CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2851 GRO - a04. rapport 19316 versie 2.2_Ruimtelijke onderbouwing Herentuyn Voorburg

Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen Herentuyn Voorburg (2851).32.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 71

Tijdens de veldbezoeken zijn drie verschillende soorten vleermuizen waargenomen, de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis. De gewone dwergvleermuis is enkele keren kortstondig foeragerend waargenomen. De rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis zijn uitsluitend overvliegend waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden gedurende de veldbezoeken dat er in het plangebied verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn louter enkele hoog overvliegende gierzwaluwen gezien. Laag vliegende en ‘gierende’ dieren zijn niet waargenomen. Gierzwaluwen hebben geen broedlocaties in het plangebied. Er is geen ontheffing van de wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. 4.12.2.3 Gebiedsbescherming Het plangebied is gesitueerd in het oude centrum van Voorburg. Dichtbij de winkelstraat de Herenstraat, op 200 meter van de Vliet. In figuur 32 is zichtbaar dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Figuur 32. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden (bron: IDDS).

De afstand tot en stikstofgevoeligheid van Natura 2000 gebieden is als volgt:  Meijendel & Berkheide - 5 km status stikstofgevoeligheid gevoelig tot zeer gevoelig;  Westduinpark & Wapendal - 7 km status stikstofgevoeligheid gevoelig tot zeer gevoelig;  Solleveld & Kapittelduinen - 10 km status stikstofgevoeligheid gevoelig tot zeer gevoelig. In dit kader is door IDDS een stikstofberekening uitgevoerd. Het rapport is terug te vinden als bijlage 11, de resultaten worden hieronder integraal weergegeven. Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS-calculator. Hierbij is er een berekening gemaakt van de uitstoot van het verkeer in de gebruiksfase. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. Omdat het projecteffect niet is dan 0,00 mol/ha/jr, geldt er geen vergunningsplicht volgens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Verder onderzoek is daarom niet benodigd.

Conclusie Het aspect natuur vormt zowel voor wat betreft soorten- als gebiedsbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 72

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Op 6 september 2012 is de Nota Parkeernormen; Voor nieuwe ontwikkelingen binnen de gemeente Leidschendam-Voorburg, vastgesteld. Voor de normen wordt aansluiting gezocht bij de kengetallen van het CROW. Daarnaast is het Verkeers- en Vervoerplan; Herijking 2014, met doorkijk naar 2040 vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2014. In het kader van de herontwikkeling moet gekeken worden wat de verkeersgeneratie is, wat de parkeerbehoefte is en hoe de ontsluiting geregeld wordt van de nieuwe functie om voldoende parkeerplaatsen te waarborgen en ongewenste verkeerssituaties tegen te gaan. Op basis van onderstaande figuur kan bepaald worden dat de projectlocatie gelegen is in het gebied “Centrum”. figuur 33. Zonering parkeren (Nota Parkeernormen)

Parkeren auto

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 73

Voor het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen 2012. Ook hier wordt voor Voorburg een zeer sterke mate van verstedelijking gehanteerd en voor de projectlocatie ‘Centrum’. In de Nota Parkeernormen is opgenomen dat bij locaties waar de functie gesloopt wordt en een nieuwe functie gerealiseerd wordt, de oude parkeersituatie betrokken kan worden. Uitgangspunt is en blijft dat de nieuwe parkeerdruk op het eigen terrein opgelost wordt. De parkeerdruk moet dus binnen het plangebied opgelost worden. Daarbij dienen parkeerplaatsen die in de oude situatie op het eigen terrein lagen, op het eigen terrein te blijven. Bestaande situatie In de bestaande situatie zijn de functies supermarkt en gemeentehuis aanwezig, net als een vijftal woningen. Er zijn geen parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig, waardoor de volledige parkeerbehoefte van de bestaande functies in de openbare ruimte wordt opgelost. Rphs+ architecten heeft een parkeerbalans opgesteld voor de bestaande situatie en de toekomstige situatie (zie bijlage 12). Op basis van de bestaande situatie is de totale parkeerbehoefte 79 parkeerplaatsen, waarvan 76 voor de commerciële voorzieningen en 3 voor de woningen. Het maatgevende moment is de werkdagmiddag, waar de behoefte 62 parkeerplaatsen betreft. figuur 36. Parkeerbehoefte bestaande situatie (bron: rphs+, 7 december 2021)

