2851 GRO - a04. rapport 19316 versie 2.2_Ruimtelijke onderbouwing Herentuyn Voorburg
Tekst van het document
Tegelijkertijd is het van groot belang om het woon- en vestigingsklimaat in de regio goed te houden en verder te versterken. Een prettige woonomgeving, met verschillende soorten aantrekkelijke woonmilieus en voldoende groen ruimten, is cruciaal voor de concurrentiekracht van steden. Voor een verstedelijkt gebied zoals Haaglanden geldt dat eens te meer. Zeker ook met het oog op het voldoende kunnen aantrekken van hoog opleiden en talenten uit binnen- en buitenland. Deze mensen zijn voor de regionale economie van grote waarde. Regionaal woningbouwprogramma opstellen: agenda 2016 – 2020 De agenda behelst een gericht programma om gestructureerd het woningvraagstuk het hoofd te kunnen bieden.
Tot en met 2020 jaarlijks tenminste 5.000 kwalitatief hoogwaardige woningen aan de woningvoorraad van Haaglanden toevoegen. Het huidige gunstige momentum daartoe benutten door de lokale gemeentelijke organisaties (extra) te outilleren voor binnenstedelijke woningbouw, bijvoorbeeld aan de hand van een interventieteam (Den Haag) of woningbouwaanjager (Zoetermeer). Het geplande nieuwe aanbod van ruim 50.000 woningen beter aan laten sluiten op de behoeften van de consument door programma’s om te buigen naar meer gewenste woningtypen en prijscategorieën binnen met name rustig stedelijke of dorpse woonmilieus. Hierop sturen aan de hand van te verlenen bouwvergunningen en bestemmingsplanwijzigingen. In 2017/2018 een werkconferentie organiseren voor gemeenten, ontwikkelaars, woningcorporaties, architectenbureaus en bouwbedrijven over rustig stedelijke en dorpse woningbouw. Daarbij het rapport ‘Woonmilieus Haaglanden’ met ordeningsprincipes voor rustig stedelijke en dorpse woningbouw als basis gebruiken. De kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte van de regio op gezette tijden (minimaal één keer per twee jaar) monitoren en indien nodig bijstellen. Hiertoe onder meer gebruik maken van reguliere provinciale prognoses, het landelijke WOON-onderzoek en een te herhalen Grote Woon-test Haaglanden.
Samen met alle bij het wonen in de regio betrokken partijen stellen de gemeenten in 2017/2018 een actieplan op dat ertoe moet leiden dat de toekomstbestendigheid en aanpasbaarheid van het regionale bouwprogramma toeneemt. Binnen dit actieplan dient er uiteraard ook aandacht uit te gaan naar thema’s zoals levensloopgeschiktheid, duurzaamheid en toekomstbestendige woonmilieus. Daarnaast is het een opgave om meer stedelijke woonmilieus toe te voegen.
3.3.2.1 Relatie tot ontwikkeling De gemeenten streven er naar om binnen de regio Haaglanden jaarlijks circa 5.000 nieuwe woningen te realiseren, waarvan de helft in de gemeente Den Haag. De overige woningen worden verspreidt over de andere gemeenten. Dit is een grote opgave en met het onderhavige plan wordt een kleine bijdrage geleverd
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 30
door een woongebied te realiseren met 36 woningen (waarvan 34 worden toegevoegd) binnen bestaand stedelijk gebied. 3.3.2.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van 36 woningen is in lijn met de woonvisie woningmarktregio Haaglanden 2017-2021.
Waterbeheerprogramma Hoogheemraadschap Delfland In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. De missie van het Hoogheemraadschap van Delfland (droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater) staat centraal. Het WBP6 beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met genoemde uitdagingen om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. Dit document bevat de strategische beleidskaders voor de jaren 2022 t/m 2027. In het WBP6 zijn de waterbeheertaken van de waterschappen voor de komende zes jaar op een overzichtelijke wijze gepresenteerd via verschillende thema’s, die per thema concrete maatregelen bevat. Watertoets Delfland hanteert een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisisen herstelwet en de Waterwet. De toets berust op twee uitgangspunten: 1.
standstillbeginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; 2. verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Delfland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. 3.3.3.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Delfland. Het omgevingsaspect water wordt nader toegelicht in paragraaf 4.14 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 31
Figuur 16. Uitsnede legger Hoogheemraadschap Delfland.
3.3.3.2 Conclusie De watertoets zal doorlopen worden en de uitkomst hiervan wordt besproken in de paragraaf 4.14.
GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012 De herijking (vastgesteld op 25 september 2012) vormt de basis voor de (bestuurlijk) strategische keuzes en geeft richting aan de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijke ontwikkelingsbeeld van de gemeente tot 2040. Als overkoepelende ambitie streeft de structuurvisie naar een positionering van de gemeente als aantrekkelijke, groene en duurzame woon- en werkstad. De herijkte uitgangspunten (opgaven, doelstellingen en ambities) zijn vertaald naar drie pijlers: versterken van de groene woonstad; verbeteren van economische kansen en voorzieningenstructuur; beter benutten en verbeteren van de bereikbaarheid. De structuurvisie gaat daarbij uit van een indeling van de gemeente in een stedelijk gebied, de Vlietzone en het buitengebied. Plangebied 'Centrumplan Huygenskwartier' valt binnen het zogenaamde stedelijk gebied. Voor het stedelijke gebied zijn de onderstaande opgaven geformuleerd. Stedelijk gebied, kwantitatief: realisatie van 80% van de woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied; faciliteren van 5% groei van de bevolking in de periode 2012-2040. Stedelijk gebied, kwalitatief: behoud en versterking van het groene karakter van de stad en van de kwaliteit van de bestaande woonmilieus, toevoegen van nieuwe woonmilieus;
verbetering van de leefbaarheid van bestaande wijken en kwaliteitsverbetering van het stedelijk raamwerk en de identiteitsdragers (structuurbepalende identiteitsdragers zijn bijvoorbeeld de Vlietzone, de Loo-zone en het historisch lint Parkweg -Veursestraatweg);
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 32
duurzame stedelijke ontwikkeling, onder meer door meervoudig ruimtegebruik, het beter benutten van de openbaar vervoerscapaciteit en verbetering van fietsverbindingen; versterken van de buurt- en wijkvoorzieningen, versterken van de complementariteit en het kwaliteitsniveau van de winkelcentra; nieuwe economische kansen creëren door functieverandering, herstructurering en transformatie van gebieden, passend bij de positionering als groene woon-werkstad.
3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling De in de herijkte structuurvisie geformuleerde ambities voor het stedelijke gebied, zijn in de onderhavige ontwikkeling zo veel mogelijk in de overwegingen meegenomen. 80% van de woningbouwopgave dient binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. Met onderhavig plan worden 36 woningen binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. In de Structuurvisie is het plangebied tevens aangegeven als een gebied waar gewoond kan worden, maar waar ook voorzieningen zijn en cultuurhistorische waarden. Daarnaast kan de ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de attractiviteit van het winkelgebied en het karakter van het winkelgebied versterken. Figuur 17. Uitsnede kaart Structuurvisie 2040 Leidschendam-Voorburg, plangebied aangegeven middels gele cirkel.
3.4.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Structuurvisie Ruimte voor Wensen 2040, herijking 2012.
