2021 door IDDS bij boring 01 een sterk verhoogd gehalte aan lood in de grond aangetroffen. Na sloop van de bebouwing moet de grond nader op lood onderzocht worden.  Ter plaatse van de Hoogvliet is tijdens het verkennend onderzoek van april 2021 door IDDS bij boring 13 puin aangetroffen. Aangezien de kwaliteit van dit puin onbekend is, is hergebruik daarvan op de locatie van het bouwplan niet toegestaan.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is duidelijk geworden dat de gronden gesaneerd moeten worden in verband met de voorgenomen ontwikkeling. Hiervoor zijn de kosten inzichtelijk gemaakt en maken onderdeel uit van de overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar. Hierdoor is de financiële haalbaarheid van de sanering en het project gewaarborgd. Na sanering is de grond geschikt voor de gewenste functies wonen en detailhandel.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 57

DUURZAAMHEID Algemeen Rijksbeleid Het duurzame beleid van de Nederlandse overheid is vastgesteld in onder andere de Energieagenda (2016). Het doel van deze agenda is om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 te bewerkstelligen. In het Klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Dat vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050. Elektriciteit wordt dan duurzaam opgewekt, gebouwen worden voornamelijk verwarmd door aardwarmte en elektriciteit, bedrijven hebben hun productieprocessen aangepast, er wordt niet langer op aardgas gekookt en er rijden vrijwel alleen maar elektrische auto’s. Tot 2020 neemt de CO2-uitstoot fors af. Doorzetten van het huidige beleid is na 2020 echter onvoldoende om een geleidelijke transitie mogelijk te maken. Zonder aanvullend beleid zal de CO2-uitstoot zelfs weer kunnen toenemen. Voor de bestaande woningvoorraad betekent een geleidelijke transitie dat jaarlijks 170.000 woningen aangepast dienen te worden. Voor de nieuwbouw van woningen bepaalt de Europese EPBDrichtlijn de ambitie om tot bijna energie-neutrale gebouwen te komen.

Vanaf 2021 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan overeenkomstige wettelijke vereisten. Nieuwe woningen moeten worden voorzien van warmtepompen, zonnecollectoren en extra isolatie en eisen worden gesteld aan de maximum vervuiling van auto’s.

Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 3.4.5, 3.4.6 en 3.4.7 is het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg reeds aan de orde gekomen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden de volgende duurzaamheidsmaatregelen getroffen: Hittestress Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mensen. Het type oppervlak en de aanwezigheid van schaduw zijn bepalend voor de mate van hittestress. Aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl aanwezigheid van groen en water deze verlaagt. Het plangebied maakt onderdeel uit van het centrumgebied van Voorburg en kent een hoge bebouwingsdichtheid. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied warmer en aanzienlijk warmer is aangeduid. Figuur 26. Uitsnede hittestresskaart (bron: lv.klimaatatlas.net)

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 58

Daarnaast is in de omgeving weinig groen aanwezig en weinig bomen. Enkel de huidige binnenplaats van het voormalige gemeentehuis is groen ingericht en rondom het plangebied zijn enkele bomen aanwezig in de Raadhuisstraat. Figuur 27. Uitsnede bomenkaart (bron: lv.klimaatatlas.net).

Om hittestress tegen te gaan wordt in voorliggend plan veel groen toegevoegd, niet alleen op maaiveld, maar juist ook op de daken en tegen de gevels. Ook is er groen toegepast in het openbaar gebied aan de Raadhuisstraat en is er groen toegepast op de gevels binnen het plangebied. Het toevoegen van extra groen zorgt voor een vertraging van de afvoer van water en draagt daardoor bij aan klimaatadaptie. Naast deze maatregelen worden de wettelijk verplichte duurzaamheidsmaatregelen ten aanzien van bouwen toegepast.