Deze plekken worden gevonden in de openbare ruimte, in de Sionstraat, Raadhuisstraat, Oude Haven en de parkeergarage Oude Haven. Op straat alleen al (maaiveld) zijn 47 parkeerplaatsen beschikbaar (inclusief mindervalide plaatsen). Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden 36 woningen en een supermarkt gerealiseerd met een totale parkeerbehoefte van 103 parkeerplaatsen. Het maatgevende moment is hier de zaterdagmiddag, waarbij in totaal een behoefte van 97 parkeerplaatsen geldt. Opgemerkt moet worden dat bij de bestaande situatie de

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 74

Herenstraat 40 meegenomen is als kantoor zonder baliefunctie. De sloop van Herenstraat 40 is meegenomen in de nieuwe situatie, maar de herontwikkeling hiervan maakt geen onderdeel uit van voorliggend plan. figuur 37. Parkeerbehoefte toekomstige situatie (bron: rphs+, 7 december 2021)

Met de realisatie van het bouwplan wordt tevens een parkeergarage gerealiseerd met circa 97 parkeerplaatsen. Dit is ten opzichte van de huidige situatie een toevoeging van 97 parkeerplaatsen, aangezien er op dit moment geen parkeerplaatsen binnen het plangebied aanwezig zijn. Op het maatgevende moment in de nieuwe situatie zijn er 97 parkeerplaatsen nodig, waarvan er dus al 97 in de parkeergarage aanwezig zijn. Dit betekent dat er in beginsel geen extra parkeerplaatsen gevonden hoeven te worden in de openbare ruimte. In de bestaande situatie is er op de zaterdagmiddag een parkeerbehoefte van 39 plekken die allen in de openbare ruimte parkeren. Ook zijn in de Sionstraat, Raadhuisstraat en Oude Haven in totaal 47 parkeerplaatsen aanwezig waar deze enkele parkeerplaats opgevangen kan worden (mede aangezien de huidige parkeerdruk 62 is). In de bestaande situatie ligt het maatgevende moment op de werkdagmiddag met 62 parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie is de parkeerbehoefte op de werkdagmiddag 71 parkeerplaatsen. Ook dan is er dus meer dan voldoende parkeerplaats in de nieuw te realiseren parkeergarage én op maaiveld (bestaande plekken) om te voorzien in de parkeerbehoefte van het nieuwbouwplan.

Bovendien is er zelfs sprake van een verlichting op de openbare parkeervoorzieningen: Afgezet tegen de huidige parkeerbelasting op de zaterdagmiddag (39) en de toekomstige piekbelasting op de zaterdagmiddag (97) en met het toevoegen van circa 97 nieuwe parkeerplaatsen, is er een surplus van 39 parkeerplaatsen. Fietsparkeren Op basis van de Nota parkeernormen zijn er twee fietsparkeerplekken nodig per woning. Voor de te realiseren woningen wordt het fietsparkeren inpandig opgelost: alle nieuwe woningen hebben een eigen berging van ca. 5m2 die voldoende ruimte biedt voor het stallen van 2 fietsen. Voor de supermarkt en overige detailhandel zijn op basis van de Nota parkeernormen op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) in totaal 65 fietsparkeerplaatsen nodig. Op dit moment zijn er al 31

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 75

fietsparkeerplaatsen in de Herenstraat rondom de ingang naar de huidige Hoogvliet aanwezig. In het nieuwbouwplan worden daar nog 22 plekken in de Vlietstraat bij gemaakt en 12 plekken in de Raadhuisstraat. Hiermee zijn er in totaal 65 fietsparkeerplaatsen aanwezig voor bezoekers van de Hoogvliet en overige detailhandel, waarmee de fietsparkeerbehoefte op het maatgevende moment goed opgevangen kan worden. Laadmogelijkheden elektrische voertuigen Op basis van het Bouwbesluit moet voldoende laadinfrastructuur ten behoeve van elektrische voertuigen worden aangebracht. In voorliggend plan zal worden voldaan aan deze eisen waarbij in ieder geval één oplaadpunt en leidingdoorvoeren (kabelgoot) voor oplaadpunten voor nog eens 19 parkeervakken gerealiseerd wordt. De onderverdeling naar bewoners en bezoekers zal nader bepaald worden evenals het uiteindelijke aantal oplaadpunten en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten, boven het minimum geëiste vanuit het bouwbesluit, in samenspraak en afstemming met gemeente en brandweer. Verkeersgeneratie Op basis van het type woningen kan, in combinatie met de mate van stedelijkheid, op basis van kengetallen van het CROW bepaald worden wat de te verwachten verkeersgeneratie is. De gemeente LeidschendamVoorburg wordt, met een omgevingsadressendichtheid van 2836, aangemerkt als zeer sterk stedelijk. Binnen Voorburg ligt de planlocatie in het centrum.