Woonvisie 2016-2020 De gemeentelijke woonvisie 2016-2020 benoemt een viertal thema’s: langer zelfstandig wonen, voldoende beschikbare sociale woningen, betaalbaarheid en woonlasten in de sociale sector en variatie in woonmilieus en leefbare wijken. Met het laatste thema richt de gemeente zich op het borgen van de woon- en leefkwaliteit voor de toekomst met een goede balans tussen de gewenste woonmilieus op lange termijn en aansluiting op de woningbehoefte. In dit verband moeten gebiedsontwikkelingen dusdanig zijn, dat zij ook op veel langere termijn meer waarde krijgen in sociaal opzicht en qua duurzaamheid en aanpasbaarheid. Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 33
Variatie in woonmilieus en leefbare wijken Uit de Grote Woontest en het woonmilieuonderzoek is naar voren gekomen dat er in Leidschendam-Voorburg kansen liggen voor rustig stedelijke en hoogwaardige woonmilieus. De gemeente wil bij iedere ontwikkellocatie en bij stedelijke vernieuwing sturen op de gewenste woonmilieus en aansluiten op de woningbehoefte. Om deze reden zijn er door de gemeente beleidsregels woningbouw opgesteld, welke zijn beschreven in paragraaf 3.4.3. Langer zelfstandig wonen Er moet meer ingespeeld worden op de behoefte aan geschikte woonvormen in relatie tot de behoefte aan zorg en begeleiding. Dit vraagt enerzijds om anders te kijken naar de inzet van voorzieningen op het gebied van welzijn en zorg en de bestaande praktijk van de woningtoewijzing. Anderzijds moeten er in samenspraak met andere partijen creatieve oplossingen worden bedacht om het zelfstandig wonen voor mensen met een zorgvraag daadwerkelijk mogelijk te maken. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling Onderhavig plan past binnen de woonvisie 2016-2020. Gelet op de opgaven uit de woonvisie wordt ingezet op de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig woonmilieu, met een focus op langer zelfstandig wonen.
Tussen de gemeente Leidschendam-Voorburg en de initiatiefnemer is een koop-, ontwikkel- en realisatieovereenkomst afgesloten, waarin onder andere is bepaald dat alle woningen gerealiseerd worden voor de vrije sector. 3.4.2.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Woonvisie 2016-2020.
Beleidsregels woningbouw 2018-2021 De gemeente Leidschendam-Voorburg hecht grote waarde aan een hoge kwaliteit van de leefomgeving, evenals van de woningvoorraad. Ook voor de langere termijn en evenzeer bij een wijzigende samenstelling van de bevolking moeten er voor alle inwoners voldoende hoogwaardige en betaalbare woningen beschikbaar zijn, gelegen in een duurzaam groene, prettige omgeving. Daarnaast ziet LeidschendamVoorburg zich, net als de gehele regio Haaglanden, gesteld voor de opgave om het tekortschietende aanbod aan sociale huurwoningen terug te brengen naar een meer acceptabel niveau. Tezamen zijn dit complexe kwalitatief-ruimtelijke en maatschappelijke opgaven, die vragen om een zekere mate van sturing door de overheid. Om te borgen dat nieuwe woningbouwplannen zowel bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving als aan een betere beschikbaarheid van goede en betaalbare woonruimte, heeft de gemeente beleid vastgesteld in de vorm van de gemeentelijke Woonvisie (zie paragraaf 3.4.2). Om een concrete toetsing van nieuwbouwplannen aan de doelen en uitgangspunten van de Woonvisie mogelijk te maken, heeft het college op 24 oktober 2017 in eerste instantie de ‘Beleidsregels Woningbouw 2017-2019’ vastgesteld. De Beleidsregels vormen in principe een toetsingskader voor de beoordeling, prioritering en fasering van (initiatieven tot) woningbouw.
Door middel van toepassing van deze Beleidsregels moet worden bewerkstelligd dat in nieuw te ontwikkelen woongebieden primair wordt ingezet op de gewenste woonmilieus rustig stedelijk, dorps en hoogwaardig. Daarnaast is het uitgangspunt uit de Beleidsregels dat in elk nieuw woningbouwproject een aandeel van ten minste 30% sociale (huur)woningen moet worden verwezenlijkt. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling Eén van de uitzonderingsregelingen bij toepassing van de Beleidsregels is, dat zij niet gelden voor projecten waarvoor al bindende afspraken zijn gemaakt voordat de Beleidsregels van kracht werden. Deze uitzondering doet zich hier voor.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 34
Op 15 november 2016 heeft de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg een besluit genomen (besluitnummer: 1681233) over het verder uit te werken scenario voor de herontwikkeling van het Huygenskwartier, dat ook wel wordt aangeduid als het 'Plan Waaijer'. Op 11 april 2017 heeft de raad besloten (besluitnummer: 1831381) over de afbakening van het 'Plan Waaijer' in relatie tot de mogelijke locatie van een nieuwe raadzaal. Vanaf maart 2017 tot en met oktober 2017 hebben tussen de gemeente en de initiatiefnemer van het plan onderhandelingen plaatsgevonden over de totstandkoming van een intentieovereenkomst met betrekking tot de herontwikkeling van het Huygenskwartier conform het 'Plan Waaijer'. Op 4 oktober 2017 hebben partijen hierover overeenstemming bereikt. Op 31 oktober 2017 heeft het college formeel besloten de intentieovereenkomst met de initiatiefnemer aan te gaan, waarna partijen deze op 20 november 2017 hebben ondertekend. In het proces zoals dat zich heeft afgespeeld tussen het raadsbesluit van 15 november 2016 tot en met begin oktober 2017 is de eerste globale aanzet voor de (ruimtelijke en functionele) randvoorwaarden voor het uiteindelijk bij de herontwikkeling van het Huygenskwartier te realiseren programma geformuleerd.
In een woningbouwprogramma dat in overeenstemming is met de Beleidsregels, namelijk met een aandeel daarin van ten minste 30% sociale huurwoningen, is niet voorzien. In de intentieovereenkomst is e.e.a. bindend tussen partijen vastgelegd. Hoewel de besluitvorming over de intentieovereenkomst heeft plaatsgevonden ná vaststelling van de Beleidsregels, dateren zowel de hiervoor beschreven raadsbesluiten als het moment waarop partijen tot (rechtens bindende) overeenstemming kwamen over de intentieovereenkomst van vóór de vaststellingsdatum van de Beleidsregels. Hieruit volgt dat de Beleidsregels op het voorliggende plan niet van toepassing zijn zodat het daaraan niet voldoen geen belemmering vormt voor het vaststellen en/of verwezenlijken van het plan. 3.4.3.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de uitzonderingsregel uit de ‘Beleidsregels nieuwbouw 20182021’.