Conclusie Met de realisatie van voorliggend plan wordt een bijdrage geleverd aan de verduurzaming van het centrumgebied in Voorburg, met name op het gebied van het tegengaan van hittestress en klimaatadaptie door het toevoegen van veel groen, zowel in de (semi)openbare ruimte als aan en op de gebouwen.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 59

moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.

Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 28. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).

In de omgeving van het plangebied zijn de volgende potentiële risicobronnen gelegen:  verschillende hogedruk gasleidingen ten zuiden van de A12;  vervoer van gevaarlijke stoffen over de A4 en A12.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 60

Gasleidingen Ten zuiden van de A12 zijn verschillende hogedruk gasleidingen van de Gasunie aanwezig. Het maximale invloedsgebied van deze leidingen bedraagt 380 meter. Aangezien het plangebied op meer dan 500 meter tot de buisleidingen in gelegen, vormt de aanwezigheid van de buisleidingen geen risico voor onderhavige ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen Zowel de A4 als de A12 maken onderdeel van het Basisnet weg. De aard en de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze wegen is vastgelegd in de Regeling basisnet. Ondanks de afstand van het plangebied tot beide wegen aanzienlijk, kan het invloedsgebied tot over het plangebied reiken. Ten aanzien hiervan het volgende: A4 Over deze weg vindt conform de Regeling basisnet vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de A4 van LPG (355 meter) strekt niet tot aan het plangebied, aangezien deze op ca. 880 meter ligt. Daarmee is een noemenswaardige invloed van deze LPG uit te sluiten. Wel ligt het plangebied in het effectgebied van een ongeval met toxische stoffen (LT3) op de A4. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van andere stofcategorieën dan toxische vloeistoffen. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR-contour van de A4 en/of een plasbrandaandachtsgebied. A12 Over deze weg vindt conform de Regeling basisnet vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Het invloedsgebied voor het groepsrisico van de weg bedraagt ter hoogte van het plangebied maximaal 355 meter (stofcategorie GF3-brandbaar gas). Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen de PR-contour van de A4 en/of een plasbrandaandachtsgebied. Toekomstige situatie In de nieuwe situatie veranderd de samenstelling van de populatie. In de huidige situatie zijn een kantoor en een supermarkt aanwezig binnen het plangebied. In de toekomstige situatie worden een supermarkt en 35 extra woningen gerealiseerd binnen het plangebied. Er vindt een verschuiving plaats van mensen binnen het plangebied die voornamelijk overdag aanwezig zijn, naar een situatie waar ook in de nachtperiode mensen aanwezig zijn. Aangezien het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een toxische stof (LT3) op de A4 is een verantwoording van het groepsrisico benodigd. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. In deze paragraaf zijn alle elementen beschouwd. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd:  algemene beschouwing veiligheidssituatie;  zelfredzaamheid;  bestrijdbaarheid.

Ten aanzien van de hoogte van het groepsrisico kan gesteld worden dat deze bepaald wordt door de hoeveelheid vervoersbewegingen van de stofcategorie GF3-brandbaar gas. Aangezien het plangebied ruim buiten het invloedsgebied van deze stof is gelegen en gelet op de geringe omvang van het bouwplan, kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling geen effect heeft op de hoogte van het groepsrisico. Algemene beschrijving veiligheidssituatie Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 61

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met bewoners, werknemers (met name BHV’ers) en andere aanwezigen (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Door aanwezigen binnen de verschillende ontwikkelingslocaties periodiek alert te maken op de risico's, gevolgen en effecten van een incident met gevaarlijke stoffen kan de slagvaardigheid tijdens een calamiteit vergroot worden. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid Aangenomen mag worden dat de toekomstige bewoners van de appartementen zelfredzaam zijn. Wanneer er sprake is van een calamiteit met toxische stoffen op de snelweg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt; (nieuwe) gebouwen en woningen worden beschouwd als geschikte schuillocaties. Van belang daarbij is dat in dat geval de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie afgesloten kan worden.

Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De mate waarin uitvoering aan een aanvalsstrategie kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Aangenomen wordt dat de calamiteitenplannen van o.a. de brandweer voorzien in een effectieve bestrijding van een toxisch ongevalscenario. Binnen het plangebied zijn geen maatregelen mogelijk om de bestrijding te verbeteren.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte munitie niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Indien nodig gevolgd door een nader onderzoek, indien nodig gevolgd door opsporing van ontplofbare oorlogsresten of andere passende maatregelen.

Relatie tot ontwikkeling De gemeente heeft in de periode 2013-2015 op basis van dossiers over WO-2 een kaart gemaakt met daarop aangegeven de oorlogshandelingen, bomkraters, loopgraven, stellingen, etc. Tevens heeft adviesbureau AVG in september 2015 conform de landelijke norm een explosievenonderzoek uitgevoerd. Op onderstaand figuur is de feitenkaart te zien.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 62

Figuur 29. Uitsnede feitenkaart AVH.

Feitenkaart, opgesteld door AVH in maart 2015 S = Schuilplaats V = vernielde infra De kans dat in de bodem ter plaatse van het plangebied niet gesprongen conventionele explosieven aanwezig zijn is gering, hoogstens klein kaliber.

Conclusie Er worden geen ontplofbare oorlogsresten verwacht in het projectgebied. Uitvoering van het project kan daarom op een reguliere wijze gedaan worden, zonder aanvullende beheersmaatregelen op het gebied van explosieven.

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling Volgens de Wet geluidhinder (artikel 74, lid 1) bevindt zich aan weerszijden van elke weg, vanaf de wegas, een geluidszone. De zonebreedte is afhankelijk van de aard van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Er gelden geen zones langs wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 63

gebied en langs wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Binnen het plangebied gelden de volgende wettelijke geluidzones: Tabel 3. Zonebreedte in meters aan weerszijden van de verschillende wegranden in de nabije omgeving van het plangebied.

Wegnaam

Aantal rijstroken

Zonebreedte

Parkweg

2

200 meter

Westvlietweg

2

200 meter

Rijkswegen A12 en A4

3 of meer

600 meter

De projectlocatie zowel binnen de geluidzone van de A12, A4, de Westvlietweg en de Parkweg. Daarnaast ligt de locatie binnen de geluidszone (600 meter) van het spoor. In het kader van milieuzonering en indirecte hinder is tevens getoetst wat de geluidsbelasting is op de nieuw te realiseren woningen en bestaande woningen door toedoen van bedrijfsmatige activiteiten (installaties bij supermarkt en transportbewegingen en parkeergarage). M+P heeft in april 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de verschillende vormen van geluid. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de 30 km/uur wegen meegenomen. Het rapport is als bijlage 6 terug te vinden, de conclusies worden hieronder integraal weergegeven per geluidsaspect. Railverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege het spoor maximaal 52 dB bedraagt. Deze waarde voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Wegverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege Parkweg en Westvlietweg maximaal 39 dB bedraagt, na aftrek conform artikel art. 110g Wet geluidshinder (Wgh). Deze waarde is lager dan de voorkeursgrenswaarde en is daarmee niet relevant. De 30 km/h in het Huygenskwartier: Raadhuisstraat, Herenstraat, Vlietstraat en Sionstraat zijn beschouwd in het kader van goede ruimtelijke ordening.