Op basis van deze gegevens de maximale verkeersgeneratie van het woningbouwprogramma bepaald worden. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW- publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de volgende invoergegevens als uitgangspunt gediend: centrum Voorburg– sterk stedelijk. Hierbij is de toekomstige verkeersgeneratie afgezet tegen de huidige (planologische) verkeersgeneratie. In onderstaande tabel is deze berekening weergegeven. Verkeersgeneratie Bestaande situatie Woning koop, etage, duur Woning koop, etage, midden Detailhandel overig Supermarkt Kantoor (gemeentehuis) Totaal Nieuwe situatie Woning koop, tussenwoning Woning koop, etage, duur Woning koop, etage duur (bestaand) Woning, koop, etage, midden Supermarkt Totaal

1 1 245 m2 1.370 m2 3.500

4,5 – 5,3 = gem 4,9 2,9 – 3,7 = gem 3,3 21,3 – 28,6 = gem 24,95 per 100m2 31,1 – 72,7 = gem 51,9 per 100 m2 4,2 – 6,6 = 5,4 per 100 m2

4,9 3,3 61,1 503,4 189 761,7

12 21 2 1 1.875 m2

4,5 – 5,3 = gem 4,9 4,5 – 5,3 = gem 4,9 4,5 – 5,3 = gem 4,9 2,9 – 3,7 = gem 3,3 31,1 – 72,7 = gem 51,9 per 100 m2

58,8 102,9 9,8 3,3 973,1 1147,9

Netto toevoeging: 1147,9 – 761,7 = 386,2 motorvoertuigen per etmaal De totale verkeersgeneratie per etmaal ligt op 1148 motorvoertuigen. Ten opzichte van de huidige situatie betekent dit een toevoeging van 387 motorvoertuigen per etmaal. Deze toevoeging is op te vangen door de bestaande wegenstructuur en leidt niet tot significant negatieve effecten op deze wegenstructuur. Binnen het plangebied worden meer parkeerplaatsen gerealiseerd dan nodig en zo is er bijvoorbeeld op de zaterdagmiddag een surplus van 39 parkeerplaatsen. Deze extra parkeerplaatsen zorgen voor een verlichting op de bestaande parkeerdruk in het centrum en kunnen dan ook gebruikt worden door bezoekers van het centrum van Voorburg. Deze verkeersbewegingen zijn dus niet volledig toe te wijzen als nieuwe bewegingen, Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 76

maar zijn nu voor een groot deel ook al aanwezig. Dit zijn mensen die nu al in of rondom het centrum parkeren. Deze verkeersbewegingen zijn overigens ook goed af te wikkelen op de bestaande wegenstructuur. Ontsluiting De Herenstraat is voor het grootste deel een voetgangerszone, waar het verboden is om met de auto in te rijden. Ook de Vlietstraat is in verboden voor auto’s, behalve voor het laden en lossen van vrachtverkeer. In de Raadhuisstraat is wel tweerichtingsverkeer toegestaan. De in- en uitgang van de te realiseren ondergrondse parkeergarage zal dan ook aan de Raadhuisstraat worden gevestigd. Via de Raadhuisstraat is in zuidelijke richting de Kerkstraat te bereiken, welke aansluiting vindt op de Westvlietweg. In noordelijke richting staat de Kerkstraat opnieuw in verbinding met het Huygenskwartier. In noordelijke richting is via de Raadhuisstraat opnieuw de Herenstraat te bereiken, welke aansluit op de Rozenboomlaan en het Oosteinde. Via de Rozenboomlaan is de Parkweg te bereiken, een centrale weg in Voorburg. Vanaf de projectlocatie voert de Parkweg in westelijke richting, via het centrum van Voorburg, de Laan van Nieuw Oosteinde en de Maanweg naar de aansluiting op de A12. Richting het oosten leidt de Parkweg via Oosteind en de N14 naar de aansluiting op de A4.