Welstandsbeleid Vanaf 1 juli 2004 is het toetsen van bouwplannen 'aan redelijke eisen van welstand' alleen nog mogelijk op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota. Daartoe heeft de gemeenteraad op 14 juni 2004 de "Welstandsnota Leidschendam-Voorburg" vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven op welke welstandsgerelateerde aspecten gelet wordt bij het beoordelen van vergunningaanvragen. De nota is gewijzigd bij besluiten van 31 januari 2006, 2 februari 2010 en 13 september 2011. De redelijke eisen van welstand zijn daarbij geobjectiveerd door de gemeente onder te verdelen in een aantal gebiedstypen. Elk gebiedstype kent eigen welstandseisen voor zowel bouwwerken op zichzelf als in relatie tot de omgeving, aan de hand waarvan bouwplannen worden beoordeeld. Elk gebiedstype kent eigen welstandaspecten voor het bouwwerk op zichzelf en voor het bouwwerk in relatie tot de omgeving waarop beoordeeld wordt. 3.4.4.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan valt onder het gebiedstype 'Lint Voorburg', zichtbaar in figuur 12. De dorpskern van Voorburg is deels beschermd dorpsgezicht. De bebouwing is gevarieerd en vormt toch een eenheid. Wat de panden bindt in hun individualiteit. Een eigenheid die voor het grootste deel spontaan is ontstaan, dankzij de perceelsgewijze bebouwing, de ambachtelijke bouwwijze een de loop der tijd.
Het gebied wordt ook wel aan geduid als ‘Historisch Voorburg’.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 35
Figuur 18. Uitsnede kaart welstand Leidschendam-Voorburg.
Perceelsgewijze bebouwing De grondslag van het dorp Voorburg is een oude strandwal ter weerszijden waarvan zich een veengebied ontwikkelde. De nederzetting groeide aanvankelijk langs drie lijnen. De middelste daarvan is tegenwoordig de ruggentraat van het historisch dorpsbeeld: de reeks Westeinde, Herenstraat, Oosteinde. De twee andere lijnen bestonden uit boerderijreeksen op de overgang naar het veengebied. De zuidelijke lijn, langs de Vliet, ontwikkelde zich in de 17e en 18e eeuw tot een buitenplaatszone die vervolgens gedeeltelijk tot villaparken werd verkaveld. De noordelijke lijn, de omgeving van de huidige Parkweg, werd begin 20e eeuw een meer aaneengesloten woongebied. Het stramien van de buitenplaatszone vormt de grondtoon van de dorpsstructuur. De ruimte opzet ervan is gedeeltelijk nog aanwezig. Aan het lint zijn dir gebieden waar de bebouwing een dichtere structuur kreeg, gekoppeld aan dwarsverbindingen over de Vliet. Het Westeinde loopt uit op de Tolburg en heeft hier de sfeer van een ‘Faubourg’. Uit verschillende richtingen kwamen landwegen bijeen. Een boerderij en het buitenhuis Heeswijk maakten hier in 1960 plaats voor het Diaconcessiehuis. Ruimtelijk is de overgang van een landschappelijke sfeer naar de aangesloten bebouwing van het Westeinde nog kenmerkend. Tussen de Herenstraat en de Kerkburg ontwikkelde zich een compacte dorpsstructuur.
Twee insteekhaventjes vanaf de Vliet zijn nog in de structuur herkenbaar. Het bredere straatprofiel in het zuidelijke deel van de Kerkstraat en de nieuwere bebouwing langs de oostzijde van de Schoolstraat worden erdoor verklaard. Aan het Oosteinde, ter hoogte van de Wijkerlaan nen de Wijkerburg, was het buurtschap LigteTurf, hoofdzakelijk gericht op de ontvening in de nabijgelegen Stompwijkse polders. De nog aanwezige eenvoudige bebouwing in dit deel van het dorpslint herinnert daaraan. De architectonische uitwerking van de panden is overwegend gevarieerd en rijk. Fijn gedetailleerde elementen als houten raam- en deurlijsten, veel kleurige siermetselwerkpatronen en natuurstenen speklagen. Gevels worden beëindigd met siermetselwerk of fijn bewerkte houten daklijsten. Het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel. Gevels zijn gemetseld in gele of rode baksteen of voorzien van in lichte tint gepleisterd stucwerk. Kozijnen hebben traditioneel Hollandse houten profileren en zijn net als ramen, deuren
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 36
en kozijnen en gevellijsten geschilderd in traditionele kleuren als gebroken wit of donkergroen. Daken zijn gedekt met rode of donkere keramische pannen of natuurleien. Waardering De dorpskern van Voorburg is deels beschermd dorpsgezicht. De bebouwing is gevarieerd en vormt toch een eenheid. Wat de panden bindt is hun individualiteit. Een eigenheid die voor het grootste deel spontaan is ontstaan dankzij de perceelsgewijze bebouwing, de ambachtelijke bouwwijze en de loop der tijd. Verspreid over meerdere eeuwen zijn van diverse stijlperiodes visitekaartjes in de dorpsstructuur gerealiseerd. Het is als een mooie groepsfoto, waar mensen verschillend gekleed zijn, maar toch past bij elkaar omdat het van ieder het nette pak is. Welstandsaspecten Welstandaspecten voor het bouwwerk zelf Bebouwing in het historisch gebied mag zich duidelijk onderscheiden van naastgelegen panden mits dat gepaard gaat met de overtuigende individuele kwaliteit. Ingetogenheid is daarbij nodig, de omgeving moet niet overstemd worden. De volumeopbouw respecteert het veelal aanwezige onderscheid van voorhuis, achterhuis, nevenbebouwing en dergelijke. De detaillering moet uitgesproken zorgvuldig zijn, de materiaalkeuze hoogwaardig en van duurzame kwaliteit. Kleur en textuur ondersteunen het fijnkorrelige karakter.
In relatie tot de omgeving De variatie in architectonische expressie is vanwege de perceelsgewijze bebouwing en de verschillende stijlperiodes heel ruim. Daarom wordt vooral gelet op de kwaliteit die op het perceel zelf wordt geleverd en hoe die zich verhoudt tot de kenmerken va het historisch weefsel als geheel. Het voorgenomen initiatief Met het onderhavige plan is het plangebied zo ingericht en de bebouwing zo vorm gegeven dat het een samenhangend geheel vormt. Voor het plangebied is een Definitief Stedenbouwkundig Plan opgesteld met een specifiek gebiedsgericht welstandskader. Dit Kader is door Welstand aanvaard als aanvullend toetsingskader voor toetsing van de bouwplannen om zo tot samenhang te komen passend bij het specifiek karakter van het gebied. 3.4.4.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de welstandseisen voor het gebied ‘lint Voorburg’ of ‘Historisch Voorburg’.
Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 (zie raadsbesluit 2009/11053) staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd, de doelgroep die met name ook van belang is binnen dit bestemmingsplan. In het Klimaatplan is ook het werken met een duurzaam bouwen instrument vastgelegd, het werken met het instrument GPR gebouw. De Wro strekt ter bevordering van een “duurzame” ruimtelijke kwaliteit. Dit vertaalt zich in de beschrijving, in dit voornamelijk conserverende bestemmingsplan, van de bestaande milieusituatie. Energie In het in 2009 vastgestelde Klimaatplan Leidschendam-Voorburg 2009-2020 (zie raadsbesluit 2009/11053) staan uitgangspunten voor de doelgroep woningen geformuleerd, de doelgroep die met name ook van belang is binnen dit bestemmingsplan. De gemeente kiest voor integrale woonkwaliteit. Naast energiebesparing betekent dit bijvoorbeeld ook meer comfort in woningen en een gezond binnenklimaat. Energiebesparing mag nooit ten koste van de gezondheid van bewoners en de gemeente blijft daarom het belang van goede ventilatie
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 37
benadrukken. Voor de grotere projecten (met meer dan één woning) vindt toetsing plaats met het instrument GPR gebouw waarmee de duurzaamheidskwaliteit wordt bepaald; Alle nieuwbouwwoningen zijn minimaal 10% energiezuiniger dan de EPC-norm in het Bouwbesluit voorschrijft. Woningen worden flexibel gebouwd met het idee dat deze op termijn energieneutraal moeten worden. Zo kan worden besloten om woningen geschikt te maken voor latere toepassing van zonne-energie of lage temperatuur verwarming; De gemeente drukt de CO2-reductie bij nieuwbouw vanaf 200 woningen en herstructurering uit in de Energie Prestatie op Locatie (EPL). Bouwen volgens de minimumeisen levert bij nieuwbouw een EPL van 6,6 op, een energieneutrale locatie levert een EPL van 10 op. Voor alle nieuwbouwwoningen met meer dan 200 woningen wordt, afhankelijk van de locatie en het type bouwproject, een minimale EPL gerealiseerd van 7,0 tot 8,0.