Uit de berekeningen blijkt dat de maximale geluidsbelasting 54 dB na aftrek bedraagt vanwege Raadhuisstraat en Herenstraat (dus niet de wandelgebieden Vlietstraat, Sionstraat en Herenstraat). Dit kan beschouwd worden als een verhoogde geluidsbelasting. Aangezien deze weg niet gezoneerd is leidt dit niet tot een hogere grenswaarde. De Rijkswegen hebben een berekende geluidsbelasting van maximaal 53 dB na aftrek. Dit betekent een overschrijding van 5 dB van de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Hogere waarden wegverkeerslawaai De geluidsbelasting afkomstig van de Rijkswegen A12 en A4 is hoger dan de voorkeursgrenswaarden en lager dan de maximale ontheffingswaarde die het wettelijke kader voor wegverkeerslawaai toestaat. Er dient een hogere waarde vastgesteld worden door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Leidschendam – Voorburg. Hiervoor is het van belang om onderzoek te doen naar bron- en overdrachtsmaatregelen. Geluidbeperkende maatregelen Zoals beschreven in het geluidbeleid van gemeente Leidschendam – Voorburg is het uitvoeren van bron- en overdrachtsmaatregelen veelal niet mogelijk in het stedelijk gebied. De volgende bronmaatregel is te overwegen:  De doorgaande 30 km/h weg: Raadhuisstraat en Herenstraat, rondom het project, zorgt voor een verhoogde geluidsbelasting.

Het betreft een wegverharding van klinkers in keperverband. De gemeente kan in overweging nemen om hier stille betonklinkers of street print aan te leggen. Daarmee kan 3-5 dB geluid worden gereduceerd.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 64

De overweging om ander bestratingsmateriaal aan te leggen in de Raadhuisstraat en Herenstraat is geen optie gezien de aanleg- en onderhoudskosten en stedenbouwkundig onwenselijkheid in het kader van ruimtelijke kwaliteit. Bovendien leidt de maatregel niet tot een dermate hoge verlaging en blijft de geluidshinder nog steeds boven de 48 dB. Geluidluwe gevel Als bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, moet bij een nieuwe geluidgevoelige bestemming minimaal 1 geluidluwe gevel aanwezig zijn. Iedere woning heeft een geluidsluwe zijde. Minimaal 1 slaapkamer per appartement situeert aan een geluidsluwe zijde. Bepalend zijn de rijkswegen. De woningen hebben veelal loggia’s met een terugliggende gevel ter plaatse van de slaapkamers. Dit is gunstig voor wat betreft de geluidsbelasting. Extra maatregelen om te voldoen aan het geluidsbeleid van de gemeente Voorburg zijn niet noodzakelijk. Er is getoetst aan het gemeentelijk beleid en geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan dit beleid (de gecumuleerde geluidsbelasting blijft onder de 61 dB, bron en overdrachtsmaatregelen zijn binnenstedelijk niet wenselijk en elke woning heeft minimaal 1 geluidsluwe gevel.

Supermarkt De belangrijkste geluidsbronnen binnen de inrichting zijn:  Goederenlevering per vrachtwagen inclusief laden en lossen;  Parkeren van personenwagens op het terrein van de inrichting, in de parkeergarage;  Gaskoeler / Condensor op het dak (deze staat 24 uur per dag aan);  Ventilatie van de parkeergarage (deze staat 24 uur per dag aan). Op basis hiervan zijn de geluidsberekeningen uitgevoerd. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de omliggende woningen bedraagt in respectievelijk de dag/avond/nachtperiode maximaal LAr,LT = 59/58/43 dB(A). Uit de berekeningsresultaten kan worden geconcludeerd dat er niet aan de geluidsvoorwaarden wordt voldoen uit het Activiteitenbesluit voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Dit geldt voor zowel rekenpunten op nieuwe woningen als bestaande woningen. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de geluidsbronnen bij de parkeergarage en van de supermarkt. Er moeten maatregelen getroffen worden om hier wel aan te kunnen voldoen. De maximaal optredende geluidsbelasting bij de omliggende woningen bedraagt voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode LA,max = 80/81/68 dB(A). Uit de berekeningsresultaten kan worden geconcludeerd dat er niet aan de geluidsvoorwaarden wordt voldoen uit het Activiteitenbesluit voor maximaal optredende geluidsbelasting.