Laden en lossen De supermarkt zal net als in de huidige situatie laden en lossen ter plaatse van de Raadhuisstraat. Verschil is wel dat de vrachtwagen hier vrijwel volledig de supermarkt in kan rijden, waardoor inpandig gelost wordt en de overlast in de Raadhuisstraat geminimaliseerd wordt. Figuur 34. Plattegrond begane grond, in- en uitgang parkeergarage en laad en losplek.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 77

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Beleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate waarin wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SVIR en blijft als uitwerking van de SVIR bestaan. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren.

Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daar- bij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 78

In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een 'goede ecologische toestand' (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Water- en rioleringsplan 2022 -2027 Het beleidsdocument 'Water en rioleringsplan Leidschendam-Voorburg 2022-2027' is vastgesteld op 10 november 2021. De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft wettelijke taken (zorgplicht) op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater en beleids- en beheertaken voor het oppervlaktewater en klimaatadaptatie. In dit Water- en rioleringsplan 2022-2027 (WRP) is de toekomstvisie voor 2050 op de zorg voor riolering en grond- en oppervlaktewater beschreven. Een bijbehorende strategie beschrijft vervolgens hoe we aan de hand van beleidsdoelen van de huidige situatie geleidelijk komen naar het toekomst wensbeeld in 2050. De maatregelen die hiervoor nodig zijn, zijn op hoofdlijnen in dit plan beschreven.

Verdere detailuitwerking vindt plaats in jaarlijkse operationele plannen. Beleid waterbeheerder In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. De missie van het Hoogheemraadschap van Delfland (droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater) staat centraal. Het WBP6 beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met genoemde uitdagingen om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. Dit document bevat de strategische beleidskaders voor de jaren 2022 t/m 2027. In het WBP6 zijn de waterbeheertaken van de waterschappen voor de komende zes jaar op een overzichtelijke wijze gepresenteerd via verschillende thema’s, die per thema concrete maatregelen bevat. Watertoets Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Standstill-beginsel (thema Voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijke plan.

De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.

Relatie tot ontwikkeling Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 79

dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Situatie plangebied Verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en waterkwaliteit ter plaatse van de projectlocatie is het hoogheemraadschap van Delfland. Voor de riolering is de gemeente Leidschendam-Voorburg het bevoegd gezag. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Bij een toename van het verhard oppervlak kan een watervergunning en kunnen compenserende maatregelen aan de orde zijn. Het plangebied is in de huidige situatie al voor het overgrote deel verhard met bebouwing en bestrating. Er is op dit moment circa 195 m2 onverhard terrein aanwezig. In de toekomstige situatie is opnieuw sprake van een overwegend verharde situatie, maar wordt juist ook extra groen teruggebracht. Het nieuwe groen op maaiveld in de vorm van tuinen en boomvakken bedraagt in totaal circa 221 m2. Daarnaast wordt nog 56 m2 groen gerealiseerd op de parkeerbak (in de Vlietstraat en deels in de tuinen). Op de daken wordt op het eerste en tweede niveau nog eens 95 m2 en 128 m2 aan groen gerealiseerd.

In totaal wordt er binnen het projectgebied dus circa 500 m2 aan groen gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren is gebruik gemaakt van de Watersleutel. Deze rekentool heeft Delfland ontwikkeld om voor eenvoudige plannen op basis van een aantal kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem snel inzicht te krijgen in de benodigde compensatie. De huidige hoeveelheid oppervlaktewater geldt vanuit het waterschap als absoluut minimum. Het plangebied kent geen waterbergingstekort. Vanuit het Water- en rioleringsplan dient bij herontwikkeling de bergingscapaciteit tenminste gelijk te blijven. Belangrijk bij het bepalen van een eventuele wateropgave is de vraag of de ruimtelijke ontwikkeling de hoeveelheid m2 verhard oppervlakte vergroot. Op basis van de bestaande en toekomstige aantal vierkante meter groen in het plangebied kan geconcludeerd worden dat de hoeveelheid verharding in de nieuwe situatie met circa (500-195) 305 m2 afneemt, waarvan bij (221-1995) 26 m2 het hemelwater direct in de bodem geïnfiltreerd kan worden. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een flinke kwaliteitswinst ten opzichte van de waterhuishouding in onderhavig plangebied.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 80

figuur 38. Groen/onverhard bestaand en toekomstig maaiveld (Bron: RPHS architecten, bewerking Mees)