In het kader van het klimaatbeleid wordt gestreefd naar het opnemen van collectieve duurzame energieopties in bestemmingsplannen en bouwplannen. Een energievisie geeft voor grotere bouwprojecten de mogelijkheden aan voor duurzame energiemogelijkheden binnen Leidschendam-Voorburg. Duurzaam bouwen De ambities en afspraken op het gebied van duurzaam bouwen zijn vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam bouwen (Dubo) van de gemeente, geactualiseerd op het onderdeel energie door het Klimaatplan 2009-2020. Hierin zijn de ambities en doelstellingen op rijks-, provinciaal- en regioniveau vertaald naar het gemeentelijk werkveld. Uit het oude beleid volgt, wat ook is vastgelegd in andere documenten: indien hout wordt toegepast, pas dan duurzaam geproduceerd hout toe. Dit is met name hout met het FSC-keurmerk (Forest Stewardship Council), conform FSC-convenant met Haaglanden; vermijd consequent het gebruik van zink, lood en koper voor zover blootgesteld aan de buitenlucht en gebruik geen koper voor waterleidingen (volgt uit het Waterplan en beleid Waterschappen); beperk zoveel mogelijk het gebruik van PVC in alle bouwdelen. Indien gebruik wordt gemaakt van PVC, gebruik dan gerecycled PVC en PVC waarvoor een retoursysteem bestaat. De drie genoemde maatregelen worden waar mogelijk vastgelegd in intentie- of samenwerkingsovereenkomsten met andere ontwikkelende partijen.
De beleidslijn is dat de gemeente werkt met het instrument GPR-gebouw. De gemeente gebruikt dit meetinstrument om de Dubo-prestatie van eigen projecten zichtbaar te maken en bevordert het gebruik van het instrument door derden. GPR-gebouw is een veelgebruikt hulpmiddel voor het maken van duurzaamheidkeuzen bij nieuwbouw en renovatie van woningen, utilitaire gebouwen en scholen. GPR-gebouw is een praktische en gebruiksvriendelijke online applicatie om plankwaliteit en milieubelasting van een project is samenhang te optimaliseren. De prestaties worden uitgedrukt in rapportcijfers. Hierbij behaal je een 6 als je bouwt volgens het Bouwbesluit. Het steven naar een maximale duurzaamheid wordt vertaald in een score van 10. Welke score behaald dient te worden is vooralsnog afhankelijk van het project. 3.4.5.1 Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op de thema's energie en duurzaam bouwen als één van de milieuaspecten. 3.4.5.2 Conclusie Vooralsnog is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de ambities uit het Klimaatplan LeidschendamVoorburg 2009-2020.
Klimaatplan 2016-2020, uitvoeringsprogramma In 2009 is het Klimaatplan 2009-2020 vastgesteld. Met dit nieuwe uitvoeringsprogramma klimaatplan 20162020 wordt ingegaan op concrete maatregelen voor de komende jaren op het gebied van energie en CO2-
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 38
reductie. Het vormt de gemeentelijke bijdrage aan energiebesparing, meer duurzame energie en CO2reductie. Dit uitvoeringsprogramma is een uitwerking van één van de afspraken van het coalitieakkoord Ondernemend, Sociaal, Duurzaam en Dichtbij. Doelstelling van het college is om de komende jaren actie te ondernemen en met name inwoners ondernemers en organisaties te faciliteren en te stimuleren hun bijdrage te leveren aan energiebesparing, meer duurzame energie en CO2-reductie. Er zal gewerkt worden aan de volgende actiepunten: 1. Daken benutten voor duurzame energie: Zonnestroom; 2. Energielabelsprongen maken op weg naar Nul op de Meter; 3. Meer duurzame energie; 4. Duurzame bedrijven; 5. Voorbeeldfunctie; 6. Communicatie en overige acties. In figuur 13 is weergegeven wat de gemeente Leidschendam-Voorburg wilt bereiken op het gebied van duurzaamheid. Figuur 19. Overzichtskaart duurzaamheidsambities Leidschendam-Voorburg.
3.4.6.1 Relatie tot ontwikkeling De verschillende duurzaamheidsmaatregelen die worden genomen binnen de voorgenomen ontwikkeling worden besproken in paragraaf 4.6. 3.4.6.2 Conclusie Vooralsnog is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de ambities uit het Klimaatplan 2016-2020, uitvoeringsprogramma.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 39
Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2022 Dit uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2022 vloeit voort uit het coalitieakkoord 2018-2022. Het beschrijft waaraan de gemeente werkt en op welke wijze de dialoog wil aangaan met stakeholders over de verduurzaming van de gemeente. Het uitvoeringsprogramma is opgebouwd uit zeven thema’s en maakt inzichtelijk wat de gemeente doet aan duurzaamheid op deze verschillende terreinen. Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg wil grote stappen zetten op het gebied van duurzaamheid energie en milieu. De ambitie is een CO2-neutrale gemeente met een circulaire economie in 2050. We werken aan een toekomstbestendige stad met een gezond woon- en leefklimaat. De ambitie is om dit samen met inwoners en andere maatschappelijke partners stapsgewijs te bereiken met tussendoelen in 2022, 2026 en 2030. Het uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2022 kent een zevental thema’s. Onderstaand wordt per thema het hoofddoel weergegeven. Energie Het doel is CO2-neutraal en van het aardgas af in 2050. In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 is het thema CO2-reductie en energiebesparing opgenomen. Het doel is om in 2020 (t.o.v. 20071) een CO2reductie van 20%, 20% energiebesparing en 20% meer gebruik van hernieuwbare energie te bereiken.
Duurzaam verkeer en mobiliteit De gemeente streeft naar duurzame mobiliteit en wil emissieloze mobiliteit bevorderen door te ‘verminderen, (te) verschonen en (te) veranderen’. Dit betekent een verbetering van de leefbaarheid met behoud van een goede bereikbaarheid, door het beperken van niet-noodzakelijk autogebruik en het bevorderen van langzaam verkeer en openbaarvervoergebruik. Klimaatadaptie en vergroening Weersextremen komen steeds vaker voor. De gemeente wil hittestress, (grond)wateroverlast en verdroging zo veel mogelijk voorkomen en de waterkwaliteit en biodiversiteit verbeteren. Water opvangen en vasthouden en meer groen, aangevuld met andere ruimtelijke maatregelen dragen bij aan een klimaatbestendige openbare ruimte. Grondstoffen en afval In navolging van beleid Grip op Grondstoffen en het Rijksbrede programma Circulaire Economie streeft de gemeente naar een circulaire economie in 2050 door afval te beperken, duurzame grondstoffen te gebruiken en in de keten hergebruik en recycling te stimuleren. De landelijke doelstelling is 75% afvalscheiding van huishoudens en maximaal 100 kg restafval per inwoner in 2020. De gemeente tracht zo dicht mogelijk bij de landelijke doelstelling te komen. Luchtkwaliteit De gemeente wil schone lucht bevorderen en streeft ernaar om in 2030 de WHO advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof te behalen.