Dit geldt voor zowel rekenpunten op nieuwe woningen als bestaande woningen. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de geluidsbronnen bij de parkeergarage en van de supermarkt. Er moeten maatregelen getroffen worden om hier wel aan te kunnen voldoen. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goed akoestisch woon – en leefklimaat kan het volgende worden gesteld:  volgens stap 1 uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering is akoestisch onderzoek noodzakelijk vanwege de woningen die binnen de richtafstand voor geluid liggen;  het akoestisch onderzoek is uitgevoerd. In dit gedeelte van het onderzoek worden de piekgeluiden ten gevolge van het laden en lossen juist wel meegenomen voor de geluidsberekeningen.in de dagperiode. Het gaat om een waarde van 1 dB. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 55 dB(A) wordt overschreden. Het maximaal optredende geluidsniveau van 70 dB(A) wordt overschreden. Stap 2 en 3 zijn niet toereikend. Er wordt niet voldaan aan de geluidsvoorwaarden van de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Er moeten maatregelen getroffen worden om hier wel aan te kunnen voldoen. Indirecte hinder Conform de circulaire “geluidshinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de wet milieubeheer” d.d.

29 februari 1996 is de geluidsbelasting berekend ten gevolge van het inrichtingsgebonden verkeer op de parkeergarage aan de Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 65

Raadhuisstraat. De hinder is berekend voor de situatie dat 50% van alle inrichtingsgebonden verkeer de weg in oostelijke richting gebruikt en 50 % in zuidelijke richting. Per richting is gerekend met de volgende aantallen voertuigbewegingen, berekend met CROW publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”:  dagperiode: 243 personenwagen  avondperiode: 35 personenwagen  nachtperiode: 11 personenwagens De indirecte hinder bedraagt bij de woningen maximaal 53 dB(A) (etmaalwaarde). De berekende waarden overschrijden de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde (LAetmaal = 50 dB(A)). Echter voldoet de berekende waarde wel aan de waarde genoemd in stap 3 (LAetmaal = 65 dB(A)) uit de VNG Handreiking . Beoordeling en maatregelen Omdat de geluidsbelasting niet voldoet aan de geluidsvoorwaarden van het Activiteitenbesluit en VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering zijn geluidsreducerende maatregelen nodig in het plan:  de geluidsbelasting afkomstig van de parkeergarage kan gereduceerd worden door absorberend materiaal toe te passen in het plafond bij de in- en uitrit van de parkeergarage;  de invloed van het geluid van de personenwagens uit de parkeergarage kan effectief worden beperkt door de ramen in de gevel direct boven de in- en uitrit als vaste ramen uit te voeren.

De slaapkamer van de betreffende woning boven de inrit krijgt een draairaam dat zo ver mogelijk van de parkeergarage is gelegen;  het bevoorraden van de supermarkt in de dag- en avondperiode zorgt voor knelpunten. Door het laden en lossen met vrachtwagen alleen overdag toe te staan zal de geluidsbelasting hiermee gereduceerd worden in de avondperiode. Zodoende adviseren we het laden en lossen te beperken tot 19:00 uur;  het knelpunt voor de dagperiode (bij de langtijdgemiddeld beoordeling) betreft het motorgeluid (gedurende 4x4 minuten per dag voor de vrachtwagens t.b.v. de verplaatsing van de afzetbakken). Deze geluidsbron bevindt zich relatief ver van de gevel waardoor een geluidsreducerende maatregel niet mogelijk is. Hier adviseren we om de geluidwering van de betreffende gevel te verhogen om de binnenwaarde te kunnen garanderen.