Klimaatadaptatie Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 81

verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. Vasthouden water Op basis van de uitgevoerde watersleutel (bijlage 13) blijkt dat in het kader van de klimaatdoelstelling voor 2050 er ondanks de afname van het aantal vierkante meter verharding toch nog gezocht moet worden naar 33,7 m3 aan waterberging. Hierbij is enkel het aantal groen dat nu direct infiltreert in de bodem meegenomen in de nieuwe situatie (221 m2). Het hoogheemraadschap van Deltland heeft dit met haar brief d.d. 21 juni 2021 met kenmerk 1529414 (bijlage 13, onderdeel memo) bevestigd. Voor deze waterberging is een oplossing gezocht om de borgen dat er een goede invulling wordt gegeven aan de uitgangspunten van goed waterbeheer. In de memo van rphs+ van 30 maart 2022 (bijlage 14) wordt hier invulling aan gegeven. Naar aanleiding van deze conclusie is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor waterberging cq. goed waterbeheer. Deze onderzoeken betroffen: a. het graven van extra oppervlaktewater, zoals aangedragen door het Hoogheemraadschap; b. het bergen van water d.m.v. het plaatsten van “waterretentie-elementen” op het kelderdek t.p.v. de Vlietstraat; c. het bergen van water door de toepassing van “steenwol infiltratiebuffers” of kunststof kratten t.p.v.

het trottoir Raadhuisstraat of aan de oostzijde van het plangebied op/in het terrein van Waaijer Project Realisatie Sionsstraat 9; d. het direct afvoeren van het schoonwaterriool naar de Vliet; e. het bergen van water in de parkeergarage (onder de expeditie van de supermarkt). Na onderzoek is geconstateerd dat de mogelijkheden a, b en c niet voor de hand liggen vanwege dat: a. het extra graven van oppervlaktewater niet past binnen de huidige ontwikkeling; b. het plaatsen van “waterretentie-elementen” op het parkeer Vlietstraat te veel ruimte in beslag neemt om voldoende water te kunnen bufferen als gevolg van de beperkte hoogte tussen bovenzijde parkeerdek en bovenzijde maaiveld in combinatie met de toekomstige leiding tracés; c. het toepassen van “steenwol infiltratiebuffers” of kunststof kratten in het maaiveld niet goed zal werken vanwege de aanwezige hoge grondwaterstand (variërend tussen ca. 0.75 m – maaiveld en 1.05 m – maaiveld) i.r.t. de noodzakelijke dekking boven dit systeem, pakketdikte en afstand tot het grondwaterpeil (0,40+0,50+0,20 m). Hieruit volgt dat d en e voor dit project mogelijke opties zijn, waarbij optie d “het direct lozen van de schoonwaterriolering op de Vliet” de voorkeur heeft. Deze oplossing is vanuit de gemeente LeidschendamVoorburg aangedragen tijdens het overleg d.d. 05.11.2021.

Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat deze optie (nog) niet acceptabel is. Daartoe blijft optie e “waterberging in de parkeergarage” over. In de parkeergarage is onder de expeditie begane grond een ruimte beschikbaar van 35 m2 met een vrije hoogte van circa 2,2 m. Uit de tabel van de watersleutel is af te lezen dat er in 48 uur 130l/m2 moet kunnen worden verwerkt. Het totaal dakoppervlak van het hoogste dak aan de Raadhuisstraat bedraagt ca. 550 m2 en kan indien 60% van de hier aanwezige hemelwaterafvoeren lozen in de bufferruimte parkeergarage een capaciteit verwerken van ((550 m2 x 60%) x 0.13 m3/m2 =)) 42.9 m3, ruim voldoende om aan de gevraagde 33.7 m3 te kunnen voldoen. Het water wat wordt geborgd in deze ruimte in de parkeergarage zal uitgepompt worden gezien dit niet op natuurlijke wijze afgevoerd kan worden. Tegengaan hittestress Met de herinrichting van de buitenruimte rondom het project in zowel de tuinen als in de openbare ruimte wordt meer groen toegevoegd. Zo worden er bomen en boomvakken aangelegd in de Raadhuisstraat en worden er op maaiveld groene (onverharde) tuinen gerealiseerd. De gevels in de Vlietstraat worden daarnaast ook deels voorzien van groen en op de daken worden groenzones gerealiseerd en beplanting aangebracht. Het toevoegen van groene daken en gevels zorgt voor een vermindering van hitte in het nieuwbouwplan.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 82

Beschermde gebieden en onderhoud watergang Het plangebied ligt op ruim 100 meter afstand van de watergang Trekvliet (primair water) en de naastgelegen regionale waterkering en daarmee ook buiten de beschermingszone van deze waterkering. figuur 39: uitsnede legger

Grondwater Met de realisatie van het nieuwbouwplan wordt een ondergrondse parkeergarage gerealiseerd. Dit kan gevolgen hebben voor de grondwaterstand van de omliggende percelen. In dit kader is door CRUX Engineering BV een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 15). Als gevolg van de realisatie van een parkeerkelder wordt een ondergrondse barrière gecreëerd. De doorstroming van grondwater op kavelniveau wordt hierdoor beperkt. In het onderzoek is het effect van de barrière op de grondwaterstand in de permanente situatie berekend. De parkeerkelder wordt gerealiseerd middels CSM wanden tot NAP 11 m waardoor de freatisch watervoerende laag volledig wordt afgesloten. De afsluiting gaat gepaard met:  een grondwaterstroom van 9m3/d die om de parkeerkelder heen moet stromen;  een verhoging van de grondwaterstand bovenstrooms (zijde Herenstraat) van 5 cm;  een verlaging van de grondwaterstand benedenstrooms (zijde Raadhuisstraat) van 6 cm. De effecten worden als verwaarloosbaar tot zeer beperkt beoordeeld. Ook na de realisatie van de parkeerkelder wordt zowel aan de Raadhuisstraat als aan de Herenstraat een ontwateringsdiepte van minimaal 90 cm bereikt (90 cm mv). Deze ontwateringsdiepte zou geen problemen moeten opleveren voor het gebruiksdoel woning, met of zonder kruipruimte.

Naar aanleiding van deze geohydrologische beschouwing worden geen aanvullende maatregelen geadviseerd. Op basis van de legger ligt de duiker buiten het kadastrale perceel waaruit het projectgebied bestaat. De instandhouding van de constructie en het onderhoud ten behoeve van de doorstroming van de duiker berust bij de eigenaar van de grond waarin de duiker is gelegen. In geval de nieuwbouw binnen het kadastrale perceel blijft, lijkt hier geen belemmering te zijn. Riolering De gemeente stelt als eis dat nieuwbouwplannen voorzien in het gescheiden aanbieden van vuilwater en schoon hemelwater. Schoon hemelwater kan dan (op termijn) worden 'afgekoppeld' van het gemengde rioolstelsel en (vertraagd) afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. In voorliggend project wordt in ieder geval aangesloten op het huidige systeem in de omgeving en wordt het hemelwater en afvalwater op gescheiden aangeboden. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de infiltratiemogelijkheden die gerealiseerd worden door nieuwe groenstroken aan te leggen in de

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 83

openbare ruimte rondom het gebouw. Bovendien wordt het hemelwater via de straat afgevoerd naar de nabijgelegen watergang (Trekvliet), wat zorgt voor ontlasting van het rioolsysteem ter plaatse.

Conclusie Met voorliggende ontwikkeling wordt voldaan aan de eisen uit de watertoets door het aanbrengen van extra groen in het kader van vasthoudmaatregelen en hittestress. Ook vormt de realisatie van de nieuwe parkeerkelder geen probleem voor de grondwaterstand van omliggende percelen: het berekende effect is verwaarloosbaar. Het aspect water vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van dit stukje centrumgebied in Voorburg.