Omdat veel acties een relatie hebben met emissies door het verkeer, staan de meeste actiepunten in hoofdstuk 2 bij de regionale activiteiten benoemd. Duurzaamheid in al ons beleid De gemeente geeft het goede voorbeeld door duurzaamheid organisatiebreed op te pakken. Samenleving Samen met inwoners, bedrijven en organisaties werkt de gemeente aan de verduurzamingsopgave van Leidschendam-Voorburg. Door de samenleving bewust te maken van haar rol en waar nodig te stimuleren en faciliteren, zet de gemeente de samenleving in haar kracht.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 40
3.4.7.1 Relatie tot ontwikkeling Het aspect duurzaamheid wordt verder toegelicht in paragraaf 4.6 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast wordt het thema luchtkwaliteit apart besproken in paragraaf 4.11. 3.4.7.2 Conclusie Vooralsnog is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de ambities uit het Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 2019-2022.
Nota archeologie, herijking 2013 Conform de herziene Monumentenwet moeten gemeenten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m². Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009. In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, 'archeologienota herijking 2013. In de Nota archeologie wordt een globaal overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart toont de globale archeologische waarde en verwachting per (soort) gebied met de daarbij behorende beleidsregels. De bodem van de Gemeente Leidschendam-Voorburg is rijk aan archeologische waarden. Veel daarvan zijn echter nog niet of maar ten dele bekend. Bij gebieden waar de waarden niet bekend zijn, maar waar de bodemopbouw de aanwezigheid van archeologische waarden mogelijk maakt, wordt gesproken van een archeologische verwachting.
Op de kaart wordt vermeld welke eventuele beperkende maatregelen van toepassing zijn en welk archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten verplicht is gesteld. De gemeente Leidschendam-Voorburg voert een actief beleid om de bekende archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen te actualiseren indien er nieuwe of aanvullende gegevens bekend worden. Het wordt daarom aangeraden de gemeentelijke website te bezoeken voor de meest actuele versie van de archeologische beleidskaart. 3.4.8.1 Relatie tot ontwikkeling In paragraaf 4.3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ besproken, waarvoor de archeologische beleidskaart geraadpleegd zal worden.
Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010 Het is voor iedere gemeente verplicht om een verordening vast te stellen waarin de inschakeling is geregeld van een monumentencommissie. Deze commissie adviseert op het gebied van de monumentenzorg en heeft in elk geval tot taak om te adviseren over omgevingsvergunningen voor wijziging aan (van) rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten worden aangewezen en beschermd op basis van de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010. Daarnaast vormt de Erfgoedverordening Leidschendam-Voorburg 2010 de basis voor het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten en gemeentelijke groenmonumenten. Ook is het mogelijk op basis van de verordening een gebouw, groenelement of structuur aan te wijzen als een beeldbepalende zaak. De gemeentelijke monumenten of beeldbepalende zaken worden geregistreerd op een gemeentelijke monumentenlijst. 3.4.9.1 Relatie tot ontwikkeling Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ wordt in paragraaf 4.3 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing besproken.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 41
Parkeerbeleid In de Nota Parkeerbeleid 2021 is de visie op parkeren in de gemeente Leidschendam-Voorburg vastgelegd en staan de kaders voor verdere uitwerking van het parkeerbeleid. Parkeernormen zijn nodig bij de toetsing van (ver)bouwplannen. De parkeernormen zelf en de rekenmethodiek zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen. De vigerende nota is de ‘Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2012’. Eén van de uitgangspunten van het gemeentelijk parkeerbeleid is dat bouwplannen niet mogen leiden tot extra parkeerdruk in de directe omgeving. 3.4.10.1 Relatie tot ontwikkeling Het aspect ‘verkeer en parkeren’ wordt besproken in paragraaf 4.13 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing.
Detailhandel- en horecastructuurvisie In januari 2019 is in opdracht van de gemeente Leidschendam-Voorburg door Droogh Trommelen en Partners de ‘Detailhandel- en horecastructuurvisie opgesteld. Het doel van de detailhandel- en horecastructuurvisie is om het bestaande beleid te actualiseren. De focus ligt daarbij op de drie grotere centra: De Julianabaan, Huygenskwartier en Leidschendam-Centrum. Landelijke trends Zowel de winkel- als de horecasector zijn de afgelopen jaren behoorlijk gewijzigd en zullen ook de kokmende jaren nog blijven veranderen. Bestaande trends zijn onder andere:
Leegstand; De middenmoot verdwijnt; Nieuw ondernemerschap; Bouwen, bouwen, bouwen, met als gevolg te veel winkels; Online producten en diensten; Innovatie; Gewoon boodschappen blijven doen.
Als gevolg van dit soort trends dienen centra mee te veranderen. In Leidschendam-Voorburg bestaan planmatig ontwikkelde middelgrote centra, maar ook dorpscentra en grote wijkcentra, en buurtcentra. Voor kleine en middelgrote centrumgebieden zijn supermarkten van groot belang. Met circa 80% marktaandeel in de dagelijkse sector, zijn supermarkten de basis bij het boodschappen doen. Ze zijn voor de consument bepalend bij de keuze voor een winkelgebied. Een eigentijdse supermarkt van 1.200 m² wvo tot 1.500 m² wvo trekt wekelijks ten minste 10.000 bezoekers. Mits goed gelegen kunnen overige winkels profiteren van de grote bezoekersaantallen van deze publiekstrekker. Onderlinge afstand en zichtrelatie zijn daarbij bepalende factoren. 3.4.11.1 Relatie tot ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen het Huygenskwartier. Het Huygenskwartier is het oude, historische centrum van Voorburg. De belangrijkste winkelstraat loopt parallel aan De Vliet( waar echter geen relatie mee is). Er zijn zo’n 70 winkels en circa 30 horecabedrijven, met een gezamenlijk omvang van ruim 10.000 m² wvo. Het aanbod in het Huygenskwartier is relatie kleinschalig en bestaat nagenoeg volledig uit zelfstandige ondernemers, in de hoofdstraat (Herenstraat) bovendien in een gemiddeld hoger marksegment.
Het gebied heeft aantrekkelijke verblijfkwaliteiten, waar zowel lokale bezoekers als consumenten van verder weg naar toe kunnen om luxueus te winkelen en een hapje te eten.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 42
Figuur 20. Uitsnede kaart ‘grootste huishoudensgroepen per PC5-gebied in Leidschendam-Voorburg.