Conclusie Op basis van de resultaten voor het weg- en railverkeerslawaai en geluid van bedrijvigheid kunnen de volgende samenvattende conclusies worden getrokken:  het railverkeerslawaai voldoet aan de voorkeursgrenswaarde;  het wegverkeerslawaai geeft een overschrijding van 5 dB van de voorkeursgrenswaarde voor de Rijkswegen. Dit leidt tot een procedure hogere grenswaarde.  de doorgaande 30 km/h weg: Raadhuisstraat en Herenstraat, rondom het project, zorgt voor een verhoogde geluidsbelasting. Het betreft een wegverharding van klinkers in keperverband. De gemeente kan in overweging nemen om hier stille betonklinkers of street print aan te leggen. Vooralsnog is dit zowel qua kosten als ruimtelijke kwaliteit onwenselijk.  de geluidsbelasting vanwege de supermarkt en parkeergarage voldoet niet aan de geluidsvoorwaarden van het Activiteitenbesluit en VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Er zijn geluidsreducerende maatregelen nodig zoals beschreven in paragraaf 4.8.2. Deze maatregelen worden doorgevoerd in het bouwplan en hiermee kan voldaan worden aan een goed woon- en leefklimaat. Bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt een akoestisch onderzoek bijgevoegd waarbij getoetst is aan de eisen van het Bouwbesluit. Hierbij wordt aangetoond dat aan een goed woon- en leefklimaat in de woningen kan worden voldaan.

Volledigheidshalve wordt meegegeven dat de supermarkt niet in gebruik mag worden genomen voordat door de exploitant van de supermarkt de verplichte melding op grond van het Activiteitenbesluit is ingediend. Het aspect geluid vormt, met inachtneming van de hogere waarden en maatregelen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 66

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.

Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:    

buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.

Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben op leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla.

Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 67

magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.1 De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.2 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

Relatie tot ontwikkeling Figuur 22 geeft weer dat het plangebied niet in de directe omgeving van een bovengrondse of ondergrondse hoogspanningslijn ligt. In paragraaf 4.8 ‘Externe veiligheid’ is tevens geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen aardgasleidingen zijn gesitueerd. Figuur 30. Uitsnede kaart HoogspanningsNet (bron: https://webkaart.hoogspanningsnet.com/index2.php#16/52.0674/4.3644).

Conclusie Het aspect Kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

1

Meer en gedetailleerde informatie over de uitgevoerde onderzoeken en over de conclusies die daaraan worden verbonden, vindt u op de website van het

Kennisplatform Elektromagnetisch Velden (www.kennisplatform.nl ) onder ‘Onderwerpen’>’Hoogspanningslijnen en elektriciteitsvoorziening’. Het Kennisplatform helpt burgers en werknemers wetenschappelijk onderzoek over de relatie tussen magneetvelden en gezondheid te begrijpen en op waarde te schatten en verenigt de kennis van organisaties zoals TNO, DNV GL (voormalig KEMA), GGD en RIVM 222

AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 68

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van 36 woningen en een supermarkt van 1.875 m² bvo. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.13, waarbij uitgegaan wordt van de worst-case situatie en het huidige verkeer niet meegenomen wordt) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 31. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 9 december 2021).

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 69

Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 22 december 2020). Tabel 4. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl). Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 15553432 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

26,5

18,9

10,9

2030

17,8

16,8

9,1

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 70

voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling 4.12.2.1 Quickscan flora en fauna Ten behoeve van de ontwikkeling is door IDDS een quickscan uitgevoerd (bijlage 9) naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van februari 2020 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde vleermuissoorten en gierzwaluwen. Voor beide soorten is nader onderzoek nodig. Uit bureaustudie en biotooptoets is tevens naar voren gekomen dat het mogelijk is dat algemene soorten vogels in het plangebied gaan broeden. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder volgt een volledig overzicht van de onderzochte soorten en onderzoeksresultaten: Tabel 5. Schematische resultaten ecologische quickscan IDDS.

4.12.2.2 Nader onderzoek In het voorjaar en zomer van 2020 is door IDDS een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en gierzwaluw (bijlage 10). De resultaten worden hieronder integraal weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=72c1bc5a-5bac-4eb4-a9ec-defaeb49b345