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Het bevoegd gezag dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van 36 woningen en een supermarkt van 1.875 vierkante meter bvo. Een dergelijke ontwikkeling kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. Er geldt geen directe m.e.r.beoordelingsplicht, een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel noodzakelijk. Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. Aanmeldnotitie Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie met daarin opgenomen de vormvrije m.e.r.-beoordeling is toegevoegd aan de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Geconcludeerd kan worden dat er geen significant negatieve effecten op het milieu ontstaan als gevolg van de herontwikkeling van het projectgebied.

De activiteiten die mogelijk worden gemaakt zijn, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Op basis van de aanmeldnotitie neemt het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 84

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden, waarop de verwezenlijking van een bouwplan als genoemd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgenomen. Met deze dwingende wettelijke regeling heeft de wetgever beoogd een transparante en rechtvaardige regeling vast te leggen op basis waarvan door de gemeente gemaakte grondexploitatiekosten op de particuliere grondeigenaren binnen het te exploiteren gebied kunnen worden verhaald. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing geeft de motivering behorende bij de ingediende aanvraag omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ die het project ‘Herentuyn’ planologisch mogelijk maakt. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De vaststelling van een exploitatieplan is zoals gezegd voor de in het Bro genoemde gevallen dwingend voorgeschreven. De gemeenteraad kan echter bij het besluit tot de vaststelling van een bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning tevens besluiten van de gelijktijdige vaststelling van een exploitatieplan af te zien, indien het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in dat bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen anderszins is verzekerd.

Onder 'anderszins verzekerd zijn' kan in het bijzonder worden verstaan verhaal van deze grondexploitatiekosten via het privaatrechtelijke spoor, zoals door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer / grondeigenaar. Ten behoeve van het voorliggende plan heeft de gemeente Leidschendam-Voorburg een zogenoemde koop-, ontwikkel- en realisatieovereenkomst gesloten met de ontwikkelende partij. In deze overeenkomst, die als een anterieure overeenkomst kan worden aangemerkt, zijn partijen overeengekomen dat het plankostenverhaal verdisconteerd is in de prijs, waarvoor de gemeente de in het plan begrepen gronden verkoopt aan de ontwikkelende partij. Daarmee is het plankostenverhaal anderszins verzekerd en kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid en onderbouwing van de behoefte kan gesteld worden dat op basis van de in paragraaf 4.1 doorlopen toets aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking, de behoefte aan de in het plan beoogde woningen en het verplaatsen en vergroten van de supermarkt voldoende is aangetoond.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie De ontwikkeling van het plan Herentuyn heeft een uitgebreid participatietraject doorlopen. Vanaf 2017 zijn diverse plenaire sessies georganiseerd en is een klankbordgroep opgericht die met enige regelmaat op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkeling. In de klankbordgroep zijn vertegenwoordigers van omwonenden, ondernemers en gemeente aanwezig. Het participatietraject zal door blijven lopen tijdens de omgevingsvergunningaanvraag. Door Waaijer projectrealisatie is een participatieverslag opgesteld dat als bijlage terug te vinden is. Samengevat is het plan naar aanleiding van de ontvangen feedback qua bouwhoogte aan de zijde van de Raadhuisstraat aangepast (teruggebracht tot een maximum van 2 woonlagen boven de begane grond) en is

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 85

de architectuur aangepast. Ook is uiteindelijk gekozen om de bestaande panden aan de Herenstraat 44. 46 en 48 te handhaven en te integreren in het plan. Naast de plenaire sessies en klankbordgroep zijn de eigenaren van alle percelen met een direct belang (aangrenzende percelen en percelen binnen de invloedssfeer met uitzondering van de beide VVE’s) individueel per brief aangeschreven en uitgenodigd voor een gesprek. Ook de eigenaren van de winkelpanden in het centrum van Voorburg zijn op verzoek van de ondernemersvereniging uitgenodigd voor een aparte bijeenkomst in 2018. Op individueel niveau zijn afspraken gemaakt over de gevolgen van het plan op de tuinen of woningen van de direct omwonenden.

Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 86

Mees Ruimte & Milieu | 19316.GRO 2.2

Pagina | 87

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=72c1bc5a-5bac-4eb4-a9ec-defaeb49b345