De voorgenomen ontwikkeling binnen het Huygenskwartier bevindt zich op demografisch vlak binnen het ‘Goede Stadsleven’. Goed Stadsleven Deze groep is jong, hoogopgeleid en woont in een appartementen in een grootstedelijke omgeving, waar voorzieningen en openbaar vervoer binnen handbereik zijn. Ze leven bewust, eten graag biologisch, laten eten thuis bezorgen en gaan graag uit, bijvoorbeeld naar een bioscoop of café. Functioneel ruimtelijke analyse Huygenskwartier Het winkelaanbod in het Huygenskwartier is in totaal bijna 8.500 m² wvo groot, verspreid over ongeveer 70 winkels. Ongeveer 2.400 m² wvo betreft het dagelijks winkelaanbod, circa 29%. De twee supermarkten in het Huygenskwartier zijn relatief klein (Albert Heijn circa 650 m² wvo en de Hoogvliet circa 1.080 m² wvo). Het overige dagelijkse aanbod is uitgebreid en van hoge kwaliteit. Er zijn onder andere bakkers, een viswinkel, een slagerij, delicatessenwinkels en specialistische slijters. In het Huygenskwartier ontbreekt een groenteboer. Het overige winkelaanbod (circa 6.000 m² wvo) bestaat voor een belangrijk deel uit mode-, woon- en accessoire winkels, veelal in het hoger marktsegment. Functioneel ruimtelijke visie Huygenskwartier De gemeente zet in op het behoud van het Huygenskwartier als centrum om luxueus te genieten.
Het voortzettend van die lijn is echter geen vanzelfsprekendheid, met name doordat het centrumgebied leunt op twee groepen bezoekers: de lokale bevolking en de regionale bezoeker. Voor de Hoogvliet is onder andere aangegeven dat dit een supermarkt is met te verbeteren parkeervoorzieningen.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 43
Figuur 21. Huidige functioneel ruimtelijke structuur Hugyenskwartier, plangebied aangewezen middels roze pijl.
Toets initiatief De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van woningbouw, maar ook uit de realisatie van een nieuwe Hoogvliet supermarkt en een ondergrondse parkeergarage. De ondergrondse parkeergarage is zowel bedoeld voor de bezoekers van de supermarkt als voor de toekomstige bewoners. De supermarkt verplaatst naar de oostkant van Vlietstaat, nog steeds gevestigd aan de Herenstraat. Ook neemt de supermarkt toe in grootte van circa 1.080 vierkante meter naar 1.890 vierkante meter. Echter geeft de detailhandel- en horecastructuurvisie aan dat een supermarkt met een winkelvloeroppervlak tussen de 1.200 en 1.500 vierkante meter wenselijker is. Met een brutovloeroppervlak van 1.890 vierkante meter zal het winkelvloeroppervlak aan de gestelde wensen in de structuurvisie voldoen. Daarnaast zal de supermarkt moderner worden gerealiseerd, waardoor er meer klanten naar de supermarkt toe worden getrokken. 3.4.11.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de functioneel ruimtelijke visie voor het Huygenskwartier.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 44
4
OMGEVINGSASPECTEN LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:
Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro:
Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat de realisatie van 36 woningen, een supermarkt van 1.890 vierkante meter b.v.o. en een parkeergarage en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, wel worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Wonen In de huidige situatie zijn reeds twee woningen aanwezig binnen het plangebied. Het initiatief voorziet in de realisatie van 36 woningen, er worden daardoor dus 34 woningen toegevoegd binnen het plangebied. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte wordt door de provincie de Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) gebruikt. De provincie stelt de hoogste uitkomst vast als regionale behoefte aan nieuwe woningen in een bepaalde periode. Hierdoor is er één richtgetal per regio.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 45
In de praktijk betekent dit dat voor regio's waar de TR lager dan de WBR uitvalt, de WBR het uitgangspunt voor de behoefte is, en voor regio's waar de TR hoger dan de WBR uitvalt, de TR dat is. In tabel 1 is de WBR weergegeven voor de gemeente Leidschendam-Voorburg. De gegevens zijn in de tabel blauw gearceerd. Tabel 2 betreft een weergave van de TR voor de gemeente Leidschendam- Voorburg voor dezelfde perioden. Ook hier zijn de gegevens blauw gearceerd. Tabel 1. WBR uitgedrukt in woningvoorraadontwikkeling, Staat van Zuid-Holland (bron: http://staatvan.zuidholland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)
Tabel 2. Trendraming gemeente Leidschendam-Voorburg (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied en-periode)
Op basis van de WBR en BP blijkt voor de periode 2019-2030 een woningbehoefte van 260 woningen. Uit de TR blijkt voor de periode 2019-2030 een te woningvoorraadtoename van 1.740 woningen voor de gehele gemeente Leidschendam-Voorburg. De TR valt daarmee hoger uit dan de WBR en is daarmee het uitgangspunt voor de behoefte. Het toevoegen van 34 woningen draagt bij aan de woningbehoefte in de regio. Daarnaast is in paragraaf 3.3.3. reeds aangehaald dat de gemeenten binnen de regio Haaglanden gezamenlijk de woonopgave van ruim 50.000 woningen tot 2025 binnen bestaande stedelijke gebieden te realiseren. In paragraaf 3.4.2 en 3.4.3 is daarnaast ingegaan op de woningbehoefte binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het college heeft ingestemd met de kwalitatieve invulling van het plan, bestaande uit vrije sector woningen. Supermarkt Het brutovloeroppervlak van de Hoogvliet supermarkt neemt toe van 1.080 vierkante meter naar 1.890 vierkante meter. In totaal komt er ruim 800 vierkante meter brutovloeroppervlak aan supermarkt bij. Op basis van de door het C.R.O.W. gehanteerde verhouding BVO-WVO van 100/80 zal het aantal vierkante meter Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 46
winkelvloeroppervlak circa 1.500 zijn. Daarnaast is reeds in paragraaf 3.4.11 aangegeven dat de huidige supermarkten te klein zijn voor het verzorgingsgebied. Door Strabo bv is een distributie planologisch onderzoek (DPO) opgesteld in opdracht van de gemeente Leidschendam-Voorburg (zie bijlage 2). Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van marktruimte voor een uitbreiding van dan wel een nieuwe supermarkt binnen het Huygenskwartier. Strabo bv komen concludeert in het DPO dat er wel marktruimte is voor een beperkte uitbreiding van een aanwezige supermarkt. Daarbij weegt ook mee dat met een uitbreiding van een aanwezige supermarkt het aanbod in het Huygenskwartier wordt versterkt, anders gezegd shockbestendig wordt gemaakt wat gezien de ontwikkeling van The Mall of the Netherlands van groot belang wordt geacht. Uitbreiding van een aanwezige supermarkt zorgt namelijk voor extra toevloeiing en sterkere binding. Dit geldt te meer wanneer een uitbreiding van het aantal supermarktmeters gecombineerd wordt met uitbreiding van de parkeercapaciteit in de directe omgeving. In het onderzoek is uitgegaan van een supermarkt van 1.500 m² WVO in de toekomstige situatie, oftewel 400 m² WVO meer dan op de huidige locatie.
De marktruimte is echter te klein voor de toevoeging van een volwaardige nieuwe supermarkt, daar een dergelijke nieuwe supermarkt volgens de huidige wensen van de consument toch zeker 1.500 m2 WVO dient te bedragen. Hiervoor is de beschikbare marktruimte in alle gevallen onvoldoende. Toevoeging van een nieuwe supermarkt in een situatie van te beperkte marktruimte heeft nadelige gevolgen voor de bestaande detailhandelsstructuur die daardoor (verder) onder druk komt te staan. In die situatie zal de negatieve impact van de ontwikkeling van The Mall of the Netherlands op (het Huygenskwartier in) Voorburg verder worden versterkt.
Conclusie In het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking is de behoefte aan extra woningen en een vergroting van de bestaande supermarkt voldoende gemotiveerd.
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in januari 2023 in werking treedt. Conform het Overgangsrecht in de Erfgoedwet moeten gemeenten het archeologische belang meewegen in ruimtelijke projecten vanaf 100 m2. Omdat gemeenten ook andere belangen te behartigen hebben, zoals economie, landbouw, wonen en infrastructuur, biedt de wet gemeenten daarbij wel beleidsruimte. Om deze taak goed te kunnen uitvoeren heeft de Gemeente Leidschendam-Voorburg in samenwerking met de gemeenten Voorschoten en Wassenaar archeologie beleid ontwikkeld en vastgesteld in 2009. In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, ‘archeologienota herijking 2013’.
In de Nota archeologie wordt een overzicht van het archeologische erfgoed van de pactgemeenten gegeven en zijn de beleidsregels ten aanzien van de omgang met het archeologische bodemarchief geformuleerd. De archeologische beleidskaart geeft hierbij de archeologische waarde en verwachting per gebied aan met de daarbij behorende beleidsregels.
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 47
Relatie tot ontwikkeling Archeologie In 2014 heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg haar archeologiebeleid herijkt, en de 'Nota archeologie: herijking 2013' opgesteld. In dit archeologiebeleid zijn vier verschillende archeologische 'waarderingsgebieden' aangegeven: Waarde-Archeologie 1 tot en met 4. Voor elk van de 'waarderingsgebieden', geldt een verschillend regime, afhankelijk van de archeologische waarde of archeologische verwachting. De verschillen waarderingsgebieden hebben verschillende vrijstellingsgrenzen. Voor bodem ingrepen groter dan de aangegeven vrijstelling (oppervlakten en diepte) dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Figuur 22. Uitsnede archeologische beleidskaart Leidschendam-Voorburg.
De vier waarderingsgebieden zijn:
Waarde-Archeologie 1 - Archeologisch rijksmonument; Waarde-Archeologie 2 - Gebieden met een hoge of zeer hoge archeologische waarde; Waarde-Archeologie 3 - Gebieden met een hoge archeologische waarde of verwachting; Waarde-Archeologie 4 - Gebieden met een lage archeologische waarde.
Het plangebied van dit bestemmingsplan is valt binnen het waarderingsgebied Waarde - Archeologie 3: een gebied met een hoge archeologische waarde of verwachting. Hiervoor geldt dat voor alle bodemverstorende activiteiten, met een oppervlakte groter dan 100 vierkante meter en dieper dan 30 cm beneden maaiveld, kan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning de archeologische waarde moet aantonen in het belang van de archeologische monumentenzorg. Hiervoor dient een archeologisch onderzoek en waardebepaling plaats te vinden. Omdat het plangebied een groter oppervlak heeft dan 100 vierkante meter, dient een archeologisch rapport overhandigd te worden aan het bevoegd gezag. In opdracht van de gemeente Leidschendam-Voorburg is in
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 48
januari 2019 een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd door IDDS (zie bijlage 3) in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de Herenstraat 42-52 in Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor met name resten vanaf het Midden Neolithicum in de top van het Oude duin- en strandwalzand en resten vanaf de 13e eeuw vanaf de onderzijde van de bouwvoor. Vindplaatsen uit de late prehistorie (IJzertijdRomeinse tijd) kunnen langs de oostelijke flank van de strandwal ingebed zijn in afdekkende veen- en kleilagen. Hoewel delen van het plangebied eerder archeologisch zijn onderzocht, geldt dat die onderzoeken zich met name hebben gericht op de resten vanaf de 13e eeuw. Deze resten mogen met name direct langs de Herenstraat nog worden verwacht en kunnen ook in de rest van het plangebied(uitgezonderd het opgegraven perceel Herenstraat 50 en het onderzochte deel van het terrein achter Herenstraat 52-54) nog aanwezig zijn. Ook ter plaatse van het pand en het gesaneerde binnenterrein van Herenstraat 42 kunnen deze resten nog aanwezig zijn. De verstoringsdieptes ter plaatse zijn niet bekend. Resten in de top van het Oude duin- en strandwalzand kunnen in het hele plangebied voorkomen.
Op basis van de beschikbare gegevens is niet bekend wat de exacte diepteligging van dit niveau is in het plangebied en in hoeverre dit niveau nog intact is. Dit niveau zal wel mogelijk worden verstoord met de geplande aanleg van de parkeerkelder. Het veldonderzoek onderbouwt, voor het deel van het plangebied dat is onderzocht, de verwachtingen uit het bureauonderzoek. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied ligt op de flank van een oude duinen/strandwalcomplex waarin verschillende niveaus een hoge archeologische verwachting hebben. Omdat al deze niveaus worden bedreigd door de bouw van de parkeerkelder adviseert IDDS Archeologie om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Voorafgaand aan het vervolgonderzoek wordt geadviseerd allereerst het deel van het plangebied dat nog niet mocht worden onderzocht (de supermarkt) alsnog te onderzoeken met de 3 geplande boringen zodra de toegang tot dit gebied geregeld kan worden. Het aanvullend onderzoek kan alleen worden uitgevoerd na de sloop van de bestaande gebouwen en waarschijnlijk het beste gecombineerd worden met de aanleg van de parkeerkelder. Het advies is: het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek binnen de bouwkuip van de parkeergarage.
Op basis van de resultaten van de proefsleuven kan besloten worden om geen verder onderzoek te doen of juist om de bouwkuip (of een deel daarvan) op te graven (in samenwerking met het uitgraven van de parkeergarage). Conclusie Zoals hierboven gesteld is voor een deel van het plangebied nog geen archeologische waardestelling bepaald. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig in de vorm van proefsleuven. Dit aanvullend onderzoek en de daarmee gepaard gaande waardestelling kan pas uitgevoerd worden op het moment dat de huidige gebouwen gesloopt zijn (de supermarkt) en de bouwkuip voor de parkeerkelder gerealiseerd wordt. Hiervoor is reeds een Programma van Eisen (PvE) opgesteld die inmiddels goedgekeurd is door de gemeente. Gevolg kan zijn dat geen verder onderzoek nodig is. Maar ook dat juist de bouwkuip (of een deel daarvan) opgegraven wordt. De initiatiefnemer is zich bewust van de gevolgen die uit dit vervolgonderzoek kunnen komen en betrekt dit in samenspraak met de aannemer bij de planning. Dit aanvullend onderzoek wordt opgestart na de sloop van de bestaande gebouwen.
In de te verlenen vergunning worden de volgende voorwaarden opgenomen: Voorwaarden • Archeologische begeleiding van de ontkoppeling van de vloeren van de funderingsbalken conform een door de gemeente goedgekeurd PvE; • Het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek binnen de funderingen (niveau 1) conform een door de gemeente goedgekeurd PvE; • Indien daartoe wordt besloten; opgraving binnen de funderingen (niveau 1) conform een door de gemeente goedgekeurd PvE;
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 49
• •
Archeologische begeleiding van ondergrondse sloop conform een door de gemeente goedgekeurd PvE; Archeologische begeleiding (protocol opgraven) van de ontgraving van de rest van de bouwput conform een door de gemeente goedgekeurd PvE;
In overleg met de gemeentelijk archeoloog heeft IDDS een PvE opgesteld die inmiddels goedgekeurd is. Er is nauw contact tussen de gemeentelijk archeoloog en IDDS (namens initiatiefnemer Waaijer Projectrealisatie) ten aanzien van de uitvoeringsaspecten. Cultuurhistorie Het plangebied valt binnen het door het Rijk aangewezen dorpsgezicht Oud-Voorburg. Omdat het gebied onderdeel uitmaakt van het beschermd stads- en dorpsgezicht zijn in het vigerend bestemmingsplan maatregelen getroffen om de cultuurhistorische waarde te behouden. Het plangebied is daarom voorzien van een dubbelbestemming waarde 'beschermd stads- en dorpsgezicht' overeenkomstig het aangrenzende bestemmingsplan 'Oude Dorpskern Voorburg 2011'. Huidige situatie Herenstraat 42 (Rijksmonument) De locatie Herenstraat 42 bestaat uit een monumentale Raadhuis en de naast- en achtergelegen jaren '80 wit gepleisterde kantoorgebouw (servicecentrum) tot aan de Raadhuisstraat. Herenstraat 48 (gemeentelijk monument) Het pand Herenstraat 48, op de hoek van de Vlietstraat gelegen, is een 18e-eeuws dwarspand van twee verdiepingen en een schilddak. Het pand heeft een uitstek van één verdieping met plat dak. De voorgevel (een lijstgevel) heeft op de begane grond naast een deur een grote winkelpui, die omloopt tot in de zijgevel. Boven deze pui bevindt zich een strakke waterlijst.
De eerste verdieping heeft twee oningedeelde schuifvensters. De gevel wordt beëindigd door een kroonlijst. De gevel is wit geschilderd, de zij- en achtergevel zijn gepleisterd en voorzien van in de pleister getrokken schijnvoegen. Dit hoekpand past wat betreft schaal, massa en materiaalgebruik goed in het dorpsbeeld. De grote pui in de zijgevel geeft echter een te groot accent op deze gevel. Vlietstraat 6 (gemeentelijk monument) De eenvoudige rechthoekige werkplaats aan de Vlietstraat is op een afgesplitst stuk van het achterterrein van het pand Herenstraat 48 gebouwd. Dit pand, evenwijdig aan de Vlietstraat gelegen, heeft een verdieping, verdiep en een mansardedak. Deze mansardekap is opgebouwd met Philibertspanten (ook wel schenkelspanten genaamd). Het opvallendste van deze relatief weinig voorkomend spantvorm is, dat deze slechts uit twee lagen bestaat in plaats van de normale drie of vijf lagen, zoals gewoon is. De langsgevel aan de Vlietstraat bezat aanvankelijk drie deuren met halfrond bovenlicht. Hiervan is de noordelijke toegang tot een venster verbouwd. De gevel is gedeeltelijk in rode en gedeeltelijk in gele baksteen opgebouwd en afgewerkt met een (dunne) cementpleisterlaag. Tot aan de toppen van de rondboogvensters is hoofdzakelijk gele steen gebruikt en daarboven rode steen.
Karakteristiek is verder de afwisseling van lange ankers en korte ankers; hiervan zijn de lange voor de spanten en het bijbehorende blokkeel. De zijgevels waren aanvankelijk blind, maar bij de restauratie van 1986 werd in de zuidelijke gevel een groot rondvenster aangebracht. De zolder wordt verder verlicht door een grote rondboogvormige dakkapel op de voorgevel. De noordgevel staat koud tegen het pand. Het pand is verbouwd tot transformatorhuisje, waarvoor het gebouwtje van betonnen vloeren en tussen- en voorzetwanden werd voorzien. Het pand betreft een werkplaats met een bijzondere architectuur, met name de voorgevel, de dakkapel en de afwisseling van ankers. De Philibertspanten zijn niet alledaags. Toekomstige situatie Herenstraat 42 De visie gaat uit van behoud van het Rijksmonument en sloop van de naast- en achtergelegen kantoorgebouw. Het Rijksmonument wordt in de nabije toekomst gerestaureerd, dit valt echter buiten de scope van de voorliggende ontwikkeling. De achter- en zijgevel van het monument worden aangeheeld. In
Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2
Pagina | 50
overleg met de Rijksdienst Cultuurhistorie en Erfgoed wordt de aanheling van de achter- en zijgevel (niet monumentaal) besproken. In dit kader is door IDDS een aanvullend historisch onderzoek uitgevoerd voor Herenstraat 42. Dit onderzoek betreft een aanvulling op de onderzoeken die op 9 maart 2021 en op 12 maart 2020 werden uitgevoerd (IDDS-projecten 63030320 en A0224). De rapportage is als bijlage toegevoegd. Wanneer de nieuwbouwplannen in ogenschouw worden genomen, en vergeleken worden met de bestaande plattegronden, dan leidt dit tot de conclusie dat het sinds 1982-1983 ontbrekende deel van de linkerzijgevel wordt aangeheeld tot aan het thans nog bestaande deel van de historische zijgevel. De gevel wordt verder naar achteren toe doorgetrokken als onderdeel van de muur die de achterliggende bedrijfsruimte en het Rijksmonument scheidt. Aangezien de panden Herenstraat 42 en 44 niet met elkaar worden verbonden hebben de bouwwerkzaamheden aan Herenstraat 44 geen gevolgen voor het monumentale muurwerk van Herenstraat 42. Waardering Herenstraat 48 en Vlietstraat 6 Herenstraat 48 is met name waardevol als onderdeel van de historische stedelijke structuur van het centrum van Voorburg. Het representeert een in de kern mogelijk vroeg 17e-eeuws woonhuis op een smal en diep perceel. Door de vele aanpassingen zijn er weinig onderdelen met een hoge monumentale waarde.
Mogelijk zijn de kelder en de kapconstructie oorspronkelijk, het is echter niet mogelijk geweest dit volledig te onderzoeken. Vooralsnog hebben deze een hoge monumentale waarde toegekend gekregen. De delen van gevels en bouwmuren die tot de oorspronkelijke constructie behoren hebben eveneens een hoge monumentale waarde. In de nieuwe situatie wordt het pand hergebruikt. Waar de meeste schuren en werkplaatsen op achterterreinen zijn gesloopt, is Vlietstraat 6 meerdere keren aangepast aan nieuwe functies en nieuwe situaties. Door deze aanpassingen zijn wel veel bouwhistorisch waardevolle elementen verdwenen. De gevels dateren waarschijnlijk uit de eerste bouwfase en hebben een hoge monumentale waarde. De Philibertspanten, vermoedelijk uit de 19e eeuw, hebben eveneens een hoge monumentale waarde. Beide panten worden meegenomen bij de herontwikkeling van het plangebied, waarbij de cultuurhistorische waarden meegenomen worden naar de nieuwbouw. In geval van Vlietstraat 6 betreft dit het onder deskundig toezicht ontmantelen van het huidige pand en het opnieuw opbouwen daarvan met hergebruik van de cultuurhistorische waardevolle elementen. Tijdens het ontmantelen zullen de monumentale waarden worden gedocumenteerd om vervolgens te kunnen beoordelen welke onderdelen kunnen worden ingepast in het opnieuw opbouwen. Figuur 